Besluit Wfsv

Geraadpleegd op 28-03-2024.
Geldend van 01-01-2011 t/m 31-12-2011

Besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten (Besluit Wfsv)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 8 juli 2005, nr. SV/F&W/05/51635;

Gelet op de artikelen 28, eerste en tweede lid, 37, tweede en vierde lid, 42, 71, eerste lid, 80 en 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, de artikelen 40, eerste lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en artikel 78, zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

De Raad van State gehoord (advies van 19 augustus 2005, nr. W12.05.0324/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 14 november 2005, nr. SV/F&W/05/70630, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 2. Premies werknemersverzekeringen

§ 1. Vaststelling premiepercentages sectorfondsen

Artikel 2.1. Begripsbepalingen

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. het sectorpremiepercentage: het percentage van het loon dat op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wfsv wordt vastgesteld ter bepaling van het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds;

  • b. de verzekerde loonsom: het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 26 van de Wfsv, waarover het UWV in een kalenderjaar ten gunste van een sectorfonds de in dat artikel bedoelde premies ontvangt, met uitzondering van de uitkeringen, de toeslag en het loon waarop artikel 28, tweede lid, van de Wfsv van toepassing is;

  • c. de ziekengeldlasten: de uitkeringen die op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel c, van de Wfsv ten laste van een sectorfonds komen alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht met uitzondering van hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel 105, derde lid, van de Wfsv vastgestelde maximum;

  • d. de werkloosheidslasten: hetgeen op grond van artikel 104, eerste lid, van de Wfsv ten laste van een sectorfonds komt, met uitzondering van:

    • 1°. de ziekengeldlasten;

    • 2°. de uitkeringen die worden betaald aan zieke werklozen en die op grond van artikel 104, zevende lid, van de Wfsv, niet ten laste van een sectorfonds komen, waarbij die uitkeringen worden berekend door het aantal ziektedagen van zieke werklozen in de sector te vermenigvuldigen met het gemiddelde per dag uitbetaalde bedrag en de uitkomst te vermenigvuldigen met het bedrag van de uitkeringslasten van het sectorfonds gedeeld door het bedrag van de uitkeringslasten van het Algemeen Werkloosheidsfonds ten behoeve van werklozen met werkloosheidsuitkering uit de sector;

    • 3°. hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel 105, eerste lid, van de Wfsv vastgestelde maximum;

  • e. het lastenplafond: het percentage van de verzekerde loonsom waarin de werkloosheidslasten tot uitdrukking komen, dat op grond van artikel 105, eerste lid, van de Wfsv wordt vastgesteld als maximum;

  • f. het dekkingssaldo: het verschil tussen het feitelijke vermogen van een sectorfonds en de op grond van artikel 120, achtste lid, van de Wfsv aan te houden reserve.

Artikel 2.2. Wijze van vaststelling van het sectorpremiepercentage

  • 1 Het UWV stelt een sectorpremiepercentage vast ter dekking van de werkloosheidslasten. Het sectorpremiepercentage bedraagt ten hoogste het lastenplafond.

  • 2 Het UWV stelt voor de dekking van de ziekengeldlasten en de lasten die op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv, ten laste van een sectorfonds komen een opslagpercentage vast, waarmee het sectorpremiepercentage met betrekking tot dat sectorfonds wordt verhoogd.

  • 3 Indien in een sectorfonds op 31 december van het jaar waarin het sectorpremiepercentage wordt vastgesteld naar verwachting van het UWV een positief of negatief dekkingssaldo aanwezig zal zijn, stelt het UWV, in afwijking van het eerste lid, in dat kalenderjaar en de daaropvolgende kalenderjaren een zodanig sectorpremiepercentage vast dat het overschot dan wel tekort binnen drie kalenderjaren na die datum is ingelopen onderscheidenlijk aangezuiverd.

  • 4 De toepassing van het derde lid leidt niet tot het heffen van een negatieve sectorpremie.

  • 5 Voorzover een positief dekkingssaldo door de toepassing van het vierde lid niet binnen de termijn van drie kalenderjaren kan worden ingelopen, geldt een zodanig langere termijn tot 31 december van enig jaar dat het overschot wel kan worden ingelopen.

  • 6 Indien de toepassing van het derde lid leidt tot vaststelling van een sectorpremiepercentage boven het lastenplafond behoeft de aanzuivering van een negatief dekkingssaldo niet binnen de termijn van drie kalenderjaren te geschieden. In dat geval wordt het sectorpremiepercentage vastgesteld op ten minste het lastenplafond.

  • 7 Indien een sectorfonds bestaat uit onderdelen die niet afzonderlijk worden beheerd, terwijl het deel van de premie dat ten gunste komt van het sectorfonds voor elk van die onderdelen afzonderlijk wordt vastgesteld, zijn het eerste tot en met het zesde lid met betrekking tot deze onderdelen gezamenlijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat onder het sectorpremiepercentage wordt verstaan het gewogen gemiddelde van de voor die onderdelen afzonderlijk vastgestelde sectorpremiepercentages.

  • 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste en tweede lid.

  • 9 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat ten behoeve van de vaststelling van het sectorpremiepercentage, bedoeld in het eerste lid, de termijn van drie kalenderjaren, bedoeld in het derde, vijfde en zesde lid, wordt verlengd tot maximaal vijf kalenderjaren.

Artikel 2.3. Vaststelling verschillende sectorpremiepercentages

  • 1 In afwijking van artikel 2.2 stelt het UWV op bij ministeriële regeling te bepalen wijze sectorpremiepercentages, die voor verschillende categorieën van werknemers kunnen verschillen, vast voor de sectorfondsen van:

    • a. het agrarisch bedrijf;

    • b. het bouwbedrijf;

    • c. de culturele instellingen;

    • d. de horeca algemeen;

    • e. het schildersbedrijf.

  • 2 De verschillende sectorpremiepercentages gelden voor:

    • a. werknemers die blijkens een schriftelijke overeenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever, tenzij:

      • 1°. zij binnen een jaar na het aanvangen van de dienstbetrekking uit hoofde van die dienstbetrekking recht hebben gekregen op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; of

      • 2°. de omvang van de door de werknemer te verrichten arbeid in deze schriftelijke overeenkomst niet is vastgesteld; en

    • b. de overige werknemers.

    Het gewogen gemiddelde van beide percentages bedraagt ten hoogste het lastenplafond.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het tweede lid en kan voor aan te wijzen categorieën van werknemers en van werkgevers of soort arbeid worden afgeweken van het eerste en tweede lid.

  • 5 Een afschrift van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt door de werkgever in zijn loonadministratie opgenomen.

  • 6 Indien voor het jaar 2006 verschillende sectorpremiepercentages zijn vastgesteld geldt het sectorpremiepercentage dat van toepassing is voor werknemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, niet voor dienstbetrekkingen die zijn aangegaan voor 1 januari 2006.

Artikel 2.4. Vaststelling gemiddeld premiepercentage sectorfondsen

  • 1 Het gemiddelde premiepercentage, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wfsv, wordt in het kalenderjaar van vaststelling bepaald op het gewogen gemiddelde van de sectorpremiepercentages van alle sectoren in het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

  • 2 Het gewogen gemiddelde, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kalenderjaar van vaststelling bepaald met behulp van de totaalbedragen van de verzekerde loonsom in het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

  • 3 Ingeval voor een sectorfonds gedurende een kalenderjaar meerdere malen een premiepercentage wordt vastgesteld, worden bij de berekening van het gemiddelde premiepercentage, bedoeld in het eerste lid, de desbetreffende premiepercentages gewogen naar rato van het deel van het kalenderjaar waarin deze premiepercentages golden.

§ 3. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas

Artikel 2.6. Algemene begrippen

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a. premieplichtig loon: het loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van de Wfsv, waarnaar op grond van dat hoofdstuk premies worden geheven;

    • b. kleine werkgever: een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;

    • c. grote werkgever: een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat meer bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;

    • d. minimumpremie: de gedifferentieerde premie die een werkgever ten minste verschuldigd is;

    • e. maximumpremie: de gedifferentieerde premie die een werkgever ten hoogste verschuldigd is.

  • 2 De inspecteur kan op aanvraag van een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen, dat die werkgever voor het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, of het eerste lid, onderdeel c, wordt ingedeeld, indien uit door die werkgever bij de aanvraag verstrekte gegevens blijkt, dat als vaststaand mag worden aangenomen, dat het in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld ten laste van die werkgever komende premieplichtige loon ten minste 25% zal afwijken van 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan en de omvang van het verwachte premieplichtige loon leidt tot een andere indeling. Een aanvraag als bedoeld in de eerste zin wordt ingediend uiterlijk 6 weken nadat de werkgever schriftelijk in kennis is gesteld van de door hem in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld verschuldigde gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van de Wfsv.

  • 3 Het gemiddelde premieplichtige loon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, wordt vastgesteld door het UWV.

  • 4 Bij de vaststelling van het ten laste van een werkgever komende premieplichtige loon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van artikel 117 van de Wfsv, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komen en WGA-uitkeringen die op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komen, buiten aanmerking gelaten.

Artikel 2.7. Rekenpercentage

  • 2 De percentages, bedoeld in het eerste lid, worden naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.8. Gemiddeld percentage

  • 1 Het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, wordt vastgesteld door het totaalbedrag van hetgeen in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld naar verwachting op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste komt van de Werkhervattingskas, verminderd met hetgeen op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld naar verwachting ten gunste komt van de Werkhervattingkas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van de over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld verwachte premieplichtige loonsom en de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv. Onder uitkeringen als bedoeld in de eerste zin worden niet verstaan de WGA-uitkeringen waarvan het risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld in artikel 40 van de Wfsv.

  • 2 De gemiddelde premie, bedoeld in het eerste lid, kan worden verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage.

  • 3 De uitkomst van de deling, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.9. Berekening opslag of korting

  • 1 De opslag of korting, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv, is voor alle werkgevers gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.

  • 2 Het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door de som van:

    • a. het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan de werkgever toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de in het zevende lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, en

    • b. het totaalbedrag van de op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komende aan de werkgever toe te rekenen WGA-uitkeringen die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de WGA-uitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever,

    te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.

  • 3 Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door de som van:

    • a. het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan werkgevers toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald, en

    • b. het totaalbedrag van de op grond van artikel 117b van de Wfsv, ten laste van de Werkhervattingskas komende aan werkgevers toe te rekenen WGA-uitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald,

    te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.

  • 4 In het tweede en derde lid wordt voor WGA-uitkeringen die zijn betaald in het kalenderjaar 2006 voor «Werkhervattingskas» gelezen «Arbeidsongeschiktheidsfonds».

  • 5 Indien een WGA-uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt de duur van die uitkering in mindering gebracht op de periode dat de WGA-uitkering wordt toegerekend als bedoeld in het tweede en derde lid.

  • 6 Bij de berekening van het gemiddelde premieplichtig loon, bedoeld in het tweede en derde lid, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 117 van de Wfsv, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, en WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 117b van de Wfsv, buiten aanmerking gelaten.

  • 7 De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, betreffen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend:

  • 8 De WGA-uitkeringen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b betreffen de WGA-uitkeringen die zijn toegekend:

    • a. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en terzake van die ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van Wet WIA, hebben doorgemaakt;

    • b. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, van wie het recht op een WGA-uitkering op grond van artikel 55 van de Wet WIA later dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van die wet van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet, is ontstaan;

    • c. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, van wie het recht op een WGA-uitkering op grond van artikel 57 van de Wet WIA is herleefd.

  • 9 Indien de werknemer bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, bedoeld in artikel 5 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering naar rato van de loonsom toegerekend aan die werkgevers. De arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering wordt niet toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer met behoud van hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.

  • 10 Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden de door het UWV toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantieuitkeringen die in de periode, bedoeld in artikel 117, eerste lid, aanhef, van de Wfsv, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, geheel of ten dele niet aan de werknemer zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de WAO, geacht aan de werknemer te zijn uitbetaald.

  • 11 De uitkomst van de deling, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

  • 12 De op grond van dit artikel berekende opslagen of kortingen worden vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het gemiddeld percentage, bedoeld in artikel 2.8, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid.

  • 13 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het twaalfde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.10. Opslag en korting bij overgang van onderneming

  • 1 In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement:

    • a. worden bij de toepassing van artikel 2.9 de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, en de WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, die zijn of worden toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, toegerekend aan de werkgever die de onderneming verkrijgt; en

    • b. wordt bij de toepassing van artikel 2.9 het ten laste van de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, gekomen premieplichtig loon in enig kalenderjaar telkens opgeteld bij het premieplichtig loon van de werkgever die de onderneming verkrijgt in dat kalenderjaar, voordat het gemiddelde premieplichtig loon van laatstgenoemde werkgever wordt berekend.

  • 2 Indien slechts een deel van de onderneming overgaat, vindt het eerste lid toepassing naar rato van het deel van het totaalbedrag van premieplichtig loon in het overgegane deel van de onderneming van het totaalbedrag van premieplichtig loon in de gehele onderneming in het jaar voorafgaande aan dat van overgang.

  • 3 Tenzij de overgang plaatsvindt op 1 januari van het kalenderjaar vindt voor de werkgever die reeds de hoedanigheid van werkgever had voor het moment van overgang van de onderneming de toerekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de optelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, eerst plaats met ingang van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de onderneming of een deel van de onderneming is overgedragen.

Artikel 2.11. Opslag en korting bij regres en premievermindering

  • 1 Indien blijkt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a, of een WGA-uitkering als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel b, geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering wordt ingetrokken of herzien, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering of WGA-uitkering.

  • 2 Indien een schadevergoeding als bedoeld in artikel 107a, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek dan wel een schadevergoeding op grond van een wettelijke regeling die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, is ontvangen, wordt, op verzoek van de werkgever, bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage met ingang van het kalenderjaar waarin de schadevergoeding is ontvangen, gedurende een tijdvak van vijf jaren voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering en gedurende een tijdvak van tien jaren voor een WGA-uitkering, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, verminderd met een compensatiebedrag.

  • 3 Het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering aan de betrokken werknemer jaarlijks gedurende vijf jaar onderscheidenlijk tien jaar te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van de schadevergoeding, bedoeld in het tweede lid, te delen door het loon over een tijdvak van 52 weken onderscheidenlijk 104 weken. Het getal, bedoeld in de eerste zin, bedraagt niet meer dan 1.

  • 4 In afwijking van het derde lid wordt in de gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd aan de verzekerde, bedoeld in artikel 29 van de Ziektewet, het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering aan de betrokken werknemer te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van het ontvangen verhaal op grond van artikel 52a van de Ziektewet te delen door het aan betrokken werknemer op grond van de Ziektewet uitgekeerde ziekengeld.

  • 5 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

  • 6 Het tweede, derde en vierde lid zijn uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan op of na 1 januari 2002.

  • 7 Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt indien sprake is van WGA-uitkeringen waarvan het recht is ontstaan vóór 1 januari 2007 voor «tien jaren» en «tien jaar» onderscheidenlijk gelezen «vier jaren» en «vier jaar».

Artikel 2.12. Niet gedurende gehele berekeningstijdvak werkgever

  • 1 Indien een werkgever, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.10 in een of meer van de kalenderjaren van het tijdvak, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, niet de hoedanigheid van werkgever had, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar berekend over het aantal kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, waarin de werkgever de hoedanigheid van werkgever had, waarna het verkregen percentage wordt vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.9, derde lid, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, berekend over het aantal kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.9, derde lid, waarin de werkgever de hoedanigheid van werkgever had.

  • 2 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.13. Premiepercentage startende werkgever

Voor een werkgever die, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.10, eerst in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, of in het eerste of tweede kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld de hoedanigheid van werkgever heeft verkregen, is het percentage van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van de Wfsv:

  • a. indien het een kleine werkgever betreft gelijk aan het overeenkomstig artikel 2.14, tweede lid, vastgestelde percentage;

  • b. indien het een grote werkgever betreft gelijk aan het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2.7.

Artikel 2.14. Minimum- en maximumpremie

  • 1 De gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van de Wfsv, bedraagt:

    • a. voor een kleine werkgever: ten minste het overeenkomstig het tweede lid vastgestelde percentage en ten hoogste drie maal het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.8;

    • b. voor een grote werkgever: ten minste het verschil tussen het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2.7, en het gemiddeld percentage, bedoeld in artikel 2.8, maar niet minder dan nihil en ten hoogste vier maal het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.8.

  • 2 De voor kleine werkgevers geldende minimale gedifferentieerde premie wordt door het UWV voor elk kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld op een zodanig percentage vastgesteld, dat de uit de heffing van deze minimaal verschuldigde premie voortvloeiende extra inkomsten naar verwachting gelijk zullen zijn aan de extra premieinkomsten die zouden worden verworven indien geen maximum zou zijn gesteld aan de door deze werkgevers verschuldigde gedifferentieerde premie, verminderd met de naar verwachting ten laste van de kleine werkgevers komende premieinkomsten ten gevolge van de voor grote werkgevers krachtens het eerste lid, onderdeel b, geldende maximale gedifferentieerde premie.

  • 3 Indien de toepassing van artikel 2.11 daartoe aanleiding geeft, wordt in afwijking van het eerste lid:

    • a. voor een grote werkgever een premiepercentage van lager dan de minimumpremie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vastgesteld;

    • b. voor een kleine werkgever een premiepercentage van lager dan de minimumpremie, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld.

  • 4 De percentages, bedoeld in het derde lid, worden naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.15. Overheveling gelden Arbeidsongeschiktheidsfonds naar Werkhervattingskas

Een overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de Werkhervattingskas als bedoeld in artikel 118 van de Wfsv vindt plaats tot ten hoogste het bedrag van de WGA-uitkeringen die in een kalenderjaar ten laste van de Werkhervattingskas komen en die betrekking hebben op het jaar 2006.

§ 4. Premiekorting

Artikel 2.16. Premiekorting oudere nabestaanden

Artikel 47, eerste lid, van de Wfsv is van overeenkomstige toepassing bij een dienstbetrekking met een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking gedurende tenminste twee jaar recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en gedurende die twee jaar geen inkomen uit arbeid als bedoeld in de artikelen 2:2, eerste lid, onderdeel a tot en met d, en 2:6, onderdeel b, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen heeft genoten.

Hoofdstuk 3. De financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige nabestaandenverzekering

Artikel 3.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 3.3. Vaststelling premie

  • 3 In afwijking van de onderdelen b van het tweede en derde lid is indien ten aanzien van de SVB aannemelijk wordt gemaakt dat dit tot een lagere uitkomst leidt, I gelijk aan het feitelijke premie-inkomen in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv. Hierbij wordt de waarde van inkomen in natura door de SVB geschat, uitgaande van de waarde van dat inkomen in het land waar het wordt of werd ontvangen.

  • 4 De AOW- of ANW-premie, die is vastgesteld met toepassing van het vierde lid bedraagt ten minste 10% van de AOW- of ANW-premie vastgesteld op grond van het tweede onderscheidenlijk derde lid.

  • 5 Voorzover de vrijwillige verzekering slechts betrekking heeft op een gedeelte van een kalenderjaar wordt de premie naar tijdsruimte evenredig verminderd.

  • 6 De SVB stelt op verzoek van de belanghebbende die een gedeelte van het kalenderjaar van rechtswege verzekerd is voor de AOW of de ANW, de AOW-premie of de ANW-premie over dat kalenderjaar zodanig vast dat de over het kalenderjaar verschuldigde premie voor de verplichte en de vrijwillige verzekering niet meer bedraagt dan de premie die maximaal verschuldigd zou zijn indien het gehele kalenderjaar sprake zou zijn van verplichte verzekering.

  • 7 Niet in euro uitgedrukt premie-inkomen wordt vastgesteld in de valuta van het desbetreffende land en wordt met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen omgerekend in euro.

  • 8 Voor de toepassing van het derde lid wordt het inkomen geacht te zijn ontvangen in Nederland.

Artikel 3.4. Voorlopige premievaststelling

  • 1 De SVB kan de verschuldigde premie over een kalenderjaar voorlopig vaststellen, indien:

    • a. zij bij de vaststelling van die premie rekening dient te houden met de in dat kalenderjaar verschuldigde premie op grond van de verplichte verzekering ingevolge de AOW of de ANW; of

    • b. nog onduidelijk is of artikel 3.3, derde lid, van toepassing is.

  • 2 Zodra dat naar het oordeel van de SVB mogelijk is, wordt de over bedoeld kalenderjaar verschuldigde premie definitief vastgesteld.

  • 3 Te veel betaalde premie wordt terugbetaald. Nog verschuldigde premie wordt binnen een door de SVB vast te stellen termijn betaald.

Artikel 3.5. Premiebetaling

  • 2 Indien de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 63a van de ANW, een aanvraag tot gebruikmaking van de vrijwillige verzekering heeft ingediend en overlijdt, voordat hij de verschuldigde ANW-premie heeft kunnen betalen, is een ander bevoegd alsnog de verschuldigde ANW-premie over de periode van vrijwillige verzekering te betalen.

Artikel 3.6. Achterwege blijven van premierestitutie

Indien de vrijwillige verzekering is geëindigd op grond van artikel 37, onderdelen a, e of f, van de AOW, of van artikel 63c, onderdelen a, d of e, van de ANW, vindt restitutie van reeds betaalde premie niet plaats.

Artikel 3.7. Premiebetaling bij vrijwillige AOW-verzekering over achterliggende periode

Indien een verzekerde als bedoeld in artikel 38 van de AOW binnen drie maanden na de door de SVB gestelde termijn de verschuldigde AOW-premie niet geheel heeft betaald, wordt over een zodanig gedeelte van de periode, waarop de premiebetaling betrekking heeft, geacht AOW-premie te zijn betaald als de betaalde AOW-premie zich verhoudt tot de totaal verschuldigde AOW-premie. Daarbij wordt geacht AOW-premie te zijn betaald over de periode, welke het verst verwijderd ligt van het tijdstip van de aanvang van de verplichte verzekering.

Artikel 3.8. Vaststelling vrijwillige verzekeringsperiode na onvolledige betaling

  • 1 Indien de vrijwillige verzekering is geëindigd, wordt voorzover dit nog niet heeft plaatsgevonden, de over ieder kalenderjaar verschuldigde premie definitief vastgesteld.

  • 2 Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de betaalde premie geacht betrekking te hebben op de achtereenvolgende gehele kalenderjaren of, voorzover de belanghebbende gedurende slechts een gedeelte van een of meer kalenderjaren niet verplicht verzekerd was, op de betreffende gedeelten van die gehele kalenderjaren, die het dichtst liggen bij het tijdstip waarop de verplichte verzekering is geëindigd.

  • 3 Indien na toepassing van het eerste lid de over een kalenderjaar verschuldigde premie niet geheel blijkt te zijn voldaan, wordt over een zodanig gedeelte van dat kalenderjaar geacht premie te zijn betaald, als de nog toe te rekenen premie zich verhoudt tot de totaal over dit kalenderjaar verschuldigde premie.

Hoofdstuk 4. Uitvoeringskosten AWBZ

Artikel 4.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 4.2. Vergoeding verstrekkingen op basis van werkelijke kosten

Het College zorgverzekeringen vergoedt uit het AFBZ jaarlijks aan de zorgverzekeraars de kosten van verstrekkingen en vergoedingen naar werkelijke kosten. Daarbij blijven onverantwoorde uitgaven buiten beschouwing, tenzij de zorgautoriteit anders besluit.

Artikel 4.3. Macrobudget beheerskosten AWBZ

Onze Minister geeft het College zorgverzekeringen jaarlijks een aanwijzing terzake van het voor alle zorgverzekeraars, verbindingskantoren en het centraal administratiekantoor tezamen voor dat kalenderjaar ten laste van het AFBZ komende beheerskostenbudget.

Artikel 4.4. Uitkering zorgverzekeraar

  • 1 Het College zorgverzekeringen stelt jaarlijks, in het kader van de verdeling van de voor het kalenderjaar krachtens artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen, voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk ten laste van het AFBZ het beheerskostenbudget vast ter dekking van de beheerskosten die zij maken anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor.

  • 2 De vaststelling van het beheerskostenbudget, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels.

  • 3 De beleidsregels, bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 4 In geval van onthouding van goedkeuring aan een beleidsregel stelt het College zorgverzekeringen, met inachtneming van door Onze Minister te geven instructies, een nieuwe beleidsregel vast.

  • 5 Indien Onze Minister aan de beleidsregel, bedoeld in het vierde lid, eveneens goedkeuring onthoudt, stelt hij terzake zelf de beleidsregel vast.

  • 6 Het College zorgverzekeringen keert jaarlijks uit het AFBZ aan een zorgverzekeraar het voor die zorgverzekeraar op grond van het eerste lid vastgestelde beheerskostenbudget uit.

  • 7 Indien een zorgverzekeraar op een naar het oordeel van de zorgautoriteit onverantwoorde wijze op zijn beheerskosten bespaart, wordt de uitkering, bedoeld in het zesde lid, voor het desbetreffende kalenderjaar door het College zorgverzekeringen verlaagd met het bedrag van die besparing.

Artikel 4.5. Uitkering verbindingskantoren en centraal administratiekantoor

  • 1 Het College zorgverzekeringen stelt jaarlijks, in het kader van de verdeling van de voor het kalenderjaar krachtens artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen, afzonderlijk voor ieder verbindingskantoor en voor het centraal administratiekantoor het beheerskostenbudget vast.

  • 2 De vaststelling van het beheerskostenbudget, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels. Ten aanzien van die beleidsregels is artikel 4.4, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Het College zorgverzekeringen keert jaarlijks uit het AFBZ aan de verbindingskantoren en het centraal administratiekantoor het voor hen ingevolge het eerste lid vastgestelde beheerskostenbudget uit.

  • 4 Indien een verbindingskantoor of het centraal administratiekantoor op een naar het oordeel van de zorgautoriteit onverantwoorde wijze op zijn beheerskosten bespaart, wordt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar door het College zorgverzekeringen verlaagd met het bedrag van die besparing.

  • 5 Een verbindingskantoor en het centraal administratiekantoor houden een reserve uitvoering AWBZ aan.

  • 6 Het saldo van baten en lasten over enig boekjaar van een verbindingskantoor voor de beheerskosten die het in of in verband met die hoedanigheid maakt, wordt toegevoegd aan, onderscheidenlijk ten laste gebracht van de reserve, bedoeld in het vijfde lid. Daarbij blijven onverantwoorde uitgaven buiten beschouwing, tenzij de zorgautoriteit anders besluit. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing voor het centraal administratiekantoor.

  • 7 Bij het eindigen van de aanwijzing, bedoeld in artikel 40 van de AWBZ, zonder dat aansluitend een nieuwe aanwijzing plaatsvindt, stort de rechtspersoon een bedrag ter hoogte van de reserve, bedoeld in het vijfde lid, binnen vier weken in het AFBZ.

Artikel 4.6. Reserve uitvoering AWBZ

De reserve uitvoering AWBZ, bedoeld in artikel 4.5, vijfde lid, ultimo enig jaar, bedraagt voor verbindingskantoren maximaal 20% en voor het centraal administratiekantoor maximaal 5% van het beheerskostenbudget voor dat jaar. Indien het College zorgverzekeringen vaststelt dat de reserve het gestelde maximum te boven gaat, stort het verbindingskantoor of het centraal administratiekantoor het door het College zorgverzekeringen vastgestelde bedrag van de overschrijding binnen vier weken in het AFBZ.

Artikel 4.7. Toezicht op opgaven

De zorgautoriteit is bevoegd opgaven en gegevens van een zorgverzekeraar, verbindingskantoor en het centraal administratiekantoor, die van invloed zijn op de omvang van de ten laste van het AFBZ beschikbare middelen en op de hoogte van de verstrekkingen en vergoedingen ingevolge dit hoofdstuk, op hun juistheid te beoordelen en te verbeteren.

Artikel 4.8. Betaalbaarstelling

Het College zorgverzekeringen bepaalt met inachtneming van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering de wijze van betaalbaarstelling van de uitkeringen op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 4.9. Overgangsbepaling

Besluiten van Onze Minister en het College zorgverzekeringen op grond van het Besluit financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering AWBZ in het jaar 2005 terzake van de onderwerpen geregeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6 van dit hoofdstuk worden aangemerkt als besluiten op grond van de desbetreffende artikelen van dit hoofdstuk.

Artikel 4.10. Bijdragen, bedoeld in artikel 90, tweede lid, onderdeel g, van de Wfsv

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 2 Het College zorgverzekeringen keert periodiek voorschotten uit aan het CAK, aan de hand van door het CAK verstrekte gegevens.

Terugwerkende kracht

Stb. 2012, 646, datum inwerkingtreding 01-01-2013, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2009.

Het artikel is nieuw toegevoegd.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.3. Inwerkingtreding

  • 1 De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2 Artikel 5.1 werkt terug tot en met 1 september 2005.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 16 november 2005

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,

A. J. de Geus

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,

J. F. Hoogervorst

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,

H. A. L. van Hoof

De Staatssecretaris van Financiën ,

J. G. Wijn

Uitgegeven de negenentwintigste november 2005

De Minister van Justitie ,

J. P. H. Donner

Naar boven