Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van de artikelen 55 en 56 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, Brussel, 19-09-1960

Geldend van 01-10-1963 t/m heden

Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van de artikelen 55 en 56 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie

Authentiek : NL

Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van de artikelen 55 en 56 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie

De Regering van het Koninkrijk België,

De Regering van het Groothertogdom Luxemburg,

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

Gelet op het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958 en met name de artikelen 2, 55 en 56 daarvan,

Overwegende, dat zij op grond van artikel 55 van genoemd Verdrag verplicht zijn bij overeenkomst de voorwaarden te bepalen, waaraan het binnenkomen, het verlaten, de bewegingsvrijheid, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij kunnen worden onderworpen op grond van overwegingen, die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden,

Overwegende, dat zij krachtens artikel 56 van bedoeld Verdrag voorts moeten onderzoeken in hoeverre de behandeling van de onderdanen van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dient te worden neergelegd in nader vast te leggen voorschriften aangaande die wettelijke en gerechtelijke bescherming van hun persoon, hun rechten en hun belangen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

De onderdanen van elk der Verdragsluitende Partijen kunnen het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partijen binnenkomen, mits zij in het bezit zijn van een identiteitsbewijs.

De aard van dit document zal worden bepaald door het Comité van Ministers, ingesteld bij artikel 15 van het Unieverdrag.

Artikel 2

Het is de onderdanen van elk der Verdragsluitende Partijen toegestaan zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partijen te vestigen, indien zij over voldoende middelen van bestaan beschikken en van goed zedelijk gedrag zijn.

Artikel 3

De onderdanen van een der Verdragsluitende Partijen, die verblijven of zich vestigen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, zijn slechts verplicht zich te voegen naar de op dat grondgebied van kracht zijnde wettelijke en uitvoerende voorschriften aangaande de controle op buitenlanders voor zoverre deze betrekking hebben op de inschrijving in de gemeentelijke bevolkingsregisters, de verlenging, de vernieuwing, de vervanging, het bij zich dragen en het tonen van verblijfsvergunningen alsmede op de vereiste formaliteiten in geval van verandering van verblijfplaats of vertrek uit het land.

Artikel 4

Onverminderd de bepalingen van artikel 5 kunnen tegen de onderdanen van elk der Verdragsluitende Partijen, die verblijven op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan wel aldaar met toestemming gevestigd zijn, geen maatregelen van verwijdering worden getroffen, dan wanneer zij gevaar opleveren voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het enkele feit, dat niet over middelen van bestaan wordt beschikt, niet beschouwd als een gevaar voor de openbare orde.

Artikel 5

Tegen de onderdanen van een der Verdragsluitende Partijen, die sedert drie jaar op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij gevestigd zijn, kunnen slechts maatregelen tot verwijdering worden getroffen wanneer zij gevaar opleveren voor de nationale veiligheid, of indien zij, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een bedreiging vormen voor de gemeenschap van dat land.

Artikel 6

In de gevallen bedoeld in de artikelen 4 en 5, kunnen onderdanen van een der Verdragsluitende Partijen, die verblijven op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, dan wel aldaar met toestemming gevestigd zijn, in stede van verwijderd te worden van het grondgebied, gedwongen worden bepaalde plaatsen of streken te verlaten en daarvan verwijderd te blijven, dan wel op een bepaalde plaats te verblijven, onverminderd de middelen van beroep, die in de wetgeving van het land van inwoning voorzien mochten zijn.

Artikel 7

Tegen de onderdanen van een der Verdragsluitende Partijen, die met toestemming gevestigd zijn op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, kunnen geen maatregelen tot verwijdering worden getroffen dan nadat hieromtrent aan de Minister van Justitie van het land van verblijf advies is uitgebracht door een bevoegde autoriteit van dat land, ten overstaan van wie betrokkenen hun verweermiddelen kunnen doen gelden en zich kunnen doen vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat hunner keuze.

Bovendien wordt de maatregel tot verwijdering, alvorens tot tenuitvoerlegging daarvan wordt overgegaan, rechtstreeks ter kennis gebracht van de bevoegde diensten van de Verdragsluitende Partij, waarvan betrokkene onderdaan is.

Deze kennisgeving vermeldt de redenen van de maatregel tot verwijdering.

Artikel 8

Overeenkomstig artikel 31 van het Unieverdrag wordt een Commissie voor het vrije verkeer en de vestiging van personen ingesteld.

Onverminderd de bepalingen van artikel 30 van het Unieverdrag heeft deze Commissie tot taak toezicht uit te oefenen op de toepassing van deze Overeenkomst.

Voorts bestaat haar taak in het doen van alle voorstellen aan het Comité van Ministers tot verbetering van de wijze van toepassing van de Overeenkomst, en, zo nodig, tot herziening of aanvulling van de bepalingen daarvan.

Artikel 9

Niettegenstaande het bepaalde bij artikel 2 § 2 g van het Unieverdrag, kan ieder der Verdragsluitende partijen de door haar nuttig geachte beperkingen opleggen betreffend de vervreemding — zelfs per aandeel in de eigendom — de verhuur of elke andere wijze van terbeschikkingstelling van nationale zeeschepen of binnenschepen, alsmede betreffende de verwerving van binnenschepen door haar onderdanen en van zeeschepen bestemd om onder nationale vlag te varen.

Artikel 2 § 2 g van het Unieverdrag doet niet af aan de regeling inzake de vordering en onteigening van zeeschepen, binnenschepen en luchtvaartuigen alsmede hun ladingen.

Artikel 10

Met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst komen te vervallen, de bepalingen van het op 20 februari 1933 te Genève tussen Nederland en België gesloten Vestigings- en Arbeidsverdrag alsmede van het op 1 april 1933 te 's-Gravenhage tussen Nederland en Luxemburg gesloten Vestigings- en Arbeidsverdrag, voor zover niet reeds buiten werking gesneld door het op 3 februari 1958 ondertekende Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie of door het op 7 juni 1956 tussen België, Nederland en Luxemburg gesloten Arbeidsverdrag.

Artikel 11

Deze Overeenkomst zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen bij het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie worden neergelegd.

Zij zal in werking treden op de eerste dag van de tweede maand volgende op de nederlegging van de derde akte van bekrachtiging en zij zal even lang van kracht blijven als het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.

TEN BLIJKE WAARVAN de daartoe behoorlijk Gevolmachtigden deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN in drievoud te Brussel, op 19 september 1960, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.