Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers

Geraadpleegd op 17-08-2022.
Geldend van 01-07-2022 t/m heden

Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelingen tot toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden, te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eerste afdeling. Algemeen gedeelte

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

  • 2 Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren, onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van jaren, onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld.

  • 3 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 2

  • 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 2a;

    • b. partner: de persoon die met een politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel de persoon, die is aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 2a;

    • c. partnerschap: het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de relatie tussen de aanmelder en degene die als zijn partner is aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 2a;

    • d. pensioengeldige tijd: de tijd waarover pensioenaanspraken zijn opgebouwd op grond van deze wet.

  • 2 Onder politieke ambtsdrager wordt verstaan voor de toepassing van

    • a. de tweede afdeling van deze wet: minister;

    • b. de derde afdeling van deze wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

    • c. de vierde afdeling van deze wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

    • d. de vijfde afdeling van deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger.

  • 3 Waar in deze wet betekenis toekomt aan het gegeven dat een belanghebbende gehuwd is, gehuwd is geweest of een huwelijk aangaat, wordt mede begrepen onder gehuwd: als partner geregistreerd, respectievelijk onder huwelijk: geregistreerd partnerschap.

  • 4 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder:

    • a. ouderdomspensioen mede verstaan eigen pensioen als bedoeld in deze wet, zoals deze luidde voor 1 juli 2022;

    • b. partnerpensioen mede verstaan nabestaandenpensioen als bedoeld in deze wet, zoals deze luidde voor 1 juli 2022.

Aanmelding

Artikel 2a

  • 1 De politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b, alsmede de Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:

    • a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;

    • b. zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van levensonderhoud;

    • c. beiden ongehuwd zijn;

    • d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn en

    • e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.

  • 2 Een gewezen politieke ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid kan, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen als bedoeld in dat lid.

  • 3 Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt.

  • 4 Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste lid, niet wordt voldaan, weigert Onze Minister de aanmelding.

  • 5 Onze Minister kan regels stellen omtrent de aanmelding door degene die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven.

  • 6 De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.

  • 7 Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald:

    • a. op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is aangemeld, is ontvangen;

    • b. op de dag van overlijden van de man of vrouw die is aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft gedaan, of

    • c. op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt, hetzij partij is bij een volgende aanmelding.

  • 8 Onze Minister kan, indien daartoe aanleiding bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan legt alsdan een schriftelijke verklaring ter zake over van hem en de aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 9 Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhaalt Onze Minister zijn in het achtste lid bedoelde vraag.

  • 10 Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, kan Onze Minister de aanmelding op een door hem vast te stellen datum doorhalen. De bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.

Artikel 2b

  • 2 Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in artikel 2a, vijfde lid.

Tweede afdeling. Ministers en staatssecretarissen

Hoofdstuk 2. Begripsomschrijvingen

Artikel 5

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder minister mede verstaan: staatssecretaris.

  • 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

    • a. gewezen minister: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

    • b. gepensioneerd minister: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

    • c. overheidswerknemer: een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP, die werkzaam was bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hoofdstuk 3. De uitkering

Artikel 6. Het recht op uitkering

  • 1 Een minister aan wie door Ons ontslag wordt verleend, heeft met ingang van de dag van zijn ontslag, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als minister optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.

  • 2 De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 9, het restant van de uitkering, wordt niet uitbetaald voor de periode dat:

    • a. de belanghebbende Onze Minister daarom verzoekt;

    • b. aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

    • c. de belanghebbende zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

    • d. de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande dat artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet alsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn;

    • e. de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.

  • 3 Wij, de Raad van State gehoord, kunnen bepalen dat geen uitkering wordt toegekend, indien de belanghebbende:

    • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;

    • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

  • 4 Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 7, eerste of tweede lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.

Artikel 7. Duur van de uitkering

  • 1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende minister is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen minister is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij minister is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn ontslag, waarin zijn ministerschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden minister is geweest.

  • 3 Als de belanghebbende op de datum van zijn ontslag of aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren Minister is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 4 Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies.

  • 5 In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 11, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.

Artikel 7a

  • 1 De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 6 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden na ontslag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:

    • a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

    • b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

    • c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

  • 2 De belanghebbende voorkomt dat hij:

    • a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

    • b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

    • c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing:

    • a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid;

    • b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a;

    • c. voor de periode dat de uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 9, het restant van de uitkering op verzoek van de belanghebbende met toepassing van artikel 6, tweede lid, onder a, niet wordt uitbetaald.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.

Artikel 7b

  • 1 Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 7a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.

  • 2 Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.

  • 3 De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 8, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.

  • 4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

    • a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;

    • b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;

    • c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.

Artikel 7c

  • 1 Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 7a of 7b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 8. Bedrag van de uitkering

  • 1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering waarop de belanghebbende aanspraak had op de dag voorafgaande aan de dag waarop hij als minister is ontslagen.

  • 3 Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.

Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit

Artikel 8a

  • 1 Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 11, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 8b.

  • 2 Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

  • 3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

  • 4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.

  • 5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.

Artikel 8b

  • 1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.

  • 2 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van deze bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de betrokkene die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:

    • 58 jaar of ouder is: zes jaar;

    • 53 jaar of ouder is: drie jaar;

    • 48 jaar of ouder is: twee jaar;

    • 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;

    • 38 jaar of ouder is: een jaar;

    • 33 jaar of ouder is: een half jaar;

    jonger is dan 33 jaar: nihil.

  • 4 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, en het minimumloon.

  • 5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de belanghebbende op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.

  • 7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.

  • 8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.

  • 9 In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.

  • 10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.

  • 11 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de minister of de gewezen minister de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.

  • 12 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 9, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.

Artikel 8c

  • 1 De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 8a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.

  • 2 Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.

  • 3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.

  • 4 Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.

  • 5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.

  • 6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.

  • 7 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.

Artikel 8d

  • 1 Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 8a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.

  • 2 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.

  • 3 Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.

  • 4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:

    • a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;

    • b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.

  • 5 De toepassing van artikel 8a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.

  • 6 Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid.

Artikel 8e

  • 1 Op verzoek van een minister doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de minister die het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 8a, tweede lid.

  • 2 Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.

Artikel 9. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf

  • 1 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 7c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.

  • 4 Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.

  • 5 Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 7, zesde lid, en artikel 8a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.

Artikel 9a

  • 1 De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten bedoeld in artikel 9, tweede lid.

  • 2 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 9 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.

  • 3 Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.

  • 4 De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.

Artikel 10

  • 1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.

  • 2 De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.

Artikel 11. Einde en verval van de uitkering

  • 1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de gewezen minister is overleden.

  • 2 De uitkering vervalt:

    • a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt.

  • 3 De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.

  • 4 Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister:

    • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;

    • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

Artikel 12. Uitkering bij overlijden

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen minister wordt aan de partner, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan driemaal het bedrag van de uitkering, dat over de laatste volle maand aan de gewezen minister is uitgekeerd.

  • 2 Laat de overledene geen partner na, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, ten behoeve van de minderjarige kinderen die in familierechtelijke betrekking stonden tot de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk 4. Het ouderdomspensioen

Artikel 13. Het recht op ouderdomspensioen

  • 1 Een persoon die minister is of minister is geweest, heeft recht op een ouderdomspensioen.

  • 2 Het pensioen gaat in op de pensioengerechtigde leeftijd. Op verzoek van de betrokkene gaat het pensioen eerder of later in.

  • 3 Het pensioen kan niet eerder in gaan dan op de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

  • 4 Gedurende de tijd dat de betrokkene optreedt als minister en gedurende de tijd dat hij een uitkering geniet als bedoeld in hoofdstuk 3, kan het pensioen niet ingaan.

  • 6 Nadat het pensioen is ingegaan worden geen aanspraken voor het pensioen opgebouwd.

Artikel 13a. De opbouw van aanspraken op pensioen

  • 1 De betrokkene bouwt gedurende ieder dienstjaar pensioenaanspraak op. De aanspraak bedraagt voor ieder dienstjaar een percentage van de pensioengrondslag.

  • 2 De opgebouwde aanspraak wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.

Artikel 13c. Het opbouwpercentage

  • 1 Het opbouwpercentage, bedoeld in artikel 13a, dat voor enig dienstjaar wordt gehanteerd, is het percentage dat voor dat dienstjaar voor de opbouw van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers wordt gehanteerd.

  • 2 Gedurende de periode dat een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 wordt genoten, is het opbouwpercentage de helft van het percentage, bedoeld in het eerste lid. Gedurende de periode waarin de uitkering met toepassing van artikel 6, tweede lid, niet wordt uitbetaald, is het opbouwpercentage nihil.

  • 3 In afwijking van het tweede lid wordt het opbouwpercentage niet gehalveerd gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is en de invaliditeit veroorzaakt is door een dienstongeval.

  • 4 Gedurende de tijd waarin de uitkering is verminderd vanwege toepassing van artikel 7c, eerste lid, of vanwege inkomsten als bedoeld in artikel 9, wordt het met toepassing van het eerste tot en met derde lid gevonden opbouwpercentage vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verminderde uitkering gedeeld door de uitkering zonder vermindering.

Artikel 13d. De pensioengrondslag

  • 1 De pensioengrondslag is gebaseerd op het pensioengevend loon verminderd met een bij een middelloonstelsel behorende franchise die wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Het pensioengevend loon is de in het dienstjaar als Minister genoten bezoldiging, waaronder begrepen de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een eenmalige uitkering, voor zover dit niet het in artikel 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde bedrag te boven gaat, op de peildatum van 1 januari van een kalenderjaar of op de datum waarop betrokkene tot minister is benoemd.

  • 2 Voor zover de betrokkene in het dienstjaar in het genot is van een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pensioengrondslag wordt gebaseerd op de laatstelijk voor het ontslag als minister genoten bezoldiging. De bezoldiging wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de overeenkomstige indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.

Artikel 13e. Het pensioen

  • 1 Het pensioen bedraagt op jaarbasis de som van de opgebouwde pensioenaanspraken.

  • 2 Voor zover het pensioen in gaat op een leeftijd die afwijkt van de pensioenrichtleeftijd die gold op het moment dat pensioenaanspraak werd opgebouwd, wordt voor de bepaling van de in het eerste lid bedoelde som dat deel van de aanspraak herrekend. Daarbij wordt voor het deel van de aanspraak dat is opgebouwd onder een lagere of hogere pensioenrichtleeftijd dan de leeftijd waarop het pensioen in gaat, de aanspraak verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.

  • 3 Het pensioen kan op verzoek van de betrokkene in hoogte variëren in de loop der jaren, waarbij herrekening over de jaren plaats vindt. Daarbij wordt een eerdere verlaging of verhoging gecompenseerd door een latere verhoging onderscheidenlijk verlaging.

  • 4 Bij de herrekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt aangesloten bij de herrekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.

  • 5 Over de pensioenaanspraak van de persoon die aantreedt als Minister op of na de pensioenrichtleeftijd die geldt op het moment van zijn aantreden, vindt geen herrekening plaats als bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 13f. Verhoging ouderdomspensioen door omzetting van partnerpensioen

  • 1 Een minister of gewezen minister kan bij de ingang van het pensioen de opgebouwde aanspraken op partnerpensioen als bedoeld in hoofdstuk 5, omzetten in aanspraken op ouderdomspensioen.

  • 2 Met de keuze voor de omzetting vervalt de aanspraak op het partnerpensioen. De keuze is onherroepelijk.

  • 3 De keuze voor de omzetting kan slechts worden gedaan met toestemming van de partner.

  • 4 Bij de omzetting wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.

Artikel 13g. Verlaging ouderdomspensioen door omzetting in partnerpensioen

  • 1 Een gewezen minister kan na afloop van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 7, een deel van de tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 door hem opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen omzetten in een aanspraak op partnerpensioen bij overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 2 Onze Minister doet binnen vier maanden voor de afloop van de uitkering mededeling van deze omzettingsmogelijkheid. De gewezen minister maakt zijn keuze voor een omzetting binnen zes weken na de mededeling schriftelijk aan Onze Minister kenbaar. Tot het einde van die termijn verkrijgt de gewezen minister een premievrije aanspraak op partnerpensioen overeenkomstig de tijd tot het aftreden van de minister.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde omzetting wordt gevolgd door een omzetting van de verkregen aanspraken op partnerpensioen in een aanspraak op ouderdomspensioen indien:

    • a. de in het eerste lid bedoelde omzetting gevolgd wordt door een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 107;

    • b. de gewezen minister opnieuw minister wordt;

    • c. het huwelijk van de gewezen minister eindigt, anders dan door zijn overlijden.

  • 4 Bij de omzettingen wordt een ruilvoet toegepast die aansluit bij de ruilvoet die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers.

Artikel 13h. Verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen

  • 1 Indien het pensioenfonds ABP een verlaging als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet toepast op de pensioenaanspraken of de pensioenrechten, verlaagt Onze Minister de in dit hoofdstuk bedoelde pensioenaanspraken en de pensioenen op overeenkomstige wijze.

  • 2 Onze Minister informeert de ministers en de gewezen ministers schriftelijk over zijn voornemen om de pensioenaanspraken of pensioenen te verlagen.

  • 3 De verlaging kan op zijn vroegst een maand nadat de betrokkenen hierover geïnformeerd zijn, in gaan.

  • 4 Indien het pensioenfonds ABP een compensatie van een verlaging als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet toepast, past Onze Minister de compensatie toe op overeenkomstige wijze.

Artikel 13i. Afkoop klein pensioen

  • 1 Als het pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de minister of gewezen minister daarmee instemt.

  • 2 Onze Minister kan een pensioen als bedoeld in het eerste lid eveneens afkopen, mits Onze Minister na het ontslag van de belanghebbende als minister ten minste vijf maal tevergeefs heeft gepoogd de overdrachtswaarde over te dragen als bedoeld in artikel 13j, eerste lid, en na het ontslag ten minste vijf jaar is verstreken.

  • 3 Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Artikel 66, zevende lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13j. Waardeoverdracht klein pensioen

  • 1 Onze Minister kan de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken van een gewezen minister met overeenkomstige toepassing van de artikelen 70a en 220b van de Pensioenwet overdragen aan een pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet, met dien verstande dat voor deze overeenkomstige toepassing Onze Minister wordt beschouwd als de overdragende pensioenuitvoerder.

  • 2 Een pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet kan de pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer als bedoeld in de Pensioenwet met overeenkomstige toepassing van artikel 70a van de Pensioenwet overdragen aan Onze Minister, met dien verstande dat voor deze overeenkomstige toepassing Onze Minister wordt beschouwd als de ontvangende pensioenuitvoerder.

Artikel 14. Nadere regels

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    • a. de opbouw van aanspraken op pensioen waaronder de indexering daarvan;

    • b. de in aanmerking te nemen dienstjaren en het in aanmerking te nemen opbouwpercentage;

    • c. de bepaling van de pensioengrondslag, de in aanmerking te nemen bezoldiging waaronder de indexering daarvan en de franchise;

    • d. het bepalen van het pensioen;

    • e. de herrekening, bedoeld in artikel 13e, tweede lid;

    • f. de beperkingen die bij toepassing van artikel 13e, derde lid, in acht worden genomen en de herrekening die bij die toepassing wordt gehanteerd;

    • g. de verhoging van het pensioen door omzetting van partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet;

    • h. de verlaging van het pensioen door omzetting in partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet en de bepaling van dat partnerpensioen;

    • i. de verlaging van het pensioen na verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen door het pensioenfonds ABP overeenkomstig artikel 134 van de Pensioenwet;

    • j. de afkoop en de waardeoverdracht van een klein pensioen;

    • k. overige aspecten in het belang van een goede vaststelling en uitkering van het pensioen.

  • 2 Krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld over de aanpassing van in de maatregel genoemde bedragen.

  • 3 Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen.

Hoofdstuk 5. Het partner- en wezenpensioen

§ 1. Het recht op pensioen

Artikel 15. Recht op partnerpensioen

  • 1 De partner van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister heeft bij diens overlijden recht op partnerpensioen.

  • 2 Het partnerpensioen gaat in op de dag volgende op de dag van het overlijden, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op partnerpensioen:

    • a. indien het partnerschap is aangegaan nadat de gepensioneerde minister de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt;

    • b. bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd is gelegen tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 en geen omzetting is gedaan als bedoeld in artikel 13g, eerste lid;

    • c. bij overlijden van een gepensioneerd minister, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f;

    • d. indien de partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is en hiervoor is veroordeeld.

Artikel 17. Bijzonder partnerpensioen

  • 1 Bij een overlijden van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister heeft de gewezen partner recht op bijzonder partnerpensioen, mits:

    • a. de gewezen partner recht op partnerpensioen zou hebben gehad, indien de minister, gewezen minister of gepensioneerde op de dag van het beëindigen van het partnerschap zou zijn overleden; en

    • b. indien het partnerschap een huwelijk betrof, de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor bedoeld tijdstip geldende recht.

  • 2 In afwijking van het eerste lid heeft de gewezen partner bij overlijden geen recht op bijzonder partnerpensioen:

    • a. indien de partners bij huwelijkse voorwaarden, bij voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijk gesloten overeenkomst met het oog op het einde van het partnerschap dit overeenkomen en Onze Minister daarmee instemt;

    • b. indien betrokkene als gevolg van het aangaan van een nieuw partnerschap met dezelfde minister wegens diens overlijden recht op partnerpensioen heeft;

    • c. bij overlijden van een minister of gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen tussen 31 juli 2003 en 1 juli 2022;

    • d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f;

    • e. indien de gewezen partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld;

    • f. indien bij de scheiding het partnerpensioen van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister is omgezet in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen voor de gewezen partner.

Artikel 18. Recht op wezenpensioen

  • 1 In deze afdeling wordt onder wees verstaan een kind van wie een verzorger is overleden en:

  • 2 In deze afdeling wordt onder verzorger verstaan:

    • a. de ouder van de wees indien de wees is geboren tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap;

    • b. de persoon die de wees heeft erkend of geadopteerd;

    • c. de pleegouder van de wees.

  • 3 Onder pleegouder bedoeld in het tweede lid, onder c, wordt verstaan de persoon die de zorg draagt voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of het genieten van een vergoeding daarvoor.

  • 4 De wees heeft bij overlijden van zijn verzorger die minister, gewezen minister of gepensioneerd minister was recht op wezenpensioen, indien hij de leeftijd van vijfentwintig jaar nog niet heeft bereikt.

  • 5 Het wezenpensioen gaat in op de dag volgende op de dag van het overlijden van de verzorger, bedoeld in het vierde lid.

  • 6 In afwijking van het vierde lid heeft een wees geen recht op wezenpensioen als hij opzettelijk de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld.

Artikel 21. Tijdelijk pensioen

  • 1 Indien een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister naar het oordeel van Onze Minister is vermist, hebben degenen die aan zijn overlijden recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven.

  • 2 Het tijdelijk pensioen gaat in op een door Onze Minister te bepalen dag.

  • 3 Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.

§ 2. Bedrag van het pensioen

Artikel 22. Berekening partnerpensioen

  • 1 Het partnerpensioen, bedoeld in artikel 15, bedraagt 70 procent van het ouderdomspensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede lid, onder b en c.

  • 2 In afwijking van het vorige lid bedraagt het partnerpensioen:

    • a. bij overlijden van een minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop die minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bekleed, zonder rekening te houden met artikel 13e, tweede of derde lid;

    • b. bij overlijden van een gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop de gewezen minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het ouderdomspensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van diensttijd op de dag van overlijden.

  • 3 Indien wegens eenzelfde overlijden voor een partner recht ontstaat zowel op partnerpensioen krachtens deze afdeling als op partnerpensioen krachtens of op de voet van de derde of vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan de partnerpensioenen zijn afgeleid, tijd die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de berekening van het andere pensioen meetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts meegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

  • 4 Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt ten aanzien van het ouderdomspensioen opgebouwd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995, gerekend met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde franchise.

Artikel 22a

  • 1 De nabestaande die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.

  • 2 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat.

  • 3 De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden.

  • 4 De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid, vanaf 1 juli 1999.

  • 5 Het recht op toeslag vervalt:

    • a. met ingang van de dag waarop de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt.

Artikel 22b

  • 1 De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985.

  • 2 Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met ingang van die vermindering.

  • 3 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 percent van het verschil tussen 75 percent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op nabestaandenpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 percent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:

Artikel 22c

  • 1 De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en op 1 januari 1998 55 jaar of ouder is, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985, indien en voor zo lang hij recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67, derde of negende lid van die wet vanaf 1 januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de nabestaande vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon onafgebroken ongehuwd samenwoont.

  • 2 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag.

    De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming van de vanaf die datum geldende bedragen krachtens de Algemene nabestaandenwet en wordt vervolgens nader vastgesteld met ingang van 1 januari en 1 juli aan de hand van de ontwikkeling van die bedragen.

  • 3 Het recht op de toeslag vervalt:

    • a. met ingang van de dag waarop de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande trouwt of partij is bij een aanmelding;

    • c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan wordt gemaakt.

Artikel 23. Berekening bijzonder partnerpensioen

  • 1 Het bijzonder partnerpensioen bedraagt 70 procent van een ouderdomspensioen, waarbij in aanmerking wordt genomen:

    • a. de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerde zou zijn berekend indien deze op de dag van het beëindigen van het partnerschap recht op ouderdomspensioen zou hebben verkregen, zonder rekening te houden met artikel 13e, tweede of derde lid;

    • b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat:

      • i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen;

      • ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.

  • 2 Indien er bij overlijden recht bestaat op meer dan een bijzonder partnerpensioen vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder partnerpensioen ontleend aan elk partnerschap waaraan een eerder partnerschap voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de duur van het partnerschap.

  • 3 Wanneer er in verband met hetzelfde overlijden behalve partnerpensioen ook recht op een of meer bijzondere partnerpensioenen bestaat, wordt het partnerpensioen verminderd met deze bijzondere partnerpensioenen.

Artikel 25. Berekening wezenpensioen

  • 1 Het wezenpensioen bedraagt 14 procent van het ouderdomspensioen als de wees een verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid, heeft.

  • 2 Het wezenpensioen bedraagt 28 procent van het ouderdomspensioen als er geen sprake is van een verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid.

  • 3 Onze Minister stelt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, opnieuw vast als de wees geen verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid, meer heeft. Het gewijzigde bedrag van het wezenpensioen gaat in met ingang van de eerste dag van de maand na de maand waarin de verzorger is overleden.

  • 4 Voor de toepassing van dit artikel is het ouderdomspensioen het ouderdomspensioen:

Artikel 27. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen

  • 1 Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan 70 procent van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.

  • 2 Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen.

Artikel 28a. Afkoop klein pensioen

  • 1 Als het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen of het tijdelijk pensioen op de dag van ingang op jaarbasis minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet, wordt dit pensioen afgekocht door een uitkering ineens, mits de betrokkene daarmee instemt.

  • 2 Bij de vaststelling van de uitkering ineens wordt aangesloten bij de berekening die in overeenkomstige gevallen wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers. Artikel 66, zevende lid, van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de afkoop van een klein pensioen.

Artikel 28b

Een partnerpensioen, een bijzonder partnerpensioen en een wezenpensioen wordt geïndexeerd op een wijze die gelijk is aan de indexering die wordt gehanteerd ten aanzien van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen en het wezenpensioen van overheidswerknemers.

Hoofdstuk 6. Verval van pensioen

Artikel 29. Verval van uitzicht of recht op pensioen

Wij, de Raad van State gehoord, verklaren het uitzicht of het recht op pensioen geheel of gedeeltelijk vervallen, indien degene die dat uitzicht of recht heeft:

  • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;

  • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

Artikel 30. Herstel van uitzicht op pensioen

  • 1 In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 29 vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.

  • 2 Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt hersteld gaat het pensioen in op de eerste dag van de maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen

Artikel 34. Samenloop partnerpensioenen bij nieuw partnerschap

  • 1 Indien een partner aan wie reeds een partnerpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere aanmelding eveneens recht op partnerpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

  • 2 Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.

Artikel 34a. Samenloop van wezenpensioenen

  • 1 Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

Hoofdstuk 7a. Beslag, terugvordering, verrekening en korting

Artikel 34d

  • 1 Met uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan worden verrekend hetgeen de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen zelf als zodanig aan de Staat verschuldigd is.

  • 2 Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 34e, eerste lid.

  • 3 Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkeringen of pensioenen geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.

Artikel 34e

  • 1 Op uitkeringen en pensioenen op grond van deze afdeling kan ten behoeve van een schuldeiser van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen een korting worden toegepast, mits de gewezen of gepensioneerde minister onderscheidenlijk zijn nagelaten betrekkingen de vordering van de schuldeiser erkent of erkennen dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.

  • 2 Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die uitkering of dat pensioen geldig zou zijn.

  • 3 Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.

Artikel 34g

Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de uitkering of het pensioen geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.

Artikel 34h

  • 1 Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling waardoor de gewezen of gepensioneerde minister of zijn nagelaten betrekkingen enig recht op zijn uitkering of pensioen aan een derde toekent of toekennen, is slechts geldig voor dat deel van de uitkering of het pensioen waarop beslag geldig zou zijn.

  • 2 Een volmacht tot voldoening of invordering van de uitkering of het pensioen is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk.

Artikel 34i

Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de Staat, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de Staat van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.

Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen

Artikel 39b. (behoort bij hoofdstuk 3)

  • 1 Uitkeringen ter zake van een ontslag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa worden verstrekt overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan dat tijdstip.

Artikel 40a. (behoort bij hoofdstuk 4)

  • 1 De opbouw van aanspraken op het ouderdomspensioen geschiedt overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 14 voor dienstjaren vanaf 1 januari 2014.

  • 2 Voor dienstjaren vóór 1 januari 2014 geschiedt de opbouw overeenkomstig de regels zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.

  • 3 Indien de betrokkene op 31 december 2013 pensioen opbouwt op grond van hoofdstuk 4, wordt de in het tweede lid bedoelde opbouw vastgesteld met als pensioengrondslag de grondslag die zou gelden als hij met ingang van 1 januari 2014 zou zijn ontslagen. Daarbij wordt de laatstelijk genoten wedde niet aangepast. De opgebouwde aanspraak wordt vervolgens geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.

  • 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 40b. (behoort bij hoofdstuk 4)

  • 2 Bij de toepassing kunnen tevens de pensioenaanspraken worden verlaagd die zijn opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa. De verlaging kan eveneens betrekking hebben op de pensioenen die zijn gebaseerd op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór die inwerkingtreding.

  • 3 De toepassing vindt plaats ter zake van een verlaging door het pensioenfonds ABP vanaf 1 januari 2013.

Artikel 40c. (behoort bij artikel 13c) Pensioenopbouw tijdens uitkering

  • 1 Ingeval aan een gewezen minister reeds voor 1 juli 2022 een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 is toegekend, wordt in afwijking van artikel 13c, tweede lid, het opbouwpercentage niet gehalveerd:

    • a. gedurende de eerste drie jaar en twee maanden van de uitkeringsperiode, te rekenen vanaf de datum waarop de uitkering is toegekend; en

    • b. gedurende de periode waarin de uitkering langer dan drie jaar en twee maanden wordt genoten en betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.

  • 2 Bij een ontslag van een belanghebbende die op 1 juli 2022 het ambt van minister vervult is in afwijking van artikel 13c, tweede lid, het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij de belanghebbende dit ambt opnieuw bekleedt in het eerstvolgende kabinet dat aantreedt na die datum.

  • 3 Het opbouwpercentage, bedoeld in artikel 13c, is nul indien de betrokkene daarom reeds voor 1 juli 2022 heeft verzocht.

Artikel 40d. (behoort bij hoofdstuk 5) Anw-compensatie

  • 1 De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, ontvangt tot hij die leeftijd bereikt een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.

  • 2 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat.

  • 3 Indien de partner, bedoeld in het eerste lid, bij de toekenning van het partnerpensioen jonger was dan 40 jaar, wordt de toeslag toegekend voor een periode van ten hoogste 12 maanden.

  • 4 De toeslag wordt met ingang van 1 januari van ieder jaar aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 105, eerste lid.

  • 5 Het recht op toeslag eindigt met ingang van de dag waarop de partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

  • 6 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden binnen vijf jaar na 1 oktober 2022 en die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, maar geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, indien de overledene aantoonbaar reeds ten tijde van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021 ongeneeslijk ziek was en daardoor of door andere blijvende omstandigheden voor die datum geen aanvullende nabestaandenverzekering bij een verzekeraar heeft kunnen afsluiten tegen ten hoogste de dubbele basispremie.

Artikel 40e. (behoort bij hoofdstuk 5) Compensatie lagere Anw

  • 1 De partner aan wie op grond van deze wet een partnerpensioen is toegekend in verband met een overlijden voor 1 oktober 2022 en die recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede is berekend over diensttijd na 31 december 1985.

  • 2 Recht op toeslag heeft eveneens de partner aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht.

  • 3 De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het partnerpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, zoals die wet geldt op 1 januari van het jaar waarin recht op partnerpensioen ontstaat, zonder de vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld:

Artikel 40f. (behoort bij hoofdstuk 5) compensatie Aow-premie

  • 1 De partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft tot de dag waarop hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen ten bedrage van 15 procent van dat pensioen voor zover dat is berekend over diensttijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 procent voor zover berekend over de diensttijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.

  • 3 De compensatie bedraagt niet meer dan het voor overheidswerknemers gestelde grensbedrag voor compensatie voor premiebetaling AOW/Anw over nabestaandenpensioen.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder partnerpensioen.

Artikel 40g. (behoort bij hoofdstuk 5 en artikel 115) leeftijd wees

  • 1 In afwijking van artikel 18, vierde lid, heeft de wees van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister die voor 1 juli 2022 is overleden, recht op een wezenpensioen, zolang hij de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt.

  • 2 In afwijking van artikel 115, vierde lid, eindigt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, op de laatste dag van de maand waarin de wees de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of betrokken is bij een partnerschap.

Artikel 40h. (behoort bij hoofdstuk 5) Anw-compensatie en toeslag wezenpensioen

  • 1 Een wees met recht op wezenpensioen heeft, voor zover dat pensioen is berekend over de diensttijd voor 1 oktober 2022, vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt recht op een toeslag van vijftien procent van het wezenpensioen.

  • 2 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder wezenpensioen verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde compensatie gaat niet uit boven het fiscale maximum als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 een bedraagt niet meer dan het voor wezen van overheidswerknemers gestelde grensbedrag.

  • 4 Voor de toepassing van artikel 27 wordt de toeslag op grond van dit artikel buiten beschouwing gelaten.

Artikel 45a. (behoort bij hoofdstuk 5)

  • 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden omtrent de bepaling van het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het wezenpensioen en het tijdelijk pensioen in verband met de inwerkingtreding van de Wet aanpassing pensioenleeftijd Appa.

  • 2 Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd partnerpensioen en wezenpensioen.

Derde afdeling. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte

Artikel 50. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

  • a. kamerlid: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;

  • b. gewezen kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

  • c. gepensioneerd kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;

  • d. kamerlidtijd of kamerlidjaar: tijd of jaar, gedurende welke belanghebbende als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is opgetreden en waarover schadeloosstelling is genoten;

  • e. berekeningsgrondslag: het bedrag van de op de dag vóór het aftreden geldende schadeloosstelling en aanspraak op eindejaarsuitkering, bedoeld in de artikelen 2 en 2b van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, waarbij de evenbedoelde aanspraak wordt berekend over de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 2 van de evengenoemde wet, verminderd met het in dat artikel bedoelde percentage van de vakantie-uitkering.

Artikel 50a

  • 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt tevens als kamerlidtijd aangemerkt een periode van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 10 van de Kieswet.

  • 2 Deze wet is niet van toepassing op het kamerlid dat is benoemd in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.

Hoofdstuk 10. De uitkering

Artikel 51. Het recht op uitkering

  • 1 Een kamerlid heeft met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als kamerlid optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.

  • 2 De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 54, het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:

    • a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom verzoekt;

    • b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

    • c. voor de periode dat de belanghebbende zicht onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

    • d. voor de periode dat de belanghebbende buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, met dien verstande dat artikel 19, tiende, dertiende en veertiende lid, van de Werkloosheidswet alsmede de regels die op grond van genoemd tiende lid gesteld zijn, van overeenkomstige toepassing zijn;

    • e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.

  • 3 Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 52, eerste of tweede lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.

  • 4 Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet, wordt niet aangemerkt als aftreden als bedoeld in het eerste lid.

  • 5 Indien de belanghebbende is geboren in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of indien hij daar ten minste vijf jaren aaneengesloten heeft verbleven, wordt voor de toepassing van het tweede lid, onder d, voor «buiten Nederland» gelezen «buiten het Koninkrijk der Nederlanden».

Artikel 52. Duur van de uitkering

  • 1 De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen kamerlid is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij kamerlid is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn aftreden, waarin zijn kamerlidmaatschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden kamerlid is geweest.

  • 3 Als de belanghebbende op de datum van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 4 Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.

  • 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kamerlid mede begrepen lid van het Europees Parlement, voorzover dat lidmaatschap niet gelijktijdig werd vervuld met het kamerlidmaatschap. Voor de vaststelling van de tijd gedurende welke de belanghebbende kamerlid is geweest, telt niet mee de tijd gedurende welke de schadeloosstelling als kamerlid niet werd genoten.

  • 6 In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 56, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.

Artikel 52a

  • 1 De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 51 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:

    • a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;

    • b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;

    • c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

  • 2 De belanghebbende voorkomt dat hij:

    • a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;

    • b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;

    • c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing:

    • a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 50, onderdeel e;

    • b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 53a;

    • c. voor de periode dat de belanghebbende verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.

Artikel 52b

  • 1 De belanghebbende is verplicht door een re-integratiebureau een plan op te laten stellen voor het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid, waarin de activiteiten zijn opgenomen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 52a, eerste lid, onderdeel a, en het plan, nadat het is goedgekeurd door Onze Minister, onder begeleiding van een re-integratiebureau uit te voeren.

  • 2 Behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 52a, vierde lid, heeft de belanghebbende vanaf het moment van zijn ontslag met in achtneming van de regels, bedoeld in het derde lid, recht op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten van het plan, bedoeld in het eerste lid, en van de begeleiding en ondersteuning bij de uitvoering van het plan.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

    • a. de onderdelen van het plan, bedoeld in het eerste lid;

    • b. een tegemoetkoming voor de in het plan opgenomen activiteiten anders dan begeleiding en ondersteuning;

    • c. de eisen die worden gesteld aan een re-integratiebureau als bedoeld in het eerste lid;

    • d. de voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten, bedoeld in het tweede lid;

    • e. het bedrag dat ten hoogste op grond van het tweede lid kan worden verstrekt.

  • 4 In de regels, bedoeld in het derde lid, kan worden gedifferentieerd naar gelang de afstand die de belanghebbende heeft tot de arbeidsmarkt.

Artikel 52c

  • 1 Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 52a geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 52d

De voordracht voor een krachtens de artikelen 52a, 52b of 52c vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 53. Bedrag van de uitkering

  • 1 De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.

  • 3 Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd ingevolge het tweede lid, voor de toepassing van het eerste lid met ingang van het tijdstip van ingang van die loonswijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.

Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit

Artikel 53a

  • 1 Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 56, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 53b.

  • 2 Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

  • 3 Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

  • 4 Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.

  • 5 Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.

Artikel 53b

  • 1 De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.

  • 2 De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:

    • 58 jaar of ouder is: zes jaar;

    • 53 jaar of ouder is: drie jaar;

    • 48 jaar of ouder is: twee jaar;

    • 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;

    • 38 jaar of ouder is: een jaar;

    • 33 jaar of ouder is: een half jaar, en

    jonger is dan 33 jaar: nihil.

  • 4 De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, en het minimumloon.

  • 5 Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.

  • 7 De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.

  • 8 De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.

  • 9 In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.

  • 10 Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.

  • 11 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of het gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.

  • 12 Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 54, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.

Artikel 53c

  • 1 De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 53a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.

  • 2 Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.

  • 3 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.

  • 4 Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.

  • 5 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.

  • 6 Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.

  • 7 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.

Artikel 53d

  • 1 Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 53a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.

  • 2 Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.

  • 3 Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.

  • 4 Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:

    • a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;

    • b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.

  • 5 De toepassing van artikel 53a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.

  • 6 Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid.

Artikel 53e

  • 1 Op verzoek van een kamerlid doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het kamerlid dat het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 53a, tweede lid.

  • 2 Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.

Artikel 54. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf

  • 1 De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 52c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt.

  • 4 Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.

  • 5 Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 52, zesde lid, en artikel 53a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.

Artikel 54a

  • 1 De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 54, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze Minister, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 54, tweede lid.

  • 2 Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn.

    Ten aanzien van deze verrekening is artikel 54 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.

  • 3 Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.

  • 4 De belanghebbende, aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.

Artikel 55

  • 1 De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.

  • 2 De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.

Artikel 56. Einde en verval van de uitkering

  • 1 De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop het gewezen kamerlid is overleden.

  • 2 De uitkering vervalt:

    • a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;

    • b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement.

  • 3 De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.

Artikel 57. Uitkering bij overlijden

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het gewezen kamerlid wordt aan de partner, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan driemaal het bedrag der uitkering, dat over de laatste volle maand aan het gewezen kamerlid is uitgekeerd.

  • 2 Laat de overledene geen partner na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 3 Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk 11. Het ouderdomspensioen

Hoofdstuk 12. Het partner- en wezenpensioen

Artikel 73a. Toeslag op wezenpensioen