Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, Rome, 29-10-2004[Regeling treedt in werking op nader te bepalen tijdstip.]

Geldend van 29-10-2004 t/m heden

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Authentiek : NL

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Preambule

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Tsjechische Republiek, Hare Majesteit de Koningin van Denemarken, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Republiek Estland, de President van de Helleense Republiek, Zijne Majesteit de Koning van Spanje, de President van de Franse Republiek, de President van Ierland, de President van de Italiaanse Republiek, de President van de Republiek Cyprus, de President van de Republiek Letland, de President van de Republiek Litouwen, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, de President van de Republiek Hongarije, de President van Malta, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, de Federale President van de Republiek Oostenrijk, de President van de Republiek Polen, de President van de Portugese Republiek, de President van de Republiek Slovenië, de President van de Slowaakse Republiek, de President van de Republiek Finland, de Regering van het Koninkrijk Zweden, Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat;

In de overtuiging dat Europa, na bittere ervaringen herenigd, op de ingeslagen weg van beschaving, vooruitgang en welvaart wil voortgaan, voor het goed van al zijn bewoners, ook van de meest kwetsbaren en de meest behoeftigen; dat Europa een werelddeel wil blijven dat openstaat voor cultuur, kennis en maatschappelijke vooruitgang; en dat Europa het democratische en transparante karakter van zijn openbare leven wil verdiepen en zich wil beijveren voor vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de wereld;

In het vertrouwen dat de volkeren van Europa, onverminderd trots op hun identiteit en hun nationale geschiedenis, vastbesloten zijn hun oude tegenstellingen te overwinnen, en, steeds hechter verenigd, vorm te geven aan hun gemeenschappelijke lotsbestemming;

Er vast van overtuigd dat Europa, „In verscheidenheid verenigd”, de volkeren de beste kansen biedt om, onder eerbiediging van eenieders rechten en in het besef van de verantwoordelijkheden jegens de toekomstige generaties en de aarde, voort te gaan met de grootse onderneming die van Europa bij uitstek een ruimte maakt waar mensen gestalte kunnen geven aan hun aspiraties;

Vastbesloten voort te bouwen op de verworvenheden van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en het Verdrag betreffende de Europese Unie, en daarbij de continuïteit van het Gemeenschapsacquis te verzekeren;

Erkentelijk jegens de leden van de Europese Conventie, omdat zij namens de burgers en de staten van Europa het ontwerp van deze Grondwet hebben opgesteld,

Hebben als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Guy VERHOFSTADT

Eerste minister

Karel DE GUCHT

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Tsjechische Republiek,

Stanislav GROSS

Minister-President

Cyril SVOBODA

Minister van Buitenlandse Zaken

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

Anders Fogh RASMUSSEN

Minister-President

Per Stig MØLLER

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

Gerhard SCHRÖDER

Bondskanselier

Joseph FISCHER

Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervanger van de Bondskanselier

de President van de Republiek Estland,

Juhan PARTS

Eerste minister

Kristiina OJULAND

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Helleense Republiek,

Kostas KARAMANLIS

Eerste minister

Petros G. MOLYVIATIS

Minister van Buitenlandse Zaken

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

José Luis RODRÍGUEZ ZAPATERO

Minister-President

Miguel Angel MORATINOS CUYAUBÉ

Minister van Buitenlandse Zaken en Samenwerking

de President van de Franse Republiek,

Jacques CHIRAC

President

Jean-Pierre RAFFARIN

Eerste minister

Michel BARNIER

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van Ierland,

Bertie AHERN

Eerste minister (Taoiseach)

Dermot AHERN

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Italiaanse Republiek,

Silvio BERLUSCONI

Minister-President

Franco FRATTINI

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Cyprus,

Tassos PAPADOPOULOS

President

George LACOVOU

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Letland,

Vaira VĨĶE FREIBERGA

President

Indulis EMSIS

Eerste minister

Artis PABRIKS

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Litouwen,

Valdas ADAMKUS

President

Algirdas Mykolas BRAZAUSKAS

Eerste minister

Antanas VALIONIS

Minister van Buitenlandse Zaken

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Jean-Claude JUNCKER

Minister-President, Minister van Staat

Jean ASSELBORN

Vice-Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken en Immigratie

de President van de Republiek Hongarije,

Ferenc GYURCSÁNY

Eerste minister

László KOVÁCS

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van Malta,

The Hon Lawrence GONZI

Eerste minister

The Hon Michael FRENDO

Minister van Buitenlandse Zaken

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Dr. J. P. BALKENENDE

Minister-President

Dr. B. R. BOT

Minister van Buitenlandse Zaken

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

Dr. Wolfgang SCHÜSSEL

Bondskanselier

Dr. Ursula PLASSNIK

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Polen,

Marek BELKA

Eerste minister

Włodzimierz CIMOSZEWICZ

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Portugese Republiek,

Pedro Miguel DE SANTANA LOPES

Minister-President

Victor MARTINS MONTEIRO

Minister van Buitenlandse Zaken en van de Portugese Gemeenschappen

de President van de Republiek Slovenië,

Anton ROP

Minister-President

Ivo VAJGL

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Slowaakse Republiek,

Mikuláš DZURINDA

Eerste minister

Eduard KUKAN

Minister van Buitenlandse Zaken

de President van de Republiek Finland,

Matti VANHANEN

Minister-President

Erkki TUOMIOJA

Minister van Buitenlandse Zaken

de Regering van het Koninkrijk Zweden,

Göran PERSSON

Minister-President

Laila FREIVALDS

Minister van Buitenlandse Zaken

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

The Rt. Hon Tony BLAIR

Eerste minister

The Rt. Hon Jack STRAW

Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, als volgt zijn overeengekomen:

DEEL I [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

TITEL I. DEFINITIE EN DOELSTELLINGEN VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-1. Instelling van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Bij deze Grondwet, die geïnspireerd wordt door de wil van de burgers en de staten van Europa om hun gemeenschappelijke toekomst op te bouwen, wordt de Europese Unie ingesteld, waaraan de lidstaten bevoegdheden toedelen om hun gemeenschappelijke doelstellingen te bereiken. De Unie coördineert het beleid van de lidstaten dat gericht is op het bereiken van die doelstellingen en oefent op communautaire wijze de bevoegdheden uit die de lidstaten aan haar toedelen.

  • 2 De Unie staat open voor alle Europese staten die haar waarden eerbiedigen en zich ertoe verbinden deze gezamenlijk uit te dragen.

Artikel I-2. De waarden van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.

Artikel I-3. De doelstellingen van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen.

  • 2 De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen, en een interne markt waarin de mededinging vrij en onvervalst is.

  • 3 De Unie zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. De Unie bevordert wetenschappelijke en technische vooruitgang.

    De Unie bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie, en bevordert sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind.

    De Unie bevordert de economische, sociale en territoriale samenhang, en de solidariteit tussen de lidstaten.

    De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europees cultureel erfgoed.

  • 4 In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.

  • 5 De Unie streeft deze doelstellingen met passende middelen na, naargelang van de bevoegdheden die haar daartoe in de Grondwet zijn toegedeeld.

Artikel I-4. Fundamentele vrijheden en non-discriminatie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal, en de vrijheid van vestiging worden overeenkomstig de Grondwet door en binnen de Unie gewaarborgd.

  • 2 Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel I-5. De betrekkingen tussen de Unie en de lidstaten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Grondwet alsmede hun nationale identiteit, die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid.

  • 2 Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Grondwet voortvloeien.

    De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Grondwet of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

    De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.

Artikel I-6. Het recht van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Grondwet en het recht dat de instellingen van de Unie bij de uitoefening van de haar toegedeelde bevoegdheden vaststellen, hebben voorrang boven het recht van de lidstaten.

Artikel I-7. Rechtspersoonlijkheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie bezit rechtspersoonlijkheid.

Artikel I-8. De symbolen van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De vlag van de Unie stelt een cirkel van twaalf gouden sterren op een blauw veld voor.

De hymne van de Unie is ontleend aan de „Ode aan de Vreugde” uit de negende symfonie van Ludwig van Beethoven.

Het devies van de Unie luidt: „In verscheidenheid verenigd”.

De munt van de Unie is de euro.

De „Dag van Europa” wordt op 9 mei in de gehele Unie gevierd.

TITEL II. GRONDRECHTEN EN BURGERSCHAP VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-9. De grondrechten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-10. Het burgerschap van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, is burger van de Unie. Het burgerschap van de Unie staat naast het nationale burgerschap en treedt niet in de plaats daarvan.

  • 2 De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Grondwet zijn bepaald. Zij hebben:

    • a. het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

    • b. het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waarin zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;

    • c. het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;

    • d. het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de talen van de Grondwet tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen.

    Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Grondwet en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

TITEL III. BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-11. Grondbeginselen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

  • 2 Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.

  • 3 Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

    De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen zien er volgens de in dat Protocol vastgelegde procedure op toe dat het beginsel wordt geëerbiedigd.

Artikel I-12. De categorieën van bevoegdheden [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 In de gevallen waarin bij de Grondwet op een bepaald gebied een exclusieve bevoegdheid aan de Unie wordt toegedeeld, kan alleen de Unie wetgevend optreden en juridisch bindende handelingen vaststellen, en kunnen de lidstaten zulks slechts zelf doen als zij daartoe door de Unie gemachtigd zijn of ter uitvoering van de handelingen van de Unie.

  • 2 In de gevallen waarin bij de Grondwet op een bepaald gebied een bevoegdheid aan de Unie wordt toegedeeld die zij met de lidstaten deelt, kunnen de Unie en de lidstaten wetgevend optreden en juridisch bindende handelingen vaststellen. De lidstaten oefenen hun bevoegdheid uit voorzover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend of besloten heeft deze niet langer uit te oefenen.

  • 3 De lidstaten coördineren hun economisch en werkgelegenheidsbeleid overeenkomstig de in deel III gestelde nadere regels, die de Unie bevoegd is vast te stellen.

  • 4 De Unie is bevoegd om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en te voeren, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid.

  • 5 Op bepaalde gebieden en onder de bij de Grondwet gestelde voorwaarden is de Unie bevoegd om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen, zonder evenwel de bevoegdheid van de lidstaten op die gebieden over te nemen.

    De juridisch bindende handelingen van de Unie die op grond van de bepalingen van deel III over die gebieden worden vastgesteld, kunnen generlei harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inhouden.

  • 6 De omvang en de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie worden geregeld door de bepalingen van deel III over ieder van die gebieden.

Artikel I-13. De gebieden van exclusieve bevoegdheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie is exclusief bevoegd op de volgende gebieden:

    • a. de douane-unie;

    • b. de vaststelling van mededingingsregels die voor de werking van de interne markt nodig zijn;

    • c. het monetair beleid voor de lidstaten die de euro als munt hebben;

    • d. de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

    • e. de gemeenschappelijke handelspolitiek.

  • 2 De Unie is tevens exclusief bevoegd, een internationale overeenkomst te sluiten indien een wetgevingshandeling van de Unie in die sluiting voorziet, indien die sluiting noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen of indien die sluiting gevolgen kan hebben voor gemeenschappelijke regels of de strekking daarvan kan wijzigen.

Artikel I-14. De gebieden van gedeelde bevoegdheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie heeft een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid in de gevallen waarin haar in de Grondwet een bevoegdheid wordt toegedeeld die buiten de in de artikelen I-13 en I-17 bedoelde gebieden valt.

  • 2 De gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten betreffen in het bijzonder de volgende gebieden:

    • a. interne markt;

    • b. sociaal beleid, voor de in deel III genoemde aspecten;

    • c. economische, sociale en territoriale samenhang;

    • d. landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee;

    • e. milieu;

    • f. consumentenbescherming;

    • g. vervoer;

    • h. trans-Europese netwerken;

    • i. energie;

    • j. de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

    • k. gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid, voor de in deel III genoemde aspecten.

  • 3 Op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte is de Unie bevoegd op te treden, en met name programma's vast te stellen en uit te voeren; de uitoefening van die bevoegdheid belet de lidstaten niet hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.

  • 4 Op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp is de Unie bevoegd op te treden en een gemeenschappelijk beleid te voeren; de uitoefening van die bevoegdheid belet de lidstaten niet hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.

Artikel I-15. De coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De lidstaten coördineren hun economisch beleid binnen de Unie. Daartoe stelt de Raad van Ministers maatregelen vast, met name globale richtsnoeren voor dat beleid.

    Voor de lidstaten die de euro als munt hebben, gelden bijzondere bepalingen.

  • 2 De Unie neemt maatregelen om te zorgen voor de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, met name door de richtsnoeren voor dat beleid te bepalen.

  • 3 De Unie kan initiatieven nemen ter coördinatie van het sociaal beleid van de lidstaten.

Artikel I-16. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De bevoegdheid van de Unie met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt alle gebieden van het buitenlands beleid en alle vraagstukken die verband houden met de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie.

  • 2 De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie en eerbiedigen het optreden van de Unie op dat gebied. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid ervan.

Artikel I-17. De gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie is bevoegd om ondersteunend, coördinerend of aanvullend op te treden. De gebieden voor dat optreden zijn, wat hun Europese dimensie betreft:

  • a. bescherming en verbetering van de volksgezondheid;

  • b. industrie;

  • c. cultuur;

  • d. toerisme;

  • e. onderwijs, jeugd, sport en de beroepsopleiding;

  • f. civiele bescherming;

  • g. administratieve samenwerking.

Artikel I-18. Flexibiliteitsclausule [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Indien een optreden van de Unie in het kader van de beleidsgebieden van deel III nodig blijkt om een van de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken zonder dat de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, stelt de Raad van Ministers, op voorstel van de Europese Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen passende maatregelen vast.

  • 2 In het kader van de in artikel I-11, lid 3, bedoelde procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel vestigt de Europese Commissie de aandacht van de nationale parlementen op de voorstellen die op onderhavig artikel worden gebaseerd.

  • 3 De op onderhavig artikel gebaseerde maatregelen mogen in gevallen waarin de Grondwet zulks uitsluit geen harmonisatie van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inhouden.

TITEL IV. INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

HOOFDSTUK I. INSTITUTIONEEL KADER [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-19. De instellingen van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie beschikt over een institutioneel kader, dat ertoe strekt:

    • haar waarden uit te dragen,

    • haar doelstellingen na te streven,

    • haar belangen en de belangen van haar burgers en van haar lidstaten te dienen,

    • de samenhang, de doeltreffendheid en de continuïteit van haar beleid en haar optreden te verzekeren.

    Dit institutioneel kader omvat:

    • het Europees Parlement,

    • de Europese Raad,

    • de Raad van Ministers, (hierna te noemen „de Raad”),

    • de Europese Commissie, (hierna te noemen „de Commissie”),

    • het Hof van Justitie van de Europese Unie.

  • 2 Iedere instelling handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de Grondwet zijn toegedeeld en volgens de daarin bepaalde procedures en voorwaarden. De instellingen werken loyaal samen.

Artikel I-20. Het Europees Parlement [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het Europees Parlement oefent samen met de Raad de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Het oefent onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden politieke controle en adviserende taken uit. Het kiest de voorzitter van de Commissie.

  • 2 Het Europees Parlement bestaat uit vertegenwoordigers van de burgers van de Unie. Hun aantal bedraagt niet meer dan zevenhonderdvijftig. De burgers zijn degressief evenredig vertegenwoordigd, met een minimum van zes leden per lidstaat. Geen enkele lidstaat krijgt meer dan zesennegentig zetels toegewezen.

    De Europese Raad stelt met eenparigheid van stemmen op initiatief van en na goedkeuring door het Europees Parlement een Europees besluit inzake de samenstelling van het Europees Parlement vast, met inachtneming van de in de eerste alinea genoemde beginselen.

  • 3 De leden van het Europees Parlement worden door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen voor een periode van vijf jaar gekozen.

  • 4 Het Europees Parlement kiest uit zijn leden de voorzitter en het bureau.

Artikel I-21. De Europese Raad [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Europese Raad geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bepaalt de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Hij oefent geen wetgevingstaak uit.

  • 2 De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter en de voorzitter van de Commissie. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie neemt deel aan de werkzaamheden.

  • 3 De Europese Raad wordt ieder kwartaal door zijn voorzitter in vergadering bijeengeroepen. Indien de agenda zulks vereist, kunnen de leden van de Europese Raad besluiten zich elk te laten bijstaan door een minister en, wat de voorzitter van de Commissie betreft, door een lid van de Commissie. Indien de situatie zulks vereist, roept de voorzitter een buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad bijeen.

  • 4 Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, spreekt de Europese Raad zich bij consensus uit.

Artikel I-22. De voorzitter van de Europese Raad [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Europese Raad kiest zijn voorzitter met gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor een periode van tweeëneenhalf jaar. De voorzitter is eenmaal herkiesbaar. Indien de voorzitter verhinderd is of op ernstige wijze tekortschiet, kan de Europese Raad volgens dezelfde procedure zijn mandaat beëindigen.

  • 2 De voorzitter van de Europese Raad:

    • a. leidt en stimuleert de werkzaamheden van de Europese Raad;

    • b. zorgt, in samenwerking met de voorzitter van de Commissie en op basis van de werkzaamheden van de Raad Algemene Zaken, voor de voorbereiding en de continuïteit van de werkzaamheden van de Europese Raad;

    • c. bevordert de samenhang en de consensus binnen de Europese Raad;

    • d. legt na afloop van iedere bijeenkomst van de Europese Raad een verslag voor aan het Europees Parlement.

    De voorzitter van de Europese Raad zorgt op zijn niveau en in zijn hoedanigheid voor de externe vertegenwoordiging van de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, onverminderd de aan de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie toegedeelde bevoegdheden.

  • 3 De voorzitter van de Europese Raad kan geen nationaal mandaat uitoefenen.

Artikel I-23. De Raad van Ministers [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Raad oefent samen met het Europees Parlement de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Hij oefent onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden beleidsbepalende en coördinerende taken uit.

  • 2 De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden en om het stemrecht uit te oefenen.

  • 3 Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel I-24. De formaties van de Raad van Ministers [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Raad komt in verschillende formaties bijeen.

  • 2 De Raad Algemene Zaken zorgt voor de samenhang van de werkzaamheden van de verschillende Raadsformaties.

    De Raad Algemene Zaken bereidt in samenspraak met de voorzitter van de Europese Raad en de Commissie de bijeenkomsten van de Europese Raad voor en volgt deze op.

  • 3 De Raad Buitenlandse Zaken werkt het externe optreden van de Unie uit volgens de door de Europese Raad vastgestelde strategische lijnen en zorgt voor de samenhang in het optreden van de Unie.

  • 4 De Europese Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een Europees besluit houdende de lijst van de overige Raadsformaties vast.

  • 5 Een Comité van permanente vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten is belast met de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad.

  • 6 De Raad beraadslaagt en stemt in openbare zitting over een ontwerp van wetgevingshandeling. Daartoe wordt iedere Raadszitting gesplitst in twee delen, die respectievelijk gewijd worden aan beraadslagingen over de wetgevingshandelingen van de Unie en aan niet-wetgevingswerkzaamheden.

  • 7 Het voorzitterschap van de andere Raadsformaties dan de formatie Buitenlandse Zaken wordt volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid uitgeoefend door de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad, onder de bij een Europees besluit van de Europese Raad bepaalde voorwaarden. De Europese Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel I-25. Definitie van gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en in de Raad [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die ten minste vijftien in aantal zijn en lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de Unie.

    Een blokkerende minderheid moet ten minste uit vier leden van de Raad bestaan; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

  • 2 In afwijking van lid 1 wordt, wanneer de Raad niet besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan tenminste 72% van de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van de Unie.

  • 3 De leden 1 en 2 zijn van toepassing op de Europese Raad wanneer deze met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

  • 4 In de Europese Raad nemen de voorzitter en de voorzitter van de Europese Commissie niet deel aan de stemming.

Artikel I-26. De Europese Commissie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Commissie bevordert het algemeen belang van de Unie en neemt daartoe passende initiatieven. Zij ziet toe op de toepassing zowel van de Grondwet als van de maatregelen die de instellingen krachtens de Grondwet vaststellen. Onder de controle van het Hof van Justitie van de Europese Unie ziet zij toe op de toepassing van het recht van de Unie. Zij voert de begroting uit en beheert de programma's. Zij oefent onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden coördinerende, uitvoerende en beheerstaken uit. Zij zorgt voor de externe vertegenwoordiging van de Unie, behalve wat betreft het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de andere bij de Grondwet bepaalde gevallen. Zij neemt de initiatieven tot de jaarlijkse en meerjarige programmering van de Unie om interinstitutionele akkoorden tot stand te brengen.

  • 2 Tenzij in de Grondwet anders is bepaald, kunnen wetgevingshandelingen van de Unie alleen op voorstel van de Commissie worden vastgesteld. Andere handelingen worden op voorstel van de Commissie vastgesteld in de gevallen waarin de Grondwet daarin voorziet.

  • 3 De ambtstermijn van de Commissie bedraagt vijf jaar.

  • 4 De leden van de Commissie worden op grond van hun algemene bekwaamheid en Europese inzet, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden.

  • 5 De eerste Commissie die wordt benoemd krachtens de Grondwet, bestaat uit één onderdaan van iedere lidstaat, met inbegrip van de voorzitter van de Commissie en van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die een van de vice-voorzitters van de Commissie is.

  • 6 Vanaf het verstrijken van de ambtstermijn van de in lid 5 bedoelde Commissie bestaat de Commissie uit een aantal leden, met inbegrip van de voorzitter van de Commissie en van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, dat overeenstemt met tweederde van het aantal lidstaten, tenzij de Europese Raad met eenparigheid van stemmen besluit dit aantal te wijzigen.

    De leden van de Commissie worden volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid tussen de lidstaten, uit de onderdanen van de lidstaten gekozen. Dit systeem wordt door de Europese Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld bij een Europees besluit dat op de volgende beginselen wordt gebaseerd:

    • a. de lidstaten worden volstrekt gelijk behandeld wat betreft de bepaling van de volgorde en de ambtstermijn van hun onderdanen als leden van de Commissie; derhalve kan het verschil tussen het totale aantal mandaten van onderdanen van twee willekeurige lidstaten nooit meer dan één bedragen;

    • b. behoudens het bepaalde onder a, weerspiegelt de samenstelling van de Commissie te allen tijde in voldoende mate de demografische en geografische verscheidenheid van alle lidstaten.

  • 7 De Commissie oefent haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. Onverminderd artikel I-28, lid 2, vragen noch aanvaarden de leden van de Commissie instructies van enige regering, instelling, orgaan of instantie. Zij onthouden zich van iedere handeling die onverenigbaar is met het karakter van hun ambt of met de uitvoering van hun taak.

  • 8 De Commissie legt als college verantwoording af aan het Europees Parlement. Het Europees Parlement kan zich overeenkomstig Artikel III-340 uitspreken over een motie van afkeuring tegen de Commissie. Indien een dergelijke motie wordt aangenomen, nemen de leden van de Commissie collectief ontslag en legt ook de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zijn functie in de Commissie neer.

Artikel I-27. De voorzitter van de Europese Commissie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadpleging, draagt de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij het Europees Parlement een kandidaat voor het ambt van voorzitter van de Commissie voor. Deze kandidaat wordt door het Parlement bij meerderheid van zijn leden gekozen. Indien de kandidaat bij de stemming geen meerderheid behaalt, draagt de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen een maand een nieuwe kandidaat voor, die volgens dezelfde procedure door het Parlement wordt gekozen.

  • 2 De Raad stelt in overeenstemming met de verkozen voorzitter de lijst vast van de overige personen die hij voorstelt tot lid van de Commissie te benoemen. Zij worden gekozen op basis van de voordrachten van de lidstaten, overeenkomstig de in artikel I-26, lid 4, en lid 6, tweede alinea, bepaalde criteria.

    De voorzitter, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de overige leden van de Commissie worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement. Op basis van deze goedkeuring wordt de Commissie door de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen benoemd.

  • 3 De voorzitter van de Commissie:

    • a. stelt de richtsnoeren vast met inachtneming waarvan de Commissie haar taak vervult;

    • b. beslist over de interne organisatie van de Commissie en waarborgt zodoende de samenhang, de doeltreffendheid en het collegiale karakter van haar optreden;

    • c. benoemt vice-voorzitters, andere dan de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, uit de leden van de Commissie.

    Een lid van de Commissie neemt ontslag indien de voorzitter hem daarom verzoekt. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie neemt ontslag overeenkomstig de in Artikel I-28, lid 1, bepaalde procedure indien de voorzitter hem daarom verzoekt.

Artikel I-28. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Europese Raad benoemt met instemming van de voorzitter van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. De Europese Raad kan zijn mandaat volgens dezelfde procedure beëindigen.

  • 2 De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. Hij draagt met zijn voorstellen bij tot de uitwerking van dit beleid, dat hij als mandataris van de Raad ten uitvoer brengt. Hij handelt op dezelfde wijze ten aanzien van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

  • 3 De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie is voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken.

  • 4 De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie is een van de vice-voorzitters van de Commissie. Hij ziet toe op de samenhang van het externe optreden van de Unie. In de Commissie is hij belast met de taken van de Commissie op het gebied van de externe betrekkingen en met de coördinatie van de overige aspecten van het externe optreden van de Unie. Bij de uitoefening van deze taken in de Commissie, en alleen binnen het bestek daarvan, is de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie onderworpen aan de procedures voor de werking van de Commissie, voorzover dit verenigbaar is met de leden 2 en 3.

Artikel I-29. Het Hof van Justitie van de Europese Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat het Hof van Justitie, het Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken. Het verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Grondwet.

    De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.

  • 2 Het Hof van Justitie bestaat uit één rechter per lidstaat. Het wordt bijgestaan door advocaten-generaal.

    Het Gerecht telt ten minste één rechter per lidstaat.

    De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie en de rechters van het Gerecht worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen III-355 en III-356. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd. De aftredende rechters en advocaten-generaal zijn herbenoembaar.

  • 3 Het Hof van Justitie van de Europese Unie doet uitspraak overeenkomstig deel III:

    • a. inzake door een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep;

    • b. op verzoek van de nationale rechterlijke instanties bij wijze van prejudiciële beslissing over de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;

    • c. in de overige bij de Grondwet bepaalde gevallen.

HOOFDSTUK II. DE OVERIGE INSTELLINGEN EN ADVIESORGANEN VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-30. De Europese Centrale Bank [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken vormen het Europees Stelsel van Centrale Banken. De Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben, welke het eurostelsel vormen, voeren het monetair beleid van de Unie.

  • 2 Het Europees Stelsel van Centrale Banken wordt geleid door de besluitvormingsorganen van de Europese Centrale Bank. Het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd deze doelstelling ondersteunt het stelsel het algemeen economisch beleid in de Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Het voert alle andere taken van een centrale bank uit overeenkomstig deel III en het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

  • 3 De Europese Centrale Bank is een instelling. Zij bezit rechtspersoonlijkheid. Zij heeft het alleenrecht machtiging te geven tot uitgifte van de euro. Zij is onafhankelijk, zowel bij de uitoefening van haar bevoegdheden als met betrekking tot het beheer van haar financiële middelen. De instellingen, organen en instanties van de Unie en de regeringen van de lidstaten eerbiedigen deze onafhankelijkheid.

  • 4 De Europese Centrale Bank neemt de maatregelen die nodig zijn om haar taken te vervullen overeenkomstig de artikelen III-185 tot en met III-191 en artikel III-196 en de door het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank bepaalde voorwaarden. Overeenkomstig voornoemde artikelen behouden de lidstaten die de euro niet als munt hebben, en hun centrale banken hun bevoegdheden op monetair gebied.

  • 5 Op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, wordt de Europese Centrale Bank geraadpleegd over ieder ontwerp van een handeling van de Unie, alsmede over ieder ontwerp van regelgeving op nationaal niveau, en kan zij advies uitbrengen.

  • 6 De besluitvormingsorganen van de Europese Centrale Bank, de samenstelling en de wijze van functioneren ervan zijn omschreven in de artikelen III-382 en III-383, alsmede in het statuut van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank.

Artikel I-31. De Rekenkamer [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Rekenkamer is een instelling. Zij verricht de controle van de rekeningen van de Unie.

  • 2 De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie en gaat na of een goed financieel beheer is gevoerd.

  • 3 In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit, in het algemeen belang van de Unie.

Artikel I-32. De adviesorganen van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie worden bijgestaan door een Comité van de Regio's en een Economisch en Sociaal Comité, die een adviserende taak hebben.

  • 2 Het Comité van de Regio's bestaat uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd zijn aan een gekozen vergadering.

  • 3 Het Economisch en Sociaal Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de organisaties van werkgevers, werknemers en andere representanten van het maatschappelijk middenveld, met name sociaal-economische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties.

  • 4 De leden van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité zijn niet gebonden door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Unie.

  • 5 De samenstelling van deze comités, de benoeming van hun leden, de bevoegdheden en de werking ervan zijn geregeld in de artikelen III-386 tot en met III-392.

    De in de leden 2 en 3 bedoelde regels betreffende de aard van hun samenstelling worden door de Raad op gezette tijden getoetst aan de economische, sociale en demografische evolutie in de Unie. De Raad stelt daartoe op voorstel van de Commissie Europese besluiten vast.

TITEL V. UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

HOOFDSTUK I. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-33. De rechtshandelingen van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De instellingen maken bij de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie overeenkomstig deel III gebruik van de volgende rechtsinstrumenten: de Europese wet, de Europese kaderwet, de Europese verordening, het Europees besluit, aanbevelingen en adviezen.

    De Europese wet is een wetgevingshandeling van algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in iedere lidstaat.

    De Europese kaderwet is een wetgevingshandeling die iedere lidstaat waartoe zij is gericht, bindt ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar die de bevoegdheid omtrent de keuze van vorm en middelen aan de nationale instanties overlaat.

    De Europese verordening is een handeling van algemene strekking, niet zijnde een wetgevingshandeling, ter uitvoering van een wetgevingshandeling of van sommige bepalingen van de Grondwet. Zij is ofwel verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in iedere lidstaat, ofwel verbindend voor iedere lidstaat waartoe zij is gericht ten aanzien van het te bereiken resultaat, met dien verstande dat de bevoegdheid omtrent de keuze van vorm en middelen aan de nationale instanties wordt overgelaten.

    Het Europees besluit is een handeling, niet zijnde een wetgevingshandeling, die verbindend is in al haar onderdelen. Indien het Europees besluit vermeldt tot wie het gericht is, is het alleen voor hen verbindend.

    De aanbevelingen en adviezen hebben geen bindende kracht.

  • 2 Indien bij het Europees Parlement en de Raad een ontwerp van wetgevingshandeling is ingediend, stellen zij geen handelingen vast waarin de op het betrokken gebied toepasselijke wetgevingsprocedure niet voorziet.

Artikel I-34. De wetgevingshandelingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Europese wetten en kaderwetten worden op voorstel van de Commissie door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk vastgesteld overeenkomstig de in artikel III-396 bedoelde gewone wetgevingsprocedure. Indien deze twee instellingen geen overeenstemming bereiken, is de wetgevingshandeling niet vastgesteld.

  • 2 In de bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen worden de Europese wetten en kaderwetten volgens bijzondere wetgevingsprocedures vastgesteld door het Europees Parlement met deelneming van de Raad, dan wel door de Raad met deelneming van het Europees Parlement.

  • 3 In de bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen kunnen Europese wetten en kaderwetten op initiatief van een groep van lidstaten of van het Europees Parlement, op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of op verzoek van het Hof van Justitie of van de Europese Investeringsbank worden vastgesteld.

Artikel I-35. Handelingen, niet zijnde wetgevingshandelingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Europese Raad stelt in de bij de Grondwet bepaalde gevallen Europese besluiten vast.

  • 2 Europese verordeningen en besluiten worden vastgesteld door de Raad en de Commissie, met name in de in de artikelen I-36 en I-37 bepaalde gevallen, alsmede door de Europese Centrale Bank in de bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen.

  • 3 De Raad stelt aanbevelingen vast. De Raad besluit op voorstel van de Commissie in alle gevallen waarin bij de Grondwet is bepaald dat hij handelingen op voorstel van de Commissie vaststelt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen op de gebieden waarop handelingen van de Unie met eenparigheid van stemmen moeten worden vastgesteld. De Commissie, alsmede de Europese Centrale Bank in de bij de Grondwet bepaalde specifieke gevallen, stellen aanbevelingen vast.

Artikel I-36. Gedelegeerde Europese verordeningen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 In de Europese wetten en kaderwetten kan aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen gedelegeerde Europese verordeningen vast te stellen ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-wezenlijke onderdelen van de wet of kaderwet.

    In de Europese wetten en kaderwetten worden uitdrukkelijk de doelstellingen, de inhoud, de strekking en de duur van de bevoegdheidsdelegatie afgebakend. Wezenlijke onderdelen van een gebied worden uitsluitend in de Europese wetten en kaderwetten geregeld en kunnen derhalve niet het voorwerp zijn van bevoegdheidsdelegatie.

  • 2 In de Europese wetten en kaderwetten worden de voorwaarden waaraan de delegatie is onderworpen, uitdrukkelijk vastgesteld. Dit kunnen de volgende voorwaarden zijn:

    • a. het Europees Parlement of de Raad kan besluiten de delegatie in te trekken;

    • b. de gedelegeerde Europese verordening kan pas in werking treden indien het Europees Parlement of de Raad binnen de in de Europese wetten en kaderwetten gestelde termijn geen bezwaar heeft aangetekend.

    Voor de toepassing van het bepaalde onder a en b besluit het Europees Parlement bij meerderheid van zijn leden en besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel I-37. De uitvoeringshandelingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De lidstaten nemen alle maatregelen van intern recht die nodig zijn ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie.

  • 2 Indien het nodig is dat juridisch bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd, worden bij die handelingen aan de Commissie, of, in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij artikel I-40 bepaalde gevallen, aan de Raad uitvoeringsbevoegdheden toegekend.

  • 3 Voor de toepassing van lid 2 worden vooraf bij Europese wet de algemene voorschriften en beginselen vastgelegd die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren.

  • 4 De uitvoeringshandelingen van de Unie hebben de vorm van een Europese uitvoeringsverordening of een Europees uitvoeringsbesluit.

Artikel I-38. Beginselen die de rechtshandelingen van de Unie gemeen hebben [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Wanneer de Grondwet niet bepaalt welk soort van handeling moet worden vastgesteld, maken de instellingen zelf per afzonderlijk geval een keuze, met inachtneming van de toepasselijke procedures en van het in artikel I-11 neergelegde evenredigheidsbeginsel.

  • 2 Rechtshandelingen worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen, initiatieven, aanbevelingen, verzoeken of adviezen waarin de Grondwet voorziet.

Artikel I-39. Bekendmaking en inwerkingtreding [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Europese wetten en kaderwetten die volgens de gewone wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, worden door de voorzitter van het Europees Parlement en door de voorzitter van de Raad ondertekend.

    In de overige gevallen worden zij ondertekend door de voorzitter van de instelling waardoor zij zijn vastgesteld.

    Europese wetten en kaderwetten worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt en treden in werking op de in de wet of kaderwet bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.

  • 2 Europese verordeningen en Europese besluiten die niet vermelden tot wie zij gericht zijn, worden ondertekend door de voorzitter van de instelling waardoor zij zijn vastgesteld.

    Europese verordeningen en Europese besluiten die niet vermelden tot wie zij gericht zijn, worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt en treden in werking op de in de verordening of het besluit bepaalde datum of, bij ontbreken daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.

  • 3 Van de andere dan in lid 2 bedoelde Europese besluiten wordt kennis gegeven aan degenen tot wie zij gericht zijn. Zij worden door deze kennisgeving van kracht.

HOOFDSTUK II. BIJZONDERE BEPALINGEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-40. Bijzondere bepalingen inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Europese Unie voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat berust op de ontwikkeling van de wederzijdse politieke solidariteit van de lidstaten, de bepaling van aangelegenheden van algemeen belang en de totstandbrenging van een steeds toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten.

  • 2 De Europese Raad bepaalt wat de strategische belangen van de Unie zijn en stelt de doelstellingen van haar gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast. De Raad geeft invulling aan dit beleid binnen de door de Europese Raad vastgestelde strategische beleidslijnen en overeenkomstig deel III.

  • 3 De Europese Raad en de Raad stellen de nodige Europese besluiten vast.

  • 4 Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitgevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en door de lidstaten, die daarbij gebruik maken van de middelen waarover de lidstaten en de Unie beschikken.

  • 5 De lidstaten overleggen in de Europese Raad en in de Raad over iedere aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid teneinde een gemeenschappelijke aanpak vast te stellen. Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de Raad alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die gevolgen kunnen hebben voor de belangen van de Unie. De lidstaten dragen er door onderlinge afstemming van hun optreden zorg voor dat de Unie haar belangen en haar waarden op het internationale toneel kan doen gelden. De lidstaten zijn onderling solidair.

  • 6 Op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid stellen de Europese Raad en de Raad met eenparigheid van stemmen Europese besluiten vast, behalve in de in deel III genoemde gevallen. Zij spreken zich uit op initiatief van een lidstaat, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of op voorstel van deze minister met steun van de Commissie. Er kunnen geen Europese wetten of kaderwetten worden vastgesteld.

  • 7 De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen bij Europees besluit bepalen dat de Raad in andere dan de in deel III genoemde gevallen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

  • 8 Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het wordt geïnformeerd over de evolutie daarvan.

Artikel I-41. Bijzondere bepalingen inzake het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid is een integrerend deel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het voorziet de Unie van een operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen steunt. De Unie kan daarvan gebruik maken voor missies buiten het grondgebied van de Unie met het oog op vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. De uitvoering van deze taken berust op de door de lidstaten beschikbaar gestelde vermogens.

  • 2 Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid omvat de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid van de Unie. Dit zal tot een gemeenschappelijke defensie leiden zodra de Europese Raad met eenparigheid van stemmen daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

    Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten die van oordeel zijn dat hun gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, en is verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

  • 3 De lidstaten stellen civiele en militaire vermogens ter beschikking van de Unie voor de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, om zodoende bij te dragen tot het bereiken van de door de Raad bepaalde doelstellingen. Lidstaten die onderling multinationale troepenmachten vormen, kunnen deze troepenmachten tevens ter beschikking van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid stellen.

    De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren. Er wordt een agentschap op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, onderzoek, aankopen en bewapening (het Europees Defensieagentschap) opgericht, dat de operationele behoeften bepaalt, maatregelen bevordert om in die behoeften te voorzien, bijdraagt tot de vaststelling en, in voorkomend geval, tot de uitvoering van alle nuttige maatregelen om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken, deelneemt aan het bepalen van een Europees beleid inzake vermogens en bewapening, en de Raad bijstaat om de verbetering van de militaire vermogens te evalueren.

  • 4 Europese besluiten betreffende het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, waaronder begrepen het opzetten van een missie als bedoeld in dit artikel, worden op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of op initiatief van een lidstaat door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie kan, in voorkomend geval samen met de Commissie, voorstellen om gebruik te maken van nationale middelen en van instrumenten van de Unie.

  • 5 De Raad kan de uitvoering van een missie in het kader van de Unie toevertrouwen aan een groep lidstaten, teneinde de waarden van de Unie te beschermen en haar belangen te dienen. De uitvoering van een dergelijke missie wordt beheerst door artikel III-310.

  • 6 De lidstaten waarvan de militaire vermogens voldoen aan strengere criteria en die terzake verdergaande verbintenissen zijn aangegaan met het oog op de uitvoering van de meest veeleisende taken, stellen in het kader van de Unie een permanente gestructureerde samenwerking in. Deze samenwerking wordt beheerst door artikel III-312. Zij laat de bepalingen van artikel III-309 onverlet.

  • 7 Indien een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen, rust op de overige lidstaten de plicht deze lidstaat met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen overeenkomstig artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties. Dit laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet.

    De verbintenissen en de samenwerking op dit gebied blijven in overeenstemming met de in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie aangegane verbintenissen, die voor de lidstaten die er lid van zijn, de grondslag en het instrument van hun collectieve defensie blijft.

  • 8 Het Europees Parlement wordt regelmatig geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. Het wordt geïnformeerd over de ontwikkeling daarvan.

Artikel I-42. Bijzondere bepalingen inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie is een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht:

    • a. door de vaststelling van Europese wetten en kaderwetten om, zo nodig, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in deel III genoemde gebieden onderling aan te passen;

    • b. door het onderlinge vertrouwen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te bevorderen, in het bijzonder op basis van de wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen;

    • c. door operationele samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde diensten op het gebied van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten.

  • 2 De nationale parlementen kunnen in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht deelnemen aan de in artikel III-260 bedoelde evaluatiemechanismen. Zij worden betrokken bij de politieke controle van Europol en bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust, overeenkomstig de artikelen III-276 en III-273.

  • 3 De lidstaten hebben een recht van initiatief op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, overeenkomstig artikel III-264.

Artikel I-43. De solidariteitsclausule [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie en de lidstaten treden uit solidariteit gezamenlijk op indien een lidstaat getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp. De Unie maakt van alle tot haar beschikking staande instrumenten, waaronder de door de lidstaten ter beschikking gestelde militaire middelen, gebruik om:

    • a.

      • de dreiging van het terrorisme op het grondgebied van de lidstaten te keren;

      • de democratische instellingen en de burgerbevolking tegen een eventuele terroristische aanval te beschermen;

      • op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied bijstand te verlenen in geval van een terroristische aanval;

    • b. op verzoek van de politieke autoriteiten van een lidstaat op diens grondgebied bijstand te verlenen in geval van een natuurramp of van een door de mens veroorzaakte ramp.

HOOFDSTUK III. NAUWERE SAMENWERKING [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-44. Nauwere samenwerking [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan in het kader van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie, kunnen gebruik maken van de instellingen van de Unie en die bevoegdheden uitoefenen op grond van de terzake geldende bepalingen van de Grondwet, binnen de grenzen van en overeenkomstig het bepaalde in dit artikel en in de artikelen III-416 tot en met III-423.

    Met nauwere samenwerking wordt beoogd de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie te bevorderen, haar belangen te beschermen en haar integratieproces te versterken. Nauwere samenwerking staat te allen tijde open voor alle lidstaten, overeenkomstig artikel III-418.

  • 2 Het Europees besluit houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan wordt in laatste instantie vastgesteld door de Raad, wanneer deze constateert dat de met de nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt en mits ten minste eenderde van de lidstaten aan de nauwere samenwerking deelnemen. De Raad besluit overeenkomstig de in artikel III-419 bepaalde procedure.

  • 3 Alle leden van de Raad kunnen deelnemen aan de beraadslagingen van de Raad, maar alleen de leden van de Raad die de aan een nauwere samenwerking deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, nemen deel aan de stemming.

    Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de deelnemende staten gevormd.

    Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

    Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal van de leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid geacht te zijn verkregen.

    In afwijking van de derde en de vierde alinea wordt, wanneer de Raad niet besluit op een voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, onder de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

  • 4 De in het kader van een nauwere samenwerking vastgestelde handelingen zijn alleen verbindend voor de lidstaten die aan de nauwere samenwerking deelnemen. Zij worden niet beschouwd als een acquis dat door de kandidaat-lidstaten van de Unie moet worden aanvaard.

TITEL VI. HET DEMOCRATISCH BESTEL VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-45. Het beginsel van democratische gelijkheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie eerbiedigt in al haar activiteiten het beginsel van gelijkheid van haar burgers, die gelijke aandacht genieten van haar instellingen, organen en instanties.

Artikel I-46. Het beginsel van de representatieve democratie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De werking van de Unie is gegrond op de representatieve democratie.

  • 2 De burgers worden op het niveau van de Unie rechtstreeks vertegenwoordigd in het Europees Parlement.

    De lidstaten worden in de Europese Raad vertegenwoordigd door hun staatshoofd of hun regeringsleider en in de Raad door hun regering, die zelf democratische verantwoording verschuldigd zijn aan hun nationaal parlement of aan hun burgers.

  • 3 Iedere burger heeft het recht aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen. De besluitvorming vindt plaats op een zo open mogelijke wijze, en zo dicht bij de burgers als mogelijk is.

  • 4 De politieke partijen op Europees niveau dragen bij tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie.

Artikel I-47. Het beginsel van de participerende democratie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De instellingen bieden de burgers en de representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden.

  • 2 De instellingen voeren een open, transparante en regelmatige dialoog met representatieve organisaties en met het maatschappelijk middenveld.

  • 3 Ter wille van de samenhang en de transparantie van het optreden van de Unie pleegt de Commissie op ruime schaal overleg met de betrokken partijen.

  • 4 Wanneer ten minste één miljoen burgers van de Unie, afkomstig uit een significant aantal lidstaten, van oordeel zijn dat inzake een aangelegenheid een rechtshandeling van de Unie nodig is ter uitvoering van de Grondwet, kunnen zij het initiatief nemen de Commissie te verzoeken binnen het kader van de haar toegedeelde bevoegdheden een passend voorstel daartoe in te dienen. De procedures en voorwaarden voor de indiening van een dergelijk burgerinitiatief, met inbegrip van het minimumaantal lidstaten waaruit de burgers die het verzoek indienen, afkomstig dienen te zijn, worden bij Europese wet vastgesteld.

Artikel I-48. De sociale partners en de autonome sociale dialoog [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie erkent en bevordert de rol van de sociale partners op het niveau van de Unie, en houdt daarbij rekening met de verschillen tussen de nationale stelsels. Zij bevordert hun onderlinge dialoog, met inachtneming van hun autonomie.

De tripartiete sociale top voor groei en werkgelegenheid levert een bijdrage tot de sociale dialoog.

Artikel I-49. De Europese ombudsman [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Een door het Europees Parlement gekozen Europese ombudsman neemt onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden kennis van klachten betreffende gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie. Hij onderzoekt die klachten en brengt terzake verslag uit. De Europese ombudsman verricht zijn werkzaamheden in volledige onafhankelijkheid.

Artikel I-50. Transparantie van de werkzaamheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Om goed bestuur te bevorderen en de deelneming van het maatschappelijk middenveld te waarborgen, werken de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid.

  • 2 Het Europees Parlement, en de Raad wanneer hij beraadslaagt en stemt over een ontwerp van wetgevingshandeling, vergaderen in het openbaar.

  • 3 Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft onder de in deel III bepaalde voorwaarden een recht van inzage in de documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht het medium waarop zij zijn vastgelegd.

    Bij Europese wet worden de algemene beginselen en de beperkingen vastgesteld die om redenen van openbaar of particulier belang aan de uitoefening van het recht van inzage in deze documenten verbonden zijn.

  • 4 De instellingen, organen en instanties stellen overeenkomstig de in lid 3 bedoelde Europese wet in hun reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de inzage in hun documenten vast.

Artikel I-51. De bescherming van persoonsgegevens [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.

  • 2 De voorschriften betreffende de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, de organen en de instanties van de Unie, alsook door de lidstaten, bij de uitoefening van activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie vallen, alsmede de voorschriften betreffende het vrije verkeer van die gegevens, worden bij Europese wet of kaderwet vastgesteld. Op de naleving van deze voorschriften wordt toezicht uitgeoefend door onafhankelijke autoriteiten.

Artikel I-52. De status van kerken en van niet-confessionele organisaties [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie eerbiedigt de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationaal recht in de lidstaten hebben, en doet daaraan geen afbreuk.

  • 2 De Unie eerbiedigt tevens de status die de levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties volgens het nationaal recht hebben.

  • 3 De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken en organisaties, onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage.

TITEL VII. FINANCIËN VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-53. De budgettaire en financiële beginselen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie worden overeenkomstig deel III voor ieder begrotingsjaar geraamd en opgenomen in de begroting van de Unie.

  • 2 De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.

  • 3 De op de begroting opgevoerde uitgaven worden toegestaan voor de duur van het begrotingsjaar, in overeenstemming met de in artikel III-412 bedoelde Europese wet.

  • 4 Op de begroting opgevoerde uitgaven kunnen niet worden uitgevoerd dan nadat een juridisch bindende handeling van de Unie is vastgesteld die een rechtsgrond geeft aan haar optreden en aan de uitvoering van de overeenkomstige uitgave, in overeenstemming met de in artikel III-412 bedoelde Europese wet, behoudens de daarin bepaalde uitzonderingen.

  • 5 Teneinde de begrotingsdiscipline zeker te stellen, stelt de Unie geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat de uitgaven die uit die handelingen voortvloeien, gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en met inachtneming van het in artikel I-55 bedoelde meerjarig financieel kader.

  • 6 De begroting wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten en de Unie dragen er samen zorg voor dat de op de begroting opgevoerde kredieten volgens dit beginsel worden gebruikt.

  • 7 De Unie en de lidstaten bestrijden overeenkomstig artikel III-415 fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

Artikel I-54. De eigen middelen van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven.

  • 2 De begroting van de Unie wordt volledig uit eigen middelen gefinancierd, onverminderd andere ontvangsten.

  • 3 Bij Europese wet van de Raad worden de bepalingen vastgesteld die van toepassing zijn op het stelsel van eigen middelen van de Unie. In dit kader kunnen nieuwe categorieën van eigen middelen worden vastgesteld, dan wel bestaande categorieën worden ingetrokken. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. Deze wet treedt pas in werking na door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen te zijn goedgekeurd.

  • 4 Bij Europese wet van de Raad worden de uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Unie vastgesteld voorzover de krachtens lid 3 vastgestelde Europese wet daarin voorziet. De Raad besluit na goedkeuring door het Europees Parlement.

Artikel I-55. Het meerjarig financieel kader [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het meerjarig financieel kader beoogt een ordelijke ontwikkeling van de uitgaven van de Unie te waarborgen binnen de grenzen van haar eigen middelen. In het kader worden overeenkomstig artikel III-402 de jaarlijkse maximumbedragen aan kredieten voor vastleggingen per uitgavencategorie vastgesteld.

  • 2 Het meerjarig financieel kader wordt vastgesteld bij Europese wet van de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van zijn leden.

  • 3 In de jaarlijkse begroting van de Unie wordt het meerjarig financieel kader in acht genomen.

  • 4 De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen een Europees besluit vaststellen op grond waarvan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen kan besluiten bij de vaststelling van de in lid 2 bedoelde Europese wet van de Raad.

Artikel I-56. De begroting van de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De jaarlijkse begroting van de Unie wordt overeenkomstig artikel III-404 bij Europese wet vastgesteld.

TITEL VIII. DE UNIE EN HAAR NAASTE OMGEVING [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-57. De Unie en haar naaste omgeving [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie ontwikkelt met de naburige landen bijzondere betrekkingen, die erop gericht zijn een ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen welke stoelt op de waarden van de Unie en welke gekenmerkt wordt door nauwe en vreedzame betrekkingen die gebaseerd zijn op samenwerking.

  • 2 Voor de toepassing van lid 1 kan de Unie met de betrokken landen specifieke overeenkomsten sluiten. Die overeenkomsten kunnen wederkerige rechten en verplichtingen omvatten en tevens voorzien in de mogelijkheid gemeenschappelijk op te treden. Over de uitvoering van de overeenkomsten wordt op gezette tijden overleg gepleegd.

TITEL IX. HET LIDMAATSCHAP VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel I-58. Criteria en procedure voor toetreding tot de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie staat open voor alle Europese staten die de in artikel I-2 bedoelde waarden eerbiedigen en zich ertoe verbinden deze gezamenlijk uit te dragen.

  • 2 Iedere Europese staat die lid wenst te worden van de Unie, richt daartoe een verzoek tot de Raad. Het Europees Parlement en de nationale parlementen worden van dit verzoek in kennis gesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij meerderheid van zijn leden. De voorwaarden en nadere regels voor de toelating worden neergelegd in een akkoord tussen de lidstaten en de kandidaat-lidstaat. Dit akkoord wordt door alle overeenkomstsluitende staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aan bekrachtiging onderworpen.

Artikel I-59. Schorsing van bepaalde rechten die uit het lidmaatschap van de Unie voortvloeien [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Raad kan op een met redenen omkleed initiatief van eenderde van de lidstaten, op een met redenen omkleed initiatief van het Europees Parlement of op voorstel van de Commissie een Europees besluit vaststellen waarin wordt geconstateerd dat er een duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending door een lidstaat van de in artikel I-2 bedoelde waarden. De Raad besluit met een meerderheid van viervijfde van zijn leden, na goedkeuring door het Europees Parlement. Alvorens die constatering te doen, hoort de Raad de betrokken lidstaat en kan hij die lidstaat volgens dezelfde procedure aanbevelingen doen.

    De Raad gaat regelmatig na of de redenen die tot bedoelde constatering hebben geleid, nog bestaan.

  • 2 De Europese Raad kan op initiatief van eenderde van de lidstaten of op voorstel van de Commissie een Europees besluit vaststellen waarin een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel I-2 bedoelde waarden wordt geconstateerd, na die lidstaat om opmerkingen terzake te hebben verzocht. De Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 3 Wanneer de in lid 2 bedoelde constatering is gedaan, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een Europees besluit vaststellen tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van de Grondwet op de betrokken lidstaat voortvloeien, waaronder de stemrechten van het lid van de Raad dat deze staat vertegenwoordigt. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

    Deze staat blijft hoe dan ook gebonden door de verplichtingen die uit hoofde van de Grondwet op hem rusten.

  • 4 De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een Europees besluit vaststellen tot wijziging of intrekking van de krachtens lid 3 vastgestelde maatregelen, naar aanleiding van veranderingen in de toestand die hem ertoe heeft gebracht die maatregelen op te leggen.

  • 5 Voor de toepassing van dit artikel neemt het lid van de Europese Raad of van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt, niet deel aan de stemming, en de betrokken lidstaat wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van het in de leden 1 en 2 voorgeschreven derde of viervijfde deel van de lidstaten. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van de in lid 2 bedoelde Europese besluiten.

    Voor de vaststelling van de in de leden 3 en 4 bedoelde Europese besluiten wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

    Indien de Raad, ten vervolge op een overeenkomstig lid 3 vastgesteld besluit tot schorsing van de stemrechten, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit op basis van een van de bepalingen van de Grondwet, wordt onder deze gekwalificeerde meerderheid van stemmen hetzelfde als in de tweede alinea verstaan, of, indien de Raad besluit op voorstel van de Commissie of van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten. In dat laatste geval moet een blokkerende minderheid ten minste uit het minimumaantal leden van de Raad bestaan die meer dan 35% van de bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel besluit het Europees Parlement met een meerderheid van tweederde der uitgebrachte stemmen welke tevens de meerderheid van zijn leden vertegenwoordigt.

Artikel I-60. Vrijwillige terugtrekking uit de Unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Een lidstaat kan overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen besluiten zich uit de Unie terug te trekken.

  • 2 De lidstaat die besluit zich terug te trekken, geeft kennis van zijn voornemen aan de Europese Raad. In het licht van de richtsnoeren van de Europese Raad sluit de Unie na onderhandelingen met deze staat een akkoord over de voorwaarden voor zijn terugtrekking, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie. Over dat akkoord wordt overeenkomstig artikel III-325, lid 3, onderhandeld. Het akkoord wordt namens de Unie gesloten door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 3 De Grondwet is niet meer van toepassing op de betrokken staat met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de in lid 2 bedoelde kennisgeving, tenzij de Europese Raad met instemming van de betrokken lidstaat met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.

  • 4 Voor de toepassing van de leden 2 en 3 nemen het lid van de Europese Raad en het lid van de Raad die de zich terugtrekkende lidstaat vertegenwoordigen, niet deel aan de beraadslagingen of aan de Europese besluiten van de Europese Raad en van de Raad die hem betreffen.

    Onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt verstaan ten minste 72% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van die staten.

  • 5 Indien een lidstaat die zich uit de Unie heeft teruggetrokken, opnieuw om het lidmaatschap verzoekt, is op zijn verzoek de procedure van artikel I-58 van toepassing.

DEEL II. HET HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE EUROPESE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Preambule

De volkeren van Europa hebben besloten een op gemeenschappelijke waarden gegrondveste vreedzame toekomst te delen door onderling een steeds hechter verbond tot stand te brengen.

De Unie, die zich bewust is van haar geestelijke en morele erfgoed, heeft haar grondslag in de ondeelbare en universele waarden van menselijke waardigheid en van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Zij berust op het beginsel van democratie en het beginsel van de rechtsstaat. De Unie stelt de mens centraal in haar optreden, door het burgerschap van de Unie in te stellen en een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand te brengen.

De Unie draagt bij tot de instandhouding en de ontwikkeling van deze gemeenschappelijke waarden, met inachtneming van de verscheidenheid van cultuur en traditie van de volkeren van Europa, alsmede van de nationale identiteit van de lidstaten en van hun staatsinrichting op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Zij streeft ernaar een evenwichtige en duurzame ontwikkeling te bevorderen en bewerkstelligt het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal, alsook de vrijheid van vestiging.

Te dien einde moet in het licht van de ontwikkelingen in de maatschappij, de sociale vooruitgang en de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen de bescherming van de grondrechten worden versterkt door deze rechten beter zichtbaar te maken in een Handvest.

Dit Handvest bevestigt, met inachtneming van de bevoegdheden en taken van de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, de rechten die in het bijzonder voortvloeien uit de constitutionele tradities en de internationale verplichtingen die de lidstaten gemeen hebben, uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de Unie en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de rechten van de mens. In dit verband zullen de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten bij de uitlegging van het Handvest naar behoren rekening houden met de toelichtingen die zijn opgesteld onder het gezag van het praesidium van de Conventie die het Handvest heeft opgesteld en bijgewerkt onder de verantwoordelijkheid van het praesidium van de Europese Conventie.

Het genot van deze rechten brengt verantwoordelijkheden en plichten mede jegens de medemens, de mensengemeenschap en de toekomstige generaties.

Derhalve erkent de Unie de hieronder genoemde rechten, vrijheden en beginselen.

TITEL I. WAARDIGHEID [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel II-61. De menselijke waardigheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.

Artikel II-62. Het recht op leven [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft recht op leven.

  • 2 Niemand wordt tot de doodstraf veroordeeld of terechtgesteld.

Artikel II-63. Het recht op menselijke integriteit [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft recht op lichamelijke en geestelijke integriteit.

  • 2 In het kader van de geneeskunde en de biologie moeten met name in acht worden genomen:

    • a. de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene, volgens de bij de wet bepaalde regels;

    • b. het verbod van eugenetische praktijken, met name die welke selectie van personen tot doel hebben;

    • c. het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden;

    • d. het verbod van het reproductief kloneren van mensen.

Artikel II-64. Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel II-65. Het verbod van slavernij en dwangarbeid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.

  • 2 Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.

  • 3 Mensenhandel is verboden.

TITEL II. VRIJHEDEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel II-66. Het recht op vrijheid en veiligheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

Artikel II-67. De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

Artikel II-68. De bescherming van persoonsgegevens [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.

  • 2 Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.

  • 3 Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd.

Artikel II-69. Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen.

Artikel II-70. De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst en overtuiging te veranderen en de vrijheid, hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of zijn overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

  • 2 Het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen.

Artikel II-71. De vrijheid van meningsuiting en van informatie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

  • 2 De vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd.

Artikel II-72. De vrijheid van vergadering en vereniging [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied, het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, hetgeen mede omvat eenieders recht, ter bescherming van zijn belangen samen met anderen vakverenigingen op te richten of zich daarbij aan te sluiten.

  • 2 Politieke partijen op het niveau van de Unie dragen bij tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.

Artikel II-73. De vrijheid van kunsten en wetenschappen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.

Artikel II-74. Het recht op onderwijs [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft recht op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing.

  • 2 Dit recht houdt de mogelijkheid in, verplicht onderwijs kosteloos te volgen.

  • 3 De vrijheid om met inachtneming van de democratische beginselen instellingen voor onderwijs op te richten en het recht van ouders om zich voor hun kinderen te verzekeren van het onderwijs en de opvoeding die overeenstemmen met hun godsdienstige, hun levensbeschouwelijke en hun opvoedkundige overtuiging, worden geëerbiedigd volgens de nationale wetten die de uitoefening ervan beheersen.

Artikel II-75. De vrijheid van beroep en het recht te werken [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft het recht te werken en een vrijelijk gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen.

  • 2 Iedere burger van de Unie is vrij, in iedere lidstaat werk te zoeken, er te werken, er zich te vestigen en er diensten te verrichten.

  • 3 Onderdanen van derde landen die het toegestaan is op het grondgebied van de lidstaten te werken, hebben recht op arbeidsvoorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke de burgers van de Unie genieten.

Artikel II-76. De vrijheid van ondernemerschap [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

Artikel II-77. Het recht op eigendom [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voorzover het algemeen belang dit vereist.

  • 2 Intellectuele eigendom is beschermd.

Artikel II-78. Het recht op asiel [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig de Grondwet.

Artikel II-79. Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Collectieve uitzetting is verboden.

  • 2 Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.

TITEL III. GELIJKHEID [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel II-80. Gelijkheid voor de wet [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Eenieder is gelijk voor de wet.

Artikel II-81. Non-discriminatie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.

  • 2 Binnen de werkingssfeer van de Grondwet en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel II-82. Verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal.

Artikel II-83. De gelijkheid van vrouwen en mannen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De gelijkheid van vrouwen en mannen moet worden gewaarborgd op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning.

Het beginsel van gelijkheid belet niet dat maatregelen worden gehandhaafd of genomen waarbij specifieke voordelen worden ingesteld ten gunste van het ondervertegenwoordigde geslacht.

Artikel II-84. De rechten van het kind [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in hen betreffende aangelegenheden wordt in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang gehecht.

  • 2 Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging.

  • 3 Ieder kind heeft het recht, regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.

Artikel II-85. De rechten van ouderen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie erkent en eerbiedigt het recht van ouderen, een waardig en zelfstandig leven te leiden en aan het maatschappelijk en cultureel leven deel te nemen.

Artikel II-86. De integratie van personen met een handicap [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie erkent en eerbiedigt het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen.

TITEL IV. SOLIDARITEIT [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel II-87. Het recht op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de onderneming [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Werknemers en hun vertegenwoordigers moeten in de gevallen en onder de voorwaarden waarin het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien, de zekerheid hebben, dat zij op passende niveaus tijdig worden geïnformeerd en geraadpleegd.

Artikel II-88. Het recht op collectieve onderhandelingen en op collectieve actie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Werkgevers en werknemers of hun respectieve organisaties hebben overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken het recht, op passende niveaus collectief te onderhandelen en collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten, alsmede, in geval van belangenconflicten, collectieve actie te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking.

Artikel II-89. Het recht op toegang tot arbeidsbemiddeling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Eenieder heeft recht op toegang tot kosteloze arbeidsbemiddeling.

Artikel II-90. Bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Iedere werknemer heeft overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken recht op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag.

Artikel II-91. Rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Iedere werknemer heeft recht op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden.

  • 2 Iedere werknemer heeft recht op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon.

Artikel II-92. Het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op het werk [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Kinderarbeid is verboden. De minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces mag niet lager zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht ophoudt, onverminderd voor jongeren gunstiger regels en behoudens beperkte afwijkingen.

Werkende jongeren hebben recht op arbeidsvoorwaarden die aangepast zijn aan hun leeftijd en zij moeten worden beschermd tegen economische uitbuiting en tegen arbeid die hun veiligheid, hun gezondheid of hun lichamelijke, geestelijke, morele of maatschappelijke ontwikkeling kan schaden, dan wel hun opvoeding in gevaar kan brengen.

Artikel II-93. Het beroeps- en gezinsleven [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het gezin geniet bescherming op juridisch, economisch en sociaal vlak.

  • 2 Teneinde beroeps- en gezinsleven te kunnen combineren, heeft eenieder recht op bescherming tegen ontslag om een reden die verband houdt met moederschap, alsmede recht op betaald moederschapsverlof en recht op ouderschapsverlof na de geboorte of de adoptie van een kind.

Artikel II-94. Sociale zekerheid en sociale bijstand [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie erkent en eerbiedigt onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming bieden in omstandigheden zoals moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, afhankelijkheid of ouderdom, alsmede bij verlies van arbeid.

  • 2 Eenieder die legaal in de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, heeft recht op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

  • 3 Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand voor huisvesting, teneinde eenieder die niet over voldoende middelen beschikt, onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden een waardig bestaan te verzekeren.

Artikel II-95. De gezondheidszorg [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden. Bij de bepaling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.

Artikel II-96. De toegang tot diensten van algemeen economisch belang [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie erkent en eerbiedigt overeenkomstig de Grondwet de toegang tot diensten van algemeen economisch belang zoals die in de nationale wetgevingen en praktijken is geregeld, teneinde de sociale en territoriale samenhang van de Unie te bevorderen.

Artikel II-97. Milieubescherming [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten worden geïntegreerd in het beleid van de Unie en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.

Artikel II-98. Consumentenbescherming [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

In het beleid van de Unie wordt zorg gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming.

TITEL V. BURGERSCHAP [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel II-99. Actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Iedere burger van de Unie heeft actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

  • 2 De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen.

Artikel II-100. Actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Iedere burger van de Unie heeft actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.

Artikel II-101. Recht op behoorlijk bestuur [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.

  • 2 Dit recht behelst met name:

    • a. het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;

    • b. het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim;

    • c. de plicht van de betrokken instanties, hun beslissingen met redenen te omkleden.

  • 3 Eenieder heeft recht op vergoeding door de Unie van de schade die door haar instellingen of haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben.

  • 4 Eenieder kan zich in een van de talen van de Grondwet tot de instellingen van de Unie wenden en moet ook in die taal antwoord krijgen.

Artikel II-102. Recht van inzage in documenten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft een recht van inzage in de documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht het medium waarop zij zijn vastgelegd.

Artikel II-103. Europees Ombudsman [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht zich tot de Europese ombudsman te wenden in verband met gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak.

Artikel II-104. Recht van petitie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten.

Artikel II-105. Vrijheid van verkeer en van verblijf [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Iedere burger van de Unie heeft het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

  • 2 De vrijheid van verkeer en van verblijf kan overeenkomstig de Grondwet worden toegekend aan onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven.

Artikel II-106. Diplomatieke en consulaire bescherming [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Iedere burger van de Unie geniet op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van de andere lidstaten, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat.

TITEL VI. RECHTSPLEGING [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel II-107. Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Artikel II-108. Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

  • 2 Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.

Artikel II-109. Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, is die van toepassing.

  • 2 Dit artikel staat niet de berechting en bestraffing in de weg van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was volgens de door de volkerengemeenschap erkende algemene beginselen.

  • 3 De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit.

Artikel II-110. Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.

TITEL VII. ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE UITLEGGING EN DE TOEPASSING VAN HET HANDVEST [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel II-111. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de andere delen van de Grondwet aan de Unie zijn toegedeeld.

  • 2 Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de andere delen van de Grondwet omschreven bevoegdheden en taken.

Artikel II-112. Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

  • 2 De door dit Handvest erkende rechten die voorkomen in bepalingen van andere delen van de Grondwet, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die in de desbetreffende delen zijn gesteld.

  • 4 Voorzover dit Handvest grondrechten erkent zoals die voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, moeten die rechten in overeenstemming met die tradities worden uitgelegd.

  • 5 Aan de bepalingen van dit Handvest die beginselen bevatten, kan uitvoering worden gegeven door wetgevings- en uitvoeringshandelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie en door handelingen van de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden. De rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van die bepalingen blijft beperkt tot de uitlegging van genoemde handelingen en de toetsing van de wettigheid ervan.

  • 6 Met de nationale wetgevingen en praktijken moet ten volle rekening worden gehouden, zoals bepaald in dit Handvest.

  • 7 De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van het Handvest van de grondrechten, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen.

Artikel II-113. Beschermingsniveau [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Geen van de bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten.

Artikel II-114. Verbod van misbruik van recht [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Geen van de bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige activiteit te ontplooien of enige daad te verrichten met als doel de in dit Handvest erkende rechten of vrijheden teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door dit Handvest is toegestaan.

DEEL III. BELEID EN WERKING VAN DE UNIE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

TITEL I. ALGEMEEN TOEPASSELIJKE BEPALINGEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-115 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Unie ziet toe op de samenhang tussen ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen en met inachtneming van het beginsel van bevoegdheidstoedeling.

Artikel III-116 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Bij ieder in dit deel bedoeld optreden streeft de Unie naar opheffing van de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen en naar bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen.

Artikel III-117 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel houdt de Unie rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid.

Artikel III-118 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel streeft de Unie naar bestrijding van iedere discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.

Artikel III-119 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder beleid en optreden bedoeld in dit deel moeten de eisen inzake milieubescherming worden geïntegreerd, teneinde in het bijzonder duurzame ontwikkeling te bevorderen.

Artikel III-120 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Bij de bepaling en de uitvoering van ieder ander beleid en optreden van de Unie wordt rekening gehouden met de eisen inzake consumentenbescherming.

Artikel III-121 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Bij de bepaling en de uitvoering van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, de interne markt, onderzoek en technologische ontwikkeling en de ruimte houden de Unie en de lidstaten ten volle rekening met de eisen inzake het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de gebruiken van de lidstaten, met name met betrekking tot godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.

Artikel III-122 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Onverminderd de artikelen I-5, III-166, III-167 en III-238 en gezien de plaats die de diensten van algemeen economisch belang innemen als diensten waaraan eenieder in de Unie waarde hecht, alsook de rol die zij vervullen bij de bevordering van de sociale en territoriale samenhang van de Unie, dragen de Unie en de lidstaten er overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden en binnen het toepassingsgebied van de Grondwet zorg voor dat deze diensten functioneren op basis van beginselen en onder voorwaarden, met name economische en financiële, die hen in staat stellen hun taken te vervullen. Deze beginselen en voorwaarden worden bij Europese wet vastgesteld, onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten om, met inachtneming van de Grondwet, dergelijke diensten te verstrekken, te laten verrichten en te financieren.

TITEL II. NON-DISCRIMINATIE EN BURGERSCHAP [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-123 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het in artikel I-4, lid 2, bedoelde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit kan bij Europese wet of kaderwet worden geregeld.

Artikel III-124 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet en binnen de grenzen van de bij de Grondwet aan de Unie toegedeelde bevoegdheden, kunnen bij Europese wet of kaderwet van de Raad de nodige maatregelen worden vastgesteld om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2 In afwijking van lid 1 kunnen de grondbeginselen van de stimuleringsmaatregelen van de Unie, alsmede die maatregelen zelf, die worden genomen ter ondersteuning van het optreden van de lidstaten om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde doelstellingen, bij Europese wet of kaderwet worden vastgesteld; iedere harmonisatie van hun wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen is uitgesloten.

Artikel III-125 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om de uitoefening van het in artikel I-10, lid 2, onder a, bedoelde recht van vrij verkeer en vrij verblijf voor iedere burger van de Unie te vergemakkelijken, en de Grondwet niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen bij Europese wet of kaderwet maatregelen daartoe worden vastgesteld.

  • 2 Ter verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen kunnen bij Europese wet of kaderwet van de Raad tevens maatregelen worden vastgesteld inzake paspoorten, identiteitskaarten, verblijfstitels en andere daarmee gelijkgestelde documenten, alsmede maatregelen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming, tenzij de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-126 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden de nadere regelingen vastgesteld waaronder iedere burger van de Unie het in artikel I-10, lid 2, onder b, bedoelde actieve en passieve kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement kan uitoefenen in de lidstaat waar hij verblijf houdt, maar waarvan hij geen onderdaan is. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. Deze nadere regelingen kunnen voorzien in afwijkingen, indien zulks gerechtvaardigd wordt door problemen die eigen zijn aan een lidstaat.

Het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement wordt uitgeoefend onverminderd artikel III-330, lid 1, en de voor de toepassing daarvan vastgestelde maatregelen.

Artikel III-127 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De lidstaten treffen de nodige regelingen met het oog op de diplomatieke en consulaire bescherming van de burgers van de Unie in derde landen, als bedoeld in artikel I-10, lid 2, onder c.

De lidstaten beginnen de internationale onderhandelingen die met het oog op deze bescherming vereist zijn.

Bij Europese wet van de Raad kunnen de nodige maatregelen ter bevordering van deze bescherming worden vastgesteld. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-128 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De talen waarin iedere burger van de Unie krachtens artikel I-10, lid 2, onder d, het recht heeft zich tot de instellingen en de organen te richten en antwoord te krijgen, worden genoemd in artikel IV-448, lid 1. De in artikel I-10, lid 2, onder d, bedoelde instellingen en organen worden genoemd in de artikelen I-19, lid 1, tweede alinea, en in de artikelen I-30, I-31 en I-32; ook de Europese ombudsman behoort hiertoe.

Artikel III-129 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Commissie brengt om de drie jaar aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan het Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de toepassing van artikel I-10 en van deze titel. In dat verslag wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de Unie.

Op basis van dat verslag en onverminderd de overige bepalingen van de Grondwet, kunnen de in artikel I-10 bepaalde rechten bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden aangevuld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement. Deze wet of kaderwet treedt pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen is goedgekeurd.

TITEL III. INTERN BELEID EN OPTREDEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

HOOFDSTUK I. INTERNE MARKT [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

AFDELING I. TOTSTANDBRENGING EN WERKING VAN DE INTERNE MARKT [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-130 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn om de interne markt tot stand te brengen en de werking ervan te verzekeren, overeenkomstig de bepalingen terzake van de Grondwet.

  • 2 De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal is gewaarborgd overeenkomstig de Grondwet.

  • 3 Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de noodzakelijke richtsnoeren en voorwaarden vast om een evenwichtige vooruitgang in het geheel der betrokken sectoren te waarborgen.

  • 4 Bij het formuleren van voorstellen ter verwezenlijking van de in de leden 1 en 2 genoemde doelstellingen houdt de Commissie rekening met de inspanning die van bepaalde economieën met verschillen in ontwikkeling wordt gevergd voor de totstandbrenging van de interne markt, en kan zij passende maatregelen voorstellen.

    Indien deze maatregelen de vorm van afwijkingen aannemen, dienen zij van tijdelijke aard te zijn en de werking van de interne markt zo weinig mogelijk te verstoren.

Artikel III-131 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De lidstaten plegen onderling overleg teneinde gezamenlijk het nodige te doen om te voorkomen dat de werking van de interne markt ongunstig wordt beïnvloed door de maatregelen waartoe een lidstaat zich genoopt kan voelen in geval van ernstige binnenlandse onlusten die de openbare orde verstoren, in geval van oorlog of van ernstige internationale spanning welke oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die hij met het oog op het behoud van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.

Artikel III-132 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Indien maatregelen die zijn genomen in de gevallen bedoeld in de artikelen III-131 en III-436 tot gevolg hebben dat de mededingingsverhoudingen in de interne markt worden vervalst, gaat de Commissie samen met de betrokken lidstaat na onder welke voorwaarden die maatregelen kunnen worden aangepast aan de bij de Grondwet vastgestelde regels.

In afwijking van de procedure bepaald in de artikelen III-360 en III-361, kan de Commissie of iedere lidstaat zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden, indien de Commissie of de lidstaat van oordeel is dat een andere lidstaat misbruik maakt van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen III-131 en III-436. Het Hof van Justitie beslist met gesloten deuren.

AFDELING 2. VRIJ VERKEER VAN PERSONEN EN DIENSTEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Onderafdeling 1. Werknemers [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-133 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Werknemers hebben het recht zich vrij binnen de Unie te verplaatsen.

  • 2 Iedere discriminatie op grond van nationaliteit tussen werknemers van de lidstaten, wat betreft werkgelegenheid, beloning en de overige arbeidsvoorwaarden, is verboden.

  • 3 Werknemers hebben behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht:

    • a. in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;

    • b. zich te dien einde vrij te verplaatsen op het grondgebied van de lidstaten;

    • c. in een van de lidstaten te verblijven om daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;

    • d. op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een arbeidsbetrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen Europese verordeningen.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing op betrekkingen in overheidsdienst.

Artikel III-134 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in artikel III-133 is omschreven. Deze wetten of kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. De Europese wetten en kaderwetten beogen met name het volgende:

  • a. het bewerkstelligen van nauwe samenwerking tussen de nationale instanties op het gebied van de arbeid;

  • b. het afschaffen van de administratieve procedures en praktijken, alsmede van de wachttijden voor het aanvaarden van aangeboden arbeidsbetrekkingen, die voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit eerder tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de liberalisering van het verkeer van werknemers;

  • c. het afschaffen van alle wachttijden en andere beperkingen die in de nationale wetgeving of in eerder tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten zijn gesteld en die aan werknemers uit de overige lidstaten andere voorwaarden voor de vrije keuze van een arbeidsbetrekking opleggen dan aan werknemers van het eigen land;

  • d. het instellen van structuren die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar brengen en die het evenwicht daartussen bevorderen onder voorwaarden welke uitsluiten dat de levensstandaard en de werkgelegenheid in de verschillende regio's en industrieën ernstig in gevaar komen.

Artikel III-135 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De lidstaten werken in het kader van een gemeenschappelijk programma de uitwisseling van jonge werknemers in de hand.

Artikel III-136 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Op het gebied van de sociale zekerheid worden bij Europese wet of kaderwet de maatregelen vastgesteld die nodig zijn om tot een vrij verkeer van werknemers te komen, door met name een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor al dan niet in loondienst werkzame migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen dat:

    • a. met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen, alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen;

    • b. de uitkeringen worden betaald aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven.

  • 2 Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een ontwerp van Europese wet of kaderwet als bedoeld in lid 1 afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn socialezekerheidsstelsel, met name het toepassingsgebied, de kosten en de financiële structuur ervan, of gevolgen zou hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel, kan hij verzoeken dat het wordt voorgelegd aan de Europese Raad. In dat geval wordt de in artikel III-396 bedoelde procedure geschorst. Na bespreking wordt door de Europese Raad, binnen vier maanden na deze schorsing:

    • a. het ontwerp terugverwezen naar de Raad, waardoor de schorsing van de in artikel III-396 bedoelde procedure wordt beëindigd, of

    • b. de Commissie verzocht een nieuw voorstel in te dienen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld.

Onderafdeling 2. Vrijheid van vestiging [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-137 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod geldt ook voor beperkingen van de oprichting van agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen door onderdanen van een lidstaat die zich op het grondgebied van een lidstaat hebben gevestigd.

De onderdanen van een lidstaat hebben, behoudens afdeling 4 betreffende kapitaal en betalingen, op het grondgebied van een andere lidstaat het recht van toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en het recht op de uitoefening daarvan, alsmede het recht ondernemingen, met name vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea, op te richten en te beheren, onder de voorwaarden waarin de wetgeving van de lidstaat van vestiging voor de eigen onderdanen voorziet.

Artikel III-138 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Bij Europese kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om tot de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te komen. De kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.

  • 2 Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, door met name:

    • a. in het algemeen bij voorrang de werkzaamheden te behandelen, ten aanzien waarvan de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer;

    • b. te bewerkstelligen dat de bevoegde nationale overheden nauw samenwerken, teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen;

    • c. bestuursrechtelijke procedures en praktijken af te schaffen welke uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden voortvloeien en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging;

    • d. erop toe te zien dat de werknemers van een van de lidstaten die op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaam zijn, op dat grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij pas op het tijdstip waarop zij die bezigheid willen opnemen, in die staat zouden aankomen;

    • e. de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de in artikel III-227, lid 2, bedoelde beginselen niet worden aangetast;

    • f. de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging in iedere in behandeling genomen sector toe te passen, enerzijds op de voorwaarden voor de oprichting op het grondgebied van een lidstaat, van agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen, en anderzijds op de voorwaarden voor de toelating van het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen;

    • g. voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea, om de belangen van vennoten en van derden te beschermen, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken;

    • h. ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.

Artikel III-139 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Deze onderafdeling is, wat een bepaalde lidstaat betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in een staat, ook niet indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid worden verricht.

Bij Europese wet of kaderwet kunnen bepaalde werkzaamheden van de toepassing van deze onderafdeling worden uitgesloten.

Artikel III-140 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Deze onderafdeling en de op grond daarvan vastgestelde maatregelen doen niet af aan de toepasselijkheid van wettelijke en bestuursrechtelijke regels van de lidstaten betreffende een bijzondere regeling voor vreemdelingen, welke regels uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.

  • 2 De in lid 1 bedoelde nationale bepalingen worden bij Europese kaderwet op elkaar afgestemd.

Artikel III-141 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Bij Europese kaderwet wordt de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst, alsmede de uitoefening daarvan, vergemakkelijkt wat betreft:

    • a. de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels;

    • b. de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke regels van de lidstaten betreffende de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan.

  • 2 Wat de geneeskundige, paramedische en farmaceutische beroepen betreft, is de geleidelijke opheffing van de beperkingen afhankelijk van de coördinatie van de voorwaarden waaronder die beroepen in de verschillende lidstaten worden uitgeoefend.

Artikel III-142 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Vennootschappen die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, worden voor de toepassing van deze onderafdeling gelijkgesteld met natuurlijke personen die onderdaan van de lidstaten zijn.

Onder „vennootschappen” worden verstaan vennootschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen die geen winst beogen.

Artikel III-143 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Onverminderd de toepassing van de overige bepalingen van de Grondwet, passen de lidstaten nationale behandeling toe wat betreft financiële deelneming door onderdanen van de andere lidstaten in het kapitaal van vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea.

Onderafdeling 3. De vrijheid van dienstverrichting [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-144 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

In het kader van deze onderafdeling zijn beperkingen van het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van onderdanen van de lidstaten die zich in een andere lidstaat hebben gevestigd dan die waar degene gevestigd is voor wie de dienst wordt verricht.

Bij Europese wet of kaderwet kan het genot van deze onderafdeling worden uitgebreid tot onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en zich binnen de Unie hebben gevestigd.

Artikel III-145 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Voor de toepassing van de Grondwet worden als diensten beschouwd, diensten die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht, voorzover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal op deze diensten niet van toepassing zijn. Deze diensten omvatten werkzaamheden:

  • a. van industriële aard;

  • b. van commerciële aard;

  • c. van ambachtelijke aard;

  • d. van de vrije beroepen.

Onverminderd onderafdeling 2 betreffende de vrijheid van vestiging, kan degene die de diensten verricht, zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder voorwaarden welke die staat aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel III-146 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 2 De liberalisering van de door banken en verzekeringsondernemingen verrichte diensten die gepaard gaan met kapitaalbewegingen, moet worden verwezenlijkt in overeenstemming met de vrijmaking van het kapitaalverkeer.

Artikel III-147 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Bij Europese kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de liberalisering van het verrichten van een bepaalde dienst te verwezenlijken. Deze kaderwet wordt na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité vastgesteld.

  • 2 De in lid 1 bedoelde Europese kaderwet heeft in het algemeen bij voorrang betrekking op de diensten welke rechtstreeks van invloed zijn op de productiekosten of waarvan de liberalisering bijdraagt tot het vergemakkelijken van het goederenverkeer.

Artikel III-148 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De lidstaten spannen zich in om bij de liberalisering van de dienstverrichting verder te gaan dan waartoe zij op grond van de krachtens artikel III-147, lid 1, vastgestelde Europese kaderwet verplicht zijn, indien hun algemene economische toestand en de toestand in de betrokken sector dit toelaten.

De Commissie doet de betrokken lidstaten daartoe aanbevelingen.

Artikel III-149 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Zolang de beperkingen op het vrij verrichten van diensten niet zijn opgeheven, passen de lidstaten deze zonder onderscheid naar nationaliteit of naar verblijfplaats toe op al degenen die diensten verrichten als bedoeld in artikel III-144, eerste alinea.

Artikel III-150 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De artikelen III-139 tot en met III-142 zijn van toepassing op de in deze onderafdeling behandelde materie.

AFDELING 3. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Onderafdeling 1. De douane-unie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-151 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De Unie omvat mede een douane-unie, die zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en die zowel het verbod van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling meebrengt als de vaststelling van een gemeenschappelijk douanetarief voor de betrekkingen van de lidstaten met derde landen.

  • 2 Lid 4 en onderafdeling 3 betreffende het verbod op kwantitatieve beperkingen zijn van toepassing op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten, alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden.

  • 3 Als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd producten uit derde landen waarvoor in die staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend.

  • 4 In- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden. Dit geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard.

  • 5 De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden door de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of besluit vastgesteld.

  • 6 Bij de uitvoering van de taken die haar krachtens de bepalingen van dit artikel zijn gegeven, laat de Commissie zich leiden door:

    • a. de noodzaak het handelsverkeer tussen de lidstaten en derde landen te bevorderen;

    • b. de ontwikkeling van de mededingingsvoorwaarden binnen de Unie, in de mate waarin daardoor het concurrentievermogen van ondernemingen zal toenemen;

    • c. de behoefte van de Unie aan grondstoffen en halffabrikaten, waarbij zij erop toeziet dat de mededingingsvoorwaarden met betrekking tot eindproducten tussen de lidstaten niet worden vervalst;

    • d. de noodzaak om ernstige verstoringen van het economisch leven van de lidstaten te vermijden en een rationele ontwikkeling van de productie en een vergroting van het verbruik in de Unie te waarborgen.

Onderafdeling 2. Douanesamenwerking [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-152 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Binnen het toepassingsgebied van de Grondwet worden bij Europese wet of kaderwet maatregelen vastgesteld ter versterking van de douane-samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie.

Onderafdeling 3. Het verbod op kwantitatieve beperkingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-153 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Kwantitatieve invoer- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.

Artikel III-154 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-153 vormt geen beletsel voor een verbod of beperking van invoer, uitvoer of doorvoer dat, respectievelijk die gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren en planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit, of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Dit verbod of deze beperking mag echter geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

Artikel III-155 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De lidstaten passen hun nationale monopolies van commerciële aard derwijze aan, dat iedere discriminatie tussen de onderdanen van de lidstaten in verband met de voorwaarden van voorziening en afzet is uitgesloten.

    Dit artikel is van toepassing op ieder lichaam waardoor een lidstaat de invoer of de uitvoer tussen de lidstaten in rechte of in feite rechtstreeks of onrechtstreeks beheerst, leidt of aanmerkelijk beïnvloedt. Het artikel is tevens van toepassing op door een staat gedelegeerde monopolies.

  • 2 De lidstaten onthouden zich ervan, enige nieuwe maatregel te treffen die tegen de in lid 1 bedoelde beginselen indruist of die de draagwijdte van de artikelen inzake het verbod op douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten beperkt.

  • 3 In geval van een monopolie van commerciële aard dat een regeling ter bevordering van de afzet of van de valorisatie van landbouwproducten omvat, dienen bij de toepassing van dit artikel gelijkwaardige waarborgen voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten te worden gegeven.

AFDELING 4. KAPITAAL EN BETALINGEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-156 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

In het kader van deze afdeling zijn beperkingen van het kapitaalverkeer en van betalingen tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.

Artikel III-157 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Artikel III-156 laat onverlet de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestonden uit hoofde van nationaal of Unierecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe beleggingen – met inbegrip van beleggingen in onroerende goederen – vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. Wat betreft de bestaande beperkingen uit hoofde van de nationale wetgeving in Estland en Hongarije is de betreffende datum 31 december 1999.

  • 2 Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe beleggingen – met inbegrip van beleggingen in onroerende goederen – vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.

    Het Europees Parlement en de Raad trachten de doelstelling van een vrij kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen in de mate van het mogelijke en onverminderd andere bepalingen van de Grondwet te verwezenlijken.

  • 3 In afwijking van lid 2, kunnen maatregelen die in het recht van de Unie een achteruitgang op het gebied van de liberalisering van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen vormen, alleen worden vastgesteld bij Europese wet of kaderwet van de Raad. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel III-158 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Artikel III-156 laat onverlet het recht van de lidstaten:

    • a. de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;

    • b. alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke regels tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen aan de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die ter wille van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.

  • 2 Deze afdeling laat de mogelijkheid onverlet om met de Grondwet verenigbare beperkingen op het recht van vestiging toe te passen.

  • 3 De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer of het betalingsverkeer in de zin van artikel III-156.

  • 4 Bij ontstentenis van een Europese wet of kaderwet als bedoeld in artikel III-157, lid 3, kan de Commissie, of, bij ontstentenis van een Europees besluit van de Commissie binnen drie maanden na de indiening van het verzoek door de betrokken lidstaat, kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin wordt bepaald dat door een lidstaat jegens een of meer derde landen genomen beperkende belastingmaatregelen verenigbaar worden geacht met de Grondwet, voorzover deze stroken met de doelstellingen van de Unie en verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, op verzoek van een lidstaat.

Artikel III-159 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden het kapitaalverkeer naar of uit derde landen ernstige moeilijkheden voor de werking van de economische en monetaire unie veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kan de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening Europese vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van derde landen vaststellen voor een periode van ten hoogste zes maanden, voor zover deze maatregelen strikt noodzakelijk zijn. De Raad besluit na raadpleging van de Europese Centrale Bank.

Artikel III-160 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Indien zulks noodzakelijk is om de in artikel III-257 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, wat betreft de preventie en de bestrijding van terrorisme en aanverwante activiteiten, wordt bij Europese wet een kader vastgesteld voor beheersmaatregelen met betrekking tot het kapitaal- en betalingsverkeer, zoals het bevriezen van tegoeden, financiële activa of economische baten waarvan de bezitters, de eigenaars of de houders natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten zijn.

De Raad stelt op voorstel van de Commissie Europese verordeningen of besluiten vast ter uitvoering van de in de eerste alinea bedoelde Europese wet.

De in dit artikel bedoelde handelingen bevatten de nodige bepalingen inzake juridische waarborgen.

AFDELING 5. REGELS BETREFFENDE DE MEDEDINGING [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Onderafdeling 1. Regels voor ondernemingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-161 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en tot doel of gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en met name die welke bestaan in:

    • a. het rechtstreeks of onrechtstreeks bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;

    • b. het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;

    • c. het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;

    • d. het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;

    • e. het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

  • 2 De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.

  • 3 Lid 1 kan echter buiten toepassing worden verklaard

    • voor een overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,

    • voor een besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen,

    • voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen

    waarmee wordt bijgedragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, zonder dat evenwel aan de betrokken ondernemingen:

    • a. beperkingen worden opgelegd welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;

    • b. de mogelijkheid wordt gegeven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.

Artikel III-162 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voorzover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.

Dit misbruik kan met name bestaan in:

  • a. het rechtstreeks of onrechtstreeks opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;

  • b. het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van verbruikers;

  • c. het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;

  • d. het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Artikel III-163 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Raad stelt op voorstel van de Commissie Europese verordeningen vast voor de toepassing van de in de artikelen III-161 en III-162 neergelegde beginselen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement. Die Europese verordeningen hebben met name ten doel:

  • a. de nakoming van de in artikel III-161, lid 1, en in artikel III-162 bedoelde verbodsbepalingen te bewerkstelligen door de instelling van geldboeten en dwangsommen;

  • b. de regels voor de toepassing van artikel III-161, lid 3, vast te stellen met inachtneming van de noodzaak, enerzijds een doeltreffend toezicht te verzekeren en anderzijds de administratieve controle zoveel mogelijk te vereenvoudigen;

  • c. in voorkomende gevallen de werkingssfeer van de artikelen III-161 en III-162 voor de verschillende bedrijfstakken nader vast te stellen;

  • d. de taak van de Commissie, respectievelijk van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de toepassing van de in deze alinea bedoelde bepalingen vast te stellen;

  • e. de verhouding vast te stellen tussen de wetgevingen van de lidstaten enerzijds en deze onderafdeling en de ter uitvoering van dit artikel vastgestelde Europese verordeningen, anderzijds.

Artikel III-164 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Tot de inwerkingtreding van de Europese verordeningen die op grond van artikel III-163 worden vastgesteld, beslissen de autoriteiten van de lidstaten, in overeenstemming met hun nationale recht, met artikel III-161, met name lid 3, en artikel III-162, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen en over het misbruik van een machtspositie op de interne markt.

Artikel III-165 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Onverminderd artikel III-164 ziet de Commissie toe op de toepassing van de in de artikelen III-161 en III-162 neergelegde beginselen. Op verzoek van een lidstaat of ambtshalve, en in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, welke haar daarbij behulpzaam zijn, stelt de Commissie een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke inbreuk op die beginselen. Indien haar blijkt dat inbreuk is gemaakt, stelt zij middelen voor om daaraan een eind te maken.

  • 2 Wordt aan de in lid 1 bedoelde inbreuken geen eind gemaakt, dan stelt de Commissie een met redenen omkleed Europees besluit vast waarbij de inbreuk op de beginselen wordt geconstateerd. Zij kan haar besluit bekendmaken en de lidstaten machtigen maatregelen – waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt – te nemen om de toestand te verhelpen.

  • 3 De Commissie kan Europese verordeningen vaststellen betreffende groepen overeenkomsten ten aanzien waarvan de Raad overeenkomstig artikel III-163, tweede alinea, onder b, een Europese verordening heeft vastgesteld.

Artikel III-166 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 De lidstaten nemen of handhaven met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel die in strijd is met de Grondwet, met name artikel I-4, lid 2, en de artikelen III-161 tot en met III-169.

  • 2 Ondernemingen die zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de bepalingen van de Grondwet, met inbegrip van de mededingingsregels, voorzover de toepassing van die bepalingen de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie.

  • 3 De Commissie ziet toe op de toepassing van dit artikel en stelt, indien nodig, Europese verordeningen of besluiten vast.

Onderafdeling 2. Steunmaatregelen van de lidstaten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel III-167 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Behoudens de afwijkingen waarin de Grondwet voorziet, zijn door de lidstaten getroffen of op enigerlei wijze met staatsmiddelen gefinancierde steunmaatregelen die door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

  • 2 Met de interne markt zijn verenigbaar:

    • a. steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de producten;

    • b. steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen;

    • c. steunmaatregelen ten behoeve van de economie van bepaalde regio's van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voorzover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren. Vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag tot vaststelling van de Grondwet voor Europa kan de Raad op voorstel van de Commissie een Europees besluit tot intrekking van dit punt vaststellen.

  • 3 Als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd:

    • a. steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van regio's waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig tekort aan werkgelegenheid heerst, en van de in artikel III-424 bedoelde regio's, rekening houdend met hun structurele, economische en sociale situatie;

    • b. steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen;

    • c. steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad;

    • d. steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, wanneer door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Unie niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad;

    • e. andere soorten van steunmaatregelen die de Raad bij Europese verordening of besluit op voorstel van de Commissie bepaalt.