Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek [...] Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie, Korfoe, 24-06-1994

Geldend van 01-01-1995 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lid-Staten van de Europese Unie) en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, betreffende de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-lerland (Lid-Staten van de Europese Unie) en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, betreffende de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie.

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de President van de Helleense Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

de President van de Franse Republiek,

de President van Ierland,

de President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen,

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

de President van de Portugese Republiek,

de President van de Finse Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Zweden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest voort te zetten,

Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

Overwegende dat artikel O van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de Europese Staten de mogelijkheid biedt lid van de Unie te worden,

Overwegende dat het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden hebben verzocht lid te worden van de Unie,

Overwegende dat de Raad van de Europese Unie, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten,

Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest aan te brengen aanpassingen vast te stellen, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

  • Jean-Luc Dehaene

  • Minister-President

  • Willy Claes

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Ph. de Schoutheete de Tervarent

  • Ambassadeur,

  • Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

  • Poul Nyrup Rasmussen

  • Minister-President

  • Niels Helveg Petersen

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Gunnar Riberholdt

  • Ambassadeur,

  • Permanente Vertegenwoordiger van Denemarken bij de Europese Unie

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

  • Dr. Helmut Kohl

  • Bondskanselier

  • Dr. Klaus Kinkel

  • Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervangend Bondskanselier

  • Dr. Dietrich von Kyaw

  • Ambassadeur,

  • Permanente Vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Europese Unie

de President van de Helleense Republiek,

  • Andreas Papandreou

  • Minister-President

  • Karolos Papoulias

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Theodoros Pangalos

  • Onderminister van Buitenlandse Zaken

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

  • Felipe Gonzalez Marquez

  • Minister-President

  • Javier Solana Madariaga

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Carlos Westendorp y Cabeza

  • Staatssecretaris voor de Betrekkingen met de Europese Gemeenschappen

de President van de Franse Republiek,

  • Edouard Balladur

  • Minister-President

  • Alain Juppé

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Alain Lamassoure

  • Onderminister van Europese Zaken

  • Pierre de Boissieu

  • Ambassadeur,

  • Permanente Vertegenwoordiger van de Franse Republiek bij de Europese Unie

de President van Ierland,

  • Albert Reynolds

  • Minister-President

  • Dick Spring

  • Vice-Minister-President en Minister van Buitenlandse Zaken

  • Padraic McKernan

  • Ambassadeur, Permanente Vertegenwoordiger van Ierland bij de Europese Unie

de President van de Italiaanse Republiek,

  • Silvio Berlusconi

  • Minister-President

  • Antonio Martino

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Livio Caputo

  • Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

  • Jacques Santer

  • Minister-President

  • Jacques F. Poos

  • Vice-Minister-President,

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Jean-Jacques Kasel

  • Ambassadeur,

  • Permanente Vertegenwoordiger van Luxemburg bij de Europese Unie

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

  • R. F. M. Lubbers

  • Minister-President

  • Dr. P. H. Kooijmans

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Dr. B. R. Bot

  • Ambassadeur,

  • Permanente Vertegenwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Europese Unie

Zijne Majesteit de Koning van Noorwegen,

  • Gro Harlem Brundtland

  • Minister-President

  • Bjørn Tore Godal

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Grete Knudsen

  • Minister van Handel en Koopvaardij

  • Eivinn Berg

  • Hoofd van de delegatie belast met de onderhandelingen

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

  • Franz Vranitzky

  • Bondskanselier

  • Alois Mock

  • Bondsminister van Buitenlandse Zaken

  • Ulrich Stacher

  • Directeur-Generaal,

  • Bondskanselarij

  • Manfred Scheich

  • Hoofd van de Missie van Oostenrijk bij de Europese Gemeenschappen

de President van de Portugese Republiek,

  • Anibal Cavaco Silva

  • Minister-President

  • José Durão Barroso

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Vitor Martins

  • Staatssecretaris van Europese Zaken

de President van de Republiek Finland,

  • Esko Aho

  • Minister-President

  • Pertti Salolainen

  • Minister van Buitenlandse Handel

  • Heikki Haavisto

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Veli Sundbäck

  • Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

Zijne Majesteit de Koning van Zweden,

  • Z. Exc. Carl Bildt

  • Minister-President

  • H. Exc. Margaretha af Ugglas

  • Minister van Buitenlandse Zaken

  • Z. Exc. Ulf Dinkelspiel

  • Minister van Europese Zaken en van Buitenlandse Handel

  • Frank Belfrage

  • Staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Handel

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

  • The Rt Hon John Major

  • Minister-President

  • The Rt Hon Douglas Hurd

  • Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

  • David Heathcoat-Amory

  • Onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

Artikel 1

  • 1 Het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden lid van de Europese Unie en worden Partij bij de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.

  • 2 De voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest zijn neergelegd in de bij dit Verdrag gevoegde Akte. De bepalingen van deze Akte maken een integrerend deel van dit Verdrag uit.

  • 3 De in de in lid 1 genoemde Verdragen voorkomende bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de Lid-Staten, alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de Instellingen van de Unie, zijn van toepassing ten aanzien van dit Verdrag.

Artikel 2

  • 1 Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen uiterlijk 31 december 1994 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

  • 2 Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1995, mits alle akten van bekrachtiging voor dit tijdstip zijn neergelegd.

    Indien echter niet alle in artikel 1, lid 1, genoemde Staten tijdig hun akten van bekrachtiging hebben neergelegd, treedt het Verdrag in werking voor de Staten die tot de nederlegging zijn overgegaan. In dit geval besluit de Raad van de Europese Unie, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige Verdrag en van de artikelen 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 25, 26, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 170 en 176 van de Toetredingsakte, van bijlage I bij die Akte en van de Protocollen nr. 1 en nr. 6 die daaraan zijn gehecht; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlagen en Protocollen, waarin een Staat die zijn akte van bekrachtiging niet heeft neergelegd, met name wordt genoemd, vervallen verklaren of aanpassen.

Artikel 3

Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de lerse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de lerse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse tekst gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Korfoe, de vierentwintigste juni negentienhonderd vierennegentig.

Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond

EERSTE DEEL. BEGINSELEN

Artikel 1

In de zin van deze Akte:

  • - worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Verdragen” bedoeld:

  • - worden met de uitdrukking „huidige Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

  • - wordt met de uitdrukking „de Unie” bedoeld de Unie zoals tot stand gebracht bij het EU-Verdrag;

  • - wordt met de uitdrukking „de Gemeenschap” bedoeld één of meer van de in het eerste streepje vermelde Gemeenschappen, naargelang van het geval;

  • - worden met de uitdrukking „nieuwe Lid-Staten" bedoeld de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden;

  • - worden met de uitdrukking „Instellingen” bedoeld de bij de oorspronkelijke Verdragen opgerichte Instellingen.

Artikel 2

Onmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe Lid-Staten en in deze Staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.

Artikel 3

De nieuwe Lid-Staten verbinden zich ertoe met betrekking tot die overeenkomsten of instrumenten op het gebied van Justitie en Binnenlandse zaken welke onlosmakelijk zijn verbonden met de doelstellingen van het EU-Verdrag:

  • - toe te treden tot de overeenkomsten of instrumenten die vóór de datum van toetreding zijn opengesteld voor ondertekening door de huidige Lid-Staten, alsmede tot de overeenkomsten of instrumenten die door de Raad overeenkomstig Titel VI van het EU-Verdrag zijn opgesteld en waarvan hij de aanneming aan de Lid-Staten heeft aanbevolen.

  • - administratieve en andere regelingen in te voeren in de trant van de regelingen die de huidige Lid-Staten of de Raad reeds hebben aangenomen ter vergemakkelijking van de praktische samenwerking tussen de instellingen en organisaties van de Lid-Staten die actief zijn op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken.

Artikel 4

  • 1 Bij deze Akte treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, genomen besluiten en gesloten overeenkomsten. Zij verbinden zich ertoe op het tijdstip van de toetreding ook toe te treden tot elke andere door de huidige Lid-Staten gesloten overeenkomst die de werking van de Unie betreft of in nauw verband staat met het optreden van deze Unie.

  • 2 De nieuwe Lid-Staten verbinden zich ertoe toe te treden tot de overeenkomsten bedoeld in artikel 220 van het EG-Verdrag en tot de overeenkomsten die niet te scheiden zijn van het bereiken van de doelstellingen van het EG-Verdrag, alsmede tot de Protocollen betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van deze overeenkomsten, die door de Lid-Staten zijn ondertekend, en te dien einde onderhandelingen aan te knopen met de huidige Lid-Staten om daarin de vereiste aanpassingen aan te brengen.

  • 3 De nieuwe Lid-Staten bevinden zich ten aanzien van de verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen van de Europese Raad of de Raad, alsmede ten aanzien van die welke betrekking hebben op de Gemeenschappen of de Unie en in onderling overleg tussen de Lid-Staten zijn aanvaard, in dezelfde situatie als de huidige Lid-Staten; zij zullen derhalve de beginselen en beleidslijnen die hieruit voortvloeien eerbiedigen en de maatregelen treffen die nodig zouden kunnen blijken ter verzekering van de toepassing daarvan.

Artikel 5

  • 1 De door één van de Gemeenschappen met een of meer derde Staten, met een internationale organisatie dan wel met een onderdaan van een derde Staat gesloten overeenkomsten of akkoorden, zijn verbindend voor de nieuwe Lid-Staten, en wel onder de in de oorspronkelijke Verdragen en in deze Akte neergelegde voorwaarden.

  • 2 De nieuwe Lid-Staten verplichten zich ertoe onder de in deze Akte neergelegde voorwaarden toe te treden tot de door de huidige Lid-Staten en één van de Gemeenschappen gezamenlijk gesloten overeenkomsten of akkoorden, alsmede tot de door deze Staten gesloten overeenkomsten die verband houden met deze overeenkomsten of akkoorden. De Gemeenschap en de huidige Lid-Staten in het kader van de Unie zijn de nieuwe Lid-Staten hierbij behulpzaam.

  • 3 Bij deze Akte en onder de daarin neergelegde voorwaarden treden de nieuwe Lid-Staten toe tot de interne overeenkomsten welke door de Lid-Staten werden gesloten voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten en akkoorden.

  • 4 De nieuwe Lid-Staten treffen de passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij één van de Gemeenschappen of andere Lid-Staten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding tot de Unie.

Artikel 6

Artikel 234 van het EG-Verdrag en de artikelen 105 en 106 van het Euratom-Verdrag zijn voor de nieuwe Lid-Staten van toepassing op de overeenkomsten en akkoorden gesloten vóór hun toetreding.

Artikel 7

De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.

Artikel 8

De door de Instellingen genomen besluiten waarop de in deze Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

Artikel 9

De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.

Artikel 10

Ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en van de door de Instellingen genomen besluiten gelden, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen.

TWEEDE DEEL. AANPASSING DER VERDRAGEN

TITEL I. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1. HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel 11

[Red: Wijzigt de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen; Brussel, 20 september 1976.]

HOOFDSTUK 2. DE RAAD

Artikel 12

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 13

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.]

Artikel 14

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.]

Artikel 15

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 3. DE COMMISSIE

Artikel 16

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 4. HET HOF VAN JUSTITIE

Artikel 17

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 18

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957, en het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Brussel, 17 april 1957.]

Artikel 19

[Red: Wijzigt het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Brussel, 17 april 1957, het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap; Brussel, 17 april 1957, en het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Brussel, 17 april 1957.]

Artikel 20

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 21

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 5. DE REKENKAMER

Artikel 22

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 6. HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Artikel 23

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 7. HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Artikel 24

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.]

HOOFDSTUK 8. HET RAADGEVEND COMITÉ EGKS

Artikel 25

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.]

HOOFDSTUK 9. HET WETENSCHAPPELIJK EN TECHNISCH COMITÉ

Artikel 26

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

TITEL II. ANDERE AANPASSINGEN

Artikel 27 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

[Red: Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.]

Artikel 28

[Red: Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.]

DERDE DEEL. AANPASSING VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 29

Ten aanzien van de besluiten genoemd in de lijst die voorkomt in bijlage I van deze Akte vinden de aanpassingen plaats die in die bijlage worden omschreven.

Artikel 30

De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de in de lijst die voorkomt in bijlage II van deze Akte genoemde besluiten, worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgende de procedure en op de wijze bepaald in artikel 168.

VIERDE DEEL. OVERGANGSMAATREGELEN

TITEL I. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel 31

  • 2 Onmiddellijk bij de toetreding en voor de periode die verstrijkt ten tijde van elk der in lid 1 bedoelde verkiezingen, worden de vertegenwoordigers in het Europees Parlement van het volk van de nieuwe Lid-Staten aangewezen door de volksvertegenwoordigingen van deze Staten uit hun midden, zulks volgens de door elk dezer Staten vastgestelde procedure.

  • 3 De nieuwe Lid-Staten mogen evenwel verkiezingen voor het Europees Parlement evenwel tussen de ondertekening en de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag organiseren, overeenkomstig het aan deze Akte gehechte Protocol nr. 8.

  • 4 Het mandaat van de overeenkomstig lid 1 of lid 3 verkozen vertegenwoordigers eindigt terzelfdertijd als dat van de vertegenwoordigers die in de huidige Lid-Staten voor de periode van vijfjaar van 1994-1999 zijn gekozen.

TITEL II. OVERGANGSMAATREGELEN BETREFFENDE NOORWEGEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

HOOFDSTUK 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN [Vervallen per 01-01-1995]

Afdeling I. Normen en milieu [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 32 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Gedurende een tijdvak van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van toetreding, is het bepaalde in bijlage III, overeenkomstig die bijlage en onder de daarin gestelde voorwaarden, niet van toepassing op Noorwegen.

  • 2 Het bepaalde in lid 1 zal binnen dat tijdvak worden herzien overeenkomstig de EG-procedures.

    Onverminderd de resultaten van die herziening is het acquis communautaire aan het einde van de in lid 1 bedoelde overgangsperiode op de nieuwe Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden als in de huidige Lid-Staten van toepassing.

Afdeling II. Diversen [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 33 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het Koninkrijk Noorwegen mag gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding zijn huidig nationaal stelsel voor de indeling van onbewerkt hout blijven toepassen, voor zover zijn nationale wetgeving en zijn desbetreffende administratieve regelingen niet in strijd zijn met de communautaire wetgeving inzake de interne markt of de handel met derde landen, inzonderheid artikel 6 van Richtlijn 68/89/EEG betreffende de aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten ten aanzien van de indeling van onbewerkt hout.

Gedurende dezelfde periode zal Richtlijn 68/89/EEG volgens de procedures van het EG-Verdrag worden herzien.

HOOFDSTUK 2. VRIJ VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 34 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag het Koninkrijk Noorwegen zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven.

Artikel 35 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het Koninkrijk Noorwegen mag gedurende 3 jaar na de datum van toetreding beperkingen op de eigendom van Noorse vissersvaartuigen door niet-onderdanen blijven toepassen.

HOOFDSTUK 3. VISSERIJ [Vervallen per 01-01-1995]

Afdeling I. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 36 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, zijn de voorschriften van deze Akte van toepassing op de sector visserij.

Afdeling II. Toegang tot de wateren en de visbestanden [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 37 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, is de in deze afdeling bedoelde regeling voor de toegang tot de wateren van toepassing gedurende een overgangsperiode waarvan het einde samenvalt met de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, welke datum in geen geval later mag zijn dan de datum waarop de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3760/ 921tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur bedoelde periode verstrijkt.

Onderafdeling I. Vaartuigen van Noorwegen [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 38 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Met het oog op de integratie in de bij Verordening (EEG) nr. 3760/92 ingestelde communautaire visserij- en aquacultuurregeling, is de toegang tot de onder de soevereiniteit of jurisdictie van de huidige Lid-Staten vallende wateren voor vaartuigen die de vlag van Noorwegen voeren en in een Noorse haven zijn ingeschreven en/of geregistreerd, hierna „vaartuigen van Noorwegen” te noemen, onderworpen aan de in deze onderafdeling vastgestelde regeling. Vanaf de toetreding zal deze toegangsregeling waarborgen dat Noorwegen de in artikel 44 bedoelde visserijmogelijkheden handhaaft.

Artikel 39 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Tot de datum waarop de bij de artikelen 156 tot en met 165 en 347 tot en met 352 van de Toetredingsakte van Spanje en Portugal ingestelde specifieke regelingen zijn geïntegreerd in de algemene regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, kunnen slechts 441 vaartuigen van Noorwegen die voorkomen in bijlage IV, hierna „basislijst” te noemen, worden gemachtigd te vissen in de ICS-sectoren Vb, VI en VII. Gedurende het tijdvak tussen de datum van toetreding en 31 december 1995, is het gebied gelegen ten zuiden van 56° 30' N, ten oosten van 12° W en benoorden 50° 30' N gesloten voor andere visserij dan de visserij door vaartuigen die met de beug vissen.

  • 2 Slechts 165 standaardvaartuigen voor de vangst van demersale vis, die voorkomen op de basislijst, mogen tegelijkertijd vissen, mits zij voorkomen op een door de Commissie vastgestelde periodieke lijst.

  • 3 Onder „standaardvaartuig” wordt een vaartuig verstaan met een remkracht van 511 kilowatt (KW). De omrekeningsgetallen voor schepen met een ander vermogen luiden als volgt:

    • - minder dan 219 KW: 0,57,

    • - ten minste 219 KW, maar minder dan 292 KW: 0,76,

    • - ten minste 292 KW, maar minder dan 365 KW: 0,85,

    • - ten minste 365 KW, maar minder dan 438 KW: 0,90,

    • - ten minste 438 KW, maar minder dan 511 KW: 0,96,

    • - ten minste 511 KW, maar minder dan 584 KW: 1,00,

    • - ten minste 584 KW, maar minder dan 730 KW: 1,07,

    • - ten minste 730 KW, maar minder dan 876 KW: 1,11,

    • - meer dan 876 KW: 2,25,

    • - vaartuigen die met de beug vissen: 1,00

    • - vaartuigen die met de beug vissen en uitgerust met een mechanisme voor het automatisch aanbrengen van het aas of het mechanisch ophalen van de beugen: 2,00.

  • 4 In de periode van 1 december tot en met 31 mei mogen slechts 60 vaartuigen tegelijkertijd pelagische vis vangen; voor de periode van 1 juni tot en met 30 november bedraagt dit aantal 30 vaartuigen.

  • 5 De eventuele aanpassingen van de basislijst die voortvloeien uit het vóór de toetreding buiten gebruik stellen van een vaartuig wegens overmacht worden uiterlijk op 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92. Deze aanpassingen mogen geen afbreuk doen aan het aantal vaartuigen en de verdeling daarvan over elke categorie en evenmin leiden tot een verhoging van de totale tonnenmaat of het totale vermogen van elke van deze categorieën. Bovendien mogen de ter vervanging aangewezen vaartuigen van Noorwegen slechts worden gekozen uit de vaartuigen vermeld op de lijst in bijlage V.

  • 6 Het aantal standaardvaartuigen als bedoeld in lid 1, kan worden verhoogd aan de hand van de ontwikkeling van de globale visserijmogelijkheden die aan Noorwegen zijn toegekend voor de bestanden waarvoor beperkingen van de bevissingsgraad in de zin artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 zijn vastgesteld volgens de procedure van artikel 8, lid 4, van genoemde verordening.

  • 7 Zodra in de basislijst voorkomende vaartuigen zijn opgelegd of na de toetreding uit de basislijst zijn geschrapt, kunnen zij worden vervangen door vaartuigen van dezelfde categorie met een motorvermogen dat niet groter is dan dat van de te vervangen vaartuigen.

    De voorwaarden voor vervanging als bedoeld in de voorgaande alinea zijn slechts van toepassing voor zover de capaciteit van de vloot van de huidige Lid-Staten niet wordt uitgebreid in de communautaire Atlantische wateren.

  • 8 De bepalingen die ervoor moeten zorgen dat de vissers de reglementering in acht nemen, met inbegrip van de bepalingen die de mogelijkheid inhouden het betrokken vaartuig gedurende een bepaalde periode een visverbod op te leggen, worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 40 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Na de datum waarop de bij de artikelen 156 tot en met 165 en 347 tot en met 352 van de Toetredingsakte van Spanje en Portugal ingestelde specifieke regelingen zijn geïntegreerd in de algemene regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Noorwegen in de onder artikel 4II, 14d, vallende wateren vissen onder door de Raad volgens de procedure van artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92 vast te stellen voorwaarden.

  • 2 De in lid 1 bedoelde toegangsregeling wordt op dezelfde wijze geregeld als die welke in de communautaire wateren benoorden 62° N van toepassing is op vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat van de Unie in haar huidige samenstelling voeren, hierna „vaartuigen van de huidige Unie” te noemen.

Artikel 41 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Vanaf de datum van toetreding tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Noorwegen vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Unie vallen in de ICES-sectoren IIa, IIIa (Skagerrak)2en IV, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren en zijn vervat in de betreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 3691/93 van de Raad.

Artikel 42 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De technische voorschriften die nodig zijn met het oog op de toepassing van de artikelen 39, 40 en 41, worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 43 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Vanaf de datum van toetreding tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Noorwegen vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Zweden vallen in ICES-sector IIIa (Skagerrak) en IIIb, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.

De toepassingsvoorschriften van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 44 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het aan Noorwegen toe te kennen aandeel in de communautaire vismogelijkheden waarvan de bevissingsgraad door een vangstbeperking is gereglementeerd, wordt als volgt vastgesteld per soort en per gebied:

    Soort

    ICES(1) of NAFO(2)

    Referentiezones voor de vaststelling van de TAC's

    Aandeel van Noorwegen

    %

    Haring

    IIIa

    13,375

    Haring(3)

    IIa(4), IV, VIId

    29,520

    Haring

    Vb(5), Vla benoorden 56°, VIb

    10,082

    Sprot

    IIIa

    7,303

    Lodde

    NAFO 3NO

    92,308

    Kabeljauw

    I(6), II(6) (12)

    (7)

    Kabeljauw

    IIa(8)

    100,000

    Kabeljauw

    IIIa Skagerrak(9)

    3,202

    Kabeljauw

    IIIa(10)

    100,000

    Kabeljauw

    IIa(4), IV

    6,425

    Kabeljauw

    NAFO 3M

    15,663(11)

    Schelvis

    I, Il(6) (12)

    94,838

    Schelvis

    IIa(8)

    100,000

    Schelvis

    IIIa, IIIbcd(5)

    4,172

    Schelvis

    IIa(4), IV

    13,878

    Koolvis

    I, II(12)

    95,768

    Koolvis

    IIa(4), III(5), IV

    45,895

    Wijting

    IIIa

    1,824

    Wijting

    IIa(4), IV

    9,906

    Heek

    III(5)

    5,642

    Heek

    IIa(4), IV

    14,896

    Makreel

    IIa(4), III(5), IV

    65,395(13)

    Makreel

    lIa(14)

    88,543(13)(19)

    Makreel

    Vb(5), VI, VII, VlIIabde, XII, XIV

    3,911

    Schol

    IIIa Skagerrak

    2,000

    Schol

    IIa(4), IV

    2,348

    Tong

    III(5)

    2,001

    Garnalen

    IIIa

    46,609

    Garnalen

    IV(14)

    80,000

    Langoestine

    IIIa(15), IIIbcd(15)

    1,668

    Langoestine

    IIIa(16)

    100,000

    Langoestine

    IIa(4), IV(6)

    0,765

    Langoestine

    IV(8)

    100,000

    Lodde

    I(14), IIa(14), IIb(14) (17)

    100,000

    Lodde

    Jan Mayen(18)

    100,000

    Haring

    I, II, XIV

    100,000(20)

    Haring

    Fjord van Trondheim(10)

    100,000

    (1) Internationale Raad van Onderzoek van de Zee.

    (2) Verdrag inzake de toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan („NAFO-verdrag”).

    (3) Met uitzondering van in de lente paaiende Noorse haring.

    (4) De wateren van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling.

    (5) Wateren van de Gemeenschap.

    (6) Met uitzondering van de wateren binnen de 12-mijlszone berekend vanaf de Noorse basislijnen.

    (7) Tot en met 31 december 1997 is het Noorse quotum gelijk aan de hoeveelheid die ter beschikking staat van de Unie minus 2,9% van de TAC en 11.000 ton. Vanaf 1 januari 1998 is het Noorse aandeel gelijk aan de hoeveelheid die ter beschikking staat van de Unie minus 4,470% van de TAC. Wanneer de Unie de vaststelling van de TAC overneemt zal het aandeel voor Noorwegen worden vastgesteld als een percentage van de quota die ter beschikking van de Unie staan, op basis van het jaar 1994.

    (8) In de wateren binnen de 12-mijlszone berekend vanaf de Noorse basislijnen.

    (9) Met uitzondering van de wateren binnen de Noorse basislijnen.

    (10) Wateren binnen de Noorse basislijnen.

    (11) In deze toewijzing is geen rekening gehouden met de overeengekomen overdracht van 1.000 ton van Noorwegen aan specifieke Lid-Staten van de Unie in haar huidige samenstelling.

    (12) Met uitzondering van de wateren van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling.

    (13) Tot de datum waarop de regeling inzake het communautaire visdocument wordt toegepast, kunnen de in dit beheersgebied toegewezen hoeveelheden tot maximaal een derde in een van de twee, of in beide andere beheersgebieden voor makreel, als omschreven in deze tabel, worden gevangen. Op dezelfde wijze kunnen de aan de Unie in haar huidige samenstelling toegewezen hoeveelheden westelijke makreel tot maximaal een derde worden gevangen in een van de twee, of beide andere beheersgebieden. Het voorgaande is niet van invloed op de flexibiliteit voorzien in bestaande regelingen tussen de Unie in haar huidige samenstelling en Noorwegen.

    (14) In de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen.

    (15) Behalve de wateren binnen de 4-mijlszone berekend vanaf de Noorse basislijnen.

    (16) In de wateren binnen de 4-mijlszone berekend vanaf de Noorse basislijnen.

    (17) Met uitzondering van het gebied van Jan Mayen.

    (18) Wateren rond Jan Mayen, die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen.

    (19) Met inbegrip van vangsten in de internationale wateren van ICES-sector II. Op soortgelijke wijze worden de vangsten van de Lid-Staten van de Unie in haar huidige samenstelling in de internationale wateren verrekend met de quota die zijn toegewezen voor de sectoren V b) (communautaire wateren), VI, VII, VIIIabde, XII, XIV.

    (20) Dit percentage is alleen van toepassing op het aandeel van de TAC dat moet worden gevangen in de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van Noorwegen binnen het referentiegebied. Het kan ook vangsten omvatten van Noorse in het voorjaar paaiende haring in de wateren van ICES-sector IV a) binnen 12 zeemijl buiten de Noorse basislijnen.

  • 2 De aan Noorwegen toegewezen communautaire vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92, en voor de eerste maal vóór 1 januari 1995.

  • 3 Het aan Noorwegen toe te wijzen aandeel voor de soorten waarvoor geen beperking van de bevissingsgraad onder de vorm van een vangstbeperking geldt, of waarvoor TAC's gelden zonder een verdeling van quota tussen de huidige Lid-Staten van de Unie, wordt als volgt forfaitair vastgesteld per soort en per gebied:

    Soort

    ICES-gebied

    Referentiezones

    Aandeel van Noorwegen

    %

    Zandspiering

    IV(1)

    34 000

    Blauwe leng

    IIa(1), IV(1), Vb(2), VI(1), VII(1)

    1 000

    Leng

    IIa(1), IV(1), Vb(2), VI(1), VII(1)

    13 400

    Lom

    IIa(1), IV, Vb(2), VI(1), VII(1)

    6 600

    Hondshaai

    IV(1), VI(1), VII(1)

    2 660

    Reuzenhaai

    IV(1), VI(1), VII(1)

    160

    Neushaai

    IV(1), VI(1), VII(1)

    200

    Noorse garnaal

    IV(1)

    100

    Gecombineerd quotum(3)

    Vb(2), VI(1), VII(1)

    2 000

    Andere soorten

    IIa(1), IV(1)

    7 460

    Zwarte heilbot

    IIa(1), VI(1)

    1 700

    Sprot

    IIa(1), IV(1)

    6 800

    Noorse kever

    IIa(1), IV(1)

    20 000

    Horsmakreel

    IIa(1), IV(1)

    5 000

    Blauwe wijting

    II(1), IV(1), Vb(1), VI(1), VII(1)

    186 700

    (1) Wateren van de huidige Gemeenschap.

    (2) Wateren van de Gemeenschap.

    (3) Beugvisserij op grenadiersvissen, Mora mora en kleine leng.

  • 4 Tot de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de visserijinspanningen van de vaartuigen van Noorwegen in de wateren van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling, wat betreft de niet-gereglementeerde en niet-toegewezen soorten, niet groter zijn dan het niveau dat onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag wordt bereikt.

Onderafdeling II. Vaartuigen van de huidige Unie [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 45 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Vanaf de datum van toetreding en tot de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, is het samenstel van bepalingen betreffende de uitoefening van de visserijactiviteiten van de vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat van de huidige Unie voeren, hierna „vaartuigen van de huidige Unie” te noemen, in de wateren benoorden 62° N die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen, identiek aan die welke onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.

De praktische regels betreffende de toepassing van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 46 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Vanaf de datum van toetreding en tot de datum van inwerkingtreding van de communautaire regeling inzake het visdocument, mogen de vaartuigen van de huidige Unie visserijactiviteiten uitoefenen in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen in de ICES-gebieden IIIa en IV onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.

De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden op 1 januari 1995 vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 47 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het aan de huidige Unie toe te wijzen aandeel in de communautaire vangstmogelijkheden in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen, in andere bestanden dan die welke momenteel gezamenlijk door de Unie en Noorwegen worden beheerd, en waarvoor vangstbeperkingen gelden, wordt als volgt vastgesteld per soort en per gebied:

    Soort

    ICES-gebied

    Referentiezones voor de vaststelling van de TAC's

    Aandeel van de huidige Unie

    (%)

    Kabeljauw

    I(2), II (2) (4)

    4,470(3) (7)

    Makreel

    IIa(1)

    11,457

    Schelvis

    I(2), II (2) (4)

    5,162(7)

    Koolvis

    I, II (4)

    4,232(7)

    Roodbaars

    I, I (4)

    7947(5) (6) (7)

    Zwarte heilbot

    I, II (4)

    2,585(5) (7)

    Noorse garnaal

    IV(1)

    20,000

    (1) Wateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen.

    (2) Behalve in de wateren binnen de 12-mijlszone berekend vanaf de Noorse basislijnen.

    (3) Uitgedrukt in een percentage van de TAC. Tot en met 31 december 1997 bedraagt het aandeel 2,9% van TAC plus het cohesie-kabeljauwquotum van 11.000 ton. Met ingang van 1 januari 1998 stemt het percentage van 1,57% van de TAC overeen met het aanvullende cohesie-kabeljauwquotum. Op het cohesie-kabeljauwquotum is een aanvullend bijvangstquotum van 10% uitgedrukt in kabeljauwequivalenten van toepassing. Wanneer de Unie de vaststelling van de TAC overneemt, zal het aandeel van de Unie in haar huidige samenstelling worden vastgesteld als een percentage van de quota die ter beschikking van de Unie staan, op basis van het jaar 1994.

    (4) Met uitzondering van de wateren van de huidige Gemeenschap.

    (5) Uitgedrukt in een percentage van de TAC voor dit bestand. Indien geen TAC is vastgesteld, moet worden uitgegaan van de door de ACFM aanbevolen TAC.

    (6) Bij deze toewijzing is geen rekening gehouden met de overdracht van de 1.500 ton van Noorwegen aan de Gemeenschap in haar huidige samenstelling ingevolge de regelingen van 1992.

    (7) Onverminderd de rechten en plichten van de Gemeenschap jegens andere Staten en uit hoofde van internationale overeenkomsten.

  • 2 De aan de huidige Unie toe te wijzen vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92, en voor de eerste maal vóór 31.12.1994.

  • 3 Het aan de huidige Unie toe te wijzen aandeel in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen, voor de soorten waarvoor geen beperking van de bevissingsgraad onder de vorm van een vangstbeperking geldt, wordt als volgt forfaitair vastgesteld per soort en per gebied:

    Soort

    ICES-gebied

    Referentiezones

    Aandeel van de huidige Unie

    (ton)

    Noorse kever

    IV(1)

    52 000

    Zandspiering

    IV(1)

    159 000

    Blauwe wijting

    IV(1)

    1000

    Andere soorten

    IV(1)

    7 950(2)

    Andere soorten

    I(1), IIab(1)

    520(3)

    Bijvangsten

    I(1), IIab(1)

    1 100(3)

    (1) Wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen.

    (2) Deze hoeveelheid kan in het licht van de ontwikkeling van de visserij worden aangepast samen met de aanpassingen voor de Noorse visserijmogelijkheden.

    (3) Als bijvangsten.

  • 4 Tot de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt mogen de visserijinspanningen van de vaartuigen van de huidige Gemeenschap, in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen, wat betreft de niet gereglementeerde en niet toegewezen soorten, niet groter zijn dan het niveau dat onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag is bereikt.

Onderafdeling III. Overige bepalingen [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 48 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Behalve andersluidende bepalingen in de onderhavige Akte, blijven de voorwaarden, met inbegrip van het geografische kader en de traditionele visserijpatronen, waaronder de toegewezen hoeveelheden, als bepaald in de artikelen 44 en 47, door Noorwegen mogen worden gevangen in de wateren van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en door de Gemeenschap in haar huidige samenstelling in de Noorse wateren, gelijk aan die welke onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag gelden.

  • 2 Deze voorwaarden worden jaarlijks, en voor de eerste keer vóór 1 januari 1995, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92 vastgesteld.

Artikel 49 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Tot en met 30 juni 1998 mag Noorwegen het niveau van de bevissingsgraden vaststellen onder de vorm van vangstbeperkingen voor de bestanden die zich uitsluitend in de wateren onder Noorse soevereiniteit of jurisdictie benoorden 62° N bevinden, met uitzondering van makreel.

De volledige integratie van het beheer van deze bestanden in het gemeenschappelijk visserijbeleid na die datum, wordt gebaseerd op de bestaande beheersregeling als weergegeven in de gemeenschappelijke verklaring betreffende het beheer van de visbestanden in de wateren benoorden 62° N.

Artikel 50 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Gedurende een periode van één jaar vanaf de datum van toetreding worden de technische maatregelen gehandhaafd die onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag gelden voor alle vaartuigen van de Unie in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen.

  • 2 Gedurende een periode van 3 jaar na de datum van toetreding mogen de bevoegde Noorse autoriteiten voor de wateren benoorden 62° N die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Noorwegen vallen, maatregelen nemen houdende een verbod op bepaalde vismethoden in biologisch kwetsbare zones, met het oog op het behoud van de bestanden; deze maatregelen zijn van toepassing op alle betrokken vaartuigen.

  • 3 Gedurende een periode van 3 jaar moeten, voor vaartuigen van de Unie die in de wateren onder de soevereinitieit of jurisdictie van Noorwegen vissen, alle vangsten aan boord worden gehouden in de Noorse wateren.

  • 4 Gedurende een periode van 3 jaar moeten, voor vaartuigen van de Unie die vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Noorwegen vallen, vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden en waarvoor het visseizoen is gesloten, aan boord worden gehouden in de Noorse wateren.

  • 5 Vóór het einde van de in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde overgangsperioden neemt de Raad overeenkomstig de procedure van artikel 4, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3760/92, een besluit over de technische maatregelen die voor alle vaartuigen van de Unie van toepassing zijn in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen, met het oog op de handhaving of de ontwikkeling van de bestaande maatregelen.

Artikel 51 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad, mag Noorwegen de nationale controlemaatregelen die onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing zijn, handhaven en toepassen op alle vaartuigen van de Unie:

  • - gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding in de wateren benoorden 62° N die onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallen;

  • - gedurende een periode van één jaar vanaf de datum van toetreding in de wateren bezuiden 62° N die onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallen.

Voor het einde van deze overgangsperiode neemt de Raad volgens de procedure van artikel 43 van het EG-Verdrag, een besluit over de technische maatregelen die voor alle communautaire vaartuigen van de Unie van toepassing zijn in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Noorwegen vallen, met het oog op de handhaving of de ontwikkeling van de bestaande maatregelen.

Afdeling III. Externe visbestanden [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 52 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Onmiddellijk bij de toetreding wordt het beheer van de visserijovereenkomsten tussen het Koninkrijk Noorwegen en derde landen door de Gemeenschap waargenomen.

    Tot en met 30 juni 1998 wordt het beheer van de Overeenkomst met Rusland van 15 oktober 1976 inzake wederzijdse visserijbetrekkingen evenwel waargenomen door het Koninkrijk Noorwegen in nauwe samenwerking met de Commissie.

  • 2 De rechten en plichten die voor het Koninkrijk Noorwegen voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde overeenkomsten blijven onverlet gedurende een periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.

  • 3 Zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten, stelt de Raad, in elk apart geval, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de passende besluiten vast voor de continuering van de mogelijkheden voor visvangst, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde van deze overeenkomsten met ten hoogste een jaar te verlengen.

  • 4 Indien Noorwegen aan bestaande overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen, met name Groenland, visserijmogelijkheden van vóór de datum van Toetreding heeft ontleend, blijven deze gehandhaafd op basis van de communautaire beginselen, met inbegrip van het beginsel van relatieve stabiliteit.

Afdeling IV. Regeling voor het handelsverkeer [Vervallen per 01-01-1995]

Artikel 53 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Gedurende een periode van 4 jaar te rekenen vanaf de datum van toetreding worden de verzendingen van zalm, haring, makreel, garnalen, Sint-Jacobsschelpen, langoestine, roodbaars en forel, uit Noorwegen naar de andere Lid-Staten onderworpen aan een systeem van toezicht op de handel.

  • 2 Dit door de Commissie beheerde systeem bevat indicatieve handelsplafonds die een onbelemmerde handel tot aan de plafonds mogelijk maken. Het zal worden gebaseerd op door het land van oorsprong afgegeven verzenddocumenten. Ingeval van overschrijding van de plafonds of van ernstige verstoringen van de markt neemt de Commissie in overeenstemming met gevestigde communautaire praktijken passende maatregelen. Dergelijke maatregelen mogen in geen geval strikter zijn dan die welke op invoer uit derde landen worden toegepast.

  • 3 De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, vóór 31 december 1994, de procedure voor de toepassing van dit artikel vast.

HOOFDSTUK 4. EXTERNE BETREKKINGEN MET INBEGRIP VAN DE DOUANE-UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 54 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De in bijlage VI bij deze Akte vermelde besluiten zijn ten aanzien van Noorwegen van toepassing onder de in die bijlage neergelegde voorwaarden.

Artikel 55 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het basisrecht dat zal worden gebruikt voor de geleidelijke aanpassing aan het gemeenschappelijk douanetarief als bedoeld in artikel 56, is voor elk produkt het door het Koninkrijk Noorwegen op 1 januari 1994 daadwerkelijk toegepaste recht.

Artikel 56 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het Koninkrijk Noorwegen mag gedurende drie jaar na de toetreding zijn douanetarief van toepassing op derde landen handhaven voor de in bijlage VII bedoelde produkten.

Gedurende dat tijdvak vermindert het Koninkrijk Noorwegen het verschil tussen zijn basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief volgens onderstaand tijdsschema:

  • - op 1 januari 1996 wordt elk verschil tussen het basisrecht en het recht van het GDT verminderd tot 75%,

  • - op 1 januari 1997 wordt elk verschil tussen het basisrecht en het recht van het GDT verminderd tot 40%.

Het Koninkrijk Noorwegen past het gemeenschappelijk douanetarief volledig toe vanaf 1 januari 1998.

Artikel 57 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Met ingang van 1 januari 1995 gaat het Koninkrijk Noorwegen over tot toepassing van:

    • a. de Regeling van 20 december 1973 betreffende de internationale handel in textiel, uitgebreid bij de Protocollen van 31 juli 1986, 31 juli 1991, 9 december 1992 en 9 december 1993 of de Overeenkomst inzake textiel en kledingstukken die voortvloeien uit de Uruguay-Ronde van de GATT-handelsbesprekingen, indien die Overeenkomst op de datum van toetreding van kracht is;

    • b. de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen die door de Gemeenschap met derde landen zijn gesloten.

  • 2 Over protocollen bij de bilaterale overeenkomsten en regelingen bedoeld in lid 1, wordt door de Gemeenschap met de betrokken derde landen onderhandeld om te voorzien in een passende aanpassing van de kwantitatieve beperkingen van de uitvoer van textiel- en kledingprodukten naar de Gemeenschap.

  • 3 Indien de in lid 2 bedoelde protocollen niet op 1 januari 1995 zijn gesloten, neemt de Gemeenschap maatregelen om aan deze situatie het hoofd te bieden; deze maatregelen behelzen de noodzakelijke overgangsaanpassingen om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten door de Gemeenschap ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 58 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het Koninkrijk Noorwegen mag tot en met 31 december 1999 een jaarlijks tariefcontingent tegen nulrecht voor styreen (GN-code 2902 50 00) van 21.000 ton openen, mits de betrokken goederen:

    • - in het vrije verkeer worden gebracht op het grondgebied van Noorwegen en aldaar worden verbruikt, of worden verwerkt waardoor zij aldaar de Gemeenschapsoorsprong verkrijgen,

    • - onder douanetoezicht blijven overeenkomstig de betreffende Gemeenschapsbepalingen inzake eindverbruik (Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, artikelen 21 en 82).

  • 2 Het bepaaalde in lid 1 is alleen van toepassing indien, ter staving van de invoeraangifte voor het vrije verkeer, een door de betrokken Noorse autoriteiten afgegeven vergunning wordt overgelegd waaruit blijkt dat de betrokken goederen aan het bepaalde in lid 1 voldoen.

  • 3 De Commissie en de bevoegde Noorse autoriteiten nemen alle noodzakelijke maatregelen om er voor te zorgen dat het eindverbruik van het betrokken produkt, of de verwerking waardoor het de Gemeenschapsoorsprong verkrijgt, plaatsvindt op het grondgebied van Noorwegen.

Artikel 59 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Met ingang van 1 januari 1995 past het Koninkrijk Noorwegen de bepalingen toe van de in artikel 60 bedoelde overeenkomsten.

  • 2 Eventuele aanpassingen zullen het onderwerp vormen van met de medeovereenkomstsluitende landen te sluiten protocollen die aan voornoemde overeenkomsten zullen worden gehecht.

  • 3 Indien de in lid 2 bedoelde protocollen op 1 januari 1995 niet zijn gesloten, neemt de Gemeenschap de noodzakelijke maatregelen om op het tijdstip van de toetreding het hoofd te bieden aan die situatie.

Artikel 60 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 59 is van toepassing op:

  • - de overeenkomsten met Andorra, Algerije, Bulgarije, de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek en haar opvolgerstaten (de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek), Cyprus, Egypte, Hongarije, IJsland, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Polen, Roemenië, Slovenië, Zwitserland, Syrië, Tunesië en Turkije, alsmede op andere overeenkomsten met derde landen die uitsluitend betrekking hebben op de handel in de produkten van bijlage II van het EG-Verdrag;

  • - de vierde ACS-EEG-Overeenkomst ondertekend op 15 december 1989;

  • - andere dergelijke overeenkomsten die nog voor de toetreding worden gesloten.

Artikel 61 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Met ingang van 1 januari 1995 trekt het Koninkrijk Noorwegen zich onder andere terug uit de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekend op 4 januari 1960 en uit de Vrijhandelsovereenkomsten die in 1992 met Estland, Letland en Litouwen werden ondertekend.

Artikel 62 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Indien de tussen de Gemeenschap en Estland, Letland en Litouwen te sluiten nieuwe handelsovereenkomsten op de datum van toetreding nog niet in werking zijn getreden, treft de Gemeenschap de maatregelen die nodig zijn om er voor te zorgen dat bij de toetreding het bestaande niveau van toegang van produkten uit die Baltische Staten tot de Noorse markt in stand blijft.

HOOFDSTUK 5. FINANCIËLE EN BUDGETTAIRE VOORZIENINGEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 63 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Elke verwijzing naar het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen geldt als een verwijzing naar het Besluit van de Raad van 24 juni 1998, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, of naar andere besluiten die dit besluit vervangen.

Artikel 64 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De „douanerechten ingevolge het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten” genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Gemeenschap, of de overeenkomstige bepalingen in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van Noorwegen met derde landen toepast

Artikel 65 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De ontvangsten afkomstig uit de BTW worden berekend en gecontroleerd alsof de investeringsbelasting niet werd toegepast. Te dien einde legt het Koninkrijk Noorwegen met ingang van de toetreding de procedures ten uitvoer die noodzakelijk zijn voor een exacte boekhouding van de jaarlijkse BTW-ontvangsten en van de jaarlijkse ontvangsten uit de investeringsbelasting.

Artikel 66 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan het Koninkrijk Noorwegen uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen een twaalfde van de volgende bedragen:

  • - 201 miljoen ecu in 1995,

  • - 128 miljoen ecu in 1996,

  • - 52 miljoen ecu in 1997,

  • - 26 miljoen ecu in 1998.

Artikel 67 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het aandeel van het Koninkrijk Noorwegen in de financiering van de betalingen die na haar toetreding nog moeten worden gedaan voor de verplichtingen aangegaan krachtens artikel 82 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 68 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het aandeel van het Koninkrijk Noorwegen in de financiering van het financieel mechanisme bedoeld in artikel 116 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

TITEL III. OVERGANGSMAATREGELEN BETREFFENDE OOSTENRIJK

HOOFDSTUK 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

Artikel 69

  • 1 Gedurende een tijdvak van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van toetreding, is het bepaalde in bijlage VIII, overeenkomstig die bijlage en onder de daarin gestelde voorwaarden, niet van toepassing op Oostenrijk.

  • 2 Het bepaalde in lid 1 zal binnen dat tijdvak worden herzien overeenkomstig de EG-procedures.

    Onverminderd de resultaten van die herziening is het acquis communautaire aan het einde van de in lid 1 bedoelde overgangsperiode op de nieuwe Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden als in de huidige Lid-Staten van toepassing.

HOOFDSTUK 2. VRIJ VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL

Artikel 70

Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag de Republiek Oostenrijk zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven.

TITEL 3. MEDEDINGINGSBELEID

Artikel 71

  • 1 Onverminderd de leden 2 en 3 van dit artikel past de Republiek Oostenrijk zijn monopolie voor bereide tabak van commerciële aard in de zin van artikel 37, lid 1, van het EG-Verdrag vanaf de datum van toetreding geleidelijk aan om te waarborgen dat er uiterlijk drie jaar na de datum van toetreding geen discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten meer bestaat wat betreft de voorwaarden waaronder goederen worden geleverd en op de markt worden gebracht.

  • 2 Voor de produkten op de lijst in bijlage IX wordt het exclusieve invoerrecht uiterlijk na drie jaar vanaf de datum van toetreding afgeschaft. Deze afschaffing geschiedt via het geleidelijk openen, vanaf de datum van toetreding, van contingenten voor de invoer van produkten uit de Lid-Staten. Aan het begin van elk van de drie bedoelde jaren opent de Republiek Oostenrijk een contingent dat is berekend op basis van de volgende percentages van het nationale verbruik: 15% voor het eerste jaar, 40% voor het tweede jaar en 70% voor het derde jaar. De volumes die overeenkomen met de percentages voor elk van deze drie jaren worden in de lijst in bijlage IX vermeld.

    De hiervoor bedoelde contingenten staan open voor alle ondernemers, zonder enige beperking, en voor in het kader van deze contingenten ingevoerde produkten mag in de Republiek Oostenrijk op groothandelsniveau geen exclusief recht voor het op de markt brengen gelden; in de detailhandel moeten in het kader van contingenten ingevoerde produkten op niet-discriminerende wijze ter verkoop aan de consument worden aangeboden.

  • 3 Uiterlijk één jaar na haar toetreding roept de Republiek Oostenrijk een onafhankelijke instantie in het leven die verantwoordelijk is voor het toekennen van detailhandelsvergunningen, in overeenstemming met het EG-Verdrag.

Artikel 72

De Republiek Oostenrijk mag ten aanzien van andere Lid-Staten tot 1 januari 1996 de douanerechten en stelsels van vergunningen handhaven zoals zij die op de datum van toetreding toepaste op gedistilleerde dranken en niet-gedenatureerde ethylalcohol met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80% vol van post 22.08 van het GS. Deze stelsels van vergunningen moeten op niet-discriminatoire wijze worden toegepast.

TITEL 4. EXTERNE BETREKKINGEN MET INBEGRIP VAN DE DOUANE-UNIE

Artikel 73

De in bijlage VI bij deze Akte vermelde besluiten zijn ten aanzien van Oostenrijk van toepassing onder de in die bijlage neergelegde voorwaarden.

Artikel 74

De Republiek Oostenrijk kan tot en met 31 december 1996 ten aanzien van de Republiek Hongarije, de Republiek Polen, de Slowaakse Republiek, de Tsjechische Republiek, Roemenië en Bulgarije de invoerbeperkingen handhaven die zij op het tijdstip van haar toetreding toepaste op bruinkool van GN-code 27 02 10 00.

De noodzakelijke aanpassingen van de met deze landen gesloten Europa-overeenkomsten en, zonodig, de Interimovereenkomsten worden aangebracht volgens artikel 76.

Artikel 75

  • 1 Met ingang van 1 januari 1995 gaat de Republiek Oostenrijk over tot toepassing van:

    • a. de Regeling van 20 december 1973 betreffende de internationale handel in textiel, uitgebreid bij de Protocollen van 31 juli 1986, 31 juli 1991, 9 december 1992 en 9 december 1993 of de Overeenkomst inzake textiel en kledingstukken die voortvloeien uit de Uruguay-Ronde van de GATT-handelsbesprekingen, indien die Overeenkomst op de datum van toetreding van kracht is;

    • b. de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen die door de Gemeenschap met derde landen zijn gesloten.

  • 2 Over protocollen bij de bilaterale overeenkomsten en regelingen bedoeld in lid 1, wordt door de Gemeenschap met de betrokken derde landen onderhandeld om te voorzien in een passende aanpassing van de kwantitatieve beperkingen van de uitvoer van textiel en kledingprodukten naar de Gemeenschap.

  • 3 Indien de in lid 2 bedoelde protocollen niet op 1 januari 1995 zijn gesloten, neemt de Gemeenschap maatregelen om aan deze situatie het hoofd te bieden; deze maatregelen behelzen de noodzakelijke overgangsaanpassingen om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten door de Gemeenschap ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 76

  • 1 Met ingang van 1 januari 1995 past de Republiek Oostenrijk de bepalingen toe van de in artikel 77 bedoelde overeenkomsten.

  • 2 Eventuele aanpassingen zullen het onderwerp vormen van met de medeovereenkomstsluitende landen te sluiten protocollen die aan voornoemde overeenkomsten zullen worden gehecht.

  • 3 Indien de in lid 2 bedoelde protocollen op 1 januari 1995 niet zijn gesloten, neemt de Gemeenschap de noodzakelijke maatregelen om op het tijdstip van de toetreding het hoofd te bieden aan die situatie.

Artikel 77 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 76 is van toepassing op:

  • - de overeenkomsten met Andorra, Algerije, Bulgarije, de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek en haar opvolgerstaten (de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek), Cyprus, Egypte, Hongarije, IJsland, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Polen, Roemenië, Slovenië, Zwitserland, Syrië, Tunesië en Turkije, alsmede op andere overeenkomsten met derde landen die uitsluitend betrekking hebben op de handel in de produkten van bijlage II van het EG-Verdrag;

  • - de vierde ACS-EEG-Overeenkomst ondertekend op 15 december 1989;

  • - andere dergelijke overeenkomsten die nog voor de toetreding worden gesloten.

Artikel 78

Met ingang van 1 januari 1995 trekt de Republiek Oostenrijk zich onder andere terug uit de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekend op 4 januari 1960.

TITEL 5. FINANCIËLE EN BUDGETTAIRE VOORZIENINGEN

Artikel 79

Elke verwijzing naar het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen geldt als een verwijzing naar het Besluit van de Raad van 24 juni 1988, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, of naar andere besluiten die dit besluit vervangen.

Artikel 80

De „douanerechten ingevolge het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten” genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Gemeenschap, of de overeenkomstige bepalingen in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van Oostenrijk met derde landen toepast.

Artikel 81

De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan de Republiek Oostenrijk uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen een twaalfde van de volgende bedragen:

  • - 583 miljoen ecu in 1995,

  • - 106 miljoen ecu in 1996,

  • - 71 miljoen ecu in 1997,

  • - 35 miljoen ecu in 1998.

Artikel 82

Het aandeel van de Republiek Oostenrijk in de financiering van de betalingen die na haar toetreding nog moeten worden gedaan voor de verplichtingen aangegaan krachtens artikel 82 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 83

Het aandeel van de Republiek Oostenrijk in de financiering van het financieel mechanisme bedoeld in artikel 116 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

TITEL IV. OVERGANGSMAATREGELEN BETREFFENDE FINLAND

HOOFDSTUK 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

Afdeling 1. Normen en milieu

Artikel 84

  • 1 Gedurende een tijdvak van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van toetreding, is het bepaalde in bijlage X, overeenkomstig die bijlage en onder de daarin gestelde voorwaarden, niet van toepassing op Finland.

  • 2 Het bepaalde in lid 1 zal binnen dat tijdvak worden herzien overeenkomstig de EG-procedures.

    Onverminderd de resultaten van die herziening is het acquis communautaire aan het einde van de in lid 1 bedoelde overgangsperiode op de nieuwe Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden als in de huidige Lid-Staten van toepassing.

Afdeling 2. Diversen

Artikel 85

De Republiek Finland mag gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding zijn huidig nationaal stelsel voor de indeling van onbewerkt hout blijven toepassen, voor zover zijn nationale wetgeving en zijn desbetreffende administratieve regelingen niet in strijd zijn met de communautaire wetgeving inzake de interne markt of de handel met derde landen, inzonderheid artikel 6 van Richtlijn 68/89/EEG betreffende de aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten ten aanzien van de indeling van onbewerkt hout.

Gedurende dezelfde periode zal Richtlijn 68/89/EEG overeenkomstig de procedures van het EG-Verdrag worden herzien.

HOOFDSTUK 2. VRIJ VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL

Artikel 86

In afwijking van artikel 73 B van het EG-Verdrag mag de Republiek Finland het bepaalde in Wet nr. 1612 van 30 december 1992 betreffende de verkrijging van Finse ondernemingen door buitenlanders tot en met 31 december 1995 toepassen.

Artikel 87

Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag de Republiek Finland zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven.

HOOFDSTUK 3. VISSERIJ

Afdeling I. Algemene bepalingen

Artikel 88

  • 1 Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, zijn de voorschriften van deze akte van toepassing op de sector visserij.

Afdeling II. Toegang tot de wateren en de visbestanden

Artikel 89

Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, blijft de in deze afdeling bedoelde toegangsregeling van toepassing gedurende een overgangsperiode waarvan het einde wordt bepaald door de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument wordt toegepast, welke datum in geen geval later mag zijn dan de datum waarop de in artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 bedoelde periode verstrijkt.

Onderafdeling I. Vaartuigen van Finland

Artikel 90

Met het oog op de integratie in de bij Verordening (EEG) nr. 3760/92 ingestelde communautaire visserij- en aquacultuurregeling, is de toegang tot de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten van de Unie in haar huidige samenstelling vallen voor vaartuigen die de vlag van Finland voeren en in een Finse haven zijn ingeschreven en/of geregistreerd, hierna „vaartuigen van Finland” te noemen, onderworpen aan de in deze onder-afdeling vastgestelde regeling.

Artikel 91

Vanaf de datum van toetreding tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Finland vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten van de Unie in haar huidige samenstelling vallen in ICES-sector IIId, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.

Artikel 92

De technische voorschriften die nodig zijn met het oog op de toepassing van artikel 91, worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 93

Vanaf de datum van toetreding tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Finland vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Zweden vallen, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.

De toepassingsvoorschriften van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 94

  • 1 Het aan Finland toe te kennen aandeel in de communautaire vangstmogelijkheden in bestanden waarvan de bevissingsgraad door een vangstbeperking is gereglementeerd, wordt als volgt vastgesteld per soort en per gebied:

    Soort

    ICES- of IBSFC-gebied

    Referentiezones voor de vaststelling van

    de TAC's

    Aandeel van

    Finland (%)

    Haring

    III b, c, d behalve „Management Unit 3” van de IBSFC

    11,840

    Haring

    „Management Unit 3” van de IBSFC

    81,986

    Sprot

    III b, c, d

    12,798

    Zalm

    III b, c, d behalve de Golf van Finland

    33,611

    Zalm

    Golf van Finland

    100,000

    Kabeljauw

    III b, c, d

    2,339(4)

    (1)Als omschreven in de IBSFC.

    (2) Wateren van de Gemeenschap.

    (3) Onderafdeling 32 van de IBSFC.

    (4) Dit percentage geldt voor de eerste 50.000 ton van de communautaire vangstmogelijkheden. Voor de communautaire vangstmogelijkheden boven 50.000 ton, bedraagt het Finse aandeel 2,161%.

  • 2 De aan Finland toe te wijzen aandelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92, en voor de eerste maal vóór 31.12.1994.

  • 3 Tot de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, en uiterlijk tot 31 december 1997, mogen de visserijinspanningen van de vaartuigen van Finland wat betreft de niet gereglementeerde en niet toegewezen soorten die onder artikel 91 vallen, niet groter zijn dan het niveau dat onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag wordt bereikt.

Onderafdeling II. Vaartuigen van de huidige Unie

Artikel 95

Vanaf de datum van toetreding en tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat van de huidige Unie voeren in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Finland vallen, visserijactiviteiten uitoefenen onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.

De praktische regels betreffende de toepassing van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Afdeling III. Externe visbestanden

Artikel 96

  • 1 Onmiddellijk bij de toetreding wordt het beheer van de visserijovereenkomsten tussen de Republiek Finland en derde landen door de Gemeenschap waargenomen.

  • 2 De rechten en plichten die voor de Republiek Finland voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde overeenkomsten blijven onverlet gedurende een periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.

  • 3 Zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten, stelt de Raad, in elk apart geval, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de passende besluiten vast voor het voortduren van de daaruit voortvloeiende visserijactiviteiten, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde van deze overeenkomsten met ten hoogste een jaar te verlengen.

HOOFDSTUK 4. EXTERNE BETREKKINGEN MET INBEGRIP VAN DE DOUANE-UNIE

Artikel 97

De in bijlage VI bij deze Akte vermelde besluiten zijn ten aanzien van Finland van toepassing onder de in die bijlage neergelegde voorwaarden.

Artikel 98

Het basisrecht dat wordt gebruikt voor de geleidelijke aanpassing aan het gemeenschappelijk douanetarief overeenkomstig artikel 99 is voor elk produkt het recht dat door de Republiek Finland op 1 januari 1994 daadwerkelijk werd toegepast.

Artikel 99

De Republiek Finland mag gedurende drie jaar vanaf de toetreding voor de in bijlage XI genoemde produkten zijn douanetarief ten aanzien van derde landen handhaven.

Gedurende deze periode vermindert de Republiek Finland het verschil tussen zijn basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief volgens het volgende tijdschema:

  • - op 1 januari 1996 wordt elk verschil tussen het basisrecht en het GDT-recht verminderd tot 75%;

  • - op 1 januari 1997 wordt elk verschil tussen het basisrecht en het GDT-recht verminderd tot 40%;

De Republiek Finland past het gemeenschappelijk douanetarief vanaf 1 januari 1998 volledig toe.

Artikel 100

  • 1 Met ingang van 1 januari 1995 gaat de Republiek Finland over tot toepassing van:

    • a. de Regeling van 20 december 1973 betreffende de internationale handel in textiel, uitgebreid bij de Protocollen van 31 juli 1986, 31 juli 1991, 9 december 1992 en 9 december 1993 of de Overeenkomst inzake textiel en kledingstukken die voortvloeien uit de Uruguay-Ronde van de GATT-handelsbesprekingen, indien die overeenkomst op de datum van toetreding van kracht is.

    • b. de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen die door de Gemeenschap met derde landen zijn gesloten.

  • 2 Over protocollen bij de bilaterale overeenkomsten en regelingen bedoeld in lid 1, wordt door de Gemeenschap met de betrokken derde landen onderhandeld om te voorzien in een passende aanpassing van de kwantitatieve beperkingen van de uitvoer van textiel- en kledingprodukten naar de Gemeenschap.

  • 3 Indien de in lid 2 bedoelde protocollen niet op 1 januari 1995 zijn gesloten, neemt de Gemeenschap maatregelen om aan deze situatie het hoofd te bieden; deze maatregelen behelzen de noodzakelijke overgangsaanpassingen om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten door de Gemeenschap ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 101

  • 1 De Republiek Finland mag tot en met 31 december 1999 een jaarlijks tariefcontingent tegen nulrecht voor styreen (GN-code 2902 50 00) van 21.000 ton openen, mits de betrokken goederen:

    • - in het vrije verkeer worden gebracht op het grondgebied van Finland en aldaar worden verbruikt, of worden verwerkt waardoor zij aldaar de Gemeenschapsoorsprong verkrijgen,

    • - onder douanetoezicht blijven overeenkomstig de betreffende Gemeenschapsbepalingen inzake eindverbruik (Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, artikelen 21 en 82).

  • 2 Het bepaalde in lid 1 is alleen van toepassing indien, ter staving van de invoeraangifte voor het vrije verkeer, een door de betrokken Finse autoriteiten afgegeven vergunning wordt overgelegd waaruit blijkt dat de betrokken goederen aan het bepaalde in lid 1 voldoen.

  • 3 De Commissie en de bevoegde Finse autoriteiten nemen alle noodzakelijke maatregelen om er voor te zorgen dat het eindverbruik van het betrokken produkt, of de verwerking waardoor het de Gemeenschapsoorsprong verkrijgt, plaatsvindt op het grondgebied van Finland.

Artikel 102

  • 1 Met ingang van 1 januari 1995 past de Republiek Finland de bepalingen toe van de in artikel 103 bedoelde overeenkomsten.

  • 2 Eventuele aanpassingen zullen het onderwerp vormen van met de medeovereenkomstsluitende landen te sluiten protocollen die aan voornoemde overeenkomsten zullen worden gehecht.

  • 3 Indien de in lid 2 bedoelde protocollen op 1 januari 1995 niet zijn gesloten, neemt de Gemeenschap de noodzakelijke maatregelen om op het tijdstip van de toetreding het hoofd te bieden aan die situatie.

Artikel 103 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 102 is van toepassing op:

  • - de overeenkomsten met Andorra, Algerije, Bulgarije, de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek en haar opvolgerstaten (de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek), Cyprus, Egypte, Hongarije, IJsland, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Polen, Roemenië, Slovenië, Zwitserland, Syrië, Tunesië en Turkije, alsmede op andere overeenkomsten met derde landen die uitsluitend betrekking hebben op de handel in de produkten van bijlage II van het EG-Verdrag;

  • - de vierde ACS-EEG-Overeenkomst ondertekend op 15 december 1989;

  • - andere dergelijke overeenkomsten die nog voor de toetreding worden gesloten.

Artikel 104

Met ingang van 1 januari 1995 trekt de Republiek Finland zich onder andere terug uit de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekend op 4 januari 1960 en uit de Vrijhandelsovereenkomsten die in 1992 met Estland, Letland en Litouwen werden ondertekend.

Artikel 105

Indien de tussen de Gemeenschap en Estland, Letland en Litouwen gesloten nieuwe handelsovereenkomsten op de datum van toetreding nog niet in inwerking zijn getreden, treft de Gemeenschap de maatregelen die nodig zijn om er voor te zorgen dat bij de toetreding het bestaande niveau van toegang van produkten uit die Baltische Staten tot de Finse markt in stand blijft.

TITEL 5. Financiële en budgettaire voorzieningen

Artikel 106

Elke verwijzing naar het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen geldt als een verwijzing naar het Besluit van de Raad van 24 juni 1988, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, of naar andere besluiten die dit besluit vervangen.

Artikel 107

De „douanerechten ingevolge het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten” genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Gemeenschap, of de overeenkomstige bepalingen in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van Finland met derde landen toepast.

Artikel 108

De eigen ontvangsteen afkomstig uit de BTW worden berekend en gecontroleerd alsof de Åland-eilanden onder het territoriale toepassingsgebied vielen van de Zesde Richtlijn van de Raad (77/388/EEG) van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

Artikel 109

De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan de Republiek Finland uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen een twaalfde van de volgende bedragen:

  • - 476 miljoen ecu in 1995,

  • - 163 miljoen ecu in 1996,

  • - 65 miljoen ecu in 1997,

  • - 33 miljoen ecu in 1998.

Artikel 110

Het aandeel van de Republiek Finland in de financiering van de betalingen die na haar toetreding nog moeten worden gedaan voor de verplichtingen aangegaan krachtens artikel 82 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 111

Het aandeel van de Republiek Finland in de financiering van het financieel mechanisme bedoeld in artikel 116 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

TITEL V. OVERGANGSMAATREGELEN BETREFFENDE ZWEDEN

HOOFDSTUK 1. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN

Afdeling 1. Normen en milieu

Artikel 112

  • 1 Gedurende een tijdvak van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van toetreding, is het bepaalde in bijlage XII, overeenkomstig die bijlage en onder de daarin gestelde voorwaarden, niet van toepassing op Zweden.

  • 2 Het bepaalde in lid 1 zal binnen dat tijdvak worden herzien overeenkomstig de EG-procedures.

    Onverminderd de resultaten van die herziening is het acquis communautaire aan het einde van de in lid 1 bedoelde overgangsperiode op de nieuwe Lid-Staten onder dezelfde voorwaarden als in de huidige Lid-Staten van toepassing.

Afdeling 2. Diversen

Artikel 113

Het Koninkrijk Zweden mag gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van toetreding zijn huidig nationaal stelsel voor de indeling van onbewerkt hout blijven toepassen, voor zover zijn nationale wetgeving en zijn desbetreffende administratieve regelingen niet in strijd zijn met de communautaire wetgeving inzake de interne markt of de handel met derde landen, inzonderheid artikel 6 van Richtlijn 68/89/EEG betreffende de aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten ten aanzien van de indeling van onbewerkt hout.

Gedurende dezelfde periode zal Richtlijn 68/89/EEG overeenkomstig de procedures van het EG-Verdrag worden herzien.

HOOFDSTUK 2. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN, DIENSTEN EN KAPITAAL

Artikel 114

Onverminderd de verplichting op grond van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, mag het Koninkrijk Zweden zijn bestaande wetgeving inzake tweede woningen gedurende vijf jaar na de toetreding handhaven.

HOOFDSTUK 3. VISSERIJ

Afdeling I. Algemene bepalingen

Artikel 115

  • 1 Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, zijn de voorschriften van deze akte van toepassing op de sector visserij.

Afdeling II. Toegang tot de wateren en de visbestanden

Artikel 116

Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk, blijft de in deze afdeling bedoelde toegangsregeling van toepassing gedurende een overgangsperiode waarvan het einde wordt bepaald door de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument wordt toegepast, welke datum in geen geval later mag zijn dan de datum waarop de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3760/92 van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur bedoelde periode verstrijkt.

Onderafdeling I. Vaartuigen van Zweden

Artikel 117

Met het oog op de integratie in de bij Verordening (EEG) nr. 3760/92 ingestelde communautaire visserij- en aquacultuurregeling, is de toegang tot de onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten van de Unie in haar huidige samenstelling vallende wateren voor vaartuigen die de vlag van Zweden voeren en in een Zweedse haven zijn ingeschreven of geregistreerd, hierna „vaartuigen van Zweden” te noemen, onderworpen aan de in deze onderafdeling vastgestelde regeling.

Artikel 118

Vanaf de datum van toetreding tot en met de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Zweden vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de huidige Unie vallen in de ICES-sectoren III en IV, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren en zijn vervat in de betreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 3682/93.

Artikel 119

De technische voorschriften die nodig zijn met het oog op de toepassing van artikel 118, worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 120 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Vanaf de datum van toetreding tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van Zweden vissen in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Noorwegen en Finland vallen in de ICES-sectoren III en IV, zulks onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren.

De toepassingsvoorschriften van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Artikel 121 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het aan Zweden toe te kennen aandeel in de communautaire vismogelijkheden waarvan de bevissingsgraad door een vangstbeperking is gereglementeerd, wordt als volgt vastgesteld per soort en per gebied:

    Soort

    ICES- of IBSFC-gebied2)

    Referentiezones voor de vaststelling van

    de TAC's

    Aandeel van

    Zweden (%)

    Haring

    IIIa

    43,944

    Haring

    III a b c d(1) behalve „Management Unit 3” van de IBSFC(2)

    46,044

    Haring

    „Management Unit 3” van de IBSFC

    18,014

    Haring(3)

    IIa(4), IV, VII d

    1,010

    Sprot

    III a

    25,407

    Sprot

    III b c d(1)

    47,264

    Zalm

    III b c d(1) behalve de Finse Golf(5)

    36,435

    Kabeljauw

    III a Skagerrak(6)

    14,006

    Kabeljauw

    III a Kattegat(7)

    37,027

    Kabeljauw

    III b c d(1)

    35,037(8)

    Kabeljauw

    IIa(4), IV

    0,127

    Schelvis

    III a, III b c d(1)

    9,527

    Schelvis

    IIa(4), IV

    0,443

    Koolvis

    IIa(4), III(1), IV

    0,642

    Wijting

    III a

    9,471

    Wijting

    IIa(4), IV

    0,016

    Heek

    III(1)

    7,401

    Makreel

    II a(4), III(1), IV

    6,632

    Schol

    III a Skagerrak

    4,171

    Schol

    III a Kattegat

    10,000

    Schol

    III b c d(1)

    6,356

    Tong

    III a, III b c d(1)

    3,099

    Noorse garnaal

    III a

    18,690

    Langoestine

    III a(9), III b c d(1)

    25,856

    (1) Wateren van de Gemeenschap.

    (2) IBSFC: Internationale Commissie voor de Visserij in de Oostzee.

    (3) Met uitzondering van in de lente paaiende Noorse haring.

    (4) Wateren van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling.

    (5) Onderafdeling 32 van de IBSFC.

    (6) Behalve de wateren binnen de Noorse basislijnen.

    (7) Omschreven als het gedeelte van IIIa dat niet valt onder de in artikel 41 gegeven omschrijving van IIIa (Skagerrak).

    (8) Dit percentage geldt voor de eerste 50.000 ton van de communautaire vangstmogelijkheden.

    Voor de communautaire vangstmogelijkheden die de 50.000 ton overschrijden, bedraagt het Zweedse aandeel 40,000%. Deze toegewezen hoeveelheden houden geen rekening met de voortdurende overdracht van quota tussen Zweden en de huidige Lid-Staten van de Unie, die voortvloeien uit de EER-Overeenkomst van 1992.

    (9) Behalve de wateren binnen de 4-mijlszone berekend vanaf de Noorse basislijnen.

  • 2 De aan Zweden toe te wijzen aandelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92, en voor de eerste maal vóór 31.12.1994.

  • 3 Het aan Zweden toe te wijzen aandeel voor soorten waarvoor geen beperking van de bevissingsgraad onder de vorm van een vangstbeperking geldt, of waarvoor TAC's gelden zonder een verdeling van quota tussen de Lid-Staten van de huidige Unie, wordt als volgt forfaitair vastgesteld per soort en per gebied:

    Soort

    ICES-gebied

    Referentiezones voor de vaststelling van

    de TAC's

    Aandeel van

    Zweden (t)

    Sprot

    IIa(1), IV(1)

    1 330

    Overige soorten(2)

    IIa(1), IV(1)

    1 000

    (1) Wateren van de Gemeenschap.

    (2) Bijvangsten van andere soorten dan die waarvoor aan Zweden een specifiek quotum of een forfaitaire hoeveelheid is toegewezen.

    (3) Met inbegrip van zand-aal.

  • 4 Tot de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, en uiterlijk tot en met 31 december 1997, mogen de visserij-inspanningen van de vaartuigen van Zweden in de wateren van de Gemeenschap wat betreft de niet gereglementeerde en niet toegewezen soorten die onder artikel 117 vallen, niet groter zijn dan het niveau dat onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag wordt bereikt.

Artikel 122

  • 1 Behalve andersluidende bepalingen in de onderhavige Akte blijven de voorwaarden waaronder de toegewezen hoeveelheden, als bepaald in artikel 121, mogen worden gevangen gelijk aan die welke onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag gelden.

  • 2 Deze voorwaarden worden voor de eerste keer vóór 1 januari 1995, overeenkomstig de procedure van artikel 8, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3760/92 vastgesteld.

Onderafdeling II. Vaartuigen van de huidige Unie

Artikel 123

Vanaf de datum van toetreding en tot de datum waarop de communautaire regeling inzake het visdocument van toepassing wordt, mogen de vaartuigen van de huidige Unie visserij-activiteiten uitoefenen in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Zweden vallen in de ICES-gebieden III a, b en d onder voorwaarden die identiek zijn aan die welke onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag van toepassing waren en waarin wordt voorzien door de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 3683/933.

De voorschriften voor de toepassing van dit artikel worden vóór 1 januari 1995 vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92.

Afdeling III. Externe visbestanden

Artikel 124

  • 1 Onmiddellijk bij de toetreding wordt het beheer van de visserijovereenkomsten tussen het Koninkrijk Zweden en derde landen door de Gemeenschap waargenomen.

  • 2 De rechten en plichten die voor het Koninkrijk Zweden voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde overeenkomsten blijven onverlet gedurende een periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.

  • 3 Zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten stelt de Raad, in elk apart geval, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de passende besluiten vast voor het voortduren van de daaruit voortvloeiende visserij-activiteiten, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde van deze overeenkomsten met ten hoogste een jaar te verlengen.

Artikel 125

Gedurende een periode van ten hoogste drie jaar vanaf de datum van toetreding stelt de Raad jaarlijks met een gekwalificeerde meerderheid en op voorstel van de Commissie het bedrag vast van de financiële bijdrage van de Unie tot het uitzetten van jonge zalm door de bevoegde Zweedse autoriteiten.

Deze financiële compensatie zal worden beoordeeld in het licht van de evenwichten die onmiddellijk voor de toetreding bestaan.

HOOFDSTUK 4. EXTERNE BETREKKINGEN MET INBEGRIP VAN DE DOUANE-UNIE

Artikel 126

De in bijlage VI bij deze Akte vermelde besluiten zijn ten aanzien van Zweden van toepassing onder de in die bijlage neergelegde voorwaarden.

Artikel 127

  • 1 Met ingang van 1 januari 1995 gaat het Koninkrijk Zweden over tot toepassing van:

    • a. de Regeling van 20 december 1973 betreffende de internationale handel in textiel, uitgebreid bij de Protocollen van 31 juli 1986, 31 juli 1991, 9 december 1992 en 9 december 1993 of de Overeenkomst inzake textiel- en kledingstukken die voortvloeien uit de Uruguay-Ronde van de GATT-handelsbesprekingen, indien die overeenkomst op de datum van toetreding van kracht is;

    • b. de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen die door de Gemeenschap met derde landen zijn gesloten.

  • 2 Over protocollen bij de bilaterale overeenkomsten en regelingen bedoeld in lid 1, wordt door de Gemeenschap na ondertekening van deze Akte met derde landen onderhandeld om te voorzien in een passende aanpassing van de kwantitatieve beperkingen van de invoer van textiel- en kledingprodukten in de Gemeenschap op een dusdanige wijze dat rekening wordt gehouden met de handelspatronen die bestaan tussen Zweden en zijn toeleverende landen.

  • 3 Indien de in lid 2 bedoelde protocollen niet op 1 januari 1995 zijn gesloten, neemt de Gemeenschap maatregelen om aan deze situatie het hoofd te bieden; deze maatregelen behelzen de noodzakelijke overgangsaanpassingen om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten door de Gemeenschap ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 128

  • 1 Met ingang van 1 januari 1995 past het Koninkrijk Zweden de bepalingen toe van de in artikel 129 bedoelde overeenkomsten.

  • 2 Eventuele aanpassingen zullen het onderwerp vormen van met de medeovereenkomstsluitende landen te sluiten protocollen die aan voornoemde overeenkomsten zullen worden gehecht.

  • 3 Indien de in lid 2 bedoelde protocollen op 1 januari 1995 niet zijn gesloten, neemt de Gemeenschap de noodzakelijke maatregelen om op het tijdstip van de toetreding het hoofd te bieden aan die situatie.

Artikel 129

Artikel 128 is van toepassing op:

  • - de overeenkomsten met Andorra, Algerije, Bulgarije, de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federale Republiek en haar opvolgerstaten (de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek). Cyprus, Egypte, Hongarije, IJsland, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Noorwegen, Polen, Roemenië, Slovenië, Zwitserland, Syrië, Tunesië en Turkije, alsmede op andere overeenkomsten met derde landen die uitsluitend betrekking hebben op de handel in de produkten van bijlage ll van het EG-Verdrag;

  • - de vierde ACS-EEG-Overeenkomst ondertekend op 15 december 1989;

  • - andere dergelijke overeenkomsten die nog voor de toetreding worden gesloten.

Artikel 130

Met ingang van 1 januari 1995 trekt het Koninkrijk Zweden zich onder andere terug uit de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Vrijhandelsassociatie, ondertekend op 4 januari 1960 en uit de Vrijhandelsovereenkomsten die in 1992 met Estland, Letland en Litouwen werden ondertekend.

Artikel 131

Indien de tussen de Gemeenschap en Estland, Letland en Litouwen te sluiten nieuwe handelsovereenkomsten op de datum van toetreding nog niet in werking zijn getreden, treft de Gemeenschap de maatregelen die nodig zijn om er voor te zorgen dat bij de toetreding het bestaande niveau van toegang van produkten uit die Baltische Staten tot de Zweedse markt in stand blijft.

HOOFDSTUK 5. FINANCIËLE EN BUDGETTAIRE VOORZIENINGEN

Artikel 132

Elke verwijzing naar het besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen geldt als een verwijzing naar het Besluit van de Raad van 24 juni 1988, zoals tussentijds gewijzigd, of naar andere besluiten die dit besluit vervangen.

Artikel 133

De „douanerechten ingevolge het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten” genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b) van het Besluit van de Raad betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Gemeenschap, of de overeenkomstige bepalingen in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van Zweden met derde landen toepast.

Artikel 134

De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan het Koninkrijk Zweden uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen een twaalfde van de volgende bedragen:

  • - 488 miljoen ecu in 1995,

  • - 432 miljoen ecu in 1996,

  • - 76 miljoen ecu in 1997,

  • - 31 miljoen ecu in 1998.

Artikel 135

Het aandeel van het Koninkrijk Zweden in de financiering van de betalingen die na haar toetreding nog moeten worden gedaan voor de verplichtingen aangegaan krachtens artikel 82 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 136

Het aandeel van het Koninkrijk Zweden in de financiering van het financieel mechanisme bedoeld in artikel 116 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, komt ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

TITEL VI. LANDBOUW

Artikel 137

  • 1 Deze Titel heeft betrekking op landbouwprodukten met uitzondering van de produkten die vallen onder Verordening (EEG) nr. 3759/92 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten.

  • 2 Behoudens andersluidende bepalingen in deze Akte:

    • - is het handelsverkeer van de nieuwe Lid-Staten onderling, met derde landen of met de huidige Lid-Staten onderworpen aan de regeling die van toepassing is in de laatstgenoemde Lid-Staten. De regeling die van toepassing is in de Gemeenschap in haar huidige samenstelling op het gebied van invoerrechten en heffingen van gelijke werking, kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking, is van toepassing op de nieuwe Lid-Staten;

    • - de rechten en plichten voortvloeiende uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn volledig van toepassing in de nieuwe Lid-Staten.

  • 3 Behoudens bijzondere bepalingen van deze titel inzake afwijkende data of termijnen, verstrijkt de toepassing van de overgangsmaatregelen voor de in lid 1 bedoelde landbouwprodukten aan het einde van het vijfde jaar volgend op de toetreding van Oostenrijk en Finland. Bij de vaststelling van deze maatregelen wordt niettemin voor elk produkt rekening gehouden met de totale produktie van 1999.

HOOFDSTUK I. BEPALINGEN BETREFFENDE NATIONALE STEUNMAATREGELEN

Artikel 138

  • 1 Gedurende de overgangsperiode mogen Oostenrijk en Finland, onder voorbehoud van machtiging van de Commissie, in een passende vorm tijdelijke en degressieve nationale steun verlenen aan de producenten van landbouwgrondstoffen die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen.

    Deze steun mag worden gedifferentieerd, met name per regio.

  • 2 De Commissie verleent machtiging voor de in lid 1 bedoelde steun:

    • - wanneer de door een nieuwe Lid-Staat verstrekte gegevens aantonen dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen het niveau van de steun die vóór de toetreding per produkt aan zijn producenten werd verleend en de steun die krachtens het gemeenschappelijk landbouwbeleid kan worden verleend;

    • - binnen de grenzen van een aanvankelijk bedrag dat ten hoogste gelijk is aan het verschil.

    Aanvankelijke verschillen van minder dan 10% worden niet beschouwd als aanzienlijk.

    De machtigingen van de Commissie:

    • - worden evenwel toegekend overeenkomstig de internationale verbintenissen van de verruimde Gemeenschap;

    • - houden, wat varkensvlees, eieren en pluimvee betreft, rekening met de prijsaanpassing van voeders;

    • - worden evenwel niet verleend voor tabak.

  • 3 Het in lid 2 bedoelde steunbedrag wordt berekend per landbouwgrondstof. Bij deze berekening wordt met name rekening gehouden met prijsondersteuningsmaatregelen van interventiemechanismen of andere mechanismen, de toekenning van steun gelieerd aan de oppervlakte, de prijzen, de geproduceerde hoeveelheid of de produktie-eenheid en de toekenning van steun aan bedrijven voor specifieke produkten.

  • 4 De machtiging van de Commissie:

    • bevat voorschriften inzake het maximale aanvangsniveau van de steun, het tempo waarin deze steun wordt verlaagd en, in voorkomend geval, de voorwaarden waaronder deze steun wordt verleend, waarbij mede rekening wordt gehouden met andere steunmaatregelen die voortvloeien uit de communautaire wetgeving en die niet in het onderhavige artikel zijn vermeld;

    • wordt verleend onder voorbehoud van de aanpassingen die nodig zouden kunnen zijn:

      • - in verband met ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

      • - in verband met de ontwikkeling van het prijspeil in de Gemeenschap.

    Indien deze aanpassingen noodzakelijk blijken, word het bedrag van de steun of de voorwaarden waaronder steun word verleend op verzoek van de Commissie of op grond van een besluit van deze Instelling, gewijzigd.

  • 5 Onverminderd het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 verleent de Commissie krachtens lid 1 in het bijzonder machtiging voor de in bijlage XIII bedoelde nationale steun, zulks binnen de grenzen en onder de voorwaarden als neergelegd in die bijlage.

Artikel 139

  • 1 De Commissie machtigt Oostenrijk en Finland tot de handhaving van steunmaatregelen die geen verband houden met een bijzondere produktie en die derhalve niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van het steunbedrag krachtens artikel 138, lid 3. Uit dien hoofde zijn met name steunmaatregelen voor bedrijven toegestaan.

  • 2 De in lid 1 bedoelde steunmaatregelen zijn onderworpen aan het bepaalde in artikel 138, lid 4.

    Steunmaatregelen van dezelfde aard die voortvloeien uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid of verenigbaar zijn met de communautaire wetgeving, worden daarop in mindering gebracht.

  • 3 Steunmaatregelen waarvoor op grond van dit artikel machtiging is verleend, worden uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode afgeschaft.

  • 4 Investeringssteun valt niet onder lid 1.

Artikel 140

De Commissie machtigt Oostenrijk en Finland om de in bijlage XIV bedoelde nationale overgangssteun te verlenen binnen de grenzen en onder de voorwaarden neergelegd in die bijlage. In haar machtiging bepaalt de Commissie het aanvangsniveau van de steun, voor zover dat niet reeds voortvloeit uit de bepalingen van die bijlage, alsmede het tempo waarin de steun wordt verlaagd.

Artikel 141

Indien ten gevolge van de toetreding ernstige moeilijkheden blijven bestaan ook nadat het bepaalde in de artikelen 138, 139, 140 en 142 en in de andere maatregelen voortvloeiende uit de Gemeenschap bestaande voorschriften volledig zijn toegepast, kan de Commissie Finland machtiging verlenen om nationale steun aan producenten toe te kennen ten einde hun volledige integratie in het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vergemakkelijken.

Artikel 142

  • 1 De Commissie machtigt Finland en Zweden om nationale steun op lange termijn te verlenen met het oog op de handhaving van de landbouwactiviteiten in specifieke gebieden. Deze gebieden omvatten de landbouwarealen benoorden de 62 °N en bepaalde aangrenzende gebieden ten zuiden van deze breedtegraad die te kampen hebben met vergelijkbare klimatologische omstandigheden die de landbouwactiviteit bijzonder moeilijk maken.

  • 2 De in lid 1 bedoelde gebieden worden door de Commissie vastgesteld, waarbij zij met name rekening houdt met:

    • - de geringe bevolkingsdichtheid;

    • - het aandeel van de landbouwoppervlakte in de totale oppervlakte;

    • - het aandeel van de landbouwoppervlakte waarop akkerbouwgewassen voor menselijke voeding worden gekweekt in de gebruikte landbouwoppervlakte.

  • 3 De in lid 1 bedoelde steun kan worden gerelateerd aan fysieke produktiefactoren, zoals de oppervlakte landbouwgrond of het aantal dieren, rekening houdend met de in de gemeenschappelijke marktordeningen neergelegde beperkingen, alsmede met de historische produktiepatronen van elk bedrijf, maar mogen niet:

    • - gekoppeld zijn aan de toekomstige produktie,

    • - of leiden tot een verhoging van de produktie of van het algemene steunniveau, geconstateerd tijdens een door de Commissie vast te stellen referentieperiode die vóór de toetreding is gelegen.

    De steun kan per gebied worden gedifferentieerd.

    De steun kan met name worden verleend om:

    • - traditionele grondstoffenproduktie en verwerkingsactiviteiten die passen bij de klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden, in stand te houden;

    • - de produktie-, afzet- en verwerkingsstructuren van de landbouwprodukten te verbeteren;

    • - de afzet van die produkten te vergemakkelijken;

    • - het milieu te beschermen en de natuurlijke omgeving in stand te houden.

Artikel 143

  • 1 Van de in de artikelen 138 tot en met 142 bedoelde steun alsmede van elke andere nationale steun waarvoor in het kader van deze akte machtiging van de Commissie is vereist, wordt kennis gegeven aan deze Instelling. Steun kan niet worden verleend zolang deze machtiging niet is verleend.

    Door de nieuwe Lid-Staten voor de toetreding gedane mededelingen van bestaande of overwogen steunmaatregelen worden beschouwd als kennisgevingen die op de dag van toetreding zijn gedaan.

  • 2 Wat de in artikel 142 bedoelde steun betreft, dient de Commissie bij de Raad één jaar na de toetreding en vervolgens om de vijfjaar een verslag in over:

    • de verleende machtigingen;

    • de resultaten van de steun waarvoor deze machtigingen zijn verleend.

    Met het oog op de opstelling van dit verslag verschaffen de Lid-Staten waarvoor de machtigingen zijn bestemd, de Commissie tijdig gegevens over de gevolgen van de verleende steun, waarbij zij een beeld verstrekken van de ontwikkeling die in de landbouweconomie van de betrokken gebieden is geconstateerd.

Artikel 144

Wat de in de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag bedoelde steunmaatregelen betreft:

  • a. worden van de voor de toetreding in de nieuwe Lid-Staten toepasselijke steunmaatregelen alleen die maatregelen die vóór 30 april 1995 aan de Commissie mede zijn gedeeld, beschouwd als „bestaande” steunmaatregelen in de zin van artikel 93, lid 1, van het EG-Verdrag;

  • b. worden bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen, welke vóór de toetreding ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op de datum van toetreding kennis is gegeven.

HOOFDSTUK II. ANDERE BEPALINGEN

Artikel 145

  • 1 Alle openbare voorraden die op 1 januari 1995 door de nieuwe Lid-Staten worden aangehouden ingevolge hun marktondersteuningsbeleid, worden door de Gemeenschap overgenomen tegen de waarde voortvloeiend uit de toepassing van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 1883/78 betreffende de algemene regels voor de financiering van de interventies door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie.

  • 2 Alle voorraden produkten die zich op 1 januari 1995 op het grondgebied van de nieuwe Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden en die de normaal geachte overdrachtshoeveelheid overschrijden, moeten door deze Lid-Staten te hunnen laste worden afgebouwd in het kader van nader te omschrijven communautaire procedures en binnen termijnen die moeten worden bepaald volgens de procedure van artikel 149, lid 1. Het begrip „normale overdrachtshoeveelheid” wordt voor elk produkt omschreven aan de hand van de criteria en doelstellingen van elke gemeenschappelijke marktordening.

  • 3 De in lid 1 bedoelde voorraden worden in mindering gebracht op de hoeveelheid die de normale overdrachtshoeveelheid overschrijdt.

Artikel 146 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het Koninkrijk Noorwegen draagt er zorg voor dat met ingang van 1 januari 1995 alle wettelijke en contractuele bepalingen die een monopolie verschaffen aan de Noorse Statens Kornforretning of een opvolgerorganisatie daarvan voor de invoer, de uitvoer of de aan- en verkoop van landbouwprodukten, worden afgeschaft.

Artikel 85 van het EG-Verdrag is evenwel eerst vanaf 1 januari 1997 van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde gedragingen die door de Noorse Statens Kornforretning ten uitvoer worden gelegd, voor zover zij:

  • - betrekking hebben op andere onderwerpen dan die bedoeld in de eerste alinea;

  • - geen betrekking hebben op de prijsbepaling, marktverdeling of produktiecontrole.

Artikel 147

Indien in de landbouwsector de handel tussen een of meer nieuwe Lid-Staten en de Gemeenschap in haar huidige samenstelling of de handel tussen de nieuwe Lid-Staten onderling tot ernstige verstoringen leidt op de markt van Oostenrijk of Finland voor 1 januari 2000, neemt de Commissie op verzoek van de betrokken Lid-Staat, binnen 24 uur na de ontvangst van zo'n verzoek, een beslissing over de door haar noodzakelijk geachte vrijwaringsmaatregelen. De aldus getroffen maatregelen zijn onmiddellijk van toepassing, houden rekening met de belangen van alle betrokken partijen en leiden niet tot grenscontroles.

Artikel 148

  • 1 Behoudens andersluidende bepalingen voor specifieke gevallen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de bepalingen vast die nodig zijn ter uitvoering van deze Titel.

  • 2 De Raad kan, op voorstel van de Commissie, en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen overgaan tot aanpassing van de in deze titel neergelegde regels die noodzakelijk kunnen blijken ingeval van wijzigingen van communautaire regelingen.

Artikel 149

  • 1 Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ter vergemakkelijking van de overgang van de in de nieuwe Lid-Staten bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van de gemeenschappelijke ordening der markten overeenkomstig het bepaalde in deze titel, worden deze maatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG of, naargelang van het geval, van de desbetreffende artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten. Deze maatregelen kunnen worden genomen gedurende een tijdvak dat verstrijkt op 31 december 1997; de toepassing ervan is beperkt tot die datum.

  • 2 De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie, en na raadpleging van het Europees Parlement het in lid 1 bedoelde tijdvak verlengen.

Artikel 150

  • 1 De overgangsmaatregelen betreffende de toepassing van de besluiten inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die niet in deze akte zijn vermeld, met inbegrip van de maatregelen op structuurgebied, die noodzakelijk zijn geworden door de toetreding, worden vóór de toetreding vastgesteld volgens de procedure van lid 3, en treden ten vroegste op de datum van toetreding in werking.

  • 2 De in lid 1 bedoelde overgangsmaatregelen omvatten met name de aanpassing van de besluiten die ten gunste van de huidige Lid-Staten voorzien in de co-financiering van bepaalde acties op het gebied van de statistiek en de uitgavencontrole.

    Zij kunnen onder bepaalde voorwaarden ook voorzien in een nationale steun die ten hoogste gelijk is aan het verschil tussen de vóór de toetreding in een nieuwe Lid-Staat geconstateerde prijs en de prijs die voortvloeit uit de toepassing van deze akte, welke steun kan worden verleend aan privé-ondernemers - natuurlijke of rechtspersonen - die op 1 januari 1995 voorraden aanhouden van produkten als bedoeld in artikel 138, lid 1, of voortvloeiende uit de verwerking van die produkten.

  • 3 De in lid 1 en 2 bedoelde overgangsmaatregelen worden door de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld. Maatregelen inzake oorspronkelijk door de Commissie vastgestelde besluiten worden echter door deze Instelling vastgesteld overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 149, lid 1.

TITEL VII. ANDERE BEPALINGEN

Artikel 151

  • 1 De in de lijst in bijlage XV van deze Akte genoemde besluiten zijn ten aanzien van de nieuwe Lid-Staten van toepassing op de wijze als bepaald in die bijlage.

  • 2 Naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de nieuwe Lid-Staten kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen voor 1 januari 1995 maatregelen nemen houdende tijdelijke afwijkingen van de besluiten van de Instellingen die tussen 1 januari 1994 en de datum van ondertekening van het Toetredingsverdrag zijn vastgesteld.

Artikel 152

  • 1 Tot 1 januari 1996 kan een nieuwe Lid-Staat, in geval van ernstige en mogelijk aanhoudende moeilijkheden in een sector van het economische leven, alsmede van moeilijkheden die de economische toestand van een bepaalde streek ernstig kunnen verstoren, machtiging vragen om vrijwaringsmaatregelen te nemen, waardoor de toestand wederom in evenwicht kan worden gebracht en de betrokken sector kan worden aangepast aan de economie van de gemeenschappelijke markt.

    Onder dezelfde voorwaarden kan een van de huidige Lid-Staten verzoeken gemachtigd te worden vrijwaringsmaatregelen te nemen ten opzichte van een of meer van de nieuwe Lid-Staten.

  • 2 Op verzoek van de betrokken Staat stelt de Commissie door middel van een spoedprocedure onverwijld de vrijwaringsmaatregelen vast welke zij noodzakelijk acht, waarbij zij de voorwaarden en praktische regels voor de toepassing ervan aangeeft.

    In geval van ernstige economische moeilijkheden spreekt de Commissie zich op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken Lid-Staat uit binnen een termijn van vijf werkdagen na de ontvangst van het met redenen omkleed verzoek. De aldus genomen maatregelen zijn onmiddellijk van toepassing, houden rekening met de belangen van alle betrokken partijen en leiden niet tot grenscontroles.

  • 3 De overeenkomstig lid 2 toegestane maatregelen kunnen afwijkingen van de regels van het EG-Verdrag, het EGKS-Verdrag en deze Akte inhouden, voor zover en voor zolang deze strikt noodzakelijk zijn ter bereiking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen. Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de werking van de gemeenschappelijke markt het minst verstoren.

Artikel 153

Teneinde de goede werking van de interne markt niet te verstoren mag de tenuitvoerlegging van de nationale voorschriften van de nieuwe Lid-Staten gedurende de in deze Akte bedoelde overgangsperioden niet leiden tot grenscontroles tussen de Lid-Staten.

VIJFDE DEEL. BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN DEZE AKTE

TITEL I. HET IN WERKING STELLEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 154

Het Europees Parlement komt uiterlijk een maand na de toetreding bijeen. Het brengt in zijn Reglement van Orde de wijzigingen aan die noodzakelijk zijn geworden door deze toetreding.

Artikel 155

De Raad brengt in zijn Reglement van Orde de aanpassingen aan welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 156

  • 1 Onmiddellijk bij de toetreding wordt de Commissie aangevuld door de benoeming van drie extra leden. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

  • 2 De Commissie brengt in haar Reglement van Orde de aanpassingen aan welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 157

  • 1 Onmiddellijk bij de toetreding worden bij het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg drie rechters benoemd.

  • 2

    • a. De ambtstermijn van een van de overeenkomstig lid 1 benoemde rechters bij het Hof van Justitie loopt op 6 oktober 1997 af. Deze rechter wordt door het lot aangewezen. De ambtstermijn van de andere twee rechters loopt op 6 oktober 2000 af.

    • b. De ambtstermijn van een van de overeenkomstig lid 1 benoemde rechters bij het Gerecht van eerste aanleg loopt op 31 augustus 1995 af. Deze rechter wordt door het lot aangewezen. De ambtstermijn van de andere twee rechters loopt op 31 augustus 1998 af.

  • 3 Onmiddellijk bij de toetreding worden die extra advocaten-generaal benoemd.

  • 4 De ambtstermijn van een van de overeenkomstig lid 3 benoemde advocaten-generaal loopt op 6 oktober 1997 af. De ambtstermijn van de andere advocaten-generaal loopt op 6 oktober 2000 af.

  • 5

    • a. Het Hof brengt in zijn reglement voor de procesvoering de aanpassingen aan welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

    • b. Het Gerecht van eerste aanleg brengt in overeenstemming met het Hof van Justitie in zijn reglement voor de procesvoering de aanpassingen aan welke door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

    • c. Het aldus aangepaste reglement voor de procesvoering moet door de Raad met eenparigheid van stemmen worden goedgekeurd.

  • 6 Voor het wijzen van vonnis in zaken die op 1 januari 1995 bij het Hof of het Gerecht aanhangig zijn en waarvoor de mondelinge procedure voor deze datum is geopend, komen het Hof en het Gerecht in voltallige zitting of de Kamers bijeen in de samenstelling van voor de toetreding en passen zij het reglement voor de procesvoering toe zoals dit op 31 december 1994 gold.

Artikel 158

Onmiddellijk bij de toetreding wordt de Rekenkamer aangevuld door de benoeming van drie nieuwe leden. De ambtstermijn van één van de aldus benoemde leden loopt op 20 december 1995 af. Dit lid wordt door het lot aangewezen. De ambtstermijn van de andere leden loopt op 9 februari 2000 af.

Artikel 159

Onmiddellijk bij de toetreding wordt het Economisch en Sociaal Comité aangevuld door de benoeming van 33 leden die de verschillende sectoren van het economische en sociale leven van de nieuwe Lid-Staten vertegenwoordigen. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 160

Onmiddellijk bij de toetreding wordt het Comité van de Regio's aangevuld door de benoeming van 33 leden die de regionale en lokale lichamen in de nieuwe Lid-Staten vertegenwoordigen. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 161

Onmiddellijk bij de toetreding wordt het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal aangevuld door de benoeming van twaalf extra leden. Voor Oostenrijk, Finland en Zweden worden vier nieuwe leden benoemd. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 162

Onmiddellijk bij de toetreding wordt het Wetenschappelijk en Technisch Comité aangevuld door de benoeming van vijf nieuwe leden. Voor Oostenrijk en Zweden worden twee leden benoemd en voor Finland één. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt op hetzelfde tijdstip als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 163

Onmiddellijk bij de toetreding wordt het Monetair Comité aangevuld door de benoeming van twee leden voor elk van de nieuwe Lid-Staten. Hun mandaat verstrijkt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 164

De door de toetreding noodzakelijk geworden aanpassingen van de Statuten en van de Reglementen van Orde van de bij de oorspronkelijke Verdragen ingestelde Comités geschieden zo spoedig mogelijk na de toetreding.

Artikel 165

  • 1 Voor wat de in bijlage XVI vermelde Comités betreft, verstrijkt het mandaat der nieuwe leden tegelijk met dat van de leden die op het tijdstip van de toetreding zitting hebben in die Comités.

  • 2 De in bijlage XVII vermelde Comités worden volledig vernieuwd op het tijdstip van de toetreding.

TITEL II. TOEPASSING VAN DE BESLUITEN DER INSTELLINGEN

Artikel 166

Vanaf het tijdstip van toetreding wordt ervan uitgegaan dat de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het EG-Verdrag en van artikel 161 van het Euratom-Verdrag, alsmede de aanbevelingen en beschikkingen in de zin van artikel 14 van het EGKS-Verdrag, eveneens tot de nieuwe Lid-Staten zijn gericht, en dat daarvan kennis is gegeven aan deze Staten, voor zover van deze richtlijnen, aanbevelingen en beschikkingen aan alle huidige Lid-Staten kennis is gegeven. Behoudens wat betreft richtlijnen en beschikkingen die in werking treden overeenkomstig artikel 191, leden 1 en 2, van het EG-Verdrag, wordt ervan uitgegaan dat van deze richtlijnen, aanbevelingen en beschikkingen onmiddellijk bij de toetreding kennis is gegeven aan de nieuwe Lid-Staten.

Artikel 167

De toepassing in elk der nieuwe Lid-Staten van de in de lijst die is opgenomen in bijlage XVIII van deze Akte voorkomende besluiten kan worden uitgesteld tot de in die lijst vermelde data, en onder de in die lijst gestelde voorwaarden.

Artikel 168

De nieuwe Lid-Staten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het EG-Verdrag en van artikel 161 van het Euratom-Verdrag alsmede aan de beschikkingen en aanbevelingen in de zin van artikel 14 van het EGKS-Verdrag, tenzij in de lijst die is opgenomen in bijlage XIX of in andere bepalingen van de onderhavige Akte een bepaalde termijn is vastgesteld.

Artikel 169

  • 1 Indien besluiten van de Instellingen van vóór de toetreding in verband met de toetreding moeten worden aangepast, en de noodzakelijke aanpassingen niet in deze Akte of de bijlagen daarvan zijn voorzien, worden deze aanpassingen aangebracht overeenkomstig de procedure van lid 2. Deze aanpassingen treden onmiddellijk bij de toetreding in werking.

  • 2 De daartoe noodzakelijke teksten worden, op voorstel van de Commissie, door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, of door de Commissie vastgesteld, naar gelang de oorspronkelijke besluiten door de ene dan wel door de andere Instelling zijn aangenomen.

Artikel 170

De voor de toetreding aanvaarde teksten van de besluiten van de Instellingen die door de Raad of de Commissie in de Finse en de Zweedse taal zijn vastgesteld, zijn vanaf het tijdstip van toetreding op gelijke wijze authentiek als de in de huidige negen talen vastgestelde teksten. Zij worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt, wanneer de teksten in de huidige talen aldus zijn bekendgemaakt.

Artikel 171

Van de op het tijdstip van toetreding bestaande overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen die ingevolge de toetreding onder de werkingssfeer van artikel 65 van het EGKS-Verdrag vallen, moet aan de Commissie kennis worden gegeven binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding. Alleen overeenkomsten en besluiten waarvan kennis is gegeven, blijven voorlopig van kracht totdat de Commissie heeft beslist. Dit artikel is evenwel niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen die op de datum van toetreding reeds onder de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 25 bij de EER-Overeenkomst vallen.

Artikel 172

  • 1 Vanaf de datum van toetreding dragen de nieuwe Lid-Staten er zorg voor dat alle relevante kennisgevingen of informatie die vóór de toetreding krachtens de EER-Overeenkomst aan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of aan het Permanent Comité van de EVA-Staten is toegezonden, onverwijld aan de Commissie wordt doorgezonden. Voor de toepassing van de betreffende Gemeenschapsbepalingen wordt deze doorzending beschouwd als kennisgeving of informatie aan de Commissie.

  • 2 Vanaf de datum van toetreding dragen de nieuwe Lid-Staten er zorg voor dat gevallen die onmiddellijk vóór de toetreding krachtens de artikelen 53, 54, 57, 61 en 62 of 65 van de EER-Overeenkomst of de artikelen 1 of 2 van Protocol nr. 25 bij die Overeenkomst door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA worden behandeld en die ingevolge de toetreding onder de bevoegdheid van de Commissie vallen, met inbegrip van gevallen waarin de feiten dateren van vóór de datum van toetreding, onverwijld worden doorgezonden aan de Commissie, die deze gevallen zal blijven behandelen als gevallen die onder de desbetreffende Gemeenschapsbepalingen vallen, een en ander met inachtneming van het recht van de verdediging.

  • 3 Gevallen die krachtens artikel 53 of 54 van de EER-Overeenkomst of de artikelen 1 of 2 van Protocol nr. 25 bij die Overeenkomst door de Commissie worden behandeld en die ingevolge de toetreding onder artikel 85 of 86 van het EG-Verdrag of artikel 65 of 66 van het EGKS-Verdrag vallen, met inbegrip van gevallen waarvan de feiten van vóór de datum van toetreding dateren, worden door de Commissie behandeld als gevallen die onder de desbetreffende Gemeenschapsbepalingen vallen.

  • 4 Individuele vrijstellingsbeschikkingen en beschikkingen waarin geen vrijstelling wordt verleend, die voor de datum van toetreding krachtens artikel 53 van de EER-Overeenkomst of artikel 1 van Protocol nr. 25 bij die Overeenkomst zijn vastgesteld door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of de Commissie en die betrekking hebben op gevallen die ingevolge de toetreding onder artikel 85 van het EG-Verdrag of artikel 65 van het EGKS-Verdrag vallen, blijven, na de toetreding, ten aanzien van artikel 85 van het EG-Verdrag, of, naargelang van het geval, artikel 65 van het EGKS-Verdrag, van kracht tot de in die beschikkingen vermelde datum of totdat de Commissie overeenkomstig de grondbeginselen van het Gemeenschapsrecht een met redenen omkleed andersluidend besluit neemt.

  • 5 De door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA krachtens artikel 61 van de EER-Overeenkomst vóór de toetreding vastgestelde beschikkingen die ingevolge de toetreding onder artikel 92 van het EG-Verdrag vallen, blijven vanaf de toetreding ten aanzien van artikel 92 van het EG-Verdrag van kracht tenzij de Commissie een andersluidende besluit neemt uit hoofde van artikel 93 van het EG-Verdrag. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor beschikkingen die onder de procedure van artikel 64 van de EER-Overeenkomst vallen. Onverminderd lid 2, wordt staatssteun die in 1994 door de nieuwe Lid-Staten is verleend, maar waarvan in strijd met de EER-Overeenkomst of daaruit voortvloeiende regelingen geen kennis is gegeven aan de Toezichthoudende Autoriteit of waarvan wel kennis is gegeven maar waarvan de verlening heeft plaatsgevonden voordat de Toezichthoudende Autoriteit een beschikking had vastgesteld, niet beschouwd als bestaande staatssteun op grond van artikel 93, lid 1, van het EG-Verdrag.

  • 6 Vanaf de datum van toetreding dragen de nieuwe Lid-Staten er zorg voor dat alle andere gevallen waarin de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in het kader van de toezichtsprocedure uit hoofde van de EER-Overeenkomst vóór de toetreding is ingeschakeld, onverwijld aan de Commissie worden toegezonden. De Commissie behandelt deze gevallen als gevallen die onder de desbetreffende Gemeenschapsbepalingen vallen, een en ander met inachtneming van het recht van de verdediging.

  • 7 Onverminderd de leden 4 en 5 blijven beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit na de toetreding van toepassing tenzij de Commissie overeenkomstig de grondbeginselen van het Gemeenschapsrecht, een met redenen omkleed andersluidend besluit neemt.

Artikel 173

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de werknemers en van de bevolking op het grondgebied van de nieuwe Lid-Staten tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden overeenkomstig artikel 33 van het Euratom-Verdrag, door deze Staten aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding.

TITEL III. SLOTBEPALINGEN

Artikel 174

De aan deze Akte gehechte bijlagen I tot en met XIX en de Protocollen nr. 1 tot en met nr. 10 maken daar een integrerend deel van uit.

Artikel 175

De Regering van de Franse Republiek zendt aan de Regeringen van de nieuwe Lid-Staten een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toe van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van die bij haar nedergelegde verdragen waarbij dit Verdrag is gewijzigd.

Artikel 176

De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regeringen van de nieuwe Lid-Staten een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Portugese, de Nederlandse en de Spaanse taal toe van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan, met inbegrip van de Verdragen betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, van de Helleense Republiek en van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en het Verdrag betreffende de Europese Unie.

De teksten van deze Verdragen die zijn opgesteld in de Finse en de Zweedse taal, worden aan de onderhavige Akte gehecht. Deze teksten zijn op gelijke wijze authentiek als de teksten van de in de eerste alinea genoemde Verdragen die zijn opgesteld in de negen huidige talen.

Artikel 177

De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie zal een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de internationale overeenkomsten die zijn nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal, aan de Regeringen van de nieuwe Lid-Staten toezenden.

BIJLAGE I. Lijst als bedoeld in artikel 29 van het Toetredingsverdrag

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE II. Lijst bedoeld in artikel 30 van de Toetredingsakte

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE III. In artikel 32 bedoelde bepalingen van de Toetredingsakte [Vervallen per 01-01-1995]

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE IV. Lijst bedoeld in artikel 39, lid 1, van de Toetredingsakte [Vervallen per 01-01-1995]

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE V. LIJST BEDOELD IN ARTIKEL 39, LID 5, VAN DE TOETREDINGSAKTE [Vervallen per 01-01-1995]

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE VI. In de artikelen 54, 73, 97 en 126 van de Toetredingsakte bedoelde lijst

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE VII. Lijst als bedoeld in artikel 56 van de Toetredingsakte [Vervallen per 01-01-1995]

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE VIII. Bepalingen als bedoeld in artikel 69 van de Toetredingsakte

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE IX. LIJST BEDOELD IN ARTIKEL 71, LID 2 VAN DE TOETREDINGSAKTE

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE X. Bepalingen bedoeld in artikel 84 van de Toetredingsakte

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE XI. Lijst bedoeld in artikel 99 van de Toetredingsakte

[Red: De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:1994:241:FULL&from=EN.]

BIJLAGE XII. Bepalingen bedoeld in artikel 112 van de Toetredingsakte