Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika [...] belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, Washington, 29-04-1948

Geldend van 30-12-1996 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen

Authentiek : NL

VERDRAG TUSSEN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN EN DE VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA MET BETREKKING TOT BELASTINGEN VAN INKOMSTEN EN BEPAALDE ANDERE BELASTINGEN.

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, de wens koesterende een verdrag te sluiten ter voorkoming van dubbele belasting en ter vermijding van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, hebben te dien einde tot hun Gevolmachtigden benoemd:

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden: de heer E. N. van Kleffens, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden, en

De Regering van de Verenigde Staten van Amerika: de heer George C. Marshall, Secretaris van Staat,

die, na elkander mededeling te hebben gedaan van hun volmachten, welke in behoorlijke vorm werden bevonden, over de volgende artikelen tot overeenstemming zijn gekomen:

Artikel I

  • (1) De belastingen welke het onderwerp van dit Verdrag vormen zijn:

    • (a) Voor zoveel de Verenigde Staten betreft: de Federal income taxes (de inkomstenbelastingen van de Federatie).

    • (b) Voor zoveel Nederland betreft.

      • (i) voor de toepassing van de bepalingen van het Verdrag met uitzondering van Artikel XX, de inkomstenbelasting met inbegrip van de voorheffingen, de vennootschapsbelasting met inbegrip van de voorheffingen, de vermogensbelasting en de commissarissenbelasting, en

      • (ii) voor de toepassing van de Artikelen XX tot en met XXVIII (met uitzondering van de Artikelen XXIV en XXVII), de vermogensaanwasbelasting en de vermogensheffing ineens.

  • (2) Dit Verdrag zal ook van toepassing zijn op elke andere belasting van in wezen gelijksoortige aard, door een der Verdragsluitende Staten geheven na de dagtekening van ondertekening van dit Verdrag, of (voor zoveel Nederland betreft) door de Regering van enig overzees deel van het Koninkrijk of (voor zoveel de Verenigde Staten betreft) enig overzees gebiedsdeel waartoe dit Verdrag volgens Artikel XXVII is uitgebreid na de dagtekening van de kennisgeving van deze uitbreiding.

  • (3) In geval van belangrijke veranderingen in de belastingwetten van een der Verdragsluitende Staten zullen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten met elkander in overleg treden.

Artikel II

  • (1) In dit Verdrag betekent, tenzij het zinsverband iets anders vereist:

    • (a) De uitdrukking „Verenigde Staten”: de Verenigde Staten van Amerika, en wanneer deze uitdrukking in aardrijkskundige zin wordt gebezigd: de Staten en het District Columbia.

    • (b) De uitdrukking „Nederland”: alleen het Rijk in Europa.

    • (c) De uitdrukking „een lichaam der Verenigde Staten”: een vennootschap, vereniging of andere organisatie of rechtskundige eenheid — al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende — opgericht in de Verenigde Staten of naar het recht van de Verenigde Staten of van een Staat of gebiedsdeel van de Verenigde Staten.

    • (d) De uitdrukking „Nederlands lichaam”: een vennootschap, vereniging of andere organisatie of rechtskundige eenheid — al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende — opgericht in Nederland of naar Nederlands recht.

    • (e) De uitdrukking „lichaam van een Verdragsluitende Staat” en „lichaam van de andere Verdragsluitende Staat”: een lichaam der Verenigde Staten of een Nederlands lichaam, al naar het zinsverband vereist.

    • (f) De uitdrukking „onderneming der Verenigde Staten”: een onderneming op het gebied van nijverheid of handel, gedreven in de Verenigde Staten door een burger of inwoner van de Verenigde Staten of door een lichaam der Verenigde Staten.

    • (g) De uitdrukking „Nederlandse onderneming”: een onderneming op het gebied van nijverheid of handel, gedreven in Nederland door een burger of inwoner van Nederland of door een Nederlands lichaam.

    • (h) De uitdrukking „onderneming van een der Verdragsluitende Staten” en „onderneming van de andere Verdragsluitende Staat”: een onderneming der Verenigde Staten of een Nederlandse onderneming al naar het zinsverband vereist.

    • (i)

      • (A) De uitdrukking „vaste inrichting”: een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van een onderneming van een der Verdragsluitende Staten geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

      • (B) Als vaste inrichtingen worden met name beschouwd:

        • (i) een filiaal;

        • (ii) een kantoor;

        • (iii) een verkoopgelegenheid;

        • (iv) een fabriek;

        • (v) een werkplaats;

        • (vi) een mijn, een steengroeve of een andere plaats van natuurlijke hulpbronnen in exploitatie;

        • (vii) uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.

      • (C) Niettegenstaande letter (i) (A) van dit lid wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht bij een of meer van de volgende werkzaamheden:

        • (i) het gebruik maken van inrichtingen voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;

        • (ii) het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar voor de opslag, uitstalling of aflevering;

        • (iii) het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

        • (iv) het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor de aankoop van goederen of koopwaar of voor de inwinning van inlichtingen voor de onderneming;

        • (v) het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor het verrichten van soortgelijke werkzaamheden, indien zij voor de onderneming van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben.

      • (D) Zelfs indien een onderneming van een der Verdragsluitende Staten niet een vaste inrichting in de andere Staat heeft ingevolge letters (i) (A) tot (C) van dit lid, wordt zij toch geacht een vaste inrichting in laatstbedoelde Staat te bezitten indien zij in die Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een vertegenwoordiger die een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat geregeld uitoefent, tenzij de machtiging beperkt is tot de aankoop van goederen of waren voor rekening van de onderneming.

      • (E) Een onderneming van een der Verdragsluitende Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten, enkel op grond van het feit, dat zij aldaar haar bedrijf uitoefent door middel van een makelaar, commissionnair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, ingeval deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

      • (F) De omstandigheid dat een inwoner of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten

        • (i) een lichaam van de andere Staat, of

        • (ii) een lichaam, dat in die andere Staat zijn bedrijf uitoefent (hetzij door middel van een vaste inrichting of op andere wijze)

        beheerst of door zulk een lichaam wordt beheerst dan wel door dezelfde persoon of personen wordt beheerst als laatstbedoeld lichaam, wordt niet in aanmerking genomen bij het bepalen of zulk een inwoner of lichaam een vaste inrichting in die andere Staat bezit.

    • (j) De uitdrukking „bevoegde autoriteit” of „bevoegde autoriteiten”, voor zoveel betreft de Verenigde Staten: de „Commissioner of Internal Revenue” of zijn bevoegde vertegenwoordiger en voor zoveel Nederland betreft: de Directeur-Generaal der Belastingen of zijn bevoegde vertegenwoordiger; en met betrekking tot enig (gebieds) deel, waartoe bepalingen van dit Verdrag zijn uitgebreid ingevolge Artikel XXVII, de bevoegde autoriteit voor de uitvoering in zulk (gebieds) deel van de belastingen, waarop de bedoelde bepalingen van toepassing zijn.

  • (2) Voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag door ieder van de Verdragsluitende Staten zal elke niet nader in dit Verdrag omschreven uitdrukking, tenzij het zinsverband iets anders vereist, de betekenis hebben, welke die uitdrukking heeft volgens de wetten van die Verdragsluitende Staat met betrekking tot de belastingen, welke het onderwerp zijn van dit Verdrag.

Artikel III

  • (1) De nijverheids- of handelsvoordelen van een onderneming van een der Verdragsluitende Staten zijn vrijgesteld van belasting geheven door de andere Staat tenzij de onderneming in die andere Staat een vaste inrichting bezit. Indien de onderneming zulk een vaste inrichting bezit, mag die andere Staat belasting heffen van de nijverheids- of handelsvoordelen van de onderneming, maar slechts van dat deel daarvan dat aan de vaste inrichting kan worden toegerekend of dat in die andere Staat wordt behaald met de verkoop van goederen of koopwaar van dezelfde aard als welke worden verkocht, of met andere bedrijfshandelingen van dezelfde aard als welke worden verricht, door middel van de vaste inrichting.

  • (2) Indien een onderneming van een der Verdragsluitende Staten in de andere Staat een vaste inrichting bezit, worden in elk der Verdragsluitende Staten aan die vaste inrichting toegerekend de nijverheids- of handelsvoordelen, welke zij geacht zou kunnen worden te behalen indien zij een onafhankelijke onderneming ware, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefende onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die als willekeurige derde transacties aanging met de onderneming, waarvan zij een vaste inrichting is. Indien de onderneming, behalve de voordelen behaald door middel van de vaste inrichting, andere voordelen behaalt van de in het eerste lid vermelde aard, worden die andere voordelen behandeld alsof zij door middel van de vaste inrichting waren behaald.

  • (3) Bij het bepalen van de nijverheids- of handelsvoordelen van een onderneming van een der Verdragsluitende Staten, die in de andere Staat overeenkomstig het eerste en het tweede lid belastbaar zijn, worden als aftrek toegelaten alle kosten, waar ook gemaakt, welke redelijkerwijs verband houden met de aldus belastbare voordelen, daaronder begrepen de kosten van de leiding en algemene administratiekosten.

  • (4) Geen voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van de aankoop door die vaste inrichting of door de onderneming zelf, van goederen of koopwaar voor rekening van de onderneming.

  • (5) De uitdrukking „nijverheids- of handelsvoordelen” betekent inkomsten behaald met de actieve bedrijfsvoering, maar omvat niet inkomsten behandeld in Artikel VII (dividenden), Artikel VIII (interest), Artikel IX (royalty's), Artikelen V en X (inkomsten uit onroerende zaken en natuurlijke hulpbronnen), Artikel XI (vermogenswinsten) en Artikel XVI (persoonlijke diensten), andere dan inkomsten omschreven in de Artikelen VII, derde lid, VIII, tweede lid, IX, derde lid en XI, tweede lid. De uitdrukking „nijverheids- of handelsvoordelen” omvat mede voordelen behaald door een onderneming met het verlenen van diensten van werknemers of ander personeel.

Artikel IV

  • (1) Indien een inwoner of een lichaam van een Verdragsluitende Staat en enige andere persoon verbonden zijn en indien deze verbonden personen onder elkaar regelingen treffen of aan elkaar voorwaarden opleggen welke afwijken van die, welke zouden zijn gemaakt tussen onafhankelijke personen, mogen alle inkomsten, welke zonder deze regelingen of voorwaarden aan deze inwoner of aan dit lichaam zouden zijn opgekomen, voor de toepassing van dit Verdrag in de inkomsten van deze inwoner of dit lichaam worden begrepen en dienovereenkomstig worden belast.

  • (2)

    • (a) Een persoon, niet zijnde een lichaam, is met een lichaam verbonden, indien deze persoon onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van het lichaam.

    • (b) Een lichaam is met een ander lichaam verbonden indien een van beiden onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van het andere lichaam, of indien een persoon of personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van beide lichamen.

Artikel V

Inkomsten uit onroerende zaken (daaronder begrepen voordelen verkregen uit de verkoop van deze zaken, maar niet daaronder begrepen interest van vorderingen of obligaties, verzekerd door hypotheek op onroerende zaken) en royalty's ter zake van de exploitatie van mijnen, steengroeven of andere natuurlijke hulpbronnen, mogen worden belast in de Verdragsluitende Staat, waar deze zaken zijn gelegen.

Artikel VI

  • (1) Inkomsten welke een onderneming van een der Verdragsluitende Staten verwerft met de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen, welke in die Staat zijn ingeschreven, zijn slechts belastbaar in de Staat waar zodanige schepen of luchtvaartuigen zijn ingeschreven. Inkomsten welke een dergelijke onderneming verwerft met de exploitatie van niet aldus ingeschreven schepen of luchtvaartuigen zullen vallen onder de bepalingen van Artikel III.

  • (2) Zolang dit Verdrag van kracht is tussen de partijen waarop dit Artikel van toepassing is, zal het geacht worden de bepalingen van de regeling op te schorten, welke getroffen is door uitwisseling van nota's tussen Nederland en de Verenigde Staten, gedagtekend 13 September, 19 October en 27 November 1926, houdende een voorziening tot voorkoming van dubbele inkomstenbelasting op scheepvaartwinsten.

  • (3) Ingeval de toepasselijkheid van dit Artikel is uitgebreid tot Nederlandsch-Indië overeenkomstig Artikel XXVII, zal de uitwisseling van nota's tussen Nederland en de Verenigde Staten, gedagtekend 8 Maart, 23 Mei en 8 November 1939, betreffende de toepasselijkheid van de in het tweede lid van dit Artikel bedoelde regeling op Nederlandsch-Indië, geacht worden te zijn opgeschort voor zolang als dit Artikel van toepassing blijft met betrekking tot Nederlandsch-Indië.

Artikel VII

  • (1) Dividenden betaald door een lichaam van een der Verdragsluitende Staten aan een inwoner of een lichaam van de andere Verdragsluitende Staat worden in de eerstbedoelde Staat als volgt belast:

    • (a) naar een tarief dat 15 procent van het werkelijk uitgedeelde bruto-bedrag niet overschrijdt; of

    • (b) naar een tarief dat 5 procent van het werkelijk uitgedeelde bruto-bedrag niet overschrijdt, indien de genieter een lichaam is, dat gedurende het gedeelte van het belastingjaar van het betalende lichaam, dat aan de datum van betaling van het dividend voorafgaat en gedurende het gehele daaraan voorafgaande belastingjaar (zo dit er is), tenminste 25 procent van het stemgerechtigde aandelenkapitaal van het betalende lichaam heeft bezeten, hetzij alleen, hetzij tezamen met een ander lichaam van die andere Staat, op voorwaarde dat elk der ontvangende lichamen tenminste 10 procent van dat stemgerechtigde aandelenkapitaal heeft bezeten.

  • (2) De bepalingen van letter (b) zijn niet van toepassing indien meer dan 25 procent van de bruto-inkomsten van het betalende lichaam in dat voorafgaande belastingjaar (zo dit er is) uit interest en dividenden bestond (niet zijnde interest behaald met de uitoefening van een bank-, verzekerings- of financieringsbedrijf en dividenden of interest ontvangen van onderhorige lichamen, van welker stemgerechtigde aandelenkapitaal het betalende lichaam ten tijde van het ontvangen van die dividenden of interest 50 procent of meer bezat).

  • (3) Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de genieter van de dividenden een vaste inrichting in eerstbedoelde Staat bezit en de aandelen, ter zake waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting behoren. In zodanig geval zijn de bepalingen van artikel III van toepassing.

Artikel VIII

  • (1) Interest op obligaties, schuldbewijzen, pandbrieven, deposito's of terzake van enige andere vorm van schuldenaarschap (daaronder begrepen interest van vorderingen of obligaties, verzekerd door hypotheek op onroerende zaken), betaald aan een inwoner of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten is vrijgesteld van belasting geheven door de andere Verdragsluitende Staat. De in dit lid bedoelde vrijstelling geldt slechts voor interest betaald met betrekking tot schuldtitels uitgegeven op of voor 15 oktober 1984 door een persoon van de Verenigde Staten aan een verbonden buitenlands lichaam waarin deze een meerderheidsbelang heeft, welk lichaam voor 15 oktober 1984 bestond en dat als voornaamste doelstelling had de uitgifte van schuldbrieven of het houden van kortlopende schuldbrieven en het uitlenen van de opbrengsten van deze schuldbrieven aan aangesloten (rechts)personen.

  • (2) Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de genieter van de interest een vaste inrichting in de andere Verdragsluitende Staat bezit en de vordering ter zake waarvan de interest wordt betaald tot het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting behoort. In zodanig geval zijn de bepalingen van artikel III van toepassing.

  • (3) Indien een interest, betaald door een persoon aan een met deze verbonden persoon, als omschreven in artikel IV, hoger is dan een billijke en redelijke vergoeding ter zake van de schuld waarvoor zij wordt voldaan, is het eerste lid van dit artikel slechts van toepassing op dat deel van de interest dat met zulk een billijke en redelijke vergoeding overeenkomt; de beoordeling van de aard van het daarboven uitgaande deel van de betaling en de belastingheffing hiervan geschiedt overeenkomstig de wetten van elk der Verdragsluitende Staten, met inbegrip van de bepalingen van dit Verdrag waar deze toepasselijk zijn.

Artikel IX

  • (1) Royalty's betaald aan een inwoner of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten zijn vrijgesteld van belasting geheven door de andere Verdragsluitende Staat.

  • (2) Voor de toepassing van dit artikel betekent de uitdrukking „royalty's” alle royalty's, huren of andere bedragen betaald als vergoeding voor het gebruik van, of het recht van gebruik van

    • (a) auteursrechten, werken op het gebied van kunst of wetenschap, octrooien, modellen, plannen, geheime procédé's of recepten, handelsmerken, bioscoopfilms, films of banden voor radio- of televisieuitzendingen, of andere soortgelijke zaken of rechten, of

    • (b) inlichtingen ter zake van kennis, ervaring of bekwaamheid op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

  • (3) Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de genieter van de royalty's een vaste inrichting in de andere Staat bezit en het recht of de zaak ter zake waarvan de royalty's worden betaald tot het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting behoort. In zodanig geval zijn de bepalingen van artikel III van toepassing.

  • (4) Indien een royalty, betaald door een persoon aan een met deze verbonden persoon, als omschreven in artikel IV, hoger is dan een billijke en redelijke vergoeding ter zake van de rechten waarvoor zij wordt voldaan, is het eerste lid van dit artikel slechts van toepassing op dat deel van de royalty dat met zulk een billijke en redelijke vergoeding overeenkomt; de beoordeling van de aard van het daarboven uitgaande deel van de betaling en de belastingheffing hiervan geschiedt overeenkomstig de wetten van elk der Verdragsluitende Staten, met inbegrip van de bepalingen van dit Verdrag waar deze toepasselijk zijn.

Artikel X

Een inwoner of een lichaam van een van de Verdragsluitende Staten, uit bronnen in de andere Verdragsluitende Staat royalty's genietende terzake van de exploitatie van mijnen, steengroeven of natuurlijke hulpbronnen, of huren van onroerend goed, is bevoegd te verkiezen voor enig belastingjaar aan de belasting van die andere Staat op die inkomsten te worden onderworpen naar de zuivere opbrengst daarvan.

Artikel XI

  • (1) Voordelen verkregen door een inwoner of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten uit de vervreemding van een vermogensbestanddeel (niet zijnde voordelen uit de vervreemding van onroerende zaken, waarop artikel V van toepassing is) zijn vrijgesteld van belasting geheven door de andere Verdragsluitende Staat.

  • (2) Indien deze inwoner of dit lichaam in de andere Verdragsluitende Staat een vaste inrichting bezit, is het eerste lid van dit artikel niet van toepassing op voordelen verkregen door die inwoner of dat lichaam uit de vervreemding van een vermogensbestanddeel, dat tot het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting behoort. In zodanig geval zijn de bepalingen van artikel III van toepassing.

  • (3) Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing, indien:

    • (a) de persoon die de voordelen verkrijgt, een natuurlijke persoon is, die een inwoner van Nederland is en in de Verenigde Staten verblijf houdt voor een tijdvak van 183 dagen of langer gedurende het belastingjaar, en

    • (b) deze persoon het vervreemde vermogensbestanddeel gedurende zes maanden of korter in bezit heeft gehad.

  • (4) Het eerste lid van dit artikel tast niet het recht van Nederland aan om, overeenkomstig zijn eigen wetgeving, een belasting te heffen van de voordelen welke uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen in een Nederlandse aandelenmaatschappij, worden verkregen door een natuurlijke persoon die een inwoner van de Verenigde Staten is en op het tijdstip van de vervreemding:

    • (a) een Nederlands Staatsburger is,

    • (b) op enig tijdstip gedurende het tijdvak van vijf jaar, dat aan de vervreemding voorafgaat, inwoner van Nederland is geweest, en

    • (c) hetzij alleen, hetzij tezamen met zijn naaste verwanten, tenminste 25 procent van het stemgerechtigde aandelenkapitaal van die maatschappij bezit.

Artikel XII

Dividenden en interest, welke betaald worden door een Nederlands lichaam zullen zijn vrijgesteld van belasting van de Verenigde Staten, behalve indien de genieter is een burger, een inwoner of een lichaam der Verenigde Staten.

Artikel XIII

Een Nederlands lichaam zal zijn vrijgesteld van belasting van de Verenigde Staten op zijn onverdeelde of niet uitgekeerde verdiensten, winsten, inkomsten of reserves, indien het ten genoegen van de bevoegde autoriteiten der Verenigde Staten kan aantonen, dat natuurlijke personen (anderen dan burgers van de Verenigde Staten) die inwoner van Nederland zijn, gedurende de laatste helft van het belastingjaar, middellijk of onmiddellijk, onafgebroken meer dan 50 percent van het gehele stemrecht in bedoeld lichaam hebben beheerst.

Artikel XIV

  • (1) De inkomstenbelasting over een belastingjaar aangevangen vóór 1 Januari 1936, aan de Verenigde Staten verschuldigd door een natuurlijk persoon (niet zijnde een burger der Verenigde Staten) wonende in Nederland of door een Nederlands lichaam, welke onbetaald is gebleven op het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag, kan worden geregeld naar een grondslag ten genoegen van de Commissioner of Internal Revenue der Verenigde Staten; behoudens dat het ter afdoening van de bedoelde verplichting te betalen bedrag niet te boven zal gaan het bedrag van de verplichting dat zou zijn vastgesteld indien:

    • (a) de Revenue Act van 1936 der Verenigde Staten (behalve in het geval van een Nederlands lichaam waarvan meer dan 50 percent van het gehele stemrecht, gedurende de laatste helft van het belastingjaar, middellijk of onmiddellijk, onafgebroken werd beheerst door burgers of inwoners der Verenigde Staten), en

    • (b) de Artikelen XII en XIII van dit Verdrag

    voor bedoeld jaar van kracht waren geweest. Indien de belastingplichtige niet in de zin der bedoelde Revenue Act, een bedrijf in de Verenigde Staten uitoefende en aldaar gedurende het belastingjaar geen kantoor of bedrijfsinrichting heeft gehad, zal het bedrag van interest en boeten niet meer belopen dan 50 procent van het belastingbedrag ten aanzien waarvan bedoelde interest en boeten zijn berekend.

  • (2) De inkomstenbelasting der Verenigde Staten over enig belastingjaar, aangevangen na 31 December 1935 en voor het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag, welke onbetaald is gebleven op het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag en welke betrekking had op een natuurlijk persoon, inwoner van Nederland (niet zijnde een burger der Verenigde Staten) dan wel betrekking had op een Nederlands lichaam, zal worden vastgesteld alsof de bepalingen van de Artikelen XII en XIII van dit Verdrag voor dat belastingjaar reeds gegolden hadden.

  • (3) De bepalingen van het eerste lid van dit Artikel zullen niet van toepassing zijn;

    • (a) tenzij de belastingplichtige bij de Commissioner of Internal Revenue binnen twee jaar na de datum van het in werking treden van dit Verdrag schriftelijk het verzoek indient, dat zijn belastingverplichting in vorenbedoelde zin zal worden vastgesteld, en hij daarbij zodanige inlichtingen verstrekt als de Commissioner nodig oordeelt, of

    • (b) in elk geval, waarin de Commissioner de zekerheid heeft, dat enig verzuim inzake belasting is te wijten aan bedrog met het oogmerk de belasting te ontduiken.

Artikel XV

  • (1) Lonen, salarissen en soortgelijke beloningen, alsmede pensioenen, lijfrenten of soortgelijke uitkeringen, betaald door, of uit fondsen in het leven geroepen door een der Verdragsluitende Staten of de staatkundige onderdelen daarvan aan een natuurlijke persoon, die een staatsburger van die Verdragsluitende Staat is, ter zake van diensten bewezen aan die Verdragsluitende Staat of aan een van de staatkundige onderdelen daarvan in de uitoefening van overheidsfuncties, zijn vrijgesteld van belasting geheven door de andere Verdragsluitende Staat.

  • (2) Particuliere pensioenen en lijfrenten, genoten uit een der Verdragsluitende Staten en betaald aan natuurlijke personen in de andere Verdragsluitende Staat zullen zijn vrijgesteld van belasting in de eerstbedoelde Staat.

  • (3) De uitdrukking „pensioenen” in dit Artikel betekent periodieke betalingen gedaan ter zake van bewezen diensten of als vergoeding voor bekomen letsel.

  • (4) De uitdrukking „lijfrente” in dit Artikel betekent een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende een bepaald aantal jaren, ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen, welke staat tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde.

Artikel XVI

  • (1) Een natuurlijke persoon, die inwoner is van een der Verdragsluitende Staten is vrijgesteld van belasting geheven door de andere Verdragsluitende Staat ter zake van inkomsten uit persoonlijke diensten, indien

    • (a) hij in de laatstbedoelde Verdragsluitende Staat verblijf houdt voor een tijdvak of tijdvakken, welke in het belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

    • (b) in het geval van inkomsten uit dienstbetrekking

      • (i) deze natuurlijke persoon een werknemer is van een inwoner of een lichaam van een andere Staat dan de laatstbedoelde Verdragsluitende Staat, of van een vaste inrichting van een inwoner of een lichaam van laatstbedoelde Verdragsluitende Staat gelegen buiten laatstbedoelde Verdragsluitende Staat, en

      • (ii) deze inkomsten bij de berekening van de voordelen van een vaste inrichting in de laatstbedoelde Verdragsluitende Staat niet als zodanig worden afgetrokken.

  • (2) Voor de toepassing van het eerste lid omvat de uitdrukking „inkomsten uit persoonlijke diensten” inkomsten uit dienstbetrekking en inkomsten die door een natuurlijke persoon worden verdiend met het verrichten van persoonlijke diensten in een zelfstandige hoedanigheid. De uitdrukking „inkomsten uit dienstbetrekking” omvat mede inkomsten uit diensten verricht door leidinggevende personeelsleden van lichamen, maar omvat niet inkomsten uit persoonlijke diensten verricht door vennoten.

Artikel XVII

  • (1) Een natuurlijke persoon, die inwoner is van een der Verdragsluitende Staten bij de aanvang van zijn bezoek aan de andere Verdragsluitende Staat en die, op uitnodiging van de Regering van de andere Verdragsluitende Staat of van een in de andere Verdragsluitende Staat gelegen universiteit of andere erkende onderwijsinrichting, de andere Verdragsluitende Staat bezoekt in de eerste plaats met de bedoeling onderwijs te geven of zich met wetenschappelijk onderzoek bezig te houden, of met beide, aan een universiteit of andere erkende onderwijsinrichting, is vrijgesteld van belasting geheven door de andere Verdragsluitende Staat, voor zijn inkomsten uit persoonlijke diensten voor het geven van onderwijs of het onderzoek aan deze onderwijsinrichting of aan andere zodanige onderwijsinrichtingen gedurende een tijdvak dat twee jaar te rekenen van de dag van zijn aankomst in de andere Verdragsluitende Staat niet te boven gaat.

  • (2) Dit artikel is niet van toepassing op inkomsten verkregen met het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, indien dit onderzoek niet wordt verricht in het algemeen belang, maar in de eerste plaats voor het persoonlijke nut van een bepaalde persoon of personen.

Artikel XVIII

  • (1)

    • (a) Een natuurlijke persoon, die inwoner is van een der Verdragsluitende Staten bij de aanvang van zijn bezoek aan de andere Verdragsluitende Staat en die tijdelijk in de andere Verdragsluitende Staat verblijf houdt in de eerste plaats met de bedoeling:

      • (i) aan een universiteit of andere erkende onderwijsinrichting in die andere Verdragsluitende Staat te studeren of op andere wijze zich met wetenschappelijk onderzoek van vormende aard bezig te houden, of

      • (ii) een opleiding te krijgen, die vereist is om hem te bekwamen voor de uitoefening van een beroep of van een gespecialiseerd beroep,

      is vrijgesteld van belasting geheven door die andere Verdragsluitende Staat ter zake van:

      • (A) giften uit het buitenland ten behoeve van zijn onderhoud, onderwijs, studie, onderzoek of opleiding;

      • (B) een toelage, vergoeding, of prijs verleend door een Regering, onderwijsinrichting of instelling zonder winstoogmerk; en

      • (C) inkomsten uit persoonlijke diensten verricht in de andere Verdragsluitende Staat tot een bedrag dat 2.000 dollars (voor diensten verricht in de Verenigde Staten) of 3.600 gulden (voor diensten verricht in Nederland) in enig belastingjaar niet te boven gaat.

    • (b) De voordelen ingevolge dit lid worden slechts verleend voor zulk een tijdsduur als redelijkerwijs of gewoonlijk vereist is om het doel van het bezoek te bereiken, maar in geen geval zal een natuurlijke persoon de voordelen van dit lid gedurende meer dan vijf belastingjaren genieten.

  • (2) Een inwoner van een der Verdragsluitende Staten, die in de andere Verdragsluitende Staat verblijft als werknemer van of onder een contract met een inwoner of een lichaam van de eerstbedoelde Staat, in de eerste plaats met de bedoeling:

    • (i) technische, beroeps- of bedrijfservaring te verkrijgen van een andere persoon dan die inwoner of dat lichaam van de eerstbedoelde Staat, of van een lichaam, van welks stemgerechtigde aandelenkapitaal dat lichaam van de eerstbedoelde Staat 50 procent of meer bezit, of

    • (ii) aan een universiteit of andere erkende onderwijsinrichting in die andere Verdragsluitende Staat te studeren,

    is gedurende één belastingjaar vrijgesteld van belasting geheven door die andere Verdragsluitende Staat ter zake van zijn inkomsten uit persoonlijke diensten tot een bedrag dat 5.000 dollars (voor diensten verricht in de Verenigde Staten) of 18.000 gulden (voor diensten verricht in Nederland) niet te boven gaat.

Artikel XIX

  • (1) Niettegenstaande enige bepaling van dit Verdrag (afgezien van artikel XV, eerste lid, wanneer het toepasselijk is in het geval van een natuurlijke persoon die door beide Verdragsluitende Staten als Staatsburger wordt beschouwd), is elk der beide Verdragsluitende Staten bevoegd, bij het vaststellen van de belastingen - opcenten en andere verhogingen daaronder begrepen - van zijn Staatsburgers, inwoners of lichamen in de grondslag, waarnaar deze belastingen worden geheven, alle bestanddelen van het inkomen te begrijpen, welke belastbaar zijn volgens zijn eigen belastingwetgeving, als ware dit Verdrag niet in werking getreden.

  • (2) De Verenigde Staten zullen aan een Staatsburger, inwoner of lichaam van de Verenigde Staten een verrekening toestaan met de in artikel I, eerste lid, letter a, vermelde belastingen, van het daarvoor in aanmerking komende bedrag van aan Nederland betaalde belastingen. De grondslag voor dit in aanmerking komende bedrag zal zijn het aan Nederland betaalde belastingbedrag ter zake van inkomsten uit bronnen in Nederland, doch het zal niet overschrijden zodanig gedeelte van de belasting van de Verenigde Staten als de belastbare inkomsten uit bronnen in Nederland vormen van het totale belastbare inkomen. Voor de toepassing van dit lid worden de belastbare inkomsten berekend zonder enige aftrek wegens persoonlijke vrijstellingen. Het is wel te verstaan, dat, krachtens de bepalingen van het derde lid van dit artikel, met betrekking tot aan Nederland betaalde belastingen, Nederland voldoet aan het vereiste van een gelijksoortige verrekening, als gesteld in de Internal Revenue Code.

  • (3) Voorzover zulks in overeenstemming is met de bepalingen van de Nederlandse belastingwetgeving, stemt Nederland ermede in een vermindering van Nederlandse belasting toe te staan met betrekking tot inkomsten uit bronnen in de Verenigde Staten, teneinde rekening te houden met de Federal Income Taxes aan de Verenigde Staten betaald, hetzij rechtstreeks door de belastingplichtige, hetzij door inhouding bij de bron.

    Nederland verleent bovendien een aftrek op de Nederlandse belasting, bepaald overeenkomstig het eerste lid, met betrekking tot dividenden, ontvangen van een lichaam van de Verenigde Staten door een inwoner of een lichaam van Nederland. Het bedrag van deze aftrek is het laagste van de volgende bedragen:

    • (a) een bedrag gelijk aan 15 procent van de dividenden; of

    • (b) een bedrag dat tot de Nederlandse belasting, bepaald overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de dividenden staat tot de inkomsten, die de grondslag vormen voor het bepalen van de Nederlandse belasting.

Artikel XX

  • (1) Alle personen (behalve dezulken, die burger van de Verenigde Staten waren op het tijdstip van hun vertrek uit Nederland alsmede de Nederlanders, die uit hoofde van hun dienstbetrekking als rijksambtenaar in vaste dienst buiten het Koninkrijk verblijf houden en de bij hen inwonende leden van hun gezin) die Nederland hebben verlaten tussen 30 April 1939 en 31 December 1945 (deze dag inbegrepen), en die beschouwd worden belastingplichtig te zijn volgens de bepalingen van de Nederlandse wet betreffende de vermogensaanwasbelasting of betreffende de vermogensheffing ineens, en die tijdens dat tijdvak inwoner werden van de Verenigde Staten (overeenkomstig de wet op de inkomstenbelasting der Verenigde Staten) en die niet vóór of op 31 December 1945 naar Nederland terugkeerden om hun woonplaats in Nederland, in de zin van de wetgeving op de inkomstenbelasting te herkrijgen, zullen in Nederland belastbaar zijn:

    • (a) ingevolge de wet op de vermogensaanwasbelasting uitsluitend voor de vermogensaanwas, voortvloeiende uit hun in Nederland gelegen vermogen (als omschreven in deze wet in het geval van niet-inwoners) en uit hun werkzaamheden in Nederland;

    • (b) ingevolge de wet op de vermogensheffing ineens uitsluitend voor hun in Nederland gelegen vermogen (als omschreven in deze wet in het geval van niet-inwoners).

  • (2) Alle personen die Nederland verlieten tussen 30 April 1939 en 31 December 1945 (deze dag inbegrepen) en die ten tijde van hun vertrek uit Nederland burger van de Verenigde Staten waren, en die beschouwd worden belastingplichtig te zijn volgens de bepalingen van de Nederlandse wet betreffende de vermogensaanwasbelasting of betreffende de vermogensheffing ineens, en die inwoner van de Verenigde Staten werden (overeenkomstig de wet op de inkomstenbelasting der Verenigde Staten) vóór of op 31 December 1945, zullen in Nederland belastbaar zijn:

    • (a) ingevolge de wet op de vermogensaanwasbelasting uitsluitend voor de vermogensaanwas, voortvloeiende uit hun in Nederland gelegen vermogen (als omschreven in deze wet in het geval van niet-inwoners) en uit hun werkzaamheden in Nederland;

    • (b) ingevolge de wet op de vermogensheffing ineens uitsluitend van hun in Nederland gelegen vermogen (als omschreven in deze wet in het geval van niet-inwoners).

  • (3) De bepalingen van dit Artikel zullen gerekend worden van kracht te zijn alsof dit Verdrag in werking was getreden op de datum van in werking treden van de Nederlandse wet betreffende de vermogensaanwasbelasting, of vermogensheffing ineens, al naar gelang van het geval.

Artikel XXI

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten zullen zodanige inlichtingen uitwisselen (zijnde inlichtingen welke deze autoriteiten geordend voorhanden hebben) als nodig is om aan de bepalingen van dit Verdrag uitvoering te geven of om fraude te voorkomen of om uitvoering te geven aan wettelijke voorzieningen tegen wetsontduiking met betrekking tot de belastingen welke het onderwerp van dit Verdrag uitmaken. Elke aldus uitgewisselde inlichting zal als geheim behandeld worden en zal niet ter kennis worden gebracht van enig persoon, anders dan die belast met de aanslagregeling en de inning van de belastingen, welke het onderwerp van dit Verdrag uitmaken. Generlei inlichting als hiervoor is bedoeld, welke een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een handwerks- of handelswerkwijze zou onthullen, zal worden uitgewisseld.

Artikel XXII

  • (1) De Verdragsluitende Staten nemen op zich elkander hulp en bijstand te verlenen bij de inning van de belastingen welke het onderwerp van dit Verdrag zijn, met inbegrip van interest, van kosten, van verhogingen van belasting en van boeten van niet-strafrechtelijke aard.

  • (2) In geval van verzoeken tot invordering van belastingen kunnen onherroepelijk vastgestelde belastingvorderingen van een der Verdragsluitende Staten door de andere Verdragsluitende Staat ter invordering worden aanvaard en in die Staat worden geïnd overeenkomstig de wetten welke van toepassing zijn voor de invordering en inning van zijn eigen belastingen. De aangezochte Staat zal niet gehouden zijn over te gaan tot maatregelen van executie waarvoor de wet van de verzoekende Staat geen voorziening inhoudt.

  • (3) Elk verzoek zal vergezeld gaan van bescheiden waaruit blijkt dat volgens de wetten van de verzoekende Staat de belastingen onherroepelijk zijn komen vast te staan.

  • (4) De hulp, bedoeld in dit Artikel zal niet verleend worden ten aanzien van de burgers, lichamen of andere eenheden van de aangezochte Staat, behalve voor zover zij nodig is om te verzekeren, dat de vrijstelling of het verlaagde tarief van de belasting volgens dit Verdrag aan zodanige burgers, lichamen en andere eenheden toegekend, niet zal worden genoten door personen die niet tot zodanige gunsten gerechtigd zijn.

Artikel XXIII

  • (1) In geen geval zullen de bepalingen van de Artikelen XXI en XXII dusdanig worden uitgelegd, dat zij een der Verdragsluitende Staten de verplichting opleggen

    • (a) administratieve maatregelen te nemen, welke in strijd zijn met de voorschriften en het gebruik van een van beide der Verdragsluitende Staten, of

    • (b) bijzonderheden te verstrekken, welke niet verkrijgbaar zijn volgens zijn eigen wetgeving of die van de verzoekende Staat.

  • (2) De Staat aan welke een verzoek om inlichtingen of bijstand is gedaan zal zo spoedig mogelijk aan het gedane verzoek gevolg geven. Nochtans kan de bedoelde Staat weigeren aan een dergelijk verzoek te voldoen om redenen van openbaar beleid of indien inwilliging zou medebrengen de schending van een handels-, bedrijfsnijverheids- of beroepsgeheim of van een handwerks- of handelswerkwijze. In een dergelijk geval zal deze Staat de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk inlichten.

Artikel XXIV

  • (1) Ingeval een belastingplichtige aantoont dat de handelwijze van de belastingautoriteiten van de Verdragsluitende Staten heeft geleid of zal leiden tot belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, heeft hij het recht zijn geval voor te leggen aan de Staat waarvan hij een Staatsburger of een inwoner is, of, indien de belastingplichtige een lichaam van een der Verdragsluitende Staten is, aan die Staat.

  • (2) Indien de klacht van de belastingplichtige gegrond wordt geacht, zal de bevoegde autoriteit van de Staat aan welke de klacht is voorgelegd trachten met de bevoegde autoriteit van de andere Staat tot overeenstemming te komen, teneinde belastingheffing, welke niet in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag is, te vermijden.

    In het bijzonder kunnen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten tezamen overleg plegen om te trachten tot overeenstemming te komen

    • (a) over dezelfde toerekening van nijverheids- of handelsvoordelen aan een in een van de Staten gelegen vaste inrichting van een onderneming van de andere Staat, of

    • (b) over dezelfde toerekening van voordelen tussen verbonden ondernemingen als voorzien in artikel IV.

    Ingeval de bevoegde autoriteiten zulk een overeenstemming bereiken zal dienovereenkomstig door de Verdragsluitende Staten met betrekking tot deze inkomsten belasting worden geheven, en zal teruggaaf of verrekening van belasting worden toegestaan. Indien de belastingplichtige zich niet met hetgeen aldus is overeengekomen kan verenigen, mag de voorgaande zin niet dusdanig worden uitgelegd dat hem het recht wordt ontzegd om over de beslissing welke uit hetgeen is overeengekomen voortvloeit bij de gerechtelijke instanties in beroep te komen.

  • (3) De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen teneinde de bepalingen van dit Verdrag uit te voeren. Ingeval enige moeilijkheid of twijfel rijst met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, zullen de bevoegde autoriteiten trachten de aangelegenheid zo snel mogelijk in onderling overleg te regelen.

Artikel XXV

  • (1) Aan de bepalingen van dit Verdrag zal geen uitleg worden gegeven welke op enigerlei wijze beperkt enige vrijstelling, aftrek, vermindering of andere tegemoetkoming, door de wetten van een der Verdragsluitende Staten toegekend, met betrekking tot het vaststellen van de door die Staat geheven belasting.

  • (2) Een Staatsburger van een der Verdragsluitende Staten, die inwoner is van de andere Verdragsluitende Staat zal in die andere Verdragsluitende Staat niet aan zwaardere belastingen onderworpen worden dan een Staatsburger van die andere Verdragsluitende Staat die inwoner is van die Staat.

  • (3) Een vaste inrichting, die een Staatsburger of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten in de andere Verdragsluitende Staat bezit zal in die andere Verdragsluitende Staat niet aan zwaardere belastingen onderworpen worden dan een Staatsburger of een lichaam van die andere Verdragsluitende Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefent. Dit lid mag niet dusdanig worden uitgelegd, dat een van de Verdragsluitende Staten de verplichting wordt opgelegd om aan Staatsburgers van de andere Verdragsluitende Staat, die niet inwoner van de eerstbedoelde Staat zijn, de persoonlijke ontheffingen en aftrekken te verlenen, die krachtens de wetgeving van die eerstbedoelde Staat slechts aan inwoners van die Staat toekomen.

  • (4) Een lichaam van een der Verdragsluitende Staten, waarvan het kapitaal geheel of ten dele in het bezit is van een of meer Staatsburgers of lichamen van de andere Verdragsluitende Staat, zal in de eerstbedoelde Staat niet aan zwaardere belastingen worden onderworpen dan een lichaam van de eerstbedoelde Staat, waarvan het kapitaal geheel in het bezit is van een of meer Staatsburgers of lichamen van die eerstbedoelde Verdragsluitende Staat.

  • (5) De uitdrukking „belastingen”, zoals gebezigd in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel, betekent elke belasting van elke soort en ongeacht of het Rijksbelastingen, federale belastingen, staatsbelastingen, of plaatselijke belastingen betreft.

Artikel XXVI

  • (1) De autoriteiten van elk der Verdragsluitende Staten kunnen in overeenstemming met het gebruik in die Staat, uitvoeringsbepalingen vaststellen, nodig om de bepalingen van dit Verdrag uit te voeren.

  • (2) Ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen en de wederkerige bijstand bij de inning der belastingen, kunnen de bevoegde autoriteiten in gemeenschappelijk overleg regelen vaststellen betreffende de te volgen gedragslijn, de formulieren voor aanvragen en voor antwoorden daarop, de herleiding van de munt, de beschikking over de geïnde bedragen, de minima der voor invordering in aanmerking komende bedragen, en dergelijke zaken.

Artikel XXVII

  • (1) Elk der Verdragsluitende Staten is bevoegd, ten tijde van de uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden of daarna tijdens de geldigheidsduur van dit Verdrag, door middel van een schriftelijke kennisgeving van uitbreiding aan de andere Verdragsluitende Staat, verstrekt langs diplomatieke weg, de wens kenbaar te maken van de Regering van een overzees deel van het Koninkrijk (ingeval het Nederland betreft) of van een overzees gebiedsdeel (ingeval het de Verenigde Staten betreft) hetwelk belastingen van in wezen gelijksoortige aard heft als die, welke het onderwerp van dit Verdrag zijn, dat de werking van dit Verdrag, hetzij in zijn geheel, hetzij ten aanzien van zodanige bepalingen als geacht kunnen worden in het bijzonder van toepassing te zijn, uitgebreid zal worden tot een (gebieds) deel als evenbedoeld.

  • (2) Ingeval een kennisgeving door een van de Verdragsluitende Staten is verstrekt overeenkomstig het eerste lid van dit Artikel, zullen dit Verdrag, of die bepalingen daarvan, welke in de kennisgeving mochten zijn vermeld, toepasselijk zijn op elk in de bedoelde kennisgeving genoemd (gebieds) deel, zulks met ingang van de eerste Januari onmiddellijk voorafgaande aan de dagtekening van een schriftelijke mededeling langs diplomatieke weg, gericht tot de bedoelde Verdragsluitende Staat door de andere Verdragsluitende Staat inhoudende, dat na zodanige handeling door de laatstbedoelde Staat als vereist wordt door zijn eigen voorschriften, de bedoelde kennisgeving met betrekking tot het onderwerpelijke (gebieds) deel wordt aanvaard. Bij gebreke van zulk een aanvaarding zullen geen van de bepalingen van dit Verdrag toepasselijk zijn op dat (gebieds) deel.

  • (3) Te allen tijde na verloop van een jaar sinds het tijdstip van in werking treden van een uitbreiding, tot stand gebracht krachtens het eerste en het tweede lid van dit Artikel, is elk der Verdragsluitende Staten bevoegd, om, door een schriftelijke, aan de andere Staat langs diplomatieke weg verstrekte kennisgeving van opzegging, een einde te maken aan de toepasselijkheid van dit Verdrag ten aanzien van elk deel of gebied, waartoe het Verdrag, of welke zijner bepalingen ook, was uitgebreid. In dat geval zullen dit Verdrag of zodanige bepalingen daarvan als in de kennisgeving van opzegging mochten zijn vermeld, voor het deel of gebied in bedoelde kennisgeving van opzegging vermeld, ophouden van toepassing te zijn met ingang van de eerste Januari na het verstrijken van een termijn van zes maanden na de dagtekening der kennisgeving; met dien verstande echter, dat dit niet de voortdurende toepassing zal aantasten van het Verdrag of van welke van zijn bepalingen ook, op de Verenigde Staten, op Nederland, of op welk deel of gebied ook (niet vermeld in de kennisgeving van opzegging) waarvoor het Verdrag of bedoelde bepaling daarvan geldt.

  • (4) Voor de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van een deel of gebied, waartoe het is uitgebreid ingevolge een kennisgeving door de Verenigde Staten of Nederland, zal aan verwijzingen naar de „Verenigde Staten” of naar „Nederland”, of naar de ene of de andere Verdragsluitende Staat, al naar gelang van het geval, de uitleg worden gegeven, dat zij betrekking hebben op zulk een deel of gebied.

Artikel XXVIII

  • (1) Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingsoorkonden zullen zo spoedig mogelijk worden uitgewisseld te Washington.

  • (2) Dit Verdrag treedt in werking de eerste Januari voorafgaande aan het jaar waarin de uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden plaats vindt. Het blijft van kracht gedurende een tijdvak van vijf jaren, te beginnen met gemelde datum en voor onbepaalde tijd daarna, doch kan door elke Verdragsluitende Staat worden opgezegd aan het einde van het tijdvak van vijf jaren of op ieder tijdstip daarna, mits tenminste zes maanden eerder een kennisgeving van opzegging is afgegeven, tredende de gevolgen der opzegging in werking op de eerste Januari na het verstrijken van het tijdvak van zes maanden.

Gedaan te Washington, in tweevoud, in de Nederlandse en in de Engelse taal, hebbende beide teksten gelijke rechtskracht, op heden de 29e April 1948.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(get.) E. N. VAN KLEFFENS.

Voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika:

(get.) G. C. MARSHALL.

PROTOCOL VAN UITWISSELING VAN BEKRACHTIGINGSOORKONDEN

Nadat de ondergetekenden, E. N. van Kleffens, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Staten van Amerika, en Robert A. Lovett, Waarnemend Secretaris van Staat van de Verenigde Staten van Amerika, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, waren bijeengekomen tot het uitwisselen van de oorkonden van bekrachtiging door hun onderscheiden Regeringen van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika ter voorkoming van dubbele belasting en ter vermijding van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, getekend te Washington op 29 April 1948, en nadat de onderscheiden bekrachtigingsoorkonden van het bovengenoemd verdrag nauwgezet waren vergeleken en in behoorlijke vorm waren bevonden, heeft de uitwisseling heden plaats gehad.

De bekrachtiging door de Regering van de Verenigde Staten van Amerika van het bovengenoemd verdrag somt in hun geheel op de voorbehouden vervat in het besluit van 17 Juni 1948 van de Senaat van de Verenigde Staten van Amerika waarin wordt aangeraden en toegestemd het bovengenoemd verdrag te bekrachtigen, zijnde de teksten van deze voorbehouden door de Regering van de Verenigde Staten van Amerika medegedeeld aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden heeft de bovengenoemde voorbehouden aanvaard. Dienovereenkomstig zijn beide Regeringen tot overeenstemming gekomen dat Artikel XI en Artikel XIII van het bovengenoemd verdrag geacht zullen worden geschrapt en niet van kracht te zijn en verder dat, met betrekking tot Artikel XIV, geacht zullen worden daaruit geschrapt en niet van kracht te zijn (a) alle verwijzingen daarin naar Artikel XIII en (b) elke bewoording welke de belastingheffing zou kunnen verhinderen van eventuele vermogenswinsten welke belastbaar zijn krachtens de wetten op de inkomstenbelasting van een van beide Regeringen voor de onderscheiden jaren waarin zodanige winsten werden behaald.

Ter oorkonde waarvan de onderscheiden Gevolmachtigden dit Protocol van Uitwisseling van Bekrachtigingsoorkonden hebben getekend.

Gedaan in tweevoud, in de Nederlandse en de Engelse taal, te Washington de eerste dag van December 1948.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

E. N. VAN KLEFFENS.

Voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika:

ROBERT A. LOVETT.