Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Mexico, Mexico DF, 16-12-1907

Geldend van 02-07-1909 t/m heden

Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Mexico

Authentiek : NL

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Excellentie de President der Vereenigde Mexicaansche Staten, in gemeen overleg besloten hebbende een verdrag te sluiten, betreffende de uitlevering van misdadigers, hebben te dien einde tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: den Heer Jonkheer RENEKE DE MAREES VAN SWINDEREN, Hoogstderzelver Kamerheer en Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij de Vereenigde Mexicaansche Staten; en

Zijne Excellentie de President der Vereenigde Mexicaansche Staten: den Heer FERNANDO DURET, Advocaat en Lid der Volksvertegenwoordiging,

die, na elkander hunne wederzijdsche volmachten te hebben medegedeeld, welke in goeden en behoorlijken vorm zijn bevonden, omtrent de navolgende artikelen zijn overeengekomen:

Art. I

De Regeering van het Koninkrijk der Nederlanden en die van de Vereenigde Mexicaansche Staten verbinden zich elkander wederzijds uit te leveren, met inachtneming der regelen vastgesteld in de navolgende artikelen, en met uitzondering van hare eigene onderdanen, de personen, die vervolgd worden of veroordeeld zijn wegens een der misdrijven opgenoemd in het navolgend art. II en gepleegd op het grondgebied van den Staat, door welken de uitlevering is gevraagd.

Nochthans zal ook, indien het misdrijf dat aanleiding tot de aanvrage tot uitlevering geeft, gepleegd is buiten het grondgebied der twee contracteerende partijen, aan die aanvrage gevolg gegeven kunnen worden, indien de wetgeving van elk der beide Staten de strafvervolging toelaat ter zake van diezelfde misdrijven buiten hun grondgebied gepleegd.

Art. II

Uitlevering zal plaats hebben wegens de volgende misdrijven:

  • 1°. Moord of doodslag, onverschillig of dit misdrijf gepleegd is tegen den Vorst, den Troonopvolger, een lid van het Vorstelijk Huis, het Hoofd van den Staat, of elk ander persoon, wie ook; moord of doodslag op een kind gepleegd.

  • 2°. Bedreigingen schriftelijk en onder eene bepaalde voorwaarde geschied, voor zoover de wetten der twee Staten uitlevering uit dezen hoofde toelaten.

  • 3°. Het veroorzaken van de afdrijving der vrucht van eene vrouw door haar zelve of door anderen.

  • 4°. Mishandeling begaan met opzet, hetzij met voorbedachten rade, hetzij wanneer daarvan het gevolg is letsel of blijvende onbekwaamheid tot arbeid, het verlies van of de volledige berooving van het gebruik van een lichaamsdeel, van het oog of van elk ander orgaan, voortdurende storing der verstandelijke vermogens of de dood, zonder moedwil veroorzaakt.

  • 5°. Verkrachting of misdrijven tegen de zeden, voor zoover de wetten der twee Staten uitlevering uit dezen hoofde toelaten.

  • 6°. Koppelarij.

  • 7°. Dubbel huwelijk.

  • 8°. Oplichting of wegvoering, verberging, wegmaking of onderschuiving van een kind.

  • 9°. Oplichting of wegvoering, van minderjarigen.

  • 10°. Het namaken of vervalschen van muntspeciën, muntpapier of bankbiljetten, met het oogmerk om deze als echt en onvervalscht uit te geven, of te doen uitgeven, of het opzettelijk in omloop brengen van nagemaakte of valsche muntspeciën of munt- en bankbilletten.

  • 11°. Het namaken of vervalschen van van Rijkswege uitgegeven zegels en merken of van door de wet vereischte meesterteekenen, voor zoover de wetten van beide landen uit dezen hoofde uitlevering toestaan.

  • 12°. Valschheid in geschrifte, wanneer deze gepleegd is:

    • A. in particuliere akten;

    • B. in authentieke akten;

    • C. in schuldbrieven of certificaten van schuld van eenigen Staat, provincie, gemeente of openbare instelling;

    • D. in aandeelen of schuldbrieven, of certificaten van aandeelen of schuld van eenige vereeniging, stichting of vennootschap;

    • E. in talons, dividenden of rentebewijzen, behoorende tot een der onder de voorgaande nummers omschreven stukken, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven;

    • F. in voor omloop bestemd crediet- of handelspapier;

    Het opzettelijk gebruik maken van het valsche of vervalschte stuk; het in voorraad hebben of van het buitenland invoeren van billetten van eene circulatiebank krachtens de wet opgericht, waarvan de valschheid of vervalsching hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk, om ze als echt en onvervalscht uit te geven.

  • 13°. Meineed.

  • 14°. Omkooping van ambtenaren, voor zoover de wetten der twee Staten uitlevering uit dezen hoofde toelaten; knevelarij, verduistering door ambtenaren of daarmede gelijkgestelden.

  • 15°. Opzettelijke brandstichting, wanneer daaruit gemeen gevaar voor goederen kan ontstaan of levensgevaar voor een ander; brandstichting met het oogmerk om zich of een ander ten nadeele van den verzekeraar, of van den wettigen houder van een bodemerijbrief, wederrechtelijk te bevoordeelen.

  • 16°. Opzettelijke en wederrechtelijke vernieling van een gebouw, dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort, of van een gebouw of getimmerte, wanneer daaruit gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar voor een ander kan ontstaan.

  • 17°. Openlijk geweld met vereenigde krachten, tegen personen of goederen.

  • 18°. Het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken, stranden, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van een vaartuig, indien daaruit levensgevaar voor een ander kan ontstaan.

  • 19°. Muiterij en verzet van passagiers tegen den schipper en van mindere schepelingen jegens hunne meerderen in rang.

  • 20°. Het opzettelijk doen ontstaan van gevaar voor een spoortrein.

  • 21°. Diefstal.

  • 22°. Oplichting.

  • 23°. Misbruik van eene handteekening in blanco en verduistering.

  • 24°. Bedriegelijke bankbreuk.

Onder bovengenoemde opsomming is ook begrepen poging tot, of medeplichtigheid aan die misdrijven, wanneer die poging of medeplichtigheid strafbaar is volgens de wetten van het land aan hetwelk de uitlevering is gevraagd.

Art. III

Uitlevering zal nochthans wegens geen der hierboven genoemde misdrijven worden toegestaan, dan wanneer het feit, waarvoor de uitlevering wordt aangevraagd, door de wetten in de beide contracteerende landen van kracht op het oogenblik dier aanvrage, met een gevangenisstraf van meer dan één jaar, is strafbaar gesteld.

Art. IV

Geene uitlevering heeft plaats:

  • 1°. wanneer het strafbaar feit gepleegd is op het grondgebied van een derden Staat en de Regeering van dien Staat zelve de uitlevering aanvraagt;

  • 2°. wanneer de aanvrage geschiedt wegens hetzelfde misdrijf, waarvoor de persoon, wiens uitlevering gevraagd wordt, in het land, waaraan de uitlevering is aangevraagd, wordt vervolgd of heeft terecht gestaan en in het laatste geval, hetzij veroordeeld, hetzij van rechtsvervolging ontslagen of vrijgesproken is;

  • 3°. indien, naar de wetgeving van het land aan hetwelk de uitlevering is aangevraagd, het recht tot vervolging of de opgelegde straf is verjaard vóór de aanhouding van den persoon wiens uitlevering gevraagd wordt, of, zoo er nog geene aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door de rechtbank te worden gehoord.

Art. V

Indien de opgeeischte persoon wegens een ander strafbaar feit, dan dat, waarvoor zijne uitlevering wordt aangevraagd, in het land, aan hetwelk de aanvrage is gedaan, wordt vervolgd of veroordeeld is, heeft de uitlevering niet plaats dan na den afloop der ingestelde vervolging of, in geval van veroordeeling, nadat de straf is ondergaan.

Deze bepaling belet niet, dat die vreemdeling tijdelijk kan worden uitgeleverd ten einde in den Staat die de uitlevering vraagt, terecht te staan, onder voorwaarde dat hij na afloop van de strafzaak worde teruggevoerd.

Art. VI

Indien de persoon, wiens uitlevering door eene der contracteerende partijen is aangevraagd, tegelijkertijd door één of rneerdere andere Staten wordt opgeeischt, voor andere strafbare feiten op hun grondgebied gepleegd, zal deze uitlevering bij voorkeur worden toegestaan aan den Staat, die het eerst de aanvrage gedaan heeft.

Art. VII

De uitgeleverde zal niet worden vervolgd of veroordeeld voor een feit, gepleegd vóór zijne uitlevering en verschillend van dat waarvoor die uitlevering is aangevraagd, noch aan een derden Staat worden uitgeleverd, dan met bizondere toestemming van de uitleverende Regeering.

Deze toestemming is echter niet vereischt, wanneer de beklaagde uit eigen beweging gevraagd heeft, te worden terechtgesteld, of zijn straf te ondergaan, of, wanneer hij gedurende één maand, na zijne definitieve invrijheidstelling, de vrijheid heeft gehad het land, dat de uitlevering aanvraagt, opnieuw te verlaten.

Art. VIII

De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst zijn niet toepasselijk op staatkundige misdrijven. Dientengevolge kan de persoon, die uitgeleverd is op grond van een der strafbare feiten in art. II genoemd, in geen geval worden vervolgd en gestraft in den Staat, aan welken de uitlevering heeft plaats gehad, wegens een staatkundig misdrijf door hem vóór de uitlevering gepleegd, noch wegens een met een dergelijk staatkundig misdrijf samenhangend strafbaar feit, tenzij hij, na terecht gestaan te hebben en, ingeval van veroordeeling, zijn straf ondergaan te hebben of kwijtschelding daarvan gekregen te hebben, gedurende een maand vrijheid heeft gehad het land opnieuw te verlaten.

Art. IX

De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieken weg (behalve in de gevallen in art. XVIII voorzien) en wordt niet toegestaan dan na overlegging van het oorspronkelijke of van het gewaarmerkt afschrift, hetzij van het vonnis van veroordeeling, hetzij van het bevel tot inhechtenisneming of van eenige andere akte van minstens gelijke rechtskracht, nauwkeurig aanwijzende het feit, wegens hetwelk zij is uitgevaardigd.

Die stukken zullen vergezeld zijn van een gelegaliseerd afschrift van de strafbepaling op het ten laste gelegde feit toepasselijk en zooveel mogelijk van het signalement van den opgeeischten persoon.

Art. X

De goederen, in het bezit van den opgeeischten persoon in beslag genomen, zullen aan den Staat, die de aanvrage doet, worden overgegeven, indien de bevoegde autoriteit van den uitleverenden Staat zulks heeft gelast, met eerbiediging van rechten van derden nochthans op zoodanige goederen.

Art. XI

In spoedeischende gevallen kan voorloopige aanhouding eene, zelfs telegraphische, aanvrage, mits langs diplomatieken weg, plaats hebben. Deze aanvrage moet aanwijzen het strafbare feit, waarvoor de beklaagde wordt vervolgd en het bestaan van een der in Art. IX vermelde processtukken vaststellen.

De voorloopige aanhouding is onderworpen aan de vormen en regelen door de wetten van het land aan hetwelk de aanvrage gedaan is, voorgeschreven.

Art. XII

De vreemdeling, die in overeenstemming met de bepalingen van het voorgaande artikel voorloopig is aangehouden, zal, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, in vrijheid worden gesteld, indien niet binnen een termijn van 90 (negentig) dagen na zijne voorloopige aanhouding, de aanvrage tot uitlevering in Art. IX vermeld, heeft plaats gehad.

Art. XIII

Indien bij de vervolging van een niet staatkundig strafbaar feit, eene der Regeeringen het verhoor der getuigen, die zich op het gebied van den anderen Staat bevinden, noodzakelijk zal oordeelen, zal te dien einde langs diplomatieken weg een rogatoire commissie worden gezonden, waaraan gevolg zal worden gegeven met inachtneming van de wetten van het land, waar de getuigen gedagvaard zullen worden.

Deze rogatoire commissies zullen van eene Fransche vertaling vergezeld moeten zijn.

Art. XIV

Indien in een niet politiek strafgeding de persoonlijke verschijning van een getuige in het ander land noodzakelijk of gewenscht is, zal de Regeering van het land, waar die getuige verblijf houdt, dezen verzoeken aan de oproeping, die hem gedaan zal worden gevolg te geven en in geval hij hieraan voldoet, zullen hem door de Regeering van wie de oproeping uitgaat, reis- en verblijfkosten worden vergoed, volgens de tarieven en reglementen, die van kracht zijn in het land waar het verhoor moet plaats hebben, behalve in het geval, waarin de Regeering, die de aanvrage doet, meent dat den getuige eene hoogere schadevergoeding moet worden toegekend.

Geen enkele getuige, welke zijne nationaliteit ook zij, die in een van de beide landen gedagvaard, vrijwillig voor de rechtbank van het andere land verschijnt, zal daar te lande vervolgd of gevangen gehouden kunnen worden, wegens vroegere strafbare feiten of veroordeelingen en evenmin onder voorwendsel van medeplichtigheid aan feiten, waarover het geding, waarin hij als getuige op zal treden, gevoerd wordt.

Art. XV

Indien in een niet politiek strafgeding, hetzij confrontatie van misdadigers, die in den anderen Staat gevangen gehouden zijn, hetzij mededeeling van stukken van overtuiging of andere documenten, die in de handen van de autoriteiten van het andere land berusten, nuttig of noodzakelijk wordt geoordeeld, geschiedt het verzoek daartoe langs diplomatieken weg en zal daaraan worden gevolg gegeven, tenzij overwegingen van bijzonderen aard zich daartegen verzetten en onder verbintenis van misdadigers en stukken terug te zenden.

Art. XVI

Het vervoer over het grondgebied van een der contracteerende Staten, van een persoon, door eene derde mogendheid uitgeleverd en geen onderdaan zijnde van het land, door hetwelk het vervoer plaats heeft, zal worden toegestaan op enkel vertoon hetzij van het oorspronkelijke, hetzij van een gewaarmerkt afschrift van een der processtukken in art. IX vermeld, onder voorwaarde dat het feit, dat aan de uitlevering ten grondslag heeft gelegen, in de tegenwoordige overeenkomst is opgenomen en niet valt onder de gevallen in artikelen IV en VIII voorbehouden en dat het medegeleide geschiede door beambten van het land, dat het vervoer over zijn grondgebied heeft toegestaan.

De kosten van het vervoer worden gedragen door den Staat, die de uitlevering heeft aangevraagd.

Art. XVII

De kosten veroorzaakt door de aanhouding, de gevangenhouding en het vervoer der opgeeischte personen worden gedragen door de Regeering die de uitlevering aanvraagt.

Art. XVIII

De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst zullen toepasselijk zijn op de koloniën en bezittingen van Nederland in andere werelddeelen, maar slechts worden nageleefd voorzoover zij in overeenstemming zijn met de wetten, die in die koloniën en bezittingen van kracht zijn.

De aanvrage tot uitlevering van een misdadiger, die gevlucht is van een der West-Indische Nederlandsche koloniën naar Mexico of van Mexico naar een der West-Indische Nederlandsche koloniën, zal ook kunnen geschieden rechtstreeks door den Gouverneur van Suriname of van Curaçao aan de Regeering van Mexico en omgekeerd.

Genoemde Gouverneurs zullen de bevoegdheid hebben, hetzij de uitlevering toe te staan, hetzij hunne Regeering daarover te raadplegen.

De termijn voor invrijheidstelling in art. XII bedoeld, zal, wat betreft de koloniën in Amerika gelegen, op 60 (zestig) dagen worden vastgesteld.

Art. XIX

Zoo spoedig mogelijk zal de tegenwoordige overeenkomst worden bekrachtigd en de bekrachtigingen er van worden uitgewisseld.

Zij zal in werking treden drie maanden na uitwisseling der ratificaties en van kracht blijven tot zes maanden nadat zij door een van beide Regeeringen zal zijn opgezegd.

Ten blijke waarvan de wederzijdsche gevolmachtigden dit tractaat in dubbel hebben geteekend en van hunne zegels voorzien.

Gedaan te Mexico den zestienden dag der maand December van het jaar onzes Heeren negentien honderd zeven.

(L. S.) R. DE MAREES VAN SWINDEREN.

(L. S.) F. DURET.