Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

Geldend van 01-10-2009 t/m 29-12-2009

Wet van 2 juli 1969, houdende regelen nopens de hygiëne en de veiligheid in zweminrichtingen

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de wet regelen te stellen met betrekking tot de hygiëne en de veiligheid in zweminrichtingen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

badinrichting: een voor het publiek of voor personen, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, toegankelijke plaats, welke is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen of baden, tezamen met de daarbij behorende terreinen, gebouwen, getimmerten en uitrustingen;

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar.

Artikel 2

Het is de houder van een badinrichting verboden gelegenheid tot zwemmen of baden in die inrichting te geven, indien niet is voldaan aan de met betrekking tot die inrichting krachtens de artikelen 3, 4 en 7 geldende voorschriften.

Artikel 3

  • 1 In het belang van de hygiëne kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot badinrichtingen voorschriften worden gegeven betreffende:

    • a. de hoedanigheid en de behandeling van het zwem- en badwater;

    • b. het aantal en de inrichting van douches en toiletten;

    • c. de voorziening met drink- en waswater en de afvoer van afvalwater;

    • d. de te bezigen materialen;

    • e. het treffen van voorzieningen ten behoeve van de reinheid;

    • f. de gelegenheid tot het bergen van kleding;

    • g. het aantal gelijktijdig toe te laten bezoekers;

    • h. het toezicht,

    • i. preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.

  • 2 De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, bevatten slechts hetgeen naar Ons oordeel uit het oogpunt van hygiëne strikt noodzakelijk is.

  • 3 De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, gelden niet met betrekking tot de badinrichtingen die zijn vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 10b.

Artikel 4

  • 1 In het belang van de veiligheid van de bezoekers kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot badinrichtingen voorschriften worden gegeven betreffende:

    • a. het treffen van technische voorzieningen;

    • b. de voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven;

    • c. het in het zwem- en badwater aanbrengen van een aanduiding der waterdiepten;

    • d. de te bezigen materialen;

    • e. het treffen van voorzieningen ten behoeve van eerste hulp bij ongelukken;

    • f. het aantal gelijktijdig toe te laten bezoekers;

    • g. het toezicht.

  • 2 De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, bevatten slechts hetgeen naar Ons oordeel uit het oogpunt van veiligheid strikt noodzakelijk is.

Artikel 5

  • 1 In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten, op verzoek van de houder van een badinrichting, ontheffing verlenen van krachtens de artikelen 3 en 4 gegeven voorschriften.

  • 2 Een besluit, ontheffing betreffende, treedt eerst in werking zodra het onherroepelijk is geworden.

  • 3 Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 4 Alvorens een besluit te nemen horen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders.

  • 5 Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek beslist. Van het besluit wordt mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders.

Artikel 7

  • 1 Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot een in hun provincie gelegen badinrichting in het belang van de hygiëne en de veiligheid van de bezoekers nadere voorschriften geven.

  • 2 Bij een besluit krachtens het eerste lid wordt een termijn gesteld, bij het verstrijken waarvan de voorschriften gaan gelden. De termijn gaat eerst in zodra het besluit onherroepelijk is geworden.

  • 3 Alvorens aan het eerste lid toepassing te geven horen gedeputeerde staten de houder van de badinrichting en burgemeester en wethouders.

  • 4 Van het besluit wordt mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders.

Artikel 8

  • 2 Gedeputeerde staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek. Deze termijn kan door gedeputeerde staten eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd.

Artikel 10

  • 1 Degene die voornemens is een badinrichting op te richten, te wijzigen of uit te breiden, geeft van dat voornemen kennis aan gedeputeerde staten.

  • 2 Gedeputeerde staten doen van de kennisgeving mededeling aan burgemeester en wethouders.

  • 3 Onze Minister kan terzake nadere regelen stellen.

Artikel 10a

  • 1 De houder van een badinrichting is verplicht de hoedanigheid van het zwem- en badwater regelmatig te onderzoeken.

  • 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat gedeputeerde staten op de plaatsen die zijn vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 10b, voor zover het geen badinrichtingen zijn, volgens bij die maatregel te stellen regelen onderzoek verrichten ten aanzien van de hoedanigheid van het zwemwater.

  • 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake van het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, nadere regelen worden gesteld.

  • 4 De uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ter kennis gebracht van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen organen en, voor zover het betreft het in het eerste lid bedoelde onderzoek, tevens aan gedeputeerde staten.

Artikel 10b

  • 1 Gedeputeerde staten houden, mede met het oog op de plannen, bedoeld in de artikelen 5 en 7 van de Wet op de waterhuishouding, een lijst aan van de badinrichtingen in oppervlaktewater en van de andere plaatsen waar door een aanmerkelijk aantal personen in oppervlaktewater pleegt te worden gezwommen.

  • 2 Gedeputeerde staten leggen de op deze lijst voorkomende gegevens over aan Onze Minister en aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 10c

  • 1 Gedeputeerde staten maken jaarlijks de hoedanigheid van het water op de op grond van artikel 10b geïnventariseerde plaatsen bekend voor zover geen toepassing is gegeven aan artikel 11 en evenmin uit anderen hoofde een verbod om te zwemmen geldt of de badinrichting is gesloten.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regelen worden gesteld.

Artikel 10ca

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 10d

  • 1 Gedeputeerde staten stellen jaarlijks een onderzoek in naar de veiligheid bij het zwemmen op de op grond van artikel 10b geïnventariseerde plaatsen voor zover het geen badinrichtingen zijn. Voor zover de uitkomsten van dit onderzoek niet leiden tot toepassing van artikel 11, dragen gedeputeerde staten er zorg voor dat het publiek door middel van voorzieningen ter plaatse omtrent de veiligheid wordt ingelicht.

  • 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regelen worden gesteld.

Artikel 10e

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 10f

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 11

  • 1 Indien de omstandigheden met betrekking tot een badinrichting of een andere plaats die wordt gebruikt voor het zwemmen, daartoe uit het oogpunt van hygiëne of veiligheid van de bezoekers aanleiding geven, kunnen gedeputeerde staten de houder van de inrichting gelasten deze te sluiten, onderscheidenlijk een zwemverbod instellen.

  • 2 Ingeval voor de gezondheid of de veiligheid van de bezoekers onmiddellijk gevaar dreigt, kan de bevoegdheid, omschreven in het eerste lid, worden uitgeoefend door Onze commissaris in de provincie.

  • 3 Met betrekking tot de op grond van artikel 10b geïnventariseerde plaatsen wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald dat binnen een daarbij te stellen termijn aan het eerste lid toepassing moet worden gegeven indien niet wordt voldaan aan bij die maatregel gestelde eisen betreffende de hoedanigheid van het zwem- en badwater.

  • 4 Onze Minister kan op verzoek van gedeputeerde staten de in het derde lid bedoelde termijn voor de in hun provincie gelegen geïnventariseerde plaatsen of een deel daarvan tot een door hem te bepalen tijdstip verlengen indien naar zijn oordeel op grond van de plannen, bedoeld in de artikelen 5 en 7 van de Wet op de waterhuishouding, is te verwachten dat het zwem- en badwater op die plaatsen op het aangegeven tijdstip aan de eisen, bedoeld in het derde lid, zal voldoen.

  • 5 Indien vanwege het gevaar voor de verspreiding van een infectieziekte behorend tot groep A, B1, B2 of C als bedoeld in de Wet publieke gezondheid een besluit krachtens het eerste of tweede lid wordt overwogen, wordt voorafgaande aan dat besluit het advies ingewonnen van de gemeentelijke gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 17 van de Wet publieke gezondheid.

Artikel 11a

  • 1 Een krachtens artikel 11, eerste of tweede lid, gegeven last of gesteld verbod wordt, al dan niet op verzoek van de rechthebbende, opgeheven onderscheidenlijk ingetrokken zodra een wijziging van de omstandigheden dat mogelijk maakt.

  • 2 Van een besluit, genomen krachtens artikel 11, eerste of tweede lid, of krachtens het eerste lid, wordt mededeling gedaan aan de inspecteur en aan burgemeester en wethouders.

  • 3 Een besluit krachtens het eerste lid treedt eerst in werking zodra het onherroepelijk is geworden.

Artikel 12

  • 2 Gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze commissaris beslissen binnen twee weken, onderscheidenlijk vierentwintig uur na ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, of als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 13

  • 3 Van een besluit tot afwijzing van een door de inspecteur krachtens artikel 12, eerste lid, gedaan verzoek kan deze binnen drie dagen nadat het hem is medegedeeld in beroep komen bij Onze Minister.

Artikel 15

  • 1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

  • 2 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet binnen een provincie of gemeente zijn tevens belast de bij besluit van gedeputeerde staten onderscheidenlijk burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

  • 4 Van een besluit als bedoeld in een der voorgaande leden, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 22

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van een krachtens artikel 11, eerste lid, gegeven last.

Artikel 23

  • 1 Een gedraging in strijd met het verbod, gesteld bij artikel 2, of met een last, gegeven krachtens artikel 11, eerste lid of tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

  • 2 Een gedraging in strijd met een voorschrift, gegeven bij of krachtens artikel 5, derde lid, 10, eerste lid of tweede lid, of 10a, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 3 Een gedraging in strijd met een verbod, gesteld krachtens artikel 11, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

  • 4 De in de voorgaande leden strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 24

De rechthebbenden op gronden en gebouwen waarin of waarop tekens worden bevestigd, zijn gehouden het aanbrengen van die tekens en wat tot instandhouding daarvan vereist wordt, te gedogen, mits dit minstens tweemaal vierentwintig uren te voren wordt aangezegd door gedeputeerde staten.

Artikel 25

  • 1 Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

  • 3 Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.

Artikel 27

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 2 juli 1969.

JULIANA.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

R. J. H. KRUISINGA.

Uitgegeven de vierentwintigste juli 1969.

De Minister van Justitie a.i.,

H. K. J. BEERNINK.

Terug naar begin van de pagina