Wet tot behoud van cultuurbezit

[Regeling vervallen per 01-07-2016.]
Geldend van 01-01-2002 t/m 31-05-2002

Wet van 1 februari 1984, houdende vaststelling van de Wet tot behoud van cultuurbezit

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het behoud van het Nederlands cultuurbezit te bevorderen door het vaststellen van bepalingen die de mogelijkheid openen te voorkomen dat voorwerpen van bijzondere cultuur-historische of wetenschappelijke betekenis teloorgaan voor het Nederlands cultuurbezit;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 1

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

    • a. beschermd cultureel erfgoed: een beschermd voorwerp, een roerende zaak als bedoeld in artikel 14a of een cultuurgoed als bedoeld in artikel 14b.

    • b. beschermd voorwerp: een roerende zaak van cultuur-historische of wetenschappelijke betekenis die zelfstandig of als onderdeel van een verzameling voor het Nederlands cultuurbezit behoort te worden behouden en daartoe is geplaatst op de ingevolge deze wet te houden lijst of deel uitmaakt van een op deze lijst geplaatste verzameling;

    • c. verzameling: roerende zaken, die uit cultuur-historisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar behoren;

    • d. de Raad: de Raad voor cultuur, bedoeld in artikel 2a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

    • e. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

    • f. de inspecteur: de als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar.

  • 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Hoofdstuk II. Aanwijzing van beschermde voorwerpen

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 2

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Onze Minister wijst, de Raad gehoord, roerende zaken aan als beschermd voorwerp door deze of de verzameling waarvan zij onderdeel uitmaken, op een lijst van beschermde voorwerpen te plaatsen. In spoedgevallen kan Onze Minister een voorwerp of verzameling op de lijst plaatsen voordat het advies van de Raad is ingewonnen; tegelijkertijd wordt het advies van de Raad over de plaatsing gevraagd.

  • 2 Onze Minister stelt, gehoord de eigenaar en de Raad, vast welke voorwerpen tot een op de lijst geplaatste verzameling behoren. Deze beschrijving van de verzameling wordt bij de lijst gevoegd.

  • 3 Bij elke plaatsing op de lijst wordt de reden van de plaatsing vermeld. Slechts met toestemming van de eigenaar mag deze vermelding of de ingevolge de tweede volzin van het tweede lid bij de lijst gevoegde beschrijving van een verzameling een aanduiding bevatten van de naam van de eigenaar of een zijner verwanten dan wel van de verblijfplaats van een voorwerp of een verzameling.

  • 4 Onze Minister kan, de Raad gehoord, een voorwerp of een verzameling van de lijst schrappen, omschrijving en aanduidingen wijzigen en voorwerpen aan de beschrijving van een verzameling toevoegen of daarvan schrappen.

  • 5 Onze Minister maakt een adviesaanvrage aan de Raad inzake een voornemen tot schrapping van een voorwerp of verzameling van de lijst of tot wijziging in de vermelding daarvan op de lijst te voren bekend in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 3

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Indien in een spoedgeval de Raad nog niet is gehoord over de plaatsing van een voorwerp of verzameling op de lijst, wordt dat bij de bekendmaking van het desbetreffende besluit vermeld.

  • 2 Een afschrift van de lijst en van de daarbij gevoegde beschrijvingen, zonder vermelding van eigenaren en verblijfplaatsen van de beschermde voorwerpen en verzamelingen, ligt kosteloos voor een ieder ter inzage ten departemente van Onze Minister. Afschrift daarvan wordt tegen vergoeding van de kosten verstrekt.

  • 3 Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften vast over de inrichting van de lijst, over de beschrijving van verzamelingen en over de vorm en wijze, waarop de in deze wet genoemde kennisgevingen dienen te geschieden.

Artikel 4

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Plaatsing van een voorwerp op de lijst of op de beschrijving van een verzameling kan slechts met instemming van de eigenaar indien het

    • a. eigendom is van zijn vervaardiger of van de erfgenaam van de vervaardiger;

    • b. eigendom is van degene die het in Nederland heeft gebracht of degene die het binnen vijf jaar, nadat het in Nederland is gebracht, heeft verworven of hun erfgenaam.

  • 2 Het bepaalde in het vorige lid is ook van toepassing op een erfgenaam, die het voorwerp anders dan door vererving heeft verkregen.

  • 3 Het bepaalde in het eerste lid is slechts van toepassing op een erfgenaam tot dertig jaar of voorzover het archiefbescheiden betreft vijftig jaar na het overlijden van de erflater.

  • 4 Het terugvoeren naar Nederland van een voorwerp dat tijdelijk buiten Nederland heeft verbleven, geldt niet als het in Nederland brengen in de zin van het eerste lid.

Artikel 5

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Indien een voorwerp, een verzameling of een deel daarvan:

    • a. berust onder iemand die tijdelijk zijn woonplaats naar Nederland verplaatst;

    • b. door een niet-ingezetene wordt uitgeleend voor tentoonstelling in Nederland;

    • c. wegens hiermee vergelijkbare omstandigheden naar het oordeel van Onze Minister, de Raad gehoord, niet in Nederland thuis behoort; zegt Onze Minister desgevraagd of eigener beweging toe, dat het niet op de lijst zal worden geplaatst.

  • 2 Onze Minister trekt de toezegging in, wanneer de omstandigheden, op grond waarvan zij is gedaan niet meer aanwezig zijn. In zulk een geval gaat Onze Minister niet over tot toepassing van deze wet binnen één jaar na de datum van intrekking.

Hoofdstuk III. Bescherming

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 6

[Vervallen per 01-07-2016]

Plaatsing op de lijst geldt tevens als aanwijzing in de zin van artikel 1 van de op 17 november 1970 te Parijs tot stand gekomen overeenkomst (Trb. 1972, nr. 50) inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden.

Artikel 7

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Het is verboden een beschermd voorwerp ter veiling te brengen, te vervreemden, te bezwaren, te verhuren, in bruikleen te geven of bij boedelscheiding aan een niet-ingezetene toe te delen, alvorens de daartoe strekkende ontwerpovereenkomst aan de inspecteur is gemeld. Het is verboden de verblijfplaats van een beschermd voorwerp te wijzigen alvorens het voornemen daartoe aan de inspecteur is gemeld.

  • 2 Gedurende een maand na de datum van verzending van de melding is het verboden zonder toestemming van de inspecteur of van Onze Minister een in het eerste lid bedoelde handeling te verrichten. Tenzij na melding van het ter veiling brengen van een beschermd voorwerp door Onze Minister daartegen geen bedenkingen zijn aangevoerd of naar aanleiding van het ter veiling brengen van een voorwerp artikel 2, eerste lid, tweede volzin, toepassing heeft gevonden, kan Onze Minister deze termijn met ten hoogste drie maanden verlengen. Dit lid is niet van toepassing indien de melding slechts het voornemen tot verplaatsing binnen Nederland betreft.

  • 3 Indien een in het eerste lid bedoelde handeling strekt tot het brengen van een beschermd voorwerp buiten Nederland, kan slechts Onze Minister toestemming geven, de Raad gehoord. Na verloop van de al dan niet verlengde termijn van het vorige lid zonder dat bedenkingen zijn aangevoerd, bevestigt Onze Minister binnen acht dagen na een verzoek daartoe schriftelijk dat geen bedenkingen bestaan tegen een handeling, mits verricht binnen een jaar na melding. In de bevestiging worden de handeling en de datum aangegeven.

  • 4 Een in het eerste lid bedoelde handeling is eveneens verboden nadat Onze Minister hem die de melding heeft gedaan, binnen de al dan niet verlengde termijn van het tweede lid, schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn bedenkingen tegen de handeling. De bedenkingen kunnen slechts zijn gegrond op de overweging dat het teloorgaan van het voorwerp voor het in Nederland aanwezige cultuurbezit te duchten is.

  • 5 Alvorens bedenkingen aan te voeren hoort Onze Minister de Raad.

  • 6 Een overeenkomstig het eerste lid bedoelde handeling is voorts, indien daartegen geen bedenkingen zijn aangevoerd, opnieuw verboden nadat een jaar sedert de datum van de melding is verstreken. Indien Onze Minister overeenkomstig artikel 13, eerste lid, heeft medegedeeld van het aanvoeren van bedenkingen af te zien, begint dit jaar te lopen op de dag waarop deze mededeling wordt verzonden.

Artikel 8

[Vervallen per 01-07-2016]

Onze Minister kan in de kennisgeving als bedoeld in het vierde lid van het vorige artikel meedelen dat het verbod niet geldt voor zover aan de gemelde handeling uitvoering wordt gegeven met inachtneming van de door hem in die kennisgeving vermelde voorschriften. Deze voorschriften mogen slechts strekken ter voorkoming van het teloorgaan van het beschermde voorwerp voor het in Nederland aanwezige cultuurbezit.

Artikel 9

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 De eigenaar van een beschermd voorwerp is verplicht degene aan wie hij het voorwerp vervreemdt of aan wie hij met betrekking tot het voorwerp rechten verleent te voren in te lichten over de plaatsing op de lijst.

  • 2 Hij die een beschermd voorwerp onder zich heeft is verplicht het aan de inspecteur op diens aanvraag te tonen en de vermissing of het teniet gaan ervan onverwijld aan hem te melden.

Artikel 10

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Een kennisgeving van Onze Minister tot het aanvoeren van bedenkingen geldt gedurende acht maanden als aanbod van de Staat tot aankoop op de in de artikelen 11 en 12 geregelde wijze van het beschermde voorwerp door de Staat voorzover:

    • a. bedenkingen zijn aangevoerd tegen vervreemding daarvan of

    • b. bedenkingen zijn aangevoerd tegen toedeling daarvan aan een niet-ingezetene of

    • c. bedenkingen zijn aangevoerd tegen verplaatsing naar de - buiten Nederland gelegen - vaste woonplaats van de eigenaar.

  • 2 Het aanvoeren van bedenkingen geldt niet als een aanbod tot aankoop, indien bij de kennisgeving daarvan een mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 8.

Artikel 11

[Vervallen per 01-07-2016]

Indien bedenkingen zijn aangevoerd tegen verkoop kan overdracht aan de Staat slechts geschieden tegen hetzelfde geldsbedrag en onder dezelfde betalingsbedingen als in de aangemelde ontwerp-koopovereenkomst, mits de Raad in haar ingevolge artikel 7, vijfde lid, uitgebrachte advies dit eenstemmig heeft voorgesteld.

Artikel 12

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Indien artikel 11 niet van toepassing is, treedt Onze Minister onverwijld na de kennisgeving van bedenkingen als bedoeld in artikel 7, vierde lid, met de eigenaar in onderhandeling over de koopprijs en de overige verkoopvoorwaarden.

  • 2 Indien de onderhandelingen niet tot overeenstemming leiden, wordt de prijs op verzoek van de meest gerede partij vastgesteld door de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, tenzij de eigenaar te kennen geeft af te zien van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde handeling of Onze Minister de daartegen aangevoerde bedenkingen intrekt.

  • 3 Alvorens te beslissen wint de rechtbank advies van deskundigen in. De griffier zendt een afschrift van het deskundigenadvies aan de verzoeker en de wederpartij. Deze kunnen binnen een door de rechter te bepalen termijn hun beschouwingen over het advies ter griffie indienen.

  • 4 Tegen beschikkingen op grond van dit artikel staat uitsluitend beroep in cassatie open.

Artikel 13

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Binnen één maand nadat de koopprijs ingevolge de artikelen 11 en 12 onherroepelijk is vastgesteld, kan Onze Minister aan de eigenaar meedelen van het aanvoeren van bedenkingen af te zien en kan de eigenaar mededelen van het verrichten van de gemelde handelingen af te zien.

  • 2 Indien aan het bepaalde in het vorige lid geen uitvoering wordt gegeven geldt de vastgestelde koopprijs als overeengekomen tussen partijen.

Artikel 14

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Voor zover ingevolge artikel 7 aangevoerde bedenkingen die niet hebben geleid tot aankoop door de Staat en evenmin hebben geleid tot toepassing van artikel 11, het nut van bepaalde uitgaven van een belanghebbende teniet hebben gedaan, vergoedt de Staat deze uitgaven. De Staat vergoedt geen uitgaven die wegens de mogelijkheid dat bedenkingen zouden worden aangevoerd redelijkerwijs achterwege hadden moeten blijven. De aanvraag wordt gericht tot Onze Minister.

  • 2 Geschillen voortvloeiend uit dit artikel worden berecht door de rechter te 's-Gravenhage.

Hoofdstuk IIIA. Bescherming van openbare en kerkelijke collecties

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 14a

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Het is verboden een roerende zaak die integrerend deel uitmaakt van een openbare collectie die vermeld staat in de inventarislijst van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek, en waarvan de Staat of een ander openbaar lichaam eigenaar is, buiten Nederland te brengen zonder dat de eigenaar daartoe schriftelijk toestemming heeft gegeven. Indien de eigenaar zich te dier zake niet verklaart, kan zijn toestemming op verzoek van een belanghebbende worden vervangen door een vergunning van Onze Minister.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens ten aanzien van een roerende zaak die integrerend deel uitmaakt van:

    • a. een inventarislijst van roerende zaken van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis waarvan een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, of een ander genootschap op religieuze grondslag eigenaar is;

    • b. een openbare collectie die vermeld staat in de inventarislijst van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek, en waarvan de eigendom berust bij een privaatrechtelijke rechtspersoon die in overwegende mate wordt gefinancierd door subsidie, die door de Staat of een ander overheidslichaam wordt verstrekt en die door Onze Minister voor de toepassing van dit verbod is aangewezen;

    • c. de inventarislijst die door de Rijksdienst beeldende kunst wordt bijgehouden van roerende zaken van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis.

Hoofdstuk IIIB. Uitvoer van cultuurgoederen buiten het grondgebied van de lid-staten van de Europese Unie of van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 14b

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister of van een andere bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 december 1992 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (PbEG L 395), cultuurgoederen die behoren tot een categorie, vermeld in de bijlage bij genoemde verordening, uit te voeren buiten het grondgebied van de lid-staten van de Europese Unie of van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

  • 2 Onze Minister kan bepalen dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt ten aanzien van oudheidkundige voorwerpen ouder dan honderd jaren, die afkomstig zijn van opgravingen en vondsten op het land en in de zee dan wel van oudheidkundige locaties, wanneer deze goederen van beperkt archeologisch of wetenschappelijk belang zijn en mits zij niet rechtstreeks afkomstig zijn van opgravingen, vondsten en archeologische locaties in een lid-staat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en zij zich legaal op de markt bevinden.

Hoofdstuk IV. Handhaving

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 15

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de inspecteur en de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren.

  • 2 Met het toezicht op de naleving van het bij de artikelen 14a en 14b bepaalde zijn tevens belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.

  • 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 16

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:

    • a. de inspecteur en de in artikel 15, eerste lid, bedoelde ambtenaren, voor zover zij daartoe bij besluit van Onze Minister van Justitie zijn aangewezen;

    • b. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.

    • Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn belast met het op verzoek van een lid-staat van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte opsporen van een door die staat in het verzoek omschreven roerende zaak die krachtens de nationale wetgeving van die staat een cultuurgoed is in de zin van artikel 1, onder 1, van richtlijn nr. 93/7/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lid-staat zijn gebracht (PbEG L 74), mits die zaak in de zin van die richtlijn op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van die staat is gebracht.

  • 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 17

[Vervallen per 01-07-2016]

De inspecteur en de in de artikelen 15, eerste lid, en 16 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 18

[Vervallen per 01-07-2016]

De inspecteur en de in artikel 15, eerste lid, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd te vorderen dat de bewoner hun beschermd cultureel erfgoed dat in de woning aanwezig is, toont.

Hoofdstuk V. Slotbepalingen

[Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 21

[Vervallen per 01-07-2016]

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze wet.

Artikel 22

[Vervallen per 01-07-2016]

  • 1 Deze wet kan worden aangehaald als "Wet tot behoud van cultuurbezit".

  • 2 Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip dat voor elk van de artikelen verschillend kan zijn.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 1 februari 1984

Beatrix

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

L. C. Brinkman

Uitgegeven de achtste maart 1984

De Minister van Justitie,

F. Korthals Altes

Terug naar begin van de pagina