Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk betreffende de ophoging van de Oude Rijnmond bij Lobith, Berlijn, 29-08-1918

Geldend van 28-08-1922 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk betreffende de ophoging van de Oude Rijnmond bij Lobith

Authentiek : NL

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk betreffende de ophooging van den Ouden Rijnmond bij Lobith.

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden eenerzijds en Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen, namens het Duitsche Rijk, dat ten deze het Koninkrijk Pruisen ingevolge deszelfs opdracht vertegenwoordigt, anderzijds, geleid door den wensch om de afstrooming van den Rijn te verbeteren, zijn overeengekomen de in het Grenstractaat van 7 October 1816 voorkomende bepalingen over den Ouden Rijnmond bij Lobith te wijzigen, en hebben te dien einde tot gevolmachtigden benoemd:

  • Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

  • den Heer W. A. F. Baron Gevers, Hoogst Derzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Berlijn,

    en

  • Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen:

  • den heer Paul von Hintze, Hoogst Deszelfs Staatssecretaris van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken,

die na wederkeerige overlegging hunner in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten, omtrent de navolgende bepalingen zijn overeengekomen:

Par. 1

De Nederlandsche Regeering verkrijgt het recht den Ouden Rijnmond bij Lobith hoogwatervrij af te sluiten.

Par. 2

Alle voor eene geheele of gedeeltelijke afsluiting van den Ouden Rijnmond op Nederlandsch grondgebied noodige werken zullen door de Nederlandsche Regeering uitsluitend volgens haar eigen inzicht en uitsluitend voor hare rekening worden uitgevoerd.

Par. 3

De Nederlandsche Regeering is verplicht, binnen 2 jaren na de bekrachtiging van dit verdrag, den Ouden Rijnmond zoodanig op te hoogen dat het Rijnwater niet door den Ouden Rijn kan afvloeien bij waterstanden lager dan 15 M. boven Amsterdamsch peil (N.A.P.) in het midden van den Ouden Rijnmond, dat is dus ongeveer 6 M. boven Emmeriksch peil.

Met de hoogwatervrije afsluiting mag op zijn vroegst 5 jaar na de bekrachtiging van dit verdrag worden begonnen.

Par. 4

Wanneer in Pruisen de dijkbocht bij Bimmen achteruit gelegd wordt, is de Nederlandsche Regeering, in afwijking van de bepaling, vervat in Artikel II van het Grenstractaat van 7 Oktober 1816, verplicht, in de daardoor ontstaande kosten voor een bedrag van 2 000 000 M. bij te dragen, en dat bedrag, naar gelang van den voortgang van het werk, op aanvraag van den Pruisischen Minister für Landwirtschaft, Domänen und Forsten, op een door dezen aan te geven plaats te storten; evenwel zullen — met uitzondering van de eindbetaling — betalingen van minder dan 200 000 M. niet gevorderd kunnen worden.

Par. 5

De eene Staat behoeft in het onderhoud van werken, op grond van dit verdrag op het grondgebied van den anderen Staat uitgevoerd, niet bij te dragen.

Par. 6

Met de voltooiing van de in Par. 3 omschreven ophooging treden de bepalingen, in de Artikelen 17 en 19 van het Grenstractaat van 7 October 1816 vervat, buiten werking. Overigens blijven de bepalingen van dat Grenstractaat door het onderwerpelijke verdrag ongewijzigd.

Par. 7

Dit verdrag zal worden bekrachtigd en de acten van bekrachtiging zullen, zoo spoedig mogelijk, te Berlijn worden uitgewisseld.

Ter oorkonde waarvan de gevolmachtigden dit verdrag hebben onderteekend en van hunne zegels hebben voorzien.

Aldus gedaan, in tweevoud, te Berlijn, den 29 Augustus 1918.

(L .S.) GEVERS.

(L .S.) V. HINTZE.