Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst inzake de toelating van stagiaires in Frankrijk en in Nederland, Parijs, 02-06-1948

Geldend van 02-06-1948 t/m heden

Overeenkomst inzake de toelating van stagiaires in Frankrijk en in Nederland

Authentiek : FR

Accord relatif à l'admission de stagiaires en France et aux Pays-Bas

Le Gouvernement de la République Française et

Le Gouvernement de Sa Majesté la Reine des Pays-Bas,

désireux de favoriser la formation de stagiaires néerlandais et français, au point de vue professionnel, ont arrêté d'un commun accord, les dispositions suivantes:

Article 1er

Le présent accord s'applique aux „stagiaires”, c'est-à-dire aux ressortissants de l'un des deux pays qui se rendent dans l'autre pays pour une période délimitée, afin de s'y perfectionner dans la langue et ou dans les usages commerciaux ou professionnels de ce pays, tout en y occupant un emploi.

Les stagiaires seront autorisés à occuper un emploi dans les conditions fixées par les articles ci-après, sans que la situation du marché du travail dans leur profession puisse être prise en considération.

Article 2

Les stagiaires peuvent être de l'un ou de l'autre sexe. En règle générale, ils ne doivent pas être âgés de plus de 30 ans.

Article 3

L'autorisation est donnée en principe pour une année. Elle pourra exceptionnellement être prolongée pour six mois.

Article 4

Le nombre de stagiaires pouvant être admis dans chacun des deux Etats ne devra dépasser 500 par an.

Cette limite ne s'applique pas aux stagiaires de l'un des deux Etats résidant déjà sur le territoire de l'autre Etat. Elle pourra être atteinte quelle que soit la durée pour laquelle les autorisations délivrées au cours d'une année auront été accordées et pendant laquelle elles auront été utilisées.

Si ce contingent de 500 autorisations n'était pas atteint au cours d'une année par les stagiaires de l'un des deux Etats, celui-ci ne pourrait pas réduire le nombre des autorisations données aux stagiaires de l'autre Etat ni reporter sur l'année suivante le reliquat inutilisé de son contingent.

Ce contingent de 500 stagiaires est valable pour l'année du 1er janvier au 31 décembre. Il pourra être modifié ultérieurement en vertu d'un accord qui devra intervenir, sur la proposition de l'un des deux Etats le 1er décembre au plus tard pour l'année suivante.

Article 5

Les stagiaires ne pourront être admis par les autorités compétentes que si les employeurs qui les occupent, s'engagent envers ces autorités, dès que ces stagiaires rendront des services normaux à les rémunérer, là où il existe des dispositions réglementaires ou des conventions collectives, d'après les tarifs fixés pas ces dispositions ou conventions, là ou il n'en existe point, d'après les taux normaux et courants de la profession et de la région.

Dans les autres cas, les employeurs devront s'engager, en rémunération de leurs services à subvenir à leurs besoins alimentaires et à leur logement soit en nature, soit au moyen d'une indemnité en espèces.

Article 6

Les stagiaires qui désireront bénéficier des dispositions du présent accord devront en faire la demande à l'autorité chargée, dans chaque Etat, de centraliser les demandes des stagiaires pour leur profession. Ils devront donner, dans leur demande, toutes les indications nécessaires et faire connaître notamment l'établissement dans lequel ils devront être employés. Ils devront en même temps produire les documents suivants:

  • 1°. L'engagement visé au deuxième alinéa de l'article 5 du présent accord;

  • 2°. Un certificat officiel de bonne vie et moeurs;

  • S'il y a lieu, une déclaration aux termes de laquelle ils s'engagent à quitter le pays, dans lequel ils désirent accomplir leur stage, dès la fin de celui-ci. Cette déclaration ne sera pas exigée des stagiaires agricoles.

Il appartiendra à l'autorité mentionnée plus haut d'examiner s'il y a lieu, de transmettre la demande à l'autorité correspondante de l'autre Etat, en tenant compte du contingent annuel auquel elle a droit et de la transmettre, le cas échéant, aux autorisés compétentes de l'autre Etat.

Les autorités compétentes des deux Etats feront tout leur possible pour assurer l'instruction des demandes dans le plus court délai.

Article 7

Les autorités compétentes feront tous leurs efforts pour que les décisions des autorités administratives concernant l'entrée et le séjour des stagiaires admis interviennent d'urgence. Elles s'efforceront également d'aplanir avec la plus grande rapidité, les difficultés qui pourraient surgir à propos de l'entrée ou du séjour des stagiaires.

Article 8

Chaque Gouvernement s'efforcera de faciliter le placement des stagiaires de l'autre Etat.

Article 9

Chacun des deux Gouvernements indiquera à l'autre Gouvernement, dans le mois qui suivra la mise en vigueur du présent accord, la ou les autorités qu'il aura chargée de centraliser les demandes des ressortissants de son Etat et de donner suite aux demandes des ressortissants de l'autre Etat.

Article 10

Les questions soulevées par l'application du présent accord seront de la compétence de la Commission mixte instituée par l'article 10 du traité de travail entre la France et les Pays-Bas en date de ce jour.

Article 11

Les dispositions de l'Arrangement des 16/29 octobre 1930 relatif à l'admission des stagiaires aux Pays-Bas et en France, sont annulées et remplacées par celles du présent accord.

Article 12

Le présent accord entrera en vigueur à la date de sa signature et restera en vigueur jusqu' au 31 décembre 1948.

Il sera prorogé ensuite par tacite reconduction et chaque fois pour une nouvelle année, à moins qu'il ne soit pas dénoncé par l'une des parties Contractantes, avant le 1er juillet pour la fin de l'année.

Toutefois, en cas de dénonciation, les autorisations accordées en vertu du présent accord resteront valables pour la durée pour laquelle elles auront été accordées.

En foi de quoi, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent accord et l'ont revêtu de leurs cachets.

Fait à Paris, le 2 Juin 1948.

BIDAULT

A. W. L. TJARDA VAN STARKENBORGH STACHOUWER

Vertaling : NL

Overeenkomst inzake de toelating van stagiaires in Frankrijk en in Nederland

De Regering van de Franse Republiek en

De Regering van Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Verlangende de vorming van Nederlandse en Franse stagiaires wat hun beroep betreft te bevorderen,

Komen als volgt overeen:

Artikel 1

Deze Overeenkomst is van toepassing op stagiaires, te weten op onderdanen van een van beide landen, die zich voor een bepaalde tijd naar het andere land begeven ten einde hun kennis van de taal en/of van de handels- of beroepsgewoonten van dat land te vervolmaken, terwijl zij daar te lande een betrekking vervullen.

Het is de stagiaires vergund een betrekking te vervullen overeenkomstig de voorwaarden als bepaald in de volgende artikelen, zonder dat de toestand van de arbeidsmarkt, voorzover deze hun beroep betreft, in overweging genomen zal worden.

Artikel 2

Stagiaires kunnen van het manlijk of van het vrouwelijk geslacht zijn. In het algemeen mogen zij niet ouder zijn dan 30 jaar.

Artikel 3

In beginsel wordt de vergunning verleend voor de tijd van één jaar. Bij uitzondering kan deze termijn voor zes maanden worden verlengd.

Artikel 4

Het aantal stagiaires hetwelk in elk der beide Staten kan worden toegelaten, mag ten hoogste jaarlijks 500 bedragen. Deze maximum grens heeft geen betrekking op de stagiaires van een van beide Staten, die reeds in het gebied van de andere Staat verblijven. Zij mag bereikt worden ongeacht de duur van de tijd voor welke vergunningen, in de loop van een jaar afgegeven, zijn verleend en gedurende welke van deze vergunningen gebruik gemaakt is.

Indien dit contingent van 500 vergunningen door de stagiaires van één van beide Staten in de loop van een jaar niet wordt bereikt, mag deze Staat het aantal vergunningen aan de stagiaires van de andere Staat verleend niet verminderen; evenmin mag hij het niet gebruikte restant van zijn contingent voegen bij dat van het volgend jaar.

Het contingent van 500 stagiaires is geldig voor de tijd van een jaar, gerekend van 1 Januari tot 31 December.

Dit contingent kan later worden gewijzigd krachtens een overeenkomst welke, op een daartoe door één van beide Staten gedaan voorstel, uiterlijk 1 December met betrekking tot het volgend jaar gesloten moet worden.

Artikel 5

Stagiaires worden door de bevoegde instanties slechts toegelaten, indien de werkgevers, bij wie deze stagiaires in dienstbetrekking komen, zich tegenover genoemde instanties verbinden, deze stagiaires, zodra zij normale arbeid verrichten, een loon uit te betalen: in de gevallen, waar wettelijke voorschriften of collectieve overeenkomsten bestaan, overeenkomstig de bij die voorschriften of overeenkomsten vastgestelde tarieven; in de gevallen, waar deze voorschriften of overeenkomsten ontbreken, overeenkomstig de voor het beroep en in de streek normale en ganbare loonschalen.

In alle andere gevallen verbinden de werkgevers zich de stagiaires, als beloning voor hun diensten, kost en inwoning te verschaffen, hetzij in natura, hetzij in de vorm van een geldelijke vergoeding.

Artikel 6

Stagiaires, die gebruik wensen te maken van het bij deze Overeenkomst bepaalde, dienen een desbetreffend verzoek te richten tot de instantie welke, in elk van beide Staten, belast is met de centralisatie van de aanvragen met betrekking tot het beroep van deze stagiaires. Bij hun verzoek moeten zij alle nodige aanwijzingen geven en in het bijzonder de inrichting opgeven, waarin zij te werk gesteld moeten worden. Zij moeten tevens de navolgende bescheiden overleggen:

  • 1. de in het 2de lid van artikel 5 van deze Overeenkomst bedoelde verplichting van de werkgever;

  • 2. een officieel bewijs van goed gedrag;

  • 3 indien dit nodig is, een verklaring waarbij zij zich verbinden het land, waar zij hun leertijd wensen door te brengen, na afloop van deze tijd te verlaten. Stagiaires in de landbouwvakken zijn vrijgesteld van deze verklaring.

Bovengenoemde instantie zal de aanvraag, zo nodig, onderzoeken, zij zal haar ter kennis brengen van de overeenkomstige instantie in de andere Staat, met inachtneming van het jaarlijks contingent, waarop zij recht heeft en zij zal, indien de omstandigheden zulks medebrengen, de aanvraag doen toekomen aan de bevoegde instanties van de andere Staat.

De bevoegde instanties van beide Staten zullen alles in het werk stellen de aanvragen binnen de kortst mogelijke tijd te doen onderzoeken.

Artikel 7

De bevoegde instanties zullen al het mogelijke doen, opdat de beslissingen van de administratieve instanties met betrekking tot het binnenkomen en het verblijf van de toegelaten stagiaires zo spoedig mogelijk afkomen. Zij zullen zich eveneens beijveren om met de meeste spoed alle moeilijkheden uit de weg te ruimen, welke zich met betrekking tot het binnenkomen of het verblijf van deze stagiaires kunnen voordoen.

Artikel 8

Elk van beide Regeringen zal zich beijveren de plaatsing van de stagiaires van de andere Staat te vergemakkelijken.

Artikel 9

Elk van beide Regeringen zal aan de andere Regering, in de maand volgend op de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kennis geven van de instantie of instanties welke deze Regering belast heeft met de centralisatie van de aanvragen der onderdanen van de Staat en met de behandeling, van de aanvragen der onderdanen van de andere Staat.

Artikel 10

Geschillen welke mochten rijzen als gevolg van de toepassing van deze Overeenkomst behoren tot de bevoegdheid van de Gemengde Commissie ingesteld bij artikel 10 van de Arbeidsovereenkomst tussen Frankrijk en Nederland welke heden is gesloten.

Artikel 11

De bepalingen van de Overeenkomst van 16/29 October 1930 inzake de toelating van stagiaires in Nederland en in Frankrijk vervallen en worden vervangen door de bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 12

Deze Overeenkomst treedt in werking op de dag van ondertekening en zij blijft van kracht tot 31 December 1948.

Zij zal stilzwijgend worden verlengd, telkens voor de tijd van een jaar, tenzij zij door één van de Verdragsluitende Partijen wordt opgezegd vóór de 1ste Juli tegen het einde van dat jaar.

Ingeval van opzegging van deze Overeenkomst blijven desniettemin de vergunningen welke krachtens deze Overeenkomst zijn verleend geldig gedurende de tijd, waarvoor zij verleend zijn.

Ten blijke waarvan de Ondergetekenden, te dien einde behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend en van hun zegel hebben voorzien.

Gedaan te Parijs, de 2de Juni 1948.

BIDAULT

A. W. L. TJARDA VAN STARKENBORGH STACHOUWER