Algemeen Rijksambtenarenreglement

Geldend van 07-09-2013 t/m 17-12-2013

Besluit van 12 juni 1931, tot vaststelling van het Algemeen Rijksambtenarenreglement

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 20 Februari 1931, n°. 974, 2de Afdeeling A;

Gelet op de artikelen 125, eerste lid en 133, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929;

Den Raad van State gehoord (advies van 31 Maart 1931, n°. 22);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister voornoemd van 9 Juni 1931, n°. 918, 2 A;

Hebben goedgevonden en verstaan:

vast te stellen de navolgende bepalingen.

Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen

Artikel 1

Ambtenaar in de zin van dit besluit is degene, die door het Rijk is aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn.

Artikel 2

  • 1 Voor de toepassing van dit besluit worden niet als ambtenaren beschouwd:

    • a. ministers en staatssecretarissen;

    • b. Commissarissen des Konings;

    • c. krachtens Grondwet of wet voor hun leven aangestelde ambtenaren;

    • d. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;

    • e. burgemeesters;

    • f. de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid;

    • g. de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters van de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.

  • 2 De hoofdstukken III, IV en V zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.

Artikel 3

  • 1 De bepalingen van dit besluit vinden slechts toepassing, voor zoover niet bij of krachtens eene wet anders is of wordt bepaald.

  • 2 De bepalingen van dit besluit of sommige daarvan vinden niet toepassing op ambtenaren of groepen van ambtenaren, ten aanzien van wie een algemeene maatregel van bestuur of een uit kracht daarvan gegeven voorschrift, om bijzondere redenen hare toepasselijkheid uitsluit.

Artikel 4

  • 1 In dit besluit wordt verstaan onder:

    • a. Onze Minister: het hoofd van het betrokken ministerie;

    • b. hoofd van dienst: de door Ons of door Onze Minister als zodanig aangewezen autoriteit;

    • c. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat;

    • d. arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36.

  • 3 Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit besluit onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

  • 4 In dit besluit wordt onder echtgenoot of echtgenote mede verstaan de levenspartner met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede de geregistreerde partner. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede verstaan de achtergebleven levenspartner of de achtergebleven geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onder gezinslid wordt in voorkomend geval mede verstaan de geregistreerde partner of de levenspartner.

    Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract is gesloten.

Hoofdstuk Ia. Elektronische berichtgeving

Artikel 4.a1

  • 1 Berichten inzake het maandelijkse in geld vastgestelde loon en de jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te worden verzonden.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde berichten worden niet uitsluitend elektronisch verzonden:

    • a. indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronische bericht;

    • b. bij ontslag of overlijden van de ambtenaar;

    • c. op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze.

  • 3 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels stellen over de wijze waarop de elektronische verzending geschiedt.

Hoofdstuk II. Aanstelling en loopbaanvorming

§ 1. De aanstelling

Artikel 4a

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.

Artikel 5

  • 1 De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.

  • 2 De aanstelling geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond is een aanstelling in tijdelijke dienst te verlenen.

  • 3 De niet-Nederlander kan uitsluitend worden aangesteld indien hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en het bevoegd gezag voor hem beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens laatstgenoemde wet niet is vereist.

Artikel 6

  • 1 Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt verleend voor:

    • a. een kalenderperiode, of

    • b. een andere objectief bepaalbare periode.

  • 2 Een aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden:

    • a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;

    • b. voor een tijd van ten hoogste drie maanden, indien de betrokkene de verlangde verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 9, zesde lid, nog niet in zijn bezit heeft;

    • c. voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan;

    • d. voor een opleiding tot een beroep of verdere theoretische of praktische vorming;

    • e. voor oproepkrachten;

    • f. voor een andere reden.

  • 3 In het geval een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd is voorafgegaan door een andere aanstelling in tijdelijke dienst krachtens het tweede lid, onder b tot en met f, wordt de maximale duur van de proeftijd verminderd met de duur van die andere aanstelling, indien:

    • a. beide aanstellingen in tijdelijke dienst zijn verleend door Onze Minister;

    • b. de andere aanstelling in tijdelijke dienst is beëindigd binnen een periode van drie maanden direct voorafgaande aan de aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd; en

    • c. het in deze beide aanstellingen in tijdelijke dienst dezelfde werkzaamheden betreft.

  • 4 Vanaf de dag waarop na het verstrijken van de door Onze Minister vastgestelde proeftijd de aanstelling in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet, geldt dat er een aanstelling in vaste dienst is verleend.

  • 5 De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met f, wordt geacht opnieuw voor dezelfde tijd, maar telkens ten hoogste voor een jaar op dezelfde voorwaarden te zijn verleend in geval van stilzwijgende voortzetting na het verstrijken van de tijd, voor welke zij is verleend.

  • 6 De aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop:

    • a. door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

    • b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

  • 7 Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst dan wel tussen twee door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.

  • 8 Het zesde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer.

  • 9 Voorzover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van State of het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dient in het derde, het vierde, het zesde en het zevende lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer, respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de vice-president van de Raad van State of de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Artikel 6a

  • 1 In zeer bijzondere gevallen kan op verzoek van betrokkene een aanstelling in tijdelijke dienst worden verleend waarin ten aanzien van hem dit besluit gedeeltelijk of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.

Artikel 6b

  • 1 De aanstelling geschiedt voor een vast aantal uren of voor een variabel aantal uren.

  • 2 Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt daarbij een aantal garantie-uren bepaald.

  • 3 Indien het dienstbelang zich in bijzondere gevallen verzet tegen het bepalen van een aantal garantie-uren kan Onze Minister regels stellen waarbij wordt afgeweken van het tweede lid.

Artikel 7

  • 1 De aanstelling van de ambtenaar vindt plaats door Onze Minister. Indien het een ambtenaar betreft als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt de aanstelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 2 Voor zover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van State, wordt in het eerste lid voor Onze Minister respectievelijk gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vicepresident van de Raad van State.

  • 3 De aanstelling als lid van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, vindt plaats bij Koninklijk Besluit op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 4 De ambtenaar die is aangesteld tot lid van de topmanagementgroep wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister voor een periode van maximaal zeven jaar benoemd in een van de volgende functies:

    • secretaris-generaal

    • directeur-generaal

    • inspecteur-generaal

    • thesaurier-generaal

    • directeur van het Centraal Planbureau

    • directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau

    • hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

    • directeur Planbureau van de Leefomgeving

    • Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding.

  • 5 In bijzondere gevallen kan de periode van zeven jaar, genoemd in het vierde lid, worden verlengd dan wel voortijdig worden beëindigd. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van de wijze waarop tot verlenging respectievelijk voortijdige beëindiging wordt gekomen, alsmede over de gevolgen voor de rechtspositie van de ambtenaar.

  • 6 Tenzij Wij anders hebben bepaald wordt de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, voor een periode van in beginsel ten hoogste vijf jaar in een functie benoemd. Deze benoeming duurt voort, zolang na afloop van die periode geen nieuwe functie wordt opgedragen.

§ 2. Voorwaarden voor aanstelling

Artikel 8

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder "het bevoegd gezag": het tot aanstelling bevoegd gezag of, indien de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt, Onze Minister.

  • 2 Voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, het bureau van de Nationale ombudsman of het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt verstaan onder het bevoegd gezag: de vice-president van de Raad van State respectievelijk het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman of de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Artikel 9

  • 1 Een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden kan slechts plaatsvinden, indien het bevoegd gezag op grond van de gegevens waarover het beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de desbetreffende functie.

  • 2 Het bevoegd gezag kan voor een bepaalde functie of voor een groep van functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vaststellen waaraan de betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen.

  • 3 Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate geschikt of bekwaam is, wordt deze aan een onderzoek onderworpen, waaronder begrepen het verifiëren en zo nodig aanvullen van de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt.

  • 4 Het onderzoek, bedoeld in het derde lid, omvat tevens:

    • a. een psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van het bevoegd gezag behoefte bestaat;

    • b. een geneeskundig onderzoek, indien dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld dan wel indien op grond van functie-eisen een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.

  • 5 Onze Minister stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.

  • 6 Het bevoegd gezag kan, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in het zevende en het achtste lid, van de betrokkene vergen dat deze een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens overlegt.

  • 7 Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert, kunnen aan het bevoegd gezag justitiële gegevens worden verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan.

  • 9 Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

  • 10 Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag op grond van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, en eventueel na het psychologisch onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, overigens voldoende bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende functie. Ook een verklaring omtrent het gedrag mag dan pas worden gevraagd.

  • 11 Een onderzoek als bedoeld in het zevende lid of een veiligheidsonderzoek wordt pas ingesteld als naar het oordeel van het bevoegd gezag de betrokkene bekwaam en geschikt is voor de betreffende functie.

  • 12 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het onderzoek, bedoeld in het derde lid, nadere regels vaststellen.

Artikel 9a

Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, wordt niet verzocht om justitiële gegevens, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie of de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een onderzoek, bedoeld in artikel 9, zevende lid, nodig is.

Artikel 10

  • 1 De kosten van het geneeskundig onderzoek en het hernieuwd geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het Rijk. De betrokkene ontvangt een vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit binnenland.

  • 2 De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt uiterlijk binnen twee weken na vaststelling aan de betrokkene medegedeeld.

  • 3 De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het geneeskundig onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd geneeskundig onderzoek aanvragen.

  • 4 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt omtrent het hernieuwd geneeskundig onderzoek nadere regels vast. Dit hernieuwd geneeskundig onderzoek mag niet worden verricht door de arts die het geneeskundig onderzoek heeft verricht.

  • 5 Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband vindt niet opnieuw een geneeskundig onderzoek plaats, tenzij ten aanzien van de geschiktheid van de betrokkene ernstige twijfel is gerezen.

  • 6 De betrokkene die op grond van artikel 9, vierde lid, onderdeel b, is onderworpen aan een geneeskundig onderzoek, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een onderzoek naar de medische geschiktheid onderworpen indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.

Artikel 11

  • 1 Aan de betrokkene die is onderworpen aan een psychologisch onderzoek als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, wordt op zijn verzoek binnen twee weken na de vaststelling van de uitslag van het onderzoek inzage verleend in die uitslag. Dit vindt plaats in het kader van een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht.

  • 2 Mededeling van de uitslag van het onderzoek aan het bevoegd gezag blijft achterwege, indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens daartoe schriftelijk heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek is belast.

  • 3 De uitslag van het onderzoek wordt niet eerder dan twee weken nadat betrokkene van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen, medegedeeld aan het tot aanstelling bevoegd gezag, tenzij die mededeling op een eerder tijdstip is geboden en de betrokkene met die eerdere mededeling schriftelijk heeft ingestemd.

  • 4 Voor zover dit niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid heeft de betrokkene recht op een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht.

  • 5 De betrokkene kan na afloop van het in het eerste en vierde lid bedoelde nagesprek afschrift nemen van de uitslag of daarvan een fotocopie krijgen overeenkomstig het bij en krachtens artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bepaalde.

  • 6 De kosten van het onderzoek en van het nagesprek komen voor rekening van het Rijk. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit binnenland.

  • 7 Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op vergelijkende vooronderzoeken in de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen gevallen.

§ 3. De akte van aanstelling en andere bescheiden

Artikel 12

  • 1 Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk vóór de aanvaarding van zijn ambt, een akte van aanstelling uitgereikt, waarin in ieder geval worden vermeld:

    • a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;

    • b. de naam van het ministerie, de dienst, het bedrijf of de instelling, waarbij hij werkzaam zal zijn, al dan niet als lid van de Algemene Bestuursdienst;

    • c. de datum, met ingang waarvan hij wordt aangesteld;

    • d. of de aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.

  • 2 Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld:

    • a. de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst;

    • b. de toepasselijke, in artikel 6, tweede lid, omschreven grond(en) voor de aanstelling in tijdelijke dienst;

    • c. de specifieke reden, indien sprake is van een aanstelling op grond van artikel 6, tweede lid, onder f.

  • 3 Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst met toepassing van artikel 6a, eerste lid, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld welke van de in dat artikellid bedoelde regelingen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing zijn verklaard.

  • 4 Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt in de akte van aanstelling in voorkomende gevallen bovendien het op grond van artikel 6b, tweede lid, voor de ambtenaar geldende aantal garantie-uren vermeld.

Artikel 12a

Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld:

  • a. het ministerie, de afdeling of het dienstvak waarbij, de betrekking waarin, en de periode gedurende welke hij in die betrekking wordt te werk gesteld, zomede de hem dienovereenkomstig aangewezen standplaats;

  • b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regels;

  • c. het salaris dat hem is toegekend, zomede, het salarisnummer en het tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek zal worden verhoogd;

  • d. andere hem mogelijk toegekende voordelen, onder verwijzing naar de desbetreffende kortingsregeling.

Artikel 12c

  • 1 De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.

  • 2 Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd worden op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Van deze regelingen kan hij kosteloos afschriften maken voor zover dat redelijkerwijs nodig is.

  • 3 De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies, welke hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. In het geval vermelde regelingen en instructies niet schriftelijk zijn vastgesteld, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.

  • 4 Over belangrijke wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar periodiek op de hoogte gesteld.

§ 4. Loopbaanvorming

Artikel 13

  • 1 Wij behouden Ons voor op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen overleg pleegt met Onze betrokken Minister, regels vast te stellen omtrent loopbaanvorming in het algemeen en omtrent daarmede verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.

  • 2 Voor zover dit niet door Ons is geschied, kunnen deze regels en bijzondere regelingen ook worden vastgesteld door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel, passend in het door deze gecoördineerde beleid, door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur.

Hoofdstuk III. Bezoldiging

Artikel 14

De ambtenaar ontvangt over den tijd, gedurende welken hij in strijd met zijne verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging.

Artikel 15

De beloning van de ambtenaar, die is aangesteld voor enkele diensten, niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, wordt bepaald op een voor elk geval of voor elke te verrichten dienst, afzonderlijk vast te stellen bedrag.

Artikel 16

  • 1 Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt wordt gedurende zijn ontheffing een non-activiteitswedde toegekend. De non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijkdoor hem in zijn ambt genoten bezoldiging het bedrag van de inkomsten die de ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college geniet, overschrijdt.

  • 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt de functie van substituut-ombudsman met de in het eerste lid bedoelde functie gelijkgesteld.

Artikel 17

  • 1 De ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is, wordt geacht in zijn burgerlijke betrekking met verlof te zijn.

  • 2 Hij behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, slechts voor zover hem bij of krachtens de artikelen 18 tot en met 20 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld in aan hem verleend vacantieverlof, behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.

  • 3 Voor de toepassing van het vorige lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20d wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken.

    Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, met inachtneming van de percentages en het berekeningsmaximum zoals genoemd in artikel 17 van vorengenoemd besluit, berekend over het voor de ambtenaar geldende salaris, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling gemiddeld per maand is gewerkt.

  • 4 Voor de toepassing van het tweede lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20d wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge het voor hem geldende consignatierooster zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken. Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit bedrag berekend naar de berekeningsgrondslag en de percentages zoals genoemd in artikel 18a van vorengenoemd besluit, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, gemiddeld per maand consignatiediensten zijn verricht.

  • 5 Voor zover de ambtenaar ingevolge de voor hem geldende bezoldigingsregeling aanspraak heeft op een vakantie-uitkering geniet hij deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.

Artikel 18

  • 1 De ambtenaar, die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet onverminderd het bepaalde in artikel 92 de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning, met dien verstande, dat indien de ambtenaar ongehuwd is, hij slechts de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet, voor zoveel 70 ten honderd daarvan meer bedraagt dan zijn militaire beloning.

  • 2 Zonodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de ambtenaar als daar bedoeld in ieder geval de aan zijn ambt verbonden bezoldiging genieten tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 3 Ongehuwde enige kostwinners worden voor de toepassing van het eerste lid gelijk gesteld met gehuwden. Onze Minister, Hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur, beslist of een ongehuwde als enig kostwinner wordt beschouwd.

  • 4 Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens genot van voeding en huisvesting.

  • 5 Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën stellen bij gemeenschappelijke ministeriële regeling vast hetgeen voor de toepassing van dit artikel onder militaire beloning wordt verstaan.

Artikel 19

  • 1 Het bepaalde in artikel 18 is eerst van toepassing, nadat de ambtenaar als militair de opleiding en oefening heeft volbracht.

  • 2 De ambtenaar, die ingevolge een wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende deze opleiding en oefening, de aan zijn ambt verbonden bezoldiging tot een bedrag, hetwelk gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van ambtenaren op wie bij koninklijk besluit de artikelen 17 en 18 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

  • 4 Indien de ambtenaar bij opkomst in militaire dienst voldoet aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, dan wel indien ingevolge het derde lid bij opkomst in militaire dienst deze voorwaarde niet voor hem geldt, geniet hij in afwijking van het bepaalde in artikel 18 gedurende twee weken na zijn opkomst de volle aan zijn ambt verbonden bezoldiging.

Artikel 20

  • 1 De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning. Artikel 18, tweede, vierde en vijfde lid, is van toepassing.

  • 2 Voor zoveel nodig bepaalt Onze Minister van Defensie welke dienst als herhalingsoefening wordt beschouwd.

  • 3 Voor de toepassing of voortgezette toepassing van het eerste lid worden met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de Kaderwet dienstplicht of in de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht en onverminderd het bepaalde in artikel 92 van dit reglement met herhalingsoefeningen gelijk gesteld:

    • a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair verdacht of beklaagd wordt;

    • b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven ten einde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;

    • c. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens:

      • 1. ziekte;

      • 2. het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte;

      • 3. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;

    • d. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij Ons of bij Onze Minister van Defensie ingediend beroepschrift onderscheidenlijk bezwaarschrift.

Artikel 20a

Indien de ambtenaar, als militair in werkelijke dienst zijnde, overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 102, verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering, welke uit hoofde van de militaire dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan.

Artikel 20b

  • 1 Het bepaalde in de artikelen 17 tot en met 20a is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:

    • a. de ambtenaar, die is tewerkgesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;

    • b. de ambtenaar, die in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het Korps Nationale Reserve;

    • c. de ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het reserve-personeel der krijgsmacht;

    • d. de ambtenaar, die op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke militaire of daarmede gelijk te stellen dienst is, ter zake waarvan Wij zulks hebben bepaald.

  • 2 Wij behouden Ons voor met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid nadere regels te stellen.

Artikel 20c

Op de ambtenaar, die in tijdelijke dienst is aangesteld, zijn de bepalingen, vervat in de artikelen 17 tot en met 20b, slechts van toepassing tot en met de dag, waarop de burgerlijke betrekking zou zijn beëindigd, indien hij daaraan niet door de militaire dienst zou zijn onttrokken.

Artikel 20d

  • 2 De in het eerste lid bedoelde ambtenaar blijft gedurende het aldaar bedoelde verlof, onverminderd het bepaalde in artikel 92, in het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, met dien verstande, dat deze bezoldiging, indien het verlof langer dan twee weken duurt, voor de verdere duur van het verlof wordt verminderd met de beloning, waarop de ambtenaar als vrijwilliger aanspraak heeft.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde vermindering wordt slechts toegepast tot een zodanig bedrag, dat de ambtenaar in het genot blijft van een bedrag gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 4 Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is niet van toepassing indien de ambtenaar de werkelijke dienst als vrijwilliger vervult tijdens aan hem verleend vakantieverlof.

  • 5 Het bepaalde in artikel 20c is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IV. Dienst- en werktijden

Artikel 21

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en van het bepaalde in of krachtens wetten, houdende regels tot beperking van de werktijd, stelt het bevoegd gezag voor de ambtenaren werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een van tevoren bekend gemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden gedurende een bepaalde periode. Het in de werktijdregeling opgenomen aantal te werken uren op jaarbasis kan niet hoger zijn dan gemiddeld 40 uur per week.

  • 2 De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. De werktijd wordt behoorlijk door rusttijd onderbroken. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt toegewezen tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.

    Een aanvraag tot het vaststellen van de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur per week wordt niet toegewezen voor:

  • 3 Het aantal te werken uren per jaar bedraagt: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in het zevende lid, onder a, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2 en vervolgens vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.

  • 4 Het aantal te werken uren, bedoeld in het derde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond.

  • 5 Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen dienst te verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur tenzij het een gedeelte van een dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten laatste eindigt om 24.00 uur.

  • 6 Van het bepaalde in het vorige lid kan voor de duur van telkens ten hoogste één jaar worden afgeweken indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd danwel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de deskundige persoon of de arbodienst als bedoeld in hoofdstuk VI, daaromtrent een positief medisch advies heeft uitgebracht.

  • 7

    • a. Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en op 5 mei.

    • b. Van onderdeel a van dit artikellid kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van het navolgende:

      • 1. geen dienst wordt geëist op ten minste dertien zondagen per periode van zes maanden;

      • 2. de ambtenaar wordt zo weinig mogelijk in zijn zondagsrust beperkt en hem wordt zoveel mogelijk de gelegenheid geboden op zondag en op de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken.

    • c. De onderdelen a en b vinden ten aanzien van de zondag voor de ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft medegedeeld dat hij, in verband met zijn godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag.

    • d. Op zaterdag kan dienst worden geëist, mits de belangen van de dienst daartoe aanleiding geven.

  • 8

    • a. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.

    • b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar heeft een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.

  • 9 Van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijdregeling kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en - behoudens in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden - mits ervoor wordt gezorgd, dat de ambtenaar in of over het desbetreffende tijdvak van zeven dagen een ononderbroken rusttijd van ten minste 36 uren geniet.

  • 10 In bijzondere gevallen kan van de vaststelling van een werktijdregeling als bedoeld in het eerste lid worden afgezien. In die gevallen vindt in het tweede tot en met negende lid overeenkomstige toepassing.

  • 11 In overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan in uitzonderlijke gevallen van het bepaalde in het tweede tot en met negende lid, alsmede van het bepaalde in de tweede volzin van het tiende lid, worden afgeweken voorzover dat niet in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de Arbeidstijdenwet.

  • 12 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd ter zake van de uitvoering van het bepaalde in dit artikel nadere regels vast te stellen.

Artikel 21a

  • 1 De gemiddelde wekelijkse werktijd van een ambtenaar van 57 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 15,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. De ambtenaar voor wie de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur is vastgesteld, kan een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin eerst indienen nadat op zijn aanvraag door het bevoegd gezag zijn arbeidsduur is vastgesteld op ten hoogste gemiddeld 36 uur.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde ambtenaar dient op het moment van de vermindering van de werktijd tenminste 5 aaneengesloten jaren in dienst te zijn van het rijk.

  • 3 Voor de uren die het wekelijkse verschil vormen tussen de in het eerste lid bedoelde arbeidsduur en de teruggebrachte werktijd wordt de ambtenaar geacht met verlof te zijn.

  • 4 Op het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt een inhouding toegepast. De hoogte van deze inhouding is afhankelijk van de leeftijd op de datum dat de werktijdvermindering op grond van dit artikel ingaat en bedraagt een percentage volgens onderstaande tabel van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dit artikel, nadat dit salaris is verminderd met een eventuele inhouding als bedoeld in artikel 57b:

    Leeftijd

    Inhouding in procenten

    57

    5

    58

    5

    59

    3,5

    60

    3,5

    61

    2

    62

    2

    63

    1

    64

    1

  • 5 De inhouding, bedoeld in het vierde lid, wordt teruggebracht tot 70% voor zover op grond van artikel 37, eerste lid, niet meer dan 70% van de bezoldiging wordt doorbetaald.

  • 6 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar regels vast.

Artikel 21b

De ambtenaar heeft het recht om, op zijn verzoek, in deeltijd te gaan werken, tenzij hieruit bezwaren voor de dienst voortvloeien.

Artikel 21c

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket.

Hoofdstuk V. Vakantie en verlof

§ 1. Vakantie

Artikel 22. De aanspraak op vakantie

  • 1 De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van zijn volle bezoldiging.

  • 2 De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren.

  • 3 De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:

    • a. de leeftijd van de ambtenaar;

    • b. de werktijd van de ambtenaar.

  • 4 Voor de ambtenaar met volledige werktijd bedraagt de aanspraak op vakantie 165,6 uren per kalenderjaar. Onder volledige werktijd wordt verstaan een werktijd welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat.

  • 5 De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt:

    leeftijd:

    verhoging:

    van 45 tot en met 49 jaar

    7,2 uren

    van 50 tot en met 54 jaar

    14,4 uren

    van 55 tot en met 59 jaar

    21,6 uren

    vanaf 60 jaar

    28,8 uren.

  • 6 De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.

  • 7 Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die hij in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.

  • 8 Indien de werktijd van de ambtenaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe werktijd. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de werktijd verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.

  • 9 Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens de werktijdregeling dienst verricht.

  • 10 Lid 9 is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:

    • a. genoten vakantie;

    • b. ziekte, voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt dan 26 weken, waarbij een hervatting van de dienstverrichting gedurende vier weken of minder geen nieuwe periode van 26 weken inluidt.

    • c. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 33fb, derde en vierde lid;

    • d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;

    • e. verlof verleend op basis van artikel 32a, 33, 33b, 33c, 33d, 33h of 33i van dit besluit;

    • f. het minder uren werken op basis van de in artikel 21c van dit besluit bedoelde regels.

  • 12 Met ingang van de dag dat de ambtenaar op grond van artikel 21a gedeeltelijk geen dienst verricht vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.

  • 13 Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op vakantie verlagen. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan worden verlaagd, bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 144 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.

  • 14 Het bevoegd gezag stelt vast voor welke datum aanvragen als bedoeld in het dertiende lid kunnen worden ingediend en geeft op of na die datum gelijktijdig beschikkingen op de voor die datum ingediende aanvragen.

  • 15 De ambtenaar wordt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op vakantie overeenkomstig het dertiende en zeventiende lid wordt verlaagd, een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de door het bevoegd gezag krachtens het veertiende lid vastgestelde datum.

  • 16 Indien de ambtenaar de vergoeding, genoemd in het vijftiende lid, volledig inzet ten behoeve van levensloopverlof, bedoeld in artikel 34g, bedraagt, in afwijking van het dertiende lid, het aantal uren waarmee de aanspraak op vakantie kan worden verlaagd ten hoogste het aantal uren waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met: 108 uur vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.

  • 17 Met inachtneming van de beperkingen die krachtens artikel 34g zijn gesteld aan het sparen voor levensloopverlof, verlaagt het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar het aantal vakantie-uren dat met toepassing van artikel 23, zevende en achtste lid, is overgeboekt, indien de vergoeding voor de uren waarmee de aanspraak op vakantie wordt verlaagd volledig wordt ingezet ten behoeve van levensloopverlof als bedoeld in artikel 34g. De ambtenaar doet de aanvraag gelijktijdig met de aanvraag om te sparen voor levensloopverlof.

Artikel 23. Het opnemen van vakantie

  • 1 De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor zoveel de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.

  • 2 De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode indien voor hem een volledige werktijd geldt en tot in evenredigheid lagere getallen indien voor hem een onvolledige werktijd geldt.

  • 3 Het bevoegde gezag kan toestaan, dat een ambtenaar in enig kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande, dat de opgenomen vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan 57,6 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar met onvolledige werktijd wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane overschrijding verminderd naar evenredigheid van de werktijd. De in een kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op vakantie over het eerstvolgende jaar.

  • 4 De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van tevoren.

  • 5 Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen, terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. De vorige volzin geldt in geval van ziekte of ongeval alleen indien de ambtenaar ten genoege van het bevoegd gezag die ziekte of dat ongeval aantoont.

  • 6 Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan het bevoegde gezag aan de ambtenaar verleende toestemming vakantie op te nemen intrekken, zowel vóór als tijdens de vakantie. Indien de ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.

  • 7 Niet-opgenomen vakantie, waaronder eventuele van vorige jaren overgeboekte vakantie, wordt naar het volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar over een vol kalenderjaar berekend volgens artikel 22, eerste tot en met twaalfde lid, verminderd met de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vakantie.

  • 8 Het bevoegd gezag kan toestaan dat in individuele gevallen in een bepaald jaar wordt afgeweken van de overeenkomstig het zevende lid maximaal naar een volgend kalenderjaar over te boeken vakantie-aanspraken.

Artikel 24. Ontslag en vakantie

  • 1 Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de werktijd zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd.

  • 2 Indien op de dag van zijn ontslag blijkt, dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.

  • 3 In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie binnen de rijksdienst in de loop van een kalenderjaar kan de ambtenaar er - in zoverre in afwijking van lid 1 - voor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn, te behouden. Daarbij wordt vakantie die in het lopende kalenderjaar genoten is in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.

Artikel 25. Overige bepalingen

Ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 dan wel artikel 18a van het BBRA 1984 is - met betrekking tot de vaststelling van dat bezoldigingsdeel tijdens vakantie - artikel 17, derde lid, respectievelijk vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Verlof

Artikel 32. Verlof bij militaire- en soortgelijke dienst alsmede in geval van ziekte

Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken III en VI, geniet verlof:

Artikel 32a. Verlof bij sluiting van de Rijksdienst op daartoe aangewezen dagen

  • 1 Indien de Rijksdienst op een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de desbetreffende ambtenaar verlof voor zoveel het dienstbelang niet anders vereist.

  • 2 Het vorige lid vindt geen toepassing, indien de sluiting van de Rijksdienst regionaal of plaatselijk plaats vindt en de ambtenaar elders werkzaam is.

Artikel 32b

  • 1 Onverminderd artikel 76 wordt aan de ambtenaar in de gevallen en onder de voorwaarden genoemd in de volgende artikelen van deze paragraaf buitengewoon verlof verleend.

  • 2 Onder zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg worden in ieder geval begrepen de omstandigheden genoemd in de artikelen 33c, 33d en 33fa.

Buitengewoon verlof van korte duur

Artikel 33. Kiesrecht en wettelijke verplichting

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

  • a. voor de uitoefening van kiesrecht;

  • b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is.

Artikel 33a. Vergaderingen van en werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges

  • 1 Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven.

  • 2 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.

Artikel 33b. Vergaderingen van statutaire organen van ambtenarenorganisaties, kaderactiviteiten, cursussen en commissies van georganiseerd overleg in ambtenarenzaken

  • 1 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties, waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt:

    • a. voor zover betreft vergaderingen van verenigingen van ambtenaren als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan;

    • b. voor zover betreft vergaderingen van centrale organisaties, waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren;

    • c. voor zover betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of besuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren.

  • 2 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die door een centrale als bedoeld in artikel 105 of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.

  • 3 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het - op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaren bedraagt.

  • 4 Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt te zamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend

    • a. aan leden van de hoofdbesturen van de centrale organisaties, genoemd in artikel 105, tweede lid onder a en b, en van organisaties, die rechtstreeks bij die centrale organisaties zijn aangesloten;

    • b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die centrale aangesloten organisaties;

    • c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen, alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties van die organisatie.

  • 5 Het verlof bedoeld in de vorige leden, wordt slechts verleend aan ambtenaren, die lid zijn van verenigingen van ambtenaren, welke zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren, die deel uitmaken van de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

  • 6 Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van georganiseerd overleg, in ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor één voorvergadering per in de vorige volzin bedoelde vergadering.

Artikel 33c. Verhuizing

  • 1 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

    • a. voor het zoeken van een woning in geval van overplaatsing: ten hoogste twee dagen;

    • b. bij verhuizing ingeval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding hebben: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen, die niet een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen.

  • 2 Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van het eerste lid.

Artikel 33d. Familie-omstandigheden

  • 1 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

    • a. bij zijn huwelijk: twee dagen;

    • b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en de tweede graad: één dag;

    • c. bij overlijden van:

      • 1e. in artikel 33i, tweede lid, genoemde personen: vier dagen;

      • 2e. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen, of, indien de ambtenaar is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel van beide, ten hoogste vier dagen;

    • d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste twee dagen.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen het sluiten van een samenlevingscontract als bedoeld in artikel 4, vierde lid, of het aangaan van een geregistreerd partnerschap.

  • 3 Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op gelijke wijze verleend aan de ambtenaar die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel 4, vierde lid, of aan de ambtenaar die een geregistreerd partnerschap is aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner of van zijn geregistreerde partner.

  • 4 Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van de vorige leden.

Artikel 33e. Aanvullende bevoegdheid tot het verlenen van buitengewoon verlof

  • 1 Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, kan bovendien worden verleend in de gevallen, waarin hij, die tot verlenen van dat verlof bevoegd is verklaard, oordeelt, dat daartoe aanleiding bestaat.

  • 2 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd ter uitvoering van het eerste lid zo nodig nadere regels vast te stellen.

Artikel 33f. Aanvragen van buitengewoon verlof

  • 1 Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van korte duur tenminste 24 uren tevoren schriftelijk of mondeling worden aangevraagd.

  • 2 Indien de ambtenaar, die niet vooraf een aanvraag voor buitengewoon verlof van korte duur heeft ingediend, ten genoegen van de in het eerste lid bedoelde autoriteit aantoont, dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad, terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging.

  • 3 Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts aanwezig:

    • a. indien een der in de voorgaande artikelen genoemde omstandigheden aanwezig is geweest, op grond waarvan aan de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof wordt verleend, zulks met inachtneming van de daarbij vermelde voorwaarden en termijnen;

    • b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen.

Artikel 33fa

  • 1 De ambtenaar die zorg draagt voor een of meer personen als bedoeld in het vierde lid heeft aanspraak op zorgverlof bij calamiteiten onder behoud van zijn volle bezoldiging.

  • 2 Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid bedoelde personen.

  • 3 Het verlof is bedoeld als eerste opvang en voor het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt maximaal 1 dag per calamiteit.

  • 4 De personen voor wier verzorging het verlof kan worden verleend zijn: de echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwdkinderen van de ambtenaar.

  • 5 De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder vermelding van de reden.

  • 6 Het bevoegd gezag kan eisen dat de ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake was van een noodsituatie. Indien de ambtenaar daar naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in slaagt kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.

  • 7 Voor de toepassing van dit artikel is het derde lid van artikel 33d van overeenkomstige toepassing.

Zwangerschaps- en bevallingsverlof

Artikel 33fb

  • 1 De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof.

  • 2 Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.

  • 3 De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan vier weken voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling.

  • 4 De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen.

  • 5 Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het tweede lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.

  • 6 Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

Artikel 33fc. Bevalling en ontslag

  • 1 De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 33fb, eerste lid, behoudt haar aanspraak op bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 33fb, derde lid, een aanvang heeft genomen.

  • 2 De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:

    • a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en

    • b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

  • 3 De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.

  • 4 De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:

    • a. aanvangt op de datum van bevalling; en

    • b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

Artikel 33g. Buitengewoon verlof in verband met ouderschap

  • 1 De ambtenaar die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.

  • 2 De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.

  • 3 Geen aanspraak op verlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.

  • 4 Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd. Indien de dienstbetrekking buiten Nederland wordt vervuld bestaat aanspraak op verlof tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.

  • 5 Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar per keer ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt zesentwintig maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.

  • 6 Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. In afwijking van de eerste volzin kan de ambtenaar het bevoegd gezag verzoeken om het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen in ten hoogste drie perioden, waarbij iedere periode ten minste een maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

  • 7 Bij een keuze voor het maximale aantal uren verlof als bedoeld in het vijfde lid, heeft de ambtenaar over de verlofuren aanspraak op 27,5% van zijn bezoldiging. Bij een aanvraag voor een geringer aantal uren verlof wordt het percentage evenredig verhoogd tot ten hoogste 55. Zo nodig wordt het percentage rekenkundig afgerond op één decimaal achter de komma.

  • 8 De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van hetgeen hem over de genoten uren ouderschapsverlof is toegekend over de genoten verlofuren wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksdienst wordt niet als ontslag beschouwd. Het bevoegd gezag kan de ambtenaar ontheffen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat naar het oordeel van het bevoegd gezag rechtvaardigen.

  • 9 De ambtenaar meldt het voornemen verlof op te nemen ten minste twee maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan het tot verlening van het verlof bevoegde gezag.

    Daarbij geeft de ambtenaar op:

    • a. het tijdvak waarin het verlof zal worden genoten;

    • b. het aantal uren verlof per week; en

    • c. de spreiding van de verlofuren over de week.

    Bij de eerste melding ten aanzien van het desbetreffende kind dient tevens opgave te worden gedaan van het totaal aantal uren dat de ambtenaar wenst op te nemen en de eventuele opdeling daarvan in perioden op grond van het zesde lid. Indien de ambtenaar het verlof heeft opgedeeld in meerdere perioden geldt de opgave, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, slechts voor één verlofdeel tegelijk. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging van het kind.

  • 10 Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van het opnemen van zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof als bedoeld in de artikelen 33fb, onderscheidenlijk 33h.

    Het bevoegd gezag is tevens verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.

  • 11 Het bevoegd gezag behoeft aan een aanvraag als bedoeld in het tiende lid niet met ingang van een vroeger tijdstip dan vier weken na de aanvraag gevolg te geven. In het geval het verlof met toepassing van het tiende lid, eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, wordt de aanspraak op het overige deel van het verlof opgeschort. In het geval het verlof met toepassing van het tiende lid, tweede volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.

  • 12 Indien op grond van het zesde lid het verlof is opgedeeld, zijn het tiende en elfde lid op iedere periode van toepassing.

  • 13 Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de uren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.

  • 14 Indien het verlof op grond van het zesde lid is opgedeeld en de aanstelling eindigt voordat het verlof volledig is genoten, heeft de ambtenaar, indien hij een nieuwe aanstelling krijgt bij een ander bevoegd gezag, aanspraak op de eventueel resterende deelperioden van het verlof met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.

  • 15 Op de ambtenaar die voor een kind het verlof geheel of gedeeltelijk heeft opgenomen voor 1 januari 2011, blijven het vijfde en zevende lid, van toepassing zoals die luidden op 31 december 2010 voor wat betreft zijn recht op bezoldiging tijdens de uren waarop hem ouderschapsverlof is verleend, met dien verstande dat aanvullend dertien maal de arbeidsduur per week kan worden opgenomen zonder behoud van bezoldiging.

Artikel 33h

  • 1 De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging.

  • 2 De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

  • 3 Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.

  • 4 De ambtenaar meldt aan het bevoegd gezag het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

  • 5 Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het eerste lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.

  • 6 Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

Artikel 33i

  • 1 Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:

    • a. zijn echtgenote of echtgenoot;

    • b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;

    • c. een inwonend kind van zijn echtgenote of echtgenoot;

    • d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

  • 2 Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van: echtgenote, echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen.

  • 3 Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt in elk kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.

  • 4 De ambtenaar meldt vooraf aan het bevoegd gezag dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag onder opgave van de reden. Bij die melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof aan.

  • 5 Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Buitengewoon verlof van lange duur

Artikel 34. Buitengewoon verlof van lange duur

  • 1 Buitengewoon verlof van lange duur kan aan de ambtenaar op zijn aanvraag worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.

  • 2 Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan nadat de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat hij de daaraan verbonden voorwaarden aanvaardt.

  • 3 Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de ambtenaar, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar.

  • 4 Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een benoeming van de ambtenaar tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren. Artikel 33b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Het bevoegd gezag biedt de ambtenaar aan wie buitengewoon verlof is verleend op grond van het eerste lid in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, dan wel van een functie als bedoeld in het vierde of vijfde lid, na afloop van het verlof een passende functie aan.

  • 6 Een passende functie als bedoeld in het zesde lid, dient zo mogelijk ten minste gelijkwaardig te zijn aan de functie waarop het buitengewoon verlof betrekking had.

Artikel 34c. Buitengewoon verlof voor bezoldigde bestuurders van ambtenarenorganisaties

[Vervallen per 01-10-1997]

Artikel 34e. Ontslag bij niet hervatten van de werkzaamheden na afloop van buitengewoon verlof van lange duur

  • 1 De ambtenaar, die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, wordt voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt, dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.

Artikel 34f

Voor de toepassing van deze paragraaf is - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, dan wel artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - met betrekking tot de vaststelling van dit bezoldigingsdeel, het derde, respectievelijk vierde lid van artikel 17 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34g

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van levensloopverlof.

Hoofdstuk VI. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding, rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid

§ 1. Definities en bevoegdheden

Artikel 35. Definities

In dit hoofdstuk en in hoofdstuk X wordt verstaan onder:

  • AAOP-uitkering: ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het pensioenreglement;

  • arbeidsongeschiktheid: volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WIA of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid als bedoeld in artikel 5 van de WIA;

  • arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;

  • beroepsincident: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;

  • beroepsziekte: een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

  • bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;

  • deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;

  • dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;

  • gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;

  • passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

  • Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

  • Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;

  • Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  • UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;

  • WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

  • WIA-uitkering: een uitkering op grond van de WIA;

  • WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;

  • ZW: Ziektewet;

  • ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de ZW;

  • arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de ZW.

Artikel 35a. Bevoegdheden

Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van State en het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, dient voor Onze Minister telkens respectievelijk te worden gelezen het college van de Algemene Rekenkamer, de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de vice-president van de Raad van State of de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

§ 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en het medisch advies

Arbeidsgezondheidskundige begeleiding

Artikel 36. Verzuimbegeleiding en arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar

  • 1 Onze Minister verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en de bepalingen in dit hoofdstuk.

  • 2 Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

  • 3 De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden.

  • 4 Onze Minister kan ten aanzien van de ambtenaar die korter dan een jaar volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten bepalen dat hij zijn arbeid slechts mag hervatten, nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend;

  • 5 De ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten mag zijn arbeid slechts hervatten, nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.

  • 6 Onze Minister verleent de toestemming, bedoeld in het vierde en vijfde lid, eerst nadat er een medisch advies is van de deskundige persoon of de arbodienst.

Artikel 36a

  • 1 De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:

    • a) voor zover dit noodzakelijk is om te beoordelen of de ambtenaar van 55 jaar en ouder in staat is nachtarbeid te verrichten;

    • b) indien Onze Minister gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;

    • c) indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid;

    • d) ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht;

    • e) indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet publieke gezondheid, een nominatieve aangifteplicht geldt;

    • f) om te beoordelen of de ambtenaar, die een functie vervult als bedoeld in artikel 97, eerste lid, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven waarnemen, nadat hij de voor zijn functie vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt;

    • g) om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 98, derde lid, aanhef en onderdelen a en b;

    • h) om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag hervatten;

    • i) voorzover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;

    • j) indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat of hij is benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundig onderzoek is vereist als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b.

  • 2 Onze Minister stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld indien hem andere passende werkzaamheden kunnen worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn.

Medisch advies

Artikel 36b

  • 1 In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI in het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel.

  • 2 Het medisch advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 36a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld.

  • 3 De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De deskundige persoon of de arbodienst stelt Onze Minister in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.

  • 4 Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats.

  • 5 Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie geneeskundigen kenbaar te maken.

Artikel 36c

  • 1 De leden van de commissie bedoeld in artikel 36b, vierde en vijfde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door Onze Minister. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.

  • 2 De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:

    • a) de ambtenaar of de gewezen ambtenaar;

    • b) Onze Minister;

    • c) de behandelend arts, bedoeld in artikel 36b, vijfde lid.

Artikel 36d

De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 36b, eerste lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek bedoeld in het artikel 36b, derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid

Aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging of een aanvullende uitkering

Artikel 37

  • 1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.

  • 2 Het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt, of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de ambtenaar buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging geniet, vangt het tijdvak aan op de dag volgend op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien:

    • a. zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, of

    • b. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

  • 5 In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij passende arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.

  • 6 De doorbetaling van de bezoldiging eindigt:

    • a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 37a, eerste lid, is herplaatst;

    • b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of

    • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.

Artikel 37a

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is verplicht een andere functie te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid.

  • 2 De ambtenaar die door het UWV in het kader van de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, wordt herplaatst in een functie die passende arbeid omvat, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

  • 3 De ambtenaar die op grond van het eerste lid is herplaatst voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 98, derde lid, onderdeel a, is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn rechtop een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen:

    • a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 37 recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering; en

    • b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

  • 4 Indien de ziekte uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een beroepsincident, heeft de ambtenaar, bedoeld in het derde lid, van wie de arbeidsongeschiktheid ten minste 35% bedraagt, nadat de termijn van twee jaar is verstreken tevens recht op een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen:

    • a. een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en

    • b. zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een uit de oorspronkelijke functie voortvloeiend recht op een WIA-uitkering en een AAOP-uitkering.

  • 5 Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

    80% of meer:

    90,02%;

    65 tot 80%:

    65,26%;

    55 tot 65%:

    54,01%;

    45 tot 55%:

    45,01%;

    35 tot 45%:

    36,01%;

  • 6 De aanvullende uitkeringen, bedoeld in het derde en vierde lid, eindigen in ieder geval:

    • a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of

    • b. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.

  • 7 In zoverre in afwijking van het derde lid, bedraagt voor de ambtenaar die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, de aanvullende uitkering na de eerste 52 het verschil tussen:

    • a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 76a van de Ziektewet recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering; en

    • b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

Terugwerkende kracht

Stb. 2014, 345, datum inwerkingtreding 09-10-2014, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2013.

7 In zoverre in afwijking van het derde lid, bedraagt voor de ambtenaar die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, de aanvullende uitkering na de eerste 52 weken weken het verschil tussen:

  • a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 76a van de Ziektewet recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering; en

  • b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

Artikel 37b

  • 1 De ambtenaar, bedoeld in artikel 37a, tweede lid, die voor 1 januari 2012 is herplaatst, ontvangt bij voortdurende arbeidsongeschiktheid gedurende hoogstens vijf jaar een uitkering van 70% van het verschil tussen:

    • a. zijn bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering zoals die zou zijn geweest op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en

    • b. zijn bezoldiging na herplaatsing verminderd met eventuele daarna volgende verhogingen op grond van artikel 7 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, en vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

  • 2 In afwijking van het eerste lid heeft de ambtenaar die arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van een beroepsincident, ook nadat de termijn van vijf jaar is verstreken recht op een uitkering.

  • 3 De uitkering eindigt in ieder geval:

    • a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;

    • b. met ingang van de dag volgend op die waarop de ambtenaar is overleden.

  • 4 Bij eventuele samenloop van een recht op uitkering op grond van dit artikel en een recht op uitkering op grond van artikel 37a, derde of vierde lid, vervalt het laatstbedoelde recht.

Artikel 38

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 98, eerste lid, onderdeel f, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:

    • a. zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, maar niet langer dan een tijdvak van 52 weken, recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering;

    • b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, gedurende maximaal 26 weken recht op doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

  • 2 De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft, zolang hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte, gedurende maximaal 52 weken recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest.

  • 3 De gewezen ambtenaren, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben gedurende een tijdvak van 104 weken als bedoeld in artikel 23 van de WIA, recht op doorbetaling van hun laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering indien hun arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

  • 4 Het tijdvak gedurende welke de gewezen ambtenaar recht heeft op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de gewezen ambtenaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging genoot, vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan op de dag waarop het ontslag is ingegaan.

  • 5 Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld indien:

  • 6 De doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, eindigt in ieder geval:

    • a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

    • b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.

  • 7 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een WIA-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft recht op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident.

  • 8 De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, is gelijk aan het verschil tussen:

    • a. een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; en

    • b. de aan de ambtenaar toegekende WIA-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een hem toegekende AAOP-uitkering.

  • 9 Het percentage, bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

    80% of meer:

    90,02%;

    65 tot 80%:

    65,26%;

    55 tot 65%:

    54,01%;

    45 tot 55%:

    45,01%;

    35 tot 45%:

    36,01%;

  • 10 De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, eindigt:

    • a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of

    • b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.

  • 11 De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond van artikel 94a, heeft slechts recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of aanvullende uitkering voorzover deze tezamen met de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, de laatstgenoten bezoldiging niet overschrijdt.

Terugwerkende kracht

Stb. 2014, 345, datum inwerkingtreding 09-10-2014, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2013.

6 De doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, eindigt in ieder geval:

  • a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; of

  • b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.

10 De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, eindigt:

  • a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; of

  • b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.

Artikel 38a

  • 1 De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident.

  • 2 De gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

Artikel 40. Geen aanspraak

  • 1 De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging:

    • a) indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen;

    • b) indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;

    • c) indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b en blijkt dat de ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van geschiktheid, de aan de desbetreffende functie verbonden werkzaamheden te verrichten, ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

  • 2 De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op betaling van loon of bezoldiging, dan wel aanspraak kan maken op een ZW-uitkering.

Artikel 40a

  • 1 De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:

    • a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;

    • b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;

    • c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;

    • d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;

    • e) verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;

    • f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;

    • g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    • h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;

    • i) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verrichten;

    • j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;

    • k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;

    • l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;

    • m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;

    • n) vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;

    • o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    • p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    • q) zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;

    • r) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;

    • s) geen aanspraak heeft op een WIA-uitkering omdat geen aanvraag is ingediend of in verband met de toepassing van artikel 88 van de WIA;

    • t) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  • 2 De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.

  • 3 De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.

  • 4 Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging, niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 5 Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging, alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.

Artikel 40b

  • 1 Het bevoegd gezag is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.

  • 2 De maatregelen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op duurzame reïntegratie in de eigen arbeid of in andere passende arbeid in de sector Rijk waarvan de voor die arbeid geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die voor de ambtenaar geldt en waarbij de resterende mogelijkheden van de ambtenaar volledig worden benut. Indien na overleg tussen het bevoegd gezag en de ambtenaar vaststaat dat dergelijke arbeid niet voorhanden is, zullen de maatregelen en voorschriften zich richten op duurzame reïntegratie in andere passende arbeid, zo mogelijk binnen een van de overheidssectoren.

  • 3 Zolang duurzame reïntegratie als bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is, stelt het bevoegd gezag de ambtenaar in de gelegenheid andere passende arbeid te verrichten.

  • 4 Uit hoofde van zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

  • 5 De ambtenaar die van mening is dat het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn verzoek tot nakoming aan het bevoegd gezag een oordeel van het UWV als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI over. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek en deelt daarbij mee tot welke aanpassingen in de reïntegratie-inspanningen het verzoek hem aanleiding geeft.

§ 5. Bijzondere situaties

Samenloop met andere inkomsten

Artikel 45

  • 1 Bij samenloop van een recht krachtens dit hoofdstuk met een ZW-uitkering, WIA-uitkering, AAOP-uitkering, WW-uitkering of bovenwettelijke WW-uitkering, dan wel een daarmee vergelijkbare uitkering, op grond van dezelfde dienstbetrekking, wordt deze uitkering in mindering gebracht op dit recht, tenzij het een recht op grond van de artikelen 47 of 48 betreft.

  • 2 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

  • 3 Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar recht heeft op een ZW-uitkering of een WIA-uitkering, is het verplichtingen- en sanctieregime van de ZW of de WIA van overeenkomstige toepassing op zijn recht krachtens dit hoofdstuk op grond van dezelfde dienstbetrekking.

  • 4 De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de deskundige persoon of de arbodienst wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering in mindering gebracht, voor zover deze inkomsten tezamen met de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering of de WIA-uitkering, vermeerderd met de AAOP-uitkering, de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering te boven gaan.

  • 5 Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft, in mindering gebracht, tenzij:

    • a) de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot; en

    • b) de omvang van die arbeid niet is toegenomen.

Bevalling

Artikel 46

  • 1 Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge artikel 33fc, het eerste, tweede of het vierde lid, toekomende uitkering:

    • a) wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel

    • b) binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.

  • 2 Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.

Tegemoetkomingen in bijzondere gevallen

Artikel 47. Tegemoetkoming in noodzakelijk gemaakte ziektekosten

  • 1 In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden toegekend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte, welke de ambtenaar voor zichzelf en voor zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt:

    • a) indien hierin niet ingevolge een andere regeling kan worden voorzien; en

    • b) deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven.

  • 2 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.

Artikel 48. Vergoeding van ziektekosten bij dienstongeval en beroepsziekte

  • 1 Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, voortvloeit uit een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, worden hem vergoed de naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging die voor rekening van de ambtenaar blijven.

  • 2 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.

§ 6. Overige bepalingen

Artikel 48a. Aanpassing bedrag / begrip bezoldiging

  • 1 Het bedrag van de bezoldiging of de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 37, 37a, derde lid, en 38, en het bedrag van de eindejaarsuitkering, bedoeld in de genoemde artikelen, worden in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris respectievelijk de eindejaarsuitkering.

  • 2 Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:

    • a) de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; of

    • b) de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.

  • 3 Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin:

    • a) de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;

    • b) de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.

  • 4 Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke betrekking.

Artikel 49. Vakantie-uitkering

[Vervallen per 13-01-2010]

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk niet van toepassing in de periode van 15 april 2013 tot en met 31 december 2015, onverminderd artikel 49yy.

Hoofdstuk VII. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties

Procedure rond reorganisaties

Artikel 49a

  • 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels vaststellen omtrent de te volgen procedure bij reorganisaties en het herplaatsen van ambtenaren.

  • 2 Onze Minister kan nadere procedures en regels vaststellen omtrent reorganisaties en het herplaatsen van ambtenaren.

Werkingssfeer

Artikel 49b

  • 1 Bij een reorganisatie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.

  • 2 Onder reorganisatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een ministerie of een onderdeel daarvan, waaraan personele consequenties zijn verbonden.

    • b. iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Raad van State of een onderdeel daarvan, waaraan personele consequenties zijn verbonden.

  • 3 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op de overgang van de ambtenaar naar een private onderneming of zelfstandig bestuursorgaan in verband met de privatisering of verzelfstandiging van het dienstonderdeel van het ministerie waarbij de ambtenaar werkzaam is, tenzij bij algemeen verbindend voorschrift anders is bepaald.

Bevoegdheden

Artikel 49c

Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de Raad van State, dient voor Onze Minister telkens te worden gelezen het college van de Algemene Rekenkamer, de Voorziter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de Kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de vice-president van de Raad van State.

Artikel 49ca

  • 1 Door of namens Onze Minister worden de centrales van verenigingen van ambtenaren tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.

  • 2 Door of namens Onze Minister worden de betrokken ondernemingsraden tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.

Het aanwijzen van herplaatsingskandidaten

Artikel 49d

De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, wier functie in verband met een reorganisatie is opgeheven, worden aangewezen als te herplaatsen ambtenaar, hierna te noemen: herplaatsingskandidaat.

Artikel 49e

  • 1 Van overtolligheid is sprake indien binnen het te reorganiseren ministerie, het Kabinet der Koningin, de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Raad van State, of een onderdeel daarvan, meer ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren resteren.

  • 2 De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, die in verband met een reorganisatie overtollig zijn, worden aangewezen als herplaatsingskandidaat, waarbij de ambtenaar die het geringste aantal jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht het eerst als herplaatsingskandidaat wordt aangewezen.

  • 3 Voor de berekening van het aantal in overheidsdienst doorgebrachte jaren wordt mede in aanmerking genomen tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0–4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.

  • 4 Onze Minister kan van de volgorde in het tweede lid afwijken indien zulks naar zijn oordeel noodzakelijk is.

Artikel 49f

De ambtenaar wordt omtrent zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Wederzijdse rechten en verplichtingen

- de verplichting om de ambtenaar een passende functie aan te bieden

Artikel 49g

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Onverminderd het gestelde in artikel 96, eerste lid is Onze Minister verplicht om de ambtenaar binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf het moment dat de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat, ten minste één passende functie aan te bieden.

  • 2 Onze Minister kan de termijn als bedoeld in het eerste lid verkorten indien:

    • a. de herplaatsingskandidaat heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, of;

    • b. reeds eerder in overleg met de ambtenaar binnen de termijn kan worden vastgesteld dat er geen mogelijkheden zijn om de herplaatsingskandidaat te herplaatsen.

  • 3 Onze Minister kan de termijn verlengen of opschorten, indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.

  • 4 De ambtenaar wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van de termijn als bedoeld in het eerste lid.

  • 5 Door Onze Minister wordt de herplaatsingskandidaat geïnformeerd over het verkorten, verlengen of opschorten van de termijn als bedoeld in het tweede en het derde lid.

  • 6 Op verzoek van de herplaatsingskandidaat wordt de termijn, bedoeld in het eerste lid, met maximaal een jaar verlengd ingeval de herplaatsingskandidaat bij het einde van de termijn, bedoeld in het eerste lid, in combinatie met de duur van de bovenwettelijke uitkering, de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en door deze verlenging recht ontstaat op een bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen werkloosheid voor de sector Rijk.

Terugwerkende kracht

Stb. 2014, 345, datum inwerkingtreding 09-10-2014, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-07-2013.

6 Op verzoek van de herplaatsingskandidaat wordt de termijn, bedoeld in het eerste lid, met maximaal een jaar verlengd ingeval de herplaatsingskandidaat bij het einde van de termijn, bedoeld in het eerste lid, in combinatie met de duur van de bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en door deze verlenging recht ontstaat op een bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid, op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

- passende functie

Artikel 49h

  • 1 Van een passende functie als bedoeld in artikel 49g is sprake indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen danwel indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.

  • 2 Bij het eerste lid geldt de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn van een passende functie indien de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat.

  • 3 Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat plaatsen op een functie waarvan de geldende salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat indien er bijzondere omstandigheden zijn die zulks rechtvaardigen en indien de herplaatsingskandidaat daarmee instemt.

  • 4 Bij een herplaatsing met toepassing van het derde lid is artikel 49n van overeenkomstige toepassing.

- plaatsing in een functie

Artikel 49i

Onze Minister kan de naar zijn oordeel meest geschikte herplaatsingskandidaat, voor wie de functie als passend wordt aangemerkt, herplaatsen in die functie.

- de verplichting van de herplaatsingskandidaat om mee te zoeken naar een passende functie en een passende functie te aanvaarden

Artikel 49j

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 49g, eerste lid, is de herplaatsingskandiaat verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden.

  • 2 De herplaatsingskandidaat is verplicht een passende functie te aanvaarden.

- Sanctie

Artikel 49l

  • 1 De herplaatsingskandidaat die heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, kan in verband daarmee ontslag worden verleend.

  • 2 Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.

- Voorzieningen bij verplaatsing over grote afstand

Artikel 49m. Reistijd-werktijd

  • 1 Indien de reistijd voor woon-werkverkeer door een wijziging van de plaats van tewerkstelling van de ambtenaar als gevolg van een reorganisatie met meer dan 15 minuten per enkele reis toeneemt, wordt deze extra reistijd, voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende een jaar als werktijd aangemerkt.

  • 2 Gedurende het tweede, derde en vierde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.

  • 3 Voor de ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar als gevolg van reorganisatie opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename ten opzichte van de reistijd zoals die was voor de eerste wijziging.

  • 4 Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, wordt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw gestart.

  • 5 De ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal de plaats van tewerkstelling als gevolg van een reorganisatie wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf de tweede wijziging.

  • 6 Voor de bepaling van de reistijd wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd, berekend met de ANWB-routeplanner.

Financiële voorziening bij herplaatsing over grote afstand

Artikel 49n

  • 1 De ambtenaar die in verband met zijn herplaatsing of plaatsing in een passende functie in opdracht van Onze Minister is verhuisd, wordt eenmalig een bedrag toegekend van € 10 890,73 bruto ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten.

  • 2 In de gevallen waarin de ambtenaar en zijn echtgenoot beiden in aanmerking komen voor het bedrag bedoeld in het eerste lid ontvangt elk de helft daarvan.

  • 3 Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt niet toegekend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren nadat de opdracht om te verhuizen is gegeven.

Stimuleringspremie

Artikel 49o

Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat een premie in het vooruitzicht stellen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen indien aan hem binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend.

Salarissuppletie

Artikel 49p

  • 1 De herplaatsingskandidaat aan wie eervol ontslag op zijn aanvraag is verleend wegens de aanvaarding van een functie kan, onverminderd het bepaalde in artikel 49o, een salarissuppletie worden toegekend indien het in de nieuwe functie genoten salaris lager is dan het salaris in de oorspronkelijke functie.

  • 2 De suppletie als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend gedurende maximaal 5 jaar en is ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het in de oorspronkelijke functie genoten salaris en het salaris in de nieuwe functie.

  • 3 Onder door Onze Minister te stellen voorwaarden kan het recht op suppletie op aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.

Hoofdstuk VIIbis. Van werk naar werk

Terugwerkende kracht

Voor dit hoofdstuk is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit hoofdstuk. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het hoofdstuk is nieuw toegevoegd.

§ 1. Algemene bepalingen

Terugwerkende kracht

Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze paragraaf. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

De paragraaf is nieuw toegevoegd.

Artikel 49r. Definities

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, wordt verstaan onder:

  • a. begeleidingstraject: het begeleidingstraject van werk naar werk, bedoeld in artikel 49y, vijfde lid, bij de uitvoering van het VWNW-plan;

  • b. commissie: de commissie, bedoeld in artikel 49uu, eerste lid;

  • c. plaats van tewerkstelling: de plaats van tewerkstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989;

  • d. reorganisatie: iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een onderdeel van de sector Rijk, waaraan personele consequenties zijn verbonden;

  • e. verplichte VWNW-kandidaat: de ambtenaar

    • 1°. die krachtens artikel 49w, tweede lid, als overtollig is aangewezen,

    • 2°. van wie de functie in verband met een reorganisatie is opgeheven,

    • 3°. ten aanzien van wie het bevoegd gezag heeft besloten dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich zal voegen in zijn verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een besluit tot wijziging van de plaats van tewerkstelling, of

    • 4°. die in de periode van 1 januari 2012 tot en met 14 april 2013 is aangewezen als herplaatsingskandidaat en die vóór 1 juli 2013 aan het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt als verplichte VWNW-kandidaat gebruik te gaan maken van het begeleidingstraject;

  • f. VWNW: van werk naar werk;

  • g. vrijwillige fase: de vrijwillige fase, bedoeld in artikel 49s, eerste lid, waarin een onderdeel van de sector Rijk zich bevindt;

  • h. vrijwillige VWNW-kandidaat: de ambtenaar, die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, en aanvangt met de uitvoering van het VWNW-plan;

  • i. VWNW-kandidaat: de vrijwillige VWNW-kandidaat of de verplichte VWNW-kandidaat;

  • j. VWNW-onderzoek: het VWNW-onderzoek, bedoeld in artikel 49x;

  • k. VWNW-plan: het VWNW-plan, bedoeld in artikel 49y.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49s. Vrijwillige fase

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Een voorgenomen besluit tot een belangrijke reorganisatie wordt voorafgegaan door een vrijwillige fase, onverminderd artikel 49u.

  • 2 Het bevoegd gezag besluit tot een vrijwillige fase in de volgende gevallen:

    • a. om te voorkomen dat op termijn ambtenaren als verplichte VWNW-kandidaten worden aangemerkt omdat hun functie wordt opgeheven,

    • b. om te voorkomen dat op termijn overtolligheid ontstaat binnen een door het bevoegd gezag aangewezen groep ambtenaren die een uitwisselbare functie vervullen indien het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies resteren voor de betrokken ambtenaren, of

    • c. bij een besluit tot wijziging van de plaats van tewerkstelling voor een door het bevoegd gezag aangewezen groep ambtenaren naar een locatie die ten opzichte van de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling is gelegen op een reisafstand van meer dan een half uur per enkele reis.

  • 3 Een aangewezen groep ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, bestaat uit ambtenaren die zijn aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en uit ambtenaren die zijn aangesteld in vaste dienst.

  • 4 Het bevoegd gezag besluit wanneer de vrijwillige fase begint en eindigt. De duur van de vrijwillige fase kan door het bevoegd gezag worden verlengd of verkort.

  • 5 Gedurende de vrijwillige fase neemt een aangewezen groep ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, deel aan een VWNW-onderzoek.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49t. Overlegverplichting

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 113 en artikel 118, en de betrokken ondernemingsraden worden door het bevoegd gezag tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot aanvang van een vrijwillige fase.

  • 2 De contouren van de voorgenomen organisatieverandering of de voorgenomen wijziging van de plaats van tewerkstelling worden aan de betrokken ondernemingsraden ter advisering voorgelegd.

  • 3 De centrales van verenigingen van ambtenaren worden, na advies door de betrokken ondernemingsraden, door het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over welke groep ambtenaren als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, wordt aangewezen en over duur en over de verlenging of verkorting van de vrijwillige fase. Van dit advies kan slechts gemotiveerd worden afgeweken.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49u. Afzien van de vrijwillige fase

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 In afwijking van artikel 49s, kan het bevoegd gezag afzien van een vrijwillige fase indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, nadat het bevoegd gezag de centrales van verenigingen van ambtenaren in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen.

  • 2 Een geschil tussen het bevoegd gezag en de centrales van verenigingen van ambtenaren naar aanleiding van het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt door of namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst voorgelegd aan de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, bedoeld in artikel 105.

  • 3 Het geschil, bedoeld in het tweede lid, wordt door of namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst of door de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel voorgelegd aan de Advies- en Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g, indien hierover in het overleg geen overeenstemming is bereikt.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49v. Reorganisatie

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Indien na afloop van de vrijwillige fase sprake is van overtolligheid of van ambtenaren van wie de functie wordt opgeheven, zijn de regels omtrent de te volgen procedure bij reorganisaties die krachtens artikel 49a zijn vastgesteld, van toepassing.

  • 2 Door het bevoegd gezag worden de centrales van verenigingen van ambtenaren tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.

  • 3 Door het bevoegd gezag worden de betrokken ondernemingsraden tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49w. Vaststellen overtolligheid bij reorganisatie

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

§ 2. Het begeleidingstraject van werk naar werk

Terugwerkende kracht

Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze paragraaf. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

De paragraaf is nieuw toegevoegd.

Artikel 49x. VWNW-onderzoek en advies

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, en de verplichte VWNW-kandidaat nemen deel aan een VWNW-onderzoek.

  • 2 Van een VWNW-onderzoek kan gedurende de vrijwillige fase worden afgezien indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven en het bevoegd gezag en de betrokken ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, daarmee instemmen.

  • 3 Het VWNW-onderzoek richt zich op de wensen en ontwikkelmogelijkheden van de ambtenaar die deelneemt aan het onderzoek en diens mogelijkheden voor het vinden van een passende functie in of buiten de sector Rijk.

  • 4 Het VWNW-onderzoek vindt plaats onder onafhankelijke professionele begeleiding.

  • 5 Naar aanleiding van het VWNW-onderzoek wordt een advies uitgebracht aan de ambtenaar en het bevoegd gezag.

  • 6 Uit het advies naar aanleiding van het VWNW-onderzoek volgt welke loopbaanbegeleiding de ambtenaar nodig heeft en of scholing dan wel het tijdelijk verrichten van andere werkzaamheden nodig is.

  • 8 Indien de ambtenaar of het bevoegd gezag zich niet kan vinden in het advies naar aanleiding van het VWNW-onderzoek, kan op verzoek van de ambtenaar of het bevoegd gezag binnen twee weken nadat het advies is vastgesteld, onder onafhankelijke professionele begeleiding een nieuw advies worden uitgebracht.

  • 9 Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49y. VWNW-plan

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokken ambtenaar op basis van het advies, bedoeld in artikel 49x, vijfde lid, of een nieuw advies, bedoeld artikel 49x, achtste lid, een VWNW-plan vast.

  • 2 Binnen twee weken na de datum van de vaststelling van het VWNW-plan maakt de ambtenaar, die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, aan het bevoegd gezag kenbaar of hij het plan gaat uitvoeren.

  • 3 Met ingang van de datum waarop de ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, aanvangt met de uitvoering van het plan, heeft hij als vrijwillige VWNW-kandidaat aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

  • 4 Het bevoegd gezag begeleidt de VWNW-kandidaat bij de uitvoering van het VWNW-plan.

  • 5 Het bevoegd gezag kan ten behoeve van het begeleidingstraject de volgende faciliteiten toekennen in het VWNW-plan:

    • a. de voor de uitvoering van het VWNW-plan benodigde opleiding, waarbij verlof met behoud van bezoldiging wordt verleend voor de tijd die is gemoeid met het volgen van die opleiding,

    • b. het tijdelijk verrichten van andere werkzaamheden of het volgen van een stage om werkervaring op te doen,

    • c. de voor de uitvoering van het VWNW-plan benodigde loopbaanbegeleiding en de wijze waarop daarin wordt voorzien, en

    • d. overige voorzieningen die voor de uitvoering van het VWNW-plan nodig zijn.

  • 6 In het VWNW-plan worden naast de faciliteiten, bedoeld in het vijfde lid, het zoekbereik voor een andere functie en voor de vrijwillige VWNW-kandidaat de datum waarop de uitvoering van het VWNW-plan aanvangt, vastgelegd.

  • 7 Het bevoegd gezag kan het VWNW-plan herzien indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49z. Verplichtingen VWNW-kandidaten

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De VWNW-kandidaat voert het VWNW-plan uit.

  • 2 De VWNW-kandidaat is verplicht een aangeboden passende functie te aanvaarden, binnen het voor hem geldende plaatsingsbereik, bedoeld in artikel 49cc, eerste of tweede lid.

  • 3 Er is sprake van een aangeboden functie indien acceptatie van de functie door de VWNW-kandidaat leidt tot plaatsing in de functie.

  • 4 Ontslag kan worden verleend aan de verplichte VWNW-kandidaat die heeft geweigerd te voldoen aan:

    • a. de verplichting, bedoeld in het tweede lid, of

    • b. een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde andere verplichting.

  • 5 Bij ontslagverlening op grond van het vierde lid wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.

  • 6 Voor de vrijwillige VWNW-kandidaat die drie maal heeft geweigerd te voldoen aan de verplichting, bedoeld in het tweede lid, vervalt zijn status van vrijwillige VWNW-kandidaat en vervalt zijn aanspraak op het begeleidingstraject en op de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49aa. Passende functie

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Van een passende functie is sprake indien de VWNW-kandidaat naar het oordeel van het bevoegd gezag beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen, dan wel indien de VWNW-kandidaat naar het oordeel van het bevoegd gezag binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49bb. Periode van begeleidingstraject van werk naar werk

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Het begeleidingstraject bestaat uit drie elkaar opvolgende perioden van elk zes maanden, met dien verstande dat bij een aanstelling in tijdelijke dienst het begeleidingstraject bestaat uit maximaal de resterende periode van die aanstelling.

  • 2 De eerste periode van het begeleidingstraject vangt voor de verplichte VWNW-kandidaat aan met ingang van de datum van vaststelling van het VWNW-plan, met dien verstande dat voor de verplichte VWNW-kandidaat, bedoeld in artikel 49r, onderdeel e, onder 1° en 2°, het begeleidingstraject niet eerder aanvangt dan nadat hij niet meer met zijn functie wordt belast.

  • 3 Voor de ambtenaar, die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, vangt het begeleidingstraject aan vanaf de datum waarop hij aanvangt met de uitvoering van het plan.

  • 4 De vrijwillige VWNW-kandidaat kan nadat de vrijwillige fase is geëindigd, gebruik blijven maken van het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

  • 5 De perioden, bedoeld in het eerste lid, worden slechts opgeschort indien de VWNW-kandidaat op verzoek van het bevoegd gezag andere werkzaamheden verricht die de uitvoering van het VWNW-plan ophouden.

  • 6 Voor de vrijwillige VWNW-kandidaat die verplichte VWNW-kandidaat wordt, vangt een nieuw begeleidingstraject aan, onverminderd de reeds genoten begeleiding als vrijwillige VWNW-kandidaat.

  • 7 Het bevoegd gezag kan een periode als bedoeld in het eerste lid, verlengen indien ernstige persoonlijke omstandigheden bij de VWNW-kandidaat of het begeleidingstraject hiertoe aanleiding geven.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49cc. Plaatsingsbereik

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Het plaatsingsbereik waarbinnen een aangeboden functie voor een verplichte VWNW-kandidaat passend is, is gedurende:

    • a. de eerste periode, bedoeld in artikel 49bb, eerste lid: een functie binnen de sector Rijk indien de voor de functie geldende salarisschaal ten minste gelijk is aan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de verplichte VWNW-kandidaat vervulde functie,

    • b. de tweede periode, bedoeld in artikel 49bb, eerste lid: een functie binnen de sector Rijk indien de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de verplichte VWNW-kandidaat vervulde functie,

    • c. de derde periode, bedoeld in artikel 49bb, eerste lid: een dienstverband bij een bij de Stichting Pensioenfonds ABP aangesloten organisatie, indien het maximumsalaris van de voor de functie geldende salarisschaal niet lager is dan het maximumsalaris van de salarisschaal die twee schalen lager is dan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de verplichte VWNW-kandidaat vervulde functie, en het voor een verplichte VWNW-kandidaat met een aanstelling in vaste dienst een dienstverband voor onbepaalde tijd dan wel een dienstverband voor bepaalde tijd met uitzicht op een dienstverband voor onbepaalde tijd betreft.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een vrijwillige VWNW-kandidaat, met dien verstande dat de functie passend is indien het maximumsalaris van de salarisschaal in de nieuwe functie ten minste gelijk is aan het maximumsalaris van de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de vrijwillige VWNW-kandidaat vervulde functie.

  • 3 Bij plaatsing van de VWNW-kandidaat in een functie waarvan de salarisschaal lager is dan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie, heeft betrokkene gedurende twee jaar recht op VWNW-begeleiding, gericht op de plaatsing in een functie met dezelfde salarisschaal als de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie.

  • 4 Indien de VWNW-kandidaat daarmee instemt, kan het bevoegd gezag afwijken van het eerste tot en met het derde lid.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

De terugwerkende kracht betreft het artikel met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c.

Artikel 49dd. Na de derde periode van het begeleidingstraject

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Indien de vrijwillige VWNW-kandidaat na afloop van de derde periode van het begeleidingstraject niet geplaatst is in een andere functie, vervalt zijn status als vrijwillige VWNW-kandidaat en vervalt zijn aanspraak op het begeleidingstraject en op de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

  • 2 Indien de verplichte VWNW-kandidaat na afloop van de derde periode van het begeleidingstraject niet geplaatst is in een andere functie, wordt onder onafhankelijke professionele begeleiding een individueel vervolgtraject bepaald, dat in beginsel is gericht op de aanvaarding van een andere functie door de verplichte VWNW-kandidaat.

  • 3 Tijdens het vervolgtraject, bedoeld in het tweede lid, heeft de verplichte VWNW-kandidaat aanspraak op een nieuw begeleidingstraject en heeft hij aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat artikel 49cc, eerste lid, en 49gg, zesde en zevende lid niet van toepassing zijn.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

§ 3. Voorzieningen VWNW-kandidaten

Terugwerkende kracht

Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze paragraaf. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

De paragraaf is nieuw toegevoegd.

Artikel 49ee. Voorzieningen

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 2 Indien sprake is van een aanstelling in tijdelijke dienst geldt de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, gedurende maximaal de resterende periode van die aanstelling.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49ff. Bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Artikel 100a is van overeenkomstige toepassing op de VWNW-kandidaten met een aanstelling in vaste dienst.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49gg. Salarisgarantie en salarissuppletie

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Aan de VWNW-kandidaat wordt een salarisgarantie gedurende twee jaar toegekend indien hij een aangeboden functie aanvaardt waarvan de berekeningsbasis lager is dan de berekeningsbasis in de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie.

  • 2 Bij het bepalen van de hoogte van de salarisgarantie wordt bij een functie binnen de sector Rijk voor de berekeningsbasis uitgegaan van de som van het salaris op basis van artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Bij aanvaarding van een functie buiten de sector Rijk wordt voor de berekeningsbasis uitgegaan van de aldaar geldende vaste inkomensbestanddelen.

  • 3 Bij plaatsing in een functie binnen de sector Rijk wordt de salarisgarantie maandelijks uitgekeerd.

  • 4 Bij aanvaarding van een functie buiten de sector Rijk wordt de volledige aanspraak op de salarisgarantie eenmalig uitgekeerd.

  • 5 Na de periode van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, kan de VWNW-kandidaat jaarlijks suppletie op zijn salaris aanvragen, waarvan de hoogte wordt bepaald op grond van het tweede lid. De salarissuppletie wordt één maal per jaar uitbetaald en volgt de algemene salarisontwikkeling van de sector Rijk.

  • 6 De salarisgarantie en de salarissuppletie zijn ten hoogste gelijk aan het verschil tussen de berekeningsbasis in de laatstelijk vervulde functie en de berekeningsbasis van een functie die twee schalen lager is, met dien verstande dat indien voor de laatstelijk vervulde functie een lagere salarisschaal geldt dan die welke waarin de VWNW-kandidaat is ingedeeld, voor de berekeningsbasis uitgegaan wordt van de salarisschaal waarin de VWNW-kandidaat is ingedeeld.

  • 7 In afwijking van het zesde lid, zijn de salarisgarantie en de salarissuppletie gelijk aan het verschil tussen de berekeningsbasis in de oorspronkelijke functie en de berekeningsbasis in de nieuwe functie, indien de VWNW-kandidaat heeft ingestemd met een plaatsing in een functie waarvan de salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie.

  • 8 Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst kunnen nadere regels worden gesteld over de berekeningswijze van de salarisgarantie en de salarissuppletie en de wijze waarop de salarissuppletie aangevraagd wordt.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49hh. Duur en omvang van de aflopende toelage

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 In afwijking van artikel 18b, eerste en derde lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bedraagt de aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, voor VWNW-kandidaten gedurende het eerste en tweede jaar 100%, het derde jaar 75%, het vierde jaar 50% en het vijfde jaar 25% van de berekeningsbasis, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, indien zijn bezoldiging als gevolg van de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk een blijvende verlaging ondergaat.

  • 2 Bij de aanvaarding van een functie buiten de sector Rijk wordt de volledige aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, eenmalig uitgekeerd.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49ii. Vergoeding pensionkosten

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

In afwijking van artikel 12ba, tweede lid, en het bepaalde krachtens artikel 12bb van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 heeft de VWNW-kandidaat, die als gevolg van een wijziging van de plaats van tewerkstelling wordt verplaatst, gedurende twee jaar na verplaatsing recht op volledige vergoeding van de door het bevoegd gezag redelijk geachte pensionkosten.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49jj. Aflopende vergoeding extra reistijd

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Indien de reistijd van de VNWN-kandidaat voor woon-werkverkeer door een wijziging van de plaats van tewerkstelling met meer dan 15 minuten per enkele reis toeneemt, wordt deze extra reistijd, voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende twee jaar als werktijd aangemerkt.

  • 2 Gedurende het derde, vierde en vijfde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.

  • 3 Voor de VWNW-kandidaat die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename ten opzichte van de reistijd zoals die was voor de eerste wijziging.

  • 4 Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, vangt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw aan.

  • 5 De ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal de plaats van tewerkstelling wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid, vanaf de tweede wijziging.

  • 6 Voor de bepaling van de reistijd wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd, berekend met de ANWB-routeplanner.

  • 7 Bij de plaatsing in een functie binnen de sector Rijk kan het bevoegd gezag de werktijd, bedoeld in het eerste en tweede lid, vergelden tegen het voor de VWNW-kandidaat geldende salaris per uur direct voorafgaande aan de plaatsing in de nieuwe functie, indien de VWNW-kandidaat daarmee instemt.

  • 8 Bij de aanvaarding van een functie buiten de sector Rijk door de VWNW-kandidaat wordt de volledige omvang van de werktijd, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, eenmalig vergolden tegen het voor hem geldende salaris per uur direct voorafgaande aan het ontslag.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49kk. Duur en omvang van de tegemoetkoming extra reiskosten

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 In afwijking van artikel 12b1, derde lid, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 bedraagt de in het eerste en tweede lid van dat artikel bedoelde tegemoetkoming voor VWNW-kandidaten na plaatsing op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk, het eerste en tweede jaar 100%, het derde jaar 75%, het vierde jaar 50% en het vijfde jaar 25% van de tegemoetkoming.

  • 2 Bij de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten de sector Rijk wordt de volledige aanspraak op de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, eenmalig uitgekeerd.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49ll. Tegemoetkoming na voldoen aan verhuisplicht

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Aan de VWNW-kandidaat die in verband met zijn plaatsing in een functie in opdracht van het bevoegd gezag is verhuisd, wordt eenmalig een bedrag toegekend van € 11.637,69 ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten, indien de verhuizing plaatsvindt binnen twee jaar nadat de opdracht om te verhuizen is gegeven.

  • 2 In de gevallen waarin de VWNW-kandidaat en zijn echtgenoot beiden in aanmerking komen voor het bedrag bedoeld in het eerste lid ontvangt elk de helft daarvan.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49mm. Flexibel werken

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de VWNW-kandidaat desgewenst na plaatsing in een functie binnen de sector Rijk minimaal 20% van zijn werktijd flexibel kan werken indien het aanvaarden van die functie hierdoor wordt bevorderd, tenzij de aard van de werkzaamheden zich daartegen verzet. De flexibiliteit heeft betrekking op de werktijden en de plaats waar gewerkt wordt.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49nn. Voorziening bij niet passende functie binnen de sector Rijk

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Indien het bevoegd gezag binnen zes maanden na plaatsing in een functie binnen de sector Rijk besluit dat de VWNW-kandidaat is geplaatst in een functie die niet passend is, heeft betrokkene vanaf de dag dat hem dit besluit hem ter kennis is gebracht, aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat de perioden van het begeleidingstraject die voor de plaatsing in de nieuwe functie zijn doorlopen, in mindering worden gebracht op de periode van het nieuwe begeleidingstraject.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49oo. Voorziening bij verlies functie buiten de sector Rijk

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Een VWNW-kandiaat met een aanstelling in vaste dienst die buiten de sector Rijk een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft aanvaard en die buiten zijn schuld of toedoen binnen de eerste twaalf maanden daarvan wordt ontslagen, wordt ondersteund door zijn voormalig bevoegd gezag bij het vinden van ander werk.

  • 2 Een VWNW-kandidaat met een aanstelling in vaste dienst die buiten de sector Rijk een dienstverband voor bepaalde tijd heeft aanvaard met uitzicht op een dienstverband voor onbepaalde tijd en die buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen, wordt ondersteund door zijn voormalig bevoegd gezag bij het vinden van ander werk.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49pp. Proportionele ambtsjubileumgratificatie

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De VWNW-kandidaat heeft bij eervol ontslag aanspraak op een diensttijdgratificatie als bedoeld in artikel 79, tweede lid.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, en die aan een VWNW-onderzoek heeft deelgenomen.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49qq. Vrijstelling terugbetalingen

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, en die aan een VWNW-onderzoek heeft deelgenomen.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49rr. Voorrang bij vacatures

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

De verplichte VWNW-kandidaat heeft bij de vervulling van vacatures binnen de sector Rijk een voorrangspositie op andere ambtenaren, voor zover die geen voorrangspositie hebben.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49ss. Bijdrage pensioenopbouw

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Aan de verplichte VWNW-kandidaat die een functie aanvaardt bij een organisatie die niet is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds ABP en die aanspraak heeft op een voorwaardelijke pensioenaanspraak, kent het bevoegd gezag een bijdrage toe ter hoogte van die aanspraak. Tevens kan het bevoegd gezag de verplichte VWNW-kandidaat een aanvullende bijdrage toekennen voor het in de toekomst op te bouwen pensioen.

  • 2 Aan de vrijwillige VWNW-kandidaat die een functie aanvaardt bij een organisatie die niet is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds ABP, kan het bevoegd gezag een bijdrage toekennen voor de pensioenopbouw.

  • 3 De in het eerste en tweede lid bedoelde bijdrage wordt twee jaar na verlening van ontslag uitbetaald aan een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij, dan wel gestort op een rekening voor banksparen indien het bevoegd gezag daarmee instemt, voor zover de ambtenaar in die periode geen aanspraak heeft gemaakt op de in artikel 49ff bedoelde voorziening.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

§ 4. Individuele keuzes VWNW-kandidaten

Terugwerkende kracht

Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze paragraaf. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

De paragraaf is nieuw toegevoegd.

Artikel 49tt. Stimuleringspremie

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Aan de VWNW-kandidaat wordt op zijn aanvraag een stimuleringspremie bij ontslag toegekend, indien hij afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar die VWNW-kandidaat is geworden gedurende een vrijwillige fase in verband met een wijziging van de plaats van tewerkstelling zonder dat sprake is van een dreigende opheffing van functies of vermindering van uitwisselbare functies als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, onder b.

  • 3 De hoogte van de stimuleringspremie bedraagt één maandsalaris per rekenkundige maand, bedoeld in het vierde lid, vermenigvuldigd met de breuk waarvan de teller het aantal voor de VWNW-kandidaat resterende maanden voor het begeleidingstraject bedraagt en de noemer 18.

  • 5 Bij het vaststellen van de teller, bedoeld in het derde lid, wordt uitgegaan van de datum waarop de VWNW-kandidaat het ontslag wil laten ingaan waarbij tussen de aanvraag en de gewenste ontslagdatum de opzegtermijn ten minste een maand bedraagt, met dien verstande dat een maand opzegtermijn niet in mindering wordt gebracht op de resterende maanden van het begeleidingstraject in de teller.

  • 6 De stimuleringspremie bedraagt ten hoogste € 75.000. Indien de som van twaalf maandsalarissen verhoogd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering van de VWNW-kandidaat hoger is dan € 75.000, bedraagt de stimuleringspremie maximaal twaalf maandsalarissen verhoogd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

  • 7 De stimuleringspremie wordt terugbetaald indien:

    • a. de voormalige VWNW-kandidaat terugkeert naar een functie binnen de sector Rijk binnen het aantal maanden van zijn volgens het vierde lid vastgestelde rekenkundige periode van VWNW-begeleiding, of

    • b. de voormalige VWNW-kandidaat vanwege ontslag op zijn aanvraag een werkloosheidsuitkering wordt toegekend ten laste van het bevoegd gezag.

  • 8 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over het aan de VWNW-kandidaat verlenen van buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging voorgaand aan ontslag op aanvraag, indien de VWNW-kandidaat afziet van een stimuleringspremie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

§ 5. De rijksbrede commissie

Terugwerkende kracht

Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze paragraaf. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

De paragraaf is nieuw toegevoegd.

Artikel 49uu. Rijksbrede commissie

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Er is een rijksbrede commissie VWNW-beleid.

  • 2 De commissie, bedoeld in het eerste lid, heeft tot taak:

    • a. op verzoek van het bevoegd gezag of op verzoek van de ambtenaar die het betreft het bevoegd gezag te adviseren over het advies naar aanleiding van een VWNW-onderzoek nadat een nieuw advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 49x, achtste lid,

    • b. het bevoegd gezag te adviseren over de te nemen beslissing op een bezwaarschrift tegen een besluit als bedoeld in artikel 49y, vijfde lid, inzake toekenning van faciliteiten in het VWNW-plan,

    • c. het bevoegd gezag te adviseren over de te nemen beslissing op een bezwaarschrift tegen een besluit als bedoeld in artikel 49bb, zevende lid, om een periode van het begeleidingstraject niet te verlengen,

    • d. het bevoegd gezag te adviseren over de afhandeling van een klacht over gedragingen van het bevoegd gezag in het kader van het VWNW-begeleidingstraject,

    • e. op verzoek van het bevoegd gezag of op verzoek van de verplichte VWNW-kandidaat die het betreft het bevoegd gezag te adviseren over een geschil over een voorgenomen besluit inzake het vervolgtraject, bedoeld in artikel 49dd, tweede lid.

  • 3 De commissie spant zich in haar advies uiterlijk vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het tweede lid, onder a of e, uit te brengen.

  • 4 Het bevoegd gezag kan van het advies, bedoeld in het tweede lid, onder a of e, slechts gemotiveerd afwijken.

  • 5 De commissie brengt jaarlijks verslag uit van haar werkzaamheden aan het overleg van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

  • 6 Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden regels gesteld met betrekking tot de benoeming van de leden en de werkwijze van de commissie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

§ 6. Slotbepalingen

Terugwerkende kracht

Voor deze paragraaf is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze paragraaf. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

De paragraaf is nieuw toegevoegd.

Artikel 49vv. Outsourcing

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Indien een onderdeel van de sector Rijk wordt geprivatiseerd of verzelfstandigd dan wel de werkzaamheden van dat onderdeel worden uitbesteed of overgedragen aan andere overheden buiten de sector Rijk, wordt een sociaal plan opgesteld.

  • 2 De betrokken ambtenaren gaan overeenkomstig het bepaalde in het sociaal plan over naar de private onderneming, het zelfstandig bestuursorgaan of de andere overheden buiten de sector Rijk. Aan hen wordt eervol ontslag verleend.

  • 3 De betrokken ambtenaar die op basis van het sociaal plan niet kan overgaan naar de private onderneming, het zelfstandig bestuursorgaan of de andere overheden buiten de sector Rijk, wordt verplichte VWNW-kandidaat.

  • 4 In afwijking van het tweede lid, kan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd of de ambtenaar die is aangesteld in vaste dienst, op zijn aanvraag voor de duur van maximaal achttien maanden in dienst blijven. Bij de overgang naar een bij de Stichting Pensioenfonds ABP aangesloten organisatie kan betrokkene maximaal twaalf maanden in dienst blijven. De ambtenaar in vaste dienst wordt eervol ontslag verleend indien hij gedurende deze periode niet kan worden geplaatst in een andere functie.

  • 5 Tijdens de periode, bedoeld in het vierde lid, heeft de ambtenaar aanspraak op het begeleidingtraject en de voorzieningen bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49ww. Geen ontslag bij reorganisatie

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

De artikelen 96 en 96a zijn niet van toepassing op de VWNW-kandidaat.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49xx. Remplaçantenregeling

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Het bevoegd gezag kan de aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit hoofdstuk toekennen aan andere ambtenaren voor zover daarmee de plaatsing van een VWNW-kandidaat wordt gerealiseerd of hiermee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een taakstelling.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49yy. Voorzieningen voor herplaatsingskandidaten

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2012 tot en met 14 april 2013 is aangewezen als herplaatsingskandidaat kan voor 1 juli 2013 aan het bevoegd gezag kenbaar maken dat hij als verplichte VWNW-kandidaat gebruik gaat maken van het begeleidingstraject en de voorzieningen bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

  • 2 Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, voor 1 juli 2013 aan het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt als verplichte VWNW-kandidaat gebruik te gaan maken van het begeleidingstraject en de voorzieningen bedoeld in paragraaf 3, worden de resterende maanden van de periode, bedoeld in artikel 49g, eerste lid, omgezet in een periode voor een begeleidingstraject van dezelfde omvang. Zo nodig wordt voor het begeleidingstraject een VWNW-plan opgesteld.

  • 3 De ambtenaar die met toepassing van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012 als herplaatsingskandidaat is aangewezen, kan de resterende maanden van zijn herplaatsingstermijn vergelden in een stimuleringspremie bij ontslag op zijn aanvraag. Artikel 49tt is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in aanmerking te nemen noemer dertig bedraagt.

  • 4 Hoofdstuk VII blijft van toepassing op de ambtenaar die:

    • a. voor 15 april 2013 is aangewezen als herplaatsingskandidaat en die geen gebruik maakt van het begeleidingstraject en de voorzieningen bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, of

    • b. met toepassing van het Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012 als herplaatsingskandidaat is aangewezen, en de resterende maanden van zijn herplaatsingstermijn niet vergeldt in een stimuleringspremie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49zz. Voorzieningen andere ambtenaren

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

De artikelen 49jj, eerste tot en met het zevende lid, 49kk, eerste lid, en artikel 49ll zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar van wie de plaats van tewerkstelling wijzigt vanwege een wijziging van de locatie van zijn organisatie.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Artikel 49aaa. Hardheidsclausule

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.

Het bevoegd gezag kan afwijken van de bepalingen in dit hoofdstuk voor zover toepassing gelet op het belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de ambtenaar.

Terugwerkende kracht

Stb. 2013, 540, datum inwerkingtreding 18-12-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 15-04-2013.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Hoofdstuk VIIa. Overige rechten en verplichtingen van den ambtenaar

Artikel 50

  • 1 De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

  • 2 Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven.

  • 3 Het is de ambtenaar verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze Minister-President vergunning is verleend.

Artikel 51

  • 1 De ambtenaar is verplicht een eed of een belofte af te leggen.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt het formulier vastgesteld dat wordt gebruikt voor het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.

Artikel 52

Ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht den ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordeelen onthouden of nadeelen toegebracht.

Artikel 54

Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zoo tijdig mogelijk mededeeling te doen, ten einde vertraging of hinder in den dienst zooveel doenlijk te voorkomen.

Artikel 55

  • 1 De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen of waartoe zijn standplaats behoort, indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie.

  • 2 De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.