Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming [...] dubbele belasting op het gebied van successiebelastingen, 's-Gravenhage, 12-11-1951

Geldend van 09-01-1952 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van successiebelastingen

Authentiek : NL

VERDRAG tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van successiebelastingen

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, enerzijds, en de Zwitserse Bondsraad, anderzijds,

Bezield door de wens, zoveel mogelijk dubbele belasting te voorkomen op het gebied van successiebelastingen,

Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten,

En hebben tot Hun gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

Mr. D. U. STIKKER, Hoogstderzelver Minister van Buitenlandse Zaken,

De Zwitserse Bondsraad

De Heer D. SECRÉTAN, buitengewoon Gezant en gevolmachtigd Minister van Zwitserland te 's-Gravenhage,

Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

  • 1) Dit Verdrag heeft ten doel bescherming te verlenen tegen de dubbele belasting, die zou kunnen voortvloeien uit de gelijktijdige heffing van Nederlandse en Zwitserse successiebelastingen, in geval van het overlijden van een onderdaan van een van de beide Staten, die zijn laatste woonplaats in Nederland of in Zwitserland heeft gehad.

  • 2) Onder successiebelastingen in de zin van dit Verdrag worden verstaan de belastingen, welke krachtens de Zwitserse of Nederlandse wetgeving terzake van overlijden geheven worden over het geheel of een gedeelte van de nalatenschap of over de erfdelen.

  • 3) Het Verdrag is in het bijzonder van toepassing op:

    • a. voor zoveel Zwitserland betreft:

      de belastingen geheven door de Zwitserse kantons, districten, kringen en gemeenten, die de erfdelen of de nalatenschap als zodanig treffen;

    • b. voor zoveel het Koninkrijk der Nederlanden betreft:

      het recht van successie en het recht van overgang bij overlijden.

  • 4) Het Verdrag heeft eveneens betrekking op de belastingen van gelijke of gelijksoortige aard, welke in de toekomst aan de in het voorgaande lid genoemde belastingen zullen worden toegevoegd of welke deze vervangen. Het strekt zich mede uit tot de belastingen welke in de vorm van opcenten worden geheven.

  • 5) Onverminderd het bepaalde in artikel 6 is dit Verdrag voor zoveel het Koninkrijk der Nederlanden betreft, slechts van toepassing op het grondgebied in Europa.

Artikel 2

  • 1) Onroerende goederen (daaronder begrepen hun toebehoren, zomede de dode of levende have, welke dient voor een landbouw- of bosbedrijf) zijn slechts aan de successiebelastingen onderworpen in de Staat waar deze goederen zijn gelegen. Artikel 3, tweede en vierde lid, van het heden tussen de beide Hoge Verdragsluitende Partijen gesloten Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, alsmede het bepaalde in het tweede lid ad artikel 3 van het Slotprotocol van dat Verdrag, vinden overeenkomstige toepassing.

  • 2) Roerende goederen, welke behoren bij handels-, nijverheids- of handwerksbedrijven van iedere aard, zijn slechts aan de successiebelastingen onderworpen in de Staat, waar de onderneming een vaste inrichting heeft. Artikel 4 van het heden tussen de beide Hoge Verdragsluitende Partijen gesloten Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, alsmede de bepalingen in het Slotprotocol van dat Verdrag, betrekking hebbende op genoemd artikel, vinden overeenkomstige toepassing.

  • 3) Roerende goederen, welke behoren bij vaste inrichtingen, en welke dienen voor de uitoefening van een vrij beroep in een van de beide Staten, zijn slechts aan de successiebelastingen onderworpen in de Staat waar die inrichtingen zich bevinden.

Artikel 3

  • 1) De tot de nalatenschap behorende zaken, waarop artikel 2 niet van toepassing is, daaronder begrepen de schuldvorderingen van iedere aard tot zekerheid waarvan een onroerende zaak verbonden is, zijn slechts aan de successiebelastingen onderworpen in de Staat waar de overledene zijn laatste woonplaats had.

  • 2) Voor het begrip woonplaats gelden de bepalingen van artikel 2, tweede en derde lid, van het heden tussen de beide Hoge Verdragsluitende Partijen gesloten Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen.

Artikel 4

  • 1) Dit Verdrag tast niet het recht aan om vrijstellingen van ruimere omvang te genieten, die aan diplomatieke en consulaire ambtenaren mochten zijn toegekend volgens de algemene regelen van het volkenrecht. Voor zover op grond van vrijstellingen van ruimere omvang van deze aard, het vermogen, dat verkregen wordt door de ambtenaar of door een lid van zijn gezin of het vermogen dat hij zelf of een lid van zijn gezin bij zijn overlijden nalaat, niet belast wordt door de Staat, waar hij geaccrediteerd is, wordt de heffing voorbehouden aan de Staat die hem uitzendt, alsof deze personen in die Staat woonachtig waren.

  • 2) De onderdanen (natuurlijke- of rechtspersonen) van een van de beide Staten kunnen door de andere Staat niet verplicht worden tot het betalen van andere of hogere belastingen of rechten dan diens eigen onderdanen, die zich in soortgelijke omstandigheden bevinden.

  • 3) De bepalingen van dit Verdrag beperken niet de voordelen, die de wetgeving van elk van de beide Staten aan de belastingplichtigen toekent.

Artikel 5

  • 1) De hoogste administratieve autoriteiten van de beide Staten zullen zich kunnen verstaan om de dubbele belasting wat betreft de belastingen genoemd in artikel 1 ongedaan te maken in de gevallen, welke door dit Verdrag niet geregeld zijn, alsmede in de gevallen waarin de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag aanleiding geeft tot moeilijkheden of twijfel.

  • 2) Bovendien vinden overeenkomstige toepassing artikel 11, eerste lid, en het bepaalde ad artikel 11 van het Slotprotocol van het heden tussen de beide Hoge Verdragsluitende Partijen gesloten Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen.

Artikel 6

Wat betreft de uitbreiding van dit Verdrag tot andere gebieden, vindt artikel 12 van het heden tussen de beide Hoge Verdagsluitende Partijen gesloten Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen overeenkomstige toepassing.

Artikel 7

  • 1) Dit Verdrag is van toepassing in alle gevallen, waarin het overlijden heeft plaats gehad na de inwerkingtreding van het Verdrag.

  • 2) Dit Verdrag is niet meer van toepassing in de gevallen, waarin het overlijden heeft plaats gehad na het verstrijken van het kalenderjaar tegen het einde waarvan het Verdrag op geldige wijze was opgezegd.

Artikel 8

  • 1) Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingsoorkonden zullen zo spoedig mogelijk te Bern worden uitgewisseld.

  • 2) Het Verdrag zal in werking treden op de dag van de uitwisseling van de bekrachtigingsoorkonden; het kan, met inachtneming van een opzeggingstermijn van tenminste zes maanden, door elk van de beide Hoge Verdragsluitende Partijen worden opgezegd tegen het einde van een kalenderjaar.

Ten blijke waarvan de bovengenoemde gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegel hebben voorzien.

Gedaan in tweevoud te 's-Gravenhage, de 12de November 1951, in de Nederlandse en in de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

(w.g.) STIKKER

(w.g.) D. SECRÉTAN

SLOTPROTOCOL

Bij gelegenheid van de ondertekening van het Verdrag, heden tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat gesloten ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van successiebelastingen, zijn de ondergetekende gevolmachtigden de volgende verklaringen overeengekomen, welke een integrerend deel van het Verdrag uitmaken.

Ad Artikel 1

De hoogste administratieve autoriteiten van de beide Staten zullen elkaar aan het einde van ieder jaar mededeling doen van de wijzigingen welke in de belastingwetgeving zijn aangebracht. Zij zullen zich verstaan teneinde de twijfel op te lossen die met betrekking tot de belastingen, waarop dit Verdrag van toepassing moet zijn, zou kunnen rijzen.

Ad Artikel 2 en 3

  • 1) Dit Verdrag beperkt niet het recht van Zwitserland om de successiebelasting, betrekking hebbende op de tot een nalatenschap behorende zaken, welke aan deze Staat uitsluitend ter belasting zijn voorbehouden, te berekenen naar het tarief dat toepasselijk zou zijn, indien de gehele nalatenschap of het gehele erfdeel in deze Staat belastbaar zou zijn.

  • 2) Indien de overledene zijn laatste woonplaats in Nederland had, zal deze Staat het recht behouden de belasting te berekenen over de gehele nalatenschap, onverschillig of de bestanddelen gelegen zijn op zijn grondgebied of op het grondgebied van Zwitserland, maar zal op de aldus berekende belasting het laagste van de beide volgende bedragen in mindering brengen:

    • a. het bedrag van de rechten en belastingen, door Zwitserland geheven over de zaken die volgens dit Verdrag op zijn grondgebied belastbaar zijn; of

    • b. het deel van de door Nederland berekende rechten en belastingen, dat in overeenstemming is met de verhouding tussen het zuivere bedrag van de in Zwitserland belastbare zaken en het gehele zuivere bedrag van de belastbare zaken van de overledene.

Ad Artikel 3

  • 1) Niettegenstaande de bepalingen van artikel 3, tweede lid, van dit Verdrag, zal de Staat, waarvan de overledene de nationaliteit bezat op het tijdstip van zijn overlijden, de successiebelasting kunnen heffen, alsof de overledene zijn woonplaats op dat tijdstip eveneens in die Staat had gehad, mits de overledene tijdens de tien jaren voorafgaande aan het overlijden, daar te lande werkelijk een woonplaats heeft gehad en hij op het tijdstip waarop hij zijn woonplaats in die Staat opgaf de nationaliteit van die Staat bezat; in dat geval zal het deel van de belasting, dat deze Staat niet zou hebben geheven, indien de overledene op het tijdstip van het opgeven van zijn woonplaats of op het tijdstip van zijn overlijden niet de nationaliteit van genoemde Staat had bezeten, verminderd worden met de belasting welke in de andere Staat uit hoofde van de woonplaats verschuldigd is.

  • 2) De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op personen, die op het tijdstip van hun overlijden de nationaliteit van de beide Staten bezitten.

Gedaan in tweevoud te 's-Gravenhage, de 12de November 1951, in de Nederlandse en in de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

(w.g.) STIKKER

(w.g.) D. SECRÉTAN