Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, Brussel, 27-06-2014

Geldend van 01-07-2016 t/m heden

Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds

Authentiek : NL

Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds

Preambule

Het Koninkrijk België,

De Republiek Bulgarije,

De Tsjechische Republiek,

Het Koninkrijk Denemarken,

De Bondsrepubliek Duitsland,

De Republiek Estland,

Ierland,

De Helleense Republiek,

Het Koninkrijk Spanje,

De Franse Republiek,

De Republiek Kroatië,

De Italiaanse Republiek,

De Republiek Cyprus,

De Republiek Letland,

De Republiek Litouwen,

Het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

De Republiek Malta,

Het Koninkrijk der Nederlanden,

De Republiek Oostenrijk,

De Republiek Polen,

De Portugese Republiek,

Roemenië,

De Republiek Slovenië,

De Slowaakse Republiek,

De Republiek Finland,

Het Koninkrijk Zweden,

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd,

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, en

DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, hierna „Euratom” genoemd,

enerzijds, en

Georgië,

anderzijds,

hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd,

GEZIEN de sterke banden en de gemeenschappelijke waarden van de partijen, die in het verleden in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en Georgië, anderzijds, zijn tot stand gekomen en, worden ontwikkeld binnen het kader van het Oostelijk Partnerschap als een specifieke dimensie van het Europees nabuurschapsbeleid en erkennende de gemeenschappelijke wens van de partijen hun betrekkingen verder te ontwikkelen, te versterken en uit te breiden op een ambitieuze en vernieuwende wijze;

MET INACHTNEMING VAN de Europese ambities en de Europese keuze van Georgië;

ERKENNEND dat de gemeenschappelijke waarden waarop de EU is gebouwd – democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat – ook aan de basis van politiek partnerschap en economische integratie als bedoeld in deze overeenkomst liggen;

ERKENNEND dat Georgië, een Oost-Europees land, zich ertoe heeft verbonden deze waarden ten uitvoer te leggen en te bevorderen;

ERKENNEND dat Georgië historische banden en gemeenschappelijke waarden deelt met de lidstaten van de Europese Unie;

IN AANMERKING NEMEND dat deze overeenkomst geen afbreuk doet aan de betrekkingen tussen de EU en Georgië en ruimte laat voor verdere progressieve ontwikkelingen;

STREVEND naar de versterking van het respect voor de fundamentele vrijheden, de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur, gebaseerd op gemeenschappelijke waarden van de partijen;

BEGRIJPEND dat interne hervormingen ter versterking van de democratie en markteconomie de deelname van Georgië aan het beleid, de programma's en de agentschappen van de EU zal vergemakkelijken. Dit proces en een duurzame conflictoplossing zullen elkaar wederzijds versterken en bijdragen tot het opbouwen van vertrouwen tussen door conflicten verdeelde gemeenschappen;

BEREID ZIJNDE een bijdrage te leveren aan de politieke, sociaal-economische en institutionele ontwikkeling van Georgië door middel van grootschalige samenwerking op een grote verscheidenheid van gebieden van gemeenschappelijk belang, zoals de ontwikkeling van de civiele samenleving, goed bestuur, inclusief op het gebied van belastingen, de integratie van de handel en een nauwere economische samenwerking, de opbouw van instellingen, het openbaar bestuur en de hervorming van het ambtenarenapparaat en de bestrijding van corruptie, de vermindering van de armoede en de samenwerking op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht die nodig is voor de effectieve uitvoering van deze overeenkomst en opmerkend dat de EU bereid is de desbetreffende hervormingen in Georgië te ondersteunen;

ZICH VERBINDEND TOT alle beginselen en bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), met name de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, de slotdocumenten van de conferenties van Madrid, Istanbul en Wenen van 1991 en 1992, het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van 1990, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 1948 en het Europees Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950;

HERINNEREND aan de wil van de partijen om de internationale vrede en veiligheid te bevorderen en te streven naar efficiënt multilateralisme en de vreedzame oplossing van conflicten, in het bijzonder door nauw samen te werken binnen het kader van de Verenigde Naties (VN) en de OVSE;

ZICH VERBINDEND TOT de internationale verplichtingen tot bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor en tot samenwerking inzake ontwapening;

ERKENNEND dat de actieve deelname van de partijen aan verschillende regionale samenwerkingsvormen toegevoegde waarde heeft;

ERNAAR STREVEND de regelmatige politieke dialoog over bilaterale en internationale vraagstukken van wederzijds belang verder te ontwikkelen, met inbegrip van regionale aspecten, rekening houdend met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

MET VOLLEDIGE INACHTNEMING VAN de beginselen van onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en de onaantastbaarheid van de internationaal erkende grenzen, zoals ook wordt erkend in het internationale recht, het Handvest van de Verenigde Naties, de slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa in Helsinki en de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

ERKENNEND dat het van belang is dat Georgië zich inzet voor verzoening en inspanningen levert om zijn territoriale integriteit te herstellen en de volledige en daadwerkelijke controle over de Georgische regio's Abchazië en Tskhnivali/Zuid-Ossetië te herstellen, met het oog op een vreedzame en duurzame conflictoplossing op basis van de beginselen van het internationale recht, en gezien het engagement van de EU om een vreedzame en duurzame oplossing van het conflict te ondersteunen;

ERKENNEND in dit verband het belang van de verdere uitvoering van het op 12 augustus 2008 bereikte zespuntenakkoord en de uitvoeringsmaatregelen ervan, van doeltreffende internationale aanwezigheid voor de handhaving van vrede en veiligheid op het terrein, van het voortzetten van een wederzijds ondersteunend beleid inzake niet-erkenning en betrokkenheid, van de ondersteuning van de internationale besprekingen in Genève en van een veilige en waardige terugkeer van alle vluchtelingen en binnenlandse ontheemden in overeenstemming met de beginselen van het internationale recht;

VASTBESLOTEN ervoor te zorgen dat de voordelen van nauwere politieke associatie en economische integratie tussen Georgië en de EU ten goede komen aan alle burgers van Georgië met inbegrip van de door conflicten verdeelde gemeenschappen;

ZICH INZETTEND VOOR de bestrijding van georganiseerde misdaad en illegale handel, en voor de versterking van de samenwerking bij terrorismebestrijding;

ZICH INZETTEND VOOR een verdieping van hun dialoog en samenwerking op het gebied van mobiliteit, migratie, asiel en grensbeheer, rekening houdend met het mobiliteitspartnerschap EU-Georgië, via een integrale aanpak met aandacht voor legale migratie, met inbegrip van circulaire migratie, en voor samenwerking bij het aanpakken van illegale migratie, mensenhandel en de doeltreffende uitvoering van de overnameovereenkomst;

ERKENNEND dat het van belang is op termijn een visumvrije regeling in te voeren voor de burgers van Georgië, mits aan alle voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit wordt voldaan, met inbegrip van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van overname- en visumversoepelingsovereenkomsten;

BELANG HECHTEND AAN de beginselen van de vrijemarkteconomie en de bereidheid van de EU een bijdrage te leveren aan de economische hervormingen in Georgië, mede in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid en het oostelijk partnerschap;

STREVEND naar economische integratie, in het bijzonder met een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) die integraal deel uitmaakt van deze overeenkomst, met inbegrip van de harmonisatie van de wet- en regelgeving en met inachtneming van de rechten en plichten die voortvloeien uit het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van de partijen;

VAN OORDEEL dat deze overeenkomst een nieuw klimaat zal scheppen voor de economische relaties tussen de partijen en vooral ook voor de ontwikkeling van handel, investeringen en de stimulering van concurrentie, factoren die essentieel zijn voor de economische herstructurering en modernisering;

ZICH INZETTEND VOOR de eerbiediging van de beginselen van duurzame ontwikkeling, de bescherming van het milieu en het tegengaan van klimaatverandering, de voortdurende verbetering van milieubeheer en het voldoen aan milieubehoeften, met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerking en tenuitvoerlegging van multilaterale internationale overeenkomsten;

ZICH INZETTEND VOOR de continuïteit van de energievoorziening, met inbegrip van de ontwikkeling van de zuidelijke corridor, onder meer door passende projecten op te zetten in Georgië ter vergemakkelijking van de ontwikkeling van geschikte infrastructuur, inclusief voor de doorreis over het grondgebied van Georgië, betere marktintegratie en geleidelijke aanpassing van de regelgeving aan kernaspecten van de Europese regelgeving, de stimulering van energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

ERKENNEND dat meer samenwerking op energiegebied nodig is, en dat de partijen het engagement zijn aangegaan om het Verdrag inzake het Europees Energiehandvest uit te voeren;

BEREID het niveau van de bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van de mens te verhogen, als een essentiële voorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei;

STREVEND naar meer contacten van mens tot mens, onder meer door samenwerking en uitwisselingen op het gebied van wetenschap en technologie, bedrijfsleven, jeugd, onderwijs en cultuur;

ZICH INZETTEND VOOR de bevordering van grensoverschrijdende en interregionale samenwerking door beide partijen in een geest van betrekkingen van goed nabuurschap;

ERKENNEND dat Georgië streeft naar de geleidelijke aanpassing van zijn wetgeving op de relevante terreinen aan die van de EU, in overeenstemming met deze overeenkomst en naar concrete uitvoering;

ERKENNEND dat Georgië streeft naar de ontwikkeling van zijn administratieve en institutionele infrastructuur voor zover nodig voor de handhaving van deze overeenkomst;

REKENING HOUDEND met de bereidheid van de EU om steun te verlenen voor de tenuitvoerlegging van hervormingen en daartoe gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten voor samenwerking en technische, financiële en economische bijstand;

BEVESTIGEND dat de bepalingen van deze overeenkomst die binnen het toepassingsgebied van het derde deel, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen binden, en niet als deel van de EU, totdat de EU tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland Georgië ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland gebonden zijn als deel van de EU, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Indien het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland niet langer gebonden zijn als deel van de EU overeenkomstig artikel 4 bis van dat protocol, moet de EU tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland Georgië onmiddellijk in kennis stellen van iedere wijziging in hun positie; in dat geval blijven zij op persoonlijke titel gebonden door de bepalingen van de overeenkomst. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan die verdragen is gehecht,

Zijn het volgende overeengekomen1:

Artikel 1. Doelstellingen

  • 1 Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds.

  • 2 Deze associatie heeft ten doel:

    • a. politieke associatie en economische integratie tussen de partijen te bewerkstelligen op basis van gemeenschappelijke waarden en nauwe banden, onder andere door de deelname van Georgië aan het beleid en aan programma's en agentschappen van de EU te vergroten;

    • b. een sterker kader voor een diepere politieke dialoog tot stand te brengen over alle zaken van wederzijds belang, zodat nauwe politieke betrekkingen tussen de partijen kunnen ontstaan;

    • c. bij te dragen aan de versterking van de democratie en de politieke, economische en institutionele stabiliteit in Georgië;

    • d. vrede en stabiliteit te bevorderen, bewaren en versterken, zowel op regionaal als op internationaal niveau, op basis van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en van de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, onder meer door de inspanningen te bundelen om oorzaken van spanningen op te heffen, de grensbeveiliging te verbeteren en de grensoverschrijdende samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen te bevorderen;

    • e. de samenwerking te bevorderen met het oog op een vreedzame oplossing van conflicten;

    • f. de samenwerking te verbeteren op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, om zo de rechtsstaat en het respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te versterken;

    • g. de inspanningen van Georgië voor de ontwikkeling van zijn economische mogelijkheden door internationale samenwerking te ondersteunen, onder meer door de aanpassing van zijn regelgeving aan die van de EU;

    • h. de geleidelijke economische integratie van Georgië in de interne markt van de EU te bewerkstelligen, zoals bepaald in deze overeenkomst, onder meer door het opzetten van een diepe en brede vrijhandelsruimte die zal zorgen voor een verregaande toegang tot de markt op basis van de duurzame en alomvattende onderlinge aanpassing van de regelgeving in overeenstemming met de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het WTO-lidmaatschap;

    • i. de voorwaarden te scheppen voor steeds nauwere samenwerking op andere gebieden van wederzijds belang.

TITEL I. ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 2. Algemene beginselen

  • 1 De eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, als beschreven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 1948 en vastgelegd in het Europees Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950, de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van 1990 vormen de grondslag van het binnenlands en buitenlands beleid van de partijen en zijn een essentieel onderdeel van deze overeenkomst. Het tegengaan van de proliferatie van massavernietigingswapens, verwante materialen en overbrengingsmiddelen daarvoor is eveneens een essentieel onderdeel van deze overeenkomst.

  • 2 De partijen wijzen er nogmaals op dat zij vasthouden aan de beginselen van een vrije markteconomie, duurzame ontwikkeling en efficiënt multilateralisme.

  • 3 De partijen herbevestigen dat zij de beginselen van de rechtsstaat en goed bestuur, alsmede hun internationale verplichtingen, met name in het kader van de VN, de Raad van Europa en de OVSE zullen eerbiedigen. In het bijzonder komen zij overeen te ijveren voor de eerbiediging van de beginselen van souvereiniteit en territoriale integriteit, onschendbaarheid van de grenzen en onafhankelijkheid.

  • 4 De partijen zetten zich in voor de rechtsstaat, goed bestuur, corruptiebestrijding, de strijd tegen de verschillende vormen van transnationale georganiseerde misdaad en terrorisme, de bevordering van duurzame ontwikkeling, efficiënt multilateralisme en de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor. Deze verbintenis is van fundamenteel belang voor de ontwikkeling van de betrekkingen en de samenwerking tussen de partijen en draagt bij tot de regionale vrede en stabiliteit.

TITEL II. POLITIEKE DIALOOG EN HERVORMING, SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN HET BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel 3. Doelstellingen van de politieke dialoog

  • 1 De politieke dialoog tussen de partijen over alle gebieden van wederzijds belang, met inbegrip van het buitenlands en veiligheidsbeleid en binnenlandse hervormingen, wordt verder ontwikkeld en versterkt. Dit zal de doelmatigheid van de politieke samenwerking vergroten en convergentie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid bevorderen, waardoor de relaties op een ambitieuze en vernieuwende wijze worden verstevigd.

  • 2 De doelstellingen van de politieke dialoog zijn:

    • a. een diepere politieke associatie en meer convergentie en doeltreffendheid op het vlak van politiek en veiligheidsbeleid;

    • b. bevordering van de beginselen van territoriale integriteit, onschendbaarheid van de internationaal erkende grenzen, soevereiniteit en onafhankelijkheid, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa;

    • c. bevordering van de vreedzame oplossing van conflicten;

    • d. meer internationale stabiliteit en veiligheid, op basis van efficiënt multilateralisme;

    • e. meer samenwerking en dialoog tussen de partijen over internationale veiligheid en crisisbeheer, met name om wereldwijde en regionale problemen en bedreigingen aan te pakken;

    • f. versterking van de samenwerking in de strijd tegen de proliferatie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen, met inbegrip van alternatieve tewerkstelling van wetenschappers die voorheen in MVW-programma's werkzaam waren;

    • g. meer resultaatgerichte en praktische samenwerking tussen de partijen om te komen tot vrede, veiligheid en stabiliteit op het Europese continent;

    • h. meer respect voor de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur, de mensenrechten en fundamentele vrijheden, ook de persvrijheid en de rechten van personen die behoren tot nationale minderheden, en consolidering van binnenlandse politieke hervormingen;

    • i. verdere dialoog en meer samenwerking tussen de partijen op het vlak van veiligheid en defensie;

    • j. het sterker bevorderen van regionale samenwerking in verschillende vormen;

    • k. ervoor zorgen dat de voordelen van nauwere politieke associatie tussen de EU en Georgië, met inbegrip van meer convergentie op het vlak van veiligheidsbeleid, ten goede komen aan alle burgers van Georgië binnen de internationaal erkende grenzen van het land.

Artikel 4. Binnenlandse hervormingen

De partijen werken samen om de stabiliteit en doeltreffendheid van de democratische instellingen en de rechtsstaat te ontwikkelen, te versterken en te vergroten; de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen; verder te werken aan de hervorming van de wetgeving en de rechterlijke macht, zodat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wordt gewaarborgd, de bestuurlijke capaciteit wordt versterkt en de onpartijdigheid en efficiëntie van de instanties voor rechtshandhaving wordt gegarandeerd; verder te werken aan de hervorming van het openbaar bestuur met het oog op een verantwoordingsplichtig, efficiënt, doelmatig, transparant en professioneel ambtenarenapparaat; en daadwerkelijk te blijven strijden tegen de corruptie, in het bijzonder met het oog op het versterken van de internationale samenwerking bij de bestrijding van corruptie, en de relevante internationale rechtsinstrumenten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie van 2003, daadwerkelijk ten uitvoer te leggen.

Artikel 5. Buitenlands en veiligheidsbeleid

  • 1 De partijen intensiveren hun dialoog en samenwerking en ondersteunen de geleidelijke convergentie op het vlak van buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en besteden bijzondere aandacht aan conflictpreventie, vreedzame conflictoplossing en crisisbeheer, regionale stabiliteit, ontwapening, non-proliferatie, wapenbeheersing en wapenuitvoercontrole. Samenwerking wordt gebaseerd op gemeenschappelijke waarden en gezamenlijke belangen en is gericht op meer convergentie en doeltreffendheid van het beleid, waarbij gebruik wordt gemaakt van bilaterale, internationale en regionale fora.

  • 2 De partijen bevestigen hun gehechtheid aan de beginselen van territoriale integriteit, onschendbaarheid van de internationaal erkende grenzen, soevereiniteit en onafhankelijkheid, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, en verbinden zich ertoe deze beginselen te ondersteunen in hun bilaterale en multilaterale betrekkingen. De partijen ondersteunen voorts ten volle het beginsel van toestemming van het gastland voor de stationering van buitenlandse strijdkrachten op hun grondgebied. Zij zijn het erover eens dat voor de stationering van buitenlandse strijdkrachten op hun grondgebied de uitdrukkelijke toestemming van het gastland is vereist, in overeenstemming met het internationaal recht.

Artikel 6. Ernstige misdrijven waarmee de internationale gemeenschap wordt geconfronteerd

  • 1 De partijen bevestigen opnieuw dat de ernstigste misdrijven die de gehele internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat de straffeloosheid van dit soort misdaden moet worden vermeden door maatregelen te nemen op nationaal en internationaal niveau, onder meer in het Internationaal Strafhof.

  • 2 De partijen zijn van oordeel dat de oprichting en doeltreffende werking van het Internationaal Strafhof een belangrijke ontwikkeling is voor de internationale vrede en gerechtigheid. De partijen bevestigen hun verbintenis om te blijven samenwerken met het Internationaal Strafhof door het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en de bijbehorende instrumenten ten uitvoer te leggen, met inachtneming van het behoud van de integriteit ervan.

Artikel 7. Conflictpreventie en crisisbeheer

De partijen intensiveren de praktische samenwerking op het vlak van conflictpreventie en crisisbeheer, in het bijzonder met het oog op mogelijke deelname van Georgië aan civiele en militaire operaties inzake crisisbeheer onder leiding van de EU en aan oefeningen en opleidingen. Dit wordt van geval tot geval en na een eventuele uitnodiging door de EU beslist.

Artikel 8. Regionale stabiliteit

  • 1 De partijen voeren hun gezamenlijke inspanningen op voor meer stabiliteit, veiligheid en democratische ontwikkeling in de regio en voor het sterker bevorderen van regionale samenwerking in verschillende vormen, en in het bijzonder om te werken aan een vreedzame oplossing van onopgeloste conflicten in de regio.

  • 2 Deze inspanningen verlopen volgens de gemeenschappelijke beginselen voor handhaving van internationale vrede en veiligheid als bepaald in het Handvest van de Verenigde Naties, de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en andere relevante multilaterale documenten. De partijen maken ook ten volle gebruik van het multilaterale kader van het oostelijk partnerschap dat voorziet in samenwerking en een open en vrije dialoog, en in de versterking van de banden tussen de partnerlanden onderling.

Artikel 9. Vreedzame oplossing van conflicten

  • 1 De partijen bevestigen hun engagement voor een vreedzame conflictoplossing, met volledig respect voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië binnen zijn internationaal erkende grenzen, en met het oog op gezamenlijke inspanningen voor wederopbouw en verzoening na het conflict. In afwachting van een duurzame oplossing voor het conflict en onverminderd de bestaande formaten voor de aanpak van conflictgerelateerde kwesties, vormt vreedzame conflictoplossing een van de centrale thema's op de agenda van de politieke dialoog tussen de partijen, alsook in de dialoog met andere relevante internationale actoren.

  • 2 De partijen erkennen dat het belangrijk is dat Georgië streeft naar verzoening en inspanningen levert om zijn territoriale integriteit te herstellen met het oog op een vreedzame en duurzame conflictoplossing, en dat werk wordt gemaakt van de volledige uitvoering van het op 12 augustus 2008 bereikte zespuntenakkoord en de uitvoeringsmaatregelen ervan, van het voortzetten van een wederzijds ondersteunend beleid inzake niet-erkenning en betrokkenheid, van de ondersteuning van de internationale besprekingen in Genève en van een veilige en waardige terugkeer van alle vluchtelingen en binnenlandse ontheemden naar hun gewoonlijke verblijfplaats in overeenstemming met de beginselen van het internationale recht, en van een duidelijke betrokkenheid op internationaal niveau, ook, in voorkomend geval, op het niveau van de EU.

  • 3 De partijen coördineren, ook met andere relevante internationale organisaties, hun inspanningen om bij te dragen tot de vreedzame oplossing van conflicten in Georgië, onder meer met betrekking tot de aanpak van humanitaire kwesties.

  • 4 Al deze inspanningen verlopen volgen de gezamenlijke beginselen voor handhaving van internationale vrede en veiligheid als bepaald in het Handvest van de Verenigde Naties, de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa en andere relevante multilaterale documenten.

Artikel 10. Massavernietigingswapens

  • 1 De partijen zijn van oordeel dat de proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel staten als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale vrede en stabiliteit vormt. De partijen komen daarom overeen samen te werken en bij te dragen tot de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door volledige naleving en nationale tenuitvoerlegging van hun bestaande verplichtingen op grond van de internationale ontwapenings- en non-proliferatieverdragen en -overeenkomsten en andere internationale verplichtingen op dit gebied. De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel onderdeel van deze overeenkomst vormt.

  • 2 De partijen komen bovendien overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door:

    • a. maatregelen te nemen, gericht op de ondertekening of de ratificatie van alle andere internationale instrumenten ter zake, of, in voorkomend geval, op aansluiting daarbij, en op de volledige tenuitvoerlegging daarvan; en

    • b. een doeltreffend nationaal uitvoercontrolesysteem in te voeren, gericht op zowel de uitvoer als de doorvoer van goederen die verband houden met massavernietigingswapens, waaronder controle op het eindgebruik van technologieën voor tweeërlei gebruik in het kader van massavernietigingswapens, en door doeltreffende sancties op te leggen in het geval van overtreding van de uitvoercontroles.

  • 3 De partijen komen overeen om deze kwesties aan te pakken in het kader van hun politieke dialoog.

Artikel 11. Handvuurwapens en lichte wapens en de controle op de uitvoer van conventionele wapens

  • 1 De partijen erkennen dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, alsmede de buitensporige accumulatie, slecht beheer, inadequaat beveiligde voorraden en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging voor de vrede en de internationale veiligheid blijven vormen.

  • 2 De partijen komen overeen hun verplichtingen met betrekking tot de aanpak van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor na te komen en volledig ten uitvoer te leggen, overeenkomstig de bestaande internationale verdragen en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, evenals hun verbintenissen in het kader van andere internationale instrumenten op dit gebied, zoals het VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitbanning van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten.

  • 3 De partijen verbinden zich ertoe samen te werken en te zorgen voor coördinatie, complementariteit en synergie bij de aanpak van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en de munitie daarvoor en de vernietiging van excessieve voorraden, op mondiaal, regionaal, subregionaal en nationaal niveau.

  • 4 Voorts komen de partijen overeen hun samenwerking voort te zetten op het vlak van de controle op de uitvoer van conventionele wapens, overeenkomstig het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie.

  • 5 De partijen komen overeen om deze kwesties aan te pakken in het kader van hun politieke dialoog.

Artikel 12. Bestrijding van terrorisme

  • 1 De partijen bevestigen opnieuw het belang van de strijd tegen en het voorkomen van terrorisme en komen overeen samen te werken op bilateraal, regionaal en internationaal niveau om terrorisme in al zijn vormen en uitingen te voorkomen en te bestrijden.

  • 2 De partijen komen overeen dat het terrorisme moet worden bestreden met volledige eerbiediging van de rechtsstaat en in overeenstemming met het internationale recht, met inbegrip van het internationale recht inzake de mensenrechten, het internationale vluchtelingenrecht en het internationaal humanitair recht en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en alle relevante internationale instrumenten in verband met terrorismebestrijding.

  • 3 De partijen benadrukken het belang van de universele ratificatie en de volledige tenuitvoerlegging van alle VN-verdragen en protocollen in verband met terrorismebestrijding. De partijen komen overeen de dialoog te blijven bevorderen over het Alomvattend Verdrag betreffende internationaal terrorisme en samen te werken bij de tenuitvoerlegging van de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de Verenigde Naties, alsmede bij alle relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad en verdragen van de Raad van Europa. De partijen komen tevens overeen samen te werken met het oog op een internationale consensus over de preventie en bestrijding van terrorisme.

TITEL III. VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT

Artikel 13. Rechtsstaat, respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

  • 1 Bij hun samenwerking op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht schenken de partijen bijzondere aandacht aan de verdere bevordering van de rechtsstaat, met inbegrip van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de toegang tot het gerecht en het recht op een eerlijk proces.

  • 2 De partijen werken nauw samen voor een doeltreffend functioneren van de instellingen op het gebied van de rechtshandhaving en rechtsbedeling.

  • 3 Respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden is de leidraad voor alle samenwerking inzake vrijheid, veiligheid en recht.

Artikel 14. Bescherming van persoonsgegevens

De partijen komen overeen samen te werken om een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens te waarborgen, in overeenstemming met de in bijlage I bij deze overeenkomst bedoelde Europese en internationale normen en juridische instrumenten, met inbegrip van de relevante instrumenten van de Raad van Europa.

Artikel 15. Migratie, asiel en grensbeheer

  • 1 De partijen herbevestigen het belang van een gezamenlijk beheer van migratiestromen tussen hun grondgebieden en brengen een brede dialoog tot stand over alle kwesties in verband met migratie, waaronder legale migratie, internationale bescherming en de strijd tegen illegale migratie, mensensmokkel en mensenhandel.

  • 2 Op basis van een specifieke analyse van de behoeften, die in onderling overleg door de partijen wordt verricht, werken de partijen samen overeenkomstig hun desbetreffende wetgeving. De samenwerking richt zich met name op:

    • a. de onderliggende oorzaken en de gevolgen van migratie;

    • b. de ontwikkeling en uitvoering van nationale wetgeving en praktijken met betrekking tot internationale bescherming, teneinde te voldoen aan de bepalingen van het verdrag van Genève van 1951 inzake de status van vluchtelingen en het protocol inzake de status van vluchtelingen van 1967 en andere relevante internationale instrumenten, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950, en teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van non-refoulement gerespecteerd wordt;

    • c. de toelatingscriteria, alsmede de rechten en de status van toegelaten personen, de eerlijke behandeling en integratie van legale buitenlandse ingezetenen, onderwijs en opleiding en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat;

    • d. een betere doeltreffende en preventieve aanpak van illegale migratie, smokkel van migranten en mensenhandel, alsmede de vraag hoe netwerken van handelaars en smokkelaars kunnen worden bestreden en de slachtoffers van deze handel kunnen worden beschermd;

    • e. de uitvoering van de werkafspraak inzake de operationele samenwerking tussen het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (FRONTEX) en het ministerie van Binnenlandse Zaken van Georgië, ondertekend op 4 december 2008;

    • f. op het gebied van de beveiliging van documenten en grensbewaking, kwesties zoals organisatie, opleiding, beste praktijken en andere operationele maatregelen.

  • 3 Samenwerking kan ook de circulaire migratie vergemakkelijken en komt ten goede aan de ontwikkeling.

Artikel 16. Verkeer van personen en overname

  • 1 De partijen zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van:

    • a. de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, die op 1 maart 2011 in werking is getreden; en

    • b. de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de versoepeling van de afgifte van visa, die op 1 maart 2011 in werking is getreden.

  • 2 De partijen blijven streven naar meer mobiliteit van burgers en blijven geleidelijk evolueren in de richting van de gemeenschappelijk doelstelling van een op termijn visumvrije regeling, mits aan alle voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit wordt voldaan, als bepaald in het uit twee fasen bestaande actieplan voor visumliberalisering.

Artikel 17. Bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie

  • 1 De partijen werken samen aan de voorkoming en bestrijding van al dan niet georganiseerde criminele en illegale activiteiten, in het bijzonder transnationale activiteiten, zoals:

    • a. smokkel van en handel in mensen, handvuurwapens en illegale drugs;

    • b. smokkel van en illegale handel in goederen;

    • c. illegale economische en financiële activiteiten zoals namaak, belastingfraude en fraude bij openbare aanbestedingen;

    • d. verduistering van middelen van door internationale donoren gefinancierde projecten;

    • e. actieve en passieve corruptie, zowel in de openbare als in de particuliere sector;

    • f. vervalsing van documenten, het afleggen van onjuiste verklaringen; en

    • g. computercriminaliteit.

  • 2 De partijen verbeteren daarom de bilaterale, regionale en internationale samenwerking tussen wetshandhavingsinstanties en ontwikkelen de samenwerking tussen Europol en de betrokken Georgische autoriteiten. De partijen verbinden zich tot de effectieve tenuitvoerlegging van de relevante internationale normen, met name die welke in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad van 2000 en de drie protocollen daarbij, en in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie van 2003 zijn opgenomen.

Artikel 18. Illegale drugs

  • 1 Binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden werken de partijen samen met het oog op een evenwichtige en geïntegreerde aanpak van drugsvraagstukken. Het beleid en de maatregelen met betrekking tot drugs zijn gericht op het versterken van de structuren om illegale drugs te voorkomen en te bestrijden, het beperken van het aanbod aan, de handel in en de vraag naar illegale drugs, waarbij de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en de maatschappelijke consequenties van drugsgebruik worden aangepakt, en op het doeltreffender voorkomen dat chemische stoffen onrechtmatig worden gebruikt voor de illegale productie van drugs en psychotrope stoffen.

  • 2 De partijen komen overeen welke samenwerkingsmethoden nodig zijn om deze doelstellingen te bereiken. De activiteiten worden gebaseerd op onderling overeengekomen beginselen, overeenkomstig de desbetreffende internationale verdragen, de EU-drugsstrategie (2013-2020), de Politieke Verklaring inzake richtsnoeren om de vraag naar drugs te verminderen, goedgekeurd op de twintigste speciale zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake drugs van juni 1998.

Artikel 19. Witwassen van geld en terrorismefinanciering

  • 1 De partijen werken samen om te voorkomen dat hun financiële systemen en relevante niet-financiële systemen worden gebruikt voor het witwassen van de opbrengsten uit criminele activiteiten in het algemeen en drugsmisdrijven in het bijzonder, of voor de financiering van terrorisme.

    Deze samenwerking strekt zich uit tot inbeslagneming van vermogensbestanddelen of gelden die uit de opbrengsten van criminele activiteiten zijn verkregen.

  • 2 Door samenwerking op dit gebied moet het mogelijk worden relevante informatie uit te wisselen in het kader van de respectieve wetgeving en passende normen vast te stellen voor de voorkoming en bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, die vergelijkbaar zijn met die van de internationale instanties op dit gebied, zoals de Financial Action Task Force inzake het witwassen van geld (FATF).

Artikel 20. Bestrijding van terrorisme

  • 1 In volledige overeenstemming met de beginselen die ten grondslag liggen aan de strijd tegen het terrorisme als beschreven in artikel 12 van deze overeenkomst, bevestigen de partijen opnieuw het belang van rechtshandhaving en een justitiële aanpak in de strijd tegen het terrorisme en komen zij overeen samen te werken bij de voorkoming en bestrijding van terrorisme, in het bijzonder door:

    • a. de strafbaarstelling van terroristische misdrijven te waarborgen, in overeenstemming met de definitie in het Kaderbesluit 2008/919/JBZ van de Raad van 28 november 2008 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake de bestrijding van terrorisme;

    • b. informatie uit te wisselen over terroristische groepen en personen en de hen ondersteunende netwerken, overeenkomstig het nationale en internationale recht, in het bijzonder ten aanzien van gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

    • c. ervaringen uit te wisselen inzake de voorkoming en bestrijding van terrorisme, inzake middelen en methodes en de technische aspecten ervan, en inzake opleiding, in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving;

    • d. informatie uit te wisselen over beste praktijken voor de aanpak en de bestrijding van radicalisering en rekrutering, en de bevordering van rehabilitatie;

    • e. standpunten en ervaringen uit te wisselen met betrekking tot grensoverschrijdend verkeer en reizen van terrorismeverdachten en met betrekking tot terroristische dreigingen;

    • f. beste praktijken te delen ten aanzien van de bescherming van de mensenrechten bij de strijd tegen terrorisme, in het bijzonder met betrekking tot strafrechtelijke procedures;

    • g. maatregelen te nemen tegen de dreiging van chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair terrorisme en de nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen worden verworven, overgedragen en gebruikt voor terroristische doeleinden en dat illegale handelingen worden verricht tegen risicovolle chemische, biologische, radiologische en nucleaire faciliteiten.

  • 2 De samenwerking is gebaseerd op de relevante beschikbare beoordelingen, zoals die van de bevoegde organen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa, in wederzijds overleg tussen de partijen.

Artikel 21. Juridische samenwerking

  • 1 De partijen komen overeen de juridische samenwerking in burgerlijke en commerciële zaken uit te bouwen, met name wat betreft de onderhandelingen over, en de ratificatie en tenuitvoerlegging van multilaterale verdragen inzake juridische samenwerking in burgerlijke zaken, en met name de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht op het gebied van internationale juridische samenwerking en procesvoering alsmede de bescherming van kinderen.

  • 2 Wat de juridische samenwerking in strafzaken betreft, streven de partijen naar verbetering van de samenwerking op het gebied van wederzijdse juridische bijstand op basis van de multilaterale overeenkomsten ter zake. Waar nodig impliceert dit de toetreding tot en uitvoering van de relevante internationale instrumenten van de VN en de Raad van Europa, en nauwere samenwerking met Eurojust.

TITEL IV. HANDEL EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE AANGELEGENHEDEN

HOOFDSTUK 1. NATIONALE BEHANDELING EN MARKTTOEGANG VOOR GOEDEREN

AFDELING 1. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 22. Doelstelling

De partijen brengen een vrijhandelsruimte tot stand met ingang van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en in overeenstemming met artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994, hierna „GATT 1994” genoemd.

Artikel 23. Toepassingsgebied en dekking

  • 1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de handel in goederen2 tussen de partijen.

  • 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die aan de oorsprongsregels in protocol I bij deze overeenkomst voldoen.

AFDELING 2. AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN, VERGOEDINGEN EN ANDERE HEFFINGEN

Artikel 24. Definitie van douanerechten

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder „douanerechten” alle soorten rechten en heffingen verstaan die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen met betrekking tot deze invoer of uitvoer. Onder „douanerechten” worden niet verstaan:

  • a. heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 31 van deze overeenkomst worden opgelegd;

  • b. rechten die overeenkomstig hoofdstuk 2 (Handelsmaatregelen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst worden opgelegd;

  • c. vergoedingen en andere heffingen die overeenkomstig artikel 30 van deze overeenkomst worden opgelegd.

Artikel 25. Indeling van goederen

De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen geschiedt overeenkomstig de respectieve tariefnomenclatuur van elke partij, in overeenstemming met het geharmoniseerde systeem van 2012, dat gebaseerd is op het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen van 1983, hierna „GS” genoemd, en latere wijzigingen daarvan.

Artikel 26. Afschaffing van invoerrechten

  • 1 De partijen schaffen hun douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij af vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3 van dit artikel en onverminderd lid 4 van dit artikel.

  • 2 De in bijlage II-A bij deze overeenkomst vermelde producten mogen vrij van douanerechten in de Unie worden ingevoerd binnen de grenzen van de tariefcontingenten die in die bijlage zijn vermeld. Het meestbegunstigingsrecht wordt toegepast voor invoer die de grenzen van de tariefcontingenten te boven gaat.

  • 3 Voor de in bijlage II-B bij deze overeenkomst vermelde producten gelden ter zake van de invoer in de Unie geen ad-valoremrechten.

  • 4 Op de invoer van de in bijlage II-C bij deze overeenkomst vermelde producten van oorsprong uit Georgië zal het in artikel 27 van deze overeenkomst bedoelde antiontwijkingsmechanisme van toepassing zijn.

  • 5 Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst treden de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, in overleg om te bezien of de liberalisering op het gebied van douanerechten in het handelsverkeer tussen de partijen een breder toepassingsgebied kan krijgen. Een besluit uit hoofde van dit lid wordt genomen door het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst.

Artikel 27. Antiontwijkingsmechanisme met betrekking tot landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten

  • 1 Op de in bijlage II-C bij deze overeenkomst vermelde producten is het in dit artikel bedoelde antiontwijkingsmechanisme van toepassing. Voor elke categorie van deze producten wordt het gemiddelde jaarlijkse invoervolume uit Georgië in de Unie vermeld in bijlage II-C bij deze overeenkomst.

  • 2 Zodra in een bepaald kalenderjaar het invoervolume voor een of meer categorieën van de in lid 1 bedoelde producten 70% bedraagt van het in bijlage II-C bij deze overeenkomst aangegeven volume, stelt de Unie Georgië in kennis van het invoervolume van het betrokken product of de betrokken producten. Na deze kennisgeving en binnen 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de dag waarop het invoervolume voor een of meer categorieën van de in lid 1 bedoelde producten 80% bedraagt van het in bijlage II-C bij deze overeenkomst aangegeven volume, bezorgt Georgië de Unie gegevens waaruit duidelijk blijkt dat Georgië over de nodige capaciteit beschikt voor de vervaardiging van producten voor uitvoer naar de Unie boven de in deze bijlage aangegeven volumes. Indien Georgië geen deugdelijke uitleg verschaft, kan de Unie de preferentiële behandeling ten aanzien van de betrokken producten tijdelijk schorsen zodra deze invoer 100% bedraagt van het in bijlage II-C bij deze overeenkomst aangegeven volume.

    Deze schorsing geldt voor een periode van zes maanden en gaat in op de dag waarop het besluit tot schorsing van de preferentiële behandeling in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt.

  • 3 De Unie stelt Georgië onverwijld in kennis van elke tijdelijke schorsing uit hoofde van lid 2.

  • 4 Een tijdelijke schorsing wordt vóór het einde van de periode van zes maanden na de inwerkingtreding ervan door de Unie opgeheven indien Georgië aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, voldoende en deugdelijk bewijsmateriaal bezorgt, waaruit blijkt dat het invoervolume van de desbetreffende categorie producten dat het in bijlage II-C bij deze overeenkomst aangegeven volume te boven gaat, voortvloeit uit een wijziging van de productie- en uitvoercapaciteit van Georgië voor het betrokken product of de betrokken producten.

  • 5 Bijlage II-C bij deze overeenkomst en het volume kunnen met wederzijdse instemming van de Unie en Georgië in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken worden gewijzigd op verzoek van Georgië, om wijzigingen in de productie- en uitvoercapaciteit van Georgië voor het betrokken product of de betrokken producten tot uitdrukking te brengen.

Artikel 28. Status quo

Geen van de partijen mag nieuwe douanerechten vaststellen op een goed van oorsprong uit de andere partij of de douanerechten die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst verhogen. Dit sluit niet uit dat elke partij een douanerecht kan handhaven of verhogen als toegestaan door het Orgaan voor Geschillenbeslechting (DSB) van de WTO.

Artikel 29. Uitvoerrechten

Geen van de partijen mag rechten of belastingen vaststellen of handhaven ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen naar het grondgebied van de andere partij, andere dan interne heffingen die worden opgelegd overeenkomstig artikel 30 van deze overeenkomst.

Artikel 30. Vergoedingen en andere heffingen

Elke partij draagt er in overeenstemming met artikel VIII van de GATT 1994 en de aantekeningen erop zorg voor dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook – niet zijnde douanerechten of andere maatregelen als bedoeld in artikel 26 van deze overeenkomst – ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, en geen indirecte bescherming van interne goederen of een belasting op de invoer of de uitvoer voor fiscale doeleinden vormen.

AFDELING 3. NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN

Artikel 31. Nationale behandeling

Elke partij behandelt goederen van de andere partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

Artikel 32. Invoer- en uitvoerbeperkingen

Geen van de partijen mag verboden of beperkingen invoeren of handhaven ter zake van de invoer van een goed uit de andere partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald of zulks in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

AFDELING 4. SPECIFIEKE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN

Artikel 33. Algemene uitzonderingen

Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk wordt uitgelegd als beletsel voor de goedkeuring of handhaving door een partij van maatregelen overeenkomstig de artikelen XX en XXI van de GATT 1994 en alle toepasselijke aantekeningen erop, die hierbij in deze overeenkomst worden opgenomen en hier integraal deel van uitmaken.

AFDELING 5. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING EN COÖRDINATIE MET ANDERE LANDEN

Artikel 34. Tijdelijke intrekking van preferenties

  • 1 De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking en bijstand van essentieel belang zijn voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële tariefbehandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

  • 2 Wanneer een partij op basis van objectieve informatie heeft vastgesteld dat de andere partij geen administratieve medewerking of bijstand heeft verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude binnen het kader van dit hoofdstuk hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de desbetreffende preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten in overeenstemming met dit artikel tijdelijk schorsen.

  • 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking of bijstand onder meer verstaan:

    • a. het herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de oorsprongsstatus van het betrokken goed of de betrokken goederen te controleren;

    • b. het herhaaldelijk weigeren een controle achteraf van het bewijs van oorsprong uit te voeren en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onredelijke vertraging daarbij;

    • c. het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor het uitvoeren van onderzoeksmissies om de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens vast te stellen die van belang zijn voor het verlenen van de desbetreffende preferentiële behandeling, of onredelijke vertraging bij het verlenen van toestemming.

  • 4 Voor de toepassing van dit artikel kunnen onregelmatigheden of fraude onder meer worden vastgesteld wanneer het invoervolume van goederen snel stijgt, zonder dat daarvoor een bevredigende verklaring is, dat invoervolume de gebruikelijke productie- en uitvoercapaciteit van de andere partij te boven gaat, en de stijging in verband kan worden gebracht met objectieve informatie betreffende onregelmatigheden of fraude.

  • 5 Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

    • a. de partij die op basis van objectieve informatie heeft vastgesteld dat geen administratieve medewerking of bijstand werd verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude vanuit de andere partij hebben voorgedaan, stelt het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, onverwijld in kennis van haar bevindingen en van de objectieve informatie, en treedt op basis van alle desbetreffende informatie en objectief vastgestelde bevindingen binnen dat comité in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden;

    • b. wanneer de partijen binnen het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken in overleg zijn getreden en niet binnen drie maanden na de kennisgeving overeenstemming over een aanvaardbare oplossing hebben bereikt, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling voor het betrokken goed of de betrokken goederen tijdelijk schorsen. Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt van een tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld;

    • c. tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. De schorsingstermijn bedraagt maximaal zes maanden en kan worden verlengd indien de omstandigheid die aanleiding gaf tot de aanvankelijke schorsing, op de vervaldatum van de termijn niet is gewijzigd. Binnen het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken vindt hierover periodiek overleg plaats, met name met het oog op beëindiging van de schorsingen zodra de omstandigheden die aanleiding gaven tot toepassing ervan, niet meer gelden.

  • 6 Elke partij publiceert overeenkomstig haar interne procedures berichten aan de importeurs met betrekking tot alle in lid 5, onder a), bedoelde kennisgevingen, alle in lid 5, onder b), bedoelde besluiten, en alle in lid 5, onder c), bedoelde verlengingen of beëindigingen.

Artikel 35. Handelwijze bij administratieve fouten

Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregelingen een fout hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de bepalingen van protocol I bij deze overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking, en deze fout gevolgen heeft voor de invoerrechten, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd, het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, verzoeken na te gaan of alle passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.

Artikel 36. Overeenkomsten met andere landen

  • 1 Deze overeenkomst belet niet de handhaving of oprichting van douane-unies, vrijhandelsruimtes of regelingen betreffende grensverkeer, tenzij hierdoor de in deze overeenkomst neergelegde handelsregelingen worden ondermijnd.

  • 2 Wanneer een van de partijen daarom verzoekt, voeren de partijen overleg in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, over overeenkomsten waarbij douane-unies of vrijhandelsruimtes worden opgericht dan wel regelingen betreffende grensverkeer worden ingevoerd, alsmede over andere belangrijke aangelegenheden met betrekking tot hun respectieve handelsbeleid jegens derde landen. Dergelijk overleg zal in het bijzonder plaatsvinden ingeval een derde land tot de EU toetreedt, opdat wordt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de wederzijdse belangen van de Unie en Georgië zoals weergegeven in deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 2. HANDELSMAATREGELEN

AFDELING 1. ALGEMENE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 37. Algemene bepalingen

  • 1 De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst (hierna „Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen” genoemd) en artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst (hierna „Landbouwovereenkomst” genoemd).

  • 2 De preferentiële oorsprongsregels van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.

  • 3 Hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is niet van toepassing op de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 38. Transparantie

  • 1 De partij die een vrijwaringsonderzoek opent, stelt de andere partij, indien deze laatste daarbij een aanmerkelijk economisch belang heeft, van die opening in kennis.

  • 2 Onverminderd artikel 37 van deze overeenkomst geeft de partij die een vrijwaringsonderzoek opent en voornemens is vrijwaringsmaatregelen te treffen, op verzoek van de andere partij onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie die tot de opening van het vrijwaringsonderzoek en de instelling van vrijwaringsmaatregelen heeft geleid, alsmede voor zover relevant informatie over de opening van het vrijwaringsonderzoek en over de voorlopige en de definitieve bevindingen van dat onderzoek, en biedt zij de andere partij de mogelijkheid tot het voeren van overleg.

  • 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt een partij geacht aanmerkelijk economisch belang te hebben wanneer zij, uitgedrukt in absoluut volume of waarde, in de drie voorgaande jaren tot de vijf grootste leveranciers van het ingevoerde product behoorde.

Artikel 39. Toepassing van maatregelen

  • 1 Wanneer de partijen vrijwaringsmaatregelen instellen, streven zij ernaar om dat te doen op een wijze die hun bilaterale handel zo weinig mogelijk beïnvloedt.

  • 2 Wanneer een partij in het kader van de toepassing van lid 1 van dit artikel van mening is dat aan de juridische vereisten voor de instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen is voldaan en deze partij voornemens is dergelijke maatregelen in te stellen, stelt zij de andere partij daarvan in kennis en biedt zij deze de mogelijkheid tot het voeren van bilateraal overleg. Indien binnen dertig dagen na de kennisgeving geen aanvaardbare oplossing wordt gevonden, kan de partij van invoer passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen.

AFDELING 2. ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE MAATREGELEN

Artikel 40. Algemene bepalingen

  • 1 De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel VI van de GATT 1994, de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst (hierna „Antidumpingovereenkomst” genoemd) en de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen als opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst (hierna „SCM-Overeenkomst” genoemd).

  • 2 De preferentiële oorsprongsregels van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing op deze afdeling.

  • 3 Hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst is niet van toepassing op de bepalingen van deze afdeling.

Artikel 41. Transparantie

  • 1 De partijen komen overeen dat bij gebruikmaking van antidumping- en compenserende maatregelen de vereisten van de Antidumpingovereenkomst en de SCM-Overeenkomst volledig worden gerespecteerd, en dat die maatregelen op een eerlijk en transparant systeem worden gebaseerd.

  • 2 De partijen waarborgen dat onmiddellijk na de instelling van voorlopige maatregelen en vóór de definitieve vaststelling, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en duidelijk worden meegedeeld, onverminderd artikel 6, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 4, van de SCM-Overeenkomst. De feiten en overwegingen moeten schriftelijk worden meegedeeld, en er moet belanghebbenden voldoende tijd worden gelaten om hun opmerkingen in te dienen.

  • 3 Elke belanghebbende krijgt, mits zulks het onderzoek niet onnodig vertraagt, de gelegenheid te worden gehoord opdat hij gedurende antidumping- of antisubsidieonderzoeken zijn standpunt kenbaar kan maken.

Artikel 42. Algemeen belang

Antidumping- of compenserende maatregelen kunnen niet door een partij worden toegepast indien, op basis van de tijdens het onderzoek kenbaar gemaakte informatie, duidelijk kan worden geconcludeerd dat het niet in het algemeen belang is dergelijke maatregelen toe te passen. Bij de vaststelling met betrekking tot het algemeen belang wordt uitgegaan van een waardering van alle verschillende belangen, in hun geheel beschouwd, met inbegrip van de belangen van de interne bedrijfstak, gebruikers, consumenten en importeurs, voor zover zij relevante informatie aan de onderzoeksautoriteiten hebben verstrekt.

Artikel 43. Regel van het laagste recht

Indien een partij besluit om een voorlopig of definitief antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumpingmarge of het totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, maar is het lager dan de dumpingmarge of het totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wanneer de schade voor de interne bedrijfstak kan worden opgeheven door een lager recht.

HOOFDSTUK 3. TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN, NORMALISATIE, METROLOGIE, ACCREDITATIE EN CONFORMITEITSBEOORDELING

Artikel 44. Toepassingsgebied en definities

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de opstelling, de aanneming en de toepassing van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, hierna „TBT-Overeenkomst” genoemd, die in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst is opgenomen, welke de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.

  • 2 Onverminderd lid 1 is dit hoofdstuk noch op sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (hierna „SPS-Overeenkomst” genoemd), die in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst is opgenomen, noch op de aankoopspecificaties die door overheidsinstanties zijn opgesteld om in hun eigen productie- of verbruiksbehoeften te voorzien, van toepassing.

  • 3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage 1 bij de TBT-Overeenkomst.

Artikel 45. Bevestiging van TBT-Overeenkomst

De partijen bevestigen hun bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen ingevolge de TBT-Overeenkomst, die hierbij in de onderhavige overeenkomst wordt opgenomen en hier integraal deel van uitmaakt.

Artikel 46. Technische samenwerking

  • 1 De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van normen, technische voorschriften, metrologie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingssystemen, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectieve systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectieve markten te vergemakkelijken. Hiertoe kunnen zij zowel op horizontaal als op sectorniveau dialogen over regelgeving tot stand brengen.

  • 2 Bij hun samenwerking streven de partijen ernaar om handelsbevorderende initiatieven in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen die met name, doch niet uitsluitend, het volgende kunnen inhouden:

    • a. versterken van de samenwerking op regelgevingsgebied door de uitwisseling van gegevens en ervaringen alsmede door wetenschappelijke en technische samenwerking, teneinde de kwaliteit van hun technische voorschriften, normen, markttoezicht, conformiteitsbeoordeling en accreditatie te verbeteren en beter gebruik te maken van de beschikbare middelen op regelgevingsgebied;

    • b. bevorderen en aanmoedigen van samenwerking tussen hun respectieve openbare of particuliere organisaties voor metrologie, normalisatie, markttoezicht, conformiteitsbeoordeling en accreditatie;

    • c. bevorderen van de ontwikkeling van de kwaliteitsinfrastructuur voor normalisatie, metrologie, accreditatie, conformiteitsbeoordeling en van het systeem voor markttoezicht in Georgië;

    • d. bevorderen van de deelname van Georgië aan het werk van verwante Europese organisaties;

    • e. zoeken naar oplossingen voor technische handelsbelemmeringen die zich kunnen voordoen; en

    • f. in voorkomend geval inspanningen leveren voor afstemming van hun standpunten over aangelegenheden van wederzijds belang in internationale organisaties voor handel en regelgeving zoals de WTO en de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa, hierna „VN-ECE” genoemd.

Artikel 47. Aanpassing van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordeling

  • 1 Rekening houdend met zijn prioriteiten inzake aanpassing in verschillende sectoren, neemt Georgië de maatregelen die nodig zijn om geleidelijk te komen tot aanpassing aan de technische voorschriften, normen, metrologie, accreditatie, conformiteitsbeoordeling, bijbehorende systemen en het systeem voor markttoezicht van de Unie, en verbindt het zich tot naleving van de beginselen en de praktijken die in het toepasselijke acquis van de Unie zijn neergelegd (indicatieve lijst in bijlage III-B bij deze overeenkomst). Een lijst van de maatregelen inzake aanpassing is opgenomen in bijlage III-A bij deze overeenkomst en kan worden gewijzigd bij besluit van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst.

  • 2 Met het oog op het bereiken van deze doelstellingen:

    • a. past Georgië, rekening houdend met zijn prioriteiten, zijn wetgeving geleidelijk aan het toepasselijke acquis van de Unie aan; en

    • b. verwezenlijkt en handhaaft Georgië het benodigde niveau van administratieve en institutionele efficiëntie met het oog op het doeltreffende en transparante stelsel dat voor de uitvoering van dit hoofdstuk vereist is.

  • 3 Georgië onthoudt zich van wijziging van zijn horizontale en sectorspecifieke wetgeving op de prioriteitsgebieden inzake aanpassing, tenzij wijziging plaatsvindt om die wetgeving geleidelijk aan het dienovereenkomstige acquis van de Unie aan te passen en die aanpassing te handhaven; en Georgië stelt de Unie van dergelijke wijzigingen van zijn nationale wetgeving in kennis.

  • 4 Georgië waarborgt en bevordert dat zijn desbetreffende nationale organen deelnemen aan de Europese en internationale organisaties voor normalisatie, wettelijke en fundamentele metrologie en conformiteitsbeoordeling met inbegrip van accreditatie, in overeenstemming met de respectieve werkzaamheden van die organen en de mogelijke deelnamestatus ervan.

  • 5 Met het oog op de integratie van zijn normalisatiestelsel stelt Georgië alles in het werk om ervoor te zorgen dat zijn normalisatie-instelling:

    • a. geleidelijk het geheel aan Europese normen (EN) omzet in nationale normen, met inbegrip van de geharmoniseerde Europese normen, waarvan het vrijwillige gebruik wordt vermoed in overeenstemming te zijn met de wetgeving van de Unie bij omzetting in de wetgeving van Georgië;

    • b. gelijktijdig met deze omzetting daarmee strijdige nationale normen intrekt;

    • c. geleidelijk de andere voorwaarden voor volwaardig lidmaatschap van de Europese organisaties voor normalisatie vervult.

Artikel 48. Overeenkomst inzake overeenstemmingsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten, hierna „OOA” genoemd

De partijen kunnen uiteindelijk overeenkomen dat zij aan deze overeenkomst een OOA hechten in de vorm van een protocol, inzake een of meer overeengekomen sectoren, na controle door de Unie dat de desbetreffende horizontale en sectorspecifieke wetgeving, instellingen en normen van Georgië volledig aan die van de Unie zijn aangepast. Een dergelijke OOA zal bepalen dat de handel tussen de partijen in producten in de door haar bestreken sectoren plaatsvindt onder dezelfde voorwaarden als die welke op de handel in dergelijke producten tussen de lidstaten van toepassing zijn.

Artikel 49. Merktekens en etikettering

  • 1 Onverminderd de artikelen 47 en 48 van deze overeenkomst bevestigen de partijen met betrekking tot de technische voorschriften voor de etikettering of merktekens opnieuw de beginselen van hoofdstuk 2.2 van de TBT-Overeenkomst dat die voorschriften niet moeten worden opgesteld, vastgesteld of toegepast met het oogmerk of gevolg dat er onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan. Hiertoe mogen dergelijke voorschriften voor de etikettering of merktekens de handel niet meer beperken dan voor het bereiken van een legitieme doelstelling noodzakelijk is, waarbij acht moet worden geslagen op de risico's die zouden ontstaan wanneer niet aan die voorschriften wordt voldaan.

  • 2 Met betrekking tot verplichte etikettering of merktekens komen de partijen met name overeen dat:

    • a. zij ernaar streven hun eisen inzake merktekens of etikettering tot een minimum te beperken, tenzij het om de overname van het acquis van de Unie op dit gebied en om de bescherming van de gezondheid, de veiligheid of het milieu, of om andere redelijke doelstellingen van overheidsbeleid gaat;

    • b. een partij de vorm van de etiketten of merktekens mag specificeren, maar geen goedkeuring, registratie of certificering van etiketten mag verlangen; en

    • c. de partijen gerechtigd blijven te verlangen dat de informatie op het etiket of merkteken in een bepaalde taal wordt gesteld.

HOOFDSTUK 4. SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

Artikel 50. Doel

  • 1 Het doel van dit hoofdstuk is het bevorderen van de handel in handelsartikelen waarop tussen de partijen sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS-maatregelen), met inbegrip van alle in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen, van toepassing zijn, en tegelijkertijd het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen door:

    • a. te zorgen voor volledige transparantie inzake de in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen die op de handel van toepassing zijn;

    • b. het regelgevingsstelsel van Georgië aan te passen aan dat van de Unie;

    • c. de dier- en plantgezondheidsstatus van de partijen te erkennen en het regionalisatiebeginsel toe te passen;

    • d. een mechanisme voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van de in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde, door een partij toegepaste maatregelen in te voeren;

    • e. verder uitvoering te blijven geven aan de SPS-Overeenkomst;

    • f. mechanismen en procedures voor handelsbevordering in te voeren; en

    • g. de communicatie en samenwerking tussen de partijen inzake de in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen te verbeteren.

  • 2 Dit hoofdstuk heeft ook tot doel tussen de partijen een consensus over de normen voor dierenwelzijn te bereiken.

Artikel 51. Multilaterale verplichtingen

De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-overeenkomsten, en in het bijzonder de SPS-Overeenkomst.

Artikel 52. Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een partij die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden, met inbegrip van alle in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen. Dit toepassingsgebied laat het bereik van de aanpassing als bedoeld in artikel 55 van deze overeenkomst onverlet.

Artikel 53. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • 1. „sanitaire en fytosanitaire maatregelen”: maatregelen als omschreven in punt 1 van bijlage A bij de SPS-Overeenkomst (SPS-maatregelen);

  • 2. „dieren”: dieren zoals omschreven in de Terrestrial Animal Health Code (Gezondheidscode voor landdieren) respectievelijk de Aquatic Animal Health Code (Gezondheidscode voor waterdieren) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);

  • 3. „dierlijke producten”: producten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van producten van waterdieren zoals omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE;

  • 4. „niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten”: hele kadavers of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn als vermeld in bijlage IV-A, deel 2 (II), bij deze overeenkomst;

  • 5. „planten”: levende planten en gespecificeerde levende delen daarvan, met inbegrip van zaden en kiemplasma:

    • a. fruit, in botanische zin, ander dan diepgevroren;

    • b. groente, andere dan diepgevroren;

    • c. bollen, knollen en wortelstokken;

    • d. snijbloemen;

    • e. takken met loof;

    • f. gekapte bomen met loof;

    • g. plantenweefselculturen;

    • h. bladeren, loof;

    • i. levende pollen; en

    • j. enten, stekken, knoppen;

  • 6. „plantaardige producten”: producten van plantaardige oorsprong die niet zijn verwerkt of die een eenvoudige behandeling hebben ondergaan, voor zover het geen planten betreft die in bijlage IV-A, deel 3, bij deze overeenkomst zijn vermeld;

  • 7. „zaden”: zaden in botanische zin, bestemd voor opplant;

  • 8. „plaagorganismen”: alle soorten, stammen of biotypes van planten, dieren of ziekteverwekkers die schadelijk zijn voor planten of plantaardige producten (schadelijke organismen);

  • 9. „beschermde gebieden”: gebieden als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen, of regeling ter opvolging daarvan;

  • 10. „dierziekte”: een klinisch of pathologisch besmettingsverschijnsel bij dieren;

  • 11. „ziekte bij aquacultuur”: klinische of niet-klinische besmetting met een of meer ziekteverwekkers van de ziekten die waterdieren treffen en die in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE worden genoemd;

  • 12. „besmetting bij dieren”: de situatie waarbij dieren drager zijn van een besmettelijk agens, ongeacht of zij klinische of pathologische besmettingsverschijnselen vertonen;

  • 13. „normen op het gebied van dierenwelzijn”: normen voor de bescherming van dieren zoals deze door de partijen zijn opgesteld en worden toegepast en in voorkomend geval overeenstemmen met de normen van het OIE;

  • 14. „adequaat niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming”: het adequate niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming zoals omschreven in punt 5 van bijlage A bij de SPS-Overeenkomst;

  • 15. „regio”: voor wat diergezondheid betreft, gebieden of regio’s als omschreven in de Gezondheidscode voor landdieren van het OIE, en voor aquacultuur een gebied als omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE. Voor de Unie wordt onder de term „grondgebied” of „land” het grondgebied van de Unie verstaan;

  • 16. „plaagorganismevrij gebied (PVG)”: gebied waarin een specifiek plaagorganisme blijkens wetenschappelijk bewijs niet voorkomt en waarin, voor zover passend, deze hoedanigheid officieel in stand wordt gehouden;

  • 17. „regionalisatie”: het begrip regionalisatie als omschreven in artikel 6 van de SPS-Overeenkomst;

  • 18. „zending van dieren of dierlijke producten”: een aantal dieren of een hoeveelheid dierlijke producten van hetzelfde type, waarvoor één certificaat of document is afgegeven, die met hetzelfde transportmiddel wordt vervoerd, die is verzonden door één afzender en die van oorsprong is uit dezelfde partij van uitvoer of regio(s) van de partij. Een zending van dieren kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan;

  • 19. „zending van planten of plantaardige producten”: een hoeveelheid planten, plantaardige producten en/of andere materialen die van een partij naar de andere worden verplaatst, en waarvoor, indien nodig, één fytosanitair certificaat is afgegeven. Een zending kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan;

  • 20. „partij”: een aantal eenheden van een handelsartikel, dat herkenbaar is door de homogeniteit van de samenstelling en oorsprong ervan, en dat deel uitmaakt van een zending;

  • 21. „gelijkwaardigheid in het kader van het handelsverkeer” (gelijkwaardigheid): de situatie waarbij de in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen die in de partij van uitvoer worden toegepast, ongeacht of zij verschillen van de in bijlage IV vermelde maatregelen die in de partij van invoer worden toegepast, objectief gezien het adequate beschermingsniveau of het aanvaardbare risiconiveau van de partij van invoer bereiken;

  • 22. „sector”: de productie- en handelsstructuur voor een product of productcategorie in een van de partijen;

  • 23. „subsector”: een welomschreven en gecontroleerd deel van een sector;

  • 24. „handelsartikel”: de in de punten 2 tot en met 7 bedoelde producten of materialen;

  • 25. „specifieke invoervergunning”: een door de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer aan een individuele importeur van tevoren verstrekte officiële vergunning voor de invoer van één enkele zending of verschillende zendingen van een handelsartikel uit de partij van uitvoer, dat binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt;

  • 26. „werkdagen”: weekdagen behalve zondag, zaterdag en feestdagen in een van de partijen;

  • 27. „inspectie”: het onderzoeken van elk aspect van diervoeders, levensmiddelen, diergezondheid en dierenwelzijn, teneinde na te gaan of deze aspecten voldoen aan de voorschriften van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

  • 28. „fytosanitaire controle”: officieel onderzoek met het blote oog van planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor voorschriften bestaan, om te bepalen of er sprake is van plaagorganismen en/of te bepalen of er al dan niet aan de fytosanitaire voorschriften is voldaan;

  • 29. „verificatie”: toetsen, via onderzoek en inaanmerkingneming van objectief bewijsmateriaal, of aan specifieke vereisten is voldaan.

Artikel 54. Bevoegde autoriteiten

De partijen brengen elkaar op de hoogte van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden van hun bevoegde autoriteiten tijdens de eerste bijeenkomst van het in artikel 65 van deze overeenkomst bedoelde subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „SPS-subcomité” genoemd. De partijen stellen elkaar op de hoogte van elke verandering van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden, met inbegrip van de contactpunten, aangaande die bevoegde autoriteiten.

Artikel 55. Geleidelijke aanpassing

  • 1 Georgië blijft zijn sanitaire en fytosanitaire wetgeving alsmede die op het gebied van dierenwelzijn en andere wetgevende maatregelen als vermeld in bijlage IV bij deze overeenkomst geleidelijk aanpassen aan die van de Unie volgens de in bijlage XI bij deze overeenkomst vastgelegde beginselen en procedure.

  • 2 De partijen werken samen inzake geleidelijke aanpassing en capaciteitsopbouw.

  • 3 Het SPS-subcomité bewaakt op regelmatige basis de uitvoering van het aanpassingsproces zoals vastgelegd in bijlage XI bij deze overeenkomst, om de nodige aanbevelingen inzake aanpassing te kunnen geven.

  • 4 Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst legt Georgië een lijst van de door de EU aangenomen sanitaire en fytosanitaire wetgeving alsmede die op het gebied van dierenwelzijn en andere wetgevende maatregelen als omschreven in bijlage IV bij deze overeenkomst voor waaraan het zijn wetgeving zal aanpassen. De lijst moet onderverdeeld zijn naar prioriteitsgebieden, waarin de handel in een specifiek handelsartikel of een specifieke groep handelsartikelen wordt bevorderd door aanpassing. Deze aanpassingslijst dient als referentiedocument voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.

Artikel 56. Erkenning van diergezondheidsstatus en status inzake plaagorganismen alsmede van regionale omstandigheden in kader van handelsverkeer

Erkenning van status inzake dierziekten, besmetting bij dieren of plaagorganismen

  • 1 Wat dierziekten en besmettingen bij dieren (met inbegrip van zoönose) betreft, gelden onderstaande bepalingen:

    • a. de partij van invoer erkent, in het kader van het handelsverkeer, de diergezondheidsstatus van de partij van uitvoer of haar regio's, zoals deze overeenkomstig de procedure van bijlage VI bij deze overeenkomst zijn vastgesteld, voor de in bijlage V-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekten;

    • b. wanneer een partij meent dat zij voor haar grondgebied of een regio binnen haar grondgebied een bijzondere status heeft voor een bepaalde dierziekte die niet in bijlage V-A bij deze overeenkomst is opgenomen, kan zij om erkenning van deze status verzoeken overeenkomstig de procedure van bijlage VI, deel C, bij deze overeenkomst. In dit verband kan de partij van invoer bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties, die vergezeld gaan van een toelichting, eisen die in overeenstemming zijn met de overeengekomen status van de partijen;

    • c. de partijen erkennen als basis voor hun onderlinge handel de status van de grondgebieden of de regio's, of de status in een sector of een subsector van de partijen met betrekking tot de prevalentie of incidentie van een niet in bijlage V-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekte of, in voorkomend geval, van besmettingen bij dieren en/of het daaraan verbonden risico, zoals gedefinieerd door het OIE. In dit verband kan de partij van invoer bij de invoer van levende dieren en dierlijke producten garanties eisen die in overeenstemming zijn met de overeenkomstig de aanbevelingen van het OIE vastgestelde status; en

    • d. onverminderd de artikelen 58, 60 en 64 van deze overeenkomst, en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om handel mogelijk te maken op basis van de bepalingen van dit lid, onder a), b) en c).

  • 2 Wat plaagorganismen betreft, gelden onderstaande bepalingen:

    • a. de partijen erkennen in het kader van het handelsverkeer de status inzake plaagorganismen met betrekking tot de in bijlage V-B bij deze overeenkomst opgenomen plaagorganismen als omschreven in bijlage VI-B; en

    • b. onverminderd de artikelen 58, 60 en 64 van deze overeenkomst, en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om ondersteunende of bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van de bepalingen van dit lid, onder a).

Erkenning van regionalisatie/zonering, plaagorganismevrije gebieden (PVG's) en beschermde gebieden (BG's)

  • 3 De partijen erkennen de begrippen regionalisatie en PVG's zoals omschreven in het desbetreffende Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van 1997 (IPPC) en de internationale normen voor fytosanitaire maatregelen (ISPM’s) van de Voedsel- en landbouworganisatie (FAO), en het begrip beschermde gebieden overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG, en komen overeen dat deze begrippen op de handel tussen hen van toepassing zijn.

  • 4 De partijen komen overeen dat regionalisatiebesluiten voor de in bijlage V-A bij deze overeenkomst opgenomen dier- en visziekten en voor de in bijlage V-B bij deze overeenkomst opgenomen plaagorganismen moeten worden genomen in overeenstemming met de bepalingen van bijlage VI, delen A en B, bij deze overeenkomst.

  • 5 Wat dierziekten betreft, deelt de partij van uitvoer die erkenning van haar regionalisatiebesluit door de partij van invoer wenst, in overeenstemming met artikel 58 van deze overeenkomst de door haar ingestelde maatregelen mee met een omstandige toelichting op en ondersteunende gegevens voor haar bepalingen en besluiten. Onverminderd artikel 59 van deze overeenkomst en tenzij de partij van invoer uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt binnen 15 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving, wordt het aldus meegedeelde regionalisatiebesluit geacht te zijn aanvaard.

    Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde overleg vindt plaats in overeenstemming met artikel 59, lid 3, van deze overeenkomst. De partij van invoer beoordeelt de bijkomende gegevens binnen 15 werkdagen na ontvangst ervan. De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verificatie geschiedt in overeenstemming met artikel 62 van deze overeenkomst, binnen 25 werkdagen na ontvangst van het verzoek daartoe.

  • 6 Wat plaagorganismen betreft, draagt elke partij er zorg voor dat bij de handel in planten, plantaardige producten en andere materialen in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de status inzake plaagorganismen in een gebied dat door de andere partij is erkend als beschermd gebied of PVG. Een partij die erkenning van haar PVG door de andere partij wenst, deelt de door haar ingestelde maatregelen mee, desgevraagd met een omstandige toelichting op en ondersteunende gegevens voor de vaststelling en handhaving, waarbij de passende normen van de FAO of het IPPC, met inbegrip van ISPM's, worden aangehouden. Onverminderd artikel 64 van deze overeenkomst en tenzij een partij uitdrukkelijk bezwaar maakt en om bijkomende gegevens, overleg en/of verificatie verzoekt binnen drie maanden na de kennisgeving, wordt het aldus meegedeelde regionalisatiebesluit ter zake van het PVG geacht te zijn aanvaard.

    Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde overleg vindt plaats in overeenstemming met artikel 59, lid 3, van deze overeenkomst. De partij van invoer beoordeelt de bijkomende gegevens binnen drie maanden na ontvangst ervan. De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verificatie geschiedt in overeenstemming met artikel 62 van deze overeenkomst binnen 12 maanden na ontvangst van het verzoek daartoe, rekening houdende met de biologische kenmerken van het plaagorganisme en het gewas in kwestie.

  • 7 Na voltooiing van de procedures van de leden 4 tot en met 6, en onverminderd artikel 64 van deze overeenkomst, neemt elke partij onverwijld de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om de handel mogelijk te maken op basis van de in die leden vervatte bepalingen.

Compartimentering

  • 8 De partijen kunnen verdere besprekingen voeren met betrekking tot de kwestie van compartimentering.

Artikel 57. Erkenning van gelijkwaardigheid

  • 1 Erkenning van gelijkwaardigheid kan geschieden met betrekking tot:

    • a. afzonderlijke maatregelen;

    • b. een groep maatregelen; of

    • c. een op een sector, subsector, handelsartikel of groep handelsartikelen toepasselijk systeem.

  • 2 Met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid wordt door de partijen de procedure van lid 3 van dit artikel gevolgd. Deze procedure omvat dat door de partij van uitvoer objectief bewijs van gelijkwaardigheid wordt aangedragen en dat het verzoek door de partij van invoer objectief wordt beoordeeld. Deze beoordeling kan inspecties of verificaties omvatten.

  • 3 Indien de partij van uitvoer een verzoek indient met betrekking tot een erkenning van gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 1 van dit artikel, leiden de partijen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk verzoek door de partij van invoer de overlegprocedure in die de in bijlage VIII bij deze overeenkomst genoemde stappen omvat. Indien de partij van uitvoer meerdere verzoeken indient, komen de partijen, op verzoek van de partij van invoer, in het in artikel 65 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité een tijdschema overeen waarbinnen zij de in dit lid bedoelde procedure inleiden en uitvoeren.

  • 4 Georgië stelt de Unie in kennis zodra de aanpassing is voltooid met betrekking tot een maatregel, een groep maatregelen of een systeem als bedoeld in lid 1 van dit artikel ten gevolge van het toezicht waarin artikel 55, lid 3, van deze overeenkomst voorziet. Dit wordt beschouwd als de basis voor een verzoek van Georgië om de procedure voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van de desbetreffende maatregelen overeenkomstig lid 3 van dit artikel in te leiden.

  • 5 Tenzij anders overeengekomen, rondt de partij van invoer de procedure voor de erkenning van de gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 3 van dit artikel af binnen 360 dagen na ontvangst van het verzoek van de partij van uitvoer, met inbegrip van een dossier met het bewijs van gelijkwaardigheid. Deze termijn kan worden verlengd voor seizoensgewassen waarvoor het gerechtvaardigd is de evaluatie uit te stellen teneinde de fytosanitaire maatregelen over een voldoende lange groeiperiode te kunnen verifiëren.

  • 6 De partij van invoer stelt de gelijkwaardigheid wat betreft planten, plantaardige producten en andere materialen vast in overeenstemming met de desbetreffende ISPM's.

  • 7 De partij van invoer kan de erkenning van de gelijkwaardigheid intrekken of opschorten bij elke wijziging van een maatregel door een van de partijen die van invloed is op de gelijkwaardigheid, op voorwaarde dat de volgende procedure wordt gevolgd:

    • a. in overeenstemming met artikel 58, lid 2, van deze overeenkomst stelt de partij van uitvoer de partij van invoer in kennis van elk voorstel tot wijziging van door haar ingestelde maatregelen waarvan de gelijkwaardigheid werd erkend, en van de waarschijnlijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor deze gelijkwaardigheid. Binnen 30 werkdagen na de ontvangst van deze gegevens stelt de partij van invoer de partij van uitvoer ervan in kennis of de erkenning van de gelijkwaardigheid op basis van de voorgestelde maatregelen al dan niet gehandhaafd blijft;

    • b. in overeenstemming met artikel 58, lid 2, van deze overeenkomst stelt de partij van invoer de partij van uitvoer onverwijld in kennis van elk voorstel tot wijziging van door haar ingestelde maatregelen op basis waarvan de gelijkwaardigheid werd erkend, en van de waarschijnlijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor deze gelijkwaardigheid. Indien de partij van invoer de erkenning van de gelijkwaardigheid niet handhaaft, kunnen de partijen de voorwaarden overeenkomen waaronder de in lid 3 van dit artikel bedoelde procedure opnieuw kan worden ingeleid op basis van de voorgestelde maatregelen.

  • 8 Het besluit over de erkenning van de gelijkwaardigheid dan wel de opschorting of intrekking ervan kan uitsluitend worden genomen door de partij van invoer, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke regelgeving. De partij van invoer verstrekt de partij van uitvoer schriftelijk een omstandige toelichting bij en de ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten op grond van dit artikel. Indien de erkenning van de gelijkwaardigheid wordt geweigerd, dan wel wordt opgeschort of ingetrokken, stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om de in lid 3 bedoelde procedure opnieuw te kunnen inleiden.

  • 9 Onverminderd artikel 64 van deze overeenkomst kan de partij van invoer de erkenning van de gelijkwaardigheid niet intrekken of opschorten vóór de inwerkingtreding van de nieuwe maatregelen die door een van beide partijen zijn voorgesteld.

  • 10 Indien de gelijkwaardigheid op basis van de in bijlage VIII bij deze overeenkomst uiteengezette overlegprocedure formeel wordt erkend door de partij van invoer, zal het SPS-subcomité in overeenstemming met de procedure van artikel 65, lid 5, van deze overeenkomst een verklaring afgeven inzake de erkenning van de gelijkwaardigheid in de handel tussen de partijen. Dit besluit kan tevens voorzien in de vermindering van fysieke controles aan de grenzen, vereenvoudiging van de certificaten en in voorkomend geval in procedures voor de voorlopige opneming van inrichtingen op die lijsten.

    De status van erkenning van de gelijkwaardigheid wordt vermeld in bijlage XII bij deze overeenkomst.

Artikel 58. Transparantie en uitwisseling van informatie

  • 1 Onverminderd artikel 59 van deze overeenkomst werken de partijen samen ter versterking van het wederzijdse begrip van de in de andere partij opgezette officiële controlestructuur en -mechanismen voor de uitvoering van de in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen en de prestaties van deze structuur en dat mechanisme. Dit kan onder meer worden bereikt door verslagen van internationale audits wanneer deze openbaar worden gemaakt; de partijen kunnen in voorkomend geval informatie over de resultaten van dergelijke audits of andere informatie uitwisselen.

  • 2 In het kader van de in artikel 55 van deze overeenkomst bedoelde aanpassing van wetgeving of de in artikel 57 van deze overeenkomst bedoelde erkenning van de gelijkwaardigheid houden de partijen elkaar op de hoogte van wetswijzigingen of procedurele wijzigingen die voor de betrokken gebieden worden aangenomen of vastgesteld.

  • 3 In dit verband informeert de Unie Georgië ruim tevoren over wijzigingen in de wetgeving van de Unie, opdat Georgië kan overwegen zijn wetgeving dienovereenkomstig te wijzigen.

    De noodzakelijke mate van samenwerking moet worden bereikt om de toezending van wetgevingsdocumenten op verzoek van een van de partijen te bevorderen.

    Hiertoe stellen de partijen elkaar in kennis van hun contactpunten. De partijen stellen elkaar tevens in kennis van wijzigingen met betrekking tot de contactpunten.

Artikel 59. Kennisgeving, overleg en bevordering van communicatie

  • 1 Elke partij stelt de andere partij binnen twee werkdagen schriftelijk in kennis van ieder ernstig of aanzienlijk gezondheidsrisico voor mens, dier of plant, met inbegrip van alle noodsituaties in verband met de voedselcontrole of situaties waarin een duidelijk ernstig gezondheidsrisico werd geconstateerd in verband met de consumptie van dierlijke of plantaardige producten, met name:

    • a. alle maatregelen die relevant zijn voor de in artikel 56 van deze overeenkomst bedoelde regionalisatiebesluiten;

    • b. de aanwezigheid of ontwikkeling van een in bijlage V-A bij deze overeenkomst opgenomen dierziekte of van een in bijlage V-B bij deze overeenkomst opgenomen gereglementeerd plaagorganisme;

    • c. bevindingen van epidemiologisch belang of belangrijke daaraan verbonden risico's met betrekking tot niet in de bijlagen V-A en V-B bij deze overeenkomst opgenomen dierziekten en plaagorganismen of nieuwe dierziekten en plaagorganismen; en

    • d. eventuele aanvullende maatregelen die verder gaan dan de basisvereisten voor maatregelen van de respectieve partijen ter bestrijding of uitroeiing van dierziekten of plaagorganismen of ter bescherming van de gezondheid van mens of plant, en eventuele wijzigingen in het preventiebeleid, waaronder het vaccinatiebeleid.

  • 2 Kennisgevingen worden schriftelijk gedaan aan de in artikel 58, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde contactpunten.

    Schriftelijke kennisgeving gebeurt per post, per fax of per e-mail.

  • 3 Wanneer een partij zich ernstig zorgen maakt over een risico voor de gezondheid van mens, dier of plant, vindt op verzoek van die partij zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 15 werkdagen na de datum van dat verzoek overleg over de situatie plaats. Daarbij tracht elke partij alle informatie te verstrekken die nodig is om verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen en tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen die verenigbaar is met de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.

  • 4 Op verzoek van een partij vindt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 20 werkdagen na de kennisgeving overleg over dierenwelzijn plaats. Elke partij tracht daarbij alle vereiste informatie te verstrekken.

  • 5 Op verzoek van een partij vindt het in de leden 3 en 4 van dit artikel genoemde overleg plaats in de vorm van een video- of audiovergadering. De partij die om het overleg verzoekt, stelt de notulen van de vergadering op, die officieel door de partijen worden goedgekeurd. Voor deze goedkeuring geldt artikel 58, lid 3, van deze overeenkomst.

  • 6 Met een wederzijds toegepast systeem voor snelle waarschuwingen en een vroegtijdig waarschuwingsmechanisme voor diergeneeskundige en fytosanitaire noodgevallen wordt in een later stadium aangevangen, wanneer Georgië de nodige wetgeving op dit gebied heeft geïmplementeerd en de voorwaarden voor de juiste werking ervan ter plaatse heeft geschapen.

Artikel 60. Handelsvoorwaarden

  • 1 Invoervoorwaarden voorafgaand aan de erkenning van de gelijkwaardigheid

    • a. De partijen komen overeen dat de invoer van handelsartikelen waarop de bijlagen IV-A en IV-C, punten 2 en 3, bij deze overeenkomst betrekking hebben, voorafgaand aan de erkenning van de gelijkwaardigheid aan voorwaarden worden onderworpen. Onverminderd de overeenkomstig artikel 56 van deze overeenkomst genomen besluiten gelden de door de partij van invoer gestelde invoervoorwaarden voor het gehele grondgebied van de partij van uitvoer. Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst en overeenkomstig artikel 58 van deze overeenkomst stelt de partij van invoer de partij van uitvoer in kennis van haar sanitaire en/of fytosanitaire invoervereisten voor de in de bijlage IV-A en IV-C bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen. Deze informatie omvat in voorkomend geval de modellen voor de officiële certificaten, verklaringen of handelsdocumenten als voorgeschreven door de partij van invoer; en

    • b.

      • i. Voor wijzigingen of voorgestelde wijzigingen van de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde voorwaarden gelden de desbetreffende kennisgevingsprocedures van de SPS-Overeenkomst.

      • ii. Onverminderd artikel 64 van deze overeenkomst houdt de partij van invoer rekening met de reistijd tussen de partijen bij de vaststelling van de datum waarop de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde gewijzigde voorwaarden van kracht worden; en

      • iii. Indien de partij van invoer de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde kennisgevingsvereisten niet in acht neemt, blijft zij een certificaat of attest waarmee de naleving van de voorheen geldende voorwaarden wordt gegarandeerd, accepteren tot 30 dagen nadat de gewijzigde invoervoorwaarden van kracht zijn geworden.

  • 2 Invoervoorwaarden na de erkenning van de gelijkwaardigheid

    • a. Binnen 90 dagen na de datum van het besluit waarbij de gelijkwaardigheid wordt erkend als omschreven in artikel 57, lid 10, van deze overeenkomst, nemen de partijen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen voor de tenuitvoerlegging van die erkenning, teneinde op die basis de onderlinge handel in de in de bijlagen IV-A en IV-C, punten 2 en 3, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen mogelijk te maken. Voor deze handelsartikelen kan in dat geval het model voor het door de partij van invoer geëiste officiële certificaat of officiële document worden vervangen door een overeenkomstig bijlage X-B bij deze overeenkomst opgesteld certificaat;

    • b. Voor handelsartikelen in sectoren of subsectoren waarvoor niet alle maatregelen als gelijkwaardig zijn erkend, blijft de handel verlopen op basis van de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde voorwaarden. Indien de partij van uitvoer daarom verzoekt, is lid 5 van dit artikel van toepassing.

  • 3 Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is voor de in de bijlagen IV-A en IV-C, punt 2, bij deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen geen invoervergunning tussen de partijen vereist.

  • 4 Ten aanzien van de voorwaarden die relevant zijn voor de handel in de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde handelsartikelen voeren de partijen, op verzoek van de partij van uitvoer, in het SPS-subcomité overleg overeenkomstig artikel 65 van deze overeenkomst, teneinde overeenstemming te bereiken over alternatieve of bijkomende invoervoorwaarden van de partij van invoer. Zulke alternatieve of bijkomende invoervoorwaarden mogen, in voorkomend geval, worden gebaseerd op maatregelen van de partij van uitvoer die door de partij van invoer als gelijkwaardig zijn erkend. Bij overeenstemming neemt de partij van invoer binnen 90 dagen de nodige wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer op basis van de overeengekomen invoervoorwaarden mogelijk te maken.

  • 5 Lijst van inrichtingen, voorlopige goedkeuring

    • a. Voor de invoer van de in bijlage IV-A, deel 2, bij deze overeenkomst bedoelde dierlijke producten verleent de partij van invoer, op verzoek van de partij van uitvoer die daarbij de passende garanties geeft, een voorlopige goedkeuring voor de in bijlage VII, punt 2, bij deze overeenkomst bedoelde verwerkingsinrichtingen die zich op het grondgebied van de partij van uitvoer bevinden, zonder voorafgaande inspectie van afzonderlijke inrichtingen. Deze goedkeuring moet in overeenstemming zijn met de in bijlage VII bij deze overeenkomst vastgestelde voorwaarden en bepalingen. Tenzij om bijkomende gegevens wordt verzocht, neemt de partij van invoer binnen 30 werkdagen na ontvangst van het verzoek en de desbetreffende garanties de nodige wettelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen om de invoer op basis daarvan mogelijk te maken.

      De eerste lijst van inrichtingen wordt goedgekeurd in overeenstemming met de bepalingen van bijlage VII bij deze overeenkomst.

    • b. Voor de invoer van de in lid 2, onder a), van dit artikel bedoelde dierlijke producten doet de partij van uitvoer haar lijst van inrichtingen die aan de eisen van de partij van invoer voldoen, aan de partij van invoer toekomen.

  • 6 Op verzoek van een partij verstrekt de andere partij de noodzakelijke toelichting bij en ondersteunende gegevens voor de bepalingen en besluiten op grond van dit artikel.

Artikel 61. Certificeringsprocedure

  • 1 Voor certificeringsprocedures en de afgifte van certificaten en officiële documenten zijn de partijen het eens over de beginselen die in bijlage X bij deze overeenkomst zijn uiteengezet.

  • 2 Het in artikel 65 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité kan de regels vaststellen die moeten worden gevolgd in het geval van elektronische certificering, en de intrekking of vervanging van certificaten langs elektronische weg.

  • 3 In het kader van de in artikel 55 van deze overeenkomst bedoelde aanpassing van wetgeving komen de partijen indien van toepassing gezamenlijke modellen van certificaten overeen.

Artikel 62. Verificatie

  • 1 Om het vertrouwen in de doeltreffende tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk te bewaren, heeft elke partij het recht:

    • a. alle of een deel van de inspectie- en certificatiesystemen van de bevoegde autoriteiten van de andere partij, en/of in voorkomend geval andere maatregelen, te controleren, overeenkomstig de desbetreffende internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex Alimentarius, het OIE en het IPPC;

    • b. informatie van de andere partij over haar controlesysteem te ontvangen en te worden geïnformeerd over de resultaten van de in het kader van dat systeem verrichte controles, waarbij de bepalingen over de vertrouwelijkheid die in een van de partijen van toepassing zijn, in acht worden genomen.

  • 2 Elke partij mag de resultaten van de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde verificatie delen met derden en de resultaten openbaar maken voor zover dit op grond van de ten aanzien van een partij toepasselijke bepalingen vereist is. Bepalingen over de vertrouwelijkheid die op een van de partijen van toepassing zijn, worden in voorkomend geval bij dit delen en/of deze bekendmaking van de resultaten geëerbiedigd.

  • 3 Indien de partij van invoer besluit om een verificatiebezoek te brengen aan de partij van uitvoer, stelt zij de partij van uitvoer daar ten minste 60 werkdagen van tevoren in kennis, uitgezonderd in noodgevallen of indien de partijen anders overeenkomen. Enigerlei wijziging ten aanzien van dat bezoek wordt door de partijen overeengekomen.

  • 4 De kosten van de verificatie van alle of een deel van de inspectie- en certificatiesystemen van de bevoegde autoriteiten van de andere partij en/of in voorkomend geval andere maatregelen worden gedragen door de partij die de verificatie of de inspectie verricht.

  • 5 Het ontwerp van de schriftelijke mededeling over de verificaties wordt de partij van uitvoer binnen 60 werkdagen na het einde van de verificatie toegezonden. De partij van uitvoer heeft 45 werkdagen de tijd om opmerkingen over het ontwerp van schriftelijke mededeling in te dienen. De opmerkingen van de partij van uitvoer worden bij het eindrapport gevoegd en in voorkomend geval daarin opgenomen. Wanneer er evenwel in de loop van de verificatie een aanmerkelijk gezondheidsrisico voor mens, dier of plant wordt vastgesteld, wordt de partij van uitvoer hiervan zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 10 werkdagen na het einde van de verificatie in kennis gesteld.

  • 6 Voor de duidelijkheid: de verificatieresultaten kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in de artikelen 55, 57 en 63 van deze overeenkomst bedoelde procedures die door de partijen of een van de partijen worden gevoerd.

Artikel 63. Invoercontroles en inspectievergoedingen

  • 1 De partijen komen overeen dat de partij van invoer bij haar invoercontroles op zendingen uit de partij van uitvoer de in bijlage IX, deel A, bij deze overeenkomst vastgelegde beginselen in acht dient te nemen. De resultaten van deze controles kunnen worden gebruikt ten behoeve van de in artikel 62 van deze overeenkomst bedoelde verificaties.

  • 2 De frequentie waarmee elke partij materiële invoercontroles verricht, zijn vastgesteld in bijlage IX, deel B, bij deze overeenkomst. Een partij kan deze frequentie binnen de grenzen van haar bevoegdheid en in overeenstemming met haar interne wetgeving wijzigen naar aanleiding van voortgang die werd geboekt in overeenstemming met de artikelen 55, 57 en 60 van deze overeenkomst, of naar aanleiding van de verificaties, het overleg of andere maatregelen waarin deze overeenkomst voorziet. Bijlage IX, deel B, bij deze overeenkomst wordt door het in artikel 65 bedoelde SPS-subcomité bij besluit dienovereenkomstig gewijzigd.

  • 3 Indien van toepassing mogen de inspectievergoedingen uitsluitend de kosten van de bevoegde autoriteit voor het verrichten van de invoercontroles dekken. De vergoeding wordt op dezelfde basis als retributies voor de inspectie van soortgelijke interne producten berekend.

  • 4 De partij van invoer informeert de partij van uitvoer op haar verzoek over elke wijziging in de maatregelen die relevant zijn voor de invoercontroles en inspectievergoedingen, inclusief de redenen daarvoor, en van elke belangrijke wijziging in de wijze waarop haar diensten deze controles verrichten.

  • 5 Vanaf een door het in artikel 65 van deze overeenkomst bedoelde SPS-subcomité vast te stellen datum kunnen de partijen overeenkomen onder welke voorwaarden zij elkaars in artikel 62, lid 1, onder b), van deze overeenkomst bedoelde controles goedkeuren, teneinde de frequentie van de materiële invoercontroles voor de in artikel 60, lid 2, onder a), van deze overeenkomst bedoelde handelsartikelen in voorkomend geval aan te passen en wederzijds te verlagen.

    Vanaf die datum kunnen de partijen wederzijds goedkeuring verlenen voor elkaars controles voor bepaalde handelsartikelen en de invoercontroles voor deze handelsartikelen derhalve verminderen of vervangen.

Artikel 64. Vrijwaringsmaatregelen

  • 1 Indien de partij van uitvoer op haar grondgebied maatregelen neemt tegen een mogelijk ernstig gevaar of risico voor de gezondheid van mens, dier of plant, dient de partij van uitvoer, onverminderd lid 2 van dit artikel, gelijkwaardige maatregelen te nemen om insleep van dit gevaar of risico op het grondgebied van de partij van invoer te voorkomen.

  • 2 De partij van invoer kan, als daartoe ernstige redenen bestaan met betrekking tot de gezondheid van mens, dier of plant, voorlopige maatregelen vaststellen om de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen. Voor zendingen die onderweg zijn tussen de partijen, zoekt de partij van invoer de meest geschikte, aan het risico evenredige oplossing om onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen.

  • 3 De partij die maatregelen in het kader van lid 2 van dit artikel vaststelt, stelt de andere partij hiervan uiterlijk één werkdag na de datum waarop de maatregelen zijn vastgesteld, in kennis. Op verzoek van een van de partijen en in overeenstemming met artikel 59, lid 3, van deze overeenkomst plegen de partijen binnen 15 werkdagen na de kennisgeving overleg over de situatie. De partijen houden op passende wijze rekening met de informatie die in het kader van dat overleg wordt verkregen, en streven ernaar onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen, in voorkomend geval rekening houdende met het resultaat van het in artikel 59, lid 3, van deze overeenkomst bedoelde overleg.

Artikel 65. Subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen

  • 1 Hierbij wordt het SPS-subcomité opgericht. Het komt binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en daarna op verzoek van een van de partijen, althans ten minste eens per jaar. Indien de partijen aldus overeenkomen, kan een bijeenkomst van het SPS-subcomité worden gehouden in de vorm van een video- of audiovergadering. Tussen twee vergaderingen door kan het SPS-subcomité bepaalde aangelegenheden ook schriftelijk behandelen.

  • 2 Het SPS-subcomité heeft de volgende taken:

    • a. alle kwesties die op dit hoofdstuk betrekking hebben, in overweging nemen;

    • b. op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk toezien en alle vragen die naar aanleiding van de tenuitvoerlegging ervan rijzen, bestuderen;

    • c. de bijlagen IV tot en met XII bij deze overeenkomst herzien, met name in het licht van de geboekte voortgang in het kader van het overleg en de procedures waarin dit hoofdstuk voorziet;

    • d. de bijlagen IV tot en met XII bij deze overeenkomst bij besluit wijzigen, in het licht van de in dit lid, onder c), bedoelde herziening of zoals anderszins bepaald in dit hoofdstuk; en

    • e. aan andere organen als omschreven in titel VIII (Institutionele, algemene en slotbepalingen) van deze overeenkomst, standpunten aanreiken en aanbevelingen doen in het licht van de in dit lid, onder c), bedoelde herziening.

  • 3 De partijen stemmen in met de oprichting van technische werkgroepen, waar van toepassing, bestaande uit deskundigen die als vertegenwoordiger van de partijen optreden; deze werkgroepen worden belast met de identificatie en behandeling van technische en wetenschappelijke vragen naar aanleiding van de toepassing van dit hoofdstuk. Als aanvullende expertise vereist is, kunnen de partijen ad-hocgroepen, met inbegrip van wetenschappelijke en deskundigengroepen, oprichten. Van deze ad-hocgroepen kunnen ook andere personen dan vertegenwoordigers van de partijen deel uitmaken.

  • 4 Het SPS-subcomité brengt regelmatig verslag uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, over zijn activiteiten en de in het kader van zijn bevoegdheid genomen besluiten.

  • 5 Het SPS-subcomité stelt op zijn eerste bijeenkomst zijn werkwijze vast.

  • 6 Besluiten, aanbevelingen, verslagen of andere handelingen van het SPS-subcomité of enige door dit comité opgerichte groep worden bij consensus tussen de partijen goedgekeurd.

HOOFDSTUK 5. DOUANE EN HANDELSBEVORDERING

Artikel 66. Doelstellingen

  • 1 De partijen erkennen het belang van douaneaangelegenheden en handelsbevordering bij de ontwikkeling van het bilaterale handelsstelsel. Zij komen in beginsel overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en procedures ter zake, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, aan de doelstellingen van effectieve controle voldoen en de bevordering van de legitieme handel steunen.

  • 2 De partijen erkennen dat het grootst mogelijke belang moet worden gehecht aan doelstellingen van overheidsbeleid, met inbegrip van handelsbevordering, veiligheid en fraudebestrijding, en aan een evenwichtige benadering hiervan.

Artikel 67. Wetgeving en procedures

  • 1 De partijen komen overeen dat hun respectieve wetgeving op handels- en douanegebied in beginsel stabiel en allesomvattend moet zijn, alsmede dat de bepalingen en procedures evenredig, transparant, voorspelbaar, niet-discriminerend en onpartijdig moeten zijn alsook op eenvormige wijze doeltreffend moeten worden toegepast en dat zij onder meer:

    • a. de legitieme handel zullen beschermen en bevorderen door een doeltreffende handhaving en naleving van wettelijke vereisten;

    • b. onnodige of discriminerende lasten voor het bedrijfsleven zullen tegengaan, fraude zullen voorkomen en marktdeelnemers die de wetgeving goed naleven extra faciliteiten zullen verlenen;

    • c. het enig document (ED) voor douaneaangiften zullen toepassen;

    • d. maatregelen zullen nemen die leiden tot meer efficiëntie, transparantie en vereenvoudiging van douaneprocedures en -praktijken aan de grens;

    • e. moderne douanetechnieken zullen toepassen, zoals risicobeoordeling, controles na de vrijgave van goederen en bedrijfsauditmethodes, ter vereenvoudiging en bevordering van de binnenkomst, de uitgang en de vrijgave van goederen;

    • f. ernaar zullen streven de nalevingskosten te verlagen en de voorspelbaarheid voor alle marktdeelnemers te vergroten;

    • g. onverminderd de toepassing van objectieve criteria voor risicobeoordeling de niet-discriminerende toepassing zullen waarborgen van de vereisten en procedures die op de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen van toepassing zijn;

    • h. de internationale instrumenten zullen toepassen die van toepassing zijn op douane- en handelsgebied, met inbegrip van die welke zijn ontwikkeld door de Werelddouaneorganisatie (WDO), de Overeenkomst van Istanbul inzake tijdelijke invoer van 1990, het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem van 1983, de WTO, de TIR-Overeenkomst van de VN van 1975, de Overeenkomst inzake de harmonisatie van de goederencontroles aan de grenzen van 1982; en rekening kunnen houden met het Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade van de WDO en richtsnoeren van de Europese Commissie zoals de blauwdrukken voor de douane, indien van toepassing;

    • i. de noodzakelijke maatregelen zullen nemen om de bepalingen van de herziene Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures van 1973 weer te geven en te implementeren;

    • j. zullen voorzien in bindende uitspraken vooraf over tariefindeling en oorsprongsregels. De partijen zullen ervoor zorgen dat een uitspraak alleen kan worden ingetrokken of nietig verklaard na kennisgeving aan de betrokken onderneming en zonder terugwerkende kracht, tenzij de uitspraak is gedaan op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;

    • k. vereenvoudigde procedures zullen invoeren en toepassen voor toegelaten handelaren, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria;

    • l. regels zullen toepassen die waarborgen dat straffen voor inbreuken op douanevoorschriften of procedurele eisen evenredig en niet-discriminerend zijn en dat de toepassing ervan niet tot nodeloze en ongerechtvaardigde vertragingen leidt; en

    • m. transparante, niet-discriminerende en evenredige voorschriften zullen toepassen wanneer overheidsinstanties diensten verlenen die ook door de particuliere sector worden verleend.

  • 2 Om hun werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, efficiënt, integer en verantwoordbaar is, zullen de partijen:

    • a. nadere maatregelen nemen om de door de douaneautoriteiten en andere relevante instanties verlangde gegevens en documentatie te verminderen, te vereenvoudigen en te standaardiseren;

    • b. waar mogelijk de eisen en formaliteiten vereenvoudigen met betrekking tot de snelle vrijgave en inklaring van goederen;

    • c. zorgen voor doeltreffende, snelle en niet-discriminerende procedures die het recht tot het instellen van beroep tegen administratieve maatregelen, uitspraken en besluiten van de douaneautoriteiten en van andere relevante instanties betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen waarborgen. Die beroepsprocedures zijn gemakkelijk toegankelijk en de kosten ervan zijn redelijk en evenredig met de kosten van de autoriteiten om het recht op beroep te garanderen;

    • d. maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat wanneer tegen een litigieuze administratieve maatregel, uitspraak of beslissing beroep wordt ingesteld, goederen normaal worden vrijgegeven en de betaling van rechten kan worden opgeschort, onder voorbehoud van de nodig geachte vrijwaringsmaatregelen. Voor zover nodig moet bij de vrijgave van de goederen zekerheid worden gesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een onderpand of depot; en

    • e. erop toezien dat de strengste normen op het gebied van integriteit worden nageleefd, met name aan de grens, door de toepassing van maatregelen die in overeenstemming zijn met de beginselen van de desbetreffende internationale overeenkomsten en instrumenten, met name de herziene verklaring van Arusha van 2003 in WDO-verband en de door de Europese Comissie opgestelde blauwdrukken voor douane-ethiek van 2007, indien van toepassing.

  • 3 De partijen komen afschaffing overeen van:

    • a. elk vereiste met betrekking tot de verplichte inschakeling van douane-expediteurs; en

    • b. elk vereiste ten aanzien van verplichte inspecties vóór verzending of op de plaats van bestemming.

  • 4 Met betrekking tot doorvoer gelden de onderstaande bepalingen:

    • a. voor de toepassing van deze overeenkomst zijn de voorschriften en definities van de WTO met betrekking tot doorvoer, in het bijzonder artikel V van de GATT 1994, en verwante bepalingen, met inbegrip van de toelichtingen en wijzigingen naar aanleiding van de onderhandelingen inzake handelsbevordering in het kader van de DOHA-ronde, van toepassing. Deze bepalingen zijn ook dan van toepassing wanneer de doorvoer van goederen op het grondgebied van een partij begint of eindigt;

    • b. de partijen streven geleidelijke koppeling van hun respectieve douanestelsels voor doorvoer na, met het oog op de toekomstige deelname van Georgië aan de regeling voor gemeenschappelijk douanevervoer3;

    • c. de partijen zien erop toe dat alle relevante autoriteiten op hun grondgebied samenwerken en hun optreden op elkaar afstemmen om de doorvoer te vergemakkelijken. De partijen bevorderen tevens de samenwerking tussen de autoriteiten en de particuliere sector met betrekking tot doorvoer.

Artikel 68. Relaties met bedrijfsleven

De partijen komen overeen:

  • a. erop toe te zien dat hun respectieve wetgeving en procedures transparant zijn en samen met de motivering ervan algemeen beschikbaar zijn, voor zover mogelijk langs elektronische weg. Er moet regelmatig overleg plaatsvinden en een redelijke tijdspanne liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde bepalingen;

  • b. dat tijdig en regelmatig met vertegenwoordigers van de handel moet worden overlegd over wetsvoorstellen en procedures met betrekking tot douane- en handelsaangelegenheden;

  • c. algemene bekendheid te geven aan administratieve berichten ter zake, met name over door de autoriteiten vastgestelde voorschriften en procedures bij binnenkomst of uitgang, openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten en adressen voor het inwinnen van informatie;

  • d. de samenwerking tussen de marktdeelnemers en de betrokken diensten te stimuleren door toepassing van niet-willekeurige, openbaar toegankelijke procedures, onder andere op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd; en

  • e. erop toe te zien dat hun respectieve eisen en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de legitieme behoeften van de handel, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.

Artikel 69. Vergoedingen en heffingen

  • 1 De partijen verbieden administratieve heffingen van gelijke werking als invoer- en uitvoerrechten of -heffingen.

  • 2 Met betrekking tot alle door de douaneautoriteiten van elke partij opgelegde vergoedingen en heffingen van welke aard ook, met inbegrip van vergoedingen en heffingen voor taken die namens die autoriteiten zijn verricht, op of in verband met de invoer of uitvoer en onverminderd de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk 1 (Nationale behandeling en markttoegang voor goederen) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, geldt dat:

    • a. vergoedingen en heffingen enkel kunnen worden opgelegd ter zake van diensten die op verzoek van de aangever buiten de normale arbeidsomstandigheden en openingstijden en op andere plaatsen dan de in de douaneregelingen bedoelde worden verleend of ter zake van een met die diensten verband houdende formaliteit waaraan voor die invoer of uitvoer moet worden voldaan;

    • b. het bedrag van de vergoedingen en heffingen niet de kosten van de verleende dienst te boven gaat;

    • c. vergoedingen en heffingen niet op een ad-valoremgrondslag worden berekend;

    • d. de informatie over de vergoedingen en heffingen via een officieel aangewezen medium, en waar haalbaar en mogelijk via een officiële website, wordt bekendgemaakt. Deze informatie omvat de reden voor de vergoeding of de heffing ter zake van de verleende dienst, de verantwoordelijke autoriteit, de vergoedingen en heffingen die zullen worden toegepast, en het tijdstip en de wijze waarop de betaling moet worden verricht; en

    • e. nieuwe of gewijzigde vergoedingen en heffingen niet worden opgelegd totdat informatie daarover bekend is gemaakt en gemakkelijk beschikbaar is.

Artikel 70. Vaststelling van douanewaarde

  • 1 De bepalingen van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994, die in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst is opgenomen, met inbegrip van de daaropvolgende wijzigingen, zijn van toepassing op de vaststelling van de douanewaarde van de goederen in de handel tussen de partijen. Deze bepalingen van de WTO-Overeenkomst worden hierbij in deze overeenkomst opgenomen en maken daarvan deel uit. Er worden geen minimumdouanewaarden gehanteerd.

  • 2 De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van problemen met betrekking tot de vaststelling van de douanewaarde.

Artikel 71. Samenwerking op douanegebied

De partijen versterken de samenwerking op douanegebied om te zorgen voor implementatie van de doelstellingen van dit hoofdstuk teneinde de handel verder te bevorderen en te zorgen voor doeltreffende controle, veiligheid en fraudebestrijding. Hiertoe kunnen de partijen in voorkomend geval de blauwdruk die de Europese Commissie voor de douane heeft opgesteld, als benchmarking-instrument gebruiken.

Om ervoor te zorgen dat dit hoofdstuk wordt nageleefd, zullen de partijen onder meer:

  • a. informatie uitwisselen over douanewetgeving en -procedures;

  • b. gezamenlijke initiatieven ontwikkelen op het gebied van de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede ernaar streven dat het bedrijfsleven een doeltreffende dienstverlening wordt aangeboden;

  • c. samenwerken op het gebied van de automatisering van douane- en andere handelsprocedures;

  • d. in voorkomend geval informatie en gegevens uitwisselen, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van gevoelige gegevens en de bescherming van persoonsgegevens;

  • e. samenwerken bij het voorkomen en bestrijden van illegaal grensoverschrijdend verkeer van goederen, met inbegrip van tabaksproducten;

  • f. informatie uitwisselen of in overleg treden om, voor zover mogelijk, gemeenschappelijke standpunten vast te stellen in internationale organisaties op douanegebied als de WTO, de WDO, de VN, de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD) en de VN-ECE;

  • g. samenwerken bij de planning en verlening van technische bijstand, met name ter vergemakkelijking van hervormingen op het gebied van douane en handelsbevordering overeenkomstig deze overeenkomst;

  • h. goede praktijken op douanegebied uitwisselen, met name inzake op risico gebaseerde douanecontrolesystemen en inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, in het bijzonder waar het gaat om nagemaakte producten;

  • i. de coördinatie tussen alle grensautoriteiten van de partijen bevorderen om het proces van grensoverschrijding te vergemakkelijken en de controles te versterken, waarbij gezamenlijke grenscontroles, waar dit haalbaar en passend is, tot de mogelijkheden behoren; en

  • j. waar nodig en passend overgaan tot wederzijdse erkenning van partnerschapsprogramma's op handelsgebied en douanecontroles, met inbegrip van gelijkwaardige maatregelen voor handelsbevordering.

Artikel 72. Wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden

Onverminderd de andere vormen van samenwerking waarin deze overeenkomst voorziet, in het bijzonder in artikel 71 van deze overeenkomst, verlenen de partijen elkaar administratieve bijstand in douaneaangelegenheden, in overeenstemming met protocol II inzake wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden bij deze overeenkomst.

Artikel 73. Technische bijstand en capaciteitsopbouw

De partijen werken samen met het oog op het verlenen van technische bijstand en op capaciteitsopbouw voor de implementatie van de handelsbevordering en de hervormingen op douanegebied.

Artikel 74. Subcomité douane

  • 1 Hierbij wordt het subcomité douane opgericht. Het brengt verslag uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst.

  • 2 De taken van het subcomité omvatten regelmatig overleg en toezicht op de tenuitvoerlegging en het beheer van dit hoofdstuk, waaronder – doch niet uitsluitend – aangelegenheden op het gebied van de douanesamenwerking, grensoverschrijdende douanesamenwerking en grensoverschrijdend beheer inzake douaneaangelegenheden, technische bijstand, oorsprongsregels, handelsbevordering alsmede wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden.

  • 3 Het subcomité douane zal onder meer:

    • a. toezien op de goede werking van dit hoofdstuk en de protocollen I en II bij deze overeenkomst;

    • b. praktische regelingen, maatregelen en besluiten aannemen voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en de protocollen I en II bij deze overeenkomst, met inbegrip van de uitwisseling van informatie en gegevens, wederzijdse erkenning van douanecontroles en partnerschapsprogramma's op handelsgebied, en wederzijds overeengekomen voordelen;

    • c. van gedachten wisselen over punten van gezamenlijk belang, met inbegrip van toekomstige maatregelen en de voor de uitvoering en toepassing daarvan benodigde middelen;

    • d. in voorkomend geval aanbevelingen doen; en

    • e. zijn interne reglement van orde vaststellen.

Artikel 75. Aanpassing van douanewetgeving

De geleidelijke aanpassing aan de douanewetgeving van de Unie en bepaalde internationale regels zal plaatsvinden zoals uiteengezet in bijlage XIII bij deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 6. VESTIGING, HANDEL IN DIENSTEN EN ELEKTRONISCHE HANDEL

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 76. Doelstelling en toepassingsgebied

  • 1 De partijen herbevestigen hun respectieve verbintenissen ingevolge de WTO-Overeenkomst, en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast voor de geleidelijke wederzijdse liberalisering van het recht van vestiging en van de handel in diensten, alsmede voor samenwerking op het gebied van elektronische handel.

  • 2 Overheidsopdrachten worden behandeld in hoofdstuk 8 (Overheidsopdrachten) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, en geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij een verplichting inhoudt met betrekking tot overheidsopdrachten.

  • 3 Subsidies worden behandeld in hoofdstuk 10 (Mededinging) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst en dit hoofdstuk is niet van toepassing op door de partijen verleende subsidies.

  • 4 Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt elke partij het recht nieuwe regelingen op te stellen en in te voeren om legitieme beleidsdoelstellingen te bereiken.

  • 5 Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

  • 6 Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk belet een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de toelating tot of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, daarbij inbegrepen de maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die een partij op grond van een specifieke verbintenis uit dit hoofdstuk en de bijlagen XIV en XV bij deze overeenkomst toekomen, daardoor worden tenietgedaan of uitgehold4.

Artikel 77. Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

  • a. wordt onder „maatregel” verstaan: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling of in enige andere vorm;

  • b. wordt onder „door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen” verstaan: maatregelen genomen door:

    • i. centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten, en

    • ii. niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;

  • c. wordt onder „natuurlijke persoon uit een partij” verstaan: een onderdaan van een EU-lidstaat of van Georgië volgens hun respectieve wetgeving;

  • d. wordt onder „rechtspersoon” verstaan: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;

  • e. wordt onder „rechtspersoon uit een partij” verstaan: een rechtspersoon als omschreven onder d) die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk van Georgië is opgericht, en die op het grondgebied5 waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is respectievelijk op dat van Georgië zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft;

    Wanneer deze rechtspersoon op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is of op dat van Georgië alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur heeft, wordt hij niet als rechtspersoon uit de Unie respectievelijk Georgië beschouwd, tenzij zijn handelingen een daadwerkelijke en duurzame band met de economie van de Unie respectievelijk Georgië hebben.

    Onverminderd de voorgaande alinea is deze overeenkomst tevens van toepassing op buiten de Unie of Georgië gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat van de EU respectievelijk Georgië zeggenschap hebben, indien hun schepen overeenkomstig hun respectieve wetgeving in die lidstaat of Georgië zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat of van Georgië voeren;

  • f. wordt onder „dochteronderneming” van een rechtspersoon uit een partij verstaan: een rechtspersoon die eigendom is van die rechtspersoon of waarover die rechtspersoon daadwerkelijk zeggenschap heeft6;

  • g. wordt onder „filiaal van een rechtspersoon” verstaan: een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, een eigen managementstructuur heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij behoeven te hebben, maar hun transacties kunnen afhandelen met de handelszaak die het agentschap vormt;

  • h. wordt onder „vestiging” verstaan:

    • i. wat rechtspersonen uit de Unie of uit Georgië betreft, het recht op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten door oprichting, met inbegrip van verwerving, van een rechtspersoon en/of van een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor in Georgië respectievelijk in de Unie;

    • ii. wat natuurlijke personen betreft, het recht van natuurlijke personen uit de Unie of uit Georgië op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten als zelfstandige, alsmede het recht op de oprichting van ondernemingen, met name vennootschappen, waarover zij daadwerkelijk zeggenschap hebben;

  • i. omvatten „economische activiteiten” activiteiten met een industrieel of commercieel karakter of activiteiten van personen die een vrij beroep uitoefenen, alsmede activiteiten van ambachtslieden, behoudens activiteiten die worden uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsgezag;

  • j. wordt onder „handelingen” verstaan: het verrichten van economische activiteiten;

  • k. wordt onder „diensten” verstaan: alle diensten in elke sector behalve diensten die bij de uitoefening van overheidsgezag worden verleend;

  • l. wordt onder „bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en andere activiteiten” verstaan: elke dienst of activiteit die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers wordt verleend;

  • m. wordt onder „grensoverschrijdende dienstverlening” verstaan: het verlenen van een dienst:

    • i. vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij (vorm van dienstverlening 1), of

    • ii. op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst uit de andere partij (vorm van dienstverlening 2);

  • n. wordt onder „dienstverlener” uit een partij verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die een dienst verleent of wenst te verlenen;

  • o. wordt onder „ondernemer” verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die door middel van het opzetten van een vestiging een economische activiteit uitoefent of wenst uit te oefenen.

AFDELING 2. VESTIGING

Artikel 78. Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die door de partijen zijn vastgesteld of worden gehandhaafd en die van invloed zijn op vestiging met betrekking tot alle economische activiteiten, met uitzondering van:

  • a. de winning, vervaardiging en verwerking7 van nucleair materiaal;

  • b. de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel;

  • c. audiovisuele diensten;

  • d. nationale maritieme cabotage8, en

  • e. interne en internationale luchtvervoerdiensten9, ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

    • i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;

    • ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

    • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);

    • iv. grondafhandeling;

    • v. exploitatie van luchthavens.

Artikel 79. Nationale behandeling en behandeling als meest begunstigde natie

  • 1 Behoudens de in bijlage XVI-E bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden zal Georgië vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst:

    • a. voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Unie een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke aan zijn eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is;

    • b. voor het exploiteren van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit de Unie in Georgië na vestiging ervan een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke aan zijn eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is10.

  • 2 Behoudens de in bijlage XIV-A bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden zal de Unie vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst:

    • a. voor de vestiging van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit Georgië een niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke aan de eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is;

    • b. voor het exploiteren van dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit Georgië in de Unie na vestiging ervan en niet minder gunstige behandeling toekennen dan die welke aan de eigen rechtspersonen, filialen en vertegenwoordigingskantoren of aan dochterondernemingen, filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit derde landen wordt toegekend, indien deze behandeling gunstiger is11.

  • 3 Behoudens de in de bijlagen XVI-A en XVI-E bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden stellen de partijen geen nieuwe regelgeving of maatregelen vast die met betrekking tot de vestiging van rechtspersonen uit de Unie of Georgië op hun grondgebied dan wel de handelingen van die rechtspersonen na vestiging, discrimineren ten opzichte van wat voor de eigen rechtspersonen geldt.

Artikel 80. Evaluatie

  • 1 Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de voorwaarden voor vestiging evalueren de partijen de bepalingen van deze afdeling, de in artikel 79 van deze overeenkomst bedoelde lijst van voorbehouden alsmede het vestigingsklimaat regelmatig, in overeenstemming met hun verbintenissen uit hoofde van internationale overeenkomsten.

  • 2 In het kader van de in lid 1 bedoelde evaluatie beoordelen de partijen alle belemmeringen voor vestiging die zich hebben voorgedaan. Met het oog op het verdiepen van de bepalingen van dit hoofdstuk zoeken de partijen indien nodig naar geëigende wegen om dergelijke belemmeringen aan te pakken, hetgeen nadere onderhandelingen zou kunnen omvatten, mede met betrekking tot de bescherming van investeringen en procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staat.

Artikel 81. Andere overeenkomsten

Dit hoofdstuk laat de rechten van ondernemers uit de partijen die voortvloeien uit bestaande of toekomstige internationale overeenkomsten inzake investeringen waarbij een lidstaat van de EU en Georgië partij zijn, onverlet.

Artikel 82. Norm voor behandeling van filialen en vertegenwoordigingskantoren

  • 1 Het bepaalde in artikel 79 van deze overeenkomst vormt geen beletsel voor de toepassing door een partij van bijzondere regels met betrekking tot de vestiging en exploitatie op haar grondgebied van filialen en vertegenwoordigingskantoren van rechtspersonen uit een andere partij die op het grondgebied van eerstgenoemde partij niet als rechtspersoon zijn erkend, wanneer deze bijzondere regels op grond van juridische of technische verschillen tussen bedoelde filialen en vertegenwoordigingskantoren en filialen en vertegenwoordigingskantoren van op het grondgebied van eerstgenoemde partij erkende rechtspersonen of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen gerechtvaardigd zijn.

  • 2 Het verschil in behandeling mag niet verder gaan dan hetgeen vanwege die juridische of technische verschillen of, voor wat financiële diensten betreft, om prudentiële redenen strikt noodzakelijk is.

AFDELING 3. GRENSOVERSCHRIJDENDE DIENSTVERLENING

Artikel 83. Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op alle grensoverschrijdende dienstverlening, met uitzondering van:

  • a. audiovisuele diensten;

  • b. nationale maritieme cabotage12, en

  • c. interne en internationale luchtvervoerdiensten13, ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

    • i. reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;

    • ii. verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

    • iii. geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);

    • iv. grondafhandeling;

    • v. exploitatie van luchthavens.

Artikel 84. Markttoegang

  • 1 Ten aanzien van de markttoegang via grensoverschrijdende dienstverlening behandelt elke partij diensten en dienstverleners uit de andere partij niet minder gunstig dan is voorzien in de specifieke verbintenissen die zijn neergelegd in de bijlagen XIV-B en XIV-F bij deze overeenkomst.

  • 2 Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij in de bijlagen XIV-B en XIV-F bij deze overeenkomst anders is bepaald, omschreven als:

    • a. beperkingen van het aantal dienstverleners in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

    • b. beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, of

    • c. beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de dienstenoutput, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.

Artikel 85. Nationale behandeling

  • 1 Elke partij behandelt, in de sectoren waarvoor verbintenissen inzake de markttoegang in de bijlagen XIV-B en XIV-F bij deze overeenkomst zijn opgenomen, met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, diensten en dienstverleners uit de andere partij in het kader van alle maatregelen die op de grensoverschrijdende dienstverlening van invloed zijn, niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners.

  • 2 Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners uit de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.

  • 3 Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners uit de betrokken partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners uit de andere partij.

  • 4 De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.

Artikel 86. Lijsten van verbintenissen

De door elke partij ingevolge deze afdeling geliberaliseerde sectoren en de beperkingen, door middel van voorbehouden, betreffende de markttoegang en van de nationale behandeling voor diensten en dienstverleners uit de andere partij in die sectoren, worden vermeld in de lijsten van verbintenissen in de bijlagen XIV-B en XIV-F bij deze overeenkomst.

Artikel 87. Evaluatie

Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen evalueert het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, regelmatig de in artikel 86 van deze overeenkomst bedoelde lijsten van verbintenissen. Bij deze evaluatie wordt rekening gehouden met het proces van geleidelijke aanpassing, als bedoeld in de artikelen 103, 113, 122 en 126 van deze overeenkomst, en de impact daarvan op de afschaffing van resterende belemmeringen voor de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen.

AFDELING 4. TIJDELIJKE AANWEZIGHEID VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKEN

Artikel 88. Toepassingsgebied en definities

  • 1 Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen betreffende de toelating tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van stafpersoneel, afgestudeerde stagiairs, handelsvertegenwoordigers, dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep overeenkomstig artikel 76, lid 5, van deze overeenkomst.

  • 2 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a. „stafpersoneel”: natuurlijke personen die bij een rechtspersoon uit een partij, niet zijnde een organisatie zonder winstoogmerk14, in dienst zijn en verantwoordelijk zijn voor het opzetten van dan wel voor een goed toezicht op en een goede administratie en exploitatie van een vestiging. Tot het stafpersoneel behoren tevens „zakelijke bezoekers” voor vestigingsdoeleinden en „binnen de onderneming overgeplaatste personen”:

      • i. „zakelijke bezoekers” voor vestigingsdoeleinden: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging. Zij bieden geen diensten aan noch verlenen zij deze en evenmin verrichten zij enige andere economische activiteit dan vereist is voor het opzetten van een vestiging. Zij ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron;

      • ii. „binnen de onderneming overgeplaatste personen”: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst of partner van een rechtspersoon zijn en die tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst, welke vestiging een dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap van de onderneming/rechtspersoon kan zijn. De betrokken natuurlijke persoon moet tot een van de volgende categorieën behoren:

        • 1. managers: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel van een rechtspersoon, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de vestiging, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder ten minste personen die:

          • leiding geven aan een vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;

          • toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren, en

          • persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan, of indienstneming of ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;

        • 2. specialisten: binnen een rechtspersoon werkzame personen die beschikken over uitzonderlijke kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden, de processen, de procedures of het management van de vestiging. Voor de beoordeling van die kennis wordt niet alleen specifiek met de vestiging verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;

    • b. „afgestudeerde stagiairs”: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst zijn van een rechtspersoon uit een partij of een filiaal van die rechtspersoon, die universitair afgestudeerd zijn en die voor hun loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of -methoden tijdelijk naar een vestiging van die rechtspersoon op het grondgebied van de andere partij worden overgeplaatst15;

    • c. „handelsvertegenwoordigers” 16: natuurlijke personen die vertegenwoordiger zijn van een dienstverlener of een leverancier van goederen uit een partij en die toegang tot en tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere partij beogen om over de verkoop van diensten of goederen te onderhandelen of voor die dienstverlener of leverancier overeenkomsten voor de verkoop van diensten of goederen te sluiten. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron; evenmin zijn zij commissionairs;

    • d. „dienstverleners op contractbasis”: natuurlijke personen in dienst bij een rechtspersoon uit een partij, welke rechtspersoon zelf geen agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening is en welke evenmin via een dergelijk agentschap optreedt, die geen vestiging op het grondgebied van de andere partij heeft en die een bonafide contract voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract;

    • e. „beoefenaars van een vrij beroep”: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de andere partij hebben en een bonafide contract (anders dan via een agentschap voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening) voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract;

    • f. „kwalificaties”: diploma's, certificaten en andere bewijsstukken (van een officiële kwalificatie), afgegeven door een in de wet- of regelgeving of in administratieve bepalingen aangewezen autoriteit, waarbij de succesvolle afsluiting van een beroepsopleiding wordt geattesteerd.

Artikel 89. Stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs

  • 1 Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in de bijlagen XIV-A en XIV-E of in de bijlagen XIV-C en XIV-G bij deze overeenkomst opgenomen voorbehouden, staat elke partij ondernemers uit de andere partij toe in hun vestiging natuurlijke personen uit die andere partij tewerk te stellen, mits die werknemers behoren tot het stafpersoneel dan wel afgestudeerd stagiair zijn, zoals gedefinieerd in artikel 88 van deze overeenkomst. De tijdelijke toegang en het tijdelijke verblijf van stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs vinden plaats voor een periode van ten hoogste drie jaar voor binnen de onderneming overgeplaatste personen, van ten hoogste negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden voor zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, en van ten hoogste één jaar voor afgestudeerde stagiairs.

  • 2 Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen op basis van een regionale onderverdeling of voor het gehele grondgebied, tenzij in de bijlagen XIV-C en XIV-G bij deze overeenkomst anders is bepaald, omschreven als beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat een ondernemer als stafpersoneel of afgestudeerde stagiair in een bepaalde sector in dienst mag hebben, in de vorm van numerieke quota of van een eis van een onderzoek naar de economische behoefte, en discriminerende beperkingen.

Artikel 90. Handelsvertegenwoordigers

Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) of afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in de bijlagen XIV-A en XIV-E alsmede de bijlagen XIV-B en XIV-F bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden, staat elke partij de toegang tot en het tijdelijke verblijf van handelsvertegenwoordigers op haar grondgebied toe voor maximaal negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden.

Artikel 91. Dienstverleners op contractbasis

  • 1 De partijen herbevestigen hun respectieve verplichtingen ingevolge de door hen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten, hierna de „GATS” genoemd, aangegane verbintenissen ten aanzien van de toegang en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis. In overeenstemming met de bijlagen XIV-D en XIV-H bij deze overeenkomst staat elke partij toe dat dienstverleners op contractbasis uit de andere partij op hun grondgebied diensten verlenen, met inachtneming van de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

  • 2 Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als werknemer van een rechtspersoon die een dienstencontract heeft gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;

    • b. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten die diensten aanbieden in de hoedanigheid van werknemer van de rechtspersoon die de diensten ten minste gedurende het jaar dat onmiddellijk aan de datum van indiening van de aanvraag voor toelating tot de andere partij voorafging, heeft verleend. Voorts moeten de natuurlijke personen op de datum van indiening van een aanvraag voor toelating tot de andere partij beschikken over ten minste drie jaar beroepservaring17 in de sector van activiteiten waarop het contract betrekking heeft;

    • c. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten in het bezit zijn van:

      • i. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt18, en

      • ii. beroepskwalificaties voor zover dit voor de uitoefening van een activiteit vereist is op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke voorschriften van de partij waar de dienst wordt verleend;

    • d. de natuurlijke persoon ontvangt op het grondgebied van de andere partij voor de dienstverlening geen andere beloning dan die welke wordt betaald door de rechtspersoon waarbij de natuurlijke persoon in dienst is;

    • e. de toelating tot en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op het grondgebied van de betrokken partij vinden plaats voor een periode van bij elkaar opgeteld maximaal zes maanden, dan wel, wat Luxemburg aangaat, vijfentwintig weken, gedurende een periode van twaalf maanden dan wel voor de duur van het contract indien dit een kortere looptijd heeft;

    • f. de toelating waarvoor ingevolge dit artikel toestemming wordt verleend, heeft enkel betrekking op de dienstenactiviteit waarop het contract betrekking heeft, en verleent niet het recht tot het voeren van de beroepstitel van de partij waarin de dienst wordt verleend;

    • g. het aantal personen dat onder het dienstencontract valt, mag niet hoger zijn dan voor de uitvoering van het contract noodzakelijk is, zoals vereist kan zijn op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke voorschriften van de partij waarin de dienst wordt verleend.

Artikel 92. Beoefenaars van vrij beroep

  • 1 In overeenstemming met de bijlagen XIV-D en XIV-H bij deze overeenkomst staat elke partij toe dat beoefenaars van een vrij beroep uit de andere partij op hun grondgebied diensten verlenen, met inachtneming van de voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

  • 2 Op de door de partijen aangegane verbintenissen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a. de natuurlijke personen moeten voor het verlenen van een dienst tijdelijk zijn aangetrokken als op het grondgebied van de andere partij gevestigde zelfstandige, en een dienstencontract hebben gesloten voor een periode van maximaal twaalf maanden;

    • b. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten op de datum van indiening van het verzoek om toegang tot dat grondgebied ten minste zes jaar beroepservaring hebben in de economische sector waarop het contract betrekking heeft;

    • c. de natuurlijke personen die het grondgebied van de andere partij binnenkomen, moeten in het bezit zijn van:

      • i. een universitaire graad of een kwalificatie waaruit kennis op een gelijkwaardig niveau blijkt19, en

      • ii. beroepskwalificaties die nodig zijn voor de uitoefening van een activiteit op grond van de wet- en regelgeving of andere wettelijke voorschriften van de partij waar de dienst wordt verleend;

    • d. de toelating tot en het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op het grondgebied van de betrokken partij vinden plaats voor een periode van bij elkaar opgeteld maximaal zes maanden, dan wel, wat Luxemburg aangaat, vijfentwintig weken, gedurende een periode van twaalf maanden dan wel voor de duur van het contract indien dit een kortere looptijd heeft;

    • e. de toelating waarvoor ingevolge dit artikel toestemming wordt verleend, heeft enkel betrekking op de dienstenactiviteit waarop het contract betrekking heeft, en verleent niet het recht tot het voeren van de beroepstitel van de partij waar de dienst wordt verleend.

AFDELING 5. REGELGEVINGSKADER

ONDERAFDELING 1. INTERNE REGELGEVING

Artikel 93. Toepassingsgebied en definities

  • 1 De volgende voorschriften gelden voor maatregelen van de partijen die betrekking hebben op vergunningsvereisten en -procedures alsmede kwalificatievereisten en -procedures die van invloed zijn op:

    • a. de grensoverschrijdende dienstverlening;

    • b. de vestiging op hun grondgebied van natuurlijke of rechtspersonen als omschreven in artikel 77, lid 9, van deze overeenkomst, en

    • c. het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van categorieën van natuurlijke personen als omschreven in artikel 88, lid 2, onder a) tot en met e), van deze overeenkomst.

  • 2 Wat grensoverschrijdende dienstverlening aangaat, zijn die voorschriften alleen van toepassing op sectoren waarvoor de partij specifieke verbintenissen is aangegaan, en voor zover die specifieke verbintenissen van toepassing zijn in overeenstemming met de bijlagen XIV-B en XIV-F bij deze overeenkomst. Wat vestiging aangaat, zijn deze voorschriften niet van toepassing op sectoren voor zover een voorbehoud is gemaakt overeenkomstig de bijlagen XVI-A en XVI-E bij deze overeenkomst. Wat het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen aangaat, zijn deze voorschriften niet van toepassing op sectoren voor zover een voorbehoud is gemaakt overeenkomstig de bijlagen XVI-C, XIV-D, XIV-G en XIV-H bij deze overeenkomst.

  • 3 Deze voorschriften zijn niet van toepassing op maatregelen voor zover zij beperkingen vormen in het kader van de desbetreffende bijlagen bij deze overeenkomst.

  • 4 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a. „vergunningsvereisten”: andere materiële eisen dan kwalificatievereisten, waaraan een natuurlijke of rechtspersoon moet voldoen om een vergunning voor het verrichten van de in lid 1, onder a) tot en met c), omschreven activiteiten te verkrijgen, te wijzigen of te verlengen;

    • b. „vergunningsprocedures”: administratieve of procedureregels waaraan een natuurlijke of rechtspersoon, die verzoekt om een vergunning voor het verrichten van de in lid 1, onder a) tot en met c), omschreven activiteiten, inclusief de wijziging of verlenging van een vergunning, moet voldoen om aan te tonen dat is voldaan aan de vergunningsvereisten;

    • c. „kwalificatievereisten”: materiële eisen met betrekking tot de bevoegdheid van een natuurlijke persoon om een dienst te verlenen, die moeten worden aangetoond om een vergunning voor het verlenen van een dienst te kunnen krijgen;

    • d. „kwalificatieprocedures”: administratieve of procedureregels waaraan een natuurlijke persoon moet voldoen om aan te tonen dat is voldaan aan de kwalificatievereisten om een vergunning voor het verlenen van een dienst te kunnen krijgen;

    • e. „bevoegde autoriteit”: alle centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten of niet-gouvernementele organisaties die door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden uitoefenen, die een besluit nemen betreffende de afgifte van een vergunning voor het verlenen van een dienst, ook als dat vestiging inhoudt, of betreffende afgifte van een vergunning om zich te vestigen teneinde een andere economische activiteit dan dienstverlening uit te oefenen.

Artikel 94. Voorwaarden voor verlenen van vergunningen en kwalificaties

  • 1 Elke partij draagt er zorg voor dat maatregelen inzake vergunningsvereisten en -procedures en kwalificatievereisten en -procedures gebaseerd zijn op criteria die de bevoegde autoriteiten beletten hun beoordelingsbevoegdheid op een willekeurige wijze uit te oefenen.

  • 2 De in lid 1 bedoelde criteria zijn:

    • a. evenredig met een doelstelling van het overheidsbeleid;

    • b. duidelijk en ondubbelzinnig;

    • c. objectief;

    • d. vooraf vastgesteld;

    • e. vooraf openbaar gemaakt;

    • f. transparant en toegankelijk.

  • 3 Een vergunning wordt verleend zodra bij een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning is voldaan.

  • 4 Elke partij houdt gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in stand, of stelt deze in, waar of waarmee op verzoek van een betrokken ondernemer of dienstverlener administratieve besluiten met betrekking tot vestiging, grensoverschrijdende dienstverlening of de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken onverwijld kunnen worden onderzocht en, indien gerechtvaardigd, door passende maatregelen kunnen worden herzien. Wanneer deze procedures niet onafhankelijk zijn van het orgaan dat bevoegd is het betrokken administratieve besluit te nemen, ziet elke partij erop toe dat de procedures feitelijk in een objectief en onpartijdig onderzoek voorzien.

  • 5 Indien het aantal voor een bepaalde activiteit beschikbare vergunningen beperkt is vanwege de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de gebrekkige technische capaciteit, zorgt elke partij ten aanzien van potentiële kandidaten voor een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met inbegrip van in het bijzonder een passende bekendmaking wat de aanvang, het verloop en de afronding van de procedure betreft.

  • 6 Onverminderd dit artikel kan elke partij bij het opstellen van de voorschriften voor de selectieprocedure rekening houden met doelstellingen van overheidsbeleid, met inbegrip van overwegingen inzake gezondheid, veiligheid, milieubescherming en de instandhouding van cultureel erfgoed.

Artikel 95. Vergunnings- en kwalificatieprocedures

  • 1 Vergunnings- en kwalificatieprocedures en -formaliteiten zijn duidelijk, worden vooraf bekendgemaakt en waarborgen voor aanvragers dat hun aanvraag op objectieve en onpartijdige wijze wordt behandeld.

  • 2 Vergunnings- en kwalificatieprocedures en -formaliteiten zijn zo eenvoudig mogelijk en bemoeilijken of vertragen het verlenen van de dienst niet onnodig. Voor de vergunning verschuldigde vergoedingen20 die de aanvragers eventueel in het kader van hun aanvraag moeten betalen, moeten redelijk en evenredig met de kosten van de desbetreffende vergunningsprocedures zijn.

  • 3 Elke partij zorgt ervoor dat de de door de bevoegde autoriteit bij het verlenen van vergunningen en het nemen van besluiten gevolgde procedures onpartijdig zijn ten aanzien van alle aanvragers. De bevoegde autoriteit moet bij haar besluitvorming onafhankelijk zijn en geen verantwoording verschuldigd zijn aan verleners van de diensten waarvoor de vergunning vereist is.

  • 4 Wanneer voor aanvragen specifieke termijnen bestaan, moet een aanvrager voor het indienen van een aanvraag over een redelijke termijn beschikken. De bevoegde autoriteit behandelt een aanvraag zonder onnodige vertraging. Waar mogelijk worden aanvragen in elektronische vorm geaccepteerd onder dezelfde voorwaarden inzake echtheid als papieren aanvragen.

  • 5 Elke partij ziet erop toe dat de behandeling van een aanvraag, inclusief het definitieve besluit, wordt voltooid binnen een redelijke termijn na de indiening van een volledige aanvraag. Elke partij streeft ernaar voor het behandelen van een aanvraag het normale tijdsbestek vast te stellen.

  • 6 De bevoegde autoriteit stelt binnen een redelijke termijn na ontvangst van een aanvraag die haars inziens onvolledig is, de aanvrager daarvan in kennis, vermeldt, voor zover dit haalbaar is, welke aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te vervolledigen en biedt de mogelijkheid om tekortkomingen te corrigeren.

  • 7 Waar mogelijk moeten in de plaats van de originele documenten gewaarmerkte kopieën worden aanvaard.

  • 8 Indien de bevoegde autoriteit een aanvraag afwijst, wordt dat de aanvrager schriftelijk en zonder onnodige vertraging meegedeeld. In beginsel moet de aanvrager desgevraagd ook in kennis worden gesteld van de redenen voor de afwijzing van de aanvraag en van de termijn waarbinnen tegen het besluit beroep kan worden ingesteld.

  • 9 Elke partij zorgt ervoor dat zodra een vergunning is verleend, zij overeenkomstig de daarin gestelde voorwaarden zo spoedig mogelijk in werking treedt.

ONDERAFDELING 2. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 96. Wederzijdse erkenning

  • 1 Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk belet een partij te eisen dat natuurlijke personen de kwalificaties en/of de beroepservaring hebben die op het grondgebied waar de dienst wordt verleend, voor de betrokken sector van activiteit zijn voorgeschreven.

  • 2 Elke partij moedigt de desbetreffende beroepsorganisaties op haar respectieve grondgebied aan aanbevelingen over wederzijdse erkenning aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, voor te leggen, opdat ondernemers en dienstverleners volledig of gedeeltelijk voldoen aan de door elke partij toegepaste criteria voor het verlenen van vergunningen aan en voor de werkzaamheden en de certificering van ondernemers en dienstverleners, in het bijzonder beoefenaars van een vrij beroep.

  • 3 Wanneer het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken een aanbeveling als bedoeld in lid 2 ontvangt, onderzoekt het deze binnen een redelijke termijn om vast te stellen of zij met deze overeenkomst in overeenstemming is, en op basis van de daarin vervatte informatie beoordeelt het met name:

    • a. de mate waarin de normen en de criteria die elke partij hanteert voor het verlenen van vergunningen aan en voor de werkzaamheden en de certificering van ondernemers en dienstverleners, met elkaar verenigbaar zijn, en

    • b. de potentiële economische waarde van een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning.

  • 4 Indien aan deze vereisten is voldaan, neemt het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken de nodige maatregelen om tot onderhandelingen te komen; vervolgens onderhandelen de door hun bevoegde autoriteiten vertegenwoordigde partijen over een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning.

  • 5 Een dergelijke overeenkomst dient in overeenstemming te zijn met de desbetreffende bepalingen van de WTO-Overeenkomst, in het bijzonder met artikel VII van de GATS.

Artikel 97. Transparantie en bekendmaking van vertrouwelijke informatie

  • 1 Elke partij beantwoordt zo spoedig mogelijk verzoeken van de andere partij om specifieke algemene informatie over algemene maatregelen of internationale overeenkomsten die op deze overeenkomst betrekking hebben of daarvoor gevolgen hebben. Elke partij richt ook één of meer informatiepunten op, die over al deze aangelegenheden op verzoek specifieke informatie verstrekken aan ondernemers en dienstverleners uit de andere partij. De partijen stellen elkaar binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in kennis van hun informatiepunten. Het is niet nodig dat de informatiepunten depositaris zijn van wet- en regelgeving.

  • 2 Geen enkele bepaling van deze overeenkomst verplicht een partij tot verstrekking van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen.

ONDERAFDELING 3. DIENSTEN IN VERBAND MET COMPUTERS

Artikel 98. Afspraak over diensten in verband met computers

  • 1 Voor zover de handel in diensten in verband met computers in overeenstemming met afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk is geliberaliseerd, voldoen de partijen aan de leden 2, 3 en 4 van dit artikel.

  • 2 CPC21 84, de VN-code die wordt gebruikt voor het beschrijven van diensten in verband met computers, heeft betrekking op de basisfuncties voor alle diensten in verband met computers:

    • a. computerprogramma's omschreven als serie instructies waardoor computers kunnen werken of met elkaar kunnen communiceren (met inbegrip van de ontwikkeling en implementatie ervan);

    • b. gegevensverwerking en -opslag, en

    • c. aanverwante diensten, zoals het geven van adviezen en opleidingen aan het personeel van klanten.

    De technologische ontwikkeling heeft geleid tot een toename van het aanbod van deze diensten als een pakket aanverwante diensten die alle of een deel van die basisfuncties kunnen omvatten. Zo bestaan diensten als web- of domeinhosting, datamining en gridcomputing allemaal uit een combinatie van basisfuncties van diensten in verband met computers.

  • 3 Ongeacht of zij via een netwerk, zoals internet, worden geleverd, omvatten de diensten in verband met computers alle diensten op het gebied van:

    • a. advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, ondersteuning, technische hulp of beheer van of voor computers of computersystemen;

    • b. computerprogramma's omschreven als serie instructies waardoor computers zelfstandig kunnen werken en met elkaar kunnen communiceren, plus advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, aanpassen, onderhoud, ondersteuning, technische hulp, beheer of gebruik van of voor computerprogramma's, of

    • c. de verwerking, opslag en hosting van gegevens of diensten in verband met databanken; of onderhoud en reparatie van kantoormachines en toebehoren, met inbegrip van computers; of opleidingen voor het personeel van klanten in verband met computerprogramma's, computers of computersystemen die niet elders zijn ingedeeld.

  • 4 Diensten in verband met computers maken andere diensten (zoals bankieren), elektronisch of anderszins, mogelijk. Er is echter een groot verschil tussen de ondersteunende dienst (bv. webhosting of applicatiehosting) en de inhouds- of hoofddienst die elektronisch wordt geleverd (bv. bankieren). In dergelijke gevallen valt de inhouds- of hoofddienst niet onder CPC 84.

ONDERAFDELING 4. POST- EN KOERIERSDIENSTEN

Artikel 99. Toepassingsgebied en definities

  • 1 Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle post- en koeriersdiensten die in overeenstemming met afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk zijn geliberaliseerd.

  • 2 Voor de toepassing van deze onderafdeling en van afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. „vergunning”: een vergunning die door een regelgevende autoriteit aan een individuele dienstverlener moet worden verleend alvorens deze een bepaalde dienst mag verlenen;

    • b. „universele dienst”: het op permanente basis verlenen van een postdienst met een specifieke hoedanigheid, op het hele grondgebied van een partij en tegen voor alle gebruikers redelijke prijzen.

Artikel 100. Universele dienst

Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij in stand wenst te houden. Dergelijke verplichtingen worden niet per se concurrentiebeperkend geacht, mits zij op een transparante, niet-discriminerende en uit mededingingsoogpunt neutrale wijze worden uitgevoerd en voor de door de partij vastgestelde soort universele dienst geen grotere last vertegenwoordigen dan nodig is.

Artikel 101. Vergunningen

  • 1 Een vergunning kan alleen worden verlangd voor diensten die binnen het toepassingsgebied van de universele dienst vallen.

  • 2 Indien een vergunning vereist is, worden de volgende gegevens algemeen bekendgemaakt:

    • a. alle vergunningscriteria en de periode die normaliter nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen, en

    • b. de voorwaarden voor de betrokken vergunningen.

  • 3 De redenen voor weigering van een vergunning worden de aanvrager desgevraagd meegedeeld en elke partij legt een procedure vast voor het instellen van beroep bij een onafhankelijke instantie. Een dergelijke procedure zal transparant en niet-discriminerend zijn, waarbij objectieve criteria worden gehanteerd.

Artikel 102. Onafhankelijkheid van regelgevende instantie

De regelgevende instantie is juridisch gescheiden van en niet aansprakelijk jegens verleners van post- en koeriersdiensten. De besluiten die de regelgevende instantie neemt en de procedures die zij volgt, zijn ten aanzien van alle marktdeelnemers onpartijdig.

Artikel 103. Geleidelijke aanpassing

Met het oog op eventuele verdere liberalisering van de handel in diensten erkennen de partijen het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van Georgië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XV-C bij deze overeenkomst.

ONDERAFDELING 5. NETWERKEN EN DIENSTEN VOOR ELEKTRONISCHE COMMUNICATIE

Artikel 104. Toepassingsgebied en definities

  • 1 Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle elektronische-communicatiediensten die in overeenstemming met afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk zijn geliberaliseerd.

  • 2 Voor de toepassing van deze onderafdeling en van afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening), en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. „elektronische-communicatiediensten”: alle diensten die volledig of voornamelijk bestaan uit de verzending van signalen via elektronische-communicatienetwerken, met inbegrip van telecommunicatiediensten en transmissiediensten met behulp van netwerken die voor omroep worden gebruikt. Deze diensten hebben geen betrekking op diensten die met behulp van elektronische-communicatienetwerken en elektronische-communicatiediensten doorgezonden inhoud aanbieden of hierover redactionele controle hebben;

    • b. „openbaar communicatienetwerk”: elektronisch communicatienetwerk dat volledig of voornamelijk voor het verlenen van openbare elektronische-communicatiediensten wordt gebruikt;

    • c. „elektronische-communicatienetwerk”: de transmissiesystemen en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;

    • d. „regelgevende autoriteit” in de elektronische-communicatiesector: de instantie of instanties die belast is/zijn met de regelgeving inzake de in deze onderafdeling bedoelde elektronische communicatie;

    • e. „aanzienlijke marktmacht”: een dienstverlener wordt geacht een aanzienlijke marktmacht te hebben wanneer hij, alleen of samen met anderen, een met een machtspositie overeenkomende positie heeft, dit wil zeggen een economische kracht bezit die hem in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van zijn concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten te gedragen;

    • f. „interconnectie”: de fysieke en logische koppeling van openbare communicatienetwerken die door dezelfde of een andere dienstverlener worden benut om gebruikers van een dienstverlener in staat te stellen te communiceren met gebruikers van dezelfde of van een andere dienstverlener, of toegang te hebben tot diensten van een andere dienstverlener. Diensten kunnen worden verleend door de betrokken partijen of door andere partijen die toegang tot het netwerk hebben. Interconnectie is een specifieke vorm van toegang die tussen exploitanten van openbare netwerken tot stand wordt gebracht;

    • g. „universele dienst”: het pakket van diensten van een bepaalde kwaliteit dat op het grondgebied van een partij tegen een betaalbare prijs beschikbaar is voor alle gebruikers, ongeacht hun geografische locatie; elke partij beslist over het toepassingsgebied en de uitvoering van de universele dienst;

    • h. „toegang”: het beschikbaar stellen van faciliteiten en/of diensten aan een andere dienstverlener, onder vastgestelde voorwaarden, al dan niet op exclusieve basis, met het doel elektronische-communicatiediensten te verlenen. Dit omvat onder andere toegang tot netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten, wat mee kan brengen dat apparatuur wordt gekoppeld door middel van vaste of mobiele middelen (dit omvat in het bijzonder de toegang tot het aansluitnet en tot alle faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om via het aansluitnet diensten te verlenen); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, goten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken, met name voor roaming; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitale-televisiediensten; toegang tot virtuele netwerkdiensten;

    • i. „eindgebruiker”: een gebruiker die geen diensten in verband met openbare communicatienetwerken of met openbare elektronische communicatie verleent;

    • j. „aansluitnet”: fysiek circuit dat het netwerkaansluitpunt in het gebouw van de abonnee verbindt met de hoofdverdeler of een soortgelijke voorziening in het vaste openbare communicatienetwerk.

Artikel 105. Regelgevende autoriteit

  • 1 Elke partij draagt er zorg voor dat de regelgevende autoriteiten voor elektronische-communicatiediensten juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van verleners van elektronische-communicatiediensten. Indien een partij eigenaar is van of zeggenschap heeft over een dienstverlener die elektronische-communicatienetwerken exploiteert of elektronische-communicatiediensten verleent, zorgt deze partij voor een werkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met de eigendom of de zeggenschap verband houdende activiteiten.

  • 2 Elke partij waarborgt dat de regelgevende autoriteit voldoende bevoegdheden heeft om de sector te reguleren. De taken van een regelgevende autoriteit worden op duidelijke wijze en in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt, in het bijzonder wanneer meer dan een instantie met die taken belast is.

  • 3 Elke partij zorgt ervoor dat de besluiten die de regelgevende autoriteiten nemen en de procedures die zij volgen, ten aanzien van alle marktdeelnemers onpartijdig en transparant zijn.

  • 4 De regelgevende autoriteit is bevoegd de relevante producten- en dienstenmarkten die in aanmerking komen voor regulering ex ante, te analyseren. Voor zover de regelgevende autoriteit ingevolge artikel 107 van deze overeenkomst moet bepalen of verplichtingen moeten worden opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd dan wel ingetrokken, bepaalt zij op basis van een marktanalyse of de relevante markt daadwerkelijk concurrerend is.

  • 5 Voor zover de regelgevende autoriteit bepaalt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, stelt zij vast en wijst zij aan welke dienstverleners aanzienlijke marktmacht op die markt hebben en legt zij naar gelang van het geval specifieke wettelijke verplichtingen als bedoeld in artikel 107 van deze overeenkomst op, dan wel handhaaft of wijzigt zij deze. Voor zover de regelgevende autoriteit concludeert dat de markt daadwerkelijk concurrerend is, legt zij geen van de in artikel 107 van deze overeenkomst bedoelde wettelijke verplichtingen op en handhaaft zij deze evenmin.

  • 6 Elke partij waarborgt dat een door het besluit van een regelgevende autoriteit getroffen dienstverlener het recht heeft om tegen dat besluit beroep in te stellen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk is van de bij dat besluit betrokken partijen. Elke partij waarborgt dat naar behoren rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het geval. Zolang er geen uitspraak inzake het ingestelde beroep is gedaan, blijft het besluit van de regelgevende autoriteit van kracht, tenzij de beroepsinstantie anders beslist. Wanneer de beroepsinstantie geen rechterlijke instantie is, motiveert zij haar beslissing altijd schriftelijk en kunnen haar beslissingen tevens door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke autoriteit worden getoetst. Beslissingen van beroepsinstanties worden daadwerkelijk ten uitvoer gelegd.

  • 7 Elke partij waarborgt dat indien de regelgevende autoriteiten voornemens zijn maatregelen te treffen die verband houden met een of meerdere bepalingen van deze onderafdeling en die een merkbare impact hebben op de relevante markt, zij de belanghebbenden gelegenheid geven binnen een redelijke termijn opmerkingen over de ontwerpmaatregel in te dienen. De regelgevende autoriteiten maken hun overlegprocedures bekend. De uitkomsten van de overlegprocedure worden openbaar gemaakt, tenzij het vertrouwelijke informatie betreft.

  • 8 Elke partij zorgt ervoor dat dienstverleners die elektronische-communicatienetwerken aanbieden en elektronische-communicatiediensten verlenen, alle informatie, met inbegrip van financiële informatie, verstrekken die de regelgevende autoriteiten nodig hebben om na te gaan of de bepalingen van deze onderafdeling of in overeenstemming met deze onderafdeling genomen besluiten worden nageleefd. Deze dienstverleners verstrekken deze informatie desgevraagd onverwijld, binnen de door de regelgevende autoriteit gestelde termijnen en zo uitgebreid als door haar is verzocht. De informatie waarom de regelgevende autoriteit verzoekt, zal evenredig zijn met de uitvoering van die taak. De regelgevende autoriteit geeft de redenen die haar verzoek om informatie rechtvaardigen.

Artikel 106. Vergunning voor verlenen van elektronische-communicatiediensten

  • 1 Elke partij waarborgt dat een vergunning voor het verlenen van diensten zoveel mogelijk wordt verleend na enkele kennisgeving.

  • 2 Elke partij waarborgt dat een vergunning kan worden verlangd voor nummer- en frequentietoekenning. De desbetreffende vergunningsvoorwaarden worden algemeen bekendgemaakt.

  • 3 Elke partij waarborgt dat indien een vergunning vereist is:

    • a. alle vergunningscriteria en de redelijke termijn die normaliter nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen, algemeen bekend worden gemaakt;

    • b. de redenen voor afwijzing van een vergunning de aanvrager op diens verzoek schriftelijk bekend worden gemaakt;

    • c. de aanvrager van een vergunning ingeval een vergunning ten onrechte geweigerd is, zich tot een beroepsinstantie kan wenden;

    • d. de door een partij verlangde vergoedingen22 voor het verlenen van een vergunning niet hoger zijn dan de administratieve kosten die normaliter met het beheer van, het toezicht op en de handhaving van de desbetreffende vergunningen gemoeid zijn. Dit lid is niet van toepassing op vergoedingen voor het verlenen van een vergunning voor het gebruik van het radiospectrum en de nummervoorraad.

Artikel 107. Toegang en interconnectie

  • 1 Elke partij zorgt ervoor dat elke dienstverlener die een vergunning heeft voor het aanbieden van elektronische-communicatiediensten, gerechtigd en verplicht is tot het bedingen van toegang tot en interconnectie met aanbieders van openbare elektronische-communicatienetwerken en -diensten. In beginsel worden afspraken over toegang en interconnectie gemaakt op basis van commerciële onderhandelingen tussen de betrokken dienstverleners.

  • 2 Elke partij ziet erop toe dat dienstverleners die bij onderhandelingen over interconnectieregelingen informatie van een andere dienstverlener ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die werd verstrekt en dat zij de vertrouwelijkheid van de verstrekte of opgeslagen informatie te allen tijde respecteren.

  • 3 Elke partij waarborgt dat een regelgevende autoriteit die in overeenstemming met artikel 105 van deze overeenkomst heeft vastgesteld dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, de bevoegdheid heeft aan de dienstverlener die wordt geacht een aanzienlijke marktmacht te hebben, een of meer van de volgende verplichtingen in verband met interconnectie en/of toegang op te leggen:

    • a. een verplichting inzake non-discriminatie om ervoor te zorgen dat de exploitant ten aanzien van andere leveranciers die gelijkwaardige diensten aanbieden onder gelijkwaardige omstandigheden gelijkwaardige voorwaarden toepast, en aan anderen diensten en informatie aanbiedt onder dezelfde voorwaarden en van dezelfde kwaliteit als die welke hij voor zijn eigen diensten of diensten van zijn dochterondernemingen of partners biedt;

    • b. een verplichting voor verticaal geïntegreerde ondernemingen om opening van zaken te geven over hun groothandelsprijzen en verrekenprijzen, wanneer er sprake is van een non-discriminatievoorschrift of het er om gaat oneerlijke kruissubsidiëring te voorkomen. De regelgevende autoriteit kan nader bepalen welk model en welke boekhoudkundige methode moeten worden gehanteerd;

    • c. verplichtingen om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van bepaalde netwerkonderdelen en bijbehorende faciliteiten, met inbegrip van ontbundelde toegang tot het aansluitnet, onder andere wanneer de regelgevende autoriteit van mening is dat het weigeren van toegang of het opleggen van onredelijke voorwaarden met een vergelijkbaar effect de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte detailhandelsmarkt zou belemmeren, of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.

      De regelgevende autoriteiten kunnen ten aanzien van de in dit punt bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden stellen, verband houdende met billijkheid, redelijkheid en tijdigheid;

    • d. de verplichting om op groothandelsbasis bepaalde diensten aan te bieden voor wederverkoop door derden; om open toegang te verlenen tot technische interfaces, protocollen of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit van diensten of virtuele netwerkdiensten; om co-locatie of andere vormen van gedeeld gebruik van faciliteiten aan te bieden, inclusief gedeeld gebruik van goten, gebouwen of masten; om bepaalde diensten aan te bieden die nodig zijn voor de interoperabiliteit van de aan gebruikers geleverde eind-tot-eind-diensten, inclusief faciliteiten voor intelligente-netwerkdiensten; om toegang te verlenen tot operationele ondersteuningssystemen of vergelijkbare softwaresystemen die nodig zijn om eerlijke concurrentie bij het aanbieden van diensten te waarborgen; om te zorgen voor interconnectie van netwerken of netwerkfaciliteiten.

      De regelgevende autoriteiten kunnen ten aanzien van de in dit punt bedoelde verplichtingen nadere voorwaarden stellen, verband houdende met billijkheid, redelijkheid en tijdigheid;

    • e. verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole, met inbegrip van verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke vormen van interconnectie en/of toegang, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers.

      De regelgevende autoriteiten houden rekening met de door de exploitant gedane investeringen en laten toe dat hij een redelijke opbrengst verkrijgt uit zijn kapitaalinbreng, de aangegane risico's in aanmerking genomen;

    • f. de verplichting tot bekendmaking van de specifieke verplichtingen die door de regelgevende autoriteit aan dienstverleners zijn opgelegd, waarbij de specifieke producten-/diensten- en de geografische markten worden vermeld. Actuele informatie, mits deze niet vertrouwelijk is en geen zakengeheimen omvat, wordt openbaar gemaakt op een wijze die waarborgt dat alle belanghebbenden gemakkelijk toegang tot die informatie hebben;

    • g. verplichtingen inzake transparantie, waarbij van een exploitant wordt verlangd dat hij bepaalde informatie openbaar maakt; met name wanneer hij niet-discriminatieverplichtingen heeft, kan de regelgevende autoriteit verlangen dat de exploitant een referentieaanbieding bekendmaakt, die zodanig wordt ontbundeld dat dienstverleners niet hoeven te betalen voor faciliteiten die niet nodig zijn voor de gevraagde dienst, en daarbij de relevante aanbiedingen beschrijft, met een uitsplitsing in componenten naar gelang de behoeften van de markt, samen met de bijbehorende voorwaarden en prijzen.

  • 4 Elke partij waarborgt dat een dienstverlener die verzoekt om interconnectie met een dienstverlener waarvan is vastgesteld dat hij een aanzienlijke marktmacht heeft, hetzij te allen tijde hetzij na een redelijke termijn die openbaar is gemaakt, een beroep kan doen op een onafhankelijk intern orgaan, dat een regelgevende instantie kan zijn als bedoeld in artikel 104, lid 2, onder d), van deze overeenkomst, voor de beslechting van geschillen over de voorwaarden voor interconnectie en/of toegang.

Artikel 108. Schaarse middelen

  • 1 Elke partij waarborgt dat alle procedures voor de toewijzing en het gebruik van schaarse middelen, zoals frequenties, nummers en doorgangsrechten, worden toegepast op objectieve, evenredige, tijdige, transparante en niet-discriminerende wijze. De stand van zaken met betrekking tot toegewezen frequentiebanden wordt algemeen bekendgemaakt, maar een gedetailleerde vermelding van de frequenties die voor specifiek gebruik door de overheid zijn toegewezen, is niet vereist.

  • 2 Elke partij zorgt voor het doeltreffende beheer van radiofrequenties voor elektronische-communicatiediensten op haar grondgebied, teneinde een doeltreffend en efficiënt gebruik van het spectrum te waarborgen. Indien de vraag naar bepaalde frequenties groter is dan de beschikbaarheid ervan, worden voor de toewijzing van deze frequenties passende en transparante procedures gevolgd teneinde het gebruik ervan te optimaliseren en de ontwikkeling van de mededinging te bevorderen.

  • 3 Elke partij waarborgt dat de toewijzing van de nationale nummervoorraden en het beheer van de nationale nummerplannen aan de regelgevende autoriteit worden toevertrouwd.

  • 4 Voor zover lokale of andere overheden de eigendom van of de zeggenschap over dienstverleners die openbare communicatienetwerken en/of -diensten exploiteren, behouden, moet worden gezorgd voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de taak inzake toekenning van rechten en de taak die verband houdt met de eigendom of de zeggenschap.

Artikel 109. Universele dienst

  • 1 Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij in stand wenst te houden.

  • 2 Deze verplichtingen worden niet per se concurrentiebeperkend geacht, mits zij op een transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. De uitvoering van dergelijke verplichtingen is ook neutraal met betrekking tot de mededinging en niet belastender dan nodig is voor de soort universele dienst die door de partij wordt vastgesteld.

  • 3 Elke partij draagt er zorg voor dat alle dienstverleners in aanmerking komen voor het verlenen van universele diensten en dat geen enkele dienstverlener a priori wordt uitgesloten. De aanwijzing geschiedt door middel van een efficiënt, transparant, objectief en niet-discriminerend mechanisme. Indien nodig beoordeelt elke partij of het verlenen van universele diensten een onbillijke last vormt voor de organisatie(s) die is/zijn aangewezen om de universele diensten te verlenen. Wanneer dit op grond van een dergelijke berekening gerechtvaardigd is, bepalen de regelgevende autoriteiten, rekening houdend met het eventuele marktvoordeel voor een organisatie die de universele dienst verleent, of er een mechanisme nodig is om de betrokken dienstverlener(s) te compenseren of de nettokosten van de universeledienstverplichtingen te delen.

  • 4 Elke partij waarborgt dat, wanneer er voor de eindgebruikers gidsen van alle abonnees beschikbaar zijn, in gedrukte of in elektronische vorm, de organisaties die die gidsen verstrekken, het non-discriminatiebeginsel in acht nemen bij de behandeling van informatie die zij van andere organisaties hebben gekregen.

Artikel 110. Grensoverschrijdende verlening van elektronische-communicatiediensten

Geen van de partijen mag ten aanzien van grensoverschrijdende dienstverlening aan een dienstverlener uit de andere partij de voorwaarde stellen dat hij op haar grondgebied gevestigd, in enigerlei vorm aanwezig of daar ingezetene is.

Artikel 111. Vertrouwelijke informatie

Elke partij waarborgt het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie die via een openbaar communicatienetwerk en via openbare elektronische-communicatiediensten plaatsvindt, alsmede van de gegevens over dat verkeer, zonder daardoor de handel in diensten te beperken.

Artikel 112. Geschillen tussen dienstverleners

  • 1 Elke partij draagt er zorg voor dat wanneer er in verband met de in deze afdeling bedoelde rechten en verplichtingen een geschil rijst tussen aanbieders van elektronische-communicatienetwerken of verleners van elektronische-communicatiediensten, de regelgevende autoriteit op verzoek van een der partijen een bindende beslissing neemt om het geschil op zo kort mogelijke termijn, doch uiterlijk binnen vier maanden, tot een oplossing te brengen.

  • 2 De beslissing van de regelgevende autoriteit wordt openbaar gemaakt, met inachtneming van de vereisten inzake vertrouwelijke bedrijfsgegevens. De door de aanbieders van elektronische-communicatienetwerken en de verleners van elektronische-communicatiediensten te ontvangen beslissing wordt met redenen omkleed.

  • 3 Indien een dergelijk geschil betrekking heeft op grensoverschrijdende dienstverlening, coördineren de regelgevende autoriteiten hun inspanningen om het geschil tot een oplossing te brengen.

Artikel 113. Geleidelijke aanpassing

Met het oog op eventuele verdere liberalisering van de handel in diensten erkennen de partijen het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van Georgië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XV-B bij deze overeenkomst.

ONDERAFDELING 6. FINANCIËLE DIENSTEN

Artikel 114. Toepassingsgebied en definities

  • 1 Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle financiële diensten die in overeenstemming met afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk zijn geliberaliseerd.

  • 2 Voor de toepassing van deze onderafdeling en van afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. „financiële dienst”: elke dienst van financiële aard, aangeboden door een verlener van financiële diensten uit een partij. Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:

      • i. verzekeringen en daarmee verband houdende diensten:

        • 1. directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):

          • a. levensverzekering;

          • b. schadeverzekering;

        • 2. herverzekering en retrocessie;

        • 3. verzekeringsbemiddeling, zoals makelaardij en agentschap, en

        • 4. ondersteunende diensten voor verzekeringen, zoals diensten van adviseurs en actuarissen en diensten in verband met risicobeoordeling en de afwikkeling van claims;

      • ii. bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen):

        • 1. aanvaarding van deposito's en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;

        • 2. alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;

        • 3. financiële leasing;

        • 4. alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten, debetkaarten, reischeques en bankwissels;

        • 5. garanties en verbintenissen;

        • 6. transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs of op de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:

          • a. geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten);

          • b. deviezen;

          • c. derivaten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, termijninstrumenten en opties;

          • d. wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;

          • e. verhandelbare effecten;

          • f. andere verhandelbare instrumenten en financiële activa, met inbegrip van edelmetaal;

        • 7. deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van diensten in verband met deze uitgiften;

        • 8. financiële bemiddeling;

        • 9. beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;

        • 10. betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, met inbegrip van waardepapieren, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;

        • 11. verstrekking en doorgifte van financiële informatie en verwerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software;

        • 12. advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder 1) tot en met 11) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnames, bedrijfsreorganisaties en strategieën;

    • b. „verlener van financiële diensten”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon uit een partij die financiële diensten verleent of aanbiedt. Openbare instanties vallen niet onder dit begrip „verlener van financiële diensten”;

    • c. „openbare instantie”:

      • i. een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een partij, of een instantie die eigendom is van een partij of onder zeggenschap staat van een partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van instanties die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis, of

      • ii. een particuliere instantie, wanneer deze taken vervult die normalerwijze door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld;

    • d. „nieuwe financiële dienst”: een dienst van financiële aard, zoals diensten in verband met bestaande of nieuwe producten of de wijze waarop een product wordt geleverd, die niet wordt verleend door verleners van financiële diensten op het grondgebied van een partij, doch die op het grondgebied van de andere partij wel wordt verleend.

Artikel 115. Prudentiële uitzonderingsbepaling

  • 1 Elke partij kan maatregelen vaststellen of handhaven om prudentiële redenen, waaronder:

    • a. de bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen aan wie een verlener van financiële diensten een fiduciair recht verschuldigd is;

    • b. het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële systeem van een partij.

  • 2 Deze maatregelen zijn niet belastender dan nodig is voor het bereiken van het doel ervan en houden niet in dat verleners van financiële diensten uit de andere partij worden gediscrimineerd in vergelijking met de eigen soortgelijke verleners van financiële diensten.

  • 3 Geen enkele bepaling van deze overeenkomst kan zodanig worden uitgelegd dat zij een partij verplicht tot het verstrekken van informatie betreffende de zaken en de rekeningen van individuele consumenten, dan wel vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit is van openbare instanties.

Artikel 116. Doeltreffende en transparante regelgeving

  • 1 Elke partij stelt alles in het werk om alle belanghebbenden vooraf kennis te geven van elke door haar beoogde algemene maatregel, zodat die belanghebbenden opmerkingen over die maatregel kunnen maken. Dergelijke maatregelen worden bekendgemaakt:

    • a. door officiële publicatie, of

    • b. in enige andere vorm, schriftelijk of elektronisch.

  • 2 Elke partij stelt belanghebbenden in kennis van haar voorschriften voor het indienen van aanvragen met betrekking tot de verlening van financiële diensten.

    Op verzoek van een aanvrager stelt de desbetreffende partij deze in kennis van de status van zijn aanvraag. Indien de desbetreffende partij aanvullende informatie van de aanvrager verlangt, stelt zij deze daarvan onverwijld in kennis.

  • 3 Elke partij stelt alles in het werk opdat internationaal overeengekomen normen voor de regelgeving en het toezicht in de financiëledienstensector en voor de strijd tegen belastingfraude en -ontwijking op haar grondgebied ten uitvoer worden gelegd en worden toegepast. Dergelijke internationaal overeengekomen normen zijn onder meer de „Core Principles for Effective Banking Supervision” van het Bazels Comité voor het bankentoezicht, de „Insurance Core Principles” van de International Association of Insurance Supervisors, de „Objectives and Principles of Securities Regulation” van de International Organisation of Securities Commissions, de „Agreement on Exchange of Information on Tax Matters” van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de „Statement on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes” van de G20, en de Veertig aanbevelingen inzake het witwassen van geld en de Negen bijzondere aanbevelingen inzake terrorismefinanciering van de Financial Action Task Force.

    De partijen nemen bovendien nota van de „Ten Key Principles for Information Exchange” die door de Ministers van Financiën van de G7-landen zijn aangenomen en zullen alles doen wat nodig is opdat deze beginselen in hun bilaterale contacten kunnen worden toegepast.

Artikel 117. Nieuwe financiële diensten

Elke partij staat verleners van financiële diensten uit de andere partij toe nieuwe financiële diensten te verlenen die soortgelijk zijn aan diensten voor het verlenen waarvan zij krachtens haar interne wetgeving onder vergelijkbare omstandigheden aan haar eigen verleners van financiële diensten toestemming zou verlenen. De betrokken partij kan de rechtsvorm vaststellen waarin de dienst kan worden verleend en kan de verlening van de betrokken dienst aan een vergunningsplicht onderwerpen. Wanneer een vergunning vereist is, wordt hieromtrent binnen een redelijke termijn een besluit genomen en de vergunning kan uitsluitend worden geweigerd om prudentiële redenen.

Artikel 118. Gegevensverwerking

  • 1 Elke partij staat verleners van financiële diensten uit de andere partij toe gegevens in elektronische of in andere vorm met het oog op gegevensverwerking van en naar haar grondgebied te verzenden, wanneer de verwerking van deze gegevens noodzakelijk is in het kader van de normale transacties van de betrokken verleners van financiële diensten.

  • 2 Elke partij neemt passende maatregelen ter bescherming van de privacy en de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, in het bijzonder met betrekking tot de overdracht van persoonsgegevens.

Artikel 119. Specifieke uitzonderingen

  • 1 Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij voor een partij, met inbegrip van haar openbare instanties, een beletsel vormt om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten aan te bieden in het kader van een pensioenregeling van de overheid of een wettelijk stelsel van sociale zekerheid, tenzij verleners van financiële diensten deze activiteiten krachtens de interne regelgeving van die partij in concurrentie met openbare instanties of particuliere instellingen kunnen aanbieden.

  • 2 Geen enkele bepaling van deze overeenkomst is van toepassing op de activiteiten van een centrale bank of een monetaire autoriteit of van enige andere openbare instantie die bevoegd is voor het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid.

  • 3 Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij voor een partij, met inbegrip van haar openbare instanties, een beletsel vormt om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten aan te bieden voor rekening van of met garantiestelling door of gebruikmaking van de financiële middelen van de partij of haar openbare instanties.

Artikel 120. Zelfregulerende organisaties

Wanneer een partij het lidmaatschap van of deelneming aan dan wel toegang tot een zelfregulerend lichaam, effecten- of termijnbeurs of effecten- of termijnmarkt, verrekenkantoor of een andere organisatie of vereniging als voorwaarde stelt voor verleners van financiële diensten uit de andere partij om op voet van gelijkheid met haar eigen verleners van financiële diensten financiële diensten te kunnen verlenen, of wanneer zij dergelijke entiteiten direct of indirect voorrechten of voordelen voor de verlening van financiële diensten toekent, waarborgt zij dat de verplichtingen van de artikelen 79 en 85 van deze overeenkomst worden nageleefd.

Artikel 121. Clearing- en betalingssystemen

Onder de voorwaarden voor toekenning van nationale behandeling verschaft elke partij aan op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten uit de andere partij toegang tot betalings- en clearingsystemen van openbare instanties, alsmede tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel beoogt niet toegang te verschaffen tot de kredietfaciliteiten in laatste instantie van de partij.

Artikel 122. Geleidelijke aanpassing

Met het oog op eventuele verdere liberalisering van de handel in diensten erkennen de partijen het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van Georgië aan de in artikel 116, lid 3, van deze overeenkomst vermelde internationale normen voor beste praktijken, alsmede aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XV-A bij deze overeenkomst.

ONDERAFDELING 7. VERVOER

Artikel 123. Toepassingsgebied

Deze onderafdeling bevat de beginselen met betrekking tot de liberalisering van diensten die verband houden met internationaal vervoer in overeenstemming met afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk.

Artikel 124. Internationaal zeevervoer

  • 1 Voor de toepassing van deze onderafdeling en van afdeling 2 (Vestiging), afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) en afdeling 4 (Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken) van dit hoofdstuk:

    • a. omvat „internationaal zeevervoer” ook vervoer van deur tot deur en multimodaal vervoer, zijnde het vervoer van goederen met behulp van meer dan een wijze van vervoer, waaronder ook vervoer over zee, met een enkel vervoersdocument, en in verband daarmee ook het recht rechtstreeks met dienstverleners voor andere wijzen van vervoer contracten te sluiten;

    • b. wordt onder „behandeling van zeevracht” verstaan: activiteiten van stuwadoorsbedrijven en terminalexploitanten, maar zonder de rechtstreekse activiteiten van dokwerkers, wanneer deze niet door de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zijn tewerkgesteld. De hier bedoelde activiteiten omvatten de organisatie van en het toezicht op:

      • i. het laden en lossen van schepen;

      • ii. het sjorren en losmaken van vracht;

      • iii. het in ontvangst nemen/afleveren en bewaken van vracht vóór verscheping of na lossing;

    • c. wordt onder „in- en uitklaring” verstaan: de afhandeling van douaneformaliteiten namens een derde met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of deze dienst de hoofdactiviteit van die dienstverlener is of een gebruikelijke aanvulling op diens hoofdactiviteit;

    • d. wordt onder „diensten in verband met de opslag van containers” verstaan: de opslag van containers, op het haventerrein of verder landinwaarts, om ze te laden of te lossen, te repareren en gereed te maken voor verscheping;

    • e. wordt onder „diensten van scheepsagenten” verstaan: activiteiten waarbij de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent worden behartigd voor de volgende doeleinden:

      • i. marketing en verkoop van diensten van zeevervoer en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, alsmede het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het kopen en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie;

      • ii. het optreden namens maatschappijen, het organiseren van de afroep van aanvragen om scheepsruimte of, indien nodig, het overnemen van vracht;

    • f. wordt onder „expediteursdiensten” verstaan: de activiteit waarbij namens een verzender de verscheping wordt georganiseerd en gevolgd, door vervoersdiensten en aanverwante diensten te contracteren, documenten op te stellen en bedrijfsinformatie te verschaffen;

    • g. wordt onder „feederdiensten” verstaan: het vervoer voorafgaand aan en na het internationale vrachtvervoer over zee, met name in containers, tussen havens in een partij.

  • 2 Aangaande het internationale zeevervoer stemt elke partij ermee in dat zij zal zorgen voor de effectieve toepassing van het beginsel van onbeperkte toegang tot lading op commerciële basis, van het vrij verrichten van diensten op het gebied van het internationale zeevervoer, en van nationale behandeling bij de levering van deze diensten.

    Gezien het huidige niveau van de liberalisering tussen de partijen op het gebied van het internationale zeevervoer:

    • a. past elke partij het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer op commerciële en niet-discriminerende grondslag daadwerkelijk toe;

    • b. kent elke partij aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere partij of worden geëxploiteerd door dienstverleners uit de andere partij, een niet minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan haar eigen vaartuigen of aan die van een derde land toekent indien deze behandeling gunstiger is, voor, onder meer, de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en havendiensten, het gebruik van hulpdiensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanediensten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties.

  • 3 Bij de toepassing van deze beginselen:

    • a. neemt elke partij in toekomstige overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen op met betrekking tot zeevervoerdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en beëindigt zij binnen een redelijke termijn dergelijke vrachtverdelingsregelingen wanneer deze in eerdere overeenkomsten voorkomen, en

    • b. heft elke partij bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst alle unilaterale maatregelen en administratieve, technische en andere belemmeringen op die een verkapte beperking kunnen zijn van of een discriminatoir effect kunnen hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationale zeevervoer, en ziet zij af van de invoering ervan.

  • 4 Elke partij staat toe dat verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij een vestiging op haar grondgebied hebben, onder voorwaarden van vestiging en exploitatie die niet minder gunstig zijn dan die welke zij aan haar eigen dienstverleners of aan dienstverleners van derde landen toekent, indien deze laatste betere voorwaarden genieten.

  • 5 Elke partij staat verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toe gebruik te maken van de volgende havendiensten: loodsen, hulp van duw- en sleepboten, bevoorrading, brandstof- en waterlevering, ophalen en verwerking van afval, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorzieningen, faciliteiten voor noodreparaties, verankering en aan- en afmeren.

  • 6 Elke partij staat het verplaatsen van materiaal zoals lege containers die niet worden vervoerd als vracht tegen betaling, toe tussen havens van een lidstaat van de EU of tussen havens van Georgië.

  • 7 Elke partij staat, mits de bevoegde autoriteit daarvoor toestemming heeft verleend, verleners van diensten voor internationaal zeevervoer uit de andere partij toe om „feederdiensten” tussen haar interne havens te verlenen.

Artikel 125. Luchtvervoer

Ten aanzien van de geleidelijke liberalisering van het luchtvervoer tussen de partijen, aangepast aan hun wederzijdse commerciële behoeften, en de voorwaarden voor wederzijdse markttoegang is de Overeenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte van toepassing.

Artikel 126. Geleidelijke aanpassing

Met het oog op eventuele verdere liberalisering van de handel in diensten erkennen de partijen het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van Georgië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XV-D bij deze overeenkomst.

AFDELING 6. ELEKTRONISCHE HANDEL

ONDERAFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 127. Doelstelling en beginselen

  • 1 De partijen erkennen dat de elektronische handel de handelsmogelijkheden in vele sectoren verruimt en komen overeen de ontwikkeling van hun onderlinge elektronische handelsverkeer te bevorderen, met name door samenwerking op het gebied van de vraagstukken die elektronische handel in het kader van dit hoofdstuk meebrengt.

  • 2 De partijen zijn het erover eens dat de ontwikkeling van de elektronische handel in overeenstemming moet zijn met de internationale normen inzake gegevensbescherming, teneinde ervoor te zorgen dat de gebruikers vertrouwen in de elektronische handel hebben.

  • 3 De partijen komen overeen dat elektronische transmissies worden beschouwd als dienstverlening in de zin van afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) van dit hoofdstuk, die niet aan douanerechten kan worden onderworpen.

Artikel 128. Samenwerking op gebied van elektronische handel

  • 1 De partijen onderhouden een dialoog over regelgevingskwesties in verband met de elektronische handel, onder meer over:

    • a. de erkenning van aan het publiek afgegeven certificaten voor elektronische handtekeningen en de bevordering van grensoverschrijdende certificeringsdiensten;

    • b. de aansprakelijkheid van de aanbieders van intermediaire diensten bij de doorgifte of opslag van informatie;

    • c. de behandeling van ongevraagde elektronische commerciële communicatie;

    • d. consumentenbescherming op het gebied van de elektronische handel, en

    • e. andere kwesties die voor de ontwikkeling van de elektronische handel van belang zijn.

  • 2 Deze samenwerking kan geschieden in de vorm van een uitwisseling van informatie over de respectieve wetgeving van de partijen met betrekking tot deze kwesties en over de tenuitvoerlegging van die wetgeving.

ONDERAFDELING 2. AANSPRAKELIJKHEID VAN AANBIEDERS VAN INTERMEDIAIRE DIENSTEN

Artikel 129. Gebruik van diensten van intermediairs

  • 1 De partijen erkennen dat de diensten van intermediairs door derden kunnen worden gebruikt voor illegale activiteiten en zij voorzien in de in deze onderafdeling vastgestelde maatregelen voor aanbieders van intermediaire diensten23.

  • 2 Voor de toepassing van artikel 130 van deze overeenkomst wordt onder „aanbieder van diensten” verstaan een aanbieder van de doorgifte of routering van of van verbindingen voor digitale onlinecommunicatie, tussen door de gebruiker gespecificeerde punten, van door de gebruiker gekozen materiaal, zonder wijziging van de inhoud daarvan. Voor de toepassing van de artikelen 131 en 132 van deze overeenkomst wordt onder „aanbieder van diensten” verstaan een aanbieder of exploitant van faciliteiten voor onlinediensten of netwerktoegang.

Artikel 130. Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „mere conduit” (doorgeefluik)

  • 1 Elke partij zorgt ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de doorgegeven informatie, op voorwaarde dat deze aanbieder:

    • a. niet het initiatief tot doorgifte neemt;

    • b. de ontvanger van de doorgegeven informatie niet selecteert, en

    • c. de doorgegeven informatie niet selecteert of wijzigt.

  • 2 Het doorgeven van informatie en het verschaffen van toegang in de zin van lid 1 omvatten de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van de doorgegeven informatie, voor zover deze uitsluitend dient om de doorgifte in het communicatienetwerk te bewerkstelligen en niet langer duurt dan redelijkerwijs voor de doorgifte nodig is.

  • 3 Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of verhindert.

Artikel 131. Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „caching” (wijze van opslag)

  • 1 Elke partij zorgt ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van die informatie, wanneer deze opslag enkel geschiedt om latere doorgifte van die informatie aan andere afnemers van de dienst op hun verzoek doeltreffender te maken, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:

    • a. de informatie niet wijzigt;

    • b. de toegangsvoorwaarden voor de informatie in acht neemt;

    • c. de alom erkende en in de bedrijfstak gangbare regels betreffende de bijwerking van de informatie naleeft;

    • d. niets wijzigt aan het alom erkende en in de bedrijfstak gangbare rechtmatige gebruik van technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie, en

    • e. prompt handelt om de door hem opgeslagen informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken, zodra hij er daadwerkelijk kennis24 van heeft dat de informatie verwijderd werd van de plaats waar zij zich oorspronkelijk in het net bevond of de toegang ertoe onmogelijk werd gemaakt, of dat een rechtbank of administratieve instantie heeft gelast de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

  • 2 Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of verhindert.

Artikel 132. Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „hosting”

  • 1 Elke partij zorgt ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de op verzoek van een afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:

    • a. niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteit of informatie duidelijk blijkt, of

    • b. zodra hij hiervan kennis heeft of besef krijgt, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken.

  • 2 Lid 1 is niet van toepassing wanneer de afnemer van de dienst op gezag of onder toezicht van de aanbieder van de dienst handelt.

  • 3 Dit artikel belet niet dat een rechtbank of administratieve instantie in overeenstemming met het rechtsstelsel van elke partij kan verlangen dat de aanbieder van de dienst een inbreuk beëindigt of voorkomt, en evenmin dat een partij procedures kan vaststellen om informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken.

Artikel 133. Geen algemene toezichtverplichting

  • 1 De partijen leggen aanbieders van de diensten geen algemene verplichting op om bij het aanbieden van de in de artikelen 130 tot en met 132 van deze overeenkomst bedoelde diensten toezicht te houden op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te gaan zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

  • 2 Een partij kan aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij verplichten om de bevoegde overheidsautoriteiten onverwijld in kennis te stellen van vermeende onwettige activiteiten of informatie van de afnemers van hun dienst, of verplichten om de bevoegde autoriteiten op hun verzoek informatie te verstrekken die kan dienen tot het achterhalen van afnemers van hun dienst waarmee zij een opslagovereenkomst hebben.

AFDELING 7. UITZONDERINGEN

Artikel 134. Algemene uitzonderingen

  • 1 Onverminderd de algemene uitzonderingen van artikel 415 van deze overeenkomst zijn de bepalingen van dit hoofdstuk en van de bijlagen XIV-A en XIV-E, XIV-B en XIV-F, XIV-C en XIV-G, alsmede XVI-D en XIV-H bij deze overeenkomst onderworpen aan de uitzonderingen van dit artikel.

  • 2 Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van het recht van vestiging of van grensoverschrijdende dienstverlening vormen, kan geen enkele bepaling van dit hoofdstuk zodanig worden uitgelegd dat zij een beletsel vormt voor het vaststellen of toepassen door een partij van maatregelen die:

    • a. noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of de handhaving van de openbare orde;

    • b. noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven en de gezondheid van mens, dier of plant;

    • c. betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, mits die maatregelen met beperkingen voor interne ondernemers of met beperkingen van het interne aanbod of verbruik van diensten gepaard gaan;

    • d. noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;

    • e. noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- en regelgeving die niet strijdig is met de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van die welke betrekking heeft op:

      • i. het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren;

      • ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;

      • iii. de veiligheid;

    • f. strijdig zijn met de artikelen 79 en 85 van deze overeenkomst, mits het verschil in behandeling bedoeld is om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of innen ten aanzien van economische activiteiten, ondernemers of dienstverleners uit de andere partij25.

  • 3 De bepalingen van dit hoofdstuk en van de bijlagen XIV-A en XIV-E, XIV-B en XIV-F, XIV-C en XIV-G, alsmede XIV-D en XIV-H bij deze overeenkomst zijn niet van toepassing op de respectieve socialezekerheidsstelsels van de partijen of op activiteiten op het grondgebied van elk van de partijen die, al dan niet incidenteel, verband houden met de uitoefening van het overheidsgezag.

Artikel 135. Belastingmaatregelen

De meestbegunstigingsbehandeling die ingevolge dit hoofdstuk wordt toegekend, is niet van toepassing op de belastingbehandeling die de partijen geven of in de toekomst zullen geven op basis van overeenkomsten tussen hen ter voorkoming van dubbele belasting.

Artikel 136. Uitzonderingen met betrekking tot veiligheid

  • 1 Geen enkele bepaling van deze overeenkomst kan zodanig worden uitgelegd dat:

    • a. een partij verplicht wordt gegevens te verstrekken, wanneer zij meent dat openbaarmaking van die gegevens in strijd is met haar wezenlijke veiligheidsbelangen;

    • b. een partij belet wordt maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die:

      • i. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogstuig;

      • ii. betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben;

      • iii. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd, of

      • iv. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen, of

    • c. een partij belet wordt maatregelen te nemen tot uitvoering van de verplichtingen die zij op zich heeft genomen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

HOOFDSTUK 7. BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER

Artikel 137. Betalingsverkeer

De partijen verbinden zich ertoe overeenkomstig artikel VIII van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds toe te staan dat alle betalingen en overboekingen op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen de partijen worden verricht in vrij converteerbare valuta, en geen beperkingen dienaangaande vast te stellen.

Artikel 138. Kapitaalverkeer

  • 1 Met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans waarborgen de partijen vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot directe investeringen in overeenstemming met de wetten van het gastland, met inbegrip van de verwerving van onroerend goed, en investeringen in overeenstemming met hoofdstuk 6 (Vestiging, handel in diensten en elektronische handel) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, alsook de liquidatie of de repatriëring van die investeringen en van alle opbrengsten daarvan.

  • 2 Met betrekking tot andere verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans dan de in lid 1 van dit artikel vermelde, waarborgt elke partij vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst en onverminderd de overige bepalingen van deze overeenkomst:

    • a. het vrije verkeer van kapitaal inzake kredieten in verband met commerciële transacties of met het verlenen van diensten waaraan een ingezetene van een van de partijen deelneemt;

    • b. het vrije verkeer van kapitaal in verband met beleggingen, leningen en kredieten van de investeerders uit de andere partij.

Artikel 139. Vrijwaringsmaatregelen

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden betalingen of kapitaalbewegingen ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor de werking van het wisselkoersbeleid of het monetair beleid, met inbegrip van ernstige betalingsbalansmoeilijkheden, in een of meer lidstaten of in Georgië, kunnen de betrokken partijen voor een periode van ten hoogste zes maanden vrijwaringsmaatregelen treffen indien die maatregelen strikt noodzakelijk zijn. De partij die de vrijwaringsmaatregelen neemt, stelt de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis en legt zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de intrekking van deze maatregelen voor.

Artikel 140. Bepalingen inzake bevordering en verdere ontwikkeling van kapitaalverkeer

  • 1 De partijen plegen overleg teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.

  • 2 Gedurende de eerste vier jaar volgend op de inwerkingtreding van deze overeenkomst nemen de partijen maatregelen met het oog op de totstandbrenging van de voorwaarden die nodig zijn voor de verdere geleidelijke toepassing van de voorschriften van de Unie inzake het vrije verkeer van kapitaal.

  • 3 Uiterlijk aan het eind van het vijfde jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst beoordeelt het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, de genomen maatregelen opnieuw en stelt het de modaliteiten voor verdere liberalisering vast.

HOOFDSTUK 8. OVERHEIDSOPDRACHTEN

Artikel 141. Doelstellingen

  • 1 De partijen erkennen de bijdrage van transparante, niet-discriminerende, op concurrentie gebaseerde en openbare aanbestedingen aan een duurzame economische ontwikkeling en stellen zich een effectieve, wederzijdse en geleidelijke openstelling van hun respectieve markten voor overheidsopdrachten ten doel.

  • 2 Dit hoofdstuk voorziet in wederzijdse toegang tot markten voor overheidsopdrachten op basis van het beginsel van nationale behandeling op nationaal, regionaal en lokaal niveau voor overheidsopdrachten en concessies in zowel de traditionele als de nutssector. Het voorziet in de geleidelijke aanpassing van de wetgeving inzake overheidsopdrachten in Georgië aan het acquis van de Unie inzake overheidsopdrachten op basis van de voor overheidsopdrachten in de Unie geldende beginselen, en de voorwaarden en definities van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (Richtlijn 2004/18/EG), en van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (Richtlijn 2004/17/EG).

Artikel 142. Toepassingsgebied

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten alsmede op opdrachten voor werken, leveringen en diensten in de nutssector en, indien en waar dergelijke opdrachten worden gebruikt, op concessies voor werken en diensten.

  • 2 Dit hoofdstuk is van toepassing op aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten die voldoen aan de definities van het acquis van de Unie op het gebied van overheidsopdrachten, hierna „de aanbestedende diensten” genoemd. Het heeft tevens betrekking op publiekrechtelijke instellingen en openbare nutsbedrijven, zoals overheidsondernemingen die de desbetreffende activiteiten verrichten en particuliere ondernemingen die op basis van bijzondere en exclusieve rechten actief zijn in de nutssector26.

  • 3 Dit hoofdstuk is van toepassing op opdrachten boven de drempelwaarden die zijn vastgesteld in bijlage XVI-A bij deze overeenkomst.

  • 4 De berekening van de geraamde waarde van een overheidsopdracht wordt gebaseerd op het in totaal te betalen bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde. Bij het hanteren van deze drempelwaarden berekent Georgië de contractwaarde en rekent het deze om naar zijn nationale munteenheid, waarbij het gebruik maakt van de omrekeningskoers van zijn nationale bank.

  • 5 De drempelwaarden worden om de twee jaar herzien, te beginnen in het jaar van inwerkingtreding van deze overeenkomst, op basis van de gemiddelde dagwaarde van de euro, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, over de 24 maanden die eindigen op de laatste dag van augustus voorafgaand aan de herziening, die per 1 januari in werking treedt. De aldus herziene drempelwaarden worden, indien nodig, naar beneden afgerond op het naaste veelvoud van 1000 EUR. De herziening van de drempelwaarden wordt goedgekeurd door het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst.

Artikel 143. Institutionele achtergrond

  • 1 Elke partij zorgt voor de invoering of het behoud van een passend institutioneel kader en van de mechanismen die nodig zijn voor de juiste werking van het systeem voor overheidsopdrachten en de implementatie van de beginselen in dit hoofdstuk.

  • 2 Georgië wijst in het bijzonder de volgende organen aan:

    • a. een uitvoerend orgaan op het niveau van de centrale overheid dat belast is met het waarborgen en uitvoeren van een coherent beleid op alle gebieden die met overheidsopdrachten verband houden. Dit orgaan bevordert en coördineert de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en geeft richting aan het proces van geleidelijke aanpassing aan het acquis van de Unie als bedoeld in bijlage XVI-B bij deze overeenkomst;

    • b. een onpartijdig en onafhankelijk orgaan dat belast is met de beoordeling van besluiten van de aanbestedende diensten bij de plaatsing van opdrachten. In deze context wordt onder „onafhankelijk” verstaan dat dit orgaan een overheidsinstantie moet zijn die los staat van alle aanbestedende diensten en marktdeelnemers. Tegen de besluiten van dit orgaan moet beroep in rechte kunnen worden ingesteld.

  • 3 Elke partij waarborgt dat de besluiten van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van klachten van marktdeelnemers over schendingen van het interne recht, daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 144. Basisnormen voor gunning van opdrachten

  • 1 Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voldoen de partijen aan een serie basisnormen voor de gunning van alle opdrachten, zoals voorgeschreven door de leden 2 tot en met 15 van dit artikel. Deze basisnormen vloeien rechtstreeks voort uit de voorschriften en beginselen voor overheidsopdrachten als vervat in het acquis van de Unie voor overheidsopdrachten, met inbegrip van de beginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling, transparantie en evenredigheid.

Publicatie

  • 2 Elke partij waarborgt dat alle voorgenomen overheidsopdrachten op toereikende wijze in een daartoe geëigend medium27 worden bekendgemaakt:

    • a. opdat de markt wordt geopend voor mededinging; en

    • b. opdat belanghebbende marktdeelnemers passende toegang hebben tot informatie over de voorgenomen overheidsopdracht, voorafgaand aan de gunning ervan, en opdat zij hun belangstelling voor de opdracht kenbaar kunnen maken.

  • 3 De bekendmaking is passend ten opzichte van het economisch belang van de opdracht voor marktdeelnemers.

  • 4 De bekendmaking omvat ten minste de wezenlijke details van de te plaatsen opdracht, de criteria voor selectie op kwaliteit, de gunningsmethode, de criteria voor gunning en elke andere aanvullende informatie die een marktdeelnemer redelijkerwijs nodig heeft om te besluiten of hij zijn belangstelling voor de opdracht kenbaar maakt.

Gunning van opdrachten

  • 5 Alle opdrachten worden gegund aan de hand van transparante en onpartijdige gunningsprocedures die corruptiepraktijken voorkomen. De onpartijdigheid wordt in het bijzonder gewaarborgd door de niet-discriminerende omschrijving van de inhoud van de opdracht, gelijke toegang voor alle marktdeelnemers, passende termijnen en een transparante en objectieve benadering.

  • 6 Bij de omschrijving van de kenmerken van de gevraagde werken, leveringen of diensten gebruiken de aanbestedende diensten algemene omschrijvingen wat de prestaties en functies aangaat, alsmede internationale, Europese of nationale normen.

  • 7 De omschrijving van de kenmerken die zijn vereist voor een werk, levering of dienst verwijzen niet naar een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst, of een bepaald procedé, of naar een handelsmerk, octrooi, een type of bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, tenzij een dergelijke verwijzing wordt gerechtvaardigd door de inhoud van de opdracht en vergezeld gaat van de woorden „of daaraan gelijkwaardig”. Bij voorkeur worden algemene omschrijvingen van de prestaties of functies gebruikt.

  • 8 Aanbestedende diensten leggen geen voorwaarden op die leiden tot directe of indirecte discriminatie van marktdeelnemers uit de andere partij, zoals het vereiste dat marktdeelnemers die belangstelling hebben voor de opdracht, in hetzelfde land, dezelfde regio of op hetzelfde grondgebied als de aanbestedende dienst gevestigd zijn.

    Onverminderd hetgeen hiervoor is bepaald, kan van de aanvrager aan wie een opdracht wordt gegund, in gevallen waarin de specifieke omstandigheden van het geval dit rechtvaardigen worden verlangd dat hij een bepaalde zakelijke infrastructuur vestigt op de plaats waar de prestaties plaatsvinden.

  • 9 De termijnen voor de indiening van blijken van belangstelling en van een inschrijving zijn lang genoeg om marktdeelnemers uit de andere partij in staat te stellen een zinvolle beoordeling te maken en hun inschrijving voor te bereiden.

  • 10 Alle deelnemers moeten vooraf kennis kunnen nemen van de toepasselijke voorschriften, selectiecriteria en gunningscriteria. Deze voorschriften moeten voor alle deelnemers op dezelfde wijze worden toegepast.

  • 11 Aanbestedende diensten mogen een beperkt aantal inschrijvers verzoeken een inschrijving in te dienen, mits:

    • a. dit geschiedt op transparante en niet-discriminerende wijze; en

    • b. de selectie enkel op basis van objectieve criteria plaatsvindt, zoals ervaring van de inschrijvers in de desbetreffende sector, omvang en infrastructuur van hun onderneming en technische en professionele vaardigheden.

    Wanneer een beperkt aantal inschrijvers wordt verzocht een inschrijving in te dienen, wordt rekening gehouden met de noodzaak voldoende mededinging te waarborgen.

  • 12 Aanbestedende diensten kunnen de procedure van gunning via onderhandelingen alleen in bepaalde uitzonderlijke gevallen toepassen, wanneer de toepassing van die procedure de mededinging daadwerkelijk niet vervalst.

  • 13 Aanbestedende diensten mogen alleen gebruikmaken van kwalificatiesystemen wanneer de lijst van gekwalificeerde ondernemingen wordt opgesteld aan de hand van een transparante en open procedure die in voldoende mate is bekendgemaakt. Opdrachten die binnen het toepassingsgebied van een dergelijk systeem vallen, worden eveneens op niet-discriminerende grondslag gegund.

  • 14 Elke partij waarborgt dat opdrachten op transparante wijze worden gegund aan de inschrijver die de economisch meest voordelige inschrijving of de inschrijving met de laagste prijs heeft ingediend, op basis van de vooraf vastgestelde en meegedeelde aanbestedingscriteria en procedurele voorschriften. De eindbeslissingen worden onverwijld aan alle inschrijvers meegedeeld. Indien een inschrijver aan wie de opdracht niet is gegund daarom verzoekt, moeten de redenen voldoende gedetailleerd worden verstrekt om tegen een dergelijk besluit te kunnen opkomen.

Rechtsbescherming

  • 15 Elke partij draagt er zorg voor dat eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde schending schade heeft geleden of dreigt te lijden, recht heeft op daadwerkelijke onpartijdige rechtsbescherming tegen besluiten van de aanbestedende dienst in verband met de gunning van die opdracht. De besluiten tijdens en aan het einde van zo’n beroeps- of bezwaarprocedure worden openbaar gemaakt op een wijze die toereikend is om alle belanghebbende marktdeelnemers te informeren.

Artikel 145. Planning van geleidelijke aanpassing

  • 1 Vóór de aanvang van de geleidelijke aanpassing, dient Georgië bij het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, een uitgebreid stappenplan voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk in, met tijdschema's en termijnen voor alle hervormingen in termen van aanpassing aan het acquis van de Unie en institutionele capaciteitsopbouw. Dit stappenplan moet in overeenstemming zijn met de in bijlage XVI-B bij deze overeenkomst vermelde fasen en tijdschema's.

  • 2 Na een positief advies van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt het stappenplan als referentiedocument voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk beschouwd. De Unie doet al het mogelijke om Georgië bij de tenuitvoerlegging van het stappenplan bij te staan.

Artikel 146. Geleidelijke aanpassing

  • 1 Georgië draagt er zorg voor dat zijn wetgeving inzake overheidsopdrachten geleidelijk in overeenstemming met het acquis van de Unie op dit gebied wordt gebracht.

  • 2 Aanpassing aan het acquis van de Unie geschiedt in opeenvolgende fasen als vermeld in bijlage XVI-B bij deze overeenkomst en nader omschreven in de bijlagen XVI-C tot en met XVI-F, XVI-H, XVI-I en XVI-K bij deze overeenkomst. In de bijlagen XVI-G en XVI-J bij deze overeenkomst worden niet-bindende elementen vermeld die niet hoeven te worden aangepast; de bijlagen XVI-L tot en met XVI-O bij deze overeenkomst bevatten elementen van het acquis van de Unie die buiten het bereik van de aanpassing vallen. Bij dit proces wordt naar behoren rekening gehouden met de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en met de door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringsmaatregelen, alsmede met, indien nodig, wijzigingen van het acquis van de Unie die zich tussentijds voordoen. De tenuitvoerlegging van elke fase wordt geëvalueerd door het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, en na een positieve evaluatie door dit comité gekoppeld aan wederzijdse verlening van markttoegang als uiteengezet in bijlage XVI-B bij deze overeenkomst. De Europese Commissie stelt Georgië onverwijld in kennis van wijzigingen van het acquis van de Unie. Zij verstrekt desgevraagd passend advies en passende technische bijstand met het oog op de implementatie van die wijzigingen.

  • 3 Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken gaat alleen tot de evaluatie van een volgende fase over als de maatregelen ter implementatie van de voorgaande fase overeenkomstig de bepalingen van lid 2 zijn uitgevoerd en goedgekeurd.

  • 4 Elke partij waarborgt dat de aspecten en gebieden van overheidsopdrachten die niet onder dit artikel vallen, in overeenstemming zijn met de beginselen van transparantie, niet-discriminatie en gelijke behandeling, als uiteengezet in artikel 144 van deze overeenkomst.

Artikel 147. Markttoegang

  • 1 De partijen komen overeen dat zij hun respectieve markten geleidelijk en gelijktijdig daadwerkelijk en wederzijds zullen openstellen. Tijdens het aanpassingsproces wordt de omvang van de wederzijds verleende markttoegang gekoppeld aan de in dit proces geboekte voortgang, zoals voorgeschreven in bijlage XVI-B bij deze overeenkomst.

  • 2 Het besluit om over te gaan tot een volgende fase van marktopenstelling wordt genomen op basis van een beoordeling van de naleving van de aangenomen wetgeving met het acquis van de Unie alsmede van de praktische tenuitvoerlegging ervan. Dergelijke beoordelingen worden op regelmatige wijze gedaan door het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst.

  • 3 Voor zover een partij overeenkomstig bijlage XVI-B bij deze overeenkomst haar markt voor overheidsopdrachten voor de andere partij heeft opengesteld:

    • a. verleent de Unie aan ondernemingen uit Georgië, ongeacht of deze in de Unie zijn gevestigd, toegang tot procedures voor de gunning van overheidsopdrachten overeenkomstig de voorschriften van de Unie voor overheidsopdrachten, en behandelt zij die ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemingen uit de Unie;

    • b. verleent Georgië aan ondernemingen uit de Unie, ongeacht of deze in Georgië zijn gevestigd, toegang tot procedures voor de gunning van overheidsopdrachten overeenkomstig de nationale voorschriften voor overheidsopdrachten, en behandelt het die ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemingen uit Georgië.

  • 4 Na de tenuitvoerlegging van de laatste fase van het aanpassingsproces onderzoeken de partijen of ook beneden de in bijlage XVI-A bij deze overeenkomst bedoelde drempelwaarden, wederzijds toegang tot de markt voor overheidsopdrachten kan worden verleend.

  • 5 Finland maakt een voorbehoud ten aanzien van Åland.

Artikel 148. Informatie

  • 1 Elke partij waarborgt dat de aanbestedende diensten en de marktdeelnemers passend zijn geïnformeerd over procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, onder meer door bekendmaking van alle wetgeving en administratieve uitspraken ter zake.

  • 2 Elke partij waarborgt dat de informatie over mogelijkheden wat overheidsopdrachten betreft, daadwerkelijk wordt verspreid.

Artikel 149. Samenwerking

  • 1 De partijen versterken hun samenwerking door de uitwisseling van ervaring en informatie over hun beste praktijken en regelgevingskaders.

  • 2 De Unie bevordert de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, onder meer door technische bijstand in voorkomend geval. In overeenstemming met de bepalingen inzake samenwerking op financieel gebied uit titel VII (Financiële bijstand en bepalingen inzake fraudebestrijding en controle) van deze overeenkomst, worden specifieke besluiten inzake financiële bijstand genomen door middel van de desbetreffende financieringsmechanismen en -instrumenten van de Unie.

  • 3 Een indicatieve lijst van aangelegenheden ten aanzien waarvan kan worden samengewerkt, is opgenomen in bijlage XVI-P bij deze overeenkomst.

HOOFDSTUK 9. INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 150. Doelstellingen

De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:

  • a. het bevorderen van de productie en het in de handel brengen van innovatieve en creatieve producten tussen de partijen; en

  • b. het bereiken van een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten.

Artikel 151. Aard en toepassingsgebied van verplichtingen

  • 1 De partijen waarborgen een adequate en doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationale verdragen inzake intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn, met inbegrip van de WTO-Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, hierna „de TRIPs-Overeenkomst” genoemd. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen een aanvulling op en specificatie van de tussen de partijen geldende rechten en verplichtingen uit hoofde van de TRIPs-Overeenkomst en andere internationale verdragen op het gebied van intellectuele eigendom.

  • 2 Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de uitdrukking „intellectuele eigendom” op zijn minst betrekking op alle categorieën intellectuele eigendom die vallen onder de artikelen 153 tot en met 189 van deze overeenkomst.

  • 3 De bescherming van intellectuele eigendom omvat ook de bescherming tegen oneerlijke mededinging zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 1967, hierna „het Verdrag van Parijs” genoemd.

Artikel 152. Uitputting

Elke partij voorziet in een regeling voor de interne of regionale uitputting van intellectuele-eigendomsrechten.

AFDELING 2. NORMEN BETREFFENDE INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

ONDERAFDELING 1. AUTEURSRECHT EN NABURIGE RECHTEN

Artikel 153. Geboden bescherming

De partijen herbevestigen dat zij vastbesloten zijn:

  • a. de rechten en verplichtingen in acht te nemen die zijn vastgesteld in de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, hierna „de Berner Conventie” genoemd;

  • b. het Internationaal Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties van 1961 in acht te nemen;

  • c. de TRIPs-Overeenkomst in acht te nemen;

  • d. het WIPO-Verdrag inzake auteursrecht in acht te nemen;

  • e. het WIPO-Verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen in acht te nemen.

Artikel 154. Auteurs

Elke partij voorziet voor auteurs in het uitsluitende recht het volgende toe te staan of te verbieden:

  • a. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van hun werken;

  • b. elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins;

  • c. de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken aan het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn.

Artikel 155. Uitvoerende kunstenaars

Elke partij voorziet voor uitvoerende kunstenaars in het uitsluitende recht:

  • a. de vastlegging28 van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden;

  • b. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van vastleggingen van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden;

  • c. vastleggingen van hun uitvoeringen ter beschikking te stellen van het publiek, door verkoop of anderszins;

  • d. de beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitvoeringen aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben, toe te staan of te verbieden;

  • e. draadloze uitzending en mededeling aan het publiek van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of gemaakt is op basis van een vastlegging.

Artikel 156. Producenten van fonogrammen

Elke partij voorziet voor producenten van fonogrammen in het uitsluitende recht:

  • a. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van hun fonogrammen toe te staan of te verbieden;

  • b. hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën daarvan, ter beschikking te stellen van het publiek, door verkoop of anderszins;

  • c. de beschikbaarstelling van hun fonogrammen aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben, toe te staan of te verbieden;

Artikel 157. Omroeporganisaties

Elke partij voorziet voor omroeporganisaties in het uitsluitende recht het volgende toe te staan of te verbieden:

  • a. de vastlegging van hun uitzendingen;

  • b. de reproductie van vastleggingen van hun uitzendingen;

  • c. de beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitzendingen aan het publiek, per draad of draadloos; en

  • d. de draadloze heruitzending van hun uitzendingen, alsmede de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn.

Artikel 158. Uitzending en mededeling aan het publiek

  • 1 Elke partij voorziet in een recht op grond waarvan een enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of reproductie daarvan wordt gebruikt voor draadloze uitzending of voor enigerlei mededeling aan het publiek, en dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de desbetreffende uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen.

  • 2 Elke partij kan bij gebreke van overeenstemming tussen uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen bepalen volgens welke voorwaarden deze vergoeding tussen hen wordt verdeeld.

Artikel 159. Duur van bescherming

  • 1 Het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie geldt gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn/haar overlijden, ongeacht op welk tijdstip het werk op geoorloofde wijze ter beschikking van het publiek is gesteld.

  • 2 De beschermingsduur voor een muziekwerk met tekst bedraagt 70 jaar na het overlijden van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de tekstschrijver en de componist van het muziekwerk, indien tekst en muziek specifiek voor het muziekwerk met tekst zijn geschreven.

  • 3 De rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen niet eerder dan 50 jaar na de datum van de uitvoering. Echter:

    • a. indien binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering anders dan op een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek,

    • b. indien binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering op een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten 70 jaar na de datum van die eerste publ