Wet verontreiniging oppervlaktewateren

[Regeling vervallen per 22-12-2009.]
Geldend van 01-01-2002 t/m 07-05-2002

Wet van 13 november 1969, houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat regelen dienen te worden gesteld tot het tegengaan en tot het voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

[Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 1

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten. Deze uitzondering geldt niet voor lozingen waarbij door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen in oppervlaktewateren worden gebracht en voor lozingen vanuit door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soorten van inrichtingen, voor lozingen van ten minste een door Ons bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid verontreinigende stoffen of afvalwater, alsmede voor lozingen met behulp van een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is aangesloten op een zuiveringtechnisch werk, in beheer bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het zuiveren van afvalwater.

  • 3 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen Wij mede bepalen dat ten aanzien van alle of van bepaalde oppervlaktewateren het brengen op welke wijze ook van daarbij aan te geven soorten van stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewateren is verboden. Voorzover hierin door Ons niet bij algemene maatregel van bestuur is voorzien, kunnen provinciale staten bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk te brengen in oppervlaktewateren, als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

  • 4 Het is verboden zonder vergunning van of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stoffen als bedoeld in het eerste lid met behulp van een werk vanaf of over het grondgebied van Nederland in het water van de volle zee te brengen.

  • 5 Aan een vergunning worden voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. De voorschriften kunnen mede strekken tot bescherming van het belang van een doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk. Bij het stellen van de voorschriften worden de op grond van artikel 1a van toepassing zijnde grenswaarden in acht genomen.

Artikel 1a

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van daarbij aan te wijzen stoffen grenswaarden vaststellen voor het brengen van die stoffen in oppervlaktewateren, alsmede regels vaststellen ten aanzien van de wijze van meten van die stoffen. Deze grenswaarden kunnen met name betrekking hebben op:

    • a. de hoogst toelaatbare concentratie van die stoffen, en

    • b. de hoogst toelaatbare gewichtshoeveelheid van die stoffen per in die algemene maatregel van bestuur aan te geven eenheid.

  • 2 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt ten aanzien van iedere grenswaarde een termijn vastgesteld na het verstrijken waarvan die grenswaarde van toepassing is op het brengen in oppervlaktewateren van stoffen, waarvoor op het tijdstip van het in werking treden van die maatregel een vergunning van kracht is.

  • 3 In afwijking van het eerste en het tweede lid geschiedt de vaststelling van grenswaarden, regels inzake metingen van stoffen en termijnen ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend regeling van een volkenrechtelijke organisatie door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij in het Staatsblad bekend te maken regeling.

  • 4 Op de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. De terinzagelegging van de stukken geschiedt op het ministerie van elk van beide ministers. Van de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van genoemde wet, wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Staten-Generaal.

Artikel 1b

[Vervallen per 22-12-2009]

Het is verboden bij het in oppervlaktewateren brengen van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde stoffen een op grond van artikel 1a van toepassing zijnde grenswaarde te overschrijden.

Artikel 1c

[Vervallen per 22-12-2009]

Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur ter bescherming van bijzondere levensgemeenschappen of soorten voor daarbij aan te wijzen typen watersystemen bijzondere eisen stellen ten aanzien van de kwaliteit van die watersystemen vanaf een daarbij te bepalen tijdstip. De artikelen 5.1, tweede tot en met vijfde lid, en 5.2 tot en met 5.4, alsmede artikel 21.6, tweede en vierde tot en met zevende lid, van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van artikel 21.6, zesde lid, van die wet wordt een maatregel als bedoeld in de eerste volzin, gelijkgesteld met een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, van die wet.

Artikel 1d

[Vervallen per 22-12-2009]

Het is verboden afvalstoffen waarop de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen van toepassing is, binnen Nederlands grondgebied te brengen, indien dat naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in strijd zou zijn met het belang van de bescherming van het milieu.

Artikel 2

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Indien uit enig oppervlaktewater verontreinigd of schadelijk water in een ander oppervlaktewater wordt geloosd hetzij door natuurlijke afstroming, hetzij op kunstmatige wijze, kan het met betrekking tot het ontvangende water uit hoofde van artikel 3 bevoegde gezag aan het openbaar lichaam, dat belast is met de zorg voor de goede hoedanigheid van het lozende water bij daartoe strekkende beschikking een verklaring van ongenoegzaamheid bekendmaken.

  • 2 Indien de kwaliteit van een oppervlaktewater waarvoor een verklaring van ongenoegzaamheid is bekendgemaakt, genoegzaam is verbeterd, dan wel de uitvoering van de daartoe tot stand te brengen werken op genoegzame wijze is ter hand genomen, wordt deze verklaring op verzoek van het openbaar lichaam waaraan zij is bekendgemaakt, ingetrokken.

Artikel 2a

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het brengen in oppervlaktewater van daarbij aangewezen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen met behulp van een werk of op een andere daarbij aangegeven wijze, regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer is van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de artikelen 8.11, derde lid, 8.12, 8.13, 8.15, 8.16 en 8.22, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid kan worden bepaald dat de bij of krachtens artikel 1 gestelde verboden niet gelden met betrekking tot het brengen van stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, in het oppervlaktewater in gevallen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie.

  • 3 In afwijking van het eerste lid stellen Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen, regels als bedoeld in het eerste lid vast bij ministeriële regeling indien zij uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, tenzij voor een juiste uitvoering wijziging van een algemene maatregel van bestuur of de wet noodzakelijk is. Indien wijziging van een algemene maatregel van bestuur noodzakelijk is, wordt daarvan, gelijktijdig met de voordracht aan Ons, gemotiveerd kennis gegeven aan de Staten-Generaal, onder vermelding van de korte inhoud van de voorgenomen algemene maatregel van bestuur.

Artikel 2b

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a, eerste lid, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede lid, wordt de verplichting opgelegd het betrokken brengen van stoffen in het oppervlaktewater of het brengen van verandering daarin te melden.

  • 2 In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt bij de maatregel aangegeven:

    • a. het bestuursorgaan waaraan de melding wordt gericht;

    • b. het tijdstip, voorafgaand aan het betrokken brengen van stoffen in het oppervlaktewater of het brengen van verandering daarin, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan;

    • c. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid, onder c, bedoelde gegevens en de wijze waarop zij moeten worden verstrekt.

Artikel 2c

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a kan - behoudens in gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede lid - worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1 te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt verleend, of in de daaraan verbonden voorschriften van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de maatregel kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

  • 2 Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a kan de verplichting worden opgelegd te voldoen aan nadere eisen met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Bij de maatregel wordt het bestuursorgaan aangegeven, dat die eisen kan stellen. Een nadere eis kan worden gesteld als beperking waaronder de vergunning wordt verleend, of als voorschrift dat daaraan wordt verbonden. Bij de maatregel worden de categorieën van gevallen aangegeven, waarin - voor zover dat niet gebeurt - van de beschikking waarbij de nadere eis wordt gesteld, mededeling wordt gedaan in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

  • 3 Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2a worden regels gesteld met betrekking tot hetgeen in verband met het gaan gelden van de maatregel regeling behoeft.

Artikel 2d

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1 te verlenen, beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken, en waarvan de inhoud in die maatregel is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor het brengen van bij de maatregel aangewezen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer is van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de artikelen 8.11, derde lid, 8.12, 8.13, 8.15, 8.16 en 8.22, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid wordt bepaald in hoeverre het in het eerste lid bedoelde orgaan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven categorieën van gevallen.

  • 3 Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende vergunningen moeten zijn uitgevoerd.

Artikel 2e

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Bij de provinciale milieuverordening, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet milieubeheer, kunnen regels worden gesteld inhoudende de verplichting voor het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1 te verlenen, beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken, en waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor het brengen van bij de verordening aangewezen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Bij de verordening kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen.

  • 2 Regels als bedoeld in het eerste lid kunnen niet betrekking hebben op beslissingen inzake vergunningen ten aanzien waarvan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag is.

  • 3 Artikel 2d, eerste lid, laatste volzin, en tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2f

[Vervallen per 22-12-2009]

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Hoofdstuk II. De vergunning; de verklaring

[Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 3

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Ten aanzien van oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk, de territoriale wateren hieronder begrepen, wordt voorzover die oppervlaktewateren niet bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld zijn aangewezen, een vergunning als in artikel 1, eerste en derde lid bedoeld verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken, en een verklaring als in artikel 2 bedoeld bekendgemaakt of ingetrokken door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden tot de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk mede gerekend de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen door anderen beheerde oppervlaktewateren die met de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk in open verbinding staan. Over een voordracht voor een zodanige algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister de kwaliteitsbeheerders van de betrokken oppervlaktewateren in de gelegenheid hun oordeel te geven.

  • 2 Ten aanzien van andere dan in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren, alsmede ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren, welke daartoe na overleg met gedeputeerde staten bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, wordt een vergunning als in artikel 1, eerste en derde lid bedoeld verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken, of een verklaring als in artikel 2 bedoeld bekendgemaakt of ingetrokken, behoudens voorzover aan artikel 6, eerste lid, toepassing is gegeven, door gedeputeerde staten van de provincie waarin deze oppervlaktewateren zijn gelegen.

  • 3 Indien een lozing in de zin van artikel 1, tweede lid, ten aanzien waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, is vereist, plaatsvindt na zuivering in een inrichting in beheer bij een provincie of bij een openbaar lichaam ten aanzien waarvan artikel 6, eerste lid, toepassing heeft gevonden, wordt de vergunning verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken door die provincie of door dat openbaar lichaam, na overleg met het met betrekking tot het ontvangende water bevoegde gezag. Bij wijziging of intrekking van de vergunning geschiedt de toekenning van schadevergoeding, als bedoeld in artikel 9 door en ten laste van laatstbedoeld gezag.

Artikel 4

[Vervallen per 22-12-2009]

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld met betrekking tot het onderwerp dezer wet voor de in artikel 3, eerste lid, bedoelde oppervlaktewateren, alsmede voor de volle zee.

Artikel 5

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Provinciale staten stellen met betrekking tot het onderwerp dezer wet verordeningen vast voor de in artikel 3, tweede lid bedoelde oppervlaktewateren. In die verordeningen geven provinciale staten onder meer regelen met betrekking tot de doelmatige samenwerking op chemisch en technisch gebied. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot inschakeling van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling.

  • 3 De verordeningen bedoeld in het eerste lid behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. De beslissing omtrent de goedkeuring wordt genomen in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Artikel 6

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Provinciale staten kunnen in de verordeningen, bedoeld in het eerste lid van artikel 5, de bevoegdheid tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning geheel of gedeeltelijk toekennen, alsmede de uitvoering en handhaving van die verordeningen geheel of gedeeltelijk opdragen aan besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders, van gemeenten en van bepaalde andere openbare lichamen.

  • 2 Openbare lichamen, aan de besturen waarvan provinciale staten de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid hebben toegekend, kunnen bij verordening nadere regelen stellen met betrekking tot de uitoefening van deze bevoegdheid. Deze verordeningen worden door tussenkomst van gedeputeerde staten toegezonden aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 7

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onder a, zijn de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing, indien de beschikking betrekking heeft op afvalwater van huishoudelijke aard, waarvan met betrekking tot de vervuiling met zuurstofbindende stoffen de vervuilingswaarde geringer is dan honderd inwonerequivalenten, tenzij dat afvalwater wordt gebracht in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren.

  • 3 Een inwonerequivalent vertegenwoordigt het verbruik van 136 gram zuurstof per etmaal.

  • 4 Het orgaan dat bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, stelt de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen in de gelegenheid hem van advies te dienen omtrent het ontwerp van de beschikking.

  • 6 In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd voor het brengen in het oppervlaktewater van stoffen als bedoeld in artikel 1, vanuit een inrichting met betrekking waartoe een algemene maatregel van bestuur geldt, vastgesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, draagt het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvrage zorg voor dat er geen strijd ontstaat met bij die maatregel gestelde regels.

Artikel 7a

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 4 De krachtens artikel 7, derde lid, aangewezen bestuursorganen worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning.

  • 5 Met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning is artikel 8.27 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor die toepassing onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 7b

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 3 In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de aanvraag in ieder geval buiten behandeling gelaten, indien:

    • a. de aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer of de Kernenergiewet niet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip waarop de aanvrage om verlening of wijziging van de vergunning krachtens deze wet is ingediend;

    • b. de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer of de Kernenergiewet buiten behandeling wordt gelaten.

  • 4 In een geval als bedoeld in het eerste lid brengt het orgaan dat krachtens de betrokken wet bevoegd is op de aanvraag om vergunning te beslissen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvrage krachtens deze wet advies uit met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen om een vergunning. Dat orgaan wordt voorts in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvrage. In een geval als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het orgaan, dat krachtens deze wet bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, besluiten de in de eerste volzin bedoelde termijn met een bij zijn besluit te bepalen redelijke termijn te verlengen.

  • 5 Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vergunning krachtens de Wet milieubeheer overeenkomstig artikel 8.17 van die wet een bepaling is opgenomen over de termijn waarvoor zij geldt, wordt een gelijke bepaling opgenomen in de vergunning krachtens deze wet.

Artikel 7c

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 3 In een geval als bedoeld in het eerste lid dragen gedeputeerde staten er tevens ten minste zorg voor dat:

    • a. van de betrokken voornemens gezamenlijk overeenkomstig artikel 3:30, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt kennisgegeven;

    • b. van de betrokken ontwerp-besluiten gezamenlijk overeenkomstig de artikelen 3:30, eerste lid, en 3:31 van die wet mededeling wordt gedaan;

    • c. de betrokken beschikkingen gezamenlijk overeenkomstig die wet worden bekendgemaakt en daarvan gezamenlijk overeenkomstig die wet mededeling wordt gedaan.

Artikel 7d

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 In een geval als bedoeld in artikel 7b, eerste lid, waarin gedeputeerde staten of een van Onze Ministers bevoegd zijn de krachtens de betrokken wet vereiste vergunning te verlenen, kunnen gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze betrokken Minister, indien dat met het oog op de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen in het belang van de bescherming van het milieu geboden is, en zo nodig in afwijking van regels, gesteld krachtens artikel 2e, eerste lid, aan het orgaan dat krachtens deze wet bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven, een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van die beschikking.

  • 4 De aanwijzing wordt vermeld in de beschikking van het bevoegd gezag, ter zake waarvan zij is gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.

Artikel 7e

[Vervallen per 22-12-2009]

In een geval als bedoeld in artikel 7b, eerste lid, waarin burgemeester en wethouders bevoegd zijn de krachtens de betrokken wet vereiste vergunning te verlenen, is artikel 7d van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat gedeputeerde staten op een daartoe strekkend verzoek van burgemeester en wethouders een bindende aanwijzing kunnen geven aan het orgaan dat krachtens deze wet bevoegd is de beschikking op de aanvrage te geven.

Artikel 8

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Indien een vergunning wordt gevraagd of indien wordt overwogen een verleende vergunning te wijzigen of in te trekken en het orgaan dat bevoegd is terzake te beslissen, het wenselijk acht, dat de handeling waartoe de vergunning is vereist of is verleend, verricht wordt in een oppervlaktewater ten aanzien waarvan een orgaan van een ander openbaar lichaam bevoegd is, wordt zij verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken na overleg tussen beide organen.

  • 2 Indien het in het eerste lid bedoelde overleg niet tot overeenstemming leidt, wordt de aanvrage om vergunning geacht mede te zijn ingediend bij het andere daarbij betrokken openbaar lichaam. Het orgaan van dat andere openbaar lichaam beslist eveneens op de aanvrage.

Artikel 9

[Vervallen per 22-12-2009]

Indien en voorzover blijkt dat een houder van een vergunning door wijziging of intrekking van zijn vergunning schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen, zal hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding worden toegekend ten laste van het openbaar lichaam, dat die beschikking in eerste aanleg heeft gegeven. Het besluit inzake de toekenning van schadevergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking.

Artikel 9a

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aan wie gevaarlijke afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer worden afgegeven, is verplicht met betrekking tot elke aan hem verrichte afgifte aan een door de provincie waarin hij die afvalstoffen in ontvangst neemt, aan te wijzen instantie te melden, met inachtneming van de provinciale milieuverordening, bedoeld in artikel 1.2 van die wet.

  • 2 Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt op diens verzoek mededeling gedaan aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

  • 3 Het is een persoon als bedoeld in het eerste lid, verboden gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving als bedoeld in artikel 10.32, onder a, van de Wet milieubeheer en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.34 van die wet, worden verstrekt.

  • 4 De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aan wie bedrijfsafvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer worden afgegeven, is, in gevallen waarin de provinciale milieuverordening, bedoeld in artikel 1.2 van die wet, de verplichting inhoudt tot melding van de ontvangst van de betrokken afvalstoffen, verplicht elke zodanige ontvangst te melden, met inachtneming van de verordening.

  • 5 De verplichtingen bedoeld in het eerste en het vierde lid, zijn niet van toepassing op gevaarlijke afvalstoffen, onderscheidenlijk bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in de Wet milieubeheer, die worden afgegeven aan een beheerder van een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, van de Wet milieubeheer, of vanuit een zodanige voorziening worden afgegeven aan een beheerder van een zuiveringstechnisch werk. Het verbod bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op gevaarlijke afvalstoffen die in ontvangst worden genomen door een beheerder van een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, of vanuit een zodanige voorziening door een beheerder van een zuiveringstechnisch werk.

Hoofdstuk IIB. Inventarisatie en metingen

[Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 14

[Vervallen per 22-12-2009]

Voor de oppervlaktewateren, met betrekking tot welke hij uit hoofde van artikel 3, eerste lid, het bevoegde gezag is, stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, en voor andere dan de in artikel 3, eerste lid, bedoelde oppervlaktewateren stellen gedeputeerde staten van de provincie waarin die wateren zijn gelegen een inventarisatie op - of, indien artikel 6, eerste lid, toepassing heeft gevonden ten aanzien van een of meer openbare lichamen, doen gedeputeerde staten door die openbare lichamen een inventarisatie opstellen - van het brengen in oppervlaktewater van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen, een en ander volgens bij die maatregelen te stellen regelen. Deze inventarisatie wordt ten minste eens in de drie jaren herzien. Gedeputeerde staten stellen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de uitkomst van de door hen opgestelde inventarisatie, onderscheidenlijk van de inventarisatie die zij hebben doen opstellen, ter beschikking.

Artikel 14a

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin de stand van zaken wordt beschreven met betrekking tot lozingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, vanuit een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het zuiveren van afvalwater.

  • 2 Van de vaststelling van het rapport wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. Deze regels kunnen voor openbare lichamen de verplichting inhouden jaarlijks op een daarbij aangegeven wijze gegevens te verstrekken, die voor de opstelling van het rapport nodig zijn.

Artikel 15

[Vervallen per 22-12-2009]

Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen omtrent het verrichten van metingen van de waterkwaliteit in oppervlaktewateren.

Hoofdstuk III. Beroep op de administratieve rechter

[Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 16

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 2 Indien in een geval als bedoeld in artikel 8.28 van de Wet milieubeheer, dan wel in de Kernenergiewet juncto dat artikel, beroep is ingesteld tegen een beschikking inzake een vergunning krachtens een van die wetten, en krachtens artikel 7 of 7a van deze wet een daarmee samenhangende beschikking is gegeven, kan de uitspraak in beroep ook op de laatstbedoelde beschikking betrekking hebben.

Artikel 16c

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan tegen een beschikking als daar bedoeld beroep worden ingesteld door het ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, bevoegde gezag. Het beroep kan eerst worden ingesteld nadat de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, is gegeven.

Hoofdstuk IV. Heffingen en subsidies

[Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 17

[Vervallen per 22-12-2009]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. de Algemene wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • b. het hoofd: het hoofd van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren;

  • c. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

  • d. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte;

  • e. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die bij een gemeente in beheer is;

  • f. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;

  • g. kwaliteitsbeheerder: het openbaar lichaam waarvan een orgaan bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge deze wet;

  • h. rijkswater: oppervlaktewater ten aanzien waarvan het Rijk kwaliteitsbeheerder is;

  • i. afvoeren: direct of indirect brengen in oppervlaktewater, waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is;

  • j. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;

  • k. heffing: heffing als bedoeld in artikel 18, eerste lid;

  • l. drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Waterleidingwet;

  • m. waterleidingbedrijf: een bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Waterleidingwet.

Terugwerkende kracht

Stb. 2002, 255, datum inwerkingtreding 01-07-2002, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2002.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. de Algemene wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • b. het hoofd: het hoofd van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren;

  • c. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

  • d. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering;

  • e. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die bij een gemeente in beheer is;

  • f. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;

  • g. kwaliteitsbeheerder: het openbaar lichaam waarvan een orgaan bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge deze wet;

  • h. rijkswater: oppervlaktewater ten aanzien waarvan het Rijk kwaliteitsbeheerder is;

  • i. afvoeren: direct of indirect brengen als bedoeld in artikel 18, eerste lid;

  • j. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;

  • k. stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook als bedoeld in artikel 1, eerste lid;

  • l. drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Waterleidingwet;

  • m. waterleidingbedrijf: een bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Waterleidingwet.

Artikel 18

[Vervallen per 22-12-2009]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, is bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het afvoeren van stoffen.

  • 2 Onder de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren worden mede geacht te zijn begrepen, de verschuldigde heffingen en de verschuldigde verontreinigingsheffing rijkswateren.

  • 3 Aan een heffing kunnen onderworpen worden:

    • a. ter zake van het afvoeren van stoffen vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

    • b. ter zake van het afvoeren van stoffen met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat zuiveringtechnisch werk in beheer is;

    • c. ter zake van het afvoeren van stoffen anders dan bedoeld onder a of b: degene die de stoffen afvoert.

  • 4 Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt:

    • a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de kwaliteitsbeheerder aangewezen lid van dat huishouden;

    • b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.

  • 5 Degene bij wie een riolering of een zuiveringtechnisch werk in beheer is kan indien daarop geen voorafgaande zuivering plaatsvindt slechts voor de met behulp daarvan afgevoerde stoffen aan een heffing onderworpen worden voorzover hij die zelf op die riolering of dat zuiveringtechnisch werk heeft gebracht. Indien stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk waarop voorafgaande zuivering plaatsvindt worden afgevoerd, kan slechts degene bij wie een riolering of een zuiveringtechnisch werk in beheer is voor die stoffen aan een heffing onderworpen worden.

  • 6 Indien stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk dat bij een kwaliteitsbeheerder in beheer is worden afgevoerd kan in afwijking van het vijfde lid slechts die kwaliteitsbeheerder voor die stoffen aan een heffing onderworpen worden.

Terugwerkende kracht

Stb. 2002, 255, datum inwerkingtreding 01-07-2002, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2002.

1 Een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, is bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is.

2 Onder de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren worden mede geacht te zijn begrepen, de verschuldigde heffingen en de verschuldigde verontreinigingsheffing rijkswateren.

3 Aan een heffing kunnen onderworpen worden:

  • a. ter zake van het afvoeren van stoffen vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

  • b. ter zake van het afvoeren van stoffen met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat zuiveringtechnisch werk in beheer is;

  • c. ter zake van het afvoeren van stoffen anders dan bedoeld onder a of b: degene die de stoffen afvoert.

4 Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt:

  • a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de kwaliteitsbeheerder aangewezen lid van dat huishouden;

  • b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

  • c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.

5 Indien stoffen door middel van een zuiveringtechnisch werk waarop geen voorafgaande zuivering plaatsvindt of door middel van een riolering worden afgevoerd kan de kwaliteitsbeheerder de beheerder van dat werk slechts voor de stoffen die de beheerder zelf op dat werk heeft gebracht aan een heffing onderwerpen.

6 De kwaliteitsbeheerder kan voor de stoffen die door middel van een zuiveringtechnisch werk worden afgevoerd slechts de beheerder van dat werk aan een heffing onderwerpen indien:

  • a. op dat werk voorafgaande zuivering plaatsvindt; of

  • b. dat werk in beheer is bij een andere kwaliteitsbeheerder.

Artikel 19

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Voor een heffing geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.

  • 2 Voor een heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.

  • 3 De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

  • 4 Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot:

    • a. het zuurstofverbruik het jaarlijks verbruik van 49,6 kilogram zuurstof;

    • b. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink 1,00 kilogram;

    • c. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium 0,100 kilogram;

    • d. de gewichtshoeveelheden van de stof chloride 650 kilogram;

    • e. de gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat 650 kilogram;

    • f. de gewichtshoeveelheden van de stof fosfor 20,0 kilogram.

  • 5 Een kwaliteitsbeheerder kan bepalen dat:

    • a. de gewichtshoeveelheden met betrekking tot één of meer van de in het vierde lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen niet worden onderworpen aan de heffing;

    • b. het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van één of meer van de in het vierde lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen tot minimaal nihil wordt verminderd op een door hem vast te stellen wijze;

    • c. het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van één of meer van de in het vierde lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen op nihil wordt gesteld indien dit aantal, na toepassing van het bepaalde krachtens de onderdelen a en b, niet uitgaat boven een door hem vast te stellen aantal vervuilingseenheden.

Artikel 20

[Vervallen per 22-12-2009]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens.

  • 2 Meting, bemonstering en analyse geschieden door de heffingplichtige gedurende elk etmaal van het kalenderjaar overeenkomstig het door de kwaliteitsbeheerder krachtens het derde lid bepaalde.

  • 3 Nadere regels omtrent meting, bemonstering en analyse worden gegeven bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder.

  • 4 Op aanvraag van de gebruiker staat de kwaliteitsbeheerder onder nader te stellen voorwaarden toe dat voor het aantal etmalen dat meting, bemonstering en analyse geschieden, wordt afgeweken van het tweede lid indien door de gebruiker aannemelijk wordt gemaakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan.

  • 5 Het in het vierde lid bedoelde besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 6 De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen.

  • 7 Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast. De kwaliteitsbeheerder geeft omtrent die correctie nadere regels bij belastingverordening.

  • 8 De kwaliteitsbeheerder kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen indien door de gebruiker:

    • a. zonder de in het vierde lid bedoelde toestemming niet is voldaan aan de in het tweede lid genoemde verplichting;

    • b. niet is voldaan aan de in het eerste lid genoemde verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde overeenkomstig de artikelen 21, eerste, derde, of vijfde lid of van artikel 22, eerste lid of vierde lid niet mogelijk is;

    • c. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in het vierde lid bedoelde toestemming;

    • d. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeenstemming met het daaromtrent door de kwaliteitsbeheerder krachtens het derde lid bepaalde.

Terugwerkende kracht

Stb. 2002, 255, datum inwerkingtreding 01-07-2002, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2002.

1 Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens.

2 Meting, bemonstering en analyse geschieden door de heffingplichtige gedurende elk etmaal van het kalenderjaar overeenkomstig het door de kwaliteitsbeheerder krachtens het derde lid bepaalde.

3 Nadere regels omtrent meting, bemonstering, analyse en berekening worden gegeven bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder.

4 Op aanvraag van de gebruiker staat de kwaliteitsbeheerder onder nader te stellen voorwaarden toe dat voor het aantal etmalen dat meting, bemonstering en analyse geschieden, wordt afgeweken van het tweede lid indien door de gebruiker aannemelijk wordt gemaakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan.

5 Het in het vierde lid bedoelde besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.

6 De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen.

7 Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast. De kwaliteitsbeheerder geeft omtrent die correctie nadere regels bij belastingverordening.

8 De kwaliteitsbeheerder kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen indien door de heffingplichtige:

  • a. zonder de in het vierde lid bedoelde toestemming niet is voldaan aan de in het tweede lid genoemde verplichting;

  • b. niet is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting en de bepaling op basis van artikel 21, eerste, derde of zesde lid of van artikel 22, eerste of vierde lid, van de vervuilingswaarde niet mogelijk is dan wel bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 22, vierde lid, van de vervuilingswaarde wel mogelijk is en door de heffingplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in artikel 22, vierde lid, is gedaan;

  • c. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in het vierde lid bedoelde toestemming;

  • d. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeenstemming met het daaromtrent door de kwaliteitsbeheerder krachtens het derde lid bepaalde.

Artikel 21

[Vervallen per 22-12-2009]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op een gelijk aantal vervuilingseenheden per woonruimte, met dien verstande dat dit aantal ten hoogste drie bedraagt. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt één vervuilingseenheid.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.

  • 3 In afwijking van artikel 20, eerste lid, bedraagt de vervuilingswaarde van de stoffen, die in een kalenderjaar vanuit een bedrijfsruimte worden afgevoerd drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk gemaakt is, dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk gemaakt is dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.

  • 4 Indien in de loop van een kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt wordt deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het eerste lid bepaalde aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.

  • 5 In afwijking van artikel 20, eerste lid, bedraagt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar vanuit een bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, waarbinnen in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf onder een permanente opstand van glas of van kunststof het telen van gewassen plaatsvindt, worden afgevoerd drie vervuilingseenheden per hectare permanente opstand.

  • 6 Indien toepassing van het vijfde lid met betrekking tot een bedrijfsruimte leidt tot een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt de vervuilingswaarde met betrekking tot die bedrijfsruimte bepaald met toepassing van het derde lid in plaats van het vijfde lid.

Terugwerkende kracht

Stb. 2002, 255, datum inwerkingtreding 01-07-2002, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2002.

1 In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op een gelijk aantal vervuilingseenheden per woonruimte, met dien verstande dat dit aantal ten hoogste drie bedraagt. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt één vervuilingseenheid.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.

3 In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen, die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.

4 Indien in de loop van een kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt wordt deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het eerste lid bepaalde aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.

5 In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het zesde lid.

6 De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.

7 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het vijfde lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van een deel daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het zesde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.

8 Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van het zesde of zevende lid van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.

Artikel 21a

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Ten behoeve van een experiment met de bepaling van de vervuilingswaarde van de vanuit woonruimten afgevoerde stoffen, op basis van de door het waterleidingbedrijf geleverde hoeveelheid drinkwater kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gebieden aanwijzen waarin het derde tot en met zevende lid van toepassing is.

  • 2 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt slechts op aanvraag van de kwaliteitsbeheerder en met instemming van de één of meer betrokken gemeenten en van het betrokken waterleidingbedrijf.

  • 3 De vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een woonruimte, die is voorzien van een uitsluitend daaraan dienstbare watermeter, wordt bepaald aan de hand van de formule 0,0213 vervuilingseenheid X A waarbij,

    A = het aantal m³ drinkwater dat door het waterleidingbedrijf in het in het vijfde lid bedoelde tijdvak ten behoeve van die woonruimte is geleverd.

  • 4 Voor de toepassing van het derde lid wordt hoogstens een door het waterleidingbedrijf in het in het vijfde lid bedoelde tijdvak ten behoeve van die woonruimte geleverde hoeveelheid drinkwater van 141 m3 en indien de woonruimte wordt gebruikt door één persoon van 47 m3 in aanmerking genomen.

  • 5 De heffing met betrekking tot de in het derde lid bedoelde woonruimten wordt geheven over het tijdvak van 12 maanden zoals dat door het betrokken waterleidingbedrijf bij de levering van drinkwater ten behoeve van die woonruimten wordt gehanteerd.

  • 6 Indien het in het vijfde lid bedoelde tijdvak in twee kalenderjaren is gelegen worden de voor de kalenderjaren geldende tarieven per vervuilingseenheid van de kwaliteitsbeheerder naar tijdsevenredigheid toegepast.

  • 7 De vervuilingswaarde over het gedeelte van het eerste kalenderjaar waarin de kwaliteitsbeheerder dit artikel toepast, dat voor de aanvang in dat kalenderjaar van het in het vijfde lid bedoelde tijdvak is gelegen, wordt gesteld op een evenredig gedeelte van het op basis van artikel 21, eerste lid, bepaalde aantal vervuilingseenheden.

  • 8 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt voor 1 januari 2006 aan de Staten-Generaal een verslag over de ervaringen die met de toepassing van dit artikel zijn gedaan.

  • 9 Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2006. Indien voor die datum bij Koninklijke Boodschap een voorstel van wet wordt ingediend dat tot strekking heeft de invoering van een stelsel tot bepaling van de vervuilingswaarde van de vanuit woonruimten afgevoerde stoffen op basis van de door het waterleidingbedrijf geleverde hoeveelheid drinkwater blijft het derde tot en met zevende lid van toepassing op de woonruimten die zich bevinden in de gebieden die voor 1 januari 2006 door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zijn aangewezen.

Artikel 22

[Vervallen per 22-12-2009]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 20, eerste lid, vastgesteld volgens de formule: A X B, waarbij,

    A = het aantal m3 in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;

    B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water.

  • 3 De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwatercoëfficiënten:

    Klasse

    Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per 3 ingenomen water

    Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m3 ingenomen water in het heffingsjaar

     

    ondergrens

    bovengrens

     

    1

    > 0

    0,0013

    0,0010

    2

    > 0,0013

    0,0020

    0,0016

    3

    > 0,0020

    0,0031

    0,0025

    4

    > 0,0031

    0,0048

    0,0039

    5

    > 0,0048

    0,0075

    0,0060

    6

    > 0,0075

    0,012

    0,0094

    7

    > 0,012

    0,018

    0,015

    8

    > 0,018

    0,029

    0,023

    9

    > 0,029

    0,045

    0,036

    10

    > 0,045

    0,070

    0,056

    11

    > 0,070

    0,11

    0,088

    12

    > 0,11

    0,17

    0,14

    13

    > 0,17

    0,27

    0,21

    14

    > 0,27

    0,42

    0,33

    15

    > 0,42

     

    0,5

  • 4 Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal overeenkomstig artikel 20, eerste lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Terugwerkende kracht

Stb. 2002, 255, datum inwerkingtreding 01-07-2002, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2002.

1 Indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 20, eerste lid, vastgesteld volgens de formule: A X B, waarbij,

A = het aantal m3 in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;

B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.

2 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water.

3 De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwatercoëfficiënten:

Klasse

Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water

Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m3 ingenomen water in het heffingsjaar

 

ondergrens

bovengrens

 

1

> 0

0,0013

0,0010

2

> 0,0013

0,0020

0,0016

3

> 0,0020

0,0031

0,0025

4

> 0,0031

0,0048

0,0039

5

> 0,0048

0,0075

0,0060

6

> 0,0075

0,012

0,0094

7

> 0,012

0,018

0,015

8

> 0,018

0,029

0,023

9

> 0,029

0,045

0,036

10

> 0,045

0,070

0,056

11

> 0,070

0,11

0,088

12

> 0,11

0,17

0,14

13

> 0,17

0,27

0,21

14

> 0,27

0,42

0,33

15

> 0,42

 

0,5

4 Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal overeenkomstig artikel 20, eerste lid, is het eerste lid op verzoek van de heffingplichtige van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23

[Vervallen per 22-12-2009]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Onder de naam verontreinigingsheffing rijkswateren vindt een heffing plaats ter bestrijding van de kosten van het Rijk van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van rijkswater.

  • 3 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater.

  • 4 Aan de verontreinigingsheffing rijkswateren zijn onderworpen:

    • a. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater vanuit een bedrijfs-, of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

    • b. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering onderscheidenlijk dat zuiveringtechnisch werk in beheer is.

    • c. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater anders dan bedoeld onder a of b: degene die de stoffen in rijkswater heeft gebracht.

  • 5 Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, wordt:

    • a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door het hoofd aangewezen lid van dat huishouden;

    • b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de verontreinigingsheffing rijkswateren als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de verontreinigingsheffing rijkswateren als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.

  • 6 Degene bij wie een zuiveringtechnisch werk waarop geen voorafgaande zuivering plaatsvindt in beheer is is slechts voor de met behulp daarvan in rijkswater gebrachte stoffen aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen voorzover hij die zelf op dat zuiveringtechnisch werk heeft gebracht. Indien stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk waar voorafgaande zuivering plaatsvindt in rijkswater worden gebracht is degene bij wie dat zuiveringtechnisch werk in beheer is voor al die stoffen aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.

  • 7 Indien stoffen met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk, dat bij een openbaar lichaam in beheer is, in rijkswater worden gebracht is, in afwijking van het zesde lid, degene bij wie die riolering onderscheidenlijk dat zuiveringtechnisch werk in beheer is, voor die stoffen aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.

  • 9 Het aantal vervuilingseenheden, met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van de onderstaande groepen van stoffen, die in een kalenderjaar in rijkswater worden gebracht, wordt per bedrijfsruimte, riolering en per zuiveringtechnisch werk tot minimaal nihil verminderd met het produkt van het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik van de in dat kalenderjaar vanuit die bedrijfsruimte, riolering of dat zuiveringtechnisch werk in rijkswater gebrachte stoffen, en:

    • a. voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink: 0,04;

    • b. voor de groep van stoffen kwik, cadmium en arseen: 0,006.

  • 10 Het aantal vervuilingseenheden, berekend na toepassing van het negende lid, wordt voor elk van de in het negende lid bedoelde groepen van stoffen op nihil gesteld indien dat aantal minder bedraagt dan 10.

  • 11 De vervuilingswaarde ten aanzien van de stoffen, die vanuit een woonruimte, op rijkswater worden gebracht wordt gesteld op drie vervuilingseenheden en op één vervuilingseenheid indien de woonruimte op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar wordt gebruikt door één persoon.

  • 12 Het elfde lid vindt geen toepassing met betrekking tot de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.

  • 13 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt, is deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het twaalfde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.

  • 14 Nadere regels met betrekking tot meting, bemonstering en analyse en de in artikel 20, zevende lid, bedoelde correctie worden voor de verontreinigingsheffing rijkswateren gegeven bij algemene maatregel van bestuur.

Terugwerkende kracht

Stb. 2002, 255, datum inwerkingtreding 01-07-2002, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2002.

1 Onder de naam verontreinigingsheffing rijkswateren vindt een heffing plaats ter bestrijding van de kosten van het Rijk van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van rijkswater.

2 De artikelen 17, 19, 20, 21 derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op de verontreinigingsheffing rijkswateren.

3 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater.

4 Aan de verontreinigingsheffing rijkswateren zijn onderworpen:

  • a. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater vanuit een bedrijfs-, of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

  • b. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering onderscheidenlijk dat zuiveringtechnisch werk in beheer is.

  • c. ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater anders dan bedoeld onder a of b: degene die de stoffen in rijkswater heeft gebracht.

5 Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, wordt:

  • a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door het hoofd aangewezen lid van dat huishouden;

  • b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de verontreinigingsheffing rijkswateren als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

  • c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de verontreinigingsheffing rijkswateren als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.

6 Degene bij wie een zuiveringtechnisch werk waarop geen voorafgaande zuivering plaatsvindt in beheer is is slechts voor de met behulp daarvan in rijkswater gebrachte stoffen aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen voorzover hij die zelf op dat zuiveringtechnisch werk heeft gebracht. Indien stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk waar voorafgaande zuivering plaatsvindt in rijkswater worden gebracht is degene bij wie dat zuiveringtechnisch werk in beheer is voor al die stoffen aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.

7 Indien stoffen met behulp van een riolering of van een zuiveringtechnisch werk, dat bij een openbaar lichaam in beheer is, in rijkswater worden gebracht is, in afwijking van het zesde lid, degene bij wie die riolering onderscheidenlijk dat zuiveringtechnisch werk in beheer is, voor die stoffen aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.

8 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt niet geheven ter zake van de gewichtshoeveelheden van de in artikel 19, vierde lid, onderdelen d, e en f, bedoelde stoffen en van de stof zilver.

9 Het aantal vervuilingseenheden, met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van de onderstaande groepen van stoffen, die in een kalenderjaar in rijkswater worden gebracht, wordt per bedrijfsruimte, riolering en per zuiveringtechnisch werk tot minimaal nihil verminderd met het produkt van het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik van de in dat kalenderjaar vanuit die bedrijfsruimte, riolering of dat zuiveringtechnisch werk in rijkswater gebrachte stoffen, en:

  • a. voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink: 0,04;

  • b. voor de groep van stoffen kwik, cadmium en arseen: 0,006.

10 Het aantal vervuilingseenheden, berekend na toepassing van het negende lid, wordt voor elk van de in het negende lid bedoelde groepen van stoffen op nihil gesteld indien dat aantal minder bedraagt dan 10.

11 De vervuilingswaarde ten aanzien van de stoffen, die vanuit een woonruimte, op rijkswater worden gebracht wordt gesteld op drie vervuilingseenheden en op één vervuilingseenheid indien de woonruimte op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar wordt gebruikt door één persoon.

12 Het elfde lid vindt geen toepassing met betrekking tot de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.

13 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt, is deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het elfde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.

14 Nadere regels met betrekking tot meting, bemonstering, analyse en berekening en de in artikel 20, zevende lid, bedoelde correctie worden voor de verontreinigingsheffing rijkswateren gegeven bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 24

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Het tarief voor de verontreinigingsheffing rijkswateren bedraagt € 31,76 per vervuilingseenheid.

  • 2 Het tarief per vervuilingseenheid voor de verontreinigingsheffing rijkswateren ter zake van de stoffen, die vanuit een zuiveringtechnisch werk, voor het biologisch zuiveren van huishoudelijk afvalwater, dat bij een provincie, een gemeente, een waterschap of bij een ander openbaar lichaam in beheer is, in rijkswater worden gebracht, bedraagt 50% van het in het eerste lid genoemde bedrag.

Artikel 25

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geheven.

  • 2 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven over het kalenderjaar.

  • 4 Voor de toepassing van de Algemene wet en artikel 19, eerste lid en 25a, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken treedt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in de plaats van Onze Minister van Financiën.

  • 5 Voor de toepassing van de Algemene wet treden in de plaats:

    • a. voor het bestuur van 's Rijksbelastingen en de inspecteur: het hoofd;

    • b. voor de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de ambtenaren van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren, de ambtenaren van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren van de regionale en specialistische directies van de Rijkswaterstaat.

    Een aanwijzing als vorenbedoeld wordt bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.

  • 6 Een ambtenaar als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, is voor zover dit voor de heffing van de verontreinigingsheffing rijkswateren redelijkerwijs nodig is, bevoegd:

    • a. elke plaats met medeneming van de benodigde apparatuur, zo nodig met behulp van de sterke arm, met uitzondering van een woonruimte zonder toestemming van de gebruiker of de gebruikers, te betreden;

    • b. monsters te nemen van het afvalwater dat direct of indirect in rijkswater wordt gebracht.

  • 7 De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 8 Indien een bedrijfs- of woonruimte of een zuiveringtechnisch werk bij meer dan één persoon in gebruik onderscheidenlijk in beheer is, kan het hoofd een belastingaanslag inzake de verontreinigingsheffing rijkswateren ter zake van die ruimte of van dat zuiveringtechnisch werk ten name van één van die personen stellen.

  • 9 Het hoofd is bevoegd voor eenzelfde in artikel 23, vierde lid, bedoelde heffingplichtige, bestemde belastingaanslagen van dezelfde soort op één aanslagbiljet te verenigen.

  • 10 Artikel 55 van de Algemene wet is met betrekking tot de omvang van de geleverde hoeveelheid drinkwater van overeenkomstige toepassing op waterleidingbedrijven.

  • 12 Het hoofd neemt ten aanzien van de verontreinigingsheffing rijkswateren het besluit, bedoeld in artikel 20, vierde lid.

Artikel 26

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 2 Een voorlopige aanslag in de verontreinigingsheffing rijkswateren waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, is invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand, die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Indien de toepassing van de eerste volzin niet leidt tot meer dan twee maandelijkse termijnen, is de in de eerste volzin bedoelde belastingaanslag twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar.

Artikel 27

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De kwaliteitsbeheerder besteedt de opbrengsten van de heffing slechts:

    • a. voor de bestrijding van verontreiniging van oppervlaktewateren ten aanzien waarvan hij bevoegd is;

    • b. ter betaling van door andere kwaliteitsbeheerders opgelegde heffingen en van de door de kwaliteitsbeheerder verschuldigde verontreinigingsheffing rijkswateren;

    • c. voor het eventueel verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren aan diegenen die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;

    • d. voor het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud van het gebruik van de bij de kwaliteitsbeheerder in beheer zijnde zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de besteding door het Rijk van de opbrengsten van de verontreinigingsheffing rijkswateren.

Artikel 28

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Nadere regels met betrekking tot de verontreinigingsheffing rijkswateren worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur.

  • 2 Nadere regels met betrekking tot de heffing worden gesteld bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder.

Hoofdstuk V. Verdere bepalingen

[Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 29

[Vervallen per 22-12-2009]

Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1 te verlenen, dan wel ingevolge artikel 2b, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht, heeft tot taak:

  • a. zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens deze wet en van het bij of krachtens titel 12.1 van de Wet milieubeheer bepaalde met betrekking tot het betrokken brengen van stoffen in oppervlaktewater;

  • b. gegevens, die met het oog op de uitoefening van de taak als bedoeld onder a van belang zijn, te verzamelen en te registreren;

  • c. klachten, die betrekking hebben op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, te behandelen.

Artikel 30

[Vervallen per 22-12-2009]

Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn de artikelen 18.3 tot en met 18.16 van de Wet milieubeheer van toepassing.

Artikel 30a

[Vervallen per 22-12-2009]

Een gedraging in strijd met een aan een vergunning verbonden voorschrift, is verboden.

Hoofdstuk VI. Overgangsbepalingen

[Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 31

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Bepalingen in verordeningen van provinciën, in reglementen voor en in verordeningen van waterschappen, veenschappen en veenpolders en in verordeningen van gemeenten betreffende het onderwerp dezer wet, bij de inwerkingtreding dezer wet van kracht, blijven in stand totdat deswege op de wijze in deze wet bepaald voorzieningen zullen zijn getroffen en zulks uiterlijk vier jaren na de dag van inwerkingtreding.

  • 2 Een vergunning vóór de inwerkingtreding dezer wet verleend op grond van enige wettelijke bepaling voor lozingen met behulp van werken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet beschouwd als een vergunning als bedoeld in dat artikel.

  • 3 Voor lozingen welke vóór het tijdstip van inwerkingtreding dezer wet onafgebroken rechtmatig hebben plaats gevonden, wordt voor de toepassing van deze wet een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, geacht te zijn verleend, voorzover die lozingen althans naar hun aard niet aanmerkelijk verschillen van of niet van aanmerkelijk grotere omvang zijn dan lozingen die plaats vonden vóór het tijdstip van inwerkingtreding dezer wet.

  • 4 Door Ons worden bij algemene maatregel van bestuur stoffen of soorten van inrichtingen aangewezen voor de lozing waarvan onderscheidenlijk voor de lozingen vanwaaruit het derde lid niet meer geldt na het verstrijken van één jaar na afloop van de maand waarin die algemene maatregel van bestuur in het Staatsblad is geplaatst, tenzij binnen die termijn een vergunning, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, is aangevraagd, in welk geval het derde lid nog geldt gedurende één jaar nadat de op die aanvraag genomen beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel 9, is van overeenkomstige toepassing in geval van gehele of gedeeltelijke weigering van de vergunning.

Artikel 31a

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Voor lozingen, waarop de in artikel 1, tweede lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur betrekking heeft en die op het tijdstip van het in werking treden van die algemene maatregel van bestuur plaatsvinden, dient binnen één jaar na dat tijdstip een vergunning te worden aangevraagd.

    Deze lozingen kunnen voor de duur van de hiervoor bedoelde termijn op dezelfde wijze en in dezelfde mate worden voortgezet, en, indien binnen die termijn een aanvraag voor een vergunning is ingediend, gedurende een jaar nadat de op die aanvraag genomen beschikking onherroepelijk is geworden. Artikel 9, is van overeenkomstige toepassing in geval van gehele of gedeeltelijke weigering van de vergunning.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt een op grond van een gemeentelijke lozingsverordening verleende vergunning voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, mits die gemeentelijke vergunning daartoe aan het bevoegde gezag is overgelegd binnen één jaar na de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 1, tweede lid, waarbij de desbetreffende stof of soort van inrichting voor de eerste maal is aangewezen.

Artikel 31b

[Vervallen per 22-12-2009]

Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel V van de wet tot invoering van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne ingevolge artikel 7 van deze wet, zoals dit luidde tot dat tijdstip, gegeven beschikking, wordt na die inwerkingtreding beschouwd als een vergunning krachtens artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van deze wet.

Hoofdstuk VII. Slotbepalingen

[Vervallen per 22-12-2009]

Artikel 32

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 Er is het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, belast met het wetenschappelijke en praktische onderzoek van de hoedanigheid van oppervlaktewateren en van de wijze waarop deze kunnen worden beschermd tegen verontreiniging in welke vorm ook en voorts met het geven van adviezen betreffende de met het oog op die bescherming te treffen voorzieningen.

  • 2 Aan het hoofd van dit instituut staat een hoofdingenieur-directeur. De algemene leiding van het instituut berust bij de directeur-generaal van de Rijkswaterstaat.

  • 3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat geeft regelen omtrent de inrichting en werkwijze van het instituut en omtrent de aan dit instituut te betalen vergoedingen voor bewezen diensten.

Artikel 33

[Vervallen per 22-12-2009]

Het ontwerp van een ministeriële regeling, vast te stellen krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel 2a, derde lid, wordt ten minste een maand voor de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal.

Artikel 33a

[Vervallen per 22-12-2009]

  • 1 De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1, tweede of derde lid, 1a, 2a, 2d, 4, 14, 15, 19, zesde, zevende of achtste lid, of 31, vierde lid, wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

  • 2 Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1, tweede of derde lid, 1a, 2a, 2d of 4 wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze genoemde Ministers te brengen.

  • 3 Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst.

Artikel 34

[Vervallen per 22-12-2009]

De bevoegdheid tot het maken van verordeningen door gemeenten en waterschappen, veenschappen en veenpolders blijft ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet gehandhaafd voor zover deze verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.

Artikel 35

[Vervallen per 22-12-2009]

Geen vergunning als bedoeld in deze wet is vereist voor het brengen in oppervlaktewateren en voor het brengen vanuit of over het grondgebied van Nederland in het water van de volle zee van splijtstoffen, ertsen of radioactieve andere stoffen, voorzover het brengen van die stoffen in oppervlaktewateren en in het water van de volle zee aan een vergunning krachtens artikel 15 of artikel 29 van de Kernenergiewet, dan wel aan krachtens artikel 21 of artikel 32 van die wet gestelde regelen gebonden is.

Artikel 38a

[Vervallen per 22-12-2009]

De vaststelling van regelen bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de artikelen 1, tweede en derde lid, 1a, eerste lid, 2a, eerste lid, 2d, eerste lid, 13, 14, 15 en 31, vierde lid, geschiedt mede ter uitvoering van door de Raad van Ministers der Europese Gemeenschappen vastgestelde richtlijnen en de ter uitvoering daarvan door die Raad genomen besluiten.

Artikel 39

[Vervallen per 22-12-2009]

Deze wet kan worden aangehaald als Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 13 november 1969.

JULIANA.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

J. A. BAKKER.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

R. J. H. KRUISINGA.

De Minister van Justitie,

C. H. F. POLAK.

Uitgegeven de zestiende december 1969.

De Minister van Justitie,

C. H. F. POLAK.

Terug naar begin van de pagina