Successiewet 1956

Geldend van 01-01-2002 t/m 31-08-2002

Wet van 28 juni 1956, inzake de heffing van de rechten van successie, van schenking en van overgang

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is gebleken de wettelijke regeling betreffende de heffing van de rechten van successie, van overgang en van schenking, welke thans voorkomt in de wet van 13 Mei 1859, Staatsblad no. 36 (Successiewet), zoals die wet nader is gewijzigd en aangevuld, aan een technische herziening te onderwerpen en in verband daarmede de geldende wet door een andere te vervangen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Grondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht

Artikel 1

  • 1 Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:

    • 1°. recht van successie van de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand, die ten tijde van dat overlijden binnen het Rijk woonde.

      Onder verkrijging krachtens erfrecht wordt mede verstaan de verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het overlijden van de erflater, indien die verkrijging rechtstreeks verband houdt met de omstandigheid, dat de erflater die of dergelijke vergunningen en aanspraken bezat;

    • 2°. recht van overgang van de waarde van het in artikel 5, tweede lid, nader omschrevene, verkregen krachtens schenking, of krachtens erfrecht door het overlijden, van iemand, die ten tijde van die schenking of van dat overlijden niet binnen het Rijk woonde;

    • 3°. recht van schenking van de waarde van al wat door schenking wordt verkregen van iemand, die ten tijde van die schenking binnen het Rijk woonde.

  • 2 Onder schenking wordt voor de toepassing van deze wet verstaan de schenking geregeld in de elfde titel van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek en elke andere bevoordeling uit vrijgevigheid - daaronder begrepen de uitvoering, door bezitsoverdracht of anderszins, van een nietige schenking -, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Onder schenking wordt niet begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris. Een bevoordeling door een beding ten behoeve van een derde wordt, voor zover artikel 13 niet toepasselijk is, geacht te zijn een schenking door degene die het beding heeft gemaakt aan de derde.

  • 3 Indien de waarde van het in artikel 5, tweede lid, omschrevene, 90% of meer uitmaakt van hetgeen krachtens deze wet zou worden belast met het recht van successie in het geval de erflater binnen het Rijk zou hebben gewoond, wordt op gezamenlijk verzoek van alle verkrijgers uit die nalatenschap de erflater ten tijde van het overlijden geacht binnen het Rijk te hebben gewoond. Indien de waarde van het in artikel 5, tweede lid, omschrevene, 90% of meer uitmaakt van hetgeen krachtens deze wet zou worden belast met het recht van schenking in het geval de schenker binnen het Rijk zou hebben gewoond, wordt op verzoek van de verkrijger de schenker ten tijde van de schenking geacht binnen het Rijk te hebben gewoond. Bij de toepassing van de tweede volzin zijn de artikelen 27 en 28 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2

  • 1 De buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, alsmede zijn niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot en de eigen kinderen en stiefkinderen die jonger dan 27 jaar zijn en in belangrijke mate door hem worden onderhouden in de zin van artikel 1.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, worden geacht binnen het Rijk te wonen. De vorige volzin blijft buiten toepassing ten aanzien van de aldaar bedoelde Nederlander, echtgenoot en kinderen:

    • a. indien die Nederlander buiten het Rijk werkzaam is in het land waar hij is aangeworven, tenzij hij militair is;

    • b. indien die Nederlander militair is en bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald, dat hij geacht wordt blijvend buiten het Rijk werkzaam te zijn.

  • 2 In geval van schenking door een rechtspersoon wordt de plaats, waar de schenker is gevestigd, als zijn woonplaats aangemerkt.

Artikel 3

  • 1 Een Nederlander, die binnen het Rijk heeft gewoond en binnen tien jaren, nadat hij het Rijk metterwoon heeft verlaten, is overleden of een schenking heeft gedaan, wordt geacht ten tijde van zijn overlijden of van het doen van de schenking binnen het Rijk te hebben gewoond.

  • 2 Onverminderd het in het eerste lid bepaalde wordt ieder, die binnen het Rijk heeft gewoond en binnen een jaar, nadat hij het Rijk metterwoon heeft verlaten, een schenking heeft gedaan, geacht ten tijde van het doen van de schenking binnen het Rijk te hebben gewoond.

Artikel 4

  • 1 De verklaring van vermoedelijk overlijden wordt, voor de toepassing van deze wet, met werkelijk overlijden in alle opzichten gelijk gesteld, behoudens vermindering van de dientengevolge opgelegde belastingaanslagen in de gevallen bij de artikelen 422 en 423 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek voorzien.

  • 2 De dagtekening van de verklaring wordt als de dag van het overlijden beschouwd.

Artikel 5

  • 1 Het recht van successie wordt geheven van hetgeen ieder verkrijgt, eventueel na aftrek van zijn aandeel in de volgens deze wet voor aftrek in aanmerking komende schulden, legaten en lasten.

  • 2 Het recht van overgang wordt geheven van de waarde van:

    • 1°. de binnenlandse bezittingen na aftrek van binnenlandse schulden;

    • 2°. andere dan de onder 1° bedoelde bezittingen, dan wel laatstbedoelde bezittingen zonder aftrek van sommige van de onder 1° bedoelde schulden, indien en voor zover Wij bij algemene maatregel van bestuur vaststellen dat in de Staat, waarin de erflater of schenker ten tijde van het overlijden of van de schenking woonplaats had, hetzij zodanige andere bezittingen, nagelaten of geschonken door niet in die Staat wonenden, middellijk of onmiddellijk onderworpen zijn aan een belasting, die gelijksoortig is aan het recht van overgang, dan wel voor de regeling van die gelijksoortige belasting dergelijke schulden niet mogen worden afgetrokken. Wij behouden Ons voor nadere regelen te geven aangaande de heffing van de ten gevolge van deze bepaling verschuldigde belasting.

  • 3 Binnenlandse bezittingen zijn:

    • a. bezittingen die behoren tot een Nederlandse onderneming, zijnde een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een in Nederland aanwezige vaste inrichting of van een vaste vertegenwoordiger in Nederland;

    • b. niet tot een Nederlandse onderneming behorende:

      • 1°. in Nederland gelegen onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, alsmede economische eigendom als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer van in Nederland gelegen onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen;

      • 2°. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, voorzover zij niet voortspruiten uit effectenbezit of uit dienstbetrekking.

  • 4 Binnenlandse schulden zijn:

    • a. tot een Nederlandse onderneming behorende schulden;

    • b. schulden, verzekerd door hypotheek op een in Nederland gelegen onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen, voorzover deze schulden zijn aangegaan ter financiering van de verwerving, de verbetering of het onderhoud van deze onroerende zaak.

  • 6 Indien de economische eigendom, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, van een in Nederland gelegen onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen berust bij een ander dan de erflater dan wel schenker van die onroerende zaak of dat recht, wordt de waarde bedoeld in het tweede lid van die zaak of dat recht bepaald met inachtneming van die omstandigheid.

  • 7 Het recht van schenking wordt geheven van hetgeen de begiftigde verkrijgt, eventueel na aftrek van aan de schenking verbonden lasten en verplichtingen, waardoor hetzij de schenker, hetzij een derde wordt gebaat.

  • 8 Wanneer rechten van successie of van schenking de grondslag der rechtsheffing mede bepalen, wordt voor de berekening van hun beloop het bedrag, waarover zij verschuldigd zijn, vastgesteld met verwaarlozing van die rechten.

Artikel 6

Al wat een in gemeenschap gehuwde, tengevolge van de door de erfgenamen van zijn echtgenoot gedane afstand van de gemeenschap, geniet, wordt hij, voor de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden van zijn echtgenoot te verkrijgen.

Artikel 7

Hetgeen aan de langstlevende echtgenoot, krachtens een bij huwelijksvoorwaarden gemaakt en van het overlijden van de eerststervende afhankelijk beding, bij dat overlijden meer verblijft dan de helft in de gemeenschappelijke goederen of, in geval van een deelgenootschap, meer toekomt dan volgens de wettelijke regeling het geval zou zijn, wordt, voor de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden van de eerststervende te zijn verkregen.

Artikel 8

  • 1 Goederen, niet zijnde registergoederen, welke - of waarvan de daarop betrekking hebbende bewijsstukken - bij het overlijden onder de overledene berustten of voor hem door anderen werden bewaard of bezeten, worden, voor de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen door hem, aan wie die goederen of die bewijsstukken moeten worden afgegeven.

  • 2 Indien en voor zover de goederen reeds vóór het overlijden aan anderen toebehoorden, kan op de in het vorige lid bedoelde verkrijging de verplichting tot afgifte in mindering worden gebracht.

  • 3 De in de voorgaande leden vervatte bepalingen zijn niet toepasselijk voor goederen of bewijsstukken:

    • 1°. welke de overledene, tengevolge van de uitoefening van een beroep of bedrijf, onder zich had voor iemand, niet behorende tot zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of hun echtgenoten;

    • 2°. welke de overledene onder zich had als openbaar ambtenaar, als ouder uitoefenende het ouderlijk gezag, als voogd, als curator, als executeur-testamentair of als bewindvoerder in de gevallen waarin deze als zodanig volgens een uitdrukkelijke wetsbepaling is aangesteld of bij verdeling van een gemeenschap is benoemd;

    • 3°. welke bij het overlijden verblijven aan deelgenoten, ingevolge een overeenkomst tussen de overledene en die deelgenoten gesloten;

    • 4°. welke toebehoren aan de echtgenoot van de overledene.

  • 4 De bepalingen van dit artikel zijn mede toepasselijk op de daarin bedoelde goederen of bewijsstukken, berustende onder of bewaard of bezeten voor de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot van de overledene.

Artikel 9

  • 1 Wat is schuldig erkend of kwijtgescholden onder voorwaarde van overleving van hem, aan wie is schuldig erkend of kwijtgescholden en wat is schuldig erkend bij testament wordt, voor de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.

  • 2 Het in het vorige lid bepaalde is, voor zoveel het bij testament schuldig erkende betreft, niet toepasselijk, indien de schuld reeds tijdens het leven van de erflater bestond en rechtens afdwingbaar was.

  • 3 De overdrachtsbelasting - voor zover deze niet heeft geleid tot toepassing van artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer - en de rechten van schenking en van overgang, betaald ter zake van de waarde welke op grond van dit artikel voor de heffing van het recht van successie of van overgang in aanmerking komt, strekken in mindering van het ten gevolge van dit artikel verschuldigde recht.

  • 4 Het in dit artikel bepaalde is niet toepasselijk op overeenkomsten, als bedoeld zijn in artikel 11, eerste lid.

Artikel 10

  • 1 Al wat iemand ten koste van erflaters vermogen heeft verkregen in verband met een rechtshandeling, waarbij de overledene partij was, wordt, indien na te melden omstandigheden aanwezig zijn, voor de regeling van de rechten van successie en van overgang, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.

  • 2 Het in het vorige lid bepaalde is toepasselijk, indien de overledene in verband met die rechtshandeling tot zijn overlijden of een daarmede verband houdend tijdstip het genot heeft gehad van een vruchtgebruik of een periodieke uitkering en een vruchtgebruik of een periodieke uitkering ten laste van de in het eerste lid bedoelde verkrijger is gekomen.

  • 3 Van de te dezer zake aan te geven waarde kan, voor de regeling van het recht van successie, worden afgetrokken wat bij de rechtshandeling door de overledene werd bedongen, vermeerderd met interest naar het in artikel 21, achtste lid, bedoelde percentage van de dag van betaling van het bedongene tot het overlijden. Voor vruchtgebruik wordt, voor zover dat middellijk of onmiddellijk door de erflater is genoten, geen aftrek toegelaten en de aftrek van aldus genoten periodieke uitkeringen wordt beperkt tot de waarde, welke de verkrijger ter zake heeft opgeofferd. Een eventuele negatieve waarde van de verkrijging wordt buiten beschouwing gelaten.

  • 4 De overdrachtsbelasting - voor zover deze niet heeft geleid tot toepassing van artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer - en de rechten van schenking en van overgang, betaald ter zake van de waarde welke op grond van dit artikel voor de heffing van het recht van successie of van overgang in aanmerking komt, strekken in mindering van het ten gevolge van dit artikel verschuldigde recht.

  • 5 De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk:

    • 1°. indien de verkrijger niet is de echtgenoot van de erflater, noch behoort tot diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun echtgenoten, noch een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid;

    • 2°. indien het genot voor de erflater meer dan 180 dagen vóór zijn overlijden is geëindigd;

    • 3°. indien de verkrijger vóór de erflater is overleden.

Artikel 11

  • 1 Indien het aandeel van een erflater in goederen, tengevolge van een overeenkomst, bij zijn overlijden hetzij verblijft of kan worden toegedeeld aan, hetzij kan worden overgenomen door de deelgenoten of één of meer van hen, wordt het verbleven, toegedeelde of overgenomen aandeel, voor de toepassing van deze wet, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.

  • 2 Het in het vorige lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op goederen, waaromtrent een overeenkomst is gesloten krachtens welke die goederen bij overlijden van de rechthebbende zullen toebehoren aan of kunnen worden overgenomen door de overige contractanten of één of meer van hen.

  • 3 Van de waarde van het aandeel of van het gehele goed kan, voor de regeling van het recht van successie, worden afgetrokken de waarde van hetgeen door de verkrijger voor zijn verkrijging werkelijk is opgeofferd. Een eventuele negatieve waarde van de verkrijging wordt buiten beschouwing gelaten.

  • 4 De overdrachtsbelasting, betaald ter zake van de waarde welke op grond van dit artikel voor de heffing van het recht van successie of van overgang in aanmerking komt, strekt in mindering van het ten gevolge van dit artikel verschuldigde recht.

  • 5 De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk:

    • 1°. ten aanzien van bedingen, als bedoeld zijn in artikel 7;

    • 2°. indien de verkrijger niet is de echtgenoot van de erflater, noch behoort tot diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun echtgenoten, noch een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid.

Artikel 12

  • 1 Al wat binnen 180 dagen aan het overlijden voorafgegaan is geschonken door een erflater, die ten tijde van dat overlijden binnen het Rijk woonde, wordt, voor de regeling van het recht van successie, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.

Artikel 13

Al wat tengevolge van of na het overlijden van een erflater wordt verkregen krachtens een overeenkomst van levensverzekering - ongevallenverzekering daaronder begrepen - of krachtens een beding ten behoeve van een derde, wordt, voor de toepassing van deze wet, geacht door de bevoordeelde krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen, tenzij voor de verkrijging niets aan het vermogen van de erflater is onttrokken. Ingeval het verkregene op grond van deze bepaling geacht wordt krachtens erfrecht te zijn verkregen van meer dan één erflater, vindt de bepaling slechts toepassing met betrekking tot de nalatenschap van de erflater die het laatst is overleden.

Artikel 13a

  • 1 Voor de toepassing van deze wet worden aandelen - daaronder begrepen winstbewijzen en bewijzen van deelgerechtigdheid - in een pensioen- of lijfrentelichaam welke worden gehouden door een ander dan de erflater, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen ingeval:

    • a. bij het lichaam een pensioen, een uitkering ter zake van vervroegde uittreding, een lijfrente of een kapitaalsuitkering ten behoeve van de erflater is verzekerd; en

    • b. de aandelen behoren tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 2 Dit artikel is mede van toepassing indien de aandelen worden gehouden in een lichaam dat - onmiddellijk of middellijk - houder is van aandelen in een pensioen- of lijfrentelichaam.

  • 3 Van de te dezer zake aan te geven waarde kan, voor de regeling van het recht van successie, worden afgetrokken de waarde van hetgeen door de verkrijger voor zijn verkrijging werkelijk is opgeofferd. Een eventuele negatieve waarde van de verkrijging wordt buiten beschouwing gelaten.

  • 4 Dit artikel verstaat onder een pensioen- of lijfrentelichaam een lichaam waarvan de werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit de verzorging van werknemers of gewezen werknemers, van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel degenen met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren of hebben gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat en van hun kinderen of pleegkinderen door middel van uitkeringen op grond van een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding, uit het verzekeren van dergelijke uitkeringen, dan wel uit het verzekeren van lijfrenten of kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering, met uitzondering van een lichaam dat ingevolge artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting.

  • 5 Voor zover ter zake van de waarde welke op grond van dit artikel voor de heffing van het recht van successie in aanmerking komt, recht van schenking of van successie is geheven, strekt dit in mindering van het ten gevolge van dit artikel verschuldigde recht.

Artikel 14

Opzegging van een beperkt recht wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met verkrijging van dat recht door degene, ten behoeve van wie de opzegging heeft plaatsgehad.

Artikel 15

  • 1 Voor de regeling van het recht van overgang worden bezittingen als bedoeld zijn in artikel 5, tweede lid, welke door de overledene binnen het jaar aan zijn overlijden voorafgegaan onder bezwarende titel zijn overgedragen, geacht door na te noemen verkrijgers krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen, indien die bezittingen hetzij vóór, hetzij binnen een jaar na dat overlijden onder bezwarende titel zijn of worden verkregen door zijn echtgenoot, door één of meer van zijn erfgenamen, door één of meer van zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten, of door de echtgenoot van één van die personen.

  • 2 Schulden, als bedoeld zijn in artikel 5, tweede lid, ontstaan binnen een jaar aan het overlijden of de schenking voorafgegaan, worden, voor de regeling van het recht van overgang, niet in aftrek toegelaten.

  • 3 De in de vorige leden vervatte bepalingen zijn niet toepasselijk, indien en voor zover bij de in het eerste lid bedoelde overdracht of als gevolg van het ontstaan van de in het tweede lid bedoelde schulden door de erflater of schenker bezittingen in de zin van artikel 5, tweede lid, zijn of worden verkregen.

  • 4 De overdrachtsbelasting strekt in mindering van het ten gevolge van het eerste lid verschuldigde recht van overgang.

Artikel 16

De goederen, door de erflater bij uiterste wil bestemd tot vermogen van een stichting welke overeenkomstig artikel 288, tweede en derde lid, van Boek 2 (Rechtspersonen) van het Burgerlijk Wetboek na het overlijden van de erflater wordt opgericht, worden beschouwd als door de stichting krachtens erfrecht te zijn verkregen.

Artikel 17

  • 1 De goederen, op andere wijze dan bij uiterste wil bestemd om daarmede een stichting in het leven te roepen, worden, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als door de stichting bij schenking te zijn verkregen.

  • 2 Indien de stichting door meer dan één persoon in het leven wordt geroepen, worden, voor de regeling van het recht van schenking, de oprichters als één en dezelfde persoon aangemerkt.

Artikel 18

  • 1 Onder vruchtgebruik worden, voor de toepassing van deze wet, mede verstaan vruchtgenot, gebruik en bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse opbrengst en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.

  • 2 Onder periodieke uitkering wordt, voor de toepassing van deze wet, behalve de uitkering in geld, mede verstaan elke andere, voortdurende, of op vastgestelde tijdstippen terugkerende, prestatie.

Artikel 19

  • 1 Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld:

    • a. aanverwantschap met bloedverwantschap, doch na de ontbinding van het huwelijk dat de aanverwantschap deed ontstaan, alleen indien het door de dood is ontbonden;

    • b. pleegkinderen met kinderen die in familierechtelijke betrekking tot de pleegouder staan;

    • c. kinderen over wie overeenkomstig artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een ander dan de ouder gezamenlijk met de ouder het ouderlijk gezag uitoefent of heeft uitgeoefend met kinderen die in familierechtelijke betrekking tot die ander staan;

    • d. kinderen over wie overeenkomstig artikel 282 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de voogdij door twee personen gezamenlijk wordt uitgeoefend of is uitgeoefend met kinderen die tot die personen in familierechtelijke betrekking staan.

  • 2 Als pleegkinderen worden aangemerkt zij, die vóór het tijdstip waarop zij de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt dan wel het tijdstip waarop zij vóór die leeftijd in het huwelijk zijn getreden, gedurende ten minste vijf jaren uitsluitend door de pleegouder - dan wel uitsluitend door hem en zijn echtgenoot tezamen - als een eigen kind zijn onderhouden en opgevoed.

Artikel 20

  • 1 Voor de regeling van het recht van successie kunnen van de nalatenschap als lasten slechts worden afgetrokken de kosten van lijkbezorging voor zover zij niet bovenmatig zijn.

  • 2 Onder de kosten van lijkbezorging kunnen worden begrepen de sommen, besproken of uitgekeerd voor de uitvaart van de erflater en de te zijnen behoeve te houden kerkelijke diensten dan wel godsdienstige of levensbeschouwelijke plechtigheden, sedert de dag van zijn overlijden tot en met het eerste jaargetijde, zulks geëvenredigd aan de stand en het vermogen van de overledene, met inachtneming van het plaatselijk gebruik en de bijzondere omstandigheden.

  • 3 De schulden ten laste van de erflater kunnen slechts worden afgetrokken voor zover zij rechtens afdwingbaar zijn en alsdan behoudens het navolgende:

    • a. lopende interessen en andere periodieke verplichtingen, alsmede zakelijke belastingen, dijk- en polderlasten, molen- en sluisgelden en soortgelijke omslagen zijn slechts aftrekbaar tot en met de dag van het overlijden;

    • b. belastingschulden kunnen niet worden afgetrokken, voor zover daarvoor ontheffing kan worden verkregen.

  • 4 Rechtsvorderingen tot nakoming van schulden, ten aanzien waarvan ten tijde van het overlijden de verjaringstermijn is verstreken, worden vermoed te zijn verjaard.

  • 5 Op de verkrijging wordt in mindering gebracht de inkomstenbelasting welke de verkrijger verschuldigd kan worden ter zake van:

  • 6 De in het vijfde lid bedoelde belasting wordt gesteld op:

    • a. 30% van het bedrag van de reserves, voorzover het de oudedagsreserve betreft;

    • b. 20% van het bedrag van de overige reserves;

    • c. 30% van de waarde van de stamrechten;

    • d. 6,25% van de waarde van de aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en koopopties, voorzover deze de verkrijgingsprijs daarvan in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 overtreft.

  • 7 Voor de toepassing van dit artikel:

    • a. wordt met de houder van de in het vijfde lid, onderdeel c, genoemde vermogensbestanddelen gelijkgesteld degene die slechts is gerechtigd tot voordelen uit die vermogensbestanddelen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als een dergelijk vermogensbestanddeel;

    • b. is artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk II. Bepaling van het belastbaar bedrag

Artikel 21

  • 1 Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.

  • 2 Met fideï-commis bezwaarde goederen worden in aanmerking genomen naar de waarde van de onbezwaarde goederen.

  • 3 Voor de waardering van effecten die zijn genoteerd aan de Euronext effectenbeurs te Amsterdam wordt de waarde in het economische verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant, uitgegeven door AEX- Data services, geldende voor de dag voorafgaande aan de dag van de verkrijging.

  • 4 De waarde van in de verkrijging begrepen ondernemingsvermogen wordt in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer van dat vermogen met inbegrip van de voor overdracht vatbare goodwill, maar, in zoverre in afwijking van het vijfde lid, ten minste op de liquidatiewaarde.

  • 5 Wat in het economische verkeer als een eenheid pleegt te worden beschouwd, wordt in aanmerking genomen met inachtneming van die omstandigheid.

  • 6 Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur regelen te geven nopens de in aanmerking te nemen waarde van rechten op en verplichtingen tot periodieke uitkeringen.

  • 7 Bij verkrijging door fideï-commissaire verwachters is voor de bepaling van aard en waarde van het verkregene beslissend het tijdstip waarop het genot voor de verwachter ingaat.

  • 8 De waarde van een vruchtgebruik wordt gesteld op het overeenkomstig het zesde lid tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse inkomsten. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur de jaarlijkse inkomsten vast te stellen op een daarbij te bepalen percentage van de overeenkomstig de vorige leden te bepalen waarde van hetgeen aan het vruchtgebruik is onderworpen, naar het tijdstip waarop het genot aanvangt.

  • 9 De waarde van hetgeen onder de last van vruchtgebruik of van periodieke uitkering wordt verkregen, wordt gesteld op het verschil tussen de waarden van de onbezwaarde goederen en het vruchtgebruik of de periodieke uitkering, beide waarden vastgesteld overeenkomstig de vorige leden. Met elkander opvolgende vruchtgebruiken en periodieke uitkeringen wordt bij de waardebepaling van de daarmede bezwaarde goederen terstond rekening gehouden.

Artikel 23

De waarde van een verkrijging krachtens levensverzekering of derdenbeding wordt voor de berekening van het recht verminderd met de bedragen:

  • 1°. welke voor de verkrijging door de daarop rechthebbende werkelijk zijn opgeofferd; renteverlies blijft in deze buiten aanmerking;

  • 2°. waarover door de verkrijger recht van schenking of van successie is verschuldigd geworden wegens verkrijging van de rechten, welke aan de polis worden ontleend, tijdens het leven van de verzekerde.

Hoofdstuk III. Tarief; berekening van het recht; vrijstellingen

Artikel 24

  • 1 Behoudens de toepassing van artikel 35 wordt de belasting geheven naar het volgende tarief, uitgedrukt in euro’s. In dit tarief is telkens vermeld

    onder letter a: de belasting bij een belaste verkrijging als daarnaast is vermeld in kolom (1);

    onder letter b: het heffingspercentage over het gedeelte der belaste verkrijging, gelegen tussen de daarnaast in de kolommen (1) en (2) vermelde bedragen.

    Gedeelte van de belaste verkrijging

    Indien geërfd of verkregen wordt door:

     

    I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad, of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid1

    II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn

    III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid

     

    a

    b

    a

    b

    a

    b

    0 – 19 994

    0

    5

    0

    26

    0

    41

    19 994 – 39 984

    999

    8

    5 198

    30

    8 197

    45

    39 984 – 79 961

    2 598

    12

    11 195

    35

    17 192

    50

    79 961 – 159 916

    7 395

    15

    25 186

    39

    37 180

    54

    159 916 – 319 826

    19 388

    19

    56 368

    44

    80 355

    59

    319 826 – 799 554

    49 770

    23

    126 728

    48

    174 701

    63

    799 554 en het hogere bedrag van de belaste verkrijging

    160 107

    27

    356 997

    53

    476 929

    68

  • 2 Onder verkrijger in tariefgroep I wordt verstaan een verkrijger – niet zijnde de echtgenoot – die:

    • a. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker een als duurzaam bedoelde gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, welke huishouding in geval van overlijden reeds zes maanden heeft geduurd en in geval van schenking reeds twee jaar heeft geduurd, waarbij slechts in aanmerking wordt genomen een periode na het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in dit letteronderdeel wordt slechts aangenomen indien de verkrijger en de erflater of de schenker volgens de basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland op hetzelfde woonadres staan ingeschreven en een wederzijdse zorgverplichting zijn aangegaan, vastgelegd in een notarieel samenlevingscontract. Dit letteronderdeel is niet van toepassing op bloedverwanten in de rechte lijn van de erflater of schenker en op verkrijgers die gedurende de laatste vijf kalenderjaren voorafgaand aan het kalenderjaar van overlijden onderscheidenlijk van schenking, voor de heffing van de inkomstenbelasting hadden kunnen kwalificeren als partner van de erflater of schenker, doch zulks hebben nagelaten. De in dit letteronderdeel bedoelde verkrijger dient als enige persoon te voldoen aan de in dit onderdeel gestelde eisen; of

    • b. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren en met geen ander dan met een of meer kinderen jonger dan 27 jaar van een van hen of van hen beiden een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Voor dit letteronderdeel wordt met een kind gelijkgesteld een pleegkind, waaronder voor de toepassing van dit letteronderdeel wordt verstaan een kind dat door de verkrijger en de erflater of de schenker als een eigen kind is onderhouden en opgevoed; dan wel

    • c. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

  • 3 Voor zover een schenking binnen het Rijk gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen of voor de heffing van de overdrachtsbelasting daarmee gelijkgestelde certificaatrechten en dergelijke of rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties tot voorwerp heeft, bedraagt het recht van schenking of het recht van overgang niet minder dan de overdrachtsbelasting welke zou zijn verschuldigd, indien artikel 15, eerste lid, letter d, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing zou zijn.

  • 4 Indien geërfd of verkregen wordt door een binnen het Rijk gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, is verschuldigd 11 ten honderd over de waarde van de verkrijging, indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.

  • 5 De overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover recht van schenking of recht van overgang verschuldigd is, strekt in mindering van het recht van schenking onderscheidenlijk het recht van overgang.

Artikel 25

  • 1 Verkrijging krachtens erfrecht door met elkaar gehuwde personen, die niet van tafel en bed zijn gescheiden, worden, voor de berekening van het recht van successie, aangemerkt als verkrijgingen door één van de echtgenoten, bij verschil in graad door degene van hen, die de erflater het naast verwant is.

Artikel 26

  • 1 Met elkaar gehuwde personen, die niet van tafel en bed zijn gescheiden, worden, voor de berekening van het recht van schenking, als één en dezelfde persoon aangemerkt. Het schenkingsrecht wordt alsdan berekend naar de naaste verwantschap tussen de schenker of één van de gehuwde schenkers en de begiftigde of één van de gehuwde begiftigden.

  • 2 Indien schenkingen worden gedaan binnen een jaar vóór het huwelijk van de schenkers of van de begiftigden, wordt het huwelijk geacht reeds ten tijde van die schenkingen te hebben bestaan.

  • 3 Het in het eerste lid bepaalde is niet toepasselijk op schenkingen door een echtgenoot aan degene met wie hij is gehuwd.

Artikel 27

  • 1 Indien in een tijdsverloop van twee jaren door dezelfde schenker aan dezelfde begiftigde verschillende schenkingen zijn gedaan, worden deze aangemerkt als deel uitmakende van één schenking ten belope van het gezamenlijk bedrag.

  • 2 Het in het vorige lid bepaalde is niet toepasselijk op schenkingen door ouders aan kinderen.

Artikel 28

Schenkingen, door ouders tezamen of afzonderlijk gedurende een kalenderjaar aan een kind gedaan, worden aangemerkt als één schenking ten belope van het gezamenlijk bedrag.

Artikel 29

  • 1 Indien onzekerheid bestaat omtrent de verwantschap of omtrent de persoon van de schenker of van de verkrijger, wordt het hoogste recht geheven, dat verschuldigd zou kunnen zijn, behoudens vermindering van de aanslag, voor zover deze naderhand blijkt te hoog te zijn.

  • 2 Bestaat de onzekerheid ten aanzien van de persoon van de schenker, dan wordt deze, behoudens tegenbewijs, geacht binnen het Rijk te wonen.

  • 3 De bepalingen van dit artikel zijn mede toepasselijk, indien de naam of de woonplaats van de schenker of van de begiftigde desgevraagd niet wordt genoemd.

Artikel 30

  • 1 Het bedrag van de rechten ondergaat ten gevolge van verwerping of van afstand van rechten geen vermindering.

  • 2 Bij verwerping door de erfgenamen van een overledene van hetgeen aan deze uit een vroeger opengevallen nalatenschap is opgekomen, wordt ten laste van hen, die ten gevolge van die verwerping verkrijgen, niet minder recht geheven, dan in totaal verschuldigd zou zijn wegens de verkrijging door de overledene en wegens de overgang van deze op zijn erfgenamen.

  • 3 Indien de verwachters gedurende het leven van de bezwaarde afstand doen van hun recht of dat na zijn dood verwerpen of niet aanvaarden, wordt ten laste van hen, die het bezwaarde goed uit de nalatenschap van de bezwaarde verkrijgen, niet minder recht geheven, dan zonder die afstand, verwerping of niet aanvaarding verschuldigd zou zijn.

Artikel 31

Het recht, verschuldigd wegens de afstand van fideï-commissair vermogen door de bezwaarde aan de echtgenoot of een of meer van de bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad van de verwachter of aan de echtgenoot van één van die verwanten, bedraagt niet minder dan het recht, verschuldigd wegens de overgang van dat goed van de bezwaarde op de verwachter krachtens het fideï-commissaire verband.

Artikel 31a

  • 1 Indien in de belastbare verkrijging te conserveren waarde als bedoeld in artikel 35c is begrepen, is de verschuldigde belasting voorzover deze bij wege van aanslag op de voet van artikel 37, eerste lid, wordt geheven de belasting die wordt berekend over de belastbare verkrijging verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de daarin begrepen te conserveren waarde.

  • 2 De over te conserveren waarde verschuldigde belasting is het bedrag aan belasting dat verschuldigd zou zijn zonder de in het eerste lid bedoelde vermindering aan te conserveren waarde, na aftrek van de overeenkomstig het eerste lid bepaalde belasting.

  • 3 De aan de op grond van artikel 35c, eerste en tweede lid, te conserveren waarde – de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde – toe te rekenen belasting is het verschil tussen de belasting die verschuldigd zou zijn zonder de in het eerste lid bedoelde vermindering aan te conserveren waarde en de belasting die verschuldigd zou zijn over de belastbare verkrijging nadat die is verminderd met de op grond van artikel 35c, eerste en tweede lid, te conserveren waarde.

  • 4 De aan de op grond van artikel 35c, derde lid, te conserveren waarde – de belaste geconserveerde waarde – toe te rekenen belasting bedraagt het verschil tussen het op grond van het tweede lid berekende bedrag aan belasting en het op grond van het derde lid berekende bedrag aan belasting.

Artikel 32

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Van het recht van successie is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:

    • 1°. door de Staat;

    • 2°. door een provincie of een gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de making niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;

    • 3°. door een instelling als wordt bedoeld in artikel 24, vierde lid, indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang en mits de verkrijging een bedrag van € 7 996 niet te boven gaat;

    • 4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen:

      • a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a: € 467.848;

      • b. kinderen tot 23 jaar: € 3999 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 7996 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder c, bedraagt de vrijstelling ten minste € 11.994;

      • c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 7996;

      • d. kinderen voor wie de vrijstelling onder b en c genoemd niet van toepassing is: € 7996 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 23.987;

      • e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b: € 467.848 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 233.924; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk € 187.137, € 140.351 en € 93.564;

      • f. ouders voor wie de vrijstelling onder e genoemd niet van toepassing is: € 39.978.

      Indien in de gevallen, bedoeld onder de letters a, b, c, e en f meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;

    • 5°. aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling, aan waarde van lijfrenten alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden;

    • 6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters b, c, d, e en f niet van toepassing is, indien de verkrijging € 7996 niet te boven gaat;

    • 7°. in andere gevallen, tot een bedrag van € 1732. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;

    • 8°. [Red: vervallen;]

    • 9°. door een werknemer van de erflater of zijn echtgenoot of door een nabestaande van zodanige werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

      Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van successierecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;

    • 10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten;

    • 11°. door een door Onze Minister, na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, aangewezen museum, waarvan de collectie van nationaal of regionaal cultureel belang is of een steunstichting van dat museum, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.

  • 2 De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters b en f, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 11.994 voor een kind als is bedoeld in het eerste lid, 4°, letter b, slot, en € 7996 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen alsmede voor een ouder.

  • 3 De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter a, onderscheidenlijk het in letter e als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 133.670 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b en € 66.840 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing.

  • 6 Onder aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden worden verstaan aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, die ingaan bij het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer en toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in rechte lijn bestaat, of aan zijn eigen kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt.

  • 7 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

    • a. museum: een binnen het Rijk gevestigde culturele of wetenschappelijke instelling die de in haar bezit zijnde voorwerpen van kunst of wetenschap in de regel kosteloos, of tegen een matige toegangsprijs ter bezichtiging van het publiek stelt;

    • b. steunstichting van een museum: een binnen het Rijk gevestigde stichting die ten doel heeft een museum te ondersteunen door onder meer het bijeenbrengen van gelden ten behoeve van dat museum en die deze gelden daadwerkelijk geheel of nagenoeg geheel aanwendt ten behoeve van of ter beschikking stelt aan dat museum.

Terugwerkende kracht

Stb. 2002, 614, datum inwerkingtreding 01-03-2003, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2002.

1 Van het recht van successie is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:

  • 1°. door de Staat;

  • 2°. door een provincie of een gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de making niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;

  • 3°. door een instelling als wordt bedoeld in artikel 24, vierde lid, indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang en mits de verkrijging een bedrag van € 8284 niet te boven gaat;

  • 4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen:

    • a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a: € 484.691;

    • b. kinderen tot 23 jaar: € 4143 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 8284 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder c, bedraagt de vrijstelling ten minste € 12.426;

    • c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 8284;

    • d. kinderen voor wie de vrijstelling onder b en c genoemd niet van toepassing is: € 8284 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 24.851;

    • e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b: € 484.691 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 242.346; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk € 193.874, € 145.404 en € 96.933;

    • f. ouders voor wie de vrijstelling onder e genoemd niet van toepassing is: € 41.418.

    Indien in de gevallen, bedoeld onder de letters a, b, c, e en f meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;

  • 5°. aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling, aan waarde van lijfrenten alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden;

  • 6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters b, c, d, e en f niet van toepassing is, indien de verkrijging € 8284 niet te boven gaat;

  • 7°. in andere gevallen, tot een bedrag van € 1795. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;

  • 8°. [Red: vervallen;]

  • 9°. door een werknemer van de erflater of zijn echtgenoot of door een nabestaande van zodanige werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

    Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van successierecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;

  • 10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten;

  • 11°. door een door Onze Minister, na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, aangewezen museum, waarvan de collectie van nationaal of regionaal cultureel belang is of een steunstichting van dat museum, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.

2 De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters b en f, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan €12.426 voor een kind als is bedoeld in het eerste lid, 4°, letter b, slot, en € 8284 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen alsmede voor een ouder.

3 De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter a, onderscheidenlijk het in letter e als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 138.483 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 69.247 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing.

4 Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

5 Onder lijfrenten worden verstaan lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001, welke zijn verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126 van die wet, voorzover de terzake voldane premies voor de heffing van de inkomstenbelasting als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek konden worden gebracht.

6 Onder aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden worden verstaan aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, die ingaan bij het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer en toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in rechte lijn bestaat, of aan zijn eigen kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt.

7 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

  • a. museum: een binnen het Rijk gevestigde culturele of wetenschappelijke instelling die de in haar bezit zijnde voorwerpen van kunst of wetenschap in de regel kosteloos, of tegen een matige toegangsprijs ter bezichtiging van het publiek stelt;

  • b. steunstichting van een museum: een binnen het Rijk gevestigde stichting die ten doel heeft een museum te ondersteunen door onder meer het bijeenbrengen van gelden ten behoeve van dat museum en die deze gelden daadwerkelijk geheel of nagenoeg geheel aanwendt ten behoeve van of ter beschikking stelt aan dat museum.

Artikel 33

  • 1 Van het recht van schenking is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:

    • 1°. van de Koningin of de leden van het Koninklijk Huis;

    • 2°. door de Staat, of van de Staat, een provincie of gemeente;

    • 3°. door een provincie of gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;

    • 4°. door een instelling als wordt bedoeld in artikel 24, vierde lid, indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang en mits de verkrijging een bedrag van € 3999 niet te boven gaat;

    • 5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 3999. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 3999 voor één kalenderjaar tot € 19.991 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd;

    • 6°. [Red: vervallen;]

    • 7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2399 niet te boven gaat;

    • 8°. door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen;

    • 9°. door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven;

    • 10°. van een instelling als wordt bedoeld in artikel 24, vierde lid, voor zover betreft uitkeringen door die instelling gedaan op grond van haar statuten, reglement of stichtingsbrief;

    • 11°. door een rechtspersoon, welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft de bevordering van de materiële en geestelijke belangen van de werknemers in het bedrijf van de schenker, dan wel in de bedrijven van de schenker en anderen, of van de nabestaanden van die werknemers;

    • 12° indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een ingevolge deze bepaling van het recht van schenking vrijgestelde verkrijging haar grond vindt in de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in de vorige volzin tot verzorging na het overlijden van de schuldenaar - de omzetting van zodanige verbintenis in een rechtens afdwingbare daaronder begrepen - wordt zij geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Voor zover een schenking van een periodieke uitkering door een werkgever of zijn echtgenoot of door een pensioenfonds aan een nabestaande van een werknemer ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van schenkingsrecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding;

    • 13°. door een door Onze Minister, na overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, aangewezen museum waarvan de collectie van nationaal of regionaal cultureel belang is of een steunstichting van dat museum, voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.

  • 2 Voor zover een hiervoor bedoelde schenking binnen het Rijk gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen of voor de heffing van de overdrachtsbelasting daarmee gelijkgestelde certificaatrechten en dergelijke of rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties tot voorwerp heeft, wordt over het vrijgestelde gedeelte van de waarde van de bevoordeling een recht van schenking geheven, gelijk aan de in artikel 24, derde lid, bedoelde overdrachtsbelasting.

Artikel 34

Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur regelen te stellen, ten doel hebbende te bevorderen, dat het vermogen van de in artikel 33, eerste lid, onder 11°, bedoelde rechtspersonen blijvend wordt aangewend voor het door die rechtspersonen beoogde doel; bij niet-naleving van deze regelen blijft gemelde vrijstellingsbepaling buiten toepassing.

Artikel 35

  • 1 Het recht bedraagt niet meer dan het drie-vierde gedeelte van het bedrag, waarmede de verkrijging het voor de verkrijger bepaalde maximum van de gehele vrijstelling te boven gaat. Indien een verkrijging het voor de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling bepaalde maximum te boven gaat, bedraagt het recht niet meer dan het totaal van: a. het drievierde gedeelte van het bedrag waarmee de verkrijging dit maximum te boven gaat, en b. het bedrag dat aan recht verschuldigd zou zijn wegens een verkrijging tot het bedrag van dit maximum.

  • 2 Bij verkrijgingen, welke aan een verschillend percentage zijn onderworpen, worden de gedeeltelijke vrijstellingen op de voor de verkrijger meest voordelige wijze toegepast.

Artikel 35a

  • 2 De vervangende bedragen zijn van toepassing, indien het overlijden, de schenking of de in artikel 45, derde lid, tweede zin, of in artikel 53, eerste lid, bedoelde gebeurtenis plaatsvindt op of na 1 januari van het jaar waarvoor de vervanging geldt, zo mede indien op of na 1 januari van dat jaar krachtens schenking wordt verkregen ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde.

Hoofdstuk IIIA. Bedrijfsopvolging

Artikel 35b

  • 1 Op verzoek van de verkrijger wordt op grond van artikel 35c de waarde, dan wel een deel van de waarde, van in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen die zijn aangeduid in het tweede lid, aangemerkt als te conserveren waarde.

  • 2 De vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

    • a. de bestanddelen van het vermogen van een onderneming van een ondernemer als bedoeld in artikel 3.4 of 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van een medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van die wet, de bestanddelen van een gedeelte van een onderneming daaronder begrepen, mits het een onderneming betreft van de erflater of schenker die door de verkrijger rechtstreeks wordt voortgezet;

    • b. de aandelen in en winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, niet zijnde een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, die behoorden tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij de erflater of schenker.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, slechts dat deel van de waarde van de aandelen of winstbewijzen in aanmerking genomen dat is toe te rekenen aan het deel van het vermogen van de vennootschap dat voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zou worden gerekend tot het ondernemingsvermogen, indien de vennootschap een rechtspersoon zou zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

  • 5 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van dit hoofdstuk.

Artikel 35c

  • 1 Indien de op de voet van artikel 21 bepaalde waarde van de in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, uitgaat boven de waarde van die bestanddelen met inachtneming van de verplichting van de verkrijger onderscheidenlijk het in artikel 35b, tweede lid, onderdeel b, bedoelde lichaam, om de onderneming gedurende een periode van ten minste vijf jaren voort te zetten, wordt op verzoek van de verkrijger het verschil tussen de eerstgenoemde en de laatstgenoemde waarde aangemerkt als te conserveren waarde (voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde).

  • 2 Op verzoek van de verkrijger wordt 30 percent van de waarde van de in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, nadat deze waarde is verminderd met de op grond van het eerste lid te conserveren waarde, aangemerkt als te conserveren waarde (voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde).

  • 3 Op verzoek van de verkrijger wordt de waarde van de in de verkrijging begrepen vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, nadat die is verminderd met de op grond van het eerste en het tweede lid te conserveren waarde, aangemerkt als te conserveren waarde (belaste geconserveerde waarde).

  • 4 In geval van schenking is dit artikel slechts van toepassing indien de schenker ten tijde van de schenking hetzij de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt, hetzij voor 45 percent of meer arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 6.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voorts geldt als voorwaarde dat, te rekenen tot het tijdstip van de schenking:

  • 5 De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde verzoeken worden gedaan gelijktijdig met de aangifte.

Hoofdstuk IV. Aangifte, aanslag en conserverende aanslag

Artikel 37

  • 1 De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bedoeld in artikel 31a, tweede lid, geheven bij wege van conserverende aanslag.

Artikel 38

De erfgenaam die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden mede aangifte te doen van de gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van het recht van successie van de andere verkrijgers, niet zijnde erfgenamen.

Artikel 39

Indien meer verkrijgers gehouden zijn aangifte te doen ter zake van dezelfde nalatenschap, kunnen zij gezamenlijk aangifte doen.

Artikel 40

  • 1 De inspecteur kan de schenker die naar zijn mening vermoedelijk een belastbare schenking heeft gedaan, uitnodigen tot het doen van aangifte.

  • 2 De schenker en de begiftigde - dan wel de gezamenlijke schenkers of begiftigden - kunnen gezamenlijk aangifte doen.

Artikel 42

Indien na te noemen verplichtingen niet reeds op een ander rusten, is degene, die door de verwerping, afstand of niet aanvaarding van rechten, bedoeld in artikel 30, is gebaat, op dezelfde wijze en onder dezelfde bepalingen tot aangifte en betaling gehouden, als degene, door wie die verwerping, afstand of niet aanvaarding heeft plaats gehad, verplicht zou zijn geweest, indien een of ander niet was geschied.

Artikel 43

  • 1 In iedere aangifte wordt één woonplaats gekozen binnen het Rijk. De stukken betreffende de heffing van de belasting kunnen worden gezonden hetzij aan de gekozen woonplaats hetzij aan de werkelijke woonplaats of plaats van vestiging. Artikel 57 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen blijft buiten toepassing.

  • 2 Zij, die voor het recht van successie geen aangifte hebben gedaan of geen woonplaats hebben gekozen, worden geacht hun woonplaats te hebben gekozen ter laatste woonplaats van de overledene gedurende een jaar na het overlijden; na die tijd, alsmede indien niet een bepaald adres binnen het Rijk als de werkelijke laatste woonplaats van de overledene kan worden aangewezen, ter secretarie van de gemeente, binnen welke de aangifte moet geschieden.

  • 3 Zij, die voor het recht van overgang geen aangifte hebben gedaan of geen woonplaats hebben gekozen, worden geacht hun woonplaats te hebben gekozen ter secretarie van de gemeente, binnen welke de aangifte moet geschieden.

  • 4 Zij, die voor het recht van schenking geen aangifte hebben gedaan of geen woonplaats hebben gekozen, worden geacht hun woonplaats te hebben gekozen ter woonplaats van de schenker, of, indien niet een bepaald adres binnen het Rijk als de werkelijke woonplaats van de schenker kan worden aangewezen, ter secretarie van de gemeente, binnen welke de aangifte moet geschieden.

Artikel 45

  • 1 De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor het recht van successie en voor het recht van overgang zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan acht maanden na het overlijden of na de schenking.

  • 2 Indien zwangerschap oorzaak is, dat onzekerheid bestaat omtrent de persoon van de erfgenaam of de heffing van de belasting, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van acht maanden in van de dag van de bevalling, of indien de vrouw vroeger mocht overlijden van de dag van haar overlijden, of indien geen van beide op de 306de dag na de dood van de erflater mocht hebben plaats gehad, van de eerste daarop volgende dag. Deze bepaling kan niet worden ingeroepen door degene, op het erfdeel van wie, wat de hoegrootheid betreft, de bevalling geen invloed kan uitoefenen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde termijn van acht maanden loopt niet gedurende de tijd, dat de nalatenschap volgens de wet als onbeheerd wordt beschouwd en geen curator aanwezig is. Indien verkregen wordt tengevolge van de vervulling van een voorwaarde, van aanvaarding, nadat eerst verwerping had plaats gehad, van een afstand door een bezwaarde ten behoeve van de verwachters of van de uitoefening van een wilsrecht, voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van acht maanden in van de dag, waarop één van die gebeurtenissen plaats vindt.

Artikel 46

  • 1 De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor het recht van schenking zodanig vast, dat deze niet eerder verstrijkt dan twee maanden na de schenking, met dien verstande dat ten aanzien van de schenking door een ouder aan een kind de termijn aanvangt bij het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden.

  • 2 Een schenking onder opschortende voorwaarde wordt, voor de toepassing van dit artikel, geacht tot stand te zijn gekomen op de dag, waarop de voorwaarde is vervuld.

Artikel 47

Ingeval sprake is van meer dan één verkrijger van dezelfde erflater of krachtens een gezamenlijke schenking, kunnen de ter zake vastgestelde belastingaanslagen worden opgenomen in één aanslagbiljet.

Hoofdstuk VII. Vermindering

Artikel 53

  • 1 Behalve in de gevallen bij deze wet voorzien, wordt vermindering van de aanslag of de conserverende aanslag verleend, indien en voor zover ten gevolge van een beroep op het wettelijk erfdeel, van de vervulling van een voorwaarde of van de uitoefening van een op de wet berustend terugvorderingsrecht of van een wilsrecht, voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging reeds bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, anders dan door fideï-commissaire opvolging, wijziging wordt gebracht in de persoon van de verkrijger of in het verkregene.

  • 2 De vermindering wordt verleend op een verzoek dat geschiedt door het doen van aangifte. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 3 In de gevallen, waarin de oorzaak tot de vermindering anderzijds aanleiding geeft tot heffing van recht, kan de in het vorige lid bedoelde aangifte worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 45, derde lid, in te dienen aangifte. In de andere gevallen moet die aangifte worden ingediend binnen acht maanden, nadat de oorzaak tot de vermindering is ontstaan.

  • 4 De teruggave, waartoe een vermindering aanleiding geeft, kan geschieden door verrekening met het terzake van dezelfde nalatenschap of schenking verschuldigde.

Artikel 53a

  • 1 Indien na het opleggen van de aanslag of de conserverende aanslag, ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap wijziging komt in de gerechtigdheid tot de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 35b, vinden op verzoek van de verkrijger wiens gerechtigdheid tot de genoemde vermogensbestanddelen toeneemt, de bepalingen van hoofdstuk IIIA toepassing op basis van de aldus ontstane gerechtigdheid. De aanslag onderscheidenlijk de conserverende aanslag worden opgelegd op basis van, dan wel in overeenstemming gebracht met, de gerechtigdheid zoals die op grond van de in de eerste volzin bedoelde verdeling is ontstaan.

  • 2 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en de nieuwe verzoeken voor de toepassing van artikel 35c, geschieden door het doen van aangifte binnen acht maanden nadat de in het eerste lid bedoelde verdeling heeft plaatsgevonden.

  • 3 Dit artikel vindt slechts toepassing indien de verdeling van de nalatenschap heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na het overlijden van de erflater.

Artikel 53b

  • 1 Indien binnen vijf jaren na de verkrijging, onderscheidenlijk de in artikel 53a, eerste lid bedoelde verdeling, zich een van de in het derde lid bedoelde gebeurtenissen voordoet, doet de verkrijger hiervan aangifte binnen een termijn van acht maanden nadat die gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

  • 2 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt de op grond van artikel 35c bepaalde te conserveren waarde herzien en, met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IIIA, opnieuw vastgesteld met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde gebeurtenis, met dien verstande dat daarbij de in het eerste lid bedoelde aangifte in de plaats treedt van de in artikel 35c bedoelde verzoeken. De aanslag onderscheidenlijk de conserverende aanslag worden opgelegd op basis van, dan wel in overeenstemming gebracht met, de aldus opnieuw vastgestelde te conserveren waarde.

  • 3 Van een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid is sprake ingeval, volgens bij ministeriële regeling te stellen nadere regels,

    • a. indien het een verkrijging als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, onderdeel a, betreft: de verkrijger ophoudt uit de onderneming, of een gedeelte daarvan, winst te genieten;

    • b. indien het een verkrijging als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, onderdeel b, betreft: de verkrijger ophoudt aandeelhouder of winstbewijshouder te zijn met betrekking tot die aandelen of winstbewijzen, de vennootschap waarin de aandelen zijn verkregen haar onderneming staakt dan wel een lichaam wordt waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid; een en ander indien de waarde van de in onderdelen a en b bedoelde verkrijgingen geheel of voor een deel is aangemerkt als te conserveren waarde.

Artikel 53c

De na de toepassing van artikel 53b in een conserverende aanslag begrepen belasting bedoeld in artikel 31a, derde lid, wordt na afloop van de in artikel 53b, eerste lid, bedoelde periode van vijf jaren verminderd tot nihil.

Hoofdstuk IX

Hoofdstuk X. Verjaring

Artikel 66

  • 1 De in artikel 11, derde lid, en artikel 16, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vermelde termijnen van onderscheidenlijk drie, vijf en twaalf jaren voor het vervallen van de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag of van een navorderingsaanslag gaan in:

    • 1°. voor het recht van successie of het recht van overgang wegens een verkrijging krachtens erfrecht, na de dag van de inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand hier te lande of na de dag waarop akten of stukken, waaruit het overlijden blijkt, ter kennis van de inspecteur zijn gekomen. In de gevallen, bij artikel 45, tweede en derde lid, bedoeld, beginnen de termijnen niet eerder te lopen dan van de dag waarop de termijn van aangifte ingaat, en worden zij verlengd met de tijd dat de termijn van aangifte niet loopt;

    • 2°. voor het recht van schenking of het recht van overgang wegens een verkrijging krachtens schenking, na de dag van de inschrijving van de akte van overlijden van de schenker of van de begiftigde in de registers van de burgerlijke stand hier te lande of na de dag waarop akten of stukken, waaruit het overlijden van de schenker of van de begiftigde blijkt, ter kennis van de inspecteur zijn gekomen. Ingeval zowel de schenker als de begiftigde een rechtspersoon is, vervalt de bevoegdheid twintig jaren na de schenking. Ingeval een opschortende voorwaarde aan de schenking is verbonden, gaat de termijn van drie, vijf of twintig jaren niet vroeger in dan na de vervulling van de voorwaarde.

  • 2 Betreft het de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag wegens het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een vermindering op grond van artikel 53, dan gaat de termijn in na de dag waarop de vermindering is verleend.

Hoofdstuk XI. Kwijtschelding

Artikel 67

  • 1 Door Onze Minister kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend van:

    • 1°. het recht, verschuldigd wegens een schenking aan natuurlijke personen, waarvan overtuigend wordt aangetoond, dat zij slechts heeft gestrekt tot het verschaffen van levensonderhoud van een begiftigde, die verstoken is van eigen middelen van bestaan en die wegens ouderdom, invaliditeit of om andere redenen buiten staat is zich die middelen door arbeid te verschaffen;

    • 2°. het recht, verschuldigd wegens een schenking aan natuurlijke personen, beneden de leeftijd van 27 jaren, van welke schenking overtuigend wordt aangetoond, dat zij slechts heeft gestrekt tot betaling van - of bijdrage tot - de kosten van studie of opleiding voor enig beroep van een begiftigde, die zonder die schenking niet in staat zou zijn die studie of opleiding aan te vangen of te genieten;

    • 3°. het recht, verschuldigd wegens een schenking aan binnen het Rijk gevestigde verenigingen of stichtingen, welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend de bevordering van kunst of wetenschap ten doel hebben, met uitzondering van musea en steunstichtingen van musea;

    • 4°. het recht, verschuldigd wegens een schenking ten algemenen nutte voor het grondgebied van het Rijk, welke aan een bepaald tijdstip of een bepaalde gebeurtenis gebonden is.

  • 2 Onze Minister kan kwijtschelding verlenen van het recht verschuldigd wegens verkrijgingen door:

    • a. een andere Staat, voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat de Nederlandse Staat verschuldigd zou zijn;

    • b. een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van een andere Staat, voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat een Nederlandse provincie of gemeente verschuldigd zou zijn;

    • c. een in een andere Staat gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat een verkrijger als is bedoeld in artikel 24, vierde lid, verschuldigd zou zijn;

    • d. een in een andere Staat gevestigde vereniging of stichting welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend de bevordering van kunst of wetenschap ten doel heeft, niet zijnde een museum of een steunstichting van een museum, indien het betreft recht verschuldigd wegens schenking en voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat een verkrijger als is bedoeld in het eerste lid, 3°, na toepassing van dat lid verschuldigd zou zijn; een en ander met dien verstande dat zodanige kwijtschelding van recht alleen wordt verleend, indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse Staat, een Nederlandse provincie of gemeente dan wel een verkrijger als is bedoeld in artikel 24, vierde lid, of in het eerste lid, 3°, over die makingen of schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd.

  • 3 Onze Minister kan, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en volgens daarbij te stellen regels, geheel of gedeeltelijk kwijtschelding verlenen van het verschuldigde recht van successie indien voorwerpen uit de nalatenschap met een nationaal cultuurhistorisch of kunsthistorisch belang, door de verkrijger in eigendom worden overgedragen aan de Staat. Het bedrag van de kwijtschelding beloopt 120 percent van de waarde van de overgedragen voorwerpen maar niet meer dan het verschuldigde recht.

Hoofdstuk XII. Bijzondere bepalingen

Artikel 71

  • 1 Het aanvaarden van een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving of het gebruik maken van het recht van beraad ontheft niet van de verplichtingen, voortvloeiende uit de bij of krachtens deze wet gemaakte bepalingen.

  • 2 De vervulling van die verplichtingen wordt niet beschouwd als een daad van aanvaarding.

Artikel 72

  • 1 Uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de aan deze bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden, in geval al de erfgenamen buiten het Rijk hun woonplaats hebben. Zij zijn tot het doen van aangifte bevoegd, bijaldien één of meer van de erfgenamen hun woonplaats binnen het Rijk hebben. Indien zij van deze bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, zijn zij, op gelijke wijze als de erfgenamen, tot vervulling van al de aan deze bij deze wet opgelegde verplichtingen gehouden.

  • 2 In de gevallen, bij de artikelen 1055 en 1059 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek voorzien, hebben de erfgenamen en de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen met betrekking tot het recht van successie dezelfde rechten onder dezelfde voorwaarden, als bij die artikelen ten opzichte van de legaten zijn toegekend en gesteld.

  • 3 Curators van onbeheerde nalatenschappen zijn gehouden tot al de bij deze wet aan erfgenamen opgelegde verplichtingen.

Artikel 73

Zij, die goederen niet zijnde registergoederen of daarop betrekking hebbende bewijsstukken onder zich hebben met de opdracht om die bij het overlijden van iemand, die binnen het Rijk woonde, niet in de nalatenschap te brengen, of daarmede zo te handelen, dat zij niet in de nalatenschap komen, zijn verplicht daarvan overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen aangifte te doen. Deze aangifte moet worden ingeleverd binnen een maand na schriftelijke aanmaning en in ieder geval voordat de goederen of bewijsstukken uit handen worden gegeven of op andere wijze aan de opdracht gevolg wordt gegeven.

Artikel 74

  • 1 In alle gevallen, waarin de mogelijkheid bestaat, dat zich in een gesloten kist of onder een verzegelde omslag goederen niet zijnde registergoederen of daarop betrekking hebbende bewijsstukken bevinden, waarvan op grond van de artikelen 8 of 73 aangifte moet geschieden, zal op verzoek van de executeur-testamentair, van de erfgenamen of van de houder, de opening, vóór de afgifte, geschieden door een notaris, die wordt aangewezen door de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de kist of de omslag zich bevindt.

  • 2 De notaris zal van de opening een proces-verbaal opmaken, waarin de uitwendige toestand en de inhoud van het ter opening aangebodene worden beschreven. De notaris zendt een dubbel van het proces-verbaal aan de inspecteur.

Artikel 75

  • 1 Indien tengevolge van het overlijden van iemand, die binnen het Rijk woonde, een uitkering krachtens levensverzekering of derdenbeding moet plaats hebben, alsmede indien een verandering in zodanige uitkering plaats heeft, is de verzekeraar of degene, die de uitkering doet, verplicht om overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen en binnen een door die Minister te stellen termijn de gegevens te verstrekken, welke voor de uitvoering van deze wet van belang kunnen zijn.

  • 2 Het in het vorige lid bepaalde is mede toepasselijk, indien, anders dan bij overlijden, een uitkering moet plaats hebben, hetzij krachtens een overeenkomst van levensverzekering, waarvan premies zijn betaald door een ander - binnen het Rijk wonende - dan degene, aan wie de uitkering moet geschieden, of waarvan de premiebetaler niet bekend is, hetzij krachtens een door iemand, die binnen het Rijk woont, ten behoeve van een derde gemaakt beding.

  • 3 Indien de verzekeraar niet binnen het Rijk zijn woonplaats heeft of gevestigd is, wordt onder verzekeraar begrepen zijn vertegenwoordiger of hoofdvertegenwoordiger hier te lande.

Artikel 76

Hij die een aangifte heeft ingediend of moet indienen uitsluitend of mede ten behoeve van de heffing van belasting, welke ingevolge de bepalingen van deze wet door anderen verschuldigd is, is gehouden tot het verstrekken van gegevens, inlichtingen en inzage op dezelfde wijze en onder dezelfde bepalingen alsof die belasting te zijnen aanzien was of zou moeten worden geheven.

Artikel 78

  • 1 Ieder, die goederen verkrijgt onder bezwaar van een uit dezelfde nalatenschap verkregen vruchtgebruik, en ieder, aan wie goederen worden geschonken onder bezwaar van een door de schenker ten behoeve van zich of een derde voorbehouden vruchtgebruik, is, voor zover daaromtrent door de erflater of schenker niet anders is bepaald, bevoegd te vorderen, dat de rechten, deswege door hem verschuldigd, worden betaald uit de met vruchtgebruik bezwaarde goederen, tenzij de vruchtgebruiker verkiest het bedrag voor te schieten. Wegens deze betaling of dat voorschot is aan de vruchtgebruiker geen rente verschuldigd.

  • 2 Het recht op periodieke uitkeringen, bij de instelling verschuldigd, wordt voorgeschoten door hem, die met de uitkering is belast, en bij iedere termijn van betaling, naar evenredigheid van het aantal malen, waarvoor de te betalen termijn in de voor de heffing van het recht in aanmerking genomen waarde van de uitkering is begrepen, gekort, met bijberekening van de wettelijke rente over het te korten gedeelte van het voorgeschoten recht van de dag, waarop het recht is voorgeschoten, tot de dag van de korting, alles tenzij andere regelingen zijn gemaakt.

Hoofdstuk XIII. Slotbepalingen

Artikel 82

De navolgende bezettingsregelingen vervallen:

  • a. Besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 14 November 1940 (Ned. Staatscourant 1940, no. 234), betreffende de waarde van zaken, waarover recht van successie verschuldigd is;

  • b. Besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 24 December 1941 (Ned. Staatscourant 1941, no. 251), betreffende verlenging van de duur van enige heffingen van opcenten en verhoging van opcenten, voor zover dit besluit betrekking heeft op de rechten van successie, van overgang en van schenking;

  • c. Besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 24 September 1942 (Ned. Staatscourant 1942, no. 203), betreffende verlenging van de duur van verschillende heffingen, voor zover dit besluit betrekking heeft op de rechten van successie, van overgang en van schenking.

Artikel 83

  • 1 Met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die, waarin deze wet in het Staatsblad wordt geplaatst, treden in werking:

    de Hoofdstukken I, II en III, met uitzondering van artikel 20;

    de artikelen 80, 81 - voor zoveel betreft de halvering van de grondslag der heffing en de bijvordering van recht ten aanzien van voor het publiek opengestelde landgoederen - 82 en 83.

  • 2 De overige bepalingen van deze wet treden in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene bepalingen verschillend kan zijn.

  • 3 Op het in het eerste lid bepaalde tijdstip treden buiten werking de artikelen van de wet van 13 Mei 1859 (Staatsblad no. 36), welke dezelfde onderwerpen regelen als de artikelen, waarvan het tijdstip van inwerkingtreding in dat lid is bepaald. De overige bepalingen van gemelde wet treden buiten werking onderscheidenlijk op de tijdstippen waarop de bepalingen van deze wet welke dezelfde onderwerpen regelen als eerstbedoelde bepalingen op de voet van het tweede lid in werking treden.

  • 4 Verwijzingen naar artikelen van de in het vorige lid vermelde wet worden, zodra die artikelen buiten werking zijn getreden, aangemerkt als verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van deze wet. Verwijzingen in artikelen van deze wet naar andere artikelen van deze wet worden, zolang laatstbedoelde artikelen nog niet in werking zijn getreden, aangemerkt als verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van de in het vorige lid vermelde wet.

  • 5 In de gevallen waarin volgens de in het derde lid vermelde wet op een aangever een bewijslast rust geldt, zolang de Hoofdstukken IV tot en met VIII van deze wet nog niet geheel van toepassing zijn, zulks in dezelfde mate voor de toepassing van de overeenkomstige artikelen van deze wet.

  • 6 De bepalingen van deze wet zijn toepasselijk, indien het overlijden, de schenking of de in artikel 45, derde lid, tweede zin, of artikel 53, eerste lid, bedoelde gebeurtenis op of na het tijdstip van haar inwerkingtreding plaats heeft, zomede indien op of na dat tijdstip krachtens schenking wordt verkregen tengevolge van de vervulling van een voorwaarde.

  • 7 Deze wet kan worden aangehaald als Successiewet, met vermelding van het jaar, waarin zij in het Staatsblad wordt geplaatst.

Artikel 84

  • 1 Wij behouden Ons voor de nummering van de artikelen van deze wet en de aanduiding van de onderdelen van die artikelen opnieuw vast te stellen, zulks met inachtneming van de bestaande volgorde, alsmede de aanhaling in deze wet van artikelen en onderdelen van artikelen daarmede in overeenstemming te brengen.

  • 2 De tekst van deze wet, zoals die luidt na toepassing van het vorige lid, wordt in het Staatsblad geplaatst.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk , 28 juni 1956

JULIANA.

De Minister van Financiën,

VAN DE KIEFT.

De Staatssecretaris van Financiën,

VAN DEN BERGE.

Uitgegeven de zesde juli 1956.

De Minister van Justitie,

J. C. VAN OVEN.

  1. Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan.

    ^ [1]
Terug naar begin van de pagina