Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM), Rome, 25-03-1957

Geraadpleegd op 14-06-2024. Gebruikte datum 'geldig op' 12-06-2006 en zichtdatum 12-06-2006.
Geldend van 01-01-2005 t/m 31-12-2006

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM)

Authentiek : NL

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom)

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Beseffende, dat de kernenergie de voornaamste hulpbron vormt welke de ontwikkeling en de vernieuwing van de produktie zal verzekeren en de vooruitgang van de werken des vredes mogelijk zal maken,

Overtuigd, dat alleen een onverwijlde gemeenschappelijke inspanning de belofte inhoudt van een verwezenlijking die beantwoordt aan het scheppingsvermogen van hun landen,

Vastbesloten, de voorwaarden te scheppen tot ontwikkeling van een krachtige industrie op het gebied van de kernenergie als bron van ruime energievoorraden en van een modernisering der techniek, alsook van talrijke andere toepassingen welke zullen bijdragen tot het welzijn van hun volkeren,

Verlangende, veiligheidsvoorwaarden te scheppen, waardoor de gevaren voor het leven en de gezondheid van de bevolking worden afgewend,

Geleid door de wens, andere landen te betrekken in hun arbeid en samen te werken met de internationale organisaties die zich toeleggen op de vreedzame ontwikkeling van de atoomenergie,

Hebben besloten een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op te richten, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

de Heer PAUL-HENRI SPAAK, Minister van Buitenlandse Zaken;

J.CH. BARON SNOY ET D’OPPUERS, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken, Voorzitter van de Belgische delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie.

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Dr. KONRAD ADENAUER, Bondskanselier;

Prof. Dr. WALTER HALLSTEIN, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

De President van de Franse Republiek:

de Heer CHRISTIAN PINEAU, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer MAURICE FAURE, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

De President van de Italiaanse Republiek:

de Heer ANTONIO SEGNI, Voorzitter van de Raad van Ministers;

Prof. GAETANO MARTINO, Minister van Buitenlandse Zaken.

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:

de Heer JOSEPH BECH, Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer LAMBERT SCHAUS, Ambassadeur, Voorzitter van de Luxemburgse delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie.

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

de Heer JOSEPH LUNS, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer J. LINTHORST HOMAN, Voorzitter van de Nederlandse delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie;

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

EERSTE TITEL. TAKEN VAN DE GEMEENSCHAP

Artikel 1

De Hoge Verdragsluitende Partijen richten bij dit Verdrag tezamen een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op.

De Gemeenschap heeft tot taak, door het scheppen van de voorwaarden noodzakelijk voor de snelle totstandkoming en groei van de industrie op het gebied van de kernenergie, bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard in de Lid-Staten en de ontwikkeling van de betrekkingen met andere landen.

Artikel 2

Voor de vervulling van haar taak moet de Gemeenschap onder de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden:

  • a) het onderzoek ontwikkelen en zorgen voor de verspreiding van technische kennis,

  • b) uniforme veiligheidsnormen vaststellen voor de gezondheidsbescherming van de bevolking en de werknemers en ervoor waken dat deze worden toegepast,

  • c) de investeringen vergemakkelijken en, met name door aanmoediging van het initiatief van de ondernemingen, zorgen voor de verwezenlijking van de fundamentele installaties die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie in de Gemeenschap,

  • d) waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap,

  • e) door passende controle waarborgen, dat de kernmaterialen niet voor andere doeleinden worden aangewend dan waarvoor zij bestemd zijn,

  • f) het eigendomsrecht uitoefenen dat haar wordt toegekend op de bijzondere splijtstoffen,

  • g) zorgen voor ruime afzetmogelijkheden en voor de beschikking over de beste technische middelen door het instellen van een gemeenschappelijke markt voor speciale goederen en uitrusting, door het vrije kapitaalverkeer voor investeringen op het gebied van de kernenergie en door vrije werkgelegenheid voor specialisten binnen de Gemeenschap,

  • h) met andere landen en met internationale organisaties alle betrekkingen tot stand brengen, welke de vooruitgang in het vreedzame gebruik van de kernenergie kunnen bevorderen.

Artikel 3

  • 1 De vervulling van de aan de Gemeenschap opgedragen taken wordt verzekerd door:

    • - een EUROPEES PARLEMENT,

    • - een RAAD,

    • - een COMMISSIE,

    • - een HOF VAN JUSTITIE,

    • - een REKENKAMER.

      Iedere Instelling handelt binnen de grenzen van de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden.

  • 2 De Raad en de Commissie worden bijgestaan door een Economisch en Sociaal Comité met raadgevende taak.

TWEEDE TITEL. BEPALINGEN TER BEVORDERING VAN DE VOORUITGANG OP HET GEBIED VAN DE KERNENERGIE

HOOFDSTUK I. Ontwikkeling van het onderzoek

Artikel 4

  • 1 De Commissie is er mede belast het onderzoek op het gebied van de kernenergie in de Lid-Staten te bevorderen en te vergemakkelijken en het aan te vullen door het ten uitvoer brengen van het onderzoek- en onderwijsprogramma van de Gemeenschap.

  • 2 In deze aangelegenheid is de Commissie werkzaam op het gebied, dat is bepaald in de lijst die als bijlage I aan dit Verdrag is gehecht.

    Deze lijst kan door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie, die het in artikel 134 genoemde Wetenschappelijk en Technisch Comité raadpleegt.

Artikel 5

Ten einde de coördinatie van de in de Lid-Staten ondernomen onderzoekingen te bevorderen en om deze te kunnen aanvullen, nodigt de Commissie, hetzij door een aan een bepaalde geadresseerde gericht speciaal verzoek dat ter kennis wordt gebracht van de Lid-Staat waaronder de geadresseerde ressorteert, hetzij door een openbaargemaakt algemeen verzoek, de Lid-Staten, personen of ondernemingen uit, haar hun programma’s met betrekking tot de onderzoekingen die zij in haar verzoek omschrijft, mede te delen.

De Commissie kan, na aan de betrokkenen alle gelegenheid tot het maken van opmerkingen te hebben verleend, een met redenen omkleed advies uitbrengen over elk van de programma’s welke haar worden medegedeeld. Op verzoek van de Staat, van de persoon of van de onderneming die het programma heeft medegedeeld, is de Commissie gehouden een dergelijk advies uit te brengen.

Door deze adviezen raadt de Commissie nutteloos dubbel werk af en richt het onderzoek op de onvoldoende bestudeerde sectoren. De Commissie kan de programma’s niet publiceren zonder toestemming van de Staten, personen of ondernemingen die deze hebben medegedeeld.

De Commissie publiceert op gezette tijden een lijst van de sectoren van het onderzoek op het gebied van de kernenergie, die zij onvoldoende bestudeerd acht.

Ten einde te geraken tot wederzijds overleg en tot uitwisseling van inlichtingen kan de Commissie de vertegenwoordigers van de openbare en particuliere onderzoekcentra bijeenroepen, alsmede alle deskundigen die onderzoek verrichten op dezelfde of aanverwante gebieden.

Artikel 6

Ter bevordering van de uitvoering van de haar medegedeelde onderzoekprogramma’s kan de Commissie:

  • a) in het raam van onderzoekcontracten financiële bijstand verlenen met uitsluiting van subsidies;

  • b) al of niet tegen vergoeding de voor de uitvoering van deze programma’s nodige grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, waarover zij beschikt, verstrekken;

  • c) al of niet tegen vergoeding installaties, uitrustingen of bijstand van deskundigen ter beschikking stellen van de Lid-Staten, personen of ondernemingen;

  • d) een gemeenschappelijke financiering door de betrokken Lid-Staten, personen of ondernemingen bewerkstelligen.

Artikel 7

Met eenparigheid van stemmen stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, welke het Wetenschappelijk en Technisch Comité raadpleegt, de onderzoek- en onderwijsprogramma’s van de Gemeenschap vast.

Deze programma’s worden opgesteld voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

De geldmiddelen nodig voor de uitvoering van die programma’s worden ieder jaar op de begroting voor onderzoek en investeringen van de Gemeenschap opgevoerd.

De Commissie zorgt voor de uitvoering van de programma’s en legt daaromtrent ieder jaar een verslag voor aan de Raad.

De Commissie houdt het Economisch en Sociaal Comité op de hoogte van de grote lijnen van de onderzoek- en onderwijsprogramma’s van de Gemeenschap.

Artikel 8

  • 1 Na raadpleging van het Wetenschappelijk en Technisch Comité richt de Commissie een Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie op.

    Het Centrum draagt zorg voor de uitvoering van de onderzoekprogramma’s en van de overige taken, welke de Commissie aan het Centrum toevertrouwt.

    Daarenboven zorgt het Centrum voor het vaststellen van een uniforme terminologie op het gebied van de kernenergie en voor één ijkstelsel.

    Het richt een centraal bureau op voor metingen op het gebied van de kernenergie.

  • 2 De werkzaamheden van het Centrum kunnen om geografische of organisatorische redenen in afzonderlijke inrichtingen worden verricht.

Artikel 9

  • 1 Na advies van het Economisch en Sociaal Comité te hebben ingewonnen, kan de Commissie, in het kader van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie, scholen stichten voor de opleiding van specialisten, met name op het gebied van de opsporing van delfstoffen, de produktie van kernmateriaal van grote zuiverheid, de behandeling van bestraalde splijtstoffen, de techniek van de kernenergie, de bescherming van de gezondheid, de vervaardiging en het gebruik van radioactieve isotopen.

    De Commissie regelt de wijze waarop het onderwijs wordt ingericht.

  • 2 Een instelling op universitair niveau wordt opgericht, waarvan de werkwijze door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zal worden bepaald.

Artikel 10

De Commissie kan bij contract de uitvoering van bepaalde delen van het onderzoekprogramma van de Gemeenschap toevertrouwen aan Lid-Staten, personen of ondernemingen, alsmede aan derde Staten, aan internationale organisaties of aan onderdanen van derde Staten.

Artikel 11

De Commissie publiceert de in de artikelen 7, 8 en 10 bedoelde onderzoekprogramma’s, alsmede periodieke verslagen over de stand van de uitvoering daarvan.

HOOFDSTUK II. Verspreiding van kennis

Afdeling I. - Kennis waarover de Gemeenschap beschikt

Artikel 12

De Lid-Staten, personen en ondernemingen hebben op hun tot de Commissie gericht verzoek het recht, niet-uitsluitende licenties op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, die eigendom der Gemeenschap zijn, te verkrijgen, voor zover zij in staat zijn de desbetreffende uitvindingen daadwerkelijk te exploiteren.

De Commissie moet onder dezelfde voorwaarden sub-licenties verlenen op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, wanneer de Gemeenschap krachtens een licentie-overeenkomst daartoe de bevoegdheid heeft.

Op voorwaarden, welke in onderlinge overeenstemming met de gegadigden worden vastgesteld, verleent de Commissie die licenties of sub-licenties en deelt zij alle voor de exploitatie daarvan noodzakelijke kennis mede. Die voorwaarden hebben met name betrekking op een passende vergoeding en eventueel op de bevoegdheid, toe te kennen aan de gegadigde, om aan derden sublicenties te verlenen evenals op de verplichting de medegedeelde kennis als fabrieksgeheim te behandelen.

Bij gebreke van overeenstemming over de vaststelling van de in de derde alinea bedoelde voorwaarden, kunnen de gegadigden zich wenden tot het Hof van Justitie, ten einde passende voorwaarden te doen vaststellen.

Artikel 13

De Commissie moet aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen mededeling doen van door de Gemeenschap verkregen kennis, welke niet onder de bepalingen van artikel 12 valt, onverschillig of deze voortvloeit uit de uitvoering van haar onderzoekprogramma dan wel aan haar is medegedeeld met de bevoegdheid er vrijelijk over te beschikken.

De Commissie kan echter aan mededeling van deze kennis de voorwaarden verbinden, dat zij als vertrouwelijk moet worden beschouwd en niet aan derden mag worden doorgegeven.

De Commissie kan kennis welke zij heeft verkregen onder beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik en de verspreiding daarvan - zoals de zogenaamde geclassificeerde kennis - slechts mededelen indien zij de naleving van die voorwaarden waarborgt.

Afdeling II. - Andere kennis

a). Verspreiding langs minnelijke weg

Artikel 14

De Commissie beijvert zich langs minnelijke weg mededeling te verkrijgen of te doen verkrijgen van kennis, die van nut is voor het bereiken der doelstellingen van de Gemeenschap, en verlening van tot exploitatie strekkende licenties op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, die deze kennis tot onderwerp hebben.

Artikel 15

De Commissie stelt een procedure vast, volgens welke de Lid-Staten, personen en ondernemingen, door haar bemiddeling, de voorlopige of uiteindelijke resultaten van hun onderzoekingen kunnen uitwisselen, voor zover het niet betreft resultaten door de Gemeenschap verkregen krachtens door de Commissie verstrekte opdrachten tot onderzoek.

Deze procedure moet de vertrouwelijke aard van de uitwisseling waarborgen. De medegedeelde resultaten kunnen echter door de Commissie worden doorgegeven aan het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie voor documentatiedoeleinden, zonder dat dit doorgeven een gebruiksrecht tot gevolg heeft, waartoe hij, die de mededeling deed, geen toestemming heeft gegeven.

b). Ambtshalve mededeling aan de Commissie

Artikel 16

  • 1 Zodra een aanvrage om octrooi of om een gebruiksmodel waarvan het onderwerp valt binnen het specifiek kernenergetische terrein, bij een Lid-Staat wordt ingediend, vraagt deze Staat toestemming aan de aanvrager om de inhoud der aanvrage onmiddellijk aan de Commissie mede te delen.

    Stemt de aanvrager daarin toe, dan wordt deze mededeling binnen drie maanden na indiening van de aanvrage gedaan. Bij gebreke van toestemming van de aanvrager geeft de Lid-Staat binnen dezelfde termijn van het bestaan der aanvrage kennis aan de Commissie.

    De Commissie kan van de Lid-Staat mededeling verzoeken van de inhoud van een aanvrage, van het bestaan waarvan haar kennis is gegeven.

    De Commissie dient haar verzoek in binnen twee maanden na de kennisgeving. Iedere verlenging van deze termijn heeft tot gevolg een gelijke verlenging van de termijn gesteld in de zesde alinea.

    De Lid-Staat, die het verzoek van de Commissie ontvangt, is gehouden wederom toestemming aan de aanvrager te verzoeken om de inhoud van de aanvrage mede te delen. In geval van toestemming wordt deze mededeling zonder verwijl gedaan.

    Bij gebreke van toestemming van de aanvrager is de Lid-Staat niettemin gehouden deze mededeling aan de Commissie te doen, achttien maanden na indiening van de aanvrage.

  • 2 De Lid-Staten zijn gehouden binnen achttien maanden na de indiening aan de Commissie mededeling te doen van het bestaan van elke aanvrage om octrooi of om een gebruiksmodel, welke nog niet is bekendgemaakt en waarvan zij na een eerste onderzoek menen, dat zij betrekking heeft op een onderwerp, dat zonder dat het binnen het specifiek kernenergetisch terrein valt, niettemin rechtstreeks verband houdt met en van overwegend belang is voor de ontwikkeling van de kernenergie binnen de Gemeenschap.

    Op verzoek van de Commissie wordt haar de inhoud daarvan binnen twee maanden medegedeeld.

  • 3 De Lid-Staten zijn gehouden de duur van de procedure betreffende aanvragen om octrooi of om gebruiksmodellen, welke betrekking hebben op de in leden 1 en 2 bedoelde onderwerpen en ten aanzien waarvan de Commissie een verzoek heeft ingediend, zoveel mogelijk te verkorten, opdat de bekendmaking binnen de kortst mogelijke termijn kan geschieden.

  • 4 Bovengenoemde mededelingen moeten door de Commissie als vertrouwelijk worden beschouwd. Zij kunnen slechts worden gedaan voor documentatiedoeleinden. De Commissie kan de medegedeelde uitvindingen evenwel toepassen met toestemming van de aanvrager of overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 23.

  • 5 De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer een met een derde Staat of met een internationale organisatie gesloten akkoord zich tegen mededeling verzet.

c). Licentieverlening bij wege van arbitrage of ambtshalve

Artikel 17

  • 1 Bij gebreke van een minnelijke schikking kunnen niet-uitsluitende licenties worden verleend bij wege van arbitrage of ambtshalve, volgens de bepalingen van de artikelen 18 tot en met 23:

    • a) aan de Gemeenschap of aan de Gemeenschappelijke Ondernemingen waaraan dit recht krachtens artikel 48 is toegekend op de octrooien, op de voorlopig bescherminggevende rechten of op de gebruiksmodellen, betreffende uitvindingen welke rechtstreeks verband houden met onderzoekingen op het gebied van de kernenergie, voor zover het verlenen van die licenties noodzakelijk is voor het uitvoeren van hun eigen onderzoekingen of onontbeerlijk is voor het functioneren van hun installaties.

      Op verzoek van de Commissie houden deze licenties de bevoegdheid in, derden te machtigen de uitvinding toe te passen voor zover zij werkzaamheden of bestellingen uitvoeren voor rekening van de Gemeenschap of van de Gemeenschappelijke Ondernemingen;

    • b) aan personen of ondernemingen, die daartoe een verzoek hebben gericht tot de Commissie, op octrooien, op voorlopig bescherminggevende rechten of op gebruiksmodellen, betreffende een uitvinding welke rechtstreeks verband houdt met en van overwegend belang is voor de ontwikkeling van de kernenergie binnen de Gemeenschap, voor zover aan alle hieronder volgende voorwaarden is voldaan:

      • i) ten minste vier jaren zijn verlopen sedert de indiening van de aanvrage om octrooi, behoudens wanneer het een uitvinding betreft, welke betrekking heeft op een onderwerp, dat binnen het specifiek kernenergetische terrein valt;

      • ii) in de behoeften, welke voortvloeien uit de ontwikkeling van de kernenergie binnen het grondgebied van een Lid-Staat, waar een uitvinding wordt beschermd, zoals de Commissie deze ontwikkeling opvat, niet wordt voorzien voor wat deze uitvinding betreft;

      • iii) een verzoek is gedaan aan de octrooihouder om zelf of door zijn licentiehouders in die behoeften te voorzien, doch door hem aan dat verzoek geen gevolg is gegeven;

      • iv) de gegadigde personen of ondernemingen in staat zijn daadwerkelijk door hun exploitatie in die behoeften te voorzien.

    Zonder voorafgaand verzoek van de Commissie kunnen de Lid-Staten, om in die zelfde behoeften te voorzien, geen enkele in hun nationale wetgeving opgenomen dwangmaatregel nemen, die beperking van de bescherming van de uitvinding tot gevolg heeft.

  • 2 De verlening van een niet-uitsluitende licentie onder de in het vorige lid bedoelde voorwaarden kan niet geschieden, indien de octrooihouder het bestaan van een wettige reden aantoont en met name de omstandigheid dat hij niet over een voldoende termijn heeft beschikt.

  • 3 De verlening van een licentie krachtens lid 1 geeft recht op een volledige vergoeding, waarvan het bedrag moet worden overeengekomen tussen de houder van het octrooi, van het voorlopig bescherminggevende recht of van het gebruiksmodel en de licentiehouder.

  • 4 De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Unieverdrag van Parijs tot de bescherming van de industriële eigendom.

Artikel 18

Voor de in deze afdeling gestelde doeleinden wordt een Arbitrage-Commissie ingesteld, waarvan de leden worden benoemd en waarvan het reglement wordt vastgesteld door de Raad, op voorstel van het Hof van Justitie.

Binnen een maand na de kennisgeving staat tegen de beslissingen van de Arbitrage-Commissie voor partijen beroep met schorsende werking open bij het Hof van Justitie. Het onderzoek van het Hof van Justitie kan slechts betrekking hebben op de formele regelmatigheid van de beslissing en op de door de Arbitrage-Commissie aan de bepalingen van dit Verdrag gegeven uitlegging.

De eindbeslissingen van de Arbitrage-Commissie hebben voor de betrokken partijen kracht van gewijsde. Zij zijn uitvoerbaar onder de in artikel 164 gestelde voorwaarden.

Artikel 19

Wanneer, bij gebreke van een minnelijke schikking, de Commissie in een geval als bedoeld in artikel 17 verlening van licenties wenst te verkrijgen, geeft zij daarvan bericht aan de houder van het octrooi, het voorlopig bescherminggevende recht, het gebruiksmodel of de octrooi-aanvrage onder gelijktijdige vermelding van de gegadigde en de omvang van de licentie.

Artikel 20

De houder kan binnen een maand na ontvangst van het in artikel 19 genoemde bericht, aan de Commissie en in voorkomende gevallen aan de gegadigde derde, voorstellen een compromis te sluiten met het doel, zich tot de Arbitrage-Commissie te wenden.

Indien de Commissie of de gegadigde derde weigert een compromis te sluiten, kan de Commissie de Lid-Staat of zijn bevoegde instanties niet verzoeken de licentie te verlenen of te doen verlenen.

Indien de Arbitrage-Commissie, waaraan het geschil krachtens het compromis is voorgelegd, erkent dat het verzoek van de Commissie in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 17, doet zij een met redenen omklede uitspraak, die verlening van de licentie aan de gegadigde medebrengt en waarbij de voorwaarden en vergoeding voor deze licentie worden vastgesteld, voor zover partijen daaromtrent niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Artikel 21

Wanneer de houder niet voorstelt het geschil aan de Arbitrage-Commissie voor te leggen, kan de Commissie de betrokken Lid-Staat of zijn bevoegde instanties verzoeken de licentie te verlenen of te doen verlenen.

Indien de Lid-Staat of zijn bevoegde instanties, de houder gehoord, van mening zijn dat niet is voldaan aan de in artikel 17 gestelde voorwaarden, geeft de Lid-Staat aan de Commissie kennis van zijn weigering de licentie te verlenen of te doen verlenen.

Indien hij weigert de licentie te verlenen of te doen verlenen of binnen vier maanden na het verzoek geen toelichting verstrekt ten aanzien van het verlenen van de licentie, kan de Commissie zich binnen twee maanden tot het Hof van Justitie wenden.

De houder moet worden gehoord in het geding voor het Hof van Justitie.

Indien het arrest van het Hof van Justitie vaststelt, dat aan de in artikel 17 gestelde voorwaarden is voldaan, zijn de betrokken Lid-Staat of zijn bevoegde instanties gehouden de nodige maatregelen te nemen om dit arrest ten uitvoer te leggen.

Artikel 22

  • 1 Bij gebreke van overeenstemming over het bedrag der vergoeding tussen de houder van het octrooi, van het voorlopig bescherminggevende recht of van het gebruiksmodel en de licentiehouder, kunnen de betrokkenen een compromis sluiten met het doel zich tot de Arbitrage-Commissie te wenden.

    Partijen zien hierdoor af van elk beroep, met uitzondering van dat bedoeld in artikel 18.

  • 2 Indien de licentiehouder weigert een compromis te sluiten, wordt de hem verleende licentie nietig geacht.

    Indien de houder van het octrooi, van het voorlopig bescherminggevende recht of van het gebruiksmodel weigert een compromis te sluiten, wordt de in dit artikel bedoelde vergoeding door de bevoegde nationale instanties vastgesteld.

Artikel 23

De beslissingen van de Arbitrage-Commissie of van de bevoegde nationale instanties kunnen, wat de licentievoorwaarden betreft, na één jaar worden herzien, voor zover nieuwe feiten dit rechtvaardigen.

De herziening dient te geschieden door de instantie waarvan de beslissing uitgaat.

Afdeling III. - Bepalingen betreffende de geheimhouding

Artikel 24

De kennis, welke de Gemeenschap dank zij de uitvoering van haar onderzoekprogramma heeft verkregen en waarvan de openbaarmaking de defensiebelangen van een of meer Lid-Staten zou kunnen schaden, wordt onderworpen aan een stelsel van geheimhouding volgens de volgende bepalingen:

  • 1. Een beveiligingsverordening, die wordt aangenomen door de Raad op voorstel van de Commissie, stelt, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, de verschillende toepasselijke stelsels van geheimhouding en de voor elk daarvan te nemen beveiligingsmaatregelen vast.

  • 2. De Commissie moet de kennis, waarvan de openbaarmaking naar haar oordeel de defensiebelangen van een of meer Lid-Staten zou kunnen schaden, voorlopig onderwerpen aan het daarvoor in de beveiligingsverordening voorgeschreven stelsel van geheimhouding.

    Zij deelt deze kennis onmiddellijk mede aan de Lid-Staten, die verplicht zijn voorlopig de geheimhouding daarvan te waarborgen onder dezelfde voorwaarden.

    Binnen drie maanden doen de Lid-Staten aan de Commissie weten of zij het voorlopig toegepaste stelsel wensen te handhaven, het door een ander stelsel wensen te vervangen of de geheimhouding wensen op te heffen.

    Na het verstrijken van deze termijn wordt het strengste van de aldus gevraagde stelsels toegepast. De Commissie geeft hiervan kennis aan de Lid-Staten.

    Op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat kan de Raad met eenparigheid van stemmen te allen tijde een ander stelsel toepassen of de geheimhouding opheffen. De Raad wint het advies van de Commissie in alvorens zich uit te spreken over het verzoek van een Lid-Staat.

  • 3. De bepalingen van de artikelen 12 en 13 zijn niet van toepassing op de kennis die aan een stelsel van geheimhouding is onderworpen.

    Echter, onder voorbehoud dat de toepasselijke beveiligingsmaatregelen in acht genomen worden,

    • a) kan de in de artikelen 12 en 13 bedoelde kennis door de Commissie worden medegedeeld:

      • i) aan een Gemeenschappelijke Onderneming,

      • ii) aan een persoon of een andere dan een Gemeenschappelijke Onderneming door bemiddeling van de Lid-Staat op welks grondgebied zij werkzaam zijn;

    • b) kan de in artikel 13 bedoelde kennis door een Lid-Staat worden medegedeeld aan een persoon of aan een andere dan een Gemeenschappelijke Onderneming, die werkzaam is op het grondgebied van die Staat, onder voorbehoud dat van deze mededeling aan de Commissie kennis wordt gegeven;

    • c) heeft elke Lid-Staat bovendien het recht, van de Commissie de verlening van een licentie overeenkomstig artikel 12 te eisen, voor zijn eigen behoeften of voor die van een persoon of onderneming, welke werkzaam zijn op het grondgebied van deze Staat.

Artikel 25

  • 1 De Lid-Staat, die mededeling doet van het bestaan of van de inhoud van een aanvrage om octrooi of om gebruiksmodel betreffende een in artikel 16, lid 1 of 2 bedoeld onderwerp, geeft in voorkomend geval kennis van de noodzaak deze aanvrage om defensieredenen te onderwerpen aan het stelsel van geheimhouding, dat deze Staat aanwijst onder vermelding van de vermoedelijke duur daarvan.

    De Commissie geeft aan de overige Lid-Staten alle mededelingen door welke zij krachtens de voorgaande alinea heeft verkregen. De Commissie en de Lid-Staten zijn gehouden de maatregelen, welke krachtens de bepalingen van de beveiligingsverordening voortvloeien uit het stelsel van geheimhouding, dat door de Staat van oorsprong wordt verlangd, in acht te nemen.

  • 2 De Commissie kan deze mededelingen eveneens doorgeven, hetzij aan de Gemeenschappelijke Ondernemingen hetzij, door bemiddeling van een Lid-Staat, aan een persoon of aan een andere dan een Gemeenschappelijke Onderneming, die werkzaam is op het grondgebied van die Staat.

    De uitvindingen waarop de in lid 1 bedoelde aanvragen betrekking hebben, kunnen niet dan met toestemming van de aanvrager of overeenkomstig de bepalingen der artikelen 17 tot en met 23 worden toegepast.

    De mededelingen en, in voorkomend geval, de toepassing bedoeld in dit lid zijn onderworpen aan de maatregelen, welke krachtens de beveiligingsverordening voortvloeien uit het door de Staat van oorsprong verlangde stelsel van geheimhouding.

    Zij behoeven in alle gevallen de toestemming van de Staat van oorsprong. Mededeling en toepassing kunnen slechts om defensieredenen worden geweigerd.

  • 3 Op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat kan de Raad, te allen tijde, met eenparigheid van stemmen een ander stelsel toepassen of de geheimhouding opheffen. De Raad wint het advies van de Commissie in, alvorens zich uit te spreken over het verzoek van een Lid-Staat.

Artikel 26

  • 1 Wanneer kennis welke het onderwerp is van octrooien, octrooi-aanvragen, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of aanvragen om gebruiksmodel aan geheimhouding wordt onderworpen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 24 en 25, kunnen de Staten die de toepassing van dit stelsel gevraagd hebben, niet weigeren hun toestemming te geven om overeenkomstige aanvragen in de overige Lid-Staten in te dienen.

    Elke Lid-Staat neemt de nodige maatregelen om de geheimhouding van dergelijke rechten en aanvragen te waarborgen volgens de procedure, voorgeschreven door de nationale wetten en bestuursrechtelijke bepalingen van die Staat.

  • 2 De overeenkomstig artikel 24 aan geheimhouding onderworpen kennis kan niet dan met algemene instemming van de Lid-Staten in aanmerking komen voor indiening van aanvragen buiten die Staten. Spreken die Staten zich niet uit, dan wordt deze instemming geacht verkregen te zijn, zes maanden na de datum waarop de Commissie deze kennis medegedeeld heeft aan de Lid-Staten.

Artikel 27

De vergoeding van de schade welke de aanvrager heeft geleden uit hoofde van de geheimverklaring om defensieredenen, is onderworpen aan de bepalingen van de nationale wetten der Lid-Staten en komt ten laste van de Staat die de geheimverklaring gevraagd heeft, of die hetzij de verzwaring of de verlenging van de geheimhouding, hetzij het verbod van indiening van aanvragen buiten de Gemeenschap uitgelokt heeft.

Wanneer meer Staten hetzij de verzwaring of de verlenging van de geheimhouding, hetzij het verbod tot indiening van aanvragen buiten de Gemeenschap hebben uitgelokt, zijn zij voor de uit hun verzoek voortvloeiende schade hoofdelijk aansprakelijk.

De Gemeenschap kan uit hoofde van dit artikel geen aanspraak maken op enige vergoeding.

Afdeling IV. - Bijzondere bepalingen

Artikel 28

Indien nog niet gepubliceerde aanvragen om octrooi of gebruiksmodel, of octrooien of gebruiksmodellen welke geheim gehouden worden om defensieredenen ten gevolge van een mededeling aan de Commissie onrechtmatig worden toegepast of ter kennis van een niet bevoegde derde komen, is de Gemeenschap gehouden de door de betrokkene geleden schade te vergoeden.

Onverminderd haar eigen rechten tegen de veroorzaker van de schade, treedt de Gemeenschap in de rechten op verhaal van belanghebbenden tegenover derden, voor zover zij de schade heeft vergoed. Het recht van de Gemeenschap om, overeenkomstig de van kracht zijnde algemene bepalingen, op te treden tegen de veroorzaker, blijft onverlet.

Artikel 29

Elk akkoord of contract, dat uitwisseling van wetenschappelijke of industriële kennis op het gebied van de kernenergie ten doel heeft tussen een Lid-Staat, een persoon of een onderneming enerzijds en een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat anderzijds, waarvoor van één van beide zijden de ondertekening door een Staat, handelende in de uitoefening van zijn soevereiniteit, vereist is, moet door de Commissie worden gesloten.

De Commissie kan echter een Lid-Staat, een persoon of een onderneming machtigen, onder door haar passend geachte voorwaarden, dergelijke akkoorden te sluiten onder voorbehoud, dat de bepalingen van de artikelen 103 en 104 worden toegepast.

HOOFDSTUK III. Bescherming van de gezondheid

Artikel 30

Voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden binnen de Gemeenschap basisnormen vastgesteld.

Onder basisnormen wordt verstaan:

  • a) de met voldoende veiligheid maximaal toelaatbare doses,

  • b) de maximaal toelaatbare bestraling en besmetting,

  • c) de grondbeginselen van het medisch toezicht op de werknemers.

Artikel 31

De basisnormen worden voorbereid door de Commissie, na advies van een groep personen, aangewezen door het Wetenschappelijk en Technisch Comité uit wetenschappelijke deskundigen van de Lid-Staten, met name uit de deskundigen op het gebied van de volksgezondheid. De Commissie vraagt over de aldus voorbereide basisnormen het advies van het Economisch en Sociaal Comité.

Na raadpleging van het Europees Parlement stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de basisnormen vast op voorstel van de Commissie, die hem de adviezen doorgeeft welke zij bij de Comités heeft ingewonnen.

Artikel 32

Op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat kunnen de basisnormen worden herzien of aangevuld volgens de in artikel 31 bepaalde procedure.

De Commissie moet ieder door een Lid-Staat ingediend verzoek in behandeling nemen.

Artikel 33

Elke Lid-Staat vaardigt passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uit om de vastgestelde basisnormen te doen naleven en neemt de nodige maatregelen met betrekking tot het onderwijs, de opvoeding en de beroepsopleiding.

De Commissie doet alle aanbevelingen om de te dien aanzien in de Lid-Staten toepasselijke bepalingen met elkander in overeenstemming te brengen.

Hiertoe moeten de Lid-Staten deze bepalingen, zoals zij van toepassing zijn bij de inwerkingtreding van dit Verdrag, alsmede de latere ontwerp-bepalingen van gelijke aard aan de Commissie mededelen.

De eventuele aanbevelingen van de Commissie, die betrekking hebben op de ontwerp-bepalingen, moeten worden gedaan binnen drie maanden na de mededeling van deze ontwerpen.

Artikel 34

Elke Lid-Staat op wiens grondgebied bijzonder gevaarlijke proefnemingen moeten plaatsvinden, is verplicht aanvullende maatregelen te treffen voor de bescherming van de gezondheid, omtrent welke hij vooraf het advies van de Commissie inwint.

De instemming van de Commissie is noodzakelijk, indien de gevolgen van deze proefnemingen zich kunnen doen gevoelen op het grondgebied van de andere Lid-Staten.

Artikel 35

Elke Lid-Staat richt de nodige installaties op, om een voortdurende controle uit te oefenen op de radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem, evenals om controle uit te oefenen op de inachtneming van de basisnormen.

De Commissie heeft toegang tot deze controle-installaties; zij kan de werking en de doeltreffendheid van deze installaties nagaan.

Artikel 36

De inlichtingen betreffende de in artikel 35 bedoelde controle worden door de bevoegde autoriteiten regelmatig aan de Commissie medegedeeld, ten einde deze op de hoogte te houden van de mate van radioactiviteit, die van invloed kan zijn op de bevolking.

Artikel 37

Iedere Lid-Staat is gehouden, aan de Commissie de algemene gegevens te verstrekken van elk plan voor de lozing van radioactieve afvalstoffen, in welke vorm ook, om vast te kunnen stellen of de uitvoering van dat plan een radioactieve besmetting van het water, de bodem of het luchtruim van een andere Lid-Staat tengevolge zou kunnen hebben.

De Commissie brengt, na raadpleging van de in artikel 31 bedoelde groep van deskundigen, binnen zes maanden haar advies uit.

Artikel 38

De Commissie richt tot de Lid-Staten alle aanbevelingen over de mate van radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem.

In spoedeisende gevallen stelt de Commissie een richtlijn vast, waarbij zij de betrokken Lid-Staat gelast, binnen een door haar gestelde termijn alle nodige maatregelen te treffen, om een overschrijding van de basisnormen te voorkomen en de naleving van de voorschriften te verzekeren.

Indien die Staat binnen de gestelde termijn de richtlijn van de Commissie niet volgt, kan deze of elke betrokken Lid-Staat, in afwijking van de artikelen 141 en 192, de zaak onmiddellijk bij het Hof van Justitie aanhangig maken.

Artikel 39

In het kader van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie richt de Commissie, zodra dit Centrum is gesticht, een afdeling op voor documentatie en studie van vraagstukken betreffende de bescherming van de volksgezondheid.

Deze afdeling heeft in het bijzonder de opdracht de in de artikelen 33, 36 en 37 bedoelde gegevens en inlichtingen te verzamelen en de Commissie bij de uitvoering van de haar in dit hoofdstuk opgedragen taak bij te staan.

HOOFDSTUK IV. Investeringen

Artikel 40

Ten einde het initiatief van personen en ondernemingen aan te wakkeren en een gecoördineerde ontwikkeling van hun investeringen op het gebied van de kernenergie te vergemakkelijken, publiceert de Commissie op gezette tijden programma’s van indicatieve aard, die met name betrekking hebben op doeleinden van de produktie van kernenergie en op de voor hun verwezenlijking nodige investeringen van welke aard ook.

Alvorens deze programma’s te publiceren, wint de Commissie het advies in van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 41

De personen en ondernemingen, die behoren tot de takken van industrie genoemd in bijlage II van dit Verdrag, zijn gehouden aan de Commissie mededeling te doen van de investeringsprojecten voor nieuwe installaties alsmede voor vervanging of verbouwing, welke naar aard en omvang beantwoorden aan de criteria door de Raad op voorstel van de Commissie vastgesteld.

De lijst der bovenbedoelde takken van industrie kan door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint.

Artikel 42

Van de in artikel 41 bedoelde projecten moet mededeling worden gedaan aan de Commissie en, ter informatie, aan de betrokken Lid-Staat en wel uiterlijk drie maanden vóór het afsluiten van de eerste contracten met de leveranciers of drie maanden vóór de aanvang der werkzaamheden, indien deze met eigen middelen van de onderneming moeten worden verricht.

De Raad kan op voorstel van de Commissie deze termijn wijzigen.

Artikel 43

De Commissie bespreekt met de personen of ondernemingen alle aspecten van de investeringsprojecten, welke in verband staan met de doelstellingen van dit Verdrag.

De Commissie deelt haar standpunt mede aan de betrokken Lid-Staat.

Artikel 44

De Commissie kan, met goedvinden van de betrokken Lid-Staten, personen en ondernemingen, de investeringsprojecten, die haar zijn medegedeeld, bekendmaken.

HOOFDSTUK V. Gemeenschappelijke Ondernemingen

Artikel 45

Ondernemingen welke van fundamenteel belang zijn voor de ontwikkeling van de industrie op het gebied van de kernenergie binnen de Gemeenschap, kunnen worden opgericht als Gemeenschappelijke Ondernemingen in de zin van dit Verdrag, overeenkomstig de bepalingen van de hiernavolgende artikelen.

Artikel 46

  • 1 Elk project voor een Gemeenschappelijke Onderneming, dat uitgaat van de Commissie, van een Lid-Staat, of voortvloeit uit enig ander initiatief, wordt door de Commissie aan een onderzoek onderworpen.

    Hiertoe wint de Commissie het advies in van de Lid-Staten alsmede van elk openbaar of particulier lichaam, dat haar, naar haar oordeel, kan voorlichten.

  • 2 De Commissie geeft ieder project voor een Gemeenschappelijke Onderneming, tezamen met haar met redenen omkleed advies, aan de Raad door.

    Indien zij een gunstig advies uitbrengt over de noodzakelijkheid van de beoogde Gemeenschappelijke Onderneming, doet de Commissie aan de Raad voorstellen betreffende:

    • a) de vestigingsplaats,

    • b) de statuten,

    • c) de omvang en het ritme van de financiering,

    • d) de eventuele deelneming van de Gemeenschap aan de financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming,

    • e) de eventuele deelneming van een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat aan de financiering of aan het beheer van de Gemeenschappelijke Onderneming,

    • f) de toekenning van alle of van een gedeelte der in bijlage III van dit Verdrag genoemde gunsten.

    Zij voegt daaraan een uitvoerig rapport toe over het gehele project.

Artikel 47

Wanneer de Commissie zich tot de Raad heeft gewend, kan deze haar verzoeken om de nadere inlichtingen en het aanvullend onderzoek, die hij noodzakelijk acht.

Indien de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de mening uitspreekt dat een door de Commissie met een ongunstig advies doorgegeven project toch moet worden uitgevoerd, is de Commissie gehouden de voorstellen en het uitvoerig rapport, bedoeld in artikel 46, aan de Raad voor te leggen.

Bij gunstig advies van.de Commissie of in het in de voorgaande alinea bedoelde geval, beslist de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over ieder voorstel van de Commissie.

De Raad beslist echter met eenparigheid van stemmen over:

  • a) de deelneming van de Gemeenschap aan de financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming,

  • b) de deelneming van een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat aan de financiering of aan het beheer van de Gemeenschappelijke Onderneming.

Artikel 48

De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie alle of een gedeelte van de in bijlage III van dit Verdrag genoemde gunsten van toepassing verklaren op iedere Gemeenschappelijke Onderneming; de Lid -Staten zijn, ieder wat hem betreft, gehouden de toepassing daarvan te verzekeren.

De Raad kan op dezelfde wijze de voorwaarden vaststellen, waaraan de toekenning van deze gunsten wordt verbonden.

Artikel 49

De oprichting van een Gemeenschappelijke Onderneming geschiedt ingevolge beschikking van de Raad.

Iedere Gemeenschappelijke Onderneming bezit rechtspersoonlijkheid.

In elke Lid-Staat heeft de Gemeenschappelijke Onderneming de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de onderscheidene nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden en in rechte optreden.

Voor zover in dit Verdrag of in haar statuten niet anders is bepaald, valt elke Gemeenschappelijke Onderneming onder de voorschriften, welke van toepassing zijn op handels- en industriële ondernemingen; de statuten kunnen subsidiair verwijzen naar de nationale wetgevingen der Lid-Staten.

Onder voorbehoud van de krachtens dit Verdrag aan het Hof van Justitie verleende bevoegdheden worden de geschillen, waarbij de Gemeenschappelijke Ondernemingen betrokken zijn, door de bevoegde nationale rechterlijke instanties beslecht.

Artikel 50

De statuten van de Gemeenschappelijke Ondernemingen worden in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig de bijzondere bepalingen, welke daarin voor dat doel zijn opgenomen.

Deze wijzigingen kunnen echter eerst van kracht worden, nadat zij op voorstel van de Commissie door de Raad, die beslist overeenkomstig de bepalingen van artikel 47, zijn goedgekeurd.

Artikel 51

De Commissie zorgt voor de uitvoering van alle beschikkingen van de Raad betreffende de oprichting van Gemeenschappelijke Ondernemingen, totdat de organen belast met de werking van deze Ondernemingen tot stand zijn gebracht.

HOOFDSTUK VI. Voorziening

Artikel 52

  • 1 De voorziening van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen geschiedt, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, volgens het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen en door middel van een gemeenschappelijk voorzieningsbeleid.

  • 2 Te dien einde, en volgens de bepalingen van dit hoofdstuk,

    • a) is elke handelwijze, welke beoogt aan bepaalde gebruikers een bevoorrechte positie te verschaffen, verboden;

    • b) wordt een Agentschap opgericht, dat een optierecht heeft op ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen, voortgebracht op het grondgebied van de Lid-Staten, alsmede het uitsluitend recht heeft om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap.

    Het Agentschap mag tussen de gebruikers niet discrimineren op grond van het gebruik dat zij van de gevraagde leveranties wensen te maken, tenzij dit gebruik ongeoorloofd is of indruist tegen de voorwaarden, welke de niet tot de Gemeenschap behorende leveranciers aan de betrokken leverantie hebben verbonden.

Afdeling I. - Het Agentschap

Artikel 53

Het Agentschap staat onder toezicht van de Commissie; deze geeft richtlijnen aan het Agentschap, heeft het recht van veto over zijn beslissingen en benoemt zijn directeur-generaal, alsmede zijn adjunct-directeur-generaal.

Iedere stilzwijgende of uitdrukkelijke handeling door het Agentschap verricht in de uitoefening van zijn optierecht of van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd; de Commissie neemt binnen een maand een beschikking.

Artikel 54

Het Agentschap bezit rechtspersoonlijkheid en financiële zelfstandigheid.

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie de statuten van het Agentschap vast.

De statuten kunnen op dezelfde wijze worden herzien.

De statuten bepalen het kapitaal van het Agentschap en de wijze waarop het ingebracht wordt. Het grootste deel van het kapitaal moet in ieder geval aan de Gemeenschap en de Lid-Staten toebehoren. De verdeling van het kapitaal wordt in onderlinge overeenstemming door de Lid-Staten vastgesteld.

De statuten regelen de wijze waarop het commerciële beheer van het Agentschap wordt gevoerd. Zij kunnen ter bestrijding van de bedrijfskosten van het Agentschap in een heffing van de transacties voorzien.

Artikel 55

De Lid-Staten moeten aan het Agentschap alle inlichtingen verstrekken of doen verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn optierecht en zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten.

Artikel 56

De Lid-Staten waarborgen de vrije uitoefening van de functies van het Agentschap op hun grondgebied.

Zij kunnen een orgaan of organen oprichten, die bevoegd zijn, om de producenten en de gebruikers in de niet-Europese gebieden, welke onder hun rechtsmacht vallen, te vertegenwoordigen in de betrekkingen met het Agentschap.

Afdeling II. Ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen herkomstig uit de Gemeenschap

Artikel 57

  • 1 Het optierecht van het Agentschap geldt:

    • a) voor de verkrijging van het gebruiks- en verbruiksrecht ten aanzien van materialen die krachtens de bepalingen van hoofdstuk VIII aan de Gemeenschap in eigendom toebehoren;

    • b) voor de verkrijging van het eigendomsrecht in alle andere gevallen.

  • 2 Het Agentschap oefent zijn optierecht uit door het sluiten van contracten met de producenten van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen.

    Behoudens de bepalingen van de artikelen 58, 62 en 63 is iedere producent gehouden de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen welke hij voortbrengt op het grondgebied van de Lid-Staten, aan het Agentschap aan te bieden, alvorens deze ertsen of stoffen worden gebruikt, overgedragen of opgeslagen.

Artikel 58

Wanneer een producent verscheidene bewerkingen verricht vanaf de ertswinning tot en met de produktie van metaal, is hij slechts gehouden het produkt aan het Agentschap aan te bieden in het produktiestadium dat hij zelf kiest.

Hetzelfde geldt voor verschillende ondernemingen, waartussen bindingen bestaan, welke tijdig aan de Commissie zijn medegedeeld en met deze besproken zijn volgens de in de artikelen 43 en 44 bepaalde procedure.

Artikel 59

Wanneer het Agentschap zijn optierecht niet uitoefent ten aanzien van de gehele produktie of een gedeelte daarvan:

  • a) kan de producent hetzij met eigen middelen, hetzij door middel van contracten voor loonveredeling, de ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen verwerken, onder voorbehoud dat hij het Agentschap het produkt van deze verwerking aanbiedt,

  • b) wordt de producent bij beschikking van de Commissie toestemming verleend om de beschikbare produktie buiten de Gemeenschap te verkopen onder voorbehoud dat geen gunstiger voorwaarden worden bedongen dan bij het eerder gedane aanbod aan het Agentschap. De uitvoer van bijzondere splijtstoffen kan echter slechts door het Agentschap geschieden overeenkomstig de bepalingen van artikel 62.

De Commissie mag haar toestemming niet verlenen, indien de ontvangers van deze leveranties niet alle waarborgen bieden dat de algemene belangen van de Gemeenschap zullen worden geëerbiedigd of indien de bepalingen en voorwaarden van deze contracten in strijd zijn met de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel 60

De eventuele gebruikers delen aan het Agentschap op gezette tijden hun behoeften aan materialen mede, onder opgave van de hoeveelheden, de natuurkundige en scheikundige aard, de plaatsen van herkomst, het gebruik, de leveringstermijnen en de prijzen, welke de bepalingen en voorwaarden zouden uitmaken van een leveringscontract, waarvan zij de afsluiting wensen.

Eveneens delen de producenten aan het Agentschap de aanbiedingen mede, welke zij kunnen doen, met alle specificaties die nodig zijn om hun produktieprogramma’s te kunnen opstellen en met name de duur der contracten. Deze duur mag, zonder toestemming van de Commissie, niet langer zijn dan tien jaar.

Het Agentschap brengt alle eventuele gebruikers op de hoogte van de aanbiedingen en van de omvang der ontvangen aanvragen en nodigt hen uit binnen een bepaalde termijn hun bestellingen in te dienen.

Wanneer het Agentschap al deze bestellingen ontvangen heeft, deelt het mede, onder welke voorwaarden het aan deze kan voldoen.

Indien het Agentschap niet in staat is aan alle ontvangen bestellingen volledig te voldoen, verdeelt het de leveringen naar evenredigheid van de bij elk der aanbiedingen passende bestellingen, behoudens de bepalingen van de artikelen 68 en 69.

Een reglement van het Agentschap, dat de goedkeuring van de Commissie behoeft, bepaalt de wijze waarop vraag en aanbod tegen elkaar worden afgewogen.

Artikel 61

Het Agentschap is verplicht aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten.

Het Agentschap kan, met inachtneming van de voorschriften van artikel 52, bij het sluiten van een contract de gebruikers verzoeken een passend voorschot te storten, hetzij als waarborg, hetzij ter verlichting van de eigen verplichtingen op lange termijn die het Agentschap voor het voldoen aan deze bestelling ten opzichte van de producenten op zich heeft genomen.

Artikel 62

  • 1 Het Agentschap oefent zijn optierecht uit op de bijzondere splijtstoffen welke op het grondgebied van de Lid-Staten worden voortgebracht,

    • a) hetzij om aan de aanvragen van de verbruikers in de Gemeenschap onder de in artikel 60 bepaalde voorwaarden te voldoen,

    • b) hetzij om deze stoffen zelf op te slaan,

    • c) hetzij om deze stoffen uit te voeren met toestemming van de Commissie, die zich houdt aan de bepalingen van artikel 59 b ), tweede alinea.

  • 2 Onverminderd de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk VII worden deze stoffen en de bij de produktie overgebleven kweekstoffen echter ter beschikking gelaten van de producent,

    • a) hetzij om opgeslagen te worden met machtiging van het Agentschap,

    • b) hetzij om binnen de grenzen van zijn eigen behoeften te worden gebruikt,

    • c) hetzij om binnen de grenzen van hun behoeften ter beschikking te worden gesteld van ondernemingen binnen de Gemeenschap, welke met die producent, voor de uitvoering van een tijdig aan de Commissie medegedeeld programma, rechtstreekse bindingen hebben, welke noch ertoe strekken, noch ten gevolge hebben dat de produktie, de technische ontwikkeling of de investeringen worden beperkt, of wederrechtelijk een ongelijkheid tussen de gebruikers van de Gemeenschap wordt teweeggebracht.

  • 3 De bepalingen van artikel 89 lid 1a ) zijn van toepassing op bijzondere splijtstoffen, welke op het grondgebied van de Lid-Staten zijn voortgebracht en waarop het Agentschap zijn optierecht niet heeft uitgeoefend.

Artikel 63

De ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, voortgebracht door de Gemeenschappelijke Ondernemingen, worden aan de gebruikers toegewezen volgens de regels, vastgesteld in de statuten of overeenkomsten welke voor deze Ondernemingen gelden.

Afdeling III. Ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen niet uit de Gemeenschap herkomstig

Artikel 64

Het Agentschap heeft, eventueel optredend in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde Staat of een internationale organisatie gesloten akkoorden, het uitsluitend recht, behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, akkoorden of overeenkomsten te sluiten, welke leveringen van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig van buiten de Gemeenschap, als hoofddoel hebben.

Artikel 65

Artikel 60 is van toepassing op de aanvragen van de gebruikers en op de contracten tussen de gebruikers en het Agentschap, betreffende de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig van buiten de Gemeenschap.

Het Agentschap kan echter bepalen, welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen zal zijn, voor zover het daardoor aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd.

Artikel 66

Indien de Commissie op verzoek van de betrokken gebruikers vaststelt, dat het Agentschap niet in staat is binnen een redelijke termijn het bestelde materiaal geheel of gedeeltelijk te leveren, of dit slechts kan doen tegen onredelijke prijzen, hebben de gebruikers het recht rechtstreeks contracten te sluiten voor leveringen van buiten de Gemeenschap, voor zover deze contracten wezenlijk beantwoorden aan de in hun bestelling tot uiting gebrachte behoeften.

Dit recht wordt verleend voor de duur van één jaar, welke kan worden verlengd ingeval de toestand die de verlening heeft gerechtvaardigd, blijft voortduren.

De gebruikers die van het in dit artikel bedoelde recht gebruik maken, zijn gehouden de voorgenomen rechtstreekse contracten aan de Commissie mede te delen. Deze kan zich binnen een maand tegen het afsluiten daarvan verzetten, indien zij in strijd zijn met de doelstellingen van dit Verdrag.

Afdeling IV. - Prijzen

Artikel 67

Behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, komen de prijzen tot stand door afweging tegen elkaar van vraag en aanbod, volgens de bepalingen van artikel 60; hierop mogen de Lid-Staten geen inbreuk maken door middel van hun nationale regelingen.

Artikel 68

Prijsmanipulaties die ten doel hebben, in strijd met het beginsel van gelijke toegang dat uit dit hoofdstuk voortvloeit, aan bepaalde verbruikers een bevoorrechte positie te verschaffen, zijn verboden.

Indien het Agentschap dergelijke manipulaties vaststelt, meldt het deze aan de Commissie.

Indien de Commissie de vaststelling gegrond acht, kan zij voor de betwiste aanbiedingen de prijzen wederom op een peil brengen, dat met het beginsel van gelijke toegang strookt.

Artikel 69

De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie prijzen vaststellen.

Wanneer het Agentschap met toepassing van artikel 60 de voorwaarden vaststelt, waaronder aan de bestellingen kan worden voldaan, kan het aan de gebruikers, die een bestelling hebben gedaan, een prijsverevening voorstellen.

Afdeling V. - Bepalingen betreffende het voorzieningsbeleid

Artikel 70

De Commissie kan, binnen de in de begroting van de Gemeenschap bepaalde grenzen en onder door haar vast te stellen voorwaarden, financieel bijdragen tot de opsporing van delfstoffen op het grondgebied van de Lid-Staten.

De Commissie kan aan de Lid-Staten aanbevelingen doen met het oog op de ontwikkeling van de opsporing van delfstoffen en van de mijnbouw.

De Lid-Staten zijn gehouden jaarlijks aan de Commissie een rapport toe te zenden over de ontwikkeling van de opsporing en winning van delfstoffen, over de vermoedelijke reserves en over de op hun grondgebied verrichte of voorgenomen investeringen in de mijnbouw. Deze rapporten worden aan de Raad voorgelegd met het advies van de Commissie, met name betreffende het gevolg, dat de Lid-Staten hebben gegeven aan de krachtens de voorgaande alinea gedane aanbevelingen.

Indien de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op verzoek van de Commissie vaststelt, dat ondanks op lange termijn economisch verantwoord schijnende delvingsmogelijkheden, de opsporingsmaatregelen en de toeneming van de mijnontginning aanmerkelijk onvoldoende blijven, wordt de betrokken Lid-Staat, zolang hij geen verbetering in deze toestand brengt, geacht af te zien van het recht van gelijke toegang tot de andere hulpbronnen binnen de Gemeenschap zowel voor hemzelf als voor zijn onderdanen.

Artikel 71

De Commissie doet aan de Lid-Staten alle dienstige aanbevelingen over de belasting- of mijnbouwregelingen.

Artikel 72

Het Agentschap kan uit de binnen en buiten de Gemeenschap beschikbare hoeveelheden de nodige handelsvoorraden aanleggen om de voorziening of de lopende leveringen van de Gemeenschap te vergemakkelijken.

De Commissie kan eventueel tot het aanleggen van veiligheidsvoorraden besluiten. De wijze van financiering van deze voorraden wordt op voorstel van de Commissie door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedgekeurd.

Afdeling VI. - Bijzondere bepalingen

Artikel 73

Indien een akkoord of overeenkomst tussen een Lid-Staat, een persoon of een onderneming enerzijds, en een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat anderzijds, tevens levering inhoudt van produkten, welke onder de bevoegdheid van het Agentschap vallen is wat de levering van deze produkten betreft, voorafgaande instemming van de Commissie nodig voor het sluiten of het verlengen van dat akkoord of die overeenkomst.

Artikel 74

De Commissie kan de overdracht, de invoer- of de uitvoer van kleine hoeveelheden ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, zoals die gewoonlijk worden gebruikt voor het onderzoek, vrijstellen van de toepassing der bepalingen van dit hoofdstuk.

Van iedere overdracht, invoer of uitvoer, welke geschiedt krachtens deze bepaling, moet aan het Agentschap kennis worden gegeven.

Artikel 75

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de verbintenissen tot het behandelen, bewerken of verwerken van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen

  • a) aangegaan tussen verschillende personen of ondernemingen, indien de behandelde, bewerkte of verwerkte materialen moeten terugkeren naar de oorspronkelijke persoon of onderneming,

  • b) aangegaan tussen een persoon of onderneming en een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, indien de materialen worden behandeld, bewerkt of verwerkt buiten de Gemeenschap en terugkeren naar de oorspronkelijke persoon of onderneming,

  • c) aangegaan tussen een persoon of onderneming en een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, wanneer de materialen worden behandeld, bewerkt of verwerkt binnen de Gemeenschap en terugkeren, hetzij naar de oorspronkelijke organisatie of onderdaan, hetzij naar een andere door deze organisatie of onderdaan aangewezen geadresseerde eveneens buiten de Gemeenschap.

De betrokken personen of ondernemingen moeten echter aan het Agentschap kennis geven van het bestaan van dergelijke verbintenissen en, zodra de contracten zijn ondertekend, van de hoeveelheden materiaal welke daarmede gemoeid zijn. De Commissie kan zich verzetten tegen de onder b) vermelde verbintenissen, indien zij meent dat de bewerking of verwerking niet doeltreffend, veilig en zonder verlies aan materialen ten nadele van de Gemeenschap kan geschieden.

De materialen, waarvoor deze verbintenissen zijn aangegaan, worden op het grondgebied van de Lid-Staten aan de in hoofdstuk VII bepaalde controlemaatregelen onderworpen. De bepalingen van hoofdstuk VIII zijn echter niet van toepassing op de bijzondere splijtstoffen waarvoor de onder c) bedoelde verbintenissen zijn aangegaan.

Artikel 76

De bepalingen van dit hoofdstuk kunnen, met name ingeval door onvoorziene omstandigheden een toestand van algemene schaarste zou ontstaan, door de Raad met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden ieder verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

Na verloop van zeven jaar na 1 januari 1958 kan de Raad deze bepalingen in hun geheel bevestigen. Bij gebreke van bevestiging worden nieuwe bepalingen met betrekking tot het onderwerp van dit hoofdstuk vastgesteld overeenkomstig de procedure, omschreven in de voorgaande alinea.

HOOFDSTUK VII. Veiligheidscontrole

Artikel 77

Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk moet de Commissie zich ervan vergewissen of op het grondgebied van de Lid-Staten

  • a) de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen niet voor andere doeleinden worden aangewend dan waarvoor de gebruikers verklaard hebben ze te bestemmen,

  • b) de bepalingen met betrekking tot de voorziening en elke bijzondere verbintenis betreffende controle, die de Gemeenschap heeft aangegaan in een akkoord met een derde Staat of een internationale organisatie, worden nageleefd.

Artikel 78

Ieder die een installatie voor de produktie, de afscheiding of enige aanwending van grondstoffen of bijzondere splijtstoffen of voor de behandeling van bestraalde splijtstoffen opricht of in gebruik heeft, is gehouden aan de Commissie de fundamentele technische kenmerken van die installatie mede te delen, voor zover de kennis daarvan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 77 omschreven doelstellingen.

De Commissie moet de werkwijzen voor de regeneratie der bestraalde stoffen goedkeuren, voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 77 omschreven doelstellingen.

Artikel 79

De Commissie verlangt het bijhouden en overleggen van werkstaten, om de rekening en verantwoording der gebruikte of geproduceerde ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen mogelijk te maken. Hetzelfde geldt voor de vervoerde grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

Degenen die aan de controle onderworpen zijn, geven aan de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat kennis van de mededelingen welke zij, krachtens artikel 78 en de eerste alinea van dit artikel, aan de Commissie doen toekomen.

De aard en de strekking van de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde verplichtingen worden omschreven in een door de Commissie op te maken en door de Raad goed te keuren verordening.

Artikel 80

De Commissie kan verlangen, dat elk overschot aan bijzondere splijtstoffen, die als bijprodukt teruggewonnen of verkregen zijn en niet daadwerkelijk gebruikt worden of voor het doel gereed zijn, bij het Agentschap worden opgeslagen dan wel in andere bewaarplaatsen, die door de Commissie worden of kunnen worden gecontroleerd.

De bijzondere splijtstoffen, die aldus zijn opgeslagen, moeten op verzoek van belanghebbenden onverwijld aan deze worden teruggegeven.

Artikel 81

De Commissie kan inspecteurs zenden naar het grondgebied van de Lid-Staten. De Commissie raadpleegt iedere betrokken Lid-Staat, voordat zij de eerste opdracht aan een inspecteur verleent op het grondgebied van die Staat; deze raadpleging geldt voor alle latere opdrachten aan die inspecteur.

De inspecteurs hebben, op vertoon van een document waaruit hun hoedanigheid blijkt, te allen tijde toegang tot alle plaatsen, alle gegevens en alle personen, die zich uit hoofde van hun beroep bezighouden met krachtens dit hoofdstuk aan controle onderworpen materialen, uitrustingen of installaties, voor zover dit noodzakelijk is om de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen te controleren en er zich van te vergewissen, of de bepalingen van artikel 77 worden nageleefd. Indien de betrokken Staat zulks verzoekt, worden de door de Commissie aangewezen inspecteurs vergezeld van vertegenwoordigers van de autoriteiten van deze Staat, op voorwaarde dat de inspecteurs daardoor niet worden opgehouden of op andere wijze in de uitoefening van hun functie worden gehinderd.

Bij verzet tegen de uitoefening van controle dient de Commissie aan de president van het Hof van Justitie een bevelschrift te vragen, ten einde met dwangmiddelen de uitvoering van de controle te verzekeren. De president van het Hof van Justitie beslist hierover binnen drie dagen.

Indien uitstel gevaar oplevert, kan de Commissie zelf een schriftelijk controlebevel afgeven in de vorm van een beschikking. Dit bevel moet onverwijld ter goedkeuring achteraf aan de president van het Hof van Justitie worden voorgelegd.

Na afgifte van het bevelschrift of van de beschikking dragen de instanties van de betrokken Staat er zorg voor dat de inspecteurs toegang krijgen tot de in het bevelschrift of de beschikking bepaalde plaatsen.

Artikel 82

De inspecteurs worden door de Commissie in dienst genomen.

Zij zijn verplicht zich de in artikel 79 bedoelde rekening en verantwoording te doen voorleggen en deze na te zien. Zij brengen aan de Commissie van elke schending verslag uit.

De Commissie kan een richtlijn vaststellen waarbij zij de betrokken Lid-Staat gelast, binnen een door haar te stellen termijn alle maatregelen te nemen, die noodzakelijk zijn om een einde te maken aan de vastgestelde schending; zij stelt de Raad daarvan op de hoogte.

Indien de Lid-Staat zich binnen de gestelde termijn niet aan deze richtlijn van de Commissie onderwerpt, kan de Commissie of elke betrokken Lid-Staat, in afwijking van de artikelen 141 en 142, de zaak onmiddellijk aanhangig maken bij het Hof van Justitie.

Artikel 83

  • 1 Ingeval personen of ondernemingen inbreuk maken op de verplichtingen welke hun door dit hoofdstuk worden opgelegd, kan de Commissie sancties tegen hen uitspreken.

    Deze sancties zijn, naar hun gewicht gerangschikt, de volgende:

    • a) de waarschuwing,

    • b) het intrekken van bijzondere voordelen, zoals financiële bijstand of technische hulp,

    • c) het stellen van de onderneming, voor een tijdsduur van ten hoogste vier maanden, onder het beheer van een persoon of groep van personen, daartoe aangewezen in onderlinge overeenstemming tussen de Commissie en de Staat waaronder de onderneming ressorteert,

    • d) het geheel of gedeeltelijk intrekken van grondstoffen of van bijzondere splijtstoffen.

  • 2 De beschikkingen van de Commissie houdende verplichting tot levering welke zijn vastgesteld ter uitvoering van het voorgaande lid, vormen een executoriale titel. Zij kunnen op het grondgebied van de Lid-Staten ten uitvoer worden gelegd, onder de in artikel 164 vastgestelde voorwaarden.

    In afwijking van de bepalingen van artikel 157 heeft het beroep bij het Hof van Justitie tegen de beschikkingen van de Commissie waarbij sancties worden opgelegd als bepaald in het voorgaande lid, schorsende werking. Het Hof van Justitie kan echter, op verzoek van de Commissie of van elke betrokken Lid-Staat, de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beschikking bevelen.

    De bescherming der geschade belangen moet door een passende rechtsprocedure worden gewaarborgd.

  • 3 De Commissie kan de Lid-Staten alle aanbevelingen doen met betrekking tot de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, welke ten doel hebben de naleving op hun grondgebied van de uit dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

  • 4 De Lid-Staten zijn gehouden er voor te zorgen, dat de santies ten uitvoer worden gelegd en, in voorkomende gevallen, dat schade, veroorzaakt door de inbreuken, wordt hersteld door hen die zich aan deze inbreuken hebben schuldig gemaakt.

Artikel 84

Bij de uitoefening van de controle wordt niet gediscrimineerd op grond van de bestemming welke is gegeven aan de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

Het gebied waarover de controle zich uitstrekt, en de wijze waarop deze wordt uitgeoefend, alsmede de bevoegdheden van de controle-organen, zijn beperkt tot de verwezenlijking van de in dit hoofdstuk omschreven doelstellingen.

De controle mag zich niet uitstrekken tot materialen bestemd voor defensiedoeleinden, welke voor die doeleinden in bijzondere bewerking zijn of welke na die bewerking, krachtens een operatieplan, in een militaire inrichting worden geplaatst of opgeslagen.

Artikel 85

Indien nieuwe omstandigheden zulks noodzakelijk zouden maken, kan de in dit hoofdstuk bepaalde wijze van uitoefening van de controle door de Raad met eenparigheid van stemmen worden aangepast op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden elk verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

HOOFDSTUK VIII. Regeling van het eigendomsrecht

Artikel 86

De bijzondere splijtstoffen zijn eigendom van de Gemeenschap.

Het eigendomsrecht van de Gemeenschap strekt zich uit tot alle bijzondere splijtstoffen die zijn voortgebracht of ingevoerd door een Lid-Staat, een persoon of een onderneming, en die onderworpen zijn aan de veiligheidscontrole bepaald in hoofdstuk VII.

Artikel 87

De Lid-Staten, personen of ondernemingen hebben op de op regelmatige wijze in hun bezit gekomen bijzondere splijtstoffen het meest uitgebreide recht tot gebruik en verbruik, onder voorbehoud van de verplichtingen welke voor hen voortvloeien uit de bepalingen van dit Verdrag, met name wat de veiligheidscontrole, het aan het Agentschap toegekende optierecht en de gezondheidsbescherming betreft.

Artikel 88

Het Agentschap houdt namens de Gemeenschap een bijzondere administratie bij, genaamd „Financiële administratie van de bijzondere splijtstoffen”.

Artikel 89

  • 1 In de financiële administratie van de bijzondere splijtstoffen

    • a) wordt in het credit van de Gemeenschap en in het debet van de begunstigde Lid-Staat, persoon of onderneming, de waarde geboekt van de bijzondere splijtstoffen die ter beschikking zijn gelaten of gesteld van die Staat, van die persoon of van die onderneming;

    • b) wordt in het debet van de Gemeenschap en in het credit van de leverende Lid-Staat, persoon of onderneming, de waarde geboekt van de door die Staat, persoon of onderneming voortgebrachte of ingevoerde bijzondere splijtstoffen die eigendom van de Gemeenschap worden. Een soortgelijke boeking wordt verricht wanneer een Lid-Staat, een persoon of een onderneming aan de Gemeenschap bijzondere splijtstoffen teruggeeft die voorheen ter beschikking van die Staat, persoon of onderneming waren gelaten of gesteld.

  • 2 De veranderingen, die zich in de waarde van de hoeveelheden bijzondere splijtstoffen voordoen, worden in de administratie op zodanige wijze weergegeven, dat deze geen aanleiding kunnen geven tot enigerlei verlies of winst voor de Gemeenschap. Eventuele winsten of verliezen komen ten bate of ten laste van de houders.

  • 3 De uit de hierboven vermelde verrichtingen voortvloeiende saldi zijn op verzoek van de crediteur onmiddellijk opeisbaar.

  • 4 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt het Agentschap als een onderneming beschouwd wat betreft de verrichtingen voor eigen rekening.

Artikel 90

Indien nieuwe omstandigheden zulks noodzakelijk zouden maken, kunnen de bepalingen van dit hoofdstuk betreffende het eigendomsrecht van de Gemeenschap door de Raad met eenparigheid van stemmen worden aangepast op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden elk verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

Artikel 91

Het eigendomsrecht, dat van toepassing is op alle voorwerpen, materialen en goederen die krachtens dit hoofdstuk niet in eigendom toebehoren aan de Gemeenschap, wordt geregeld door de wetgeving van elke Lid-Staat.

HOOFDSTUK IX. De gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie

Artikel 92

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de goederen en produkten, die voorkomen op de lijsten die als bijlage IV aan dit Verdrag zijn gehecht.

Deze lijsten kunnen op initiatief van de Commissie of van een Lid-Staat door de Raad op voorstel van de Commissie worden gewijzigd.

Artikel 93

De lidstaten verbieden onderling alle douanerechten op de in- en uitvoer, of heffingen van gelijke werking en elke kwantitatieve beperking van de in- en uitvoer:

  • a) voor de op de lijsten A1 en A2 voorkomende produkten,

  • b) voor de op lijst B voorkomende produkten, voor zover hiervoor een gemeenschappelijk douanetarief geldt en deze produkten worden begeleid door een door de Commissie afgegeven certificaat, waaruit blijkt dat zij bestemd zijn voor doeleinden op het gebied van de kernenergie.

De niet-Europese grondgebieden, welke vallen onder de rechtsmacht van een Lid-Staat, kunnen echter in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking met een uitsluitend fiscaal karakter blijven heffen. De hoogte en de wijze van heffing dezer rechten en heffingen mogen geen discriminatie teweegbrengen tussen deze Staat en de overige Lid-Staten.

Artikel 96

De Lid-Staten schaffen elke op de nationaliteit gegronde beperking van de toegang tot gekwalificeerde arbeid op het gebied van de kernenergie af ten aanzien van hen die de nationaliteit van een van de Lid-Staten bezitten, behoudens de beperkingen welke voortvloeien uit de fundamentele eisen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.

Na raadpleging van het Europees Parlement kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint, de richtlijnen betreffende de wijze van toepassing van dit artikel vaststellen.

Artikel 97

Geen enkele op de nationaliteit gegronde beperking kan worden aangevoerd tegen natuurlijke personen of rechtspersonen, naar publiek- of privaatrecht, die onder de rechtsmacht van een Lid-Staat vallen, wanneer zij aan de bouw van installaties van wetenschappelijke of industriële aard op het gebied van de kernenergie binnen de Gemeenschap wensen deel te nemen.

Artikel 98

De Lid-Staten nemen alle nodige maatregelen om het afsluiten van verzekeringscontracten ter dekking van de atoomrisico’s te vergemakkelijken.

De Raad stelt, na raadpleging van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint, de richtlijnen vast betreffende de wijze van toepassing van dit artikel.

Artikel 99

De Commissie kan ter vergemakkelijking van het kapitaalverkeer, bestemd voor de financiering van de takken van industrie, vermeld in de lijst die als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht, alle nodige aanbevelingen doen.

HOOFDSTUK X. Betrekkingen met derden

Artikel 101

Binnen de grenzen van haar bevoegdheid kan de Gemeenschap verplichtingen aangaan door het sluiten van akkoorden of overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat.

Met het oog op deze akkoorden of overeenkomsten worden door de Commissie onderhandelingen gevoerd volgens richtlijnen van de Raad; zij worden gesloten door de Commissie met goedkeuring van de Raad, welke daartoe met een gekwalificeerde meerderheid besluit.

Het onderhandelen over en het sluiten van akkoorden of overeenkomsten welke zonder tussenkomst van de Raad en binnen de grenzen van de betreffende begroting kunnen worden uitgevoerd, geschiedt evenwel door de Commissie, die verplicht is de Raad daarvan op de hoogte te houden.

Artikel 102

De akkoorden of overeenkomsten gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, waarbij behalve de Gemeenschap een of meer Lid-Staten partij zijn, kunnen eerst in werking treden, nadat alle betrokken Lid-Staten aan de Commissie hebben medegedeeld, dat deze akkoorden of overeenkomsten volgens de bepalingen van hun onderscheidene nationale wetgevingen van toepassing zijn geworden.

Artikel 103

De Lid-Staten zijn gehouden aan de Commissie mededeling te doen van hun ontwerp-akkoorden of ontwerp-overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, voor zover deze akkoorden of overeenkomsten verband houden met de werkingssfeer van dit Verdrag.

Wanneer een ontwerp-akkoord of ontwerp-overeenkomst bepalingen bevat welke een beletsel vormen voor de toepassing van dit Verdrag, richt de Commissie haar opmerkingen tot de betrokken Staat binnen een termijn van een maand na de ontvangst van de mededeling welke haar is gedaan.

Deze Staat kan het ontworpen akkoord of de ontworpen overeenkomst niet sluiten dan na de bezwaren van de Commissie te hebben opgeheven of zich te hebben geschikt naar de uitspraak die het Hof van Justitie op zijn verzoek onverwijld heeft gedaan ten aanzien van de verenigbaarheid der ontworpen clausules met de bepalingen van dit Verdrag. Het verzoek kan bij het Hof van Justitie worden ingediend op ieder tijdstip nadat de Staat de opmerkingen van de Commissie heeft ontvangen.

Artikel 104

Geen persoon of onderneming die na 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, na de datum van hun toetreding, akkoorden of overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat sluit of verlengt, kan zich op deze akkoorden of overeenkomsten beroepen ten einde zich te onttrekken aan de hun door dit Verdrag opgelegde verplichtingen.

Iedere Lid-Staat neemt alle maatregelen welke hij noodzakelijk oordeelt om aan de Commissie, op haar verzoek, mededeling te doen van alle inlichtingen betreffende de akkoorden of overeenkomsten die na de in de voorgaande alinea bedoelde data en binnen de werkingssfeer van dit Verdrag door enige persoon of onderneming zijn gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat. De Commissie kan deze mededeling uitsluitend verlangen om na te gaan of deze akkoorden of overeenkomsten geen clausules bevatten welke een beletsel vormen voor de toepassing van dit Verdrag.

Op verzoek van de Commissie spreekt het Hof van Justitie zich uit over de verenigbaarheid van deze akkoorden of overeenkomsten met de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 105

De bepalingen van dit Verdrag kunnen niet worden ingeroepen tegen de uitvoering van akkoorden of overeenkomsten die een Lid-Staat, een persoon of een onderneming vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding, van dit Verdrag heeft gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, indien van deze akkoorden of overeenkomsten uiterlijk dertig dagen na de genoemde data aan de Commissie mededeling is gedaan.

Nochtans kunnen akkoorden of overeenkomsten die een persoon of een onderneming tussen 25 maart 1957 en 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, tussen de ondertekening van de Toetredingsakte en de datum van hun toetreding, heeft gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, niet worden ingeroepen tegen dit Verdrag, indien naar het oordeel van het Hof van Justitie, dat op verzoek van de Commissie uitspraak doet, de bedoeling zich aan de bepalingen van dit Verdrag te onttrekken voor een van beide partijen een der doorslaggevende beweegredenen tot het aangaan van het akkoord of de overeenkomst is geweest.

Artikel 106

De Lid-Staten die vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding, met derde Staten akkoorden hebben gesloten betreffende de samenwerking op het gebied van de kernenergie, zijn gehouden tezamen met de Commissie de noodzakelijke onderhandelingen te voeren met deze derde Staten, ten einde de rechten en verplichtingen welke uit deze akkoorden voortvloeien, voor zover zulks mogelijk is te doen overnemen door de Gemeenschap.

Ieder nieuw akkoord dat uit deze onderhandelingen voortvloeit behoeft de toestemming van de Lid-Staat of Lid-Staten welke de bovenbedoelde akkoorden hebben ondertekend, alsook de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

DERDE TITEL. BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

HOOFDSTUK I. De instellingen van de Gemeenschap

Afdeling I. - De Vergadering

Artikel 107

De Vergadering, bestaande uit vertegenwoordigers van de volkeren van de Staten die in de Gemeenschap zijn verenigd, oefent de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden om te beraadslagen en te besluiten, alsmede om toezicht uit te oefenen, uit.

Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderdtweeëndertig.

Artikel 107 A

Het Europees Parlement kan met meerderheid van stemmen van zijn leden de Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Parlement communautaire besluiten voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag vergen.

Artikel 107 B

In het kader van de vervulling van zijn taken kan het Europees Parlement, op verzoek van een vierde van zijn leden, een tijdelijke enquêtecommissie instellen om, onverminderd de bij dit Verdrag aan andere Instellingen of organen verleende bevoegdheden, vermeende inbreuken op het Gemeenschapsrecht of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht te onderzoeken, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken en zolang deze procedure nog niet is voltooid.

De tijdelijke enquêtecommissie houdt op te bestaan zodra zij haar verslag heeft ingediend.

De nadere bepalingen betreffende de uitoefening van het enquêterecht worden in onderlinge overeenstemming vastgesteld door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Artikel 107 C

Iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een Lid-Staat heeft het recht om individueel of te zamen met andere burgers of personen een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten betreffende een onderwerp dat tot de werkterreinen van de Gemeenschap behoort en dat hem of haar rechtstreeks aangaat.

Artikel 107 D

  • 1 Het Europees Parlement benoemt een ombudsman die bevoegd is kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie of van natuurlijke of rechtspersonen met verblijfplaats of statutaire zetel in een Lid-Staat over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire Instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg bij de uitoefening van hun gerechtelijke taak.

    Overeenkomstig zijn opdracht verricht de ombudsman het door hem gerechtvaardigd geachte onderzoek op eigen initiatief dan wel op basis van klachten welke hem rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement zijn voorgelegd, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken of hebben uitgemaakt. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer heeft vastgesteld, legt hij de zaak voor aan de betrokken Instelling, die over een termijn van drie maanden beschikt om hem haar standpunt mede te delen. De ombudsman doet vervolgens een verslag aan het Europees Parlement en aan de betrokken Instelling toekomen. De persoon die de klacht heeft ingediend wordt op de hoogte gebracht van het resultaat van dit onderzoek.

    De ombudsman legt elk jaar aan het Europees Parlement een verslag voor met het resultaat van zijn onderzoeken.

  • 2 Na elke verkiezing voor het Europees Parlement wordt de ombudsman voor de zittingsduur van deze Instelling benoemd. Hij is herbenoembaar.

    Op verzoek van het Europees Parlement kan de ombudsman door het Hof van Justitie van zijn ambt worden ontheven, indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten.

  • 3 De ombudsman oefent zijn ambt volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van zijn taken vraagt noch aanvaardt hij instructies van enig lichaam. Gedurende zijn ambtsperiode mag de ombudsman geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten.

  • 4 Het Europees Parlement stelt na advies van de Commissie en met goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt, het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van ombudsman vast.

Artikel 108

  • 1 De vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten worden gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.

  • 2 Het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers is als volgt vastgesteld:

    België

    24

    Tsjechië

    24

    Denemarken

    14

    Duitsland

    99

    Estland

    6

    Griekenland

    24

    Spanje

    54

    Frankrijk

    78

    Ierland

    13

    Italië

    78

    Cyprus

    6

    Letland

    9

    Litouwen

    13

    Luxemburg

    6

    Hongarije

    24

    Malta

    5

    Nederland

    27

    Oostenrijk

    18

    Polen

    54

    Portugal

    24

    Slovenië

    7

    Slowakije

    14

    Finland

    14

    Zweden

    19

    Verenigd Koninkrijk

    78

  • 3 De vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar.

  • 4 Het Europees Parlement stelt een ontwerp op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.

    De Raad stelt met eenparigheid van stemmen en met instemming van het Europees Parlement, dat met meerderheid van stemmen van zijn leden een besluit neemt, de desbetreffende bepalingen vast, waarvan hij de aanneming door de Lid-Staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.

  • 5 Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met goedkeuring van de Raad die hiertoe met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden. Voor regels en voorwaarden betreffende de belastingregeling voor huidige of voormalige leden is eenparigheid van stemmen in de Raad vereist.

Artikel 109

De Vergadering houdt jaarlijks een zitting. Zij komt van rechtswege de tweede dinsdag van maart bijeen.

De Vergadering kan in buitengewone zitting bijeenkomen op verzoek van de meerderheid harer leden, van de Raad of van de Commissie.

Artikel 110

De Vergadering kiest uit haar midden haar voorzitter en haar bureau.

De leden van de Commissie kunnen alle vergaderingen bijwonen en worden op hun verzoek in naam van de Commissie gehoord.

De Commissie antwoordt mondeling of schriftelijk op de haar door de Vergadering of door de leden daarvan gestelde vragen.

De Raad wordt door de Vergadering gehoord volgens de bepalingen, welke hij in zijn reglement van orde vaststelt.

Artikel 111

Voor zover in dit Verdrag niet anders is bepaald, besluit de Vergadering met volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen.

Het reglement van orde bepaalt het quorum.

Artikel 112

De Vergadering stelt haar reglement van orde vast bij meerderheid van stemmen van haar leden.

De handelingen van de Vergadering worden overeenkomstig de bepalingen van dat reglement bekendgemaakt.

Artikel 113

De Vergadering beraadslaagt in openbare zitting over het algemene jaarverslag, dat haar door de Commissie wordt voorgelegd.

Artikel 114

Wanneer aan de Vergadering een motie van afkeuring betreffende het beleid van de Commissie wordt voorgelegd, kan de Vergadering zich over deze motie niet eerder uitspreken dan ten minste drie dagen nadat de motie is ingediend en slechts bij openbare stemming.

Indien de motie van afkeuring is aangenomen met een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen en tevens bij meerderheid van de leden der Vergadering, moeten de leden van de Commissie gezamenlijk aftreden. Zij blijven de lopende zaken behartigen tot in hun vervanging is voorzien overeenkomstig artikel 127. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de te hunner vervanging benoemde leden van de Commissie op de datum waarop de ambtstermijn van de gezamenlijk tot aftreden gedwongen leden zou zijn verstreken.

Afdeling II. - De Raad

Artikel 115

De Raad oefent zijn beslissingsbevoegdheid en zijn overige bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.

Hij neemt alle maatregelen die tot zijn bevoegdheid behoren ten einde het optreden van de Lid-Staten en van de Gemeenschap te coördineren.

Artikel 116

De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van elke Lid-Staat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de Regering van de Lid-Staat die hij vertegenwoordigt, te binden.

Het voorzitterschap wordt in de Raad door elke Lid-Staat bij toerbeurt uitgeoefend voor de tijd van zes maanden, in de volgorde die door de Raad met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld.

Artikel 117

De Raad wordt door zijn Voorzitter, op diens initiatief, op initiatief van één van zijn leden of van de Commissie, in vergadering bijeengeroepen.

Artikel 118

  • 1 Voor zover in dit Verdrag niet anders is bepaald, neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden.

  • 2 Voor de besluiten van de Raad waarvoor een gekwalificeerde meerderheid vereist is, worden de stemmen der leden als volgt gewogen:

    België

    12

    Denemarken

    7

    Duitsland

    29

    Griekenland

    12

    Spanje

    27

    Frankrijk

    29

    Ierland

    7

    Italië

    29

    Luxemburg

    4

    Nederland

    13

    Oostenrijk

    10

    Portugal

    12

    Finland

    7

    Zweden

    10

    Verenigd Koninkrijk

    29

    De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste honderdnegenenzestig stemmen hebben verkregen en de meerderheid van de leden voorstemt, ingeval zij krachtens dit Verdrag moeten worden genomen op voorstel van de Commissie.

    In de overige gevallen komen de besluiten tot stand wanneer zij ten minste honderdnegenenzestig stemmen hebben verkregen, en ten minste twee derden van de leden voorstemmen.

  • 3 Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen der besluiten van de Raad waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist.

  • 4 Een lid van de Raad kan verlangen dat bij besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt nagegaan of de lidstaten die de gekwalificeerde meerderheid vormen ten minste 62% van de totale bevolking van de Unie vertegenwoordigen. Indien blijkt dat niet aan deze voorwaarde is voldaan, is het besluit niet aangenomen.

Artikel 119

Wanneer op grond van dit Verdrag een besluit van de Raad wordt genomen op voorstel van de Commissie, kan de Raad slechts met eenparigheid van stemmen een besluit nemen dat van dit voorstel afwijkt.

Zolang de Raad geen besluit heeft genomen, kan de Commissie haar oorspronkelijk voorstel wijzigen, met name ingeval de Vergadering omtrent dit voorstel is geraadpleegd.

Artikel 120

Ieder lid van de Raad kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om namens hem te stemmen.

Artikel 121

  • 1 Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

  • 2 De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder verantwoordelijkheid van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen benoemd.

    De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.

  • 3 De Raad stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 122

De Raad kan de Commissie verzoeken, alle studies die hij wenselijk acht ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen te verrichten en hem alle ter zake dienende voorstellen te doen.

Artikel 123

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de wedden, vergoedingen en pensioenen vast van de voorzitter en de leden van de Commissie, van de president, de rechters en de griffier van, alsmede van de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie. De Raad stelt, met dezelfde meerderheid, eveneens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden.

Afdeling III. - De Commissie

Artikel 124

Ten einde de ontwikkeling van de kernenergie binnen de Gemeenschap te verzekeren

  • - ziet de Commissie toe op de toepassing zowel van de bepalingen van dit Verdrag als van de bepalingen welke de instellingen krachtens dit Verdrag vaststellen,

  • - doet de Commissie aanbevelingen of brengt zij adviezen uit op de in dit Verdrag omschreven gebieden, indien het Verdrag dit uitdrukkelijk voorschrijft of indien zij het noodzakelijk acht,

  • - heeft de Commissie een eigen beslissingsbevoegdheid en werkt zij mede aan de totstandkoming van de handelingen van de Raad en van de Vergadering overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag,

  • - oefent de Commissie de bevoegdheden uit welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt.

Artikel 125

Jaarlijks, ten minste een maand vóór de opening van de zitting van het Europees Parlement, publiceert de Commissie een algemeen verslag over de werkzaamheden van de Gemeenschap.

Artikel 126

  • 1 De leden van de Commissie worden op grond van hun algemene bekwaamheid gekozen en bieden alle waarborgen voor onafhankelijkheid.

    In de Commissie heeft een onderdaan van elke lidstaat zitting.

    Het aantal leden van de Commissie kan door de Raad met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd.

  • 2 De leden van de Commissie oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

    Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden zij instructies van enige regering of enig ander lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. Iedere Lid-Staat verbindt zich, dit karakter te eerbiedigen en niet te trachten de leden van de Commissie te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak.

    De leden van de Commissie mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. Ingeval deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie, dat, al naar het geval, ontslag ambtshalve volgens artikel 129 of verval van het recht op pensioen of van andere, daarvoor in de plaats tredende voordelen kan uitspreken.

Artikel 127

  • 1 De leden van de Commissie worden volgens de procedure van lid 2 voor een periode van vijfjaar benoemd, behoudens, in voorkomend geval, artikel 114.

    Zij zijn herbenoembaar.

  • 2 De Raad, in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders, draagt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de persoon voor die hij voornemens is tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd.

    In onderlinge overeenstemming met de voorgedragen voorzitter stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de overeenkomstig de voordrachten van de lidstaten opgestelde lijst vast van de overige personen die hij voornemens is tot lid van de Commissie te benoemen.

    De aldus voorgedragen voorzitter en overige leden van de Commissie worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement. Na goedkeuring door het Europees Parlement worden de voorzitter en de overige leden van de Commissie door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen benoemd.

Artikel 128

Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Commissie door vrijwillig ontslag of ontslag ambtshalve.

In geval van ontslag of overlijden wordt het lid voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen door een nieuw lid dat door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt benoemd. De Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat er geen reden voor vervanging is.

In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden wordt de voorzitter voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen. De procedure van artikel 127, lid 2, is van toepassing voor de vervanging van de voorzitter.

Behoudens in geval van ontslag ambtshalve overeenkomstig artikel 129, blijven de leden van de Commissie in functie totdat in hun vervanging is voorzien of totdat de Raad overeenkomstig de tweede alinea van dit artikel besluit dat er geen reden voor vervanging is.

Artikel 129

Op verzoek van de Raad of van de Commissie kan elk lid van de Commissie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard.

Artikel 130

  • 1 De Commissie vervult haar opdracht met inachtneming van de door haar voorzitter vastgestelde politieke richtsnoeren; de voorzitter besluit over de interne organisatie van de Commissie, teneinde de samenhang, de doeltreffendheid en het collegiale karakter van haar optreden te waarborgen.

  • 2 De taken van de Commissie worden door de voorzitter gestructureerd en over de leden van de Commissie verdeeld. De voorzitter kan de taakverdeling tijdens de ambtstermijn wijzigen. De leden van de Commissie oefenen de hun door de voorzitter toegewezen taak uit onder diens gezag.

  • 3 De voorzitter benoemt na goedkeuring van het college vice-voorzitters uit de leden van de Commissie.

  • 4 Een lid van de Commissie dient zijn ontslag in, indien de voorzitter hem daarom na goedkeuring van het college verzoekt.

Artikel 131

De Raad en de Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken.

De Commissie stelt haar reglement van orde vast ten einde te verzekeren dat zij en haar diensten overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag werkzaam zijn. Zij zorgt voor de bekendmaking van dat reglement.

Artikel 132

De besluiten van de Commissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van het in artikel 126 bepaalde aantal leden.

De Commissie kan slechts geldig zitting houden, indien het in haar reglement van orde bepaalde aantal leden aanwezig is.

Artikel 134

  • 1 Bij de Commissie wordt een Wetenschappelijk en Technisch Comité van raadgevende aard ingesteld.

    Het Comité moet worden geraadpleegd in de door dit Verdrag bepaalde gevallen. Het kan worden geraadpleegd in alle gevallen waarin de Commissie dit gewenst acht.

  • 2 Het comité bestaat uit negenendertig leden, benoemd door de Raad na raadpleging van de Commissie.

    De leden van het Comité worden in hun persoonlijke hoedanigheid benoemd voor de tijd van vijf jaar. Zij zijn herbenoembaar. Zij mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat.

    Het Wetenschappelijk en Technisch Comité wijst ieder jaar uit zijn leden zijn voorzitter en zijn bureau aan.

Artikel 135

De Commissie kan een ieder raadplegen en alle studiecomités instellen noodzakelijk voor de vervulling van haar taak.

Afdeling IV. - Het Hof van Justitie

Artikel 136

Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg verzekeren, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van dit Verdrag.

Bovendien kunnen, op de wijze die in artikel 140 B is bepaald, aan het Gerecht van eerste aanleg rechterlijke kamers worden toegevoegd om op sommige specifieke gebieden rechterlijke bevoegdheden uit te oefenen waarin dit Verdrag voorziet.

Artikel 137

Het Hof van Justitie bestaat uit een rechter per lidstaat.

Het Hof van Justitie houdt zitting in kamers of als grote kamer, overeenkomstig de regels die daartoe in het statuut van het Hof van Justitie zijn vastgesteld.

Wanneer het statuut daarin voorziet, kan het Hof van Justitie ook in voltallige zitting bijeenkomen.

Artikel 138

Het Hof van Justitie wordt bijgestaan door acht advocaten-generaal. Indien het Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het aantal advocaten-generaal verhogen.

De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie vereist is.

Artikel 139

De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd.

Om de drie jaar vindt, op de wijze die in het statuut van het Hof van Justitie is bepaald, een gedeeltelijke vervanging van de rechters en de advocaten-generaal plaats.

De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Hof van Justitie. Hij is herkiesbaar.

De aftredende rechters en advocaten-generaal zijn herbenoembaar.

Het Hof van Justitie benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie.

Het Hof van Justitie stelt zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

Artikel 140

Het Gerecht van eerste aanleg telt ten minste één rechter per lidstaat. Het aantal rechters wordt vastgesteld bij het statuut van het Hof van Justitie. In het statuut kan worden bepaald dat het Gerecht wordt bijgestaan door advocaten-generaal.

De leden van het Gerecht van eerste aanleg worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn hoge rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging plaats. De aftredende leden zijn herbenoembaar.

De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Gerecht van eerste aanleg. Hij is herkiesbaar.

Het Gerecht van eerste aanleg benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie.

Het Gerecht van eerste aanleg stelt in overeenstemming met het Hof van Justitie zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

Tenzij in het statuut van het Hof van Justitie anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende het Hof van Justitie op het Gerecht van eerste aanleg van toepassing.

Artikel 140 A

  • 1 Het Gerecht van eerste aanleg is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen 146, 148, 151, 152 en 153 bedoelde beroepen, met uitzondering van die waarvoor een rechterlijke kamer bevoegd is en die welke overeenkomstig het statuut aan het Hof van Justitie zijn voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht van eerste aanleg bevoegd is voor andere categorieën van beroepen.

    Tegen de beslissingen die het Gerecht van eerste aanleg op grond van dit lid geeft, kan een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld bij het Hof van Justitie, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald.

  • 2 Het Gerecht van eerste aanleg is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de krachtens artikel 140 B ingestelde rechterlijke kamers.

    De beslissingen die het Gerecht van eerste aanleg op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht wordt aangetast.

  • 3 Het Gerecht van eerste aanleg is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd uit hoofde van artikel 150 en beperkt blijven tot specifieke, in het statuut bepaalde aangelegenheden.

    Wanneer het Gerecht van eerste aanleg van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht, kan het de zaak naar het Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak.

    De beslissingen die het Gerecht van eerste aanleg over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht wordt aangetast.

Artikel 140 B

De Raad kan, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Hof van Justitie, dan wel op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, met eenparigheid van stemmen rechterlijke kamers instellen die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in specifieke aangelegenheden.

In het besluit tot instelling van een rechterlijke kamer worden de regels voor de samenstelling van die kamer vastgesteld en wordt de reikwijdte van de haar verleende bevoegdheden bepaald.

Tegen de beslissingen van de rechterlijke kamers kan bij het Gerecht van eerste aanleg een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld of, wanneer het besluit tot instelling van de kamer daarin voorziet, een beroep dat ook op feitelijke vragen betrekking heeft.

De leden van de rechterlijke kamers worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De rechterlijke kamers stellen in overeenstemming met het Hof van Justitie hun reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

Tenzij in het besluit tot instelling van een rechterlijke kamer anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende het Hof van Justitie en de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie op de rechterlijke kamers van toepassing.

Artikel 141

Indien de Commissie van oordeel is dat een Lid-Staat een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na deze Staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.

Indien de betrokken Staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie.

Artikel 142

Ieder van de Lid-Staten kan zich wenden tot het Hof van Justitie, indien hij van mening is dat een andere Lid-Staat een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Voordat een Lid-Staat tegen een andere Lid-Staat een klacht indient op grond van een beweerde schending van de verplichtingen welke krachtens dit Verdrag op deze laatste rusten, moet hij deze klacht aan de Commissie voorleggen.

De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit nadat aan de betrokken Staten de gelegenheid is gegeven om over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken.

Indien de Commissie binnen drie maanden na indiening van de klacht geen advies heeft uitgebracht, kan desniettemin de klacht bij het Hof van Justitie worden ingediend.

Artikel 143

  • 1 Indien het Hof van Justitie vaststelt dat een Lid-Staat een der krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze Staat gehouden die maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.

  • 2 Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken Lid-Staat deze maatregelen niet heeft genomen, brengt zij, nadat zij deze Staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, een met redenen omkleed advies uit waarin de punten worden gepreciseerd waarop de betrokken Lid-Staat het arrest van het Hof van Justitie niet is nagekomen.

    Indien de betrokken Lid-Staat de maatregelen ter uitvoering van het arrest van het Hof niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn heeft genomen, kan de Commissie de zaak voor het Hof van Justitie brengen. Zij vermeldt het bedrag van de door de betrokken Lid-Staat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.

    Indien het Hof van Justitie vaststelt dat de betrokken Lid-Staat zijn arrest niet is nagekomen, kan het deze Staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen.

    Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel 142.

Artikel 144

Het Hof van Justitie oefent volledige rechtsmacht uit ten aanzien van

  • a) het beroep, ingesteld op grond van artikel 12, om passende voorwaarden te doen vaststellen voor de verlening van licenties en sub-licenties door de Commissie;

  • b) het beroep, ingesteld door personen of ondernemingen tegen de sancties die hun zijn opgelegd door de Commissie op grond van artikel 83.

Artikel 145

Indien de Commissie meent dat een persoon of een onderneming zich schuldig heeft gemaakt aan een schending van dit Verdrag op welke schending de bepalingen van artikel 83 niet van toepassing zijn, verzoekt zij de Lid-Staat waaronder die persoon of die onderneming ressorteert, ter zake van deze schending maatregelen te nemen op grond van zijn nationale wetgeving.

Indien de betrokken Staat op dit verzoek, binnen de door de Commissie gestelde termijn, geen maatregelen neemt, kan de Commissie zich tot het Hof van Justitie wenden ten einde de aan de betrokken persoon of onderneming verweten schending te doen vaststellen.

Artikel 146

Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de handelingen van de Raad en van de Commissie, voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben.

Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.

Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door de Rekenkamer ingesteld beroep dat op de vrijwaring van haar prerogatieven is gericht.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.

Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling heeft kennis heeft gekregen.

Artikel 147

Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie nietig verklaard.

Wat echter de verordeningen betreft, wijst het Hof van Justitie, zo het dit nodig oordeelt, die gevolgen van de vernietigde verordening aan, welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd.

Artikel 148

Ingeval de Raad of de Commissie, in strijd met dit Verdrag, nalaat een besluit te nemen, kunnen de Lid-Staten en de overige instellingen van de Gemeenschap zich wenden tot het Hof van Justitie om deze schending te doen vaststellen.

Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de betrokken instelling vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze instelling na twee maanden, te rekenen van de uitnodiging, haar standpunt nog niet heeft bepaald, kan het beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een der instellingen van de Gemeenschap heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies.

Artikel 149

De instelling welke de vernietigde handeling heeft verricht of wier nalatigheid strijdig met dit Verdrag is verklaard, is gehouden de maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.

Deze verplichting geldt onverminderd die, welke kan voortvloeien uit de toepassing van de tweede alinea van artikel 188.

Artikel 150

Het Hof van Justitie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen

  • a) over de uitlegging van dit Verdrag,

  • b) over de geldigheid en de uitlegging van de door de instellingen van de Gemeenschap verrichte handelingen,

  • c) over de uitlegging van de statuten van bij besluit van de Raad ingestelde organen voor zover in die statuten niet anders is bepaald.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden.

Artikel 151

Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van de in de tweede alinea van artikel 188 bedoelde schade.

Artikel 152

Het Hof van Justitie is bevoegd, uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor hen toepasselijk is.

Artikel 153

Het Hof van Justitie is bevoegd, uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Gemeenschap gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

Artikel 154

Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen Lid-Staten dat met de materie van dit Verdrag verband houdt, indien dit geschil hem krachtens een compromis wordt voorgelegd.

Artikel 155

Behoudens de bevoegdheid die bij dit Verdrag aan het Hof van Justitie wordt verleend, zijn de geschillen waarin de Gemeenschap partij is, niet uit dien hoofde onttrokken aan de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

Artikel 156

Iedere partij kan, ook al is de in de vijfde alinea van artikel 146 bedoelde termijn verstreken, naar aanleiding van een geschil waarbij een verordening van de Raad of van de Commissie in het geding is, de in de tweede alinea van artikel 146 bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie de niet-toepasselijkheid van deze verordening in te roepen.

Artikel 157

Voor zover in dit Verdrag niet anders wordt bepaald, heeft een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep geen schorsende werking. Het Hof van Justitie kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten.

Artikel 158

Het Hof van Justitie kan in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.

Artikel 159

De arresten van het Hof van Justitie zijn uitvoerbaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 164.

Artikel 160

Het statuut van het Hof van Justitie wordt vastgesteld bij een afzonderlijk protocol.

De Raad kan, op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, dan wel op verzoek van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Hof van Justitie, de bepalingen van het statuut, met uitzondering van titel I, met eenparigheid van stemmen wijzigen.

Afdeling V. DE REKENKAMER

Artikel 160 B

  • 1 In de Rekenkamer heeft een onderdaan van elke lidstaat zitting.

  • 2 De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen land behoren of behoord hebben tot de externe controle-instanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn. Zij moeten alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.

  • 3 De leden van de Rekenkamer worden voor zes jaar benoemd. De Raad stelt, na raadpleging van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de overeenkomstig de voordrachten van de lidstaten opgestelde lijst van leden vast. De leden van de Rekenkamer zijn herbenoembaar.

    Zij kiezen uit hun midden voor drie jaar de voorzitter van de Rekenkamer. Hij is herkiesbaar.

  • 4 De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

    Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden zij instructies van enige Regering of enig lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt.

  • 5 De leden van de Rekenkamer mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode.

  • 6 Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden, eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Rekenkamer door vrijwillig ontslag of door ontslag ambtshalve ingevolge een uitspraak van het Hof van Justitie overeenkomstig lid 7.

    De betrokkene wordt vervangen voor de verdere duur van zijn ambtstermijn.

    Behoudens in geval van ontslag ambtshalve, blijven de leden van de Rekenkamer in functie totdat in hun vervanging is voorzien.

  • 7 De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

  • 8 De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de arbeidsvoorwaarden vast, met name de bezoldiging, de vergoedingen en het pensioen van de Voorzitter en de leden van de Rekenkamer.

    Met dezelfde meerderheid stelt hij ook de vergoedingen vast die als bezoldiging kunnen worden aangemerkt.

  • 9 De bepalingen van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen die van toepassing zijn op de rechters van het Hof van Justitie gelden ook voor de leden van de Rekenkamer.

Artikel 160 C

  • 1 De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap. Zij onderzoekt tevens de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van elk door de Gemeenschap ingesteld orgaan, voorzover het instellingsbesluit dit onderzoek niet uitsluit.

    De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. Aan die verklaring kunnen specifieke beoordelingen worden toegevoegd voor ieder belangrijk werkterrein van de Gemeenschap.

  • 2 De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.

    De controle van de ontvangsten geschiedt aan de hand van de vaststellingen en van de stortingen van ontvangsten aan de Gemeenschap.

    De controle van de uitgaven geschiedt aan de hand van betalingsverplichtingen en van betalingen.

    Deze controles kunnen plaatsvinden vóór de afsluiting van de rekeningen van het betrokken begrotingsjaar.

  • 3 De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen van de Gemeenschap, in de gebouwen van alle instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

    De overige instellingen van de Gemeenschap, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

    Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap door de Europese Investeringsbank wordt het recht van toegang van de Rekenkamer tot informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin toegang tot de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap.

  • 4 De Rekenkamer stelt na afsluiting van elk begrotingsjaar een jaarverslag op. Dit verslag wordt toegezonden aan de overige instellingen van de Gemeenschap en tezamen met de antwoorden van deze instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.

    De Rekenkamer kan voorts te allen tijde met betrekking tot bijzondere vraagstukken opmerkingen maken, met name in de vorm van speciale verslagen, en kan op verzoek van een van de overige instellingen van de Gemeenschap adviezen uitbrengen.

    De Rekenkamer neemt haar jaarverslagen, speciale verslagen of adviezen aan met meerderheid van stemmen van haar leden. Zij kan echter uit haar midden kamers vormen voor het aannemen van bepaalde soorten van verslagen of adviezen overeenkomstig haar reglement van orde.

    De Rekenkamer staat het Europees Parlement en de Raad bij bij de controle op de uitvoering van de begroting.

    De Rekenkamer stelt haar reglement van orde vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

HOOFDSTUK II. Bepalingen welke verscheidene instellingen gemeen hebben

Artikel 161

Voor de vervulling van hun taak stellen de Raad en de Commissie verordeningen en richtlijnen vast, geven beschikkingen en brengen aanbevelingen of adviezen uit, onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden.

Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

Een beschikking is verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht.

Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend.

Artikel 162

De verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Raad en van de Commissie worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag moeten worden gevraagd.

Artikel 163

De verordeningen worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij treden in werking op de in de verordeningen bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.

Van de richtlijnen en de beschikkingen wordt kennis gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht; zij worden door deze kennisgeving van kracht.

Artikel 164

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de Staat op wiens grondgebied zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van elke Lid-Staat daartoe wordt aangewezen. Van die aanwijzing geeft zij kennis aan de Commissie, het Hof van Justitie en de Arbitrage-Commissie ingesteld krachtens artikel 18.

Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging volgens de nationale wetgeving voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde instantie.

De tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens een beschikking van het Hof van Justitie. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

HOOFDSTUK III. Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel 165

Er wordt een Economisch en Sociaal Comité met een adviestaak ingesteld.

Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende economische en sociale geledingen van de georganiseerde civiele samenleving, met name van producenten, landbouwers, vervoerders, werknemers, handelaren en ambachtslieden, vrije beroepen, consumenten en het algemeen belang.

Artikel 166

Het aantal leden van het Economisch en Sociaal Comité bedraagt niet meer dan driehonderdvijftig.

Het aantal leden van het Comité is als volgt vastgesteld:

België

12

Tsjechië

12

Denemarken

9

Duitsland

24

Estland

7

Griekenland

12

Spanje

21

Frankrijk

24

Ierland

9

Italië

24

Cyprus

6

Letland

7

Litouwen

9

Luxemburg

6

Hongarije

12

Malta

5

Nederland

12

Oostenrijk

12

Polen

21

Portugal

12

Slovenië

7

Slowakije

9

Finland

9

Zweden

12

Verenigd Koninkrijk

24

De leden van het Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

De Raad stelt met gekwalificeerde stemmen de vergoedingen van de leden van het Comité vast.

Artikel 167

  • 1 De leden van het Comité worden op voordracht van de lidstaten voor vier jaar benoemd. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de overeenkomstig de voordrachten van de lidstaten opgestelde lijst van leden vast. De leden van het Comité zijn herbenoembaar.

  • 2 De Raad raadpleegt de Commissie. Hij kan de mening vragen van de Europese organisaties die representatief zijn voor de verschillende economische en sociale sectoren welke belang hebben bij de activiteit van de Gemeenschap.

Artikel 168

Het Comité kiest, voor een periode van twee jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen.

Artikel 169

Het Comité kan in gespecialiseerde afdelingen worden ingedeeld.

De gespecialiseerde afdelingen verrichten hun werkzaamheden binnen het raam van de algemene bevoegdheden van het Comité. De gespecialiseerde afdelingen kunnen niet buiten het Comité om worden geraadpleegd.

Binnen het Comité kunnen voorts sub-comités worden ingesteld om over bepaalde onderwerpen of op bepaalde gebieden ontwerpadviezen op te stellen, welke ter bespreking aan het Comité moeten worden voorgelegd.

Het reglement van orde stelt de wijze van samenstelling en de bevoegdheden van de gespecialiseerde afdelingen en van de sub-comités vast.

Artikel 170

Het Comité moet door de Raad of door de Commissie worden geraadpleegd in de gevallen voorzien in dit Verdrag. Het kan door deze Instellingen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin zij het wenselijk oordelen. Het Comité kan, in de gevallen waarin het dit wenselijk acht, het initiatief nemen om advies uit te brengen.

Indien de Raad of de Commissie zulks noodzakelijk achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten.

Het advies van het Comité en het advies van de gespecialiseerde afdeling, alsmede een verslag van de besprekingen, worden aan de Raad en aan de Commissie gezonden.

Het Economisch en Sociaal Comité kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.

VIERDE TITEL. FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 171

  • 1 Alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap, behalve die van het Agentschap en van de Gemeenschappelijke Ondernemingen, moeten voor elk begrotingsjaar worden geraamd; zij moeten worden opgenomen hetzij in de huishoudelijke begroting hetzij in de begroting voor onderzoek en investeringen.

    De ontvangsten en uitgaven van elke begroting moeten in evenwicht zijn.

  • 2 De ontvangsten en uitgaven van het Agentschap, dat volgens commerciële beginselen zal werken, zullen op een afzonderlijke staat worden begroot.

    De voorwaarden betreffende de raming, de uitvoering en de controle op deze ontvangsten en uitgaven worden, met inachtneming van de statuten van het Agentschap, geregeld in een ter uitvoering van artikel 183 vastgesteld financieel reglement.

  • 3 De op ieder dienstjaar betrekking hebbende ramingen van ontvangsten en uitgaven alsmede de verlies- en winstrekeningen en de balansen der Gemeenschappelijke Ondernemingen worden medegedeeld aan de Commissie, de Raad en het Europees Parlement, overeenkomstig de bepalingen opgenomen in de statuten van deze Ondernemingen.

Artikel 172

  • 1 [Red: Vervallen.]

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 [Red: Vervallen.]

  • 4 De leningen ter financiering van het onderzoek of van de investeringen worden aangegaan onder de voorwaarden, die de Raad vaststelt overeenkomstig artikel 177, lid 5.

    De Gemeenschap kan leningen opnemen op de kapitaalmarkt van een Lid-Staat in het kader van de wettelijke bepalingen, die aldaar gelden voor binnenlandse leningen; bij ontbreken van dergelijke bepalingen in een Lid-Staat kan zulks slechts plaatsvinden nadat deze Staat en de Commissie onderling overleg hebben gepleegd en tot overeenstemming zijn gekomen omtrent de voorgenomen lening.

    De toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat mag alleen worden geweigerd indien ernstige storingen op de kapitaalmarkt van deze Staat zijn te vrezen.

Artikel 173

De begroting wordt, onverminderd andere ontvangsten, volledig uit eigen middelen gefinancierd.

De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de bepalingen inzake het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschap vast, waarvan hij de aanneming door de Lid-Staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.

Artikel 173 A

Ten einde de begrotingsdiscipline te verzekeren, doet de Commissie geen voorstellen voor communautaire handelingen, brengt zij geen wijzigingen in haar voorstellen aan en neemt zij geen uitvoeringsmaatregelen aan die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Gemeenschap die voortvloeien uit de door de Raad krachtens artikel 173 vastgestelde bepalingen.

Artikel 174

  • 1 De uitgaven voorkomende op de huishoudelijke begroting omvatten met name:

    • a) de administratiekosten,

    • b) de uitgaven die betrekking hebben op de veiligheidscontrole en de gezondheidsbescherming.

  • 2 De uitgaven voorkomende op de begroting voor onderzoek en investeringen omvatten met name:

    • a) de uitgaven die betrekking hebben op de uitvoering van het onderzoekprogramma van de Gemeenschap,

    • b) de eventuele deelneming in het kapitaal en in de investeringsuitgaven van het Agentschap,

    • c) de uitgaven die betrekking hebben op de uitrusting van onderwijsinrichtingen,

    • d) de eventuele deelneming aan de Gemeenschappelijke Ondernemingen en aan bepaalde gemeenschappelijke werkzaamheden.

Artikel 175

De uitgaven opgevoerd op de huishoudelijke begroting worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, voor zover niet anders wordt bepaald in het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement.

Onder de voorwaarden die worden vastgesteld met toepassing van artikel 183, kunnen de kredieten welke aan het einde van het begrotingsjaar ongebruikt zijn gebleven, worden overgedragen uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar, voor zover deze kredieten niet betrekking hebben op personeelsuitgaven.

De kredieten ter dekking van de huishoudelijke uitgaven worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven worden gegroepeerd naar hun aard en bestemming en voor zover nodig onderverdeeld overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement.

De uitgaven van de Vergadering, van de Raad, van de Commissie en van het Hof van Justitie worden als afzonderlijke afdelingen in de begroting opgenomen, onverminderd een speciale regeling voor bepaalde gemeenschappelijke uitgaven.

Artikel 176

  • 1 De toewijzingen ten behoeve van uitgaven voor onderzoek en investeringen omvatten, binnen de grenzen van de programma's of van betalingsbeschikkingen die op grond van dit Verdrag eenstemmigheid van de Raad vereisen:

    • a) vastleggingskredieten ter dekking van een op zich zelf staand deel, dat een samenhangend geheel vormt,

    • b) betalingskredieten die de hoogste grens vormen der uitgaven welke jaarlijks ter dekking van vastgelegde verplichtingen aangegaan krachtens a) kunnen worden geboekt.

  • 2 Het vervalboek van de vastgelegde verplichtingen en de betalingen wordt als bijlage opgenomen bij de overeenkomstige ontwerp-begroting, voorgesteld door de Commissie.

  • 3 De kredieten ter dekking van de uitgaven voor onderzoek en investeringen worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven worden gegroepeerd naar hun aard en bestemming en voor zover nodig onderverdeeld overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement.

  • 4 De beschikbare betalingskredieten worden naar het volgende dienstjaar overgedragen bij beschikking van de Commissie voor zover door de Raad niet anders wordt besloten.

Artikel 177

  • 1 Het begrotingsjaar begint op 1 januari en sluit op 31 december.

    De begroting in de zin van dit artikel omvat de huishoudelijke begroting en de begroting van onderzoek en investeringen.

  • 2 Elke Instelling van de Gemeenschap maakt vóór 1 juli een raming op van haar uitgaven. De Commissie voegt die ramingen in een voorontwerp van begroting samen. Zij voegt daaraan een advies toe, dat afwijkende ramingen mag inhouden.

    Dit voorontwerp omvat een raming van de uitgaven en een raming van de ontvangsten.

  • 3 De Commissie legt het voorontwerp van begroting uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan de Raad voor.

    De Raad raadpleegt de Commissie en, in voorkomend geval, de andere betrokken Instellingen telkens wanneer hij van dit voorontwerp wenst af te wijken.

    De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de ontwerp-begroting op en zendt deze aan de Vergadering.

  • 4 De ontwerp-begroting moet uiterlijk op 5 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan de Vergadering worden voorgelegd.

    De Vergadering heeft het recht om de ontwerp-begroting met meerderheid van de stemmen van haar leden te amenderen, en om aan de Raad, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, wijzigingen in het ontwerp voor te stellen met betrekking tot de uitgaven die verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten.

    Indien de Vergadering binnen een termijn van vijfenveertig dagen na voorlegging van de ontwerp-begroting haar goedkeuring heeft verleend, is de begroting definitief vastgesteld. Indien de Vergadering binnen die termijn de ontwerp-begroting niet heeft geamendeerd of geen wijzigingen daarin heeft voorgesteld, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld.

    Indien de Vergadering binnen die termijn amendementen heeft aangenomen of wijzigingen heeft voorgesteld, wordt de aldus geamendeerde of van wijzigingsvoorstellen voorziene ontwerp-begroting aan de Raad gezonden.

  • 5 Na over de ontwerp-begroting te hebben beraadslaagd met de Commissie en, in voorkomend geval, met de andere betrokken Instellingen, neemt de Raad een besluit onder de volgende voorwaarden:

    • a) de Raad kan elk der door de Vergadering aangenomen amendementen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen;

    • b) wat de wijzigingsvoorstellen betreft:

      • - indien een door de Vergadering voorgestelde wijziging niet leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een Instelling, met name doordat de stijging van de uitgaven die daarvan het gevolg zou zijn, uitdrukkelijk wordt gecompenseerd door één of meer voorgestelde wijzigingen die een overeenkomstige daling van de uitgaven behelzen, kan de Raad dit wijzigingsvoorstel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen afwijzen. Bij gebreke van een afwijzend besluit is het wijzigingsvoorstel aanvaard;

      • - indien een door de Vergadering voorgestelde wijziging leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een Instelling, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen dit wijzigingsvoorstel aanvaarden. Bij gebreke van een besluit tot aanvaarding is het wijzigingsvoorstel afgewezen;

      • - indien de Raad overeenkomstig één van beide vorige streepjes een wijzigingsvoorstel heeft afgewezen, kan hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen of wel het in de ontwerpbegroting voorkomende bedrag handhaven, of wel een ander bedrag vaststellen.

    De ontwerp-begroting wordt gewijzigd overeenkomstig de door de Raad aangenomen wijzigingsvoorstellen.

    Indien de Raad, binnen een termijn van vijftien dagen na voorlegging van de ontwerp-begroting geen der door de Vergadering aangenomen amendementen heeft gewijzigd en indien de door haar ingediende wijzigingsvoorstellen zijn aanvaard, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld. De Raad stelt de Vergadering ervan in kennis dat hij geen der amendementen heeft gewijzigd en dat hij de wijzigingsvoorstellen heeft aanvaard.

    Indien de Raad binnen deze termijn een of meer der door de Vergadering aangenomen amendementen heeft gewijzigd of indien de door haar ingediende wijzigingsvoorstellen zijn afgewezen of gewijzigd, wordt de gewijzigde ontwerp-begroting opnieuw aan de Vergadering toegezonden. De Raad zet het resultaat van zijn beraadslagingen aan de Vergadering uiteen.

  • 6 Binnen een termijn van vijftien dagen na voorlegging van de ontwerp-begroting kan de Vergadering, na te zijn ingelicht over het gevolg dat aan haar wijzigingsvoorstellen is gegeven, met meerderheid van de stemmen van haar leden en met drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen de door de Raad in haar amendementen aangebrachte wijzigingen amenderen of afwijzen en stelt zij dienovereenkomstig de begroting vast. Indien de Vergadering geen besluit heeft genomen binnen deze termijn, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld.

  • 7 Wanneer de in dit artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert de Voorzitter van de Vergadering dat de begroting definitief is vastgesteld.

  • 8 De Vergadering kan evenwel, met meerderheid van de stemmen van haar leden en met twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen, om gewichtige redenen, de ontwerp-begroting afwijzen en verzoeken dat haar een nieuw ontwerp wordt voorgelegd.

  • 9 Voor alle andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, wordt elk jaar een maximumpercentage van de stijging ten opzichte van de uitgaven van dezelfde aard van het lopende begrotingsjaar vastgesteld.

    Na raadpleging van het Comité voor de economische politiek constateert de Commissie dit maximumpercentage, dat voortvloeit uit:

    • - de ontwikkeling van het bruto nationaal produkt naar volume in de Gemeenschap,

    • - de gemiddelde variatie van de begrotingen der Lid-Staten en uit

    • - het verloop van de kosten van levensonderhoud in het laatste begrotingsjaar.

    Het maximumpercentage wordt vóór 1 mei aan alle Instellingen van de Gemeenschap medegedeeld. Deze dienen dit percentage te respecteren zolang de begrotingsprocedure loopt, behoudens het bepaalde in de vierde en de vijfde alinea.

    Indien voor de andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, het stijgingspercentage dat volgt uit de door de Raad opgestelde ontwerp-begroting meer dan de helft van het maximumpercentage bedraagt, kan de Vergadering in de uitoefening van haar recht van amendement, het totale bedrag van deze uitgaven alsnog verhogen tot de helft van het maximumpercentage.

    Is de Vergadering, de Raad of de Commissie van oordeel dat de activiteiten van de Gemeenschappen een overschrijding van het volgens de procedure van dit lid bepaalde percentage nodig maken, dan kan een nieuw percentage worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, en de Vergadering, die besluit met meerderheid van de stemmen van haar leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen.

  • 10 Elke Instelling oefent de haar bij het onderhavige artikel toegekende bevoegdheden uit onder eerbiediging van de bepalingen van het Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, met name inzake de eigen middelen van de Gemeenschappen en het evenwicht tussen ontvangsten en uitgaven.

Artikel 177 bis

In afwijking van artikel 177 gelden de volgende bepalingen ten aanzien van de begrotingen voor de begrotingsjaren voorafgaande aan het begrotingsjaar 1975:

  • 1. Het begrotingsjaar begint op 1 januari en sluit op 31 december.

    De begroting in de zin van dit artikel omvat de huishoudelijke begroting en de begroting voor onderzoek en investeringen.

  • 2. Elke Instelling van de Gemeenschap maakt vóór 1 juli een raming op van haar uitgaven. De Commissie voegt die ramingen in een voorontwerp van begroting samen. Zij voegt daaraan een advies toe, dat afwijkende ramingen mag inhouden.

    Dit voorontwerp omvat een raming van de ontvangsten en een raming van de uitgaven.

  • 3. De Commissie legt het voorontwerp van begroting uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan de Raad voor.

    De Raad raadpleegt de Commissie en, in voorkomend geval, de andere betrokken Instellingen telkens wanneer hij van dit voorontwerp wenst af te wijken.

    De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de ontwerp-begroting op en zendt deze aan de Vergadering.

  • 4. De ontwerp-begroting moet uiterlijk op 5 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar, aan de Vergadering worden voorgelegd.

    De Vergadering heeft het recht aan de Raad wijzigingen in de ontwerpbegroting voor te stellen.

    Indien de Vergadering binnen een termijn van vijfenveertig dagen na voorlegging van de ontwerp-begroting haar goedkeuring heeft verleend of geen wijzigingen in het ontwerp heeft voorgesteld, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld.

    Indien de Vergadering binnen die termijn wijzigingen heeft voorgesteld, wordt de aldus van wijzigingsvoorstellen voorziene ontwerpbegroting aan de Raad gezonden.

  • 5. Na over deze ontwerp-begroting te hebben beraadslaagd met de Commissie en, in voorkomend geval, met de andere betrokken Instellingen, stelt de Raad de begroting vast binnen een termijn van dertig dagen na voorlegging van het genoemde ontwerp en zulks overeenkomstig de onderstaande bepalingen.

    Indien een door de Vergadering voorgestelde wijziging niet leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een Instelling, met name doordat de stijging van de uitgaven die daarvan het gevolg zou zijn, uitdrukkelijk wordt gecompenseerd door een of meer voorgestelde wijzigingen die een dienovereenkomstige daling van de uitgaven behelzen, kan de Raad dit wijzigingsvoorstel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen afwijzen. Bij gebreke van een afwijzend besluit is het wijzigingsvoorstel aanvaard.

    Indien een door de Vergadering voorgestelde wijziging leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een Instelling, moet de Raad besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen om dit wijzigingsvoorstel te aanvaarden.

    Indien de Raad een wijzigingsvoorstel heeft afgewezen overeenkomstig de tweede alinea of niet heeft aanvaard overeenkomstig de derde alinea, kan hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen ofwel het in de ontwerp-begroting voorkomende bedrag handhaven ofwel een ander bedrag vaststellen.

  • 6. Wanneer de in dit artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert de Voorzitter van de Raad dat de begroting definitief is vastgesteld.

  • 7. Elke Instelling oefent de haar bij het onderhavige artikel toegekende bevoegdheden uit onder eerbiediging van de bepalingen van het Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, met name inzake de eigen middelen van de Gemeenschappen en het evenwicht tussen ontvangsten en uitgaven.

Artikel 178

Indien bij het begin van een begrotingsjaar de begroting nog niet is aangenomen, kunnen de uitgaven maandelijks worden verricht per hoofdstuk of per andere afdeling, overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement, zonder dat zij een twaalfde der bij de begroting van het vorige begrotingsjaar geopende kredieten mogen overschrijden en zonder dat deze maatregel tot gevolg mag hebben, dat de Commissie meer dan een twaalfde van de kredieten van de in voorbereiding zijnde ontwerpbegroting ter beschikking krijgt.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, onder voorbehoud dat aan de overige in de eerste alinea gestelde voorwaarden wordt voldaan, uitgaven van meer dan een twaalfde toestaan.

Indien dit besluit betrekking heeft op andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, zendt de Raad het onverwijld aan de Vergadering; binnen een termijn van dertig dagen kan de Vergadering met meerderheid van de stemmen van haar leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen, een andersluidend besluit nemen voor deze uitgaven voor wat betreft het gedeelte dat het in de eerste alinea bedoelde twaalfde overschrijdt. Dit gedeelte van het besluit van de Raad wordt geschorst totdat de Vergadering heeft besloten. Indien de Vergadering binnen bovengenoemde termijn geen andersluidend besluit dan dat van de Raad heeft genomen, wordt dit besluit geacht definitief te zijn vastgesteld.

De in de tweede en derde alinea bedoelde besluiten voorzien op het igebied van de middelen in de nodige maatregelen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 179

De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.

Het reglement voorziet in de wijze waarop en de mate waarin iedere Instelling haar eigen uitgaven doet.

Binnen elke begroting kan de Commissie, met inachtneming van de grenzen en de voorwaarden bepaald in het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement, kredieten overschrijven hetzij van het ene hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderafdeling naar de andere.

Artikel 179 bis

De Commissie legt elk jaar aan de Raad en aan de Vergadering de rekeningen van het afgelopen begrotingsjaar voor welke betrekking hebben op de uitvoering van de begroting. Bovendien doet zij hun een financiële balans van de activa en passiva van de Gemeenschap toekomen.

Artikel 180 ter

  • 1 Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 179 bis, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 160 C, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.

  • 2 Alvorens kwijting te verlenen aan de Commissie of voor enig ander doel in verband met de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie inzake de uitvoering van de begroting, kan het Europees Parlement de Commissie verzoeken verantwoording af te leggen ter zake van de uitvoering van de uitgaven of de werking van de financiële controlestelsels. De Commissie verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle nodige inlichtingen.

  • 3 De Commissie stelt alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen in de kwijtingsbesluiten en aan de andere opmerkingen van het Europees Parlement over de uitvoering van de uitgaven, alsmede aan de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbevelingen tot kwijting vergezeld gaan.

    Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengt de Commissie verslag uit over de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van deze opmerkingen, met name over de instructies die zijn gegeven aan de diensten die met de uitvoering van de begrotingen zijn belast. Deze verslagen worden ook aan de Rekenkamer toegezonden.

Artikel 181

De begrotingen en de staat, bedoeld in artikel 171, leden 1 en 2, luiden in de rekeneenheid, bepaald overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde financiële reglement.

Artikel 182

  • 1 De Commissie kan, onder voorbehoud dat zij daarvan de bevoegde instanties der betrokken Staten in kennis stelt, de saldi, welke zij in de valuta van een der Lid-Staten in haar bezit heeft, overmaken in de valuta van een andere Lid-Staat, voor zover zij gebruikt moeten worden voor de doeleinden die in dit Verdrag zijn aangewezen. De Commissie vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk, indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta waaraan zij behoefte heeft.

  • 2 De Commissie onderhoudt de betrekkingen met elke Lid-Staat door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen heeft zij toegang tot de centrale bank van de betrokken Lid-Staat of tot een andere door deze Staat gemachtigde financiële instelling.

  • 3 Wat de uitgaven betreft, welke door de Gemeenschap moeten worden verricht in de valuta van derde landen, legt de Commissie, voordat de begrotingen definitief zijn vastgesteld, aan de Raad het indicatieve programma van ontvangsten en uitgaven voor welke in de verschillende valuta's moeten worden gedaan.

    Dit programma wordt door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedgekeurd. Het kan in de loop van het begrotingsjaar volgens dezelfde procedure worden gewijzigd.

  • 4 De overdracht aan de Commissie van de deviezen van derde landen noodzakelijk voor het verrichten van de uitgaven voorkomende in het programma bedoeld in lid 3, moet door de Lid-Staten geschieden volgens de in artikel 172 vastgestelde verdeelsleutel. De overdracht aan de Lid-Staten van door de Commissie geïnde deviezen van derde landen geschiedt volgens dezelfde verdeelsleutel.

  • 5 De Commissie kan vrij beschikken over de deviezen van derde landen, afkomstig van leningen die zij in die landen heeft aangegaan.

  • 6 De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie de in de voorgaande leden bepaalde deviezenregeling geheel of gedeeltelijk op het Agentschap en op de Gemeenschappelijke Ondernemingen van toepassing verklaren en eventueel aan de behoeften van hun werkzaamheid aanpassen.

Artikel 183

  • 1 De Raad, handelend met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en advies van de Rekenkamer:

    • a. stelt de financiële reglementen vast waarbij met name de wijze wordt vastgesteld waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd, alsmede de wijze waarop rekening en verantwoording wordt gedaan en de rekeningen worden nagezien;

    • b. stelt de regels vast en organiseert de controle betreffende de verantwoordelijkheid der financiële controleurs, ordonnateurs en rekenplichtigen.

      Met ingang van 1 januari 2007 besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en advies van de Rekenkamer.

  • 2 De Raad, handelend met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en advies van de Rekenkamer, bepaalt de regels en procedure volgens welke de budgettaire ontvangsten waarin het stelsel der eigen middelen van de Gemeenschap voorziet, ter beschikking van de Commissie worden gesteld, en schrijft voor welke maatregelen moeten worden toegepast om in voorkomend geval te voorzien in de behoefte aan kasmiddelen.

Artikel 183 A

De Lid-Staten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.

Onverminderd andere bepalingen van dit Verdrag coördineren de Lid-Staten hun optreden om de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude te beschermen. Zij stellen daartoe met de hulp van de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen hun bevoegde overheidsdiensten in.

VIJFDE TITEL. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 185

In elk der Lid-Staten heeft de Gemeenschap de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd.

Artikel 187

Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Commissie, binnen de grenzen en onder de voorwaarden door de Raad overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag vastgesteld, alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten.

Artikel 188

De contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is.

Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

De persoonlijke aansprakelijkheid der personeelsleden jegens de Gemeenschap wordt geregeld bij de bepalingen welke hun statuut of de op hen toepasselijke regeling vaststellen.

Artikel 189

De zetel van de instellingen der Gemeenschap wordt in onderlinge overeenstemming door de regeringen der Lid-Staten vastgesteld.

Artikel 190

De regeling van het taalgebruik door de instellingen der Gemeenschap wordt, onverminderd de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie, door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld.

Artikel 191

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak.

Artikel 192

De Lid-Staten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen ter uitvoering van de verplichtingen welke voortvloeien uit het Verdrag of het gevolg zijn van de handelingen der instellingen van de Gemeenschap. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak.

Zij onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen.

Artikel 193

De Lid-Staten verbinden zich, een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag niet op andere wijze te doen beslechten dan in dit Verdrag is voorgeschreven.

Artikel 194

  • 1 De leden van de instellingen der Gemeenschap, de leden van de comités, de ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschap alsook alle andere personen die hetzij door hun functie, hetzij door hun openbare of particuliere betrekkingen met de instellingen of installaties van de Gemeenschap of met de Gemeenschappelijke Ondernemingen, in aanmerking komen om inzage te nemen of te krijgen van feiten, inlichtingen, kennis, documenten of voorwerpen die geheim moeten worden gehouden krachtens de door een Lid-Staat of een instelling van de Gemeenschap getroffen voorzieningen, zijn verplicht deze zelfs na afloop van die functies of betrekkingen geheim te houden voor elke onbevoegde persoon alsook voor het publiek.

    Elke Lid-Staat beschouwt iedere schending van deze verplichting als een inbreuk op zijn beschermde geheimen, die voor wat betreft zowel de zaak zelf als de bevoegdheid, valt onder de bepalingen van zijn wetgeving inzake het in gevaar brengen van de veiligheid van de Staat of de schending van het beroepsgeheim. Hij vervolgt op verzoek van iedere betrokken Lid-Staat of van de Commissie, eenieder die zich aan een dergelijke schending heeft schuldig gemaakt en die onder zijn rechtsmacht valt.

  • 2 Iedere Lid-Staat doet aan de Commissie mededeling van alle bepalingen die op zijn grondgebied de classificering en de geheimhouding regelen van inlichtingen, kennis, documenten of voorwerpen die binnen de werkingssfeer van dit Verdrag vallen.

    De Commissie draagt zorg voor de mededeling van die bepalingen aan de andere Lid-Staten.

    Ten einde de geleidelijke invoering van een zo eenvormig en zo ruim mogelijke bescherming der beschermde geheimen te vergemakkelijken, neemt elke Lid-Staat alle daartoe dienstige maatregelen. Na raadpleging van de betrokken Lid-Staten kan de Commissie te dien einde alle aanbevelingen doen.

  • 3 De instellingen van de Gemeenschap en hun installaties, alsmede de Gemeenschappelijke Ondernemingen zijn gehouden, met betrekking tot de bescherming van geheimen de bepalingen toe te passen die van kracht zijn op het grondgebied waar ieder van hen gevestigd is.

  • 4 Iedere machtiging om kennis te nemen van binnen de werkingssfeer van het Verdrag vallende en door geheimhouding beschermde feiten, inlichtingen, documenten of voorwerpen die hetzij door een instelling van de Gemeenschap, hetzij door een Lid-Staat verleend wordt aan een persoon werkzaam op het terrein waarop dit Verdrag van toepassing is, wordt door iedere andere instelling en iedere andere Lid-Staat erkend.

  • 5 De bepalingen van dit artikel vormen geen beletsel voor de toepassing van de bijzondere bepalingen voortvloeiende uit akkoorden tussen een Lid-Staat en een derde Staat of een internationale organisatie.

Artikel 195

De instellingen van de Gemeenschap alsook het Agentschap en de Gemeenschappelijke Ondernemingen moeten bij de toepassing van dit Verdrag de voorwaarden in acht nemen welke in de nationale regelingen om redenen van openbare orde of volksgezondheid gesteld zijn voor de toegang tot de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

Artikel 196

Voor de toepassing van dit Verdrag en voor zover hierin niet anders is bepaald, wordt verstaan onder:

  • a) „persoon”; iedere natuurlijke persoon die op de grondgebieden van de Lid-Staten zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitoefent op het door het desbetreffende hoofdstuk van het Verdrag bepaalde terrein;

  • b) „onderneming”: iedere onderneming of instelling welke haar werkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitoefent onder dezelfde voorwaarden als bedoeld onder a), ongeacht haar publiek- of privaatrechtelijke positie.

Artikel 197

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • 1. „bijzondere splijtstoffen”: plutonium 239, uranium 233, uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233; elk produkt dat een of meer der hierbovengenoemde isotopen bevat, evenals die andere splijtstoffen die door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie als zodanig worden aangewezen; de term „bijzondere splijtstoffen” is echter niet van toepassing op grondstoffen;

  • 2. „uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233”: uranium dat hetzij uranium 235, hetzij uranium 233, hetzij beide isotopen bevat in een zodanige hoeveelheid dat de verhouding tussen de som van die twee isotopen en de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uranium;

  • 3. „grondstoffen”: uranium dat het mengsel van isotopen bevat zoals dit in de natuur wordt aangetroffen, uranium waarvan het gehalte aan uranium 235 lager is dan normaal, thorium, alle hierboven vermelde materialen in de vorm van metaal, van legeringen, van chemische verbindingen of van concentraten, ieder ander materiaal dat een of meer der hierboven vermelde stoffen bevat in een gehalte dat door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie wordt vastgesteld;

  • 4. „ertsen”: elk erts dat een door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie vast te stellen gemiddeld gehalte aan bestanddelen bevat, die het mogelijk maken om door doelmatige scheikundige en natuurkundige behandeling grondstoffen te verkrijgen als hierboven zijn omschreven.

Artikel 198

Voor zover in het Verdrag niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Europese grondgebieden van de Lid-Staten en op de niet-Europese grondgebieden welke onder hun rechtsmacht vallen.

Zij zijn eveneens van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een Lid-Staat worden behartigd.

Overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Åland-eilanden.

In afwijking van de voorgaande alinea's:

  • a) is dit Verdrag niet van toepassing op de Faeröer.

  • b) Is dit Verdrag niet van toepassing op de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen.

  • c) Is dit Verdrag niet van toepassing op de landen en gebieden overzee die met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bijzondere betrekkingen onderhouden, die niet zijn vermeld op de lijst in bijlage IV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.

  • d) Zijn de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voor zover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel 199

De Commissie is belast met de zorg voor alle dienstige betrekkingen met de organen van de Verenigde Naties, van hun gespecialiseerde organisaties en van de Wereldhandelsorganisatie.

Zij onderhoudt bovendien de wenselijk geachte betrekkingen met alle internationale organisaties.

Artikel 200

De Gemeenschap brengt elke dienstige samenwerking tot stand met de Raad van Europa.

Artikel 201

De Gemeenschap brengt met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling een nauwe samenwerking tot stand welke zal plaatsvinden op de wijze die in onderlinge overeenstemming wordt vastgesteld.

Artikel 202

De bepalingen van dit Verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door toepassing van dit Verdrag.

Artikel 203

Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt ter verwezenlijking van een der doelstellingen van de Gemeenschap zonder dat dit Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de passende maatregelen.

Artikel 204

  • 1 Wanneer een besluit is genomen tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van een lidstaat overeenkomstig artikel 7, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, worden deze stemrechten ook geschorst ten aanzien van dit Verdrag.

  • 2 Voorts kan de Raad, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

    De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

  • 3 De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

  • 4 De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten zonder rekening te houden met de stemmen van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. In afwijking van artikel 118, lid 2, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 118, lid 2.

    Dit lid is ook van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst overeenkomstig lid 1. In dergelijke gevallen wordt een besluit waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist, genomen zonder de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.

Artikel 206

De Gemeenschap kan met een of meer Staten of internationale organisaties akkoorden sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.

Die akkoorden worden gesloten door de Raad krachtens een na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen genomen besluit.

Wanneer die akkoorden wijzigingen in dit Verdrag medebrengen, moeten deze wijzigingen vooraf worden aangenomen volgens de procedure van artikel N van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Artikel 207

De protocollen die, in onderlinge overeenstemming tussen de Lid-Staten, aan dit Verdrag worden gehecht, maken een integrerend deel daarvan uit.

ZESDE TITEL. BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE BEGINPERIODE

[Vervallen per 01-05-1999]

SLOTBEPALINGEN

Artikel 224

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende Staat die als laatste deze handeling verricht. Indien deze nederlegging echter minder dan vijftien dagen vóór het begin van de eerstvolgende maand plaatsvindt wordt de inwerkingtreding van het Verdrag verschoven naar de eerste dag van de tweede maand volgende op die nederlegging.

Artikel 225

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

Krachtens de Toetredingsverdragen zijn de teksten van dit Verdrag in de Deense, de Engelse, de Finse, de Griekse, de Ierse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

Gedaan te Rome, de vijfentwintigste maart negentienhonderd zevenenvijftig.

BIJLAGE I. GEBIED VAN ONDERZOEK BETREFFENDE DE KERNENERGIE

bedoeld in artikel 4 van het Verdrag

I. Basismaterialen

  • 1. Methoden van opsporing van delfstoffen en mijnontginning, in het bijzonder betreffende de winning van basismaterialen (uranium, thorium en andere produkten van bijzonder belang voor de kernenergie).

  • 2. Methoden voor concentratie van deze basismaterialen en voor omzetting daarvan in technisch zuivere verbindingen.

  • 3. Methoden voor omzetting van deze technisch zuivere verbindingen in verbindingen en metalen van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

  • 4. Methoden voor omzetting en bewerking van deze verbindingen en metalen - alsmede van plutonium, uranium 235 of 233, zuiver of verwerkt in genoemde verbindingen of metalen - door de chemische, keramische of metallurgische industrie tot splijt stof elementen.

  • 5. Methoden voor de bescherming van deze splijtstof elementen tegen corrosie en erosie door uitwendige invloeden.

  • 6. Methoden voor vervaardiging, zuivering, bewerking en bewaring van andere speciale materialen op het gebied van de kernenergie, in het bijzonder:

    • a) Moderatoren, zoals zwaarwater, grafiet van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie, beryllium en berylliumoxyde.

    • b) Materialen voor de bouw van reactoren zoals zirkonium (vrij van hafnium), niobium, lanthanium, titanium, beryllium en hun oxyden, carbiden en andere verbindingen, welke gebruikt kunnen worden op het gebied van de kernenergie.

    • c) Koelmiddelen zoals helium, organische warmte-overdragers, natrium, legeringen van natrium en kalium, bismuth, legeringen van lood en bismuth.

  • 7. Methoden voor de afscheiding van isotopen

    • a) van uranium,

    • b) van stoffen in weegbare hoeveelheden, welke kunnen worden gebruikt bij de opwekking van kernenergie, zoals lithium 6 en 7, stikstof 15, borium 10,

    • c) van isotopen welke in kleine hoeveelheden gebruikt worden voor onderzoekswerkzaamheden.

II. Natuurkunde toegepast op de kernenergie

  • 1. Toegepaste theoretische natuurkunde:

    • a) kernreacties met lage energie, in het bijzonder reacties veroorzaakt door neutronen,

    • b) splijting,

    • c) wisselwerking van ioniserende straling en photonen met materie,

    • d) theorie van de vaste toestand,

    • e) bestudering van de kernversmelting, in het bijzonder van het gedrag van een geïoniseerd plasma onder invloed van elektromagnetische krachten en van de thermodynamica van uiterst hoge temperaturen.

  • 2. Toegepaste experimentele natuurkunde:

    • a) dezelfde onderwerpen als vermeld onder 1 hierboven,

    • b) bestudering van de eigenschappen van de transuraniumelementen van belang voor de kernenergie.

  • 3. Berekeningen inzake reactoren:

    • a) theoretische macroscopische neutronenleer,

    • b) experimentele bepaling van de neutronenverdeling: exponentiële en kritische experimenten,

    • c) thermodynamische berekeningen en berekeningen van de bestendigheid van materialen,

    • d) overeenkomstige experimentele bepalingen,

    • e) reactorkinetica, problemen van de reactorregeling en overeenkomstige experimenten,

    • f) berekening van de afscherming van straling en overeenkomstige experimenten.

III. Fysische chemie van de reactoren

  • 1. Studie van de natuurkundige en scheikundige structuurveranderingen en van de wijziging van de technische eigenschappen van verschillende materialen in reactoren door:

    • a) warmte,

    • b) de aard van de met elkaar in contact zijnde materialen,

    • c) mechanische oorzaken.

  • 2. Studie van de afbraak en andere verschijnselen veroorzaakt door bestraling:

    • a) in de splijtstof elementen,

    • b) in de materialen voor de bouw van reactoren en in de koelmiddelen,

    • c) in de moderatoren.

  • 3. Toepassing van de chemische en de fysisch-chemische analyse op de bestanddelen van reactoren.

  • 4. Fysische chemie van homogene reactoren: radio-chemie, corrosie.

IV. Behandeling van radioactieve materialen

  • 1. Methoden voor de winning van plutonium en uranium 233 uit bestraalde splijtstoffen, eventuele terugwinning van uranium of thorium.

  • 2. Scheikunde en metallurgie van plutonium.

  • 3. Afscheidingsmethoden en scheikunde van de andere transuraniumelementen.

  • 4. Afscheidingsmethoden en scheikunde van de bruikbare radio-actieve isotopen:

    • a) splijtingsprodukten,

    • b) produkten verkregen door bestraling.

  • 5. Concentratie en opslag van onbruikbare radioactieve afval.

V. Toepassing van radioactieve isotopen

Als zodanig of als „tracers” in:

  • a) de industrie en de wetenschap,

  • b) de geneeskunde en de biologie,

  • c) de landbouw.

VI. Studie van de schadelijke inwerking van straling op levende wezens

  • 1. Studie van de wijze van aantonen en de meting van schadelijke straling.

  • 2. Studie van de middelen ter doelmatige voorkoming van bestraling en bescherming daartegen en van de daarmede samenhangende veiligheidsnormen.

  • 3. Studie van de geneeswijzen tegen de gevolgen van straling.

VII. Uitrustingen

Studie voor de uitvoering en de verbetering van de uitrusting bestemd, niet alleen voor de reactoren, doch ook voor het geheel van installaties, ten behoeve van onderzoek en industrie welke zijn vereist voor de hierboven opgesomde onderzoekingen. Als voorbeeld kunnen worden genoemd:

  • 1. de volgende mechanische uitrusting:

    • a) pompen voor speciale vloeistoffen,

    • b) warmtewisselaars,

    • c) apparaten voor kernfysisch onderzoek (zoals apparaten voor het scheiden van neutronen naar snelheid),

    • d) apparatuur voor afstandsbediening;

  • 2. de volgende elektrische uitrusting:

    • a) apparatuur voor het aantonen en de meting van straling in het bijzonder ten behoeve van

      • - de opsporing van delfstoffen,

      • - het wetenschappelijk en technisch onderzoek,

      • - de regeling van reactoren,

      • - de bescherming van de gezondheid,

    • b) apparatuur voor de bediening van reactoren,

    • c) apparaten voor de versnelling van deeltjes met een lage energie tot 10 MeV.

VIII. Economische gezichtspunten van de energieproduktie

  • 1. Theoretische en experimentele vergelijkende studie van verschillende typen van reactoren.

  • 2. Technisch-economische bestudering van de splijtstofcyclussen.

BIJLAGE II. TAKKEN VAN INDUSTRIE

bedoeld in artikel 41 van het Verdrag
  • 1. Winning van uranium- en thoriumertsen.

  • 2. Concentratie van die ertsen.

  • 3. Scheikundige behandeling en zuivering van de concentraten van uranium en thorium.

  • 4. Bereiding van splijtstoffen in elke vorm.

  • 5. Vervaardiging van splijt stof elementen.

  • 6. Vervaardiging van uraniumhexafluoride.

  • 7. Produktie van verrijkt uranium.

  • 8. Behandeling van bestraalde splijtstoffen voor de afscheiding van alle of een deel der elementen, welke deze bevatten.

  • 9. Produktie van moderatoren voor reactoren.

  • 10. Produktie van hafniumvrij zirkonium of van verbindingen daarvan.

  • 11. Kernreactoren van elk type en voor elk doel.

  • 12. Installaties voor de industriële behandeling van radioactieve afval, opgericht in verband met een of meer van de in deze lijst bedoelde installaties.

  • 13. Semi-industriële installaties bestemd voor de voorbereiding van de bouw van bedrijven, vallende onder de takken van industrie 3 tot en met 10.

BIJLAGE III. GUNSTEN, welke op grond van artikel 48 van het Verdrag kunnen worden toegekend AAN GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMINGEN

  • 1.

    • a) Erkenning van het openbare nutskarakter, overeenkomstig de nationale wetgevingen, van de door Gemeenschappelijke Ondernemingen te verkrijgen, voor hun vestiging noodzakelijke, onroerende goederen.

    • b) Toepassing, overeenkomstig de nationale wetgevingen, van de onteigeningsprocedure ten openbaren nutte ten einde bij gebreke van minnelijke overeenstemming die goederen te verkrijgen.

  • 2. Begunstiging door licentieverlening bij wege van arbitrage of ambtshalve op grond van de artikelen 17 tot en met 23.

  • 3. Ontheffing van alle rechten en belastingen bij de oprichting van Gemeenschappelijke Ondernemingen en van alle rechten ter zake van inbreng.

  • 4. Ontheffing van rechten en belastingen op de overdracht geheven bij de verkrijging van onroerende goederen en van rechten van overschrijving en registratie.

  • 5. Ontheffing van alle directe belastingen, welke op de Gemeenschappelijke Ondernemingen, hun goederen, bezittingen en inkomsten zouden kunnen worden toegepast.

  • 6. Ontheffing van alle douanerechten en heffingen van gelijke werking en van alle verboden en beperkingen van in- of uitvoer, zowel van economische als van fiscale aard, wat betreft:

    • a) wetenschappelijke en technische goederen, met uitzondering van bouwmaterialen en materieel voor administratieve doeleinden,

    • b) stoffen bestemd voor be- of verwerking of reeds bewerkt in de Gemeenschappelijke Onderneming.

  • 7. Deviezenfaciliteiten, als bedoeld in artikel 182, lid 6.

  • 8. Vrijstelling van toelatings- en verblijfsbeperkingen ten gunste van de in dienst der Gemeenschappelijke Ondernemingen zijnde onderdanen der Lid-Staten, alsmede van hun echtgenoten en de te hunnen laste komende gezinsleden.

BIJLAGE IV. LIJSTEN VAN GOEDEREN EN PRODUKTEN

die vallen onder de bepalingen van hoofdstuk IX met betrekking tot de gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie

Lijst A1

Uraniumertsen bevattende meer dan 5 gewichtspercenten natuurlijk uranium.

Pekblende (uraanpikerts) bevattende meer dan 5 gewichtspercenten natuurlijk uranium.

Uraniumoxyde.

Anorganische verbindingen van natuurlijk uranium, andere dan uraniumoxyde en uraanhexafluoride.

Organische verbindingen van natuurlijk uranium.

Natuurlijk uranium, ruw of bewerkt.

Legeringen bevattende plutonium.

Organische en anorganische verbindingen van uranium, verrijkt in organische of in anorganische verbindingen van uranium 235.

Organische en anorganische verbindingen van uranium 233.

Thorium, verrijkt met uranium 233.

Organische en anorganische verbindingen van plutonium.

Uranium, verrijkt met plutonium.

Uranium, verrijkt in uranium 235.

Legeringen bevattende uranium verrijkt in uranium 235 of uranium 233.

Plutonium.

Uranium 233.

Uraanhexafluoride.

Monaziet.

Thoriumertsen, bevattende meer dan 20 gewichtspercenten thorium.

Urano-thoraniet, bevattende meer dan 20 gewichtspercenten thorium.

Thorium, ruw of bewerkt.

Thoriumoxyde.

Anorganische verbindingen van thorium, andere dan thoriumoxyde.

Organische verbindingen van thorium.

Lijst A2

Zware waterstof (deuterium) en verbindingen daarvan (zwaarwater daaronder begrepen), waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

Zware paraffine, waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

Mengsels en oplossingen, waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

Apparaten voor het scheiden van uraniumisotopen door gasdiffusie of volgens andere werkwijzen.

Kernreactoren.

Apparatuur voor het bereiden van zware waterstof en van verbindingen daarvan (zwaarwater daaronder begrepen), zomede voor het bereiden van derivaten, mengsels en oplossingen, welke zware waterstof bevatten en waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt

  • - apparaten waarvan de werking berust op de elektrolyse van water;

  • - apparaten waarvan de werking berust op de distillatie van water, van vloeibare waterstof enz.;

  • - apparaten waarin door middel van een verandering van de temperatuur een uitwisseling van isotopen wordt tot stand gebracht tussen zwavelwaterstof en water;

  • - apparaten welke werken volgens andere werkwijzen.

Apparaten, welke speciaal zijn vervaardigd voor de scheikundige behandeling van radioactieve stoffen

  • - apparaten voor het scheiden van bestraalde splijtstof

    • - langs scheikundige weg (door oplosmiddelen, neerslaan, ionenuitwisseling, enz.);

    • - langs natuurkundige weg (door gefractioneerde distillatie, enz.);

  • - apparaten voor de behandeling van afvalstoffen,

  • - apparaten voor het weer in omloop brengen van splijtstof.

Voertuigen speciaal ingericht en uitgerust voor het vervoer van sterk radioactieve stoffen

  • - goederen wagens voor spoor- en tramwegen voor iedere spoorwegbreedte;

  • - automobielen voor goederenvervoer;

  • - transport wagentjes, vorkheftrucks en dergelijke motorvoertuigen;

  • - aanhangwagens, opleggers en dergelijke voertuigen zonder eigen beweegkracht.

Verpakkingsmiddelen voor het vervoer en de opslag van radioactieve stoffen, voorzien van een loden bekleding ter afscherming van radioactieve straling.

Kunstmatig verkregen radioactieve isotopen en organische en anorganische verbindingen daarvan.

Werktuigen voor het hanteren van goederen op afstand, speciaal vervaardigd voor het hanteren van sterk radioactieve stoffen

  • - al dan niet verplaatsbare mechanische werktuigen, niet bestemd om met handkracht te worden bediend.

Lijst B

[Red: (Vermelding geschrapt)]

Lithiumertsen en concentraten daarvan.

Metalen van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie

  • - beryllium (glucinium), ruw;

  • - bismuth, ruw;

  • - niobium (columbium), ruw;

  • - zirkonium (vrij van hafnium), ruw;

  • - lithium, ruw;

  • - aluminium, ruw;

  • - calcium, ruw;

  • - magnesium, ruw.

Boriumtrifluoride.

Watervrije fluorwaterstof.

Chloortrifluoride.

Broomtrifluoride.

Lithiumhydroxyde.

Lithiumfluoride.

Lithiumchloride.

Lithiumhydride.

Lithiumcarbonaat.

Berylliumoxyde (glucine) van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

Vuurvaste stenen van berylliumoxyde van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

Andere vuurvaste produkten van berylliumoxyde van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

Kunstmatig grafiet in blokken of staven, waarin het boriumgehalte niet meer bedraagt dan 1 op een miljoen en waarvan de totale microscopische werkzame doorsnede voor de absorptie van thermische neutronen niet meer bedraagt dan 5 millibarns.

Kunstmatig afgescheiden stabiele isotopen.

Elektromagnetische ionenscheidingsapparaten, massaspectrografen en massaspectrometers daaronder begrepen.

Simulatoren (apparaten voor het nabootsen van de werking van kernreactoren, te weten speciaal ontworpen rekenmachines, werkend volgens het principe van de „analogie”).

Mechanische werktuigen voor het hanteren van goederen op afstand

  • - voor handgebruik (d.w.z. welke als een werktuig met de hand worden bediend).

Pompen voor vloeibaar metaal.

Hoogvacuumpompen.

Warmtewisselaars speciaal vervaardigd voor kernenergiecentrales.

Instrumenten voor het aantonen van straling (en daarvoor bestemde vervangingsonderdelen) van een der volgende typen, speciaal ontworpen voor of geschikt om te worden aangepast aan het aantonen of de meting van kernstraling zoals alpha- en beta-deeltjes, gamma-straling, neutronen en protonen:

  • - Geiger-telbuizen en proportionele telbuizen;

  • - instrumenten voor het aantonen of het meten, werkend met Geiger-Müller-buizen of met proportionele telbuizen;

  • - ionisatiekamers;

  • - instrumenten werkend met ionisatiekamers;

  • - apparaten voor het aantonen of meten van stralingen welke worden gebruikt bij de opsporing van delfstoffen en bij het controleren van reactoren, van de lucht, van het water en van de bodem;

  • - buizen voor het aantonen van neutronen, waarin borium, boriumtrifluoride, waterstof of een splijtbaar element wordt toegepast;

  • - aantonings- en meetinstrumenten voorzien van buizen ter aantoning van neutronen, waarin borium, boriumtrifluoride, waterstof of een splijtbaar element wordt toegepast;

  • - scintillatiekristallen, gemonteerd of in metalen huls (vaste scintillatoren);

  • - apparaten voor het aantonen of het meten, welke vaste, vloeibare of gasvormige scintillatoren bevatten;

  • - speciaal voor meting van kernstraling ontworpen versterkers, lineaire versterkers, voorversterkers, versterkers met getrapte versterking, analysatoren (impuls-hoogte-analysatoren);

  • - coïncidentieapparatuur voor gebruik met instrumenten voor het aantonen van straling;

  • - elektroscopen en elektrometers, met inbegrip van dosimeters (evenwel met uitzondering van toestellen voor het onderwijs, eenvoudige metaalblad-elektroscopen, dosimeters speciaal bestemd voor gebruik met röntgenapparaten voor medische doeleinden en apparaten voor het meten van statische elektriciteit);

  • - apparaten voor het meten van stromen zwakker dan een micro - micro - ampère;

  • - fotomultiplicatorbuizen, voorzien van een fotokathode, welke een stroom geeft van ten minste 10 micro-ampère per lumen en waarvan de gemiddelde versterkingsfactor groter is dan 105 en verder elk ander elektrisch versterkingssysteem werkend met positieve ionen;

  • - meetschalen en elektronische integratoren ten gebruike in instrumenten voor het aantonen van straling.

Cyclotrons, elektrostatische spanningsgeneratoren van het type „van de Graaf” of „Cockroft en Walton”, lineaire versnellingsapparaten en andere elektrische machines gebruikt bij het kernonderzoek en de isotopenproduktie, waarmede aan kerndeeltjes een energie van meer dan een miljoen elektronvolts kan worden gegeven.

Speciaal voor vorengenoemde machines vervaardigde magneten (voor cyclotrons enz.).

Versnellingsbuizen en buizen voor het bundelen van stralen van de soorten welke worden gebruikt in massaspectrometers en massaspectrografen.

Langs elektronische weg verkregen sterke bronnen van positieve ionen, welke gebruikt worden in apparaten voor het versnellen van deeltjes, in massaspectrometers en andere soortgelijke apparaten.

Straling werend glas (spiegelglas)

  • - gegoten of gewalst spiegelglas (alsmede draadglas en geplateerd glas, dat in één arbeidsgang is verkregen), enkel geslepen of gepolijst op één of op beide zijden, in vierkante of rechthoekige platen of bladen;

  • - gegoten of gewalst spiegelglas (ook indien geslepen of gepolijst), anders dan vierkant of rechthoekig gesneden, gebogen of anders bewerkt (met schuingeslepen randen, gegraveerd, enz.);

  • - veiligheidsglas, bestaande uit geharde glasplaten (hardglas) of uit twee of meer opeengekitte glasplaten (triplexglas, pantserglas, enz.), ook indien in een bepaalde vorm.

Beschermende kleding (van het type duikerpakken e.d.) ter bescherming tegen straling en besmetting met radioactieve stoffen

  • - van kunstmatige plastische stoffen;

  • - van rubber;

  • - van textiel, geïmpregneerd of voorzien van een deklaag

    • - voor mannen,

    • - voor vrouwen.

Difenyl (voor zover het betreft de aromatische koolwaterstof:

C6H5 - C6H5).

Trifenyl.

Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op de niet-Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden

[Vervallen per 01-05-1999]

Naar boven