Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tot regeling van geschillen voortvloeiende uit de toepassing van de [...] van artikel 15, lid a, van het Vredesverdrag met Japan, Washington, 12-06-1952

Geldend van 10-09-1953 t/m heden

Overeenkomst tot regeling van geschillen voortvloeiende uit de toepassing van de bepalingen van artikel 15, lid a, van het Vredesverdrag met Japan

Authentiek : EN

Agreement for the Settlement of Disputes Arising Under Article 15 (a) of the Treaty of Peace with Japan

The Governments of the Allied Powers signatory to this Agreement and the Japanese Government desiring, in accordance with Article 22 of the Treaty of Peace with Japan signed at San Francisco on September 8, 1951, to establish procedures for the settlement of disputes concerning the interpretation and execution of Article 15 (a) of the Treaty have agreed as follows:

Article I

In any case where an application for the return of property, rights or interests has been filed in accordance with the provisions of Article 15 (a) of the Treaty of Peace, the Japanese Government shall within six months from the date of such application, inform the Government of the Allied Power of the action taken with respect to such application. In any case where a claim for compensation has been submitted by the Government of an Allied Power to the Government of Japan in accordance with the provisions of Article 15 (a ) of the Treaty and the Allied Powers Property Compensation Law (Japanese Law No. 264, 1951), the Japanese Government shall inform the Government of the Allied Power of its action with respect to such claim within eighteen months from the date of submission of the claim. If the Government of an Allied Power is not satisfied with the action taken by the Japanese Government with respect to an application for the return of property, rights, or interests, or with respect to a claim for compensation, the Government of the Allied Power, within six months after it has been advised by the Japanese Government of such action, may refer such claim or application for final determination to a commission appointed as hereinafter provided.

Article II

A commission for the purpose of this Agreement shall be appointed upon request to the Japanese Government made in writing by the Government of an Allied Power and shall be composed of three members; one, appointed by the Government of the Allied Power, one, appointed by the Japanese Government, and the third, appointed by mutual agreement of the two Governments. Each commission shall be known as the (name of the Allied Power concerned) - Japanese Property Commission.

Article III

The Japanese Government may appoint the same person to serve on two or more commissions; Provided, however, that if, in the opinion of the Government of the Allied Power, the service of the Japanese member on another commission or commissions unduly delays the work of the commission, the Japanese Government shall upon the request of the Government of the Allied Power appoint a new member. The Government of an Allied Power and the Japanese Government may agree to appoint as a third member, a person serving as a third member on other commissions; Provided, however, that if, in the opinion of either the Government of the Allied Power or the Japanese Government, the service of the third member on another commission or commissions unduly delays the work of the commission, either party may require that a new third member be appointed by agreement of the Government of the Allied Power and the Japanese Government.

Article IV

If the Japanese Government or the Government of the Allied Power fails to appoint a member within thirty days of the request referred to in Article II or, if the two Governments fail to agree on the appointment of a third member within ninety days of the request referred to in Article II, the Government which has already appointed a. member in the first case, and either the Government of the Allied Power or the Japanese Government in the second case may request the President of the International Court of Justice to appoint such member or members. Any vacancy which may occur in the membership of a commission shall be filled in the manner provided in Articles II and III.

Article V

Each commission created under this Agreement shall determine its own procedure, adopting rules conforming to justice and equity.

Article VI

Each Government shall pay the remuneration of the member appointed by it. If the Japanese Government fails to appoint a member, it shall pay the remuneration of the member appointed on its behalf. The remuneration of the third member of each commission and the expences of each commission shall be fixed by, and borne in equal shares by the Government of the Allied Power and the Japanese Government.

Article VII

The decision of the majority of the members of the commission shall be the decision of the commission, which shall be accepted as final and binding by the Government of the Allied Power and the Japanese Government.

Article VIII

This Agreement shall be open for signature by the government of any state which is a signatory to the Treaty of Peace. This Agreement shall come into force between the Government of an Allied Power and the Japanese Government upon the date of its signature by the Government of the Allied Power and the Japanese Government, or upon the date of the entry into force of the Treaty of Peace between the Allied Power whose Government is a signatory hereto and Japan, whichever is the later.

Article IX

This Agreement shall be deposited in the archives of the Government of the United States of America, which shall furnish each signatory government with a certified copy thereof.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, having been duly authorized, sign this Agreement on behalf of their respective Governments on the dates appearing opposite their signature.

DONE at Washington this twelfth day of June, 1952, in the English, French, Spanish, and Japanese languages, all being equally authentic.

Vertaling : NL

Overeenkomst tot regeling van geschillen voortvloeiende uit de toepassing van de bepalingen van artikel 15, lid a, van het Vredesverdrag met Japan

De Regeringen van de Geallieerde Mogendheden welke deze Overeenkomst hebben ondertekend en de Japanse Regering, verlangende in overeenstemming met artikel 22 van het 8 September 1951 te San Francisco ondertekende Vredesverdrag met Japan werkwijzen vast te stellen tot regeling van geschillen betreffende de interpretatie en uitvoering van artikel 15, lid a, van het Verdrag, zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I

In alle gevallen waarin een aanvrage voor teruggave van eigendom, rechten en belangen is ingediend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, lid a, van het Vredesverdrag, doet de Japanse Regering binnen zes maanden na de datum van zodanige aanvrage mededeling, aan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, van de maatregelen welke met betrekking tot zodanige aanvrage zijn genomen. In alle gevallen waarin de Regering van een Geallieerde Mogendheid bij de Regering van Japan een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, lid a, van het Verdrag en in overeenstemming met de Wet op de Schadevergoeding voor Geallieerde Eigendommen (Japanse Wet No. 264, 1951), doet de Japanse Regering binnen achttien maanden na de datum van de indiening van de vordering mededeling, aan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, van de maatregelen welke door haar met betrekking tot de vordering zijn genomen. Indien de Regering van een Geallieerde Mogendheid niet voldaan is over de maatregelen welke door de Japanse Regering zijn genomen met betrekking tot een aanvrage voor teruggave van eigendom, rechten en belangen, of met betrekking tot een vordering tot schadevergoeding, kan de Regering van de Geallieerde Mogendheid, binnen zes maanden nadat zij door de Japanse Regering van zodanige maatregelen is verwittigd, bedoelde vordering of aanvrage ter definitieve beslissing voorleggen aan een commissie benoemd op de wijze als hierna wordt bepaald.

Artikel II

Voor de toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst wordt, na een door de Regering van een Geallieerde Mogendheid aan de Japanse Regering gericht schriftelijk verzoek, een commissie benoemd welke zal bestaan uit drie leden: één te benoemen door de Regering van de Geallieerde Mogendheid, één te benoemen door de Japanse Regering, en het derde lid te benoemen in onderling overleg tussen de beide Regeringen. Elke commissie zal als volgt worden aangeduid: de (naam van de betrokken Geallieerde Mogendheid)-Japanse Eigendommen-Commissie.

Artikel III

De Japanse Regering kan dezelfde persoon tot lid van twee of meer commissies benoemen, met dien verstande echter dat, indien naar de mening van de Regering van de Geallieerde Mogendheid, het feit dat het Japanse lid deel uitmaakt van een of meer andere commissies het werk van de commissie te zeer vertraagt, de Japanse Regering op verzoek van de Regering van de Geallieerde Mogendheid een nieuw lid zal benoemen. De Regering van een Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering kunnen overeenkomen als derde lid een persoon te benoemen die reeds als derde lid van andere commissies is benoemd, met dien verstande echter dat, indien naar de mening van de Regering van de Geallieerde Mogendheid of van de Japanse Regering het feit dat het derde lid reeds deel uitmaakt van een of meer andere commissies het werk van de commissie te zeer vertraagt, elk van beide partijen kan eisen, dat een nieuw derde lid wordt benoemd in onderling overleg tussen de Regering van de Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering.

Artikel IV

Indien de Japanse Regering of de Regering van de Geallieerde Mogendheid nalaat binnen dertig dagen na het in artikel II bedoelde verzoek een lid te benoemen, of indien de beide Regeringen niet binnen negentig dagen na het in artikel II bedoelde verzoek tot overeenstemming zijn gekomen omtrent de benoeming van een derde lid, kan in het eerste geval de Regering welke reeds een lid heeft benoemd, en in het tweede geval hetzij de Regering van de Geallieerde Mogendheid hetzij de Japanse Regering de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken een zodanig lid of zodanige leden aan te wijzen. Iedere opengevallen plaats in een commissie wordt vervuld op de wijze bepaald in de artikelen II en III.

Artikel V

Elke krachtens deze Overeenkomst ingestelde commissie bepaalt haar eigen werkwijze en stelt daartoe regelen vast overeenkomstig recht en billijkheid.

Artikel VI

Elke Regering betaalt de beloning van het door haar benoemde lid. Indien de Japanse Regering nalaat een lid te benoemen, betaalt zij de beloning van het voor haar benoemde lid. De beloning van het derde lid van elke commissie en de onkosten van elke commissie worden vastgesteld en gezamenlijk gedragen door de Regering van de Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering, ieder voor de helft.

Artikel VII

De beslissing van de meerderheid van de leden der commissie zal de beslissing zijn van de commissie; deze beslissing zal als definitief en bindend worden aanvaard door de Regering van de Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering.

Artikel VIII

Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de regering van iedere Staat, welke het Vredesverdrag heeft ondertekend. Deze Overeenkomst treedt tussen de Regering van een Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering in werking op de datum waarop de Regering van die Geallieerde Mogendheid en de Japanse Regering haar ondertekenen, of op de datum waarop het Vredesverdrag tussen de Geallieerde Mogendheid welker Regering deze Overeenkomst heeft ondertekend en Japan in werking treedt, al naar gelang welke datum de laatste is.

Artikel IX

Deze Overeenkomst zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, welke aan elk der ondertekenende Regeringen een gewaarmerkt afschrift van deze Overeenkomst zal doen toekomen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd, deze Overeenkomst namens hun onderscheidene Regeringen ondertekenen op de datum welke naast hun handtekening voorkomt.

GEDAAN te Washington op de twaalfde Juni 1952 in de Engelse, Franse, Spaanse en Japanse taal, zijnde al deze talen gelijkelijk authentiek.