Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, [...] Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, Brussel, 22-01-1972

Geldend van 01-02-1985 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voort te zetten,

Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

Overwegende dat artikel 237 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap alsmede artikel 205 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie , aan de Europese Staten de mogelijkheid bieden lid van deze Gemeenschappen te worden,

Overwegende dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hebben verzocht lid te worden van deze Gemeenschappen,

Overwegende dat de Raad der Europese Gemeenschappen, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten,

Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aan te brengen aanpassingen vast te stellen, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen

  • De heer G. Eyskens, Eerste Minister;

  • De heer P. Harmel, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer J. van der Meulen, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken

  • De heer J. O. Krag, Eerste Minister;

  • De heer I. Nørgaard, Minister van Buitenlandse Handel;

  • De heer J. Christensen, Secretaris-Generaal voor Buitenlandse Handel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

de President van de Bondsrepubliek Duitsland

  • De heer W. Scheel, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer H.-G. Sachs, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van de Franse Republiek

  • De heer M. Schumann, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer J.-M. Boegner, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van Ierland

  • De heer J. A. Lynch, Eerste Minister;

  • De heer P. J. Hillery, Minister van Buitenlandse Zaken;

de President van de Italiaanse Republiek

  • De heer E. Colombo, Eerste Minister;

  • De heer A. Moro, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer G. Bombassei Frascani de Vettor, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg

  • De heer G. Thorn, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer J. Dondelinger, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

  • De heer W. K. N. Schmelzer, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer Th. E. Westerterp, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

  • De heer E. M. J. A. Sassen, Ambassadeur, Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen

  • De heer T. Bratelli, Eerste Minister;

  • De heer A. Cappelen, Minister van Buitenlandse Zaken;

  • De heer S. Chr. Sommerfelt, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur;

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

  • De heer E. Heath, M.B.E., M.P., Eerste Minister, First Lord of the Treasury, Minister van de Administratie;

  • Sir Alec Douglas-Home, K.T., M.P., Minister van Buitenlandse en Gemenebestzaken;

  • De heer G. Rippon, Q.C., M.P., Kanselier van het Hertogdom Lancaster

die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

Artikel 1

  • 1 Het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland worden lid van de Europese Economische Gemeenschap en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en worden Partij bij de Verdragen tot oprichting van deze Gemeenschappen, zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.

  • 3 De in de in lid 1 genoemde Verdragen voorkomende bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de Lid-Staten alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de Instellingen van de Gemeenschappen, zijn van toepassing ten aanzien van dit Verdrag.

Artikel 2

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De Akten van bekrachtiging zullen uiterlijk 31 december 1972 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1973, mits alle Akten van bekrachtiging voor dit tijdstip zijn neergelegd en mits alle Akten van toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op dit tijdstip zijn neergelegd.

Indien echter niet alle in artikel 1, lid 1, genoemde Staten tijdig hun Akten van bekrachtiging en hun Akten van toetreding hebben neergelegd, treedt het Verdrag in werking voor die Staten die tot de nederlegging zijn overgegaan. In dit geval besluit de Raad van de Europese Gemeenschappen, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige Verdrag en van de artikelen 14, 16, 17, 19, 20, 23, 129, 142, 143, 155 en 160 van de Akte betreffende de voorwaarden van toetreding en de aanpassing van de Verdragen, de bepalingen van zijn bijlage I, die betrekking hebben op de samenstelling en de functionering van verschillende comités en van de artikelen 5 en 8 van het Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank, gehecht aan deze Akte; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte, die betrekking hebben op een met name genoemde Staat die zijn Akten van bekrachtiging en van toetreding niet heeft neergelegd, vervallen verklaren of aanpassen.

Artikel 3

Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse en de Noorse taal, zijnde de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse tekst gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Brussel, de tweeëntwintigste januari negentienhondertweeënzeventig.

Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der verdragen

EERSTE DEEL. BEGINSELEN

Artikel 1

In de zin van deze Akte:

  • worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Verdragen” bedoeld het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie , zoals deze Verdragen zijn aangevuld of gewijzigd bij Verdragen of andere rechtshandelingen die voor de toetreding in werking zijn getreden; worden de uitdrukkingen „E.G.K.S.-Verdrag”, „E.E.G.-Verdrag” en „E.G.A.-Verdrag” bedoeld de desbetreffende, aldus aangevulde of gewijzigde oorspronkelijke Verdragen;

  • worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden;

  • worden met de uitdrukking „nieuwe Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Artikel 2

Vanaf de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten verbindend voor de nieuwe Lid-Staten en in deze Staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.

Artikel 3

  • 1 Bij deze Akte treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, genomen besluiten en gesloten overeenkomsten. Zij verbinden zich ertoe op het tijdstip van de toetreding ook toe te treden tot elke andere door de oorspronkelijke Lid-Staten gesloten overeenkomst die de werking van de Gemeenschappen betreft of in nauw verband staat met het optreden van deze Gemeenschappen.

  • 2 De nieuwe Lid-Staten verbinden zich ertoe toe te treden tot de overeenkomsten bedoeld in artikel 220 van het E.E.G.-Verdrag , alsmede tot de Protocollen betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van deze overeenkomsten, die door de oorspronkelijke Lid-Staten zijn ondertekend, en te dien einde onderhandelingen aan te knopen met de oorspronkelijke Lid-Staten om daarin de vereiste aanpassingen aan te brengen.

  • 3 De nieuwe Lid-Staten bevinden zich ten aanzien van de verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen van de Raad alsmede ten aanzien van die, welke betrekking hebben op de Europese Gemeenschappen en in onderling overleg tussen de Lid-Staten zijn aanvaard, in dezelfde situatie als de oorspronkelijke Lid-Staten. Zij zullen derhalve de beginselen en beleidslijnen eerbiedigen die voortvloeien uit deze verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen en de maatregelen treffen die nodig zouden kunnen blijken ter verzekering van de toepassing daarvan.

Artikel 4

  • 1 De door één van de Gemeenschappen met één of meer derde Staten, met een internationale organisatie dan wel met een onderdaan van een derde Staat gesloten overeenkomsten of akkoorden zijn verbindend voor de nieuwe Lid-Staten, en wel onder de in de oorspronkelijke Verdragen en in deze Akte neergelegde voorwaarden.

  • 2 De nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe onder de in deze Akte neergelegde voorwaarden toe te treden tot de door de oorspronkelijke Lid-Staten gezamenlijk met één van de Gemeenschappen gesloten overeenkomsten of akkoorden, alsmede tot de door de oorspronkelijke Lid-Staten gesloten overeenkomsten die verband houden met deze overeenkomsten of akkoorden. De Gemeenschap en de oorspronkelijke Lid-Staten zijn de nieuwe Lid-Staten hierbij behulpzaam.

  • 3 Bij deze Akte en onder de daarin neergelegde voorwaarden, treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de interne overeenkomsten welke door de oorspronkelijke Lid-Staten werden gesloten voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten en akkoorden.

  • 4 De nieuwe Lid-Staten treffen de passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij andere Lid-Staten of één van de Gemeenschappen eveneens partij zijn aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding tot de Gemeenschappen.

Artikel 5

Artikel 234 van het E.E.G.-Verdrag en de artikelen 105 en 106 van het E.G.A.-Verdrag zijn voor de nieuwe Lid-Staten van toepassing op de overeenkomsten en akkoorden gesloten vóór de toetreding.

Artikel 6

De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.

Artikel 7

De door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten waarop de in deze Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

Artikel 8

De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen van de Gemeenschappen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.

Artikel 9

  • 1 Ten einde voor de nieuwe Lid-Staten de aanpassing aan de in de Gemeenschappen geldende regels te vergemakkelijken, gelden ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen genomen besluiten, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen.

  • 2 Onder voorbehoud van de in deze Akte vervatte data, termijnen en bijzondere bepalingen, eindigt de toepassing van de overgangsmaatregelen aan het einde van het jaar 1977.

TWEEDE DEEL. AANPASSING DER VERDRAGEN

Titel I. Institutionele bepalingen

HOOFDSTUK 1. De vergadering

Artikel 10

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 2. De Raad

Artikel 11

[Red: Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.]

Artikel 12

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.]

Artikel 13

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.]

Artikel 14

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 3. De Commissie

Artikel 15

[Red: Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.]

Artikel 16

[Red: Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.]

HOOFDSTUK 4. Het Hof van Justitie

Artikel 17

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 18

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 19

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 20

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 5. Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel 21

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 6. Het Raadgevend Comité E.G.K.S.

Artikel 22

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.]

HOOFDSTUK 7. Het wetenschappelijk en technisch comité

Artikel 23

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

TITEL II. Andere aanpassingen

Artikel 24

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 25

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.]

Artikel 26

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 27

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 28

De besluiten van de Instellingen van de Gemeenschap die betrekking hebben op de produkten van bijlage II van het E.E.G.-Verdrag en op de produkten die bij invoer in de Gemeenschap aan een bijzondere regeling zijn onderworpen als gevolg van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede de besluiten inzake de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de belastingen op de toegevoegde waarde zijn niet van toepassing op Gibraltar, tenzij de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen anders besluit.

DERDE DEEL. AANPASSING VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 29

Ten aanzien van de besluiten genoemd in de lijst die voorkomt in bijlage I van deze Akte vinden de aanpassingen plaats die in die bijlage worden omschreven.

Artikel 30

De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de in de lijst die voorkomt in bijlage II van deze Akte genoemde besluiten, worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgens de procedure en op de wijze bepaald in artikel 153.

VIERDE DEEL. OVERGANGSBEPALINGEN

Titel I. Vrij verkeer van goederen

HOOFDSTUK 1. Tariefbepalingen

Artikel 31

  • 1 Voor ieder produkt is het basisrecht waarop de in de artikelen 32 en 59 bedoelde achtereenvolgende verlagingen moeten worden toegepast, het op 1 januari 1972 werkelijk toegepaste recht.

    Het basisrecht dat als grondslag dient voor de in de artikelen 39 en 59 bedoelde aanpassingen aan het gemeenschappelijk douanetarief en aan het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief, is voor elk produkt het op 1 januari 1972 door de nieuwe Lid-Staten werkelijk toegepaste recht.

    In de zin van deze Akte wordt onder het „ééngemaakte E.G.K.S.-tarief” verstaan, het geheel van douanenomenclatuur en douanerechten, geldende voor de produkten in de zin van bijlage I van het E.G.K.S.-Verdrag, met uitzondering van kolen.

  • 2 Indien na 1 januari 1972 tariefverlagingen van toepassing worden, die voortvloeien uit het Akkoord betreffende voornamelijk chemische produkten, dat is gevoegd bij het aan de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel gehechte Protocol van Genève (1967), komen de aldus verlaagde tarieven in de plaats van de in lid 1 bedoelde basisrechten.

Artikel 32

  • 1 De invoerrechten tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling worden geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande ritme:

    • op 1 april 1973, wordt elk invoerrecht verlaagd tot 80% van het basisrecht;

    • de vier overige verlagingen van 20% elk vinden plaats op:

      • 1 januari 1974

      • 1 januari 1975

      • 1 januari 1976

      • 1 juli 1977.

  • 2 In afwijking van lid 1:

    • a) worden de invoerrechten op kolen in de zin van bijlage I van het E.G.K.S.-Verdrag, tussen de Lid-Staten onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft;

    • b) worden de invoerrechten voor de produkten vermeld in bijlage III van deze Akte op 1 januari 1974 afgeschaft;

    • c) wordt onmiddellijk bij de toetreding vrijdom van douanerechten toegepast op de invoer van goederen welke vallen onder de bepalingen inzake belastingvrijdom in het kader van het reizigersverkeer tussen de Lid-Staten.

  • 3 Voor de produkten vermeld in bijlage IV van deze Akte, ten aanzien waarvan op overeenkomsten berustende preferentiemarges bestaan tussen het Verenigd Koninkrijk en bepaalde andere landen waarvoor de preferenties van het Gemenebest gelden, kan het Verenigd Koninkrijk de eerste van de in lid 1 bedoelde tariefverlagingen uitstellen tot 1 juli 1973.

  • 4 Het bepaalde in lid 1 doet geen afbreuk aan de mogelijkheid tariefcontingenten te openen voor bepaalde produkten van de ijzeren staalindustrie die niet of in niet voldoende hoeveelheid of kwaliteit in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling worden geproduceerd.

Artikel 33

In geen geval worden binnen de Gemeenschap douanerechten toegepast die hoger zijn dan die welke gelden ten opzichte van derde landen waarvoor de meestbegunstigingsclausule geldt.

Ingeval de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden gewijzigd of geschorst of ingeval de nieuwe Lid-Staten artikel 41 toepassen, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de nodige maatregelen nemen ter handhaving van de communautaire preferentie.

Artikel 34

Elke nieuwe Lid-Staat kan de heffing van de rechten die worden toegepast op uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten geheel of gedeeltelijk schorsen. Hij stelt de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 35

Elke heffing van gelijke werking als een invoerrecht, die met ingang van 1 januari 1972 wordt ingevoerd in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling, wordt op 1 januari 1973 afgeschaft.

Elke heffing van gelijke werking als een invoerrecht, waarvan het peil op 31 december 1972 hoger is dan het peil van de heffing die op 1 januari 1972 daadwerkelijk wordt toegepast, wordt op 1 januari 1973 tot op dit laatstgenoemd peil teruggebracht.

Artikel 36

  • 1 De heffingen van gelijke werking als invoerrechten worden tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande ritme:

    • uiterlijk op 1 januari 1974, wordt iedere heffing verlaagd tot op 60% van het op 1 januari 1972 geldende heffingsbedrag;

    • de drie overige verlagingen van 20% elk vinden plaats op:

      • 1 januari 1975

      • 1 januari 1976

      • 1 juli 1977.

  • 2 In afwijking van lid 1:

    • a) worden de heffingen van gelijke werking als invoerrechten op kolen in de zin van bijlage I van het E.G.K.S.-Verdrag, tussen de Lid-Staten onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft;

    • b) worden de heffingen van gelijke werking als invoerrechten voor de produkten vermeld in bijlage III van deze Akte, op 1 januari 1974 afgeschaft.

Artikel 37

De uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking worden tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling uiterlijk op 1 januari 1974 afgeschaft.

Artikel 38

  • 1 Onverminderd het bepaalde in de volgende leden zijn de bepalingen inzake de geleidelijke afschaffing van de douanerechten van toepassing op de douanerechten van fiscale aard.

  • 2 De nieuwe Lid-Staten behouden de mogelijkheid om een douanerecht van fiscale aard of het fiscale element van zulk een recht te vervangen door een binnenlandse belasting die strookt met artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag. Wanneer een nieuwe Lid-Staat gebruik maakt van die mogelijkheid, vormt het element dat eventueel niet is gedekt door de binnenlandse belasting het basisrecht als bedoeld in artikel 31. Dit element wordt in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap afgeschaft en aan het gemeenschappelijk douanetarief aangepast overeenkomstig de artikelen 32, 39 en 59.

  • 3 Wanneer de Commissie constateert dat de vervanging van een douanerecht van fiscale aard of van het fiscale element van zulk een recht, in een nieuwe Lid-Staat met ernstige moeilijkheden gepaard gaat, machtigt zij die Staat, op een verzoek dat vóór 1 februari 1973 moet worden ingediend, om dat recht of dat fiscale element te handhaven, op voorwaarde dat de Lid-Staat het uiterlijk op 1 januari 1976 afschaft. De Commissie beslist vóór 1 maart 1973.

    Het beschermend element, waarvan het bedrag vóór 1 maart 1973 door de Commissie na raadpleging van de betrokken Staat wordt vastgesteld, vormt het basisrecht als bedoeld in artikel 31. Dit element wordt in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap afgeschaft en aan het gemeenschappelijk douanetarief aangepast overeenkomstig de artikelen 32, 39 en 59.

  • 4 De Commissie kan het Verenigd Koninkrijk machtigen om de douanerechten van fiscale aard of het fiscale element van deze rechten op tabak gedurende een extra periode van twee jaar te handhaven, indien de omvorming van die rechten tot binnenlandse belastingen op tabaksfabrikaten op een geharmoniseerde basis overeenkomstig artikel 99 van het E.E.G.-Verdrag op 1 januari 1976 nog niet kon worden verwezenlijkt, hetzij omdat op 1 januari 1975 nog geen communautaire bepalingen op dat gebied bestonden, hetzij omdat de datum voor de inwerkingtreding van die communautaire bepalingen na 1 januari 1976 valt.

  • 5 De richtlijn van de Raad van 4 maart 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende uitstel van betaling van douanerechten, heffingen van gelijke werking en landbouwheffingen is in de nieuwe Lid-Staten niet van toepassing op de douanerechten van fiscale aard of het fiscale element van deze rechten als bedoeld in de leden 3 en 4.

  • 6 De richtlijn van de Raad van 4 maart 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de regeling „actieve veredeling” is in het Verenigd Koninkrijk niet van toepassing op de douanerechten van fiscale aard of het fiscale element van deze rechten als bedoeld in de leden 3 en 4.

Artikel 39

  • 1 Ten behoeve van de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijke douanetarief en van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief wijzigen de nieuwe Lid-Staten hun ten opzichte van derde landen van toepassing zijnde tarieven als volgt:

    • a) voor de tariefposten waarbij de basisrechten niet meer dan 15% naar boven of naar beneden afwijken van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief of van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief, worden laatstgenoemde rechten toegepast met ingang van 1 januari 1974;

    • b) in de overige gevallen past elke nieuwe Lid-Staat vanaf dat tijdstip een recht toe waarbij het verschil tussen het basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief of van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief met 40% wordt verminderd.

    Dit verschil wordt opnieuw met telkens 20% verminderd op 1 januari 1975 en op 1 januari 1976.

    Met ingang van 1 juli 1977 passen de nieuwe Lid-Staten het gemeenschappelijk douanetarief en het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief volledig toe.

  • 2 Wanneer na 1 januari 1974 sommige rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden geschorst of gewijzigd, schorsen of wijzigen de nieuwe Lid-Staten gelijktijdig hun tarieven volgens de uit de toepassing van lid 1 voortvloeiende verhouding.

  • 3 Op de produkten vermeld in bijlage III van deze Akte passen de nieuwe Lid-Staten met ingang van 1 januari 1974 het gemeenschappelijk douanetarief toe.

  • 4 De nieuwe Lid-Staten passen vanaf de toetreding de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief toe. Denemarken en het Verenigd Koninkrijk zijn evenwel gemachtigd de toepassing daarvan tot 1 januari 1974 uit te stellen.

    De nieuwe Lid-Staten kunnen in deze nomenclatuur de bestaande nationale onderverdelingen overnemen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de geleidelijke aanpassing van hun douanerechten aan die van het gemeenschappelijk douanetarief plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in deze Akte.

  • 5 Ter vergemakkelijking van de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief door de nieuwe Lid-Staten bepaalt de Commissie, indien nodig, hoe de nieuwe Lid-Staten hun douanerechten dienen te wijzigen.

Artikel 40

Voor de volgende produkten die zijn opgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief:

No. van het gemeenschappelijk douanetarief

Omschrijving (E.G.K.S.)

73.01

Gietijzer (spiegelijzer daaronder begrepen), onbewerkt, in ingots, gietelingen, blokken en klompen

73.02

Ferrolegeringen:

A. Ferromangaan:

I. bevattende meer dan 2 gewichtspercenten koolstof

73.07

Blooms, billets, bramen en largets, van ijzer of van staal; smeedstukken van ijzer of van staal, enkel ruw voorgesmeed

A. Blooms en billets:

ex I. Gewalste billets

past Ierland, in afwijking van artikel 39, met ingang van 1 januari 1975, rechten toe waarbij het verschil tussen de op 1 januari 1972 daadwerkelijk toegepaste rechten en die van het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief met één derde wordt verminderd. Het verschil dat uit deze eerste aanpassing voortvloeit, wordt op 1 januari 1976 opnieuw met 50% verminderd.

Met ingang van 1 juli 1977 past Ierland het ééngemaakte E.G.K.S.tarief volledig toe.

Artikel 41

Bij de aanpassing van hun tarieven aan het gemeenschappelijk douanetarief en aan het ééngemaakte E.G.K.S.-tarief, staat het de nieuwe Lid-Staten vrij om hun douanerechten in een sneller ritme te wijzigen dan is bepaald in artikel 39, leden 1 en 3. Zij geven de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan kennis.

HOOFDSTUK 2. Afschaffing van kwantitatieve beperkingen

Artikel 42

De kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling worden onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft.

De maatregelen van gelijke werking als zulke beperkingen worden uiterlijk op 1 januari 1975 afgeschaft.

Artikel 43

In afwijking van artikel 42, kunnen de Lid-Staten uitvoerbeperkingen inzake schroot, resten en afvallen van werken van gietijzer, van ijzer of van staal van post 73.03 van het gemeenschappelijk douanetarief gedurende een periode van twee jaar handhaven, mits deze regeling niet beperkender is dan de regeling die geldt voor de uitvoer naar derde landen.

Voor Denemarken wordt bovengenoemde periode vastgesteld op drie jaar en voor Ierland op vijf jaar.

Artikel 44

  • 1 De nieuwe Lid-Staten passen hun nationale monopolies van commerciële aard, als bedoeld in artikel 37, lid 1, van het E.E.G.-Verdrag geleidelijk aan, in dier voege dat vóór 31 december 1977 elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten.

    De oorspronkelijke Lid-Staten gaan jegens de nieuwe Lid-Staten gelijkwaardige verplichtingen aan.

  • 2 Vanaf begin 1973 doet de Commissie aanbevelingen met betrekking tot de wijze waarop en het ritme waarin de in dit artikel voorgeschreven aanpassing moet worden verwezenlijkt, met dien verstande dat deze wijze en dit ritme dezelfde dienen te zijn voor de nieuwe Lid-Staten en voor de oorspronkelijke Lid-Staten.

HOOFDSTUK 3. Overige bepalingen

Artikel 45

  • 1 Rekening houdend met de geldende voorschriften, met name met die betreffende het communautaire douanevervoer, stelt de Commissie vóór 1 april 1973 de methoden van administratieve samenwerking vast welke de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking, alsmede van de kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking moeten waarborgen voor goederen die aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoen.

  • 2 Vóór het verstrijken van deze termijn stelt de Commissie de bepalingen vast die van toepassing zijn op het handelsverkeer binnen de Gemeenschap in de in de Gemeenschap verkregen goederen, bij de vervaardiging waarvan:

    • produkten zijn verwerkt welke niet onderworpen zijn geweest aan de douanerechten of heffingen van gelijke werking die hierop van toepassing waren in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling of in een nieuwe Lid-Staat, of die in aanmerking zijn gekomen voor een volledige of gedeeltelijke teruggave van deze rechten of heffingen;

    • landbouwprodukten zijn verwerkt die niet voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn om te worden toegelaten tot het vrije verkeer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling of in een nieuwe Lid-Staat.

    Bij het vaststellen van deze bepalingen houdt de Commissie rekening met de in deze Akte neergelegde voorschriften voor de afschaffing van de douanerechten tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling en voor de geleidelijke toepassing door de nieuwe Lid-Staten van het gemeenschappelijk douanetarief en van de bepalingen inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Artikel 46

  • 1 Zolang er douanerechten worden geheven in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap zijn, tenzij anders is bepaald in deze Akte, de bepalingen inzake douanewetgeving van toepassing op dat handelsverkeer onder dezelfde voorwaarden als voor het handelsverkeer van de Gemeenschap met derde landen.

    Voor de vaststelling van de douanewaarde in dat handelsverkeer is het in aanmerking te nemen douanegebied het douanegebied dat wordt omschreven in de in de Gemeenschap en de nieuwe Lid-Staten op 31 december 1972 geldende bepalingen.

  • 2 In het handelsverkeer binnen de Gemeenschap passen de Lid-Staten vanaf de toetreding de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief toe. Denemarken en het Verenigd Koninkrijk zijn evenwel gemachtigd de toepassing daarvan tot 1 januari 1974 uit te stellen.

    De nieuwe Lid-Staten kunnen in deze nomenclatuur de bestaande nationale onderverdelingen overnemen die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de geleidelijke afschaffing van hun invoerrechten binnen de Gemeenschap plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in deze Akte.

Artikel 47

  • 1 Voor zover in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling compenserende bedragen als bedoeld in artikel 55, lid 1 sub a) , worden geheven op de basisprodukten die geacht worden te zijn verwerkt in goederen die vallen onder Verordening No. 170/67/EEG betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer van ovoalbumine en lactoalbumine en Verordening (EEG) No. 1059/69 tot vaststelling van de handelsregeling die van toepassing is op bepaalde goederen, verkregen door de verwerking van landbouwprodukten, wordt bij de invoer van deze goederen een compenserend bedrag toegepast, dat wordt bepaald op de grondslag van genoemde bedragen en volgens de voorschriften die in deze verordeningen zijn neergelegd voor de berekening van de belasting dan wel van het variabele element van toepassing op de betreffende goederen.

    Bij de invoer van dezelfde goederen uit derde landen in de nieuwe Lid-Staten wordt de in Verordening No. 170/67/EEG bedoelde belasting en het in Verordening (EEG) No. 1059/69 bedoelde variabele element, naar gelang van het geval, verlaagd of verhoogd met het compenserende bedrag onder dezelfde voorwaarden als die neergelegd in artikel 55, lid 1 sub b).

  • 2 Het bepaalde in artikel 61, lid 2, is van toepassing ten aanzien van de bepaling van het douanerecht dat het vaste element vormt van de belasting die in de nieuwe Lid-Staten van toepassing is op de goederen die onder Verordening (EEG) No. 1059/69 vallen.

    Elk vast element dat wordt toegepast in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling wordt afgeschaft overeenkomstig artikel 32, lid 1.

    Elk vast element dat door de nieuwe Lid-Staten bij invoer uit derde landen wordt toegepast, wordt overeenkomstig artikel 39 aan het gemeenschappelijk douanetarief aangepast.

  • 3 De nieuwe Lid-Staten passen uiterlijk op 1 februari 1973 ten aanzien van de goederen die onder de Verordeningen No. 170/67/ EEG en (EEG) No. 1059/69 vallen de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief volledig toe.

  • 4 De douanerechten en heffingen van gelijke werking, andere dan die bedoeld in de leden 1 en 2, worden door de nieuwe Lid-Staten afgeschaft op 1 februari 1973.

    Op hetzelfde tijdstip worden de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen door de nieuwe Lid-Staten in hun onderling handelsverkeer en in dat met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling afgeschaft.

  • 5 De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de bepalingen ter uitvoering van dit artikel vast met inachtneming met name van bijzondere situaties die uit de uitvoering van het bepaalde in lid 1, eerste alinea, en in artikel 97 kunnen voortvloeien voor dezelfde goederen.

Artikel 48

  • 1 Het bepaalde in deze Titel belet niet dat Ierland, ten aanzien van de produkten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk, een regeling toepast die het mogelijk maakt om, overeenkomstig de bepalingen van de op 14 december 1965 ondertekende Overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk en de daarmede verbonden Overeenkomsten, de douanerechten en de beschermende elementen in de douanerechten van fiscale aard sneller af te schaffen.

  • 2 Vanaf 1 januari 1974 zijn de bepalingen vastgesteld krachtens artikel 45, lid 2, van toepassing in het kader van de tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk geldende douaneregeling.

Artikel 49

  • 2 De Protocollen gehecht aan het Akkoord inzake de vaststelling van een gedeelte van het gemeenschappelijk douanetarief met betrekking tot de produkten van lijst G bij het E.E.G.-Verdrag komen, met uitzondering van Protocol No. XVII, te vervallen.

Titel II. Landbouw

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 50

Voor zover in deze Titel niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van deze Akte van toepassing op landbouwprodukten.

Artikel 51

  • 1 Het bepaalde in dit artikel is van toepassing voor de prijzen ten aanzien waarvan in de hoofdstukken 2 en 3 naar dit artikel wordt verwezen.

  • 2 Tot aan de eerste van de in artikel 52 bedoelde prijsaanpassingen worden de prijzen die in elke nieuwe Lid-Staat moeten worden toegepast, overeenkomstig de in de gemeenschappelijke marktordening van de betrokken sector neergelegde regels vastgesteld op een zodanig peil dat het de producenten in deze sector mogelijk is inkomsten te verwerven die gelijkwaardig zijn aan die welke zij onder het voordien geldende nationale stelsel verwierven.

  • 3 Voor het Verenigd Koninkrijk worden deze prijzen evenwel op een zodanig peil vastgesteld dat de toepassing van de communautaire regeling leidt tot een marktprijspeil dat vergelijkbaar is met het in de betrokken Lid-Staat tijdens een aan de toepassing van deze regeling voorafgaande representatieve periode geconstateerde peil.

Artikel 52

  • 1 Indien de toepassing van deze Titel leidt tot een prijspeil dat afwijkt van het peil van de gemeenschappelijke prijzen, worden de prijzen ten aanzien waarvan in de hoofdstukken 2 en 3 wordt verwezen naar dit artikel, in zes etappes aangepast aan het peil der gemeenschappelijke prijzen.

  • 2 Behoudens het bepaalde in lid 4 vindt de aanpassing jaarlijks plaats aan het begin van het verkoopseizoen volgens onderstaande bepalingen:

    • a) wanneer de prijs in een nieuwe Lid-Staat voor een bepaald produkt lager is dan de gemeenschappelijke prijs, wordt de prijs van deze Lid-Staat op het ogenblik van elke aanpassing achtereenvolgens verhoogd met een zesde, een vijfde, een kwart, een derde en de helft van het verschil tussen het prijspeil van deze nieuwe Lid-Staat en het peil van de gemeenschappelijke prijs die vóór elke aanpassing van toepassing zijn; de prijs die uit deze berekening voortvloeit wordt verhoogd in evenredigheid met de eventuele verhoging van de gemeenschappelijke prijs voor het komende seizoen;

    • b) wanneer de prijs in een nieuwe Lid-Staat voor een bepaald produkt hoger is dan de gemeenschappelijke prijs, wordt het verschil tussen het prijspeil dat vóór elke aanpassing in de nieuwe Lid-Staat van toepassing is, en het peil van de gemeenschappelijke prijs voor het komende seizoen achtereenvolgens verminderd met een zesde, een vijfde, een kwart, een derde en de helft.

  • 3 In het belang van een harmonieus verloop van het integratieproces kan de Raad, in afwijking van het bepaalde in lid 2, volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag, besluiten dat de prijs voor één of meer produkten ten aanzien van één of meer nieuwe Lid-Staten, gedurende een verkoopseizoen afwijkt van de prijzen die voortvloeien uit de toepassing van lid 2.

    Deze afwijking mag niet meer bedragen dan 10% van de te verrichten prijsaanpassing.

    In dat geval geldt voor het volgende verkoopseizoen het prijspeil dat zou zijn voortgevloeid uit de toepassing van het bepaalde in lid 2, indien niet tot afwijking zou zijn besloten. Voor dit verkoopseizoen kan evenwel opnieuw tot een afwijking van dat peil worden besloten, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande alinea's.

  • 4 De gemeenschappelijke prijzen worden in de nieuwe Lid-Staten uiterlijk op 1 januari 1978 toegepast.

Artikel 53

Indien wordt vastgesteld dat het verschil tussen het prijspeil voor een bepaald produkt in een nieuwe Lid-Staat en het peil van de gemeenschappelijke prijs van geringe betekenis is, kan de Raad volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag besluiten dat in deze nieuwe Lid-Staat voor het betrokken produkt de gemeenschappelijke prijs wordt toegepast.

Artikel 54

  • 1 Zolang er in het Verenigd Koninkrijk een verschil blijft bestaan tussen de onder het nationale stelsel van garantieprijzen verkregen prijzen en de marktprijzen die voortvloeien uit de toepassing van de regelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van het bepaalde in deze Titel, is deze Lid-Staat gemachtigd om produktiesubsidies te handhaven.

  • 2 Het Verenigd Koninkrijk streeft ernaar voor elk produkt ten aanzien waarvan lid 1 van toepassing is, deze subsidies in het in artikel 9, lid 2, bedoelde tijdvak zo spoedig mogelijk af te schaffen.

  • 3 Deze subsidies mogen niet ten gevolge hebben dat de inkomsten van de producenten uitgaan boven het peil dat zou voortvloeien uit de toepassing van de in artikel 52 neergelegde regels inzake prijsaanpassing op deze inkomsten.

  • 4 De Raad stelt volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het E.E.G.-Verdrag de regels vast die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit artikel ten einde de goede werking van het landbouwbeleid en met name van de gemeenschappelijke ordening der markten te waarborgen.

Artikel 55

  • 1 De verschillen in het prijspeil worden gecompenseerd volgens onderstaande regels:

    • a) in het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten onderling en met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, worden compenserende bedragen geheven door de invoerende Staat of toegekend door de uitvoerende Staat;

    • b) in het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten met derde landen, worden de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toegepaste heffingen of andere belastingen bij invoer alsmede de restituties bij uitvoer, naar gelang van het geval, verlaagd of verhoogd met de compenserende bedragen die gelden in het handelsverkeer met de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling. De douanerechten kunnen evenwel niet met het compenserende bedrag worden verlaagd.

  • 2 Voor produkten waarvoor prijzen worden vastgesteld volgens het bepaalde in de artikelen 51 en 52, zijn de in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen laatstgenoemde en derde landen toepasselijke compenserende bedragen gelijk aan het verschil tussen de prijzen die voor de betrokken nieuwe Lid-Staat zijn vastgesteld, en de gemeenschappelijke prijzen.

    Voor de overige produkten worden de compenserende bedragen vastgesteld in de gevallen en op de wijze voorzien in de hoofdstukken 2 en 3.

  • 3 De compenserende bedragen die in het handelsverkeer tussen de nieuwe Lid-Staten van toepassing zijn, worden bepaald aan de hand van de voor elk hunner overeenkomstig lid 2 vastgestelde compenserende bedragen.

  • 4 Er wordt evenwel geen compenserend bedrag vastgesteld, indien de toepassing van de leden 2 en 3 leidt tot een bedrag dat van geringe betekenis is.

  • 6 Het door een Lid-Staat overeenkomstig lid 1, sub a) , geheven of toegekende compenserende bedrag mag niet hoger zijn dan het totale bedrag dat door dezelfde Lid-Staat bij invoer uit derde landen, wordt geheven.

    De Raad kan, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen van deze regel afwijken met name om verlegging van het handelsverkeer en distorsies van de mededinging te voorkomen.

Artikel 56

Indien de prijs op de wereldmarkt voor een bepaald produkt hoger is dan de prijs aangehouden voor de berekening van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde belasting bij invoer, verminderd met het compenserende bedrag dat wordt afgetrokken van de belasting bij invoer krachtens artikel 55, of wanneer de restitutie bij uitvoer naar derde landen lager is dan het compenserende bedrag of wanneer er geen restitutie wordt verleend, kunnen passende maatregelen worden getroffen om de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten te waarborgen.

Artikel 57

Bij het vaststellen van het peil van de verschillende elementen van de regeling inzake prijzen en interventies, andere dan de prijzen bedoeld in de artikelen 51 en 70, wordt, voor zover zulks noodzakelijk is voor de goede werking van de communautaire regeling, ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten rekening gehouden met het prijsverschil dat wordt uitgedrukt door het compenserende bedrag.

Artikel 58

De toegekende compenserende bedragen worden door de Gemeenschap gefinancierd ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie.

Artikel 59

Ten aanzien van produkten uit derde landen waarvan de invoer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling is onderworpen aan douanerechten, gelden de volgende bepalingen:

  • 1. De douanerechten bij invoer worden tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling, in vijf etappes geleidelijk afgeschaft. De eerste verlaging waarbij de douanerechten worden verlaagd tot 80% van het basisrecht en de vier overige verlagingen van 20% elk vinden plaats in het volgende ritme:

    • a) voor de produkten die onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees vallen: jaarlijks aan het begin van het verkoopseizoen, terwijl de eerste verlaging in 1973 plaatsvindt;

    • b) voor de produkten die vallen onder Verordening No. 23 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, onder Verordening (EEG) No. 234/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector levende planten en produkten van de bloementeelt en onder Verordening (EEG) No. 865/68 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten: jaarlijks op 1 januari, terwijl de eerste verlaging plaatsvindt op 1 janari 1974;

    • c) voor de overige landbouwprodukten: in het ritme neergelegd in artikel 32, lid 1, met dien verstande dat de eerste verlaging plaatsvindt op 1 juli 1973.

  • 2. Met het oog op de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief, vermindert elke nieuwe Lid-Staat het verschil tussen het basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief in etappes van 20%. Deze aanpassingen vinden plaats op de data die in lid 1 voor de betreffende produkten worden genoemd. Ten aanzien van de in lid 1, sub c), bedoelde produkten vinden de aanpassingen plaats volgens het ritme voorgeschreven in artikel 39, lid 1.

    Voor de tariefposten waarbij de basisrechten niet meer dan 15% naar boven of naar beneden afwijken van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, worden laatstgenoemde rechten echter toegepast vanaf de datum van de eerste aanpassing voor elk van de categorieën van de betrokken produkten.

  • 3. Wat de in lid 1, sub b) , bedoelde produkten betreft, kan de Raad, voor de tweede, de derde en de vierde verlaging of aanpassing, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat voor één of meer nieuwe Lid-Staten de rechten voor één of meer van deze produkten gedurende een jaar afwijken van de rechten die voortvloeien uit de toepassing van het bepaalde in lid 1 of, naargelang van het geval, in lid 2.

    Deze afwijking mag niet meer bedragen dan 10% van het bedrag van de wijziging die krachtens lid 1 of lid 2 dient te worden verricht.

    In dat geval zijn de voor het volgende jaar toe te passen douanerechten de rechten die zouden zijn voortgevloeid uit de toepassing van lid 1 of, naar gelang van het geval, lid 2, indien niet tot afwijking zou zijn besloten. Voor dat jaar kan evenwel opnieuw tot een afwijking van deze rechten worden besloten, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande alinea's.

    Op 1 januari 1978 worden de douanerechten voor deze produkten afgeschaft en passen de nieuwe Lid-Staten volledig het gemeenschappelijk douanetarief toe.

  • 4. Ten aanzien van de produkten die onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, kunnen de nieuwe Lid-Staten volgens de procedure van artikel 26 van Verordening No. 120/67/ EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen of, naar gelang van het geval, van het overeenkomstige artikel van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, gemachtigd worden over te gaan tot de afschaffing der in lid 1 bedoelde douanerechten of tot de in lid 2 bedoelde aanpassing, in een sneller tempo dan in voorgaande leden is bepaald, dan wel tot een gehele of gedeeltelijke schorsing van de douanerechten toepasselijk op produkten die worden ingevoerd uit de andere Lid-Staten.

    Voor de overige produkten is voor het nemen van de in de voorgaande alinea bedoelde maatregelen geen machtiging vereist.

    De douanerechten die voortvloeien uit een versnelde aanpassing mogen niet lager zijn dan die welke worden toegepast bij invoer van dezelfde produkten uit de andere Lid-Staten.

    De nieuwe Lid-Staten stellen de overige Lid-Staten en de Commissie in kennis van de genomen maatregelen.

Artikel 60

  • 1 Ten aanzien van de produkten die op het tijdstip van toetreding onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen is de regeling die in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling van toepassing is inzake douanerechten en heffingen van gelijke werking, kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking in de nieuwe Lid-Staten van toepassing met ingang van 1 februari 1973, behoudens het bepaalde in de artikelen 55 en 59.

  • 2 Ten aanzien van de produkten die op het tijdstip van toetreding niet onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, zijn de bepalingen van Titel I inzake de geleidelijke afschaffing van de heffingen van gelijke werking als invoerrechten, van de kwantitatieve beperkingen en van de maatregelen van gelijke werking, niet van toepassing op deze heffingen, beperkingen en maatregelen wanneer zij op het tijdstip van de toetreding deel uitmaken van een nationale marktordening.

    Deze bepaling geldt slechts voor zover zulks noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen en totdat de gemeenschappelijke ordening der markten voor deze produkten van toepassing wordt.

  • 3 Uiterlijk op 1 februari 1973 passen de nieuwe Lid-Staten voor de landbouwprodukten die onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief toe.

    Voor zover hieruit geen moeilijkheden voortvloeien voor de toepassing van de communautaire regeling, met name voor de werking van de gemeenschappelijke ordening der markten en van de in deze titel neergelegde overgangsregelingen, kan de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, een nieuwe Lid-Staat machtigen in deze nomenclatuur de bestaande nationale onderverdelingen over te nemen, die noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat de geleidelijke aanpassing van het gemeenschappelijk douanetarief of de afschaffing van rechten binnen de Gemeenschap plaatsvindt overeenkomstig de in deze Akte neergelegde voorwaarden.

Artikel 61

  • 1 Het element ter bescherming van de verwerkende industrie dat in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de lasten ter zake van invoer uit derde landen voor produkten die vallen onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren granen, rijst en verwerkte produkten op basis van groenten en fruit, wordt geheven bij invoer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling uit de nieuwe Lid-Staten.

  • 2 Voor de invoer in de nieuwe Lid-Staten wordt dit element bepaald door uit de op 1 januari 1972 geldende bescherming het element of de elementen ter bescherming van de verwerkende industrie te lichten.

    Dit element wordt of deze elementen worden geheven bij invoer uit de andere Lid-Staten en vervangen, wat de lasten ter zake van invoer uit derde landen betreft, het communautaire element van bescherming.

  • 3 Het bepaalde in artikel 59 is van toepassing op het in de leden 1 en 2 bedoelde element. De desbetreffende verlagingen of aanpassingen vinden echter voor de produkten van de sector granen en de sector rijst plaats aan het begin van het verkoopseizoen voor het betrokken basisprodukt.

Artikel 62

  • 1 De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de bepalingen vast die nodig zijn ter uitvoering van deze Titel.

  • 2 De Raad kan, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering, met eenparigheid van stemmen overgaan tot de noodzakelijke aanpassingen van de regels neergelegd in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze Titel, ingeval de noodzaak daartoe bestaat ten gevolge van een wijziging van de communautaire regeling.

Artikel 63

  • 1 Indien overgangsmaatregelen noodzakelijk zijn om de overgang van het in de nieuwe Lid-Staten geldende stelsel naar het stelsel dat voortvloeit uit de toepassing van de gemeenschappelijke ordening der markten overeenkomstig het bepaalde in deze Titel te vergemakkelijken, met name wanneer de toepassing van het nieuwe stelsel op de vastgestelde datum voor bepaalde produkten op aanzienlijke moeilijkheden zou stuiten, worden die maatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 26 van Verordening No. 120/67/ EEG of, naar gelang van het geval, van het overeenkomstig artikel van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten. Deze maatregelen kunnen worden getroffen gedurende een tijdvak dat op 31 januari 1974 afloopt; zij kunnen slechts tot deze datum worden toegepast.

  • 2 Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering, kan de Raad de in lid 1 bedoelde termijn met eenparigheid van stemmen verlengen tot 31 januari 1975.

Artikel 64

Het bepaalde in deze Titel doet geen afbreuk aan de mate waarin het handelsverkeer in landbouwprodukten is geliberaliseerd ingevolge de op 14 december 1965 ondertekende Overeenkomst tot instelling van een vrijhandelszone tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk en de daarmede verbonden Overeenkomsten.

HOOFDSTUK 2. Bepalingen betreffende bepaalde gemeenschappelijke marktordeningen

Afdeling 1. Groenten en fruit

Artikel 65

  • 1 Er wordt een compenserend bedrag vastgesteld voor groenten en fruit waarvoor:

    • a) de betrokken nieuwe Lid-Staat in de loop van het jaar 1971 kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toepaste,

    • b) een gemeenschappelijke basisprijs is vastgesteld, en

    • c) de produktieprijs in deze nieuwe Lid-Staat aanmerkelijk hoger ligt dan de basisprijs van toepassing in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling gedurende de periode voorafgaande aan de toepassing van de communautaire regeling op de nieuwe Lid-Staten.

  • 2 De in lid 1, sub c), bedoelde produktieprijs wordt berekend door de beginselen neergelegd in artikel 4, lid 2, van Verordening No. 159/66/EEG, houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, toe te passen op de nationale gegevens van de betrokken nieuwe Lid-Staat.

  • 3 Het compenserende bedrag is slechts van toepassing gedurende het tijdvak waarin de basisprijs geldt.

Artikel 66

  • 1 Tot de eerste aanpassing is het compenserende bedrag dat van toepassing is in het handelsverkeer tussen enerzijds een nieuwe Lid-Staat waarin aan de voorwaarden genoemd in artikel 65, lid 1, is voldaan, en anderzijds de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling of een andere nieuwe Lid-Staat, met uitzondering van die bedoeld in de volgende alinea, dan wel derde landen, gelijk aan het verschil tussen de in artikel 65, lid 1 sub c) , bedoelde prijzen.

    Voor het handelsverkeer tussen twee nieuwe Lid-Staten waarin aan de voorwaarden genoemd in artikel 65, lid 1, is voldaan, is het compenserende bedrag gelijk aan het verschil tussen hun produktieprijzen. Het wordt niet toegepast indien dit verschil gering is.

    De in de bovenstaande alinea's bedoelde verschillen worden gecorrigeerd, voor zover zulks nodig is, met de invloed der douanerechten.

  • 2 Vervolgens wordt het compenserende bedrag jaarlijks op 1 januari met een vijfde van het oorspronkelijke bedrag verminderd. De eerste verlaging vindt plaats op 1 januari 1974.

    De bepalingen van artikel 52, lid 3, zijn van overeenkomstige toepassing. Het compenserende bedrag wordt op 1 januari 1978 afgeschaft.

Artikel 67

Voor de vaststelling van de invoerprijzen worden de in de nieuwe Lid-Staten waargenomen noteringen verminderd met:

  • a) het eventueel compenserende bedrag;

  • b) de rechten die van toepassing zijn bij invoer uit derde landen in deze Lid-Staten, in plaats van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

Artikel 68

De bepalingen inzake de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen zijn op het in de handel brengen in het Verenigd Koninkrijk van de binnenlandse produktie niet eerder van toepassing dan vanaf:

  • a) 1 februari 1974 voor artisjokken, asperges, spruitjes, bleekselderij, witlof, knoflook en uien;

  • b) 1 februari 1975 voor bonen, sluitkool, wortelen, sla, krulandijvie en andijvie, doperwten, spinazie en aardbeien.

Afdeling 2. Wijn

Artikel 69

Tot en met 31 december 1975 zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk gemachtigd het gebruik van de samengestelde benamingen waarin het woord wijn voorkomt te handhaven voor de aanduiding van bepaalde dranken ten aanzien waarvan het gebruik van deze aanduiding niet verenigbaar is met de communautaire voorschriften. Deze afwijking is evenwel niet van toepassing voor de produkten die worden uitgevoerd naar de Lid-Staten van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

Afdeling 3. Oliehoudende zaden

Artikel 70

  • 1 Voor oliehoudende zaden is het bepaalde in artikel 52 van toepassing op de afgeleide interventieprijzen.

  • 2 De interventieprijzen toepasselijk in de nieuwe Lid-Staten tot de eerste aanpassing worden vastgesteld volgens de in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten neergelegde regels, rekening houdend met de normale verhouding die moet bestaan tussen het voor oliehoudende zaden te verkrijgen inkomen en het inkomen uit de produktie van produkten die bij wisselbouw concurreren met deze zaden.

Artikel 71

Het bedrag van de steun voor oliehoudende zaden die in een nieuwe Lid-Staat zijn geoogst, wordt gecorrigeerd met het in die Lid-Staat toepasselijke compenserende bedrag, vermeerderd met de invloed van de daar toegepaste douanerechten.

Artikel 72

In het handelsverkeer wordt het compenserende bedrag slechts toegepast op de restituties toegekend bij de uitvoer van de in een nieuwe Lid-Staat geoogste oliehoudende zaden naar derde landen.

Afdeling 4. Granen

Artikel 73

In de sector granen zijn de artikelen 51 en 52 van toepassing op de afgeleide interventieprijzen.

Artikel 74

De compenserende bedragen die gelden, in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen deze laatste en derde landen worden als volgt vastgesteld:

  • 1. Wat betreft granen waarvoor geen afgeleide interventieprijs voor de nieuwe Lid-Staten wordt vastgesteld, wordt het tot de eerste aanpassing toepasselijke compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag dat geldt voor de concurrerende graansoort waarvoor een afgeleide interventieprijs is vastgesteld, met inachtneming van de tussen de drempelprijzen van de betrokken graansoorten bestaande verhouding. Indien echter de verhouding tussen de drempelprijzen aanzienlijk afwijkt van de verhouding tussen de prijzen die zijn waargenomen op de markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat, kan deze laatste verhouding in aanmerking worden genomen.

    Vervolgens worden de bedragen vastgesteld uitgaande van de in de eerste alinea bedoelde bedragen, volgens de in artikel 52 voor de aanpassing der prijzen neergelegde regels.

  • 2. Voor de produkten genoemd in artikel 1, sub c) en d) , van Verordening No. 120/67/EEG, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag toepasselijk voor de graansoorten waarmede deze produkten zijn verbonden, met behulp van de coëfficiënten of de regels voor de vaststelling van de heffing, of het variabele element van de heffing, voor die produkten.

Afdeling 5. Varkensvlees

Artikel 75

  • 1 Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per kilogram geslachte varkens wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergraan die nodig is om in de Gemeenschap één kilogram varkensvlees te produceren.

  • 2 Voor de andere produkten dan geslachte varkens, genoemd in artikel 1, lid 1, van Verordening No. 121/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector varkensvlees, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het bedrag bedoeld in lid 1, met behulp van de coëfficiënten waarvan gebruik wordt gemaakt voor de berekening van de heffing.

Artikel 76

  • 1 Tot en met 31 december 1975 kunnen produkten die niet beantwoorden aan het bepaalde in punt 23 van bijlage I van de richtlijn No. 64/433/EEG, inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, in Denemarken, in Ierland en het Verenigd Koninkrijk door de interventiebureaus worden aangekocht.

  • 2 Tot en met 31 oktober 1974 is het Verenigd Koninkrijk gemachtigd het communautaire indelingsschema voor geslachte varkens niet toe te passen.

Afdeling 6. Eieren

Artikel 77

  • 1 Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per kilogram eieren in de schaal wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergranen die nodig is om in de Gemeenschap één kilogram eieren in de schaal te produceren.

  • 2 Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per broedei wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergranen die nodig is om in de Gemeenschap één broedei te produceren.

  • 3 Voor de produkten genoemd in artikel 1, lid 1 sub b), van Verordening No. 122/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag voor eieren in de schaal, met behulp van de coëfficiënten waarvan gebruik wordt gemaakt voor de berekening van de heffing.

Artikel 78

Ierland en het Verenigd Koninkrijk kunnen, ten aanzien van de handelsnormen voor eieren, op hun markt een indeling in vier, respectievelijk vijf gewichtsklassen handhaven, mits de commercialisatie van eieren die voldoen aan de communautaire normen niet wordt onderworpen aan beperkingen op grond van het feit dat de eieren volgens andere systemen zijn ingedeeld.

Afdeling 7. Slachtpluimvee

Artikel 79

  • 1 Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per kilogram geslacht pluimvee wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergranen die nodig is om in de Gemeenschap, al naar gelang van de soort, één kilogram geslacht pluimvee te produceren.

  • 2 Bij de berekening van het compenserende bedrag dat van toepassing is per kuiken wordt uitgegaan van de compenserende bedragen voor de hoeveelheid voedergranen die nodig is om in de Gemeenschap één kuiken te produceren.

  • 3 Voor de produkten genoemd in artikel 1, lid 2 sub d) , van Verordening No. 123/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector pluimvee, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag voor geslacht pluimvee, met behulp van de coëfficiënten waarvan gebruik wordt gemaakt voor de berekening van de heffing.

Afdeling 8. Rijst

Artikel 80

De compenserende bedragen die van toepassing zijn in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen deze laatste en derde landen, worden als volgt vastgesteld:

  • 1. Voor rondkorrelige gedopte rijst, langkorrelige gedopte rijst en breukrijst, wordt het compenserende bedrag dat van toepassing is tot de eerste aanpassing, vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen de drempelprijs en de gedurende een referentieperiode op de markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat waargenomen marktprijzen.

    Vervolgens worden de bedragen vastgesteld uitgaande van die bedoeld in de eerste alinea en volgens de in artikel 52 voor de aanpassing van de prijzen vastgestelde regels.

  • 2. Voor padie, halfwitte rijst, volwitte rijst en de produkten, genoemd in artikel 1, lid 1 sub c) , van Verordening No. 359/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt, wordt het compenserende bedrag, voor elk van deze produkten, afgeleid van het compenserende bedrag voor het in lid 1 genoemde produkt waarmee het verband houdt, met behulp van de coëfficiënten voor de vaststelling van de heffing of van het variabele element van de heffing.

Afdeling 9. Suiker

Artikel 81

In de sector suiker zijn de artikelen 51 en 52 van toepassing op de afgeleide interventieprijs voor witte suiker, op de interventieprijs voor ruwe suiker en op de minimumprijs van suikerbieten.

Artikel 82

De compenserende bedragen die in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten, alsmede tussen deze laatste en derde landen van toepassing zijn, worden afgeleid:

  • a) voor de produkten, andere dan verse suikerbieten, genoemd in artikel 1, lid 1 sub b) , van Verordening No. 1009/67/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, van het compenserende bedrag toepasselijk op het betrokken basisprodukt, volgens de regels die gelden voor de berekening van de heffing;

  • b) voor de produkten genoemd in artikel 1, lid 1 sub d) , van Verordening No. 1009/67/EEG, van het compenserende bedrag toepasselijk op het betrokken basisprodukt, volgens de regels voor de berekening:

    • van de heffing, ten aanzien van het bij invoer van toepassing zijnde compenserende bedrag,

    • van de restitutie, ten aanzien van het bij uitvoer van toepassing zijnde compenserende bedrag.

Artikel 83

Het in artikel 25, lid 3, van Verordening No. 1009/67/EEG bedoelde bedrag wordt in de nieuwe Lid-Staten gecorrigeerd met het overeenkomstig artikel 55, lid 2, berekende compenserende bedrag.

Afdeling 10. Levende planten en produkten van de bloementeelt

Artikel 84

De bepalingen inzake de gemeenschappelijke kwaliteitsnormen zijn op het in de handel brengen in het Verenigd Koninkrijk van de binnenlandse produktie niet eerder van toepassing dan vanaf 1 februari 1974 en voor snijbloemen niet eerder dan vanaf 1 februari 1975.

Afdeling 11. Melk en zuivelprodukten

Artikel 85

Het bepaalde in de artikelen 51 en 52 is van toepassing op de interventieprijzen voor boter en mager melkpoeder.

Artikel 86

In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten, alsmede tussen deze laatste en derde landen, worden de compenserende bedragen als volgt vastgesteld:

  • 1. Voor de andere hoofdprodukten dan die bedoeld in artikel 85 wordt het compenserende bedrag toepasselijk tot de eerste aanpassing, vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen het prijspeil op de representatieve markt van de betrokken nieuwe Lid-Staat en het prijspeil op de representatieve markt van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling in de loop van de representatieve periode die voorafgaat aan de toepassing van de communautaire regeling in de betrokken nieuwe Lid-Staat.

    Bij het vaststellen van de compenserende bedragen die gelden vanaf de eerste aanpassing, wordt rekening gehouden met het bedrag dat is vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de eerste alinea of in lid 3 en met de in artikel 52 neergelegde regels voor de aanpassing der prijzen.

  • 2. Voor de produkten die geen hoofdprodukten zijn, worden de compenserende bedragen afgeleid van het compenserende bedrag toepasselijk op het hoofdprodukt van de groep waartoe het betrokken produkt behoort, volgens de regels die gelden voor de berekening van de heffing.

  • 3. Indien de bepalingen van lid 1, eerste alinea, en van lid 2 niet kunnen worden toegepast of indien de toepassing daarvan leidt tot compenserende bedragen die abnormale prijsverhoudingen teweegbrengen, wordt het compenserende bedrag berekend uitgaande van de compenserende bedragen toepasselijk op boter en mager melkpoeder.

Artikel 87

  • 1 Indien vóór de toetreding in een nieuwe Lid-Staat een regeling: inzake de valorisatie van melk bestond die verschilt naar gelang van het gebruik, en indien de toepassing van artikel 86 tot moeilijkheden op de markt leidt, wordt het compenserende bedrag dat geldt tot de eerste aanpassing voor één of meer produkten die onder post 04.01 van het gemeenschappelijk douanetarief vallen, vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen de marktprijzen.

    Daarna wordt het compenserende bedrag elk jaar aan het begin van een seizoen verminderd met een zesde van het oorspronkelijke bedrag; het compenserende bedrag wordt op 1 januari 1978 afgeschaft.

  • 2 Er worden passende maatregelen getroffen om distorsies van de mededinging te voorkomen die kunnen voortvloeien uit de toepassing van lid 1, hetzij voor de desbetreffende produkten, hetzij voor andere zuivelprodukten, en om rekening te houden met eventuele wijzigingen van de gemeenschappelijke prijs.

Artikel 88

  • 1 Ierland is gemachtigd een subsidie toe te kennen voor de consumptie van boter, voor zover zulks noodzakelijk is om gedurende de overgangsperiode een geleidelijke aanpassing van de door de consumenten betaalde prijs aan het peil van de in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling bestaande prijs mogelijk te maken.

    Indien Ierland gebruik maakt van de in de eerste alinea bedoelde machtiging, kent zij een even hoge subsidie toe voor de consumptie van uit de andere Lid-Staten ingevoerde boter.

  • 2 Deze subsidie wordt afgeschaft in zes etappes die samenvallen met de etappes van de aanpassing van de boterprijs.

Artikel 89

  • 1 Tot en met 31 december 1975 is het in het Verenigd Koninkrijk en tot en met 31 december 1977 is het in Ierland toegestaan aan de consumenten melk als volle melk te leveren waarvan het vetgehalte 3,50% niet bereikt.

    De krachtens de vorige alinea als volle melk verkochte melk mag echter niet zijn afgeroomd. Overigens zijn de bepalingen inzake volle melk van toepassing op deze melk.

  • 2 Tot en met 31 december 1977 is Denemarken gemachtigd de exclusieve concessies voor de levering van melk die op de datum van toetreding in bepaalde gebieden bestonden te handhaven. De concessies die vóór 1 januari 1978 eindigen, kunnen niet worden verlengd.

Afdeling 12. Rundvlees

Artikel 90

De artikelen 51 en 52 zijn van toepassing op de oriëntatieprijzen voor volwassen runderen en voor kalveren.

Artikel 91

  • 1 Het overeenkomstig artikel 55 voor volwassen runderen en kalveren berekende compenserende bedrag wordt, voor zover nodig, gecorrigeerd met de invloed van de douanerechten.

    Indien de invloed van het douanerecht dat van toepassing is in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten en tussen de nieuwe Lid-Staten onderling, het overeenkomstig artikel 55 berekende compenserende bedrag te boven gaat, wordt het douanerecht geschorst tot op een zodanig niveau dat de invloed ervan overeenkomt met dit compenserende bedrag.

  • 2 Ingeval van toepassing van artikel 10, lid 1 derde alinea of van artikel 11, lid 1, van Verordening (EEG) No. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, worden passende maatregelen getroffen ten einde de communautaire preferentie te handhaven en verleggingen van het handelsverkeer te voorkomen.

  • 3 Het compenserende bedrag voor de in de bijlage van Verordening (EEG) No. 805/68 genoemde produkten wordt vastgesteld rekening houdende met de in de leden 1 en 2 vermelde regels en met behulp van de regels voor de vaststelling van de heffingen voor deze produkten.

Artikel 92

Voor de produkten genoemd in artikel 1, sub b) en c) , van Verordening (EEG) No. 805/68 wordt de restitutie bij uitvoer uit de nieuwe Lid-Staten naar derde landen gecorrigeerd met de invloed van het verschil tussen de douanerechten die worden toegepast op de in de bijlage van genoemde verordening vermelde produkten bij invoer uit derde landen in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling enerzijds en de nieuwe Lid-Staten anderzijds.

Artikel 93

Zolang het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 54 subsidies voor de produktie van slachtvee handhaaft, is Ierland gemachtigd om ter voorkoming van distorsies op de Ierse markt voor vee, de maatregelen inzake de uitvoer van rundvlees te handhaven die het vóór de toetreding, in samenhang met het in het Verenigd Koninkrijk toegepaste subsidiestelsel, toepaste.

Afdeling 13. Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten

Artikel 94

De compenserende bedragen worden bepaald op de grondslag van de compenserende bedragen die, naar gelang van het geval, zijn vastgesteld voor suiker, glucose of glucosestroop, en volgens de regels voor de berekening:

  • van de heffing, wat betreft het compenserende bedrag dat bij invoer van toepassing is,

  • van de restitutie, wat betreft het compenserende bedrag dat bij uitvoer van toepassing is.

Afdeling 14. Vlas

Artikel 95

  • 1 Voor de nieuwe Lid-Staten wordt het steunbedrag voor vlas vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen het door de vlasproducenten te verwerven inkomen en de inkomsten uit de voor deze produkten te verwachten marktprijs.

  • 2 Bij de bepaling van het door de vlasproducenten te verwerven inkomen wordt rekening gehouden met de prijs van de in de betrokken nieuwe Lid-Staat bij wisselbouw concurrerende produkten en met de in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling bestaande verhouding tussen het inkomen uit de vlasproduktie en dat wat de produktie van concurrerende produkten oplevert.

Afdeling 15. Zaadgoed

Artikel 96

Wanneer steun bij de produktie van zaadgoed wordt toegekend, kan het bedrag van de steun voor de nieuwe Lid-Staten worden vastgesteld op een peil dat verschilt van het voor de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling vastgestelde peil, indien tevoren het inkomen van de producenten van een nieuwe Lid-Staat aanmerkelijk verschilde van het inkomen dat werd verworven door de producenten van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

In dit geval moet bij de vaststelling van het bedrag van de steun voor de nieuwe Lid-Staat rekening worden gehouden met het tevoren door de producenten van zaaigoed verworven inkomen en met de noodzaak elke distorsie in de structuur van de produktie te voorkomen en dit bedrag geleidelijk nader te brengen tot het bedrag van de communautaire steun.

Afdeling 16. Landbouwprodukten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen welke niet onder Bijlage II van het E.E.G.-Verdrag vallen

Artikel 97

De compenserende bedragen worden bepaald op de grondslag van de compenserende bedragen die worden vastgesteld voor de basisprodukten en volgens de regels voor de berekening der restituties, voorzien in Verordening (EEG) No. 204/69 tot vaststelling van de algemene regels aangaande toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwprodukten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen.

HOOFDSTUK 3. Bepalingen inzake de visserij

Afdeling 1. Gemeenschappelijke ordening der markten

Artikel 98

Voor visserijprodukten worden de artikelen 51 en 52 toegepast op de oriëntatieprijs. De prijsaanpassing vindt plaats aan het begin van het visseizoen en voor de eerste maal op 1 februari 1973.

Artikel 99

De compenserende bedragen worden, voor zover nodig, gecorrigeerd met de invloed van de douanerechten.

Afdeling 2. Visserijregeling

Artikel 100

  • 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2 van Verordening (EEG) No. 2141/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, zijn de Lid-Staten van de Gemeenschap tot en met 31 december 1982 gemachtigd de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, en binnen een grens van zes zeemijlen, berekend vanaf de laagwaterlijn van de aan de kust gelegen Lid-Staat, ligt, te beperken tot de schepen waarvan de visserij-activiteit van oudsher in dat gedeelte der zee en vanuit de havens in het geografische kustgebied wordt uitgeoefend; de schepen uit andere gebieden van Denemarken mogen echter hun visserij-activiteit in de wateren van Groenland verder uitoefenen, en wel uiterlijk tot en met 31 december 1977.

    Indien de Lid-Staten zich op deze afwijking beroepen, mogen zij geen minder beperkende maatregelen betreffende de visserijvoorwaarden in die wateren treffen dan die welke daadwerkelijk van toepassing waren bij de toetreding.

  • 2 Het bepaalde in lid 1 en in artikel 101 laat de bijzondere visrechten waarop elk der oorspronkelijke Lid-Staten en der nieuwe Lid-Staten zich op 31 januari 1971 kon beroepen jegens één of meer andere Lid-Staten onverlet; de Lid-Staten kunnen zich op die rechten beroepen zolang in de betrokken gebieden een afwijkende regeling geldt. Wat evenwel de wateren van Groenland betreft, vervallen de bijzondere rechten op de voor die rechten vastgestelde data.

  • 3 Indien een Lid-Staat zijn visserij grenzen in sommige gebieden op twaalf zeemijlen brengt, worden de binnen het gebied van twaalf mijlen bestaande visserijpraktijken gehandhaafd, zodat er ten opzichte van de op 31 januari 1971 bestaande situatie geen stap terug wordt gedaan.

  • 4 Ten einde het mogelijk te maken dat in de Gemeenschap een bevredigend algemeen evenwicht inzake uitoefening van de visserij tijdens de in lid 1 bedoelde periode tot stand wordt gebracht, behoeven de Lid-Staten geen volledig gebruik te maken van de mogelijkheden die krachtens lid 1, eerste alinea, bestaan ten aanzien van bepaalde gebieden van het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt.

    De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij daartoe vaststellen; op verslag van de Commissie beziet de Raad de situatie en doet hij, op grond daarvan, zo nodig aanbevelingen aan de Lid-Staten.

Artikel 101

De in artikel 100 bedoelde grens van zes zeemijlen wordt voor de volgende gebieden uitgebreid tot twaalf zeemijlen:

  • 1. Denemarken:

    • - de Faeröer,

    • - Groenland,

    • - de westkust van Thyborøn tot Blaavands Huk.

  • 2. Frankrijk:

    De kust van de departementen Manche, Ille-et-Vilaine, Côtes-du-Nord, Finistère en Morbihan.

  • 3. Ierland:

    • - de noord- en de westkust, van Lough Foyle tot Cork Harbour in het zuidwesten,

    • - de oostkust, van Carlingford Lough tot Carnsore Point, voor de vangst van schaal-, schelp- en weekdieren („shellfish”).

  • 4. Verenigd Koninkrijk:

    • - de Shetland-eilanden en de Orkaden,

    • - Noord-en Oost-Schotland, van Kaap Wrath tot Berwick,

    • - Noordoost-Engeland, van de Coquet-rivier tot Flamborough Head,

    • - het Zuidwesten, van Lyme Regis tot Hartland Point (met inbegrip van twaalf zeemijlen rondom Lundy Island),

    • - het Graafschap Down.

Artikel 102

Uiterlijk vanaf het zesde jaar na de toetreding stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, de voorwaarden vast voor de uitoefening van de visserij, ten einde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen.

Artikel 103

Vóór 31 december 1982 brengt de Commissie bij de Raad verslag uit over de economische en sociale ontwikkeling van de kustgebieden der Lid-Staten en over de visstand. Aan de hand van dit verslag en van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bestudeert de Raad, op voorstel van de Commissie, de bepalingen die zouden kunnen volgen op de afwijkingen die gelden tot en met 31 december 1982.

HOOFDSTUK 4. Andere bepalingen

Afdeling 1. Veterinaire maatregelen

Artikel 104

De Richtlijn No. 64/432/EEG van de Raad inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens wordt toegepast met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • 1. Tot en met 31 december 1977 zijn de nieuwe Lid-Staten gemachtigd om, met eerbiediging van de algemene regels van het E.E.G.-Verdrag, hun nationale regelingen te handhaven voor de invoer van runderen en varkens bestemd voor fokkerij, gebruik of slacht, met uitzondering, voor wat Denemarken betreft, van slachtrunderen.

    In het kader van deze regelingen zal worden gestreefd naar aanpassingen ten einde de geleidelijke ontwikkeling van het handelsverkeer te waarborgen; te dien einde worden deze regelingen onderworpen aan een onderzoek in het Permanent Veterinair Comité.

  • 2. Tot en met 31 december 1977 kennen de Lid-Staten van bestemming de Lid-Staten van waaruit runderen worden verzonden de afwijking toe bedoeld in artikel 7, lid 1 punt A onder a) , van de richtlijn.

  • 3. Tot en met 31 december 1977 zijn de nieuwe Lid-Staten gemachtigd de methoden te handhaven die zij op hun grondgebied toepassen om een rundveebeslag officieel tuberculosevrij of brucellosevrij te verklaren in de zin van artikel 2 van de richtlijn, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van de richtlijn inzake de aanwezigheid van tegen brucellose ingeënte dieren. De bepalingen inzake de voor de dieren die binnen de Gemeenschap worden verhandeld voorgeschreven tests blijven van toepassing, onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 4 en 6.

  • 4. Tot en met 31 december 1977 kan de uitvoer van runderen uit Ierland naar het Verenigd Koninkrijk plaatsvinden:

    • a) in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake brucellose; de bepalingen inzake de voor de dieren die binnen de Gemeenschap worden verhandeld voorgeschreven tests blijven van toepassing bij de uitvoer van niet-gecastreerde runderen;

    • b) in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake tuberculose, mits er bij de uitvoer een verklaring wordt afgelegd waaruit blijkt dat het uitgevoerde dier afkomstig is van een officieel tuberculosevrij verklaard rundveebeslag volgens de in Ierland geldende methodes;

    • c) in afwijking van de bepalingen van de richtlijn inzake de verplichting gebruiks- en fokdieren te scheiden van slachtdieren.

  • 5. Tot en met 31 december 1975 is Denemarken gemachtigd alttuberculine te gebruiken in afwijking van het bepaalde in bijlage B van de richtlijn.

  • 6. Tot aan de inwerkingtreding van de communautaire voorschriften betreffende het in de handel brengen in de Lid-Staten wat betreft de aangelegenheden die onder de richtlijn vallen, zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk gemachtigd hun nationale regelingen te handhaven die gelden voor het handelsverkeer tussen Ierland en Noord-Ierland.

De desbetreffende Lid-Staten nemen passende maatregelen ten einde deze afwijking te beperken tot bovengenoemd handelsverkeer.

Artikel 105

De Richtlijn No. 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees wordt toegepast met inachtneming van de navolgende bepalingen:

Tot en met 31 december 1977 zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk, voor wat Noord-Ierland betreft, gemachtigd bij de invoer van vers vlees hun nationale regeling betreffende de bescherming tegen mond- en klauwzeer te handhaven, met eerbiediging van de algemene bepalingen van het E.E.G.-Verdrag.

Artikel 106

Voor de afloop van de in de artikelen 104 en 105 bedoelde termijnen vindt een onderzoek van de toestand in de Gemeenschap in haar geheel en in de verschillende delen daarvan plaats in het licht van de ontwikkeling op veterinair gebied.

Uiterlijk op 1 juli 1976 legt de Commissie de Raad een verslag voor en voor zover nodig passende voorstellen waarbij rekening wordt gehouden met deze ontwikkeling.

Afdeling 2. Diverse bepalingen

Artikel 107

De besluiten die zijn opgenomen in de lijst in bijlage V van deze Akte zijn van toepassing ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten onder de voorwaarden neergelegd in deze bijlage.

Titel III. Buitenlandse betrekkingen

HOOFDSTUK 1. Overeenkomsten van de gemeenschappen met bepaalde derde landen

Artikel 108

  • 1 De nieuwe Lid-Staten passen onmiddellijk na de toetreding de bepalingen van de in lid 3 genoemde overeenkomsten toe, rekening houdend met de overgangsmaatregelen en aanpassingen die nodig zouden kunnen blijken en die zullen worden opgenomen in met de derde landen, waarmede overeenkomsten worden gesloten, te sluiten Protocollen. Deze Protocollen zullen aan de laatstbedoelde overeenkomsten worden gehecht.

  • 2 Deze overgangsmaatregelen ten aanzien waarvan rekening zal worden gehouden met de overeenkomstige binnen de Gemeenschap aanvaarde maatregelen en die de geldigheidsduur daarvan niet mogen overschrijden, dienen te bewerkstelligen dat de Gemeenschap in haar betrekkingen met de met haar door overeenkomst verbonden derde landen geleidelijk een eenvormige regeling toepast en dat de rechten en verplichtingen van de Lid-Staten aan elkaar gelijk worden.

  • 3 Het bepaalde in de leden 1 en 2 is van toepassing op de met Griekenland, Turkije, Tunesië, Marokko, Israël, Spanje en Malta gesloten overeenkomsten.

    Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de overeenkomsten die de Gemeenschap tot aan de inwerkingtreding van deze Akte met andere landen die tot het Middellandse-Zeegebied behoren, sluit.

HOOFDSTUK 2. Betrekkingen met de geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar en met bepaalde ontwikkelingslanden van het Gemenebest

Artikel 109

  • 1 De regelingen die voortvloeien uit de op 29 juli 1969 ondertekende Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, alsmede uit de op 24 september 1969 ondertekende Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Republiek Tanzania, de Republiek Oeganda en de Republiek Kenya, zijn niet van toepassing in de betrekkingen tussen de nieuwe Lid-Staten en de krachtens bovenbedoelde overeenkomsten met de Gemeenschap geassocieerde Staten.

    De nieuwe Lid-Staten behoeven niet toe te treden tot het op 29 juli 1969 ondertekende Akkoord betreffende de produkten die onder de bevoegdheid vallen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

  • 2 Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 110 en 111, zijn de produkten van oorsprong uit de in lid 1 bedoelde geassocieerde Staten, bij invoer in de nieuwe Lid-Staten onderworpen aan de regeling welke vóór de toetreding op deze produkten van toepassing was.

  • 3 Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 110 en 111, zijn de produkten van oorsprong uit de in bijlage VI van deze Akte bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest bij invoer in de Gemeenschap onderworpen aan de regeling welke vóór de toetreding op deze produkten van toepassing was.

Artikel 110

Op de produkten van de lijst van bijlage II van het E.E.G.-Verdrag die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen en op de produkten die bij invoer in de Gemeenschap als gevolg van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aan een specifieke regeling zijn onderworpen, passen de nieuwe Lid-Staten wanneer deze produkten van oorsprong zijn uit de in artikel 109, lid 1, bedoelde geassocieerde Staten of uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest bij invoer de communautaire regeling toe onder de voorwaarden als omschreven in deze Akte, behoudens de volgende bepalingen:

  • a) wanneer de gemeenschapsregeling de heffing van douanerechten bij invoer uit derde landen voorschrijft, passen de nieuwe Lid-Staten, behoudens het bepaalde in artikel 111, de tariefregeling toe, die zij vóór de toetreding toepasten;

  • b) voor wat de beschermende elementen andere dan douanerechten betreft, stelt de Raad, indien dit noodzakelijk is, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de aanpassingen van de gemeenschapsregelingen vast die kunnen waarborgen dat de invoer van deze produkten geschiedt onder soortgelijke voorwaarden als die welke vóór de toetreding bestonden.

Artikel 111

Indien de aanpassing aan het gemeenschappelijk douanetarief in een nieuwe Lid-Staat tot een verlaging van het douanerecht leidt, wordt het aldus verlaagde nieuwe douanerecht toegepast op de invoer bedoeld in de artikelen 109 en 110.

Artikel 112

  • 1 De produkten welke in het Verenigd Koninkrijk worden ingevoerd gedurende de periode tot aan de krachtens artikel 115 vastgestelde data en die van oorsprong zijn uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest, kunnen niet worden beschouwd als zich daar in het vrije verkeer bevindend in de zin van artikel 10 van het E.E.G-Verdrag, wanneer zij weer worden uitgevoerd naar een andere nieuwe Lid-Staat of naar de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

  • 2 De gedurende deze zelfde periode in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling ingevoerde produkten die van oorsprong zijn uit de in artikel 109, lid 1, bedoelde geassocieerde Staten, kunnen niet worden beschouwd als zich daar in het vrije verkeer bevindend in de zin van artikel 10 van het E.E.G.-Verdrag, wanneer zij weer worden uitgevoerd naar de nieuwe Lid-Staten.

  • 3 De Commissie kan, indien er geen gevaar voor verlegging van het handelsverkeer bestaat, en met name in geval van geringe ongelijkheden in de invoerstelsels afwijkingen van de leden 1 en 2 vaststellen.

Artikel 113

  • 1 Onmiddellijk na de toetreding stellen de nieuwe Lid-Staten de oorspronkelijke Lid-Staten en de Commissie in kennis van de bepalingen betreffende de regeling die zij toepassen bij de invoer van produkten van oorsprong of van herkomst uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest, alsmede uit de geassocieerde Staten bedoeld in artikel 109, lid 1.

  • 2 Onmiddellijk na de toetreding stelt de Commissie de nieuwe Lid-Staten in kennis van de interne of verdragsrechtelijke bepalingen betreffende de regeling die van toepassing is op de invoer in de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, van produkten van oorsprong of van herkomst uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke Staten van het Gemenebest, alsmede uit de geassocieerde Staten bedoeld in artikel 109, lid 1.

Artikel 114

Bij vaststelling van de door de Raad te nemen besluiten en door het Comité van het Europees Ontwikkelingsfonds te geven adviezen, in het kader van het op 29 juli 1969 ondertekende Intern Akkoord inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, van het op 29 juli 1969 ondertekende Intern Akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap en van het op 24 september 1969 ondertekende Intern Akkoord inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Republiek Tanzania, de Republiek Oeganda en de Republiek Kenya, worden alleen de stemmen van de oorspronkelijke Lid-Staten geteld, overeenkomstig, al naargelang van het geval, hetzij de stemmenweging die vóór de toetreding gold voor de berekening van de gekwalificeerde meerderheid, hetzij artikel 13, lid 3, van bovengenoemd Intern Akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap.

Artikel 115

  • 2 Ingevoerde produkten van oorsprong uit de in artikel 109, lid 3, bedoelde onafhankelijke landen van het Gemenebest die vóór deze datum hun betrekkingen met de Gemeenschap op een andere grondslag hebben geregeld dan op die van een associatie, zijn in de nieuwe Lid-Staten, vanaf de datum waarop de door hen met de Gemeenschap gesloten overeenkomst van kracht wordt en voor de niet daaronder vallende aangelegenheden, echter onderworpen aan de derde landen regeling die voor hen geldt, met inachtneming van de overgangsbepalingen van deze Akte.

  • 3 Na raadpleging van de Commissie kan de Raad met eenparigheid van stemmen besluiten de in lid 1 genoemde termijn te verlengen, indien de in artikel 62, tweede alinea, van de op 29 juli 1969 ondertekende Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar of in artikel 36, tweede alinea, van de op 24 september 1969 ondertekende Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Republiek Tanzania, de Republiek Oeganda en de Republiek Kenya, bedoelde overgangsmaatregelen worden toegepast en wel voor het tijdvak waarvoor deze overgangsmaatregelen van kracht zijn.

HOOFDSTUK 3. Betrekkingen met Papoea-Nieuw-Guinea

Artikel 116

  • 1 Het bepaalde in artikel 109, lid 3, en in de artikelen 110 tot en met 113 is tot en met 31 december 1977 van toepassing op de produkten van oorsprong of van herkomst uit Papoea-Nieuw-Guinea die worden ingevoerd in het Verenigd Koninkrijk.

  • 2 Deze regeling kan worden herzien, met name indien dit gebied vóór 1 januari 1978 zijn onafhankelijkheid verkrijgt. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie, in voorkomend geval, de passende bepalingen vast die nodig mochten blijken.

Titel IV. Associatie van de landen en gebieden overzee

Artikel 117

  • 1 De associatie van de niet-Europese gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met het Verenigd Koninkrijk en van het Frans-Britse Condominium van de Nieuwe Hebriden, als bedoeld in artikel 24, lid 2, wordt, krachtens een besluit van de Raad dat berust op artikel 136 van het E.E.G.-Verdrag, op zijn vroegst van kracht op 1 februari 1975.

  • 2 De nieuwe Lid-Staten behoeven niet toe te treden tot het op 14 december 1970 ondertekende Akkoord inzake de handel met de landen en gebieden overzee in de produkten die onder de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallen.

Artikel 118

Het bepaalde in het derde deel van Protocol No. 22 betreffende de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar, en de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest gelegen in Afrika, in de Indische Oceaan, in de Stille Oceaan en in het Caribische gebied, is van toepassing zowel op de landen en gebieden overzee bedoeld in artikel 117 als op de niet-Europese landen en gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met de oorspronkelijke Lid-Staten.

Artikel 119

  • 1 De regeling die voortvloeit uit het besluit van de Raad van 29 september 1970 betreffende de Associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap is niet van toepassing ten aanzien van de betrekkingen tussen deze landen en gebieden en de nieuwe Lid-Staten.

  • 2 De produkten van oorsprong uit de met de Gemeenschap geassocieerde landen en gebieden zijn bij invoer in de nieuwe Lid-Staten onderworpen aan de regeling welke vóór de toetreding op deze produkten van toepassing was.

    De produkten van oorsprong uit de niet-Europese gebieden die bijzondere betrekkingen onderhouden met het Verenigd Koninkrijk en uit het Frans-Britse Condominium van de Nieuwe Hebriden, als bedoeld in artikel 24, lid 2, zijn bij invoer in de Gemeenschap onderworpen aan de regeling die vóór de toetreding op deze produkten van toepassing was.

    De artikelen 110 tot en met 114 zijn van toepassing.

  • 3 Het bepaalde in dit artikel is van toepassing tot en met 31 januari 1975. Indien artikel 115, lid 3, wordt toegepast, kan deze termijn worden verlengd volgens de procedure en onder de voorwaarden voorzien in dat artikel.

Titel V. Kapitaalverkeer

Artikel 120

  • 1 Met inachtneming van de in de artikelen 121 tot en met 126 neergelegde voorwaarden en termijnen, kunnen de nieuwe Lid-Staten de vrijmaking van het kapitaalverkeer uitstellen, welke is voorgeschreven in de eerste richtlijn van de Raad, van 11 mei 1960, voor de uitvoering van artikel 67 van het E.E.G.-Verdrag, en in de tweede richtlijn van de Raad, van 18 december 1962, ter aanvulling en wijziging van de eerste richtlijn voor de uitvoering van artikel 67 van het E.E.G.-Verdrag.

  • 2 De nieuwe Lid-Staten en de Commissie plegen te gelegener tijd het nodige overleg over de wijze van toepassing van de liberalisatie- of versoepelingsmaatregelen waarvan de tenuitvoerlegging krachtens de volgende bepalingen kan worden uitgesteld.

Artikel 121

  • 1 Denemarken kan:

    • a) gedurende twee jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de door niet-ingezetenen van in Deense kronen luidende en in Denemarken ter beurze verhandelde obligaties, met inbegrip van de in- en uitvoer van de betreffende effecten;

    • b) gedurende vijf jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de verwerving door ingezetenen van Denemarken van ter beurze verhandelde buitenlandse effecten en van de terugkoop uit het buitenland van ter beurze verhandelde Deense effecten, geheel of gedeeltelijk luidende in buitenlandse valuta, met inbegrip van de in- en uitvoer van de betreffende effecten.

  • 2 Denemarken zal vanaf de toetreding overgaan tot geleidelijke vrijmaking van de in lid 1, sub a) , bedoelde transacties.

Artikel 122

  • 1 Ierland kan:

    • a) gedurende twee jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van directe investeringen in de Lid-Staten door ingezetenen van Ierland en van de liquidatie van directe investeringen in de Lid-Staten door ingezetenen van Ierland;

    • b) gedurende dertig maanden vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de volgende categorieën van kapitaalverkeer van persoonlijke aard:

      • overmakingen van aan emigrerende Ierse ingezetenen toebehorend kapitaal, die niet samenhangen met het vrij verkeer van werknemers; in laatstbedoeld geval worden zij op het tijdstip van toetreding vrijgemaakt;

      • schenkingen en giften, bruidsschatten, successierechten en niet met het vrij verkeer van werknemers samenhangende beleggingen in onroerende goederen; laatstbedoelde beleggingen worden op het tijdstip van toetreding vrijgemaakt;

    • c) gedurende vijf jaar vanaf de toetreding, de vrijmaking uitstellen van de in lijst B bij de in artikel 120 bedoelde richtlijnen genoemde transacties door ingezetenen van Ierland.

  • 2 Ierland erkent dat het wenselijk is om vanaf de toetreding over te gaan tot een belangrijke versoepeling van de regels betreffende de in lid 1, sub a) , bedoelde transacties, en zal het nodige in het werk stellen om de daartoe vereiste maatregelen te treffen.

Artikel 124

  • 1 Het Verenigd Koninkrijk kan:

    • a) gedurende twee jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van directe investeringen in de Lid-Staten door ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk en van de liquidatie van directe investeringen in de Lid-Staten door ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk.

    • b) gedurende dertig maanden vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de volgende categorieën van kapitaalverkeer van persoonlijke aard:

      • overmakingen van aan emigrerende ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk toebehorend kapitaal, die niet samenhangen met het vrij verkeer van werknemers; in laatstbedoeld geval warden zij op het tijdstip van toetreding vrijgemaakt;

      • schenkingen en giften, bruidsschatten, successierechten en niet met het vrij verkeer van werknemers samenhangende beleggingen in onroerende goederen; de laatstbedoelde beleggingen worden op het tijdstip van toetreding vrijgemaakt;

    • c) gedurende vijf jaar vanaf de toetreding de vrijmaking uitstellen van de in lijst B bij de in artikel 120 bedoelde richtlijnen genoemde transacties door ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk.

  • 2 Het Verenigd Koninkrijk zal vanaf de toetreding overgaan tot een belangrijke versoepeling van de regels betreffende de in lid 1, sub a) , bedoelde transacties.

Artikel 125

Zo de omstandigheden zulks toelaten, verwezenlijken de nieuwe Lid-Staten de vrijmaking van de in de artikelen 121 tot en met 124 genoemde categorieën van kapitaalverkeer vóór de afloop van de in die artikelen gestelde termijnen.

Artikel 126

Voor de toepassing van deze Titel kan de Commissie het Monetair Comité raadplegen en ieder dienstig voorstel bij de Raad indienen.

Titel VI. Financiële bepalingen

Artikel 127

Het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen, hierna „besluit van 21 april 1970” genoemd, wordt toegepast met inachtneming van de volgende bepalingen.

Artikel 128

De ontvangsten bedoeld in artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 omvatten eveneens:

  • a) bij die, welke landbouwheffingen worden genoemd, de ontvangsten afkomstig van elk compenserend bedrag geheven bij de invoer uit hoofde van de artikelen 47 en 55 van de vaste elementen welke worden toegepast in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten alsmede tussen de nieuwe Lid-Staten uit hoofde van artikel 61;

  • b) bij die, welke douanerechten worden genoemd, de douanerechten geheven door de nieuwe Lid-Staten in het handelsverkeer met landen die geen lid zijn, alsmede de douanerechten geheven in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten alsook tussen de nieuwe Lid-Staten.

Artikel 129

  • 1 De financiële bijdragen van de Lid-Staten, bedoeld in artikel 3, lid 2, van het besluit van 21 april 1970, worden op de volgende wijze verdeeld:

    • - tussen de nieuwe Lid-Staten:

      Denemarken........................................................

      2,46 %

      Ierland.................................................................

      0,61 %

      Verenigd Koninkrijk..............................................

      19,32 %

    • - en tussen de oorspronkelijke Lid-Staten volgens de verdeelsleutel van artikel 3, lid 2, van het besluit van 21 april 1970, na aftrek van de bovenbedoelde financiële bijdragen van de nieuwe Lid-Staten.

  • 2 Voor het jaar 1973 worden voor de berekening van de schommelingen bedoeld in artikel 3, lid 3, van het besluit van 21 april 1970, als referentie genomen:

    • voor de nieuwe Lid-Staten, de in lid 1 genoemde percentages;

    • voor de oorspronkelijke Lid-Staten, hun aandeel van het voorgaande jaar, met inachtneming van de bovenbedoelde percentages van de nieuwe Lid-Staten.

Artikel 130

De eigen middelen, alsmede de financiële bijdragen en, eventueel, de in artikel 4, leden 2, 3 en 4, van het besluit van 21 april 1970 bedoelde bijdragen, zijn door de nieuwe Lid-Staten slechts verschuldigd tot een bedrag van:

  • 45,0% in 1973

  • 56,0% in 1974

  • 67,5% in 1975

  • 79,5% in 1976

  • 92,0% in 1977

Artikel 131

  • 1 Vanaf 1 januari 1978 zijn de eigen middelen alsmede, in voorkomend geval, de bijdragen bedoeld in artikel 4, leden 2, 3 en 4, van het besluit van 21 april 1970, geheel verschuldigd door de nieuwe Lid-Staten, onder voorbehoud van de volgende bepalingen:

    • a) de verhoging van het door iedere nieuwe Lid-Staat uit hoofde van eigen middelen en bijdragen voor het jaar 1978 te betalen aandeel in verhouding tot het voor 1977 verschuldigde aandeel, mag niet hoger zijn dan 2/5 van het verschil tussen het aandeel verschuldigd uit hoofde van eigen middelen en van bijdragen voor 1977 en het aandeel dat iedere nieuwe Lid-Staat zou hebben moeten betalen uit dienzelfden hoofde, voor hetzelfde jaar, indien dit aandeel was berekend volgens het voor de oorspronkelijke Lid-Staten vanaf 1978 door het besluit van 21 april 1970 voorziene stelsel;

    • b) voor het jaar 1979 mag de verhoging van het aandeel van iedere nieuwe Lid-Staat in verhouding tot 1978 niet groter zijn dan de verhoging van 1978 in verhouding tot 1977.

  • 2 De Commissie gaat over tot de voor de toepassing van dit artikel noodzakelijke berekeningen.

Artikel 132

Tot en met 31 december 1979 wordt het gedeelte van de begroting der Gemeenschappen dat door de toepassing van de artikelen 130 en 131 eventueel niet is gedekt, opgenomen in het bedrag dat voor de oorspronkelijke Lid-Staten voortvloeit uit de verdeling overeenkomstig artikel 129. Het aldus verkregen totale bedrag wordt tussen de oorspronkelijke Lid-Staten verdeeld overeenkomstig het besluit van 21 april 1970.

Titel VII. Andere bepalingen

Artikel 133

De in de lijst in bijlage VII van deze Akte genoemde besluiten zijn ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten van toepassing, op de wijze als bepaald in die bijlage.

Artikel 134

  • 1 De Commissie zal samen met de betrokken Regeringen in de vijf jaren, die volgen op de toetreding, nagaan of de bestaande maatregelen die voortvloeien uit de in de nieuwe Lid-Staten geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die, zo zij na de toetreding zouden zijn ingevoerd, onder artikel 67 van het E.G.K.S.-Verdrag zouden zijn gevallen, in vergelijking met de in de oorspronkelijke Lid-Staten geldende regels, zouden kunnen leiden tot ernstige distorsies in de concurrentieverhoudingen van de kolenmijn- en staalindustrie, in de gemeenschappelijke markt of op de uitvoermarkten. De Commissie kan, na raadpleging van de Raad, de betrokken Regeringen alle maatregelen voorstellen die zij passend acht om deze maatregelen te corrigeren of de gevolgen daarvan te compenseren.

  • 2 Tot en met 31 december 1977 kunnen de door de ondernemingen toegepaste prijzen voor de verkoop van staal op de Ierse markt, teruggerekend op de grondslag gekozen voor het opstellen van de prijsschaal, niet lager zijn dan de prijzen neergelegd in die schaal voor vergelijkbare transacties, tenzij de Commissie, in overeenstemming met de Ierse Regering, daarvoor toestemming heeft gegeven, onverminderd het bepaalde in artikel 60, lid 2 sub b) laatste alinea, van het E.G.K.S.-Verdrag.

  • 3 Indien beschikking No. 1/64 van de Hoge Autoriteit van 15 januari 1964 houdende verbod van aanpassing aan prijsaanbiedingen voor ijzer- en staalprodukten en ruwijzer uit landen en gebieden met staatshandel na de toetreding wordt verlengd, is dit verbod tot en met 31 december 1975 niet van toepassing op de produkten die zijn bestemd voor de Deense markt.

Artikel 135

  • 1 Tot en met 31 december 1977 kan een nieuwe Lid-Staat, in geval van ernstige en mogelijk aanhoudende moeilijkheden in een sector van het economisch leven, alsmede van moeilijkheden die de economische toestand van een bepaalde streek ernstig kunnen verstoren, machtiging vragen om vrijwaringsmaatregelen te nemen, waardoor de toestand wederom in evenwicht kan worden gebracht en de betrokken sector kan worden aangepast aan de economie van de gemeenschappelijke markt.

  • 2 Op verzoek van de betrokken Staat stelt de Commissie door middel van een spoedprocedure onverwijld de vrijwaringsmaatregelen vast welke zij noodzakelijk acht, waarbij zij de voorwaarden en de wijze van toepassing nader aangeeft.

  • 3 De overeenkomstig lid 2 toegestane maatregelen kunnen afwijkingen van de regels van het E.E.G.-Verdrag en van deze Akte inhouden, voor zover en voor zolang deze strikt noodzakelijk zijn ter bereiking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen. Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de werking van de gemeenschappelijke markt het minst verstoren.

  • 4 Onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde procedure kan een oorspronkelijke Lid-Staat verzoeken gemachtigd te worden vrijwaringsmaatregelen te treffen ten opzichte van één of meer nieuwe Lid-Staten.

Artikel 136

  • 1 Indien de Commissie tot en met 31 december 1977 op verzoek van een Lid-Staat of van enige andere belanghebbende constateert dat tussen de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en de nieuwe Lid-Staten of tussen de nieuwe Lid-Staten onderling dumping wordt toegepast, doet zij aan hem of hen die zich aan deze praktijken schuldig maken, aanbevelingen ten einde daaraan een eind te maken.

    Ingeval deze praktijken voortduren, machtigt de Commissie de benadeelde Lid-Staat of Lid-Staten tot het nemen van beschermende maatregelen waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt.

  • 2 Voor de toepassing van het onderhavige artikel op de in bijlage II van het E.E.G.-Verdrag genoemde produkten beoordeelt de Commissie alle omstandigheden, met name het peil van de prijzen waartegen de invoer van andere herkomst op de betrokken markt plaatsvindt, met inachtneming van de bepalingen van het E.E.G.-Verdrag inzake de landbouw en in het bijzonder het bepaalde in artikel 39.

Artikel 137

  • 1 In afwijking van artikel 136 kan Ierland tot en met 31 december 1977 in uiterst dringende gevallen zelf de noodzakelijke maatregelen nemen. Zij brengt deze maatregelen onmiddellijk ter kennis van de Commissie, die kan besluiten tot afschaffing of wijziging ervan.

Artikel 138

In afwijking van artikel 95, tweede alinea, van het E.E.G.-Verdrag, kan Denemarken tot en met 30 juni 1974 de bijzondere accijnzen handhaven op tafelwijn die in flessen of in andere soortgelijke emballages wordt ingevoerd.

VIJFDE DEEL. BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN DEZE AKTE

Titel I. Het in werking stellen van de instellingen

Artikel 139

  • 1 Onmiddellijk na de toetreding wijzen de Parlementen van de nieuwe Lid-Staten hun afgevaardigden naar de Vergadering aan,

  • 2 De Vergadering komt uiterlijk één maand na de toetreding bijeen. Zij brengt in haar Reglement van Orde de door de toetreding, noodzakelijk geworden aanpassingen aan.

Artikel 140

  • 1 Vanaf het tijdstip der toetreding wordt het voorzitterschap van de Raad uitgeoefend door het lid van de Raad dat, overeenkomstig artikel 2 van de oorspronkelijke versie van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, het voorzitterschap dient uit te oefenen. Na afloop van dit mandaat wordt het voorzitterschap uitgeoefend in de volgorde van de Lid-Staten die is vastgesteld in bovengenoemd artikel, gewijzigd bij artikel 11.

  • 2 De Raad brengt in zijn Reglement van Orde de aanpassingen, aan, welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 141

  • 1 De Voorzitter, de Vice-Voorzitters en de leden van de Commissie worden benoemd onmiddellijk na de toetreding. De Commissie treedt in functie op de vijfde dag na de benoeming harer leden. Op hetzelfde tijdstip eindigt het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

  • 2 De Commissie brengt in haar Reglement van Orde de aanpassingen aan, welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 142

  • 1 Onmiddellijk na de toetreding wordt het Hof van Justitie aangevuld door de benoeming van nieuwe rechters ten einde het aantal rechters op negen te brengen, zoals is bepaald in artikel 17 van deze Akte.

  • 2 De ambtstermijn van één van de overeenkomstig lid 1 benoemde rechters loopt op 6 oktober 1976 af. Deze rechter wordt bij loting aangewezen. De ambtstermijn van de andere rechter loopt af op 6 oktober 1979.

  • 3 Onmiddellijk na de toetreding wordt een derde advocaat-generaal benoemd. Zijn ambtstermijn loopt op 6 oktober 1979 af.

  • 4 Het Hof brengt in zijn reglement voor de procesvoering de aanpassingen aan, welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden. Het aldus aangepaste reglement voor de procesvoering moet door de Raad met eenparigheid van stemmen worden goedgekeurd.

  • 5 Voor het wijzen van vonnis in zaken die op 1 januari 1973 bij het Hof aanhangig zijn en waarvoor de mondelinge procedure vóór deze datum is geopend, komen het Hof in voltallige zitting of de Kamers bijeen in de samenstelling van voor de toetreding en passen zij het reglement voor de procesvoering toe zoals dit op 31 december 1972 gold.

Artikel 143

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Economisch en Sociaal Comité aangevuld door de benoeming van tweeënveertig leden die alle sectoren van het economische en sociale leven van de nieuwe Lid-Staten vertegenwoordigen. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 144

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal aangevuld door de benoeming van extra-leden. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 145

De leden van het Wetenschappelijk en Technisch Comité worden onmiddellijk na de toetreding benoemd volgens de procedure van artikel 134 van het E.G.A.-Verdrag. Het Comité treedt in functie op de vijfde dag na de benoeming van zijn leden. Tegelijkertijd eindigt het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 146

Onmiddellijk na de toetreding wordt het Monetair Comité aangevuld door de benoeming van de leden die de nieuwe Lid-Staten vertegenwoordigen. Hun mandaat verstrijkt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 147

De door de toetreding noodzakelijk geworden aanpassingen van de statuten en van de Reglementen van Orde van de bij de oorspronkelijke Verdragen ingestelde Comités geschieden zo spoedig mogelijk na de toetreding.

Artikel 148

  • 1 Voor wat de in bijlage VIII vermelde Comités betreft, verstrijkt het mandaat der nieuwe leden tegelijk met dat van de leden die op het tijdstip van de toetreding zitting hebben in een dezer Comités.

  • 2 De in bijlage IX vermelde Comités worden volledig vernieuwd op het tijdstip van de toetreding.

Titel II. Toepassing van de besluiten der instellingen

Artikel 149

Vanaf het tijdstip der toetreding wordt ervan uitgegaan dat de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het E.E.G.-Verdrag en van artikel 161 van het E.G.A.-Verdrag, alsmede de aanbevelingen en beschikkingen in de zin van artikel 14 van het E.G.K.S.-Verdrag, eveneens tot de nieuwe Lid-Staten zijn gericht, en dat hun daarvan kennis is gegeven, voor zover van deze richtlijnen, aanbevelingen en beschikkingen aan alle oorspronkelijke Lid-Staten kennis is gegeven.

Artikel 150

De toepassing in elke nieuwe Lid-Staat van de in de lijst die is opgenomen in bijlage X van deze Akte voorkomende besluiten wordt uitgesteld tot de in die lijst vermelde data.

Artikel 151

  • 1 Tot 1 februari 1973 worden uitgesteld:

    • a) de toepassing op de nieuwe Lid-Staten van de communautaire regelingen die zijn ingesteld voor de produktie van en de handel in landbouwprodukten en voor het handelsverkeer in bepaalde goederen die vervaardigd zijn uit landbouwprodukten waarvoor een bijzondere regeling geldt;

    • b) de toepassing op de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling van de wijzigingen die in deze regelingen zijn aangebracht bij deze Akte, met inbegrip van die welke voortvloeien uit artikel 153.

  • 3 Tot en met 31 januari 1973 geldt voor het handelsverkeer tussen een nieuwe Lid-Staat enerzijds, en de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, de overige nieuwe Lid-Staten of derde landen anderzijds, de regeling die vóór de toetreding van toepassing was.

Artikel 152

De nieuwe Lid-Staten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het E.E.G.-Verdrag en van artikel 161 van het E.G.A.-Verdrag, alsmede aan de beschikkingen en aanbevelingen in de zin van artikel 14 van het E.G.K.S.-Verdrag, tenzij in de lijst die is opgenomen in bijlage XI of in andere bepalingen van de onderhavige Akte een bepaalde termijn is vastgesteld.

Artikel 153

  • 1 De niet in deze Akte of de bijlagen daarvan vervatte aanpassingen van de besluiten van de Instellingen der Gemeenschappen, die door de Instellingen vóór de toetreding worden verricht volgens de in lid 2 vastgestelde procedure om die besluiten in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de onderhavige Akte, met name die welke voorkomen in het Vierde Deel daarvan, treden in werking op het tijdstip van toetreding.

  • 2 De daartoe noodzakelijke bepalingen worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, of door de Commissie vastgesteld, naargelang de oorspronkelijke besluiten door de ene dan wel door de andere Instelling zijn aangenomen.

Artikel 154

In afwijking van artikel 3, lid 3, zijn de beginselen betreffende de algemene regelingen inzake regionale steun, die zijn uitgewerkt in het kader van de toepassing van de artikelen 92, 93 en 94 van het E.E.G.-Verdrag en die zijn vervat in de mededeling van de Commissie van 23 juni 1971, alsmede in de resolutie van 20 oktober 1971 van de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, uiterlijk vanaf 1 juli 1973 van toepassing op de nieuwe Lid-Staten.

Deze bepalingen worden aangevuld ten einde rekening te houden met de nieuwe situatie van de Gemeenschap na de toetreding, opdat alle Lid-Staten zich te dien aanzien in dezelfde toestand bevinden.

Artikel 155

De vóór de toetreding aanvaarde teksten van de besluiten van de Instellingen der Gemeenschappen en die door de Raad of de Commissie in de Deense en de Engelse taal zijn vastgesteld, zijn vanaf het tijdstip van toetreding op gelijke wijze authentiek als de in de vier oorspronkelijke talen vastgestelde teksten. Zij worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt, wanneer de teksten in de oorspronkelijke talen aldus zijn bekendgemaakt.

Artikel 156

Van de op het tijdstip van toetreding bestaande overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen die ingevolge de toetreding onder de werkingssfeer van artikel 65 van het E.G.K.S.-Verdrag vallen, moet aan de Commissie kennis worden gegeven binnen een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding. Alleen overeenkomsten en besluiten waarvan kennis is gegeven, blijven voorlopig van kracht totdat de Commissie heeft beslist.

Artikel 157

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking en van de werknemers op het grondgebied van de nieuwe Lid-Staten tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, worden, overeenkomstig artikel 33 van het E.G.A.-Verdrag, door deze Staten aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding.

Titel III. Slotbepalingen

Artikel 158

De aan deze Akte gehechte bijlagen I tot en met XI, de Protocollen No. 1 tot en met 30 en de briefwisseling betreffende de monetaire vraagstukken maken daar een integrerend deel van uit.

Artikel 159

De Regering van de Franse Republiek zendt aan de Regeringen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van de verdragen waarbij dit Verdrag is gewijzigd toe.

Artikel 160

De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regeringen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland een voor eensluidend gewaarmerkt af schrift in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal toe van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan.

De teksten van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting, van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede van de verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan, die zijn opgesteld in de Deense, de Engelse, de Ierse en de Noorse taal, worden aan de onderhavige Akte gehecht. De teksten, die zijn opgesteld in de Deense, de Engelse en de Ierse taal, zijn op gelijke wijze authentiek als de oorspronkelijke teksten van bovengenoemde Verdragen.

Artikel 161

De Secretaris-Generaal van de Raad der Europese Gemeenschappen zal een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de internationale overeenkomsten die zijn nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal, aan de Regeringen van de nieuwe Lid-Staten toezenden.

BIJLAGE I. Lijst bedoeld in artikel 29 van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE II. Lijst bedoeld in artikel 30 van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE III. Lijst van produkten bedoeld in de artikelen 32, 36 en 39 van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE IV. Lijst van produkten, bedoeld in artikel 32 van de Akte van toetreding (produkten van het Gemenebest ten aanzien waarvan op overeenkomsten berustende preferentiemarges bestaan in het Verenigd Koninkrijk)

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE V. Lijst bedoeld in artikel 107 van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE VI. Lijst van de in artikel 109 van de Akte van toetreding en in Protocol No. 22 bedoelde landen

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE VII. Lijst bedoeld in artikel 133 van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE VIII. Lijst bedoeld in artikel 148, lid 1, van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE IX. Lijst bedoeld in artikel 148, lid 2, van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE X. Lijst bedoeld in artikel 150 van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

BIJLAGE XI. Lijst bedoeld in artikel 152 van de Akte van toetreding

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1972:073:FULL&from=EN.]

Protocol No. 1. betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank

Eerste deel. Aanpassing van de Statuten van de Europese Investeringsbank

Artikel 1

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Artikel 2

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Artikel 3

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Artikel 4

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Artikel 5

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Artikel 6

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Artikel 7

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Artikel 8

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Artikel 9

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.]

Tweede deel. Andere bepalingen

Artikel 10

  • 1 De nieuwe Lid-Staten verrichten, uiterlijk twee maanden na het tijdstip van toetreden, de stortingen die zijn voorgeschreven in artikel 5, lid 1, van de Statuten van de Bank, zoals dit is gewijzigd bij artikel 3 van dit Protocol. Deze stortingen moeten geschieden in hun nationale valuta. Eén vijfde van de storting zal plaatsvinden in liquide middelen en de rest in de vorm van renteloos schatkistpapier; de betaling van deze rest, in vier gelijke delen, vervalt, respectievelijk negen, zestien, drieëntwintig en dertig maanden na het tijdstip van toetreding. Dit schatkistpapier kan geheel of gedeeltelijk vóór de vervaldatum worden afgelost, zulks in onderling overleg tussen de Bank en de betrokken nieuwe Lid-Staat. De betalingen in liquide middelen en de opbrengst van het schatkistpapier bij aflossing moeten vrij converteerbaar zijn.

  • 2 De bepalingen van artikel 7 van de Statuten van de Bank zijn van toepassing op alle door de nieuwe Lid-Staten uit hoofde van dit artikel in hun nationale valuta verrichte stortingen. Alle aanpassingen betreffende nog niet afgelost schatkistpapier vinden plaats op de vervaldatum of op het tijdstip van vervroegde aflossing van dit papier.

Artikel 11

  • 1 De nieuwe Lid-Staten dragen aan de per 31 december van het jaar voorafgaande aan de toetreding vastgestelde statutaire reserve en de voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan reserves, zoals deze voorkomen in de goedgekeurde balans van de Bank, de met de volgende percentages van deze reserves overeengekomen bedragen bij:

    Verenigd Koninkrijk

    30%

    Denemarken

    4%

    Ierland

    1%

  • 2 De bedragen van de in het onderhavige artikel bedoelde stortingen worden berekend in rekeneenheden nadat de jaarbalans van de Bank voor het jaar voorafgaand aan de toetreding is goedgekeurd.

  • 3 De storting van deze bedragen vindt plaats in vijf gelijke delen uiterlijk twee, negen, zestien, drieëntwintig en dertig maanden na de toetreding. Elke van deze vijf delen wordt gestort in vrij converteerbare nationale valuta van elk van de nieuwe Lid-Staten.

Artikel 12

  • 1 Onmiddellijk na de toetreding vult de Raad van Gouverneurs de Raad van Bewind aan door de benoeming van:

    • 3 bewindvoerders aangewezen door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

    • 1 bewindvoerder aangewezen door het Koninkrijk Denemarken;

    • 1 bewindvoerder aangewezen door Ierland;

    • 1 bewindvoerder aangewezen door het Groothertogdom Luxemburg;

    • 2 plaatsvervangers aangewezen door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

  • 2 De ambtsperiode van de aldus benoemde bewindvoerders en plaatsvervangers loopt af aan het einde van de jaarvergadering van de Raad van Gouverneurs tijdens welke het jaarverslag over het boekjaar 1977 wordt behandeld.

  • 3 Aan het einde van de jaarvergadering tijdens welke het jaarverslag over het boekjaar 1972 wordt behandeld, benoemt de Raad van Gouverneurs voor een ambtsperiode van vijf jaar:

    • 3 bewindvoerders aangewezen door de Bondsrepubliek Duitsland;

    • 3 bewindvoerders aangewezen door de Franse Republiek;

    • 3 bewindvoerders aangewezen door de Italiaanse Republiek;

    • 1 bewindvoerder aangewezen door het Koninkrijk België;

    • 1 bewindvoerder aangewezen door het Koninkrijk der Nederlanden;

    • 1 bewindvoerder aangewezen door de Commissie;

    • 2 plaatsvervangers aangewezen door de Bondsrepubliek Duitsland;

    • 2 plaatsvervangers aangewezen door de Franse Republiek;

    • 2 plaatsvervangers aangewezen door de Italiaanse Republiek;

    • 1 plaatsvervanger in onderlinge overeenstemming aangewezen door de Benelux-landen;

    • 1 plaatsvervanger aangewezen door de Commissie.

Artikel 13

Onmiddellijk na de toetreding wordt de Directie aangevuld door de benoeming van een Vice-President. Zijn ambtsperiode loopt te zelf der tijd af als de ambtsperiode van de leden van de Directie die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Protocol No. 2. betreffende de Faeröer

Artikel 1

Zolang de Deense Regering de in de artikelen 25, 26 en 27 van de Akte van toetreding bedoelde verklaringen niet heeft afgelegd en uiterlijk tot en met 31 december 1975 behoeft de douaneregeling die op de datum van toetreding van toepassing is op de invoer in de andere gebieden van Denemarken van produkten van oorsprong en van herkomst uit de Faeröer niet te worden gewijzigd.

De produkten die in overeenstemming met bovenbedoelde regeling uit de Faeröer in de andere gebieden van Denemarken worden ingevoerd kunnen niet worden beschouwd als zich in deze Staat in het vrije verkeer bevindend in de zin van artikel 10 van het E.E.G.-Verdrag wanneer zij weer worden uitgevoerd naar een andere Lid-Staat.

Artikel 2

Indien de Deense Regering de in artikel 1 bedoelde verklaringen aflegt, zijn de bepalingen van de Akte van toetreding van toepassing op de Faeröer met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • - de invoer in de Faeröer is onderworpen aan de douanerechten die van toepassing zouden zijn geweest, indien het Verdrag en het besluit betreffende de toetreding vanaf 1 januari 1973 zouden zijn toegepast;

  • - de Instellingen van de Gemeenschap zullen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten voor visserijprodukten naar passende oplossingen streven voor de specifieke problemen van de Faeröer;

  • - de autoriteiten van de Faeröer kunnen onder communautair toezicht passende maatregelen handhaven ten einde de voorziening van de bevolking van de Faeröer met melk tegen redelijke prijzen te handhaven.

Artikel 3

Indien de Deense Regering gedurende het in artikel 1 bedoelde tijdvak de Raad ervan in kennis stelt dat zij ingevolge een beslissing die de plaatselijke Regering van de Faeröer heeft genomen niet in staat is de in artikel 1 bedoelde verklaringen af te leggen, beziet de Raad op verzoek van de Deense Regering de aldus in het leven geroepen situatie. De Raad besluit op voorstel van de Commissie inzake de regelingen die dienen te worden getroffen om de problemen op te lossen die deze toestand voor de Gemeenschap en met name voor Denemarken en de Faeröer doet rijzen.

Artikel 4

De Deense onderdanen die op de Faeröer woonachtig zijn, worden slechts als onderdanen van een Lid-Staat in de zin van de oorspronkelijke Verdragen beschouwd vanaf de datum waarop deze oorspronkelijke Verdragen op deze eilanden van toepassing worden.

Artikel 5

De in artikel 1 bedoelde verklaringen moet gelijktijdig worden afgelegd en kunnen slechts leiden tot een gelijktijdige toepassing van de oorspronkelijke Verdragen op de Faeröer.

Protocol No. 3. betreffende de Kanaal-eilanden en het eiland Man

Artikel 1

  • 1 De communautaire regeling inzake douane-aangelegenheden en inzake kwantitatieve beperkingen en met name die vervat in de Akte van toetreding, is ten aanzien van de Kanaal-eilanden en het eiland Man onder dezelfde voorwaarden van toepassing als die welke voor het Verenigd Koninkrijk gelden. In het bijzonder worden de douanerechten en de heffingen van gelijke werking tussen deze gebieden en de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en tussen deze gebieden en de nieuwe Lid-Staten geleidelijk verlaagd overeenkomstig het ritme bepaald in de artikelen 32 en 36 van de Akte van toetreding. Het gemeenschappelijk douanetarief en het eengemaakte E.G.K.S.-tarief worden geleidelijk toegepast overeenkomstig het ritme, bepaald in de artikelen 39 en 59 van de Akte van toetreding, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 109, 110 en 119 van deze Akte.

  • 2 Voor landbouwprodukten en voor door verwerking daarvan verkregen produkten, waarvoor een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat, gelden ten aanzien van derde landen de in de communautaire regeling vastgelegde heffingen en andere invoermaatregelen die door het Verenigd Koninkrijk moeten worden toegepast.

    Tevens zijn die bepalingen van de communautaire regeling en met name van de Akte van toetreding van toepassing die nodig zijn om het vrije verkeer en de inachtneming van de normale concurrentievoorwaarden in het handelsverkeer van deze produkten mogelijk te maken.

    Op voorstel van de Commissie bepaalt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen onder welke voorwaarden de in de voorgaande alinea's bedoelde bepalingen op deze gebieden van toepassing zijn.

Artikel 2

Aan de rechten die de onderdanen van deze gebieden in het Verenigd Koninkrijk hebben verkregen, wordt geen afbreuk gedaan door de Akte van toetreding. De communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten zijn echter niet op hen van toepassing.

Artikel 3

De bepalingen van het E.G.A.-Verdrag die voor personen of ondernemingen in de zin van artikel 196 van dat Verdrag gelden, zijn op deze personen of ondernemingen van toepassing, wanneer zij in bovengenoemde gebieden zijn gevestigd.

Artikel 4

De autoriteiten van deze gebieden behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Gemeenschap op dezelfde wijze.

Artikel 5

Indien zich bij toepassing van de in dit Protocol neergelegde regeling van de ene of de andere zijde moeilijkheden voordoen in de betrekkingen tussen de Gemeenschap en deze gebieden, stelt de Commissie onverwijld aan de Raad de vrijwaringsmaatregelen voor die zij nodig acht, waarbij zij de voorwaarden en de wijze van toepassing aangeeft.

De Raad besluit binnen een maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel 6

In de zin van dit Protocol wordt als onderdaan van de Kanaaleilanden of van het eiland Man beschouwd iedere burger van het Verenigd Koninkrijk of van zijn koloniën die deze hoedanigheid bezit op grond van de omstandigheid dat een van zijn ouders of een van zijn grootouders op het desbetreffende eiland is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven; in dit opzicht wordt evenwel iemand niet als onderdaan van deze gebieden beschouwd indien hijzelf, een van zijn ouders of een van zijn grootouders in het Verenigd Koninkrijk is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Als onderdaan wordt evenmin beschouwd degene die in welk tijdvak dan ook gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest.

Van de administratieve bepalingen om de identiteit van deze personen vast te stellen wordt aan de Commissie kennis gegeven.

Protocol No. 4. betreffende Groenland [Vervallen per 01-02-1985]

Artikel 1 [Vervallen per 01-02-1985]

Artikel 2 [Vervallen per 01-02-1985]

Protocol No. 5. betreffende Svalbard (Spitsbergen) [Vervallen per 01-01-1973]

Protocol No. 6. betreffende bepaalde kwantitatieve beperkingen die van belang zijn voor Ierland

I. Ierland

1

De in Ierland geldende kwantitatieve beperkingen op de invoer van de volgende produkten worden geleidelijk opgeheven door de opening van onderstaande globale contingenten:

Periode

Kousen 1) ex post 60.03 en ex post 60.04 van het G.D.T.

Veren voor voertuigen 2) ex post 73.35 van het G.D.T.

Bougies en metalen onderdelen daarvan ex post 85.08 D van het G.D.T.

Bezems en borstels met een waarde van ten minste £ 1,50 per dozijn ex post 96.01 en ex post 96.02 van het G.D.T.

Bezems en borstels met een waarde van minder dan £ 1,50 per dozijn ex post 96.01 en ex post 96.02 van het G.D.T.

 

Aantal paren

£

Aantal stuks

Aantal stuks

Aantal stuks

1 jan. 1973 t/m 30 juni 1973

2 000 000

50 000

300 000

130 000

600 000

1 juli 1973 t/m 30 juni 1974

5 000 000

150 000

900 000

460 000

1 600 000

1 juli 1974 t/m 30 juni 1975

6 000 000

200 000

1 250 000

660 000

2 200 000

1) Het contingent geldt voor kousen en panties, sokken daaronder niet begrepen, volledig of in hoofdzaak van zijde of van kunstvezels, met een waarde van ten hoogste £ 2,50 per dozijn paar.

2) Het contingent geldt voor veren en veerbladen van gewalst ijzer of gewalst: staal, voor voertuigen.

Deze beperkingen worden op 1 juli 1975 afgeschaft.

2

Ierland wordt gemachtigd voor superfosfaat van post 31.03 A I van het gemeenschappelijk douanetarief ten aanzien van andere landen dan het Verenigd Koninkrijk een invoercontingent te handhaven. De omvang van dit contingent wordt, op de grondslag van de Ierse produktie die is waargenomen in 1970, vastgesteld op:

  • 3% van de omvang van deze produktie in 1973,

  • 6% van de omvang van deze produktie in 1974,

  • de helft van 8 % van de omvang van deze produktie voor het eerste halfjaar van 1975.

Dit contingent wordt op 1 juli 1975 opgeheven.

3

Ierland wordt gemachtigd tot 1 juli 1975 de kwantitatieve beperkingen op de uitvoer naar de andere Lid-Staten ten aanzien van de onderstaande produkten te handhaven:

No. van het gemeenschappelijk douanetarief

Omschrijving

ex 41.01

Huiden en vellen, ongelooid (vers, gezouten gedroogd, gekalkt of gepekeld - „pickled” -), ongelooide schapevachten daaronder begrepen:

- Huiden en vellen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt of gepekeld - „pickled” -), van schapen, ongelooide schapevachten daaronder begrepen

44.01

Brandhout, in ronde en in andere blokken, rijshout, takkenbossen; houtafval, zaagsel daaronder begrepen

44.03

Hout, onbewerkt, ook indien ontschorst of ruw behakt of ontdaan van het spint

44.04

Hout, enkel vierkant gehakt of vierkant bezaagd

44.05

Hout, enkel overlangs gezaagd of enkel gesneden of geschild, met een dikte van meer dan 5 mm

ex 74.01

Kopersteen of ruw steen; ruw of gezuiverd koper; resten en afvallen, van koper:

- Resten en afvallen, van koper

ex 75.01

Nikkelmatten, nikkelspijs en andere tussenprodukten van de nikkelmetallurgie; ruw nikkel (met uitzondering van de anoden bedoeld bij post 75.05); resten en afvallen, van nikkel:

- Resten en afvallen, van nikkel

76.01

Ruw aluminium; resten en afvallen, van aluminium:

 

B. Resten en afvallen

78.01

Ruw lood (ook indien zilverhoudend); resten en afvallen, van lood:

 

B. Resten en afvallen

79.01

Ruw zink; resten en afvallen, van zink:

B. Resten en afvallen

II. Noorwegen [Vervallen per 01-01-1973]

Protocol no. 7. betreffende de invoer van motorvoertuigen en de motorvoertuigenassemblage-industrie in Ierland

Artikel 1

Ierland wordt gemachtigd om tot 1 januari 1985 de regeling inzake de assemblage van motorvoertuigen en de invoer daarvan, hierna het „Scheme” genoemd, die wordt toegepast overeenkomstig het bepaalde in de „Motor Vehicles (Registration of Importers) Act 1968”, hierna de „Act” genoemd, te handhaven.

Artikel 2

  • 1 Vanaf de toetreding zijn alle importeurs-assembleurs van in de Gemeenschap vervaardigde merken van motorvoertuigen, die in het kader van de „Act” zijn geregistreerd en die blijven voldoen aan de eisen inzake registratie, gemachtigd om, zonder beperkingen, reeds geassembleerde voertuigen van oorsprong uit de andere Lid-Staten van in die Staten vervaardigde merken in te voeren.

  • 2 Met ingang van 1 januari 1974 past Ierland, in het kader van de tarief verlagingen waartoe dit land overgaat krachtens artikel 32 van de Akte van toetreding, een niet-discriminerende tariefregeling toe op voertuigen die worden ingevoerd door de in lid 1 bedoelde importeurs-assembleurs.

  • 3 Ierland behoudt de mogelijkheid om de fiscale elementen in de douanerechten op motorvoertuigen en delen en onderdelen daarvan, te vervangen door binnenlandse belastingen die stroken met artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag en met artikel 38 van de Akte van toetreding. Deze belastingen mogen in het bijzonder geen enkele discriminatie inhouden tussen de rechten die gelden voor:

    • de in Ierland vervaardigde delen en onderdelen en de uit de andere Lid-Staten ingevoerde delen en onderdelen;

    • de in Ierland geassembleerde motorvoertuigen en de geassembleerde motorvoertuigen die uit de andere Lid-Staten worden ingevoerd;

    • de in Ierland vervaardigde of uit de andere Lid-Staten ingevoerde delen en onderdelen en de in Ierland geassembleerde of uit de andere Lid-Staten ingevoerde motorvoertuigen.

Artikel 3

  • 1 Met ingang van 1 januari 1974 geldt de in artikel 2, lid 2, bedoelde tariefregeling eveneens voor een globaal contingent dat Ierland vanaf de toetreding ten aanzien van de overige Lid-Staten opent voor motorvoertuigen van oorsprong uit de Gemeenschap die niet vallen onder de bijzondere regeling van het „Scheme”.

  • 2 De omvang van dit contingent wordt jaarlijks vastgesteld op de grondslag van een percentage van het aantal motorvoertuigen dat het voorgaande jaar in Ierland werd geassembleerd. Dit percentage bedraagt 3 in 1973 en stijgt jaarlijks met één punt, zodat het in 1984 14% bereikt.

    Ierland mag dit contingent over de volgende categorieën motorvoertuigen verdelen:

    • -

      I. Personenauto's

      • a) met een cilinderinhoud van ten hoogste 1.500 cc

      • b) met een cilinderinhoud van meer dan 1.500 cc

    • -

      II. Bedrijfsautomobielen

      • a) met een gewicht van hoogstens 3,5 ton in ledige toestand;

      • b) met een gewicht van meer dan 3,5 ton in ledige toestand.

    Het gewicht in ledige toestand zal worden bepaald aan de hand van de regels inzake indeling van de voertuigen die worden gebruikt voor de Ierse wegenbelasting.

  • 3 Binnen deze onderverdeling kan Ierland de volgende hoeveelheden vaststellen:

    Categorie IPersonenauto's 85% van het globale contingent, als volgt onderverdeeld:

    I. a) (tot en met 1.500 cc) . . . . . . . . . .

    75%

    I. b) (meer dan 1.500 cc) . . . . . . . . . .

    25%

    Categorie IIBedrijfsvoertuigen 15% van het globale contingent, als volgt onderverdeeld:

    II. a) (tot en met 3,5 ton) . . . . . . . . . .

    75%

    II. b) (meer dan 3,5 ton) . . . . . . . . . .

    25%

  • 4 Indien tijdens de periode waarin de contingentenregeling van toepassing is, blijkt dat het contingent niet volledig wordt benut om redenen die verband houden met de verdeling van het contingent overeenkomstig de voorgaande bepalingen kan de Commissie, na raadpleging van de Ierse Regering, de maatregelen aangeven die door de Ierse Regering moeten worden getroffen om volledige benutting van het globale contingent te vergemakkelijken.

Artikel 4

Indien zich bij de toepassing van dit Protocol, en met name van artikel 2, lid 1, concurrentiedistorsies tussen de in Ierland gevestigde importeurs-assembleurs voordoen waardoor de geleidelijke overgang van de bij de toetreding geldende regeling naar de regeling die in overeenstemming is met de bepalingen van het E.E.G.-Verdrag, in gevaar zou kunnen komen, kan de Commissie de Ierse Regering machtigen, de nodige maatregelen te nemen om de situatie weer in evenwicht te brengen. Die maatregelen mogen de einddatum voor de afschaffing van het „Scheme” niet in het geding brengen.

Artikel 5

Ierland brengt in het „Scheme” alle aanvullende wijzigingen aan ten einde de overgang van de bij de toetreding geldende regeling naar de regeling die strookt met het E.E.G.-Verdrag, te vergemakkelijken.

Protocol No. 8. betreffende fosfor van onderverdeling C IV van post No. 28.04 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Met ingang van 1 januari 1974 en tot en met 31 december 1977, wordt het Verenigd Koninkrijk gemachtigd een jaarlijks tariefcontingent voor fosfor van onderverdeling C IV van post No. 28.04 van het gemeenschappelijk douanetarief te openen, waarvan de omvang overeenstemt met de behoeften van dat land, doch dat 40.000 ton per jaar niet overschrijdt.

2

Gedurende de jaren 1974, 1975 en 1976 zal voor dit contingent een nulrecht gelden.

De Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten tot wijziging van het recht voor dit tariefcontingent, met inachtneming van de mededingings-, de bevoorradings- en de produktievoorwaarden op de fosformarkt.

3

Voor 1977 stelt de Raad met eenparigheid van stemmen het recht voor dit contingent vast. Blijft zulk een besluit uit, dan geldt voor het contingent een recht dat gelijk is aan de helft van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

4

Met ingang van 1 januari 1978 past het Verenigd Koninkrijk het recht van het gemeenschappelijk douanetarief toe.

5

Het Verenigd Koninkrijk past met ingang van 1 april 1973 een nulrecht toe op de invoer van fosfor uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

Protocol No. 9. betreffende aluminiumoxyde en aluminiumhydroxyde van onderverdeling A van post No. 28.20 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Uiterlijk op 1 januari 1975 wordt het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor aluminiumoxyde en aluminiumhydroxyde van onderverdeling A van post No. 28.20 van het gemeenschappelijk douanetarief voor onbepaalde tijd geschorst tot 5,5%.

2

De nieuwe Lid-Staten gaan op 1 januari 1976 over tot de eerste aanpassing van hun rechten aan het gemeenschappelijk douanetarief voor dit produkt, en wel door op die datum het verschil tussen het basisrecht en het recht van 5,5% met 50% te verminderen.

3

De nieuwe Lid-Staten passen met ingang van 1 juli 1977 het recht van 5,5% toe.

4

De Raad zal de situatie opnieuw bezien, enerzijds ingeval door de Gemeenschap geen nulrecht zou worden toegepast op de invoer van aluminiumoxyde en aluminiumhydroxyde uit de onafhankelijke ontwikkelingslanden van het Gemenebest, en met name uit die in het Caribische gebied en anderzijds ingeval de specifieke situatie van de aluminiumindustrie zulks zou eisen.

Protocol No. 10. betreffende looiextract van mimosabast van onderverdeling A van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief en looiextract van de kastanje van onderverdeling C van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Uiterlijk op 1 januari 1974 wordt het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor looiextract van mimosabast van onderverdeling A van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief voor onbepaalde tijd geschorst tot 3%.

2

Ierland en het Verenigd Koninkrijk passen met ingang van 1 juli 1973 een nulrecht toe op de invoer uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling van looiextract van mimosabast van onderverdeling A van post No. 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief en looiextract van de kastanje van onderverdeling C van post No. ex 32.01 van het gemeenschappelijk douanetarief.

Protocol No. 11. betreffende duplex-, triplex- en multiplexhout van post No. 44.15 van het gemeenschappelijk douanetarief

1

Voor onderstaande produkten:

  • ex 44.15 - Duplex-, triplex- en multiplexhout van naaldbomen, waaraan geen andere stoffen zijn toegevoegd, met een dikte van meer dan 9 mm, waarvan de zijden ruw zijn bij afwikkeling;

  • ex 44.15 - Duplex-, triplex- en multiplexhout van naaldbomen, waaraan geen andere stoffen zijn toegevoegd, gepolijst, met een dikte van meer dan 18,5 mm,

worden met ingang van 1 januari 1974 twee autonome communautaire tariefcontingenten met nulrecht geopend. De omvang daarvan zal jaarlijks worden bepaald, wanneer is vastgesteld dat alle voorzieningsmogelijkheden op de interne markt van de Gemeenschap gedurende het tijdvak waarvoor de contingenten zijn geopend, uitgeput zullen worden.

2

De Raad zal de situatie opnieuw bezien, ingeval zich een belangrijke wijziging voordoet in de invoer tegen nulrecht van duplex-, triplex- en multiplexhout uit Finland in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk of in het door de Gemeenschap op bepaalde produkten van oorsprong uit de ontwikkelingslanden toegepaste stelsel van tariefpreferenties.

3

Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk passen vanaf 1 april 1973 een nulrecht toe ten aanzien van de invoer van duplex-, triplex- en multiplexhout uit de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling.

Protocol No. 12. betreffende papierstof van onderverdeling A II van post No. 47.01 van het gemeenschappelijk douanetarief