Onderwijskundig besluit WEC

Geldend van 01-08-2003 t/m 31-07-2004

Besluit van 18 september 1985, houdende voorschriften van onderwijskundige aard voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, van 18 juli 1985, nr. 6400/2271B, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 9, derde lid, 16, eerste lid, 19a, eerste lid, 33 , tweede en derde lid, en 111, derde, vierde en zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs ( Stb. 1984, 654);

Gehoord de Onderwijsraad (advies van 6 februari 1985, nr. O.R. III/100189LO);

De Raad van State gehoord (advies van 23 augustus 1985, nr. W05.85.0412/12.5.34);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, drs. G. van Leijenhorst, van 16 september 1985, nr. 6713/2271B, centrale directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

wet: Wet op de expertisecentra;

Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

school: een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, b, c, f, g, h, j, k, m of n, van de wet, dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de wet, tenzij het tegendeel blijkt;

instelling: instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet;

bevoegd gezag voor wat betreft:

  • a. een openbare school: het college van burgemeester en wethouders voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens een gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;

  • b. een bijzondere school: de rechtspersoon bedoeld in artikel 44 van de wet;

ouders: ouders, voogden of verzorgers;

schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;

afdelingen: de afdelingen bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, tenzij het tegendeel blijkt;

meervoudig gehandicapte kinderen: kinderen met combinaties van handicaps als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de wet;

stage: de stage bedoeld in artikel 17 van de wet;

stagegever: de rechtspersoon of de natuurlijke persoon bij wie de stage wordt doorlopen;

stageleraar: leraar van de school waarop de leerling is ingeschreven, belast met de begeleiding van de leerling tijdens de stage;

stagebegeleider: degene die is belast met de begeleiding van de leerling en werkzaam is bij de stagegever;

symbiose: onderwijs waarbij een leerling of leerlingen, ter uitvoering van een deel van het schoolplan voor zover het betrekking heeft op speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, onderwijs ontvangt onderscheidenlijk ontvangen op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor voortgezet onderwijs of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs;

ambulante begeleiding: de begeleiding, bedoeld in artikel 8a, derde lid onder b, van de wet;

teldatum: een van de data, bedoeld in artikel 93b van de wet.

Titel II. Afdelingen

Artikel 2. Afdelingen voor meervoudig gehandicapte kinderen

  • 1 Aan een school voor speciaal onderwijs en voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs waar onderwijs wordt gegeven als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel a tot en met c, f, en h tot en met m van de wet, kan een afdeling worden verbonden voor speciaal onderwijs aan meervoudig gehandicapte kinderen.

  • 2 De afdeling bedoeld in het eerste lid, is bestemd voor kinderen met eenzelfde meervoudige handicap, met dien verstande dat een van de handicaps de handicap is op grond waarvan zij tot de school waaraan de afdeling is verbonden, kunnen worden toegelaten.

  • 3 Onze Minister geeft voorschriften voor de toelating tot een afdeling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3. Afdelingen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden

Aan scholen voor speciaal onderwijs en voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan slechthorende kinderen kan een afdeling voor speciaal onderwijs aan kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden worden verbonden.

Titel IIA. Vakken in het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen

Artikel 5a. Vakken in het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen

  • 1 Voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen omvat, waar mogelijk in samenhang, ten minste:

    • a. Nederlandse taal, waaronder in elk geval wordt verstaan een functionele communicatievaardigheid in de Nederlandse taal voor wat betreft het mondelinge taalgebruik en, afhankelijk van de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling, het schriftelijke taalgebruik, gericht op de huidige en de te verwachten leef- en werksituatie van de leerling;

    • b. kennisgebieden bestaande uit, in samenhang, aardrijkskunde, geschiedenis, maatschappijleer en kennis der natuur, waaronder in elk geval wordt verstaan een functioneel aanbod van deze gebieden, leidende tot fundamentele vaardigheden welke zinvolle toepassingen mogelijk maken als het zich oriënteren in ruimte en tijd, het omgaan met mensen in verschillende situaties en in verschillende maatschappelijke rollen, het omgaan met dieren en planten en het omgaan met voorwerpen en verschijnselen uit de natuur;

    • c. rekenen en wiskunde, waaronder in elk geval wordt verstaan de vaardigheid van het praktisch omgaan met rekenkundige grootheden en het toepassen van eenvoudige rekenvaardigheden;

    • d. bevordering van sociale redzaamheid, waaronder in elk geval worden verstaan de vaardigheden die van wezenlijk belang zijn voor het leggen van sociale contacten en deelname aan het maatschappelijk verkeer, daaronder begrepen aspecten van sanitaire en cosmetische zorg, zorg voor de woning, de voeding en de kleding, vormen van sociale omgang in de huidige en de te verwachten leef- en werksituatie van de leerling en gedrag in het verkeer;

    • e. muziek, waaronder in elk geval wordt verstaan een systematische muzikale vorming, gericht op het leren luisteren naar muziek, het leren uiten van de eigen belevingswereld van de leerling met behulp van stem en instrument en het leren omgaan met ritmische elementen;

    • f. tekenen, waaronder in elk geval wordt verstaan de vaardigheid van het hanteren van teken- en schildermaterialen, van eenvoudige plattevlak-technieken en van het creatief vormgeven op papier van de eigen belevingswereld van de leerling;

    • g. handvaardigheid, waaronder in elk geval wordt verstaan het leren omgaan met verschillende materialen, de beheersing van daarbij passende eenvoudige technieken en het door middel daarvan creatief vormgeven aan de eigen belevingswereld van de leerling;

    • h. lichamelijke oefening, waaronder in elk geval wordt verstaan een systematische bewegingsopvoeding, gericht op beheersing van motorische, sociale en cognitieve vaardigheden met betrekking tot verschillende spel- en bewegingsvormen, zwemmen daaronder begrepen, de ontwikkeling van een goede lichamelijke conditie en een positieve bewegingsbeleving.

  • 2 Voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen omvat voorts ten minste 2 van de vakken die gegeven worden in het lager beroepsonderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, anders dan de vakken bedoeld in het eerste lid.

Titel III. Stage

Artikel 6. Stage in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs

  • 1 Voor leerlingen die voortgezet speciaal onderwijs ontvangen, kan het onderwijs een stage omvatten die wordt doorlopen op een of meer stageplaatsen, ter beschikking gesteld door een of meer stagegevers.

  • 2 Voor leerlingen die speciaal onderwijs ontvangen kan het onderwijs de in het eerste lid bedoelde stage omvatten indien dit in het belang van de leerlingen is en deze de leeftijd hebben bereikt waarop zij stage mogen lopen.

Artikel 7. Stageplan

Indien het onderwijs een stage omvat, worden het doel, de inhoud, de omvang, de opbouw en de organisatie van de stage beschreven in een stageplan.

Artikel 8. Duur van de stage

  • 1 De duur van de stage bedraagt ten hoogste twintig weken per schooljaar, gedurende ten hoogste 3 schooljaren.

  • 2 Ten behoeve van het voorzien in of de voltooiing van een stage kan de inspecteur op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Hij kan daarbij voorschriften geven.

Artikel 9. Stage-overeenkomst

  • 1 Het bevoegd gezag sluit met de leerling of diens wettelijke vertegenwoordiger en de stagegever te zamen een schriftelijke stage-overeenkomst waaruit blijkt dat de leerling leeractiviteiten ontplooit in het kader van het stageplan.

  • 2 De stage-overeenkomst bevat in elk geval:

    • a. de leeractiviteiten die de leerling moet ontplooien en de werkzaamheden die hij bij de stagegever moet verrichten;

    • b. de aanvangsdatum, de einddatum en de tijden van de stage;

    • c. een regeling voor de begeleiding van de leerling bij de stagegever waarin in elk geval duidelijk wordt gemaakt welk aandeel in de begeleiding door de stageleraar van de school waarop de leerling is ingeschreven, alsmede door de stagebegeleider, aan te wijzen door of namens het bevoegd gezag onderscheidenlijk de stagegever, wordt verzorgd;

    • d. de wijze waarop de stagegever bij de beoordeling van de leeractiviteiten van de leerling wordt betrokken;

    • e. een regeling die de inspecteur in staat stelt zich op de hoogte te stellen van de leeractiviteiten die de leerling bij de stagegever ontplooit.

Artikel 10. Verzekering

Het bevoegd gezag draagt zorg dat de leerling gedurende de stage en gedurende de reis van de school naar het terrein van de stagegever en omgekeerd, alsmede de stageleraar gedurende de tijd dat hij zich bevindt op het terrein van de stagegever, zijn verzekerd tegen het risico van ongevallen en wettelijke aansprakelijkheid. Van de verplichting bedoeld in de vorige volzin, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing verlenen, indien het godsdienstige of levensbeschouwelijke bezwaren heeft tegen verzekering. Onze Minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen waaruit de gevolgen van een ongeval of van aansprakelijkheid in geval van schade aan derden kunnen worden gedekt.

Titel IV. Symbiose

Artikel 11. Symbiose

Indien symbiose plaatsheeft, volgt de leerling, dan wel volgen de leerlingen aan de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor voortgezet onderwijs of de instelling voor educatie en beroepsonderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs.

Artikel 12. Symbiose-overeenkomst

  • 1 Voor symbiose is vereist dat tussen het bevoegd gezag van een school en het bevoegd gezag van een school of inrichting voor voortgezet onderwijs een schriftelijke overeenkomst inzake de uitvoering daarvan wordt gesloten.

  • 2 De overeenkomst bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan voor een termijn van ten minste 2 aaneengesloten schooljaren en bevat in elk geval:

    • a. de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan;

    • b. de vakken waarin de leerling, dan wel de leerlingen van de school onderwijs zullen ontvangen op de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor voortgezet onderwijs of de instelling voor educatie en beroepsonderwijs;

    • c. het aantal lesuren per week dat per vak als bedoeld in onderdeel b, ten minste zal kunnen worden geboden;

    • d. de afspraken welke worden gemaakt inzake de aanwezigheid bij de lessen van een leraar van de school;

    • e. of en zo ja, welk bedrag voor door de leerling, dan wel de leerlingen van de school verbruikte materialen jaarlijks aan het bevoegd gezag van de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor voortgezet onderwijs of de instelling voor educatie en beroepsonderwijs zal worden betaald;

    • f. of en zo ja, welk bedrag voor het gebruik van de lokalen van de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor voortgezet onderwijs of de instelling voor educatie en beroepsonderwijs jaarlijks aan het bevoegd gezag van die school of inrichting zal worden betaald.

Titel V. Ambulante begeleiding, partieel en tijdelijk meetellen van leerlingen

Artikel 14. Ambulante begeleiding met betrekking tot het onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel a tot en met c, f en n, van de wet

[Vervallen per 01-08-2003]

Artikel 15. Partieel en tijdelijk meetellen van leerlingen met betrekking tot het onderwijs bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel h tot en met m, van de wet

[Vervallen per 01-08-2003]

Artikel 16. Ambulante begeleiding met betrekking tot het onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onderdeel h tot en met m en o, van de wet

[Vervallen per 01-08-2003]

Titel VII. Bewijzen van bekwaamheid

Artikel 22. Bewijzen van bekwaamheid

De bewijzen van bekwaamheid die bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs in een allochtone levende taal als bedoeld in artikel 158, eerste lid, van de wet zijn:

  • a. het diploma van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer voor buitenlandse onderwijsgevenden;

  • b. het diploma van de applicatiecursus eigen taal en cultuur te zamen met

    • 1°. een verklaring van het Instituut voor Toetsontwikkeling dat de toets Nederlands als tweede taal voor OETC-leraren met goed gevolg is afgelegd,

    • 2°. een diploma van het staatsexamen Nederlands als tweede taal volgens programma II,

    • 3°. een verklaring van het Instituut voor Toetsontwikkeling dat een, twee of drie onderdelen van de toets Nederlands als tweede taal voor OETC-leraren met goed gevolg is onderscheidenlijk zijn afgelegd alsmede de met de overige onderdelen van die toets overeenkomende certificaten van het staatsexamen Nederlands als tweede taal volgens programma II,

    • 4°. een certificaat Nederlands als vreemde taal van de Nederlandse Taalunie waarbij de examens op het hoogste niveau zijn afgelegd,

    • 5°. een diploma, een certificaat Nederlandse taal en letterkunde of een certificaat Nederlandse taal van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het hoger algemeen voortgezet onderwijs of een opleiding van het middelbaar beroepsonderwijs die uitsluitend of mede is gericht op doorstroming naar het hoger beroepsonderwijs,

    • 6°. één van de bewijzen van bekwaamheid, genoemd in artikel 171, eerste lid, van de wet, dan wel een bevoegdheid op grond van artikel 171, tweede lid eerste volzin, van de wet,

    • 7°. een met een onder 5° of 6° bedoeld diploma vergelijkbaar diploma behaald in het Nederlandstalige onderwijs in België,

    • 8°. een getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de vierjarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Arabisch, of

    • 9°. een getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de vierjarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Turks;

  • c. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar in één der allochtone levende talen in het primair onderwijs;

  • d. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, tezamen met een verklaring dat de leerroute onderwijs in allochtone levende talen met gunstig resultaat is voltooid;

  • e. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd examen in de vierjarige deeltijdse studierichting leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Turks, of in Arabisch, tezamen met een verklaring dat de leerroute onderwijs in allochtone levende talen met gunstig resultaat is voltooid;

  • f. het diploma van de pedagogisch-didactische cursus onderwijs in een allochtone levende taal.

De bevoegdheid bedoeld in de eerste volzin betreft het geven van onderwijs in de taal van het land van oorsprong van de bezitter van het diploma of van diens ouders.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage, 18 september 1985

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,

G. van Leijenhorst

Uitgegeven de tiende oktober 1985

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

Terug naar begin van de pagina