Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende [...] grensgebied ten westen van Wegberg - Brüggen, Bonn, 28-01-1958

Geldend van 24-10-1959 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de winning van steenkolen in het Nederlands-Duitse grensgebied ten westen van Wegberg - Brüggen

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de winning van steenkolen in het Nederlands-Duitse grensgebied ten westen van Wegberg-Brüggen

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

geleid door de wens, de in bijlage C van het verdrag tussen de Nederlandse en Duitse regering van 11 mei 1920 nopens crediet en steenkolen bedoelde bijzondere regeling tot stand te doen komen en een rationele ontwikkeling der steenkolenproductie in het Nederlands-Duitse grensgebied mogelijk te maken, zijn overeengekomen tot dit doel een verdrag te sluiten en hebben daartoe tot hun gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

De Heer Arnold Theodor Lamping,

Harer Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Bonn,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland

De Heer Dr. Heinrich von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken,

die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

  • (1) Het verdrag is van toepassing op het verdragsgebied.

  • (2) Het verdragsgebied omvat

    • a) het steenkolenveld, dat op bijgaande kaart grijs gearceerd en door de verbindingslijnen der punten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 1 omsloten is (veld Sophia-Jacoba B);

    • b) de steenkolenvelden, die op bijgaande kaart blauw gearceerd en door de verbindingslijnen der punten 3, 30, 31, 32, 6, 5, 4, 3 omsloten zijn (velden Brüggen 1, 2 en 3);

    • c) het concessievrije gebied, dat op bijgaande kaart groen gearceerd en door de Nederlands-Duitse rijksgrens alsmede de verbindingslijnen der punten 33, 34, 8, 7, 6, 32, 31, 30, 3, 2, 1, 29, 28, 27, 26, 25, 24, 23, 22, 21, 20, 19, 18, 17, 16, 15, 35 omsloten is.

  • (3) De in lid (2) vermelde kaart vormt een bestanddeel van dit verdrag.

Artikel 2

Voor de in artikel 1, lid (2), onder b) genoemde steenkolenvelden en het onder c) genoemde concessievrije gebied wordt het verdrag van toepassing met de ingevolge het „Preussische Gesetz über den Bergwerksbetrieb ausländischer juristischer Personen und den Geschäftsbetrieb ausserpreussischer Gewerkschaften” van 23 juni 1909 („Gesetzsammlung” bladzijde 619) vereiste vergunningen.

Artikel 3

De steenkolenmijnbouw in het verdragsgebied dient te worden uitgeoefend door een mijnonderneming naar Nederlands recht, die in Nederland is gevestigd en in het aangrenzende Nederlandse gebied in eigen concessie steenkolenmijnbouw uitoefent (Nederlandse mijnonderneming).

Artikel 4

  • (1) Voor de mijnbouw in het verdragsgebied wordt, onafhankelijk van de Nederlands-Duitse rijksgrens, een ontginningsgrens overeengekomen. Deze wordt aan de oppervlakte gevormd door de verbindingslijnen der punten 33, 34, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 35 en is op bijgaande kaart met rood aangegeven.

  • (2) Aan beide zijden van de ontginningsgrens moet een grensmuur van 10 meter dikte — rechthoekig op die grens gemeten — onontgonnen blijven. Het doorbreken, versmallen of ontginnen van deze grensmuur is slechts met toestemming van het bevoegde Toezicht op de mijnen geoorloofd. De toestemming mag slechts worden verleend, nadat het Toezicht op de mijnen van het andere land zich daarmede heeft verenigd.

Artikel 5

In het in artikel 1, lid (2), onder a) genoemde steenkolenveld mogen schachten en daarbij behorende bovengrondse werken worden opgericht, daarentegen niet in het overige verdragsgebied.

Artikel 6

  • (1) Met betrekking tot het toezicht op het ondergrondse mijnbedrijf in het verdragsgebied gelden de Nederlandse rechts- en bestuursvoorschriften.

  • (2) Tot het uitoefenen van toezicht op het ondergrondse mijnbedrijf in het verdragsgebied is het Nederlandse Toezicht op de mijnen bevoegd.

  • (3) Is naar het oordeel van het Duitse Toezicht op de mijnen, ter bescherming van de oppervlakte in het belang van de persoonlijke veiligheid en van het openbaar verkeer of ter bescherming van andere delfstofafzettingen, het treffen van bijzondere maatregelen voor de ontginning in het verdragsgebied noodzakelijk, dan zal het Nederlandse Toezicht op de mijnen, in overeenstemming met het Duitse Toezicht op de mijnen, deze maatregelen treffen naar analogie van de voor soortgelijke gevallen in de Bondsrepubliek Duitsland gebruikelijke richtlijnen. Te dien einde verstrekt het Nederlandse Toezicht op de mijnen aan het Duitse Toezicht op de mijnen op verzoek alle noodzakelijke inlichtingen.

Artikel 7

  • (1) Met betrekking tot het toezicht op schachten en daarbij behorende bovengrondse werken in het verdragsgebied gelden de Duitse rechts- en bestuursvoorschriften, die — voor zover redelijkerwijs mogelijk — in overeenstemming moeten zijn met de terzake geldende Nederlandse voorschriften.

  • (2) Tot het uitoefenen van toezicht op schachten en daarbij behorende bovengrondse werken in het verdragsgebied is het Duitse Toezicht op de mijnen bevoegd.

Artikel 8

  • (1) Aan het Duitse Toezicht op de mijnen, alsmede aan de door deze instantie gemachtigde en van overheidswege erkende Duitse mijnmeters is het, indien daarvoor gegronde redenen bestaan, geoorloofd, in de binnen het verdragsgebied gelegen ondergrondse werken af te dalen en aldaar metingen te verrichten. Voor de afdaling kan van schachten op Nederlands of op Duits gebied gebruik worden gemaakt.

  • (2) In het verdragsgebied en in het gebied daarbuiten, dat onderhevig is aan de invloed van de ontginning, mag de Nederlandse mijnonderneming bovengrondse metingen doen uitvoeren.

  • (3) In het verdragsgebied en in het naburige gebied mag de Nederlandse mijnonderneming boringen en geophysische onderzoekingen doen uitvoeren, voor zover dit ter vaststelling van de geologische situatie en de ligging der kolenafzettingen in het verdragsgebied dienstig voorkomt.

Artikel 9

Het Nederlandse Toezicht op de mijnen stelt het Duitse Toezicht op de mijnen de volgens de Nederlandse mijnpolitionele bepalingen voorgeschreven werkplannen betreffende de geprojecteerde ontginning in het verdragsgebied telkenmale ter beschikking.

Artikel 10

  • (1) Het Nederlandse en het Duitse Toezicht op de mijnen zullen de ontginning langs de ontginningsgrens slechts toestaan onder de voorwaarde, dat de mijnondernemingen de ontginningswerken over een breedte van 500 meter aan gene zijde van de ontginningsgrens op hun mijnkaarten overbrengen. Te dien einde zullen het Nederlandse en het Duitse Toezicht op de mijnen de desbetreffende mijnkaarten, die door erkende Nederlandse of van overheidswege erkende Duitse mijnmeters vervaardigd en regelmatig bijgehouden moeten worden, halfjaarlijks uitwisselen, voor zover en zolang in het desbetreffende gebied ontginning plaats vindt.

  • (2) Bovendien zal het Nederlandse Toezicht op de mijnen aan het Duitse Toezicht op de mijnen een exemplaar der op dezelfde wijze vervaardigde en bijgehouden mijnkaarten betreffende alle ontginningswerken in het verdragsgebied ter beschikking stellen.

  • (3) Omtrent de inzage van deze mijnkaarten door derden beslissen de autoriteiten en rechterlijke instanties van het land, waaraan de mijnkaarten ter beschikking zijn gesteld, overeenkomstig de voor hen geldende bepalingen.

Artikel 11

Voor springstoffen, die ten behoeve van de ondergrondse werken in het verdragsgebied uit Nederland naar het bovengrondse verdragsgebied gebracht of daar doorgevoerd worden, gelden de Duitse veiligheidsvoorschriften.

Artikel 12

Handelingen en nalatigheden in de binnen het verdragsgebied gelegen ondergrondse werken worden strafrechtelijk en burgerrechtelijk behandeld als waren deze in Nederland geschied.

Artikel 13

  • (1) In juridisch opzicht zijn de gevolgen, die bovengronds uit de ondergrondse ontginning voortvloeien, onderworpen aan het recht en de jurisdictie van de staat op welks gebied deze gevolgen bovengronds aan de dag treden. Dit geldt in het bijzonder voor de vergoeding van alle soorten schade, zowel aan personen als aan goederen, die bovengronds uit de ondergrondse ontginning voortvloeien.

  • (2) Betalingen wegens schadevergoeding aan een Duitse crediteur zullen naar het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland worden overgemaakt.

Artikel 14

Op het gebied van het arbeidsrecht en van de sociale zekerheid wordt de positie der werknemers, die in het mijnbedrijf in het verdragsgebied werkzaam zijn, door Nederlands recht beheerst. Op het gebied der sociale zekerheid gelden overigens de te eniger tijd tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland van kracht zijnde internationale overeenkomsten.

Artikel 15

  • (1) De in het verdragsgebied gelegen concessies van de Nederlandse mijnonderneming, alsmede de hieruit verkregen inkomsten, zijn in de Bondsrepubliek Duitsland niet onderworpen aan de vermogensbelasting en aan de belastingen van het inkomen.

  • (2) De in het verdragsgebied aangelegde mijnwerken van de Nederlandse mijnonderneming en de door middel van deze werken verkregen inkomsten, zijn in de Bondsrepubliek Duitsland niet onderworpen aan de vermogensbelasting en aan de belastingen van het inkomen, tenzij de onderneming in het verdragsgebied een schacht ten behoeve van het vervoer van kolen (productieschacht) in gebruik heeft.

Artikel 16

De niet-zelfstandige arbeid van werknemers, die door de Nederlandse mijnonderneming te werk zijn gesteld in de mijnwerken, welke in het verdragsgebied zijn aangelegd, geldt voor wat betreft de belastingheffing van de werknemers als in Nederland uitgeoefend. Voor zover deze bepaling betrekking heeft op de belastingheffing van werknemers, die hun woonplaats in de Bondsrepubliek Duitsland hebben en in het verdragsgebied bovengronds werkzaam zijn of geregeld via een in het verdragsgebied gelegen schacht afdalen, kan deze, met inachtneming van een termijn van 6 maanden, met ingang van 1 januari worden opgezegd.

Artikel 17

  • (1) De Bondsrepubliek Duitsland verleent ten behoeve van de mijnwerken in het verdragsgebied de navolgende faciliteiten:

    • a) Goederen, bestemd voor de inrichting of de exploitatie van de ondergrondse mijnwerken, in het bijzonder bouwmaterialen, mijnhout, stalen stutmateriaal, rails, buizen, leidingen, machines, werktuigen, onderdelen, smeermiddelen en vulmateriaal, mogen vrij van in- en uitvoerrechten, alsmede van in- en uitvoerverboden en -beperkingen zowel door schachten, welke op Nederlands gebied zijn gelegen, als door schachten in het verdragsgebied naar het in laatstgenoemd gebied gelegen ondergrondse deel van het mijnbedrijf gebracht en vandaar teruggevoerd worden. Deze goederen zijn ondergronds niet aan douanecontrôle onderworpen.

    • b) Goederen, bestemd voor gebruik in de bovengrondse mijnwerken mogen vrij van in- en uitvoerrechten en vrij van in- en uitvoerverboden en -beperkingen alsmede zonder zekerheidsstelling tijdelijk in het verdragsgebied ingevoerd en van daar weder uitgevoerd worden. Goederen, bestemd voor gebruik in de bovengrondse mijnwerken, zijn evenwel aan de Duitse in- en uitvoerverboden en -beperkingen, alsmede aan de Duitse douanevoorschriften onderworpen.

    • c) De in het verdragsgebied gewonnen kolen kunnen door de Nederlandse mijnonderneming vrij van uitvoerrechten en van uitvoerverboden en -beperkingen naar Nederland worden uitgevoerd; voor deze kolen zijn de bepalingen inzake de vergoeding bij uitvoer („Ausfuhrvergütung”) niet van toepassing.

    • d) De aan- en afvoer van stroom, perslucht, gas en water via de bedrijfsleidingen van de Nederlandse mijnonderneming naar en van de in het verdragsgebied gelegen mijnwerken, zowel onder- als bovengronds, zijn vrij van in- en uitvoerrechten en zijn aan generlei verboden of beperkingen onderworpen.

  • (2) Het bepaalde in lid (1) sluit de mogelijkheid niet uit om voor bijzondere, door de Duitse douanedienst bewezen diensten een vergoeding te heffen.

  • (3) De Duitse douanedienst kan voorzorgen op douanegebied treffen, teneinde te voorkomen dat van de ingevolge lid (1) vrij van rechten in- of teruggevoerde goederen een ongeoorloofd gebruik wordt gemaakt. Zij1 zal bij het uitvaardigen van haar2 voorschriften inzake het uit te oefenen toezicht zoveel mogelijk rekening houden met het wederzijds belang bij een vlotte afwikkeling van het grensoverschrijdend verkeer naar en van de mijnwerken.

  • (4) In het kader van hun bevoegdheid verlenen de autoriteiten der beide verdragsstaten elkander bijstand bij de uitvoering van dit artikel, in het bijzonder om strafbare handelingen te voorkomen of op te sporen.

Artikel 18

Het „Gesetz zur Förderung des Bergarbeiterwohnungsbaues im Kohlenbergbau” van 23 oktober 1951 („Bundesgesetzblatt” I, bladzijde 865) en het „Gesetz über Bergmannsprämien” van 20 december 1956 („Bundesgesetzblatt” I, bladzijde 927), zoals zij te eniger tijd luiden, zijn niet van toepassing op de mijnbouw in het verdragsgebied.

Artikel 19

  • (1) De kolen, welke in het verdragsgebied zijn gedolven, behoren in economisch opzicht tot de Nederlandse kolenproduktie.

  • (2) Nederland is gerechtigd over de in het verdragsgebied gedolven kolen te beschikken op dezelfde wijze als over kolen, die binnen Nederlands grondgebied worden gewonnen.

Artikel 20

  • (1) De bepalingen van bijlage C van het Verdrag tussen de Duitse en Nederlandse Regering van 11 mei 1920 nopens crediet en steenkolen blijven onverminderd van kracht, voor zover niet uit het onderhavige verdrag iets anders voortvloeit.

  • (2) De bepalingen van bijlage D van het in lid (1) genoemde verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op het onderhavige verdrag.

Artikel 21

De bevoegde Nederlandse en Duitse Ministers zullen de overeenkomsten aangaan, die tot uitvoering van dit verdrag of in verband daarmede noodzakelijk zijn. Deze overeenkomsten worden door notawisseling langs diplomatieke weg bevestigd en treden daarmede in werking.

Artikel 22

  • (1) Het verdrag moet worden bekrachtigd. De uitwisseling van de akten van bekrachtiging zal zo spoedig mogelijk te 's-Gravenhage plaats vinden.

  • (2) Het verdrag treedt een maand na de uitwisseling van de akten van bekrachtiging in werking.

TEN BLIJKE WAARVAN de wederzijdse gevolmachtigden dit verdrag hebben ondertekend en van hun zegels voorzien.

GEDAAN te Bonn, de 28ste januari 1958, in twee originele exemplaren, elk in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) LAMPING

Voor de Bondsrepubliek Duitsland

(w.g.) v. BRENTANO

I

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Bonn, den 28. Januar 1958.

Herr Botschafter,

Ich beehre mich, Ihnen unter Bezugnahme auf den heute unterzeichneten Vertrag zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande über den Abbau von Steinkohlen im deutsch-niederländischen Grenzgebiet westlich Wegberg-Brüggen folgendes mitzuteilen:

Die Regierung der Bundesrepublik Deutschland hat in Übereinstimmung mit dem Senat von Berlin den Wunsch, das Land Berlin in den Vertrag zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande über den Abbau von Steinkohlen im deutsch-niederländischen Grenzgebiet westlich Wegberg-Brüggen einzubeziehen und schlägt daher der Regierung des Königreichs der Niederlande den Abschluss folgender Vereinbarung vor:

'Der Vertrag gilt auch für das Land Berlin, sofern nicht die Regierung der Bundesrepublik Deutschland gegenüber der Regierung des Königreichs der Niederlande innerhalb von drei Monaten nach Inkrafttreten des Vertrages eine gegenteilige Erklärung abgibt.'

Falls die Regierung des Königreichs der Niederlande mit dem Vorstehenden einverstanden ist, darf ich vorschlagen dass diese Note und Ihre Antwort als eine Vereinbarung zwischen unseren beiden Regierungen betrachtet werden, die einen wesentlichen Bestandteil des heute unterzeichneten Vertrages zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande über den Abbau von Steinkohlen im deutsch-niederländischen Grenzgebiet westlich Wegberg-Brüggen bildet.

Genehmigen Sie, Herr Botschafter, den Ausdruck meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) v. BRENTANO

Seiner Exzellenz Herrn Arnold Theodor Lamping Ihrer Majestät ausserordentlicher und bevollmächtiger Botschafter Bonn

II

AMBASSADE

DER

NEDERLANDEN

Bonn, de 28ste januari 1958.

Mijnheer de Bondsminister,

Hierbij heb ik de eer, de ontvangst te bevestigen van Uw nota van heden van de volgende inhoud:

„Onder verwijzing naar het heden ondertekende Verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de winning van steenkolen in het Duits-Nederlandse grensgebied ten westen van Wegberg-Brüggen, heb ik de eer U het volgende mede te delen:

De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland koestert, in overeenstemming met de Senaat van Berlijn, de wens het Land Berlijn te betrekken bij het Verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de winning van steenkolen in het Duits-Nederlandse grensgebied ten westen van Wegberg- Brüggen, en stelt daarom aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden voor de volgende overeenkomst aan te gaan:

'Het Verdrag geldt ook voor het Land Berlijn, voorzover de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland niet tegenover de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag het tegendeel verklaart.'

Ingeval de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden met het vorenstaande instemt, moge ik voorstellen, dat deze nota en Uw antwoord beschouwd worden als een overeenkomst tussen onze beide Regeringen, welke een integrerend onderdeel vormt van het heden ondertekende Verdrag betreffende de winning van steenkolen in het Duits-Nederlandse grensgebied ten westen van Wegberg-Brüggen.”

Ik heb de eer Uwer Excellentie mede te delen, dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden bereid is aan de wens van de Regering der Bondsrepubliek Duitsland te voldoen, en dat zij Uw nota en mijn antwoord beschouwt als een overeenkomst tussen onze beide Regeringen, welke een integrerend onderdeel vormt van het heden ondertekende Verdrag betreffende de winning van steenkolen in het Duits-Nederlandse grensgebied ten westen van Wegberg-Brüggen.

Gelief, Mijnheer de Bondsminister, de verzekering mijner zeer bijzondere hoogachting te aanvaarden.

(w.g.) LAMPING

Zijner Excellentie Dr. Heinrich von Brentano Bondsminister van Buitenlandse Zaken in de Bondsrepubliek Duitsland Bonn