Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het [...] en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, Cotonou, 23-06-2000

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds

Authentiek : NL

Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000

Preambule

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap enerzijds, en de Overeenkomst van Georgetown tot oprichting van de groep van Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, anderzijds;

Vastbesloten samen te werken teneinde de doeleinden van uitroeiing van de armoede, duurzame ontwikkeling en geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie te verwezenlijken;

Vastbesloten door middel van hun samenwerking een aanmerkelijke bijdrage te leveren tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling van de ACS-staten en tot lotsverbetering van hun volkeren, door hen te helpen de uitdaging van de globalisering het hoofd te bieden en het partnerschap tussen ACS en EU te intensiveren, teneinde de sociale dimensie van het globaliseringsproces te versterken;

Opnieuw bevestigende dat zij hun bijzondere betrekkingen een nieuw elan wensen te geven en ter versterking van hun partnerschap een brede geïntegreerde benadering tot stand wensen te brengen, gebaseerd op politieke dialoog, ontwikkelingssamenwerking en economische en handelsbetrekkingen;

Erkennende dat een politiek klimaat dat vrede, veiligheid en stabiliteit, eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat en goed bestuur waarborgt, een integrerend onderdeel van de ontwikkeling op lange termijn dient te zijn; erkennende dat de verantwoordelijkheid voor de totstandbrenging van een dergelijk klimaat allereerst berust bij de betrokken landen;

Erkennende dat een gezond en duurzaam economisch beleid een essentiële voorwaarde is voor ontwikkeling;

Verwijzende naar de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en herinnerende aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de conclusies van de Conferentie van Wenen van 1993 over de mensenrechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, de Overeenkomst inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, de Verdragen van Genève van 1949 en andere instrumenten van het internationale humanitaire recht, het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Genève 1954), het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Genève 1951) en het Protocol betreffende de status van vluchtelingen (New York 1967);

In aanmerking nemende het Verdrag inzake de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa, het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en het Amerikaanse Verdrag inzake de rechten van de mens als positieve regionale bijdragen tot de eerbiediging van de mensenrechten in de Europese Unie en in de ACS-staten;

Opnieuw bevestigende dat de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat de effectieve vervolging ervan moet worden gewaarborgd door maatregelen op nationaal niveau te nemen en de wereldwijde samenwerking te intensiveren;

Overwegende dat de instelling en het effectief functioneren van het Internationaal Strafhof een belangrijke ontwikkeling voor vrede en internationale gerechtigheid zijn;

VERWIJZENDE naar de verklaringen van de successieve topontmoetingen van de staatshoofden en regeringsleiders van de ACS-staten;

OVERWEGENDE dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, zoals die zijn vastgelegd in de Millenniumverklaring die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2000 heeft vastgesteld, met name de uitroeiing van extreme armoede en honger, alsmede de ontwikkelingsdoelen en de beginselen die zijn overeengekomen op de Conferenties van de Verenigde Naties, een duidelijke visie bieden en aan de samenwerking tussen de ACS en de Europese Unie in het kader van deze Overeenkomst ten grondslag moeten liggen; Erkennende dat de EU en de ACS-staten een gezamenlijke inspanning moeten leveren om sneller vooruitgang te boeken met betrekking tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen;

INSTEMMENDE met de agenda voor de doeltreffendheid van hulp, die in Rome van start is gegaan, in Parijs is voortgezet en met de Actieagenda van Accra verder is ontwikkeld;

BIJZONDERE AANDACHT SCHENKENDE aan de verbintenissen die zijn aangegaan en de doelstellingen die zijn overeengekomen op grote VN-conferenties en andere internationale conferenties, en erkennende dat verdere maatregelen nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen en de uitvoering van de actieprogramma's die in die fora zijn vastgesteld;

ZICH BEWUST van de ernstige wereldwijde milieuproblemen die klimaatverandering teweegbrengt, en diep bezorgd dat de kwetsbaarste bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden leven, met name de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten van de ACS, waar klimaatverschijnselen zoals stijging van de zeespiegel, kusterosie, overstromingen, droogte en woestijnvorming een bedreiging vormen voor de bestaansmiddelen van de bevolking en duurzame ontwikkeling;

Wensende de fundamentele arbeidsrechten te eerbiedigen, rekening houdende met de beginselen die in de desbetreffende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn neergelegd;

Wijzende op hun verbintenissen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie,

Hebben besloten deze overeenkomst te sluiten1:

DEEL 1. ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL I. DOELEINDEN, BEGINSELEN EN ACTOREN

HOOFDSTUK I. DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 1. Doelstellingen van het partnerschap [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de ACS-staten anderzijds, hierna „de partijen” genoemd, sluiten deze Overeenkomst om de economische, culturele en maatschappelijke ontwikkeling van de ACS-staten te bevorderen en te versnellen, teneinde tot vrede en veiligheid bij te dragen en een stabiel en democratisch politiek klimaat te bevorderen.

De kern van het partnerschap wordt gevormd door de doelstelling armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te roeien, overeenkomstig de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en geleidelijk integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie.

Deze doelstellingen en de internationale verbintenissen van de partijen, met inbegrip van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, liggen aan alle ontwikkelingsstrategieën ten grondslag; zij worden verwezenlijkt volgens een geïntegreerde benadering, die de politieke, economische, maatschappelijke, culturele en milieuaspecten van de ontwikkeling tegelijkertijd in aanmerking neemt. Het partnerschap biedt een samenhangend kader voor de ondersteuning van de ontwikkelingsstrategieën van elke ACS-staat.

Elementen van dit kader zijn duurzame economische groei, ontwikkeling van de particuliere sector, stimulering van de werkgelegenheid en verbetering van de toegang tot productiemiddelen. Steun wordt verleend ter bevordering van de eerbiediging van de rechten van het individu en de vervulling van basisbehoeften, de bevordering van sociale ontwikkeling en de vervulling van de voorwaarden voor rechtvaardige verdeling van de vruchten van de groei. Regionale en subregionale integratieprocessen die de integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie bevorderen, zowel wat handel als wat particuliere investeringen betreft, worden aangemoedigd en gesteund. Integrerende onderdelen van deze benadering zijn de opbouw van de capaciteit van de actoren van het ontwikkelingsproces en de verbetering van het institutionele kader dat vereist is voor sociale cohesie, voor het functioneren van een democratische samenleving en een markteconomie en voor het ontstaan van een actieve, georganiseerde civiele samenleving. De situatie van vrouwen en gendervraagstukken worden systematisch in aanmerking genomen op alle gebieden – politiek, economisch en sociaal. De beginselen van duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen en het milieu en de beheersing van klimaatverandering worden op elk niveau van het partnerschap geïntegreerd toegepast.

Artikel 2. Grondbeginselen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De samenwerking tussen ACS en EG, die gegrondvest is op een bindende rechtsregeling en gezamenlijke instellingen, wordt geleid door de internationaal overeengekomen agenda voor de doeltreffendheid van hulp, met als uitgangspunten eigen inbreng, onderlinge afstemming, harmonisatie, resultaatgericht beheer en wederzijdse verantwoording, en wordt uitgevoerd aan de hand van de volgende grondbeginselen:

  • gelijkheid van de partners en hun inbreng in de ontwikkelingsstrategieën: ter uitvoering van de doelstellingen van het partnerschap bepaalt iedere ACS-staat de ontwikkelingsstrategie voor zijn economie en zijn samenleving in volledige soevereiniteit, daarbij alle in artikel 9 genoemde essentiële en fundamentele elementen in aanmerking nemende; het partnerschap stimuleert de inbreng van de betrokken landen en volkeren in de eigen ontwikkelingsstrategie; de ontwikkelingspartners van de EU stemmen hun programma's af op deze strategieën;

  • deelname: naast de centrale overheid als belangrijkste partner, staat het partnerschap open voor de parlementen van de ACS-staten, de plaatselijke overheden in de ACS-staten en andere actoren, teneinde de integratie in de hoofdstroom van het politieke, economische en maatschappelijke leven te bevorderen van alle geledingen van de samenleving, waaronder de particuliere sector en organisaties van het maatschappelijk middenveld;

  • een centrale rol voor dialoog, de naleving van wederzijdse verplichtingen en verantwoording: de verplichtingen die de partijen in het kader van hun dialoog zijn aangegaan vormen een kernpunt van hun partnerschaps- en samenwerkingsbetrekkingen; de partijen werken nauw samen bij het bepalen en uitvoeren van de noodzakelijke donorafstemming en harmonisatie, teneinde bij deze processen een sleutelrol voor de ACS-staten te waarborgen;

  • differentiëring en regionalisering: de regelingen en prioriteiten voor samenwerking worden afgestemd op het ontwikkelingsniveau, de behoeften, de prestaties en de ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn van de partner. De minst ontwikkelde landen krijgen een bijzondere behandeling. Rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van niet aan zee grenzende en insulaire landen. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan regionale integratie, ook op continentale schaal.

Artikel 3. Verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst

Elke partij neemt, voor zover het bepaalde in de Overeenkomst haar aangaat, alle algemene of bijzondere maatregelen waardoor de nakoming van de uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen kan worden gewaarborgd en het nastreven van de doelstellingen ervan kan worden vergemakkelijkt. De partijen zien af van maatregelen die deze doelstellingen in gevaar kunnen brengen.

HOOFDSTUK II. DE ACTOREN VAN HET PARTNERSCHAP

Artikel 4. Algemene benadering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De ACS-staten bepalen de beginselen, strategieën en modellen voor de ontwikkeling van hun economie en hun samenleving in volledige soevereiniteit. Zij stellen samen met de Gemeenschap de samenwerkingsprogramma's vast waarin de Overeenkomst voorziet. De partijen erkennen echter dat niet-overheidsactoren, nationale parlementen van de ACS-staten en plaatselijke gedecentraliseerde overheden in het ontwikkelingsproces een complementaire rol kunnen spelen en daartoe een bijdrage kunnen leveren, met name op nationaal en regionaal niveau. Niet-overheidsactoren, nationale parlementen van de ACS-staten en plaatselijke gedecentraliseerde overheden worden daartoe in voorkomend geval, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de Overeenkomst, op de volgende wijze bij het proces betrokken:

  • zij worden ingelicht en betrokken bij overleg over samenwerkingsbeleid en samenwerkingsstrategie, over samenwerkingsprioriteiten, met name op terreinen die hen aangaan of rechtstreeks betreffen, en over de politieke dialoog;

  • hun wordt op kritieke gebieden steun verleend ter versterking van hun capaciteiten en vermogens, met name ten aanzien van organisatie en representatie en de instelling van mechanismen voor overleg, met inbegrip van communicatielijnen en dialoog, alsmede ter bevordering van strategische allianties.

Niet-overheidsactoren en plaatselijke gedecentraliseerde overheden:

  • krijgen, waar nodig, op de voorwaarden als in de Overeenkomst vastgesteld, financiële middelen ter beschikking gesteld om het proces van plaatselijke ontwikkeling te steunen;

  • worden waar nodig betrokken bij de tenuitvoerlegging van samenwerkingsprojecten en -programma's op terreinen die hen aangaan of waarop zij een relatief voordeel hebben.

Artikel 5. Voorlichting

De samenwerking ondersteunt maatregelen ten behoeve van voorlichting over de belangrijkste aspecten van het partnerschap tussen ACS en EU. De samenwerking is bovendien gericht op:

  • aanmoediging van partnerschap en contacten tussen actoren in de ACS en in de EU;

  • versterking van netwerkvorming en uitwisseling van deskundigheid en ervaring onder de actoren.

Artikel 6. Definities [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De actoren van de samenwerking zijn:

    • a) overheden (plaatselijk, regionaal en nationaal), alsmede nationale parlementen van de ACS-staten;

    • b) regionale ACS-organisaties en de Afrikaanse Unie; voor de toepassing van deze Overeenkomst worden onder „regionale organisaties” en „het regionale niveau” tevens subregionale organisaties en het subregionale niveau verstaan;

    • c) buiten de overheid:

      • de particuliere sector;

      • de economische en sociale partners, onder andere vakbondsorganisaties;

      • de civiele samenleving in al haar verschijningsvormen, overeenkomstig de nationale kenmerken.

  • 2 Erkenning door de partijen van niet-overheidsactoren is afhankelijk van de mate waarin zij beantwoorden aan de behoeften van de bevolking, hun specifieke deskundigheid en het democratisch gehalte en de transparantie van hun organisatie en beheer.

Artikel 7. Capaciteitsopbouw

De bijdrage van de civiele samenleving tot het ontwikkelingsproces kan worden gestimuleerd door versterking van maatschappelijke organisaties en niet-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk op alle terreinen van de samenwerking. Dit houdt in dat:

  • de totstandkoming en ontwikkeling van dergelijke organisaties moet worden gestimuleerd;

  • regelingen moeten worden getroffen om dergelijke organisaties te betrekken bij de opzet, de uitvoering en de evaluatie van ontwikkelingsstrategieën en ontwikkelingsprogramma's.

TITEL II. DE POLITIEKE DIMENSIE

Artikel 8. Politieke dialoog [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen gaan regelmatig een brede, evenwichtige en diepgaande politieke dialoog aan, die tot verbintenissen van beide zijden leidt.

  • 2 Het doel van deze dialoog is het uitwisselen van informatie, het bevorderen van het wederzijdse begrip en het vereenvoudigen van de totstandkoming van overeengekomen prioriteiten en gemeenschappelijke agendapunten, met name door te erkennen dat de verschillende aspecten van de betrekkingen tussen de partijen verband houden, met de diverse samenwerkingsterreinen waarin deze Overeenkomst voorziet. De dialoog dient het overleg tussen de partijen in internationale fora te vereenvoudigen en hun samenwerking te versterken, en een stelsel van effectief multilateralisme te bevorderen en in stand te houden. De dialoog moet tevens voorkomen dat situaties ontstaan waarin een partij het noodzakelijk acht een beroep te doen op de overlegprocedures van de artikelen 96 en 97.

  • 3 De dialoog heeft betrekking op alle doelstellingen van de Overeenkomst, alsmede alle vraagstukken van gemeenschappelijk, algemeen of regionaal belang, met inbegrip van vraagstukken betreffende regionale of continentale integratie. Door middel van de dialoog dragen de partijen bij tot vrede, veiligheid en stabiliteit, en bevorderen zij de totstandkoming van een stabiel en democratisch politiek klimaat. De dialoog omvat samenwerkingsstrategieën, waaronder de agenda voor de doeltreffendheid van hulp, en wereldwijde en sectorale beleidsvraagstukken, zoals milieu, klimaatverandering, gendervraagstukken, migratie en vraagstukken in verband met het cultureel erfgoed. De dialoog betreft voorts algemeen en sectoraal beleid van beide partijen dat van invloed kan zijn op de verwezenlijking van de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking.

  • 4 De dialoog concentreert zich onder meer op specifieke politieke vraagstukken van gemeenschappelijk belang of van algemene betekenis voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst, zoals de wapenhandel, buitensporige militaire uitgaven, drugs, georganiseerde criminaliteit en kinderarbeid, alsook discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of sociale afkomst, vermogen, geboorte of andere status. In het kader van de dialoog wordt voorts regelmatig geëvalueerd welke de ontwikkelingen zijn ten aanzien van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur.

  • 5 Een op brede basis gestoeld beleid ter bevordering van de vrede en ter voorkoming, beheersing en oplossing van gewelddadige conflicten is een belangrijk onderdeel van de dialoog; het streven naar vrede en democratische stabiliteit dient bij de vaststelling van de prioriteitsgebieden voor de samenwerking volledig in aanmerking te worden genomen. Bij de dialoog in dit verband worden de relevante regionale ACS-organisaties en de Afrikaanse Unie, waar van toepassing, ten volle betrokken.

  • 6 De dialoog wordt op flexibele wijze gevoerd. De dialoog verloopt naargelang de behoefte formeel of informeel, en wordt gevoerd zowel binnen als buiten het institutionele kader, met inbegrip van de ACS-groep en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, in een passende vorm en op passend niveau, onder meer op nationaal, regionaal en continentaal niveau of voor de gehele ACS.

  • 7 Regionale organisaties en vertegenwoordigers van organisaties van het maatschappelijk middenveld worden bij de dialoog betrokken, alsook waar van toepassing de nationale parlementen van de ACS-staten.

  • 8 Waar dat passend is, en om situaties te vermijden waarin een partij het noodzakelijk acht een beroep te doen op de overlegprocedure van artikel 96, dient overeenkomstig de modaliteiten van bijlage VII, een systematische en geformaliseerde dialoog te worden gevoerd die betrekking heeft op de essentiële elementen.

Artikel 9. Essentiële elementen op het gebied van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat, en fundamenteel element met betrekking tot goed bestuur [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De samenwerking is gericht op duurzame ontwikkeling, waarin de mens, de stuwende kracht en voornaamste begunstigde ervan, centraal staat; dit houdt in dat alle rechten van de mens dienen te worden geëerbiedigd en bevorderd.

    Eerbiediging van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden, onder meer inhoudende eerbiediging van de fundamentele sociale rechten, op de rechtsstaat berustende democratie en transparant en verantwoordelijk bestuur, is een integrerend aspect van duurzame ontwikkeling.

  • 2 De partijen verwijzen naar hun internationale verplichtingen en verbintenissen betreffende de eerbiediging van de mensenrechten. Zij verklaren opnieuw bijzonder gewicht te hechten aan de waardigheid en de rechten van de mens, waarnaar individuen en volkeren rechtmatig streven. De mensenrechten zijn universeel, ondeelbaar en onderling verbonden. De partijen verbinden zich ertoe alle fundamentele vrijheden en mensenrechten te bevorderen en te beschermen, zowel burgerrechten en politieke rechten als economische, sociale en culturele rechten. In dit verband bevestigen de partijen opnieuw de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen.

    De partijen verklaren dat democratisering, ontwikkeling en de bescherming van de fundamentele vrijheden onderling zijn verbonden en elkaar versterken. De democratische beginselen zijn universeel erkende beginselen die aan de organisatie van de staat ten grondslag liggen en daardoor de legitimiteit van zijn gezag, de wettigheid van zijn handelen, zoals dit zijn weerslag vindt in het constitutionele, wetgevende en regelgevende stelsel, alsmede het bestaan van mechanismen voor participatie waarborgen. Op basis van deze universeel erkende beginselen ontwikkelt ieder land zijn democratische cultuur.

    De structuur van de overheid en de bevoegdheden van de verschillende machten moeten zijn gegrondvest op de rechtsstaat, wat met name het bestaan inhoudt van doeltreffende en toegankelijke juridische beroepsmogelijkheden, een onafhankelijk rechtsstelsel dat gelijkheid voor de wet waarborgt en een uitvoerende macht die volledig is ondergeschikt aan de wet.

    De eerbiediging van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat, waarop het partnerschap tussen ACS en EU berust, liggen ten grondslag aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van de partijen, en zijn essentiële elementen van deze Overeenkomst.

  • 3 In het kader van een politiek en institutioneel klimaat dat de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat beschermt, wordt onder goed bestuur verstaan het transparante en verantwoordelijke beheer van menselijke en natuurlijke hulpbronnen en economische en financiële middelen ten behoeve van rechtvaardige en duurzame ontwikkeling. Goed bestuur houdt het bestaan in van duidelijke besluitvormingsprocedures bij de overheid, transparante en verantwoording verschuldigde instellingen, de voorrang van de wet bij het beheer en de verdeling van middelen en de opbouw van capaciteiten ten behoeve van het uitwerken en uitvoeren van maatregelen teneinde met name corruptie te voorkomen en te bestrijden.

    Goed bestuur, waarop het partnerschap tussen ACS en EU berust, ligt ten grondslag aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van de partijen, en is een fundamenteel element van deze Overeenkomst. De partijen komen overeen dat ernstige gevallen van corruptie, met inbegrip van omkoping die tot dergelijke corruptie leidt, als bedoeld in artikel 97, een schending van dit element inhouden.

  • 4 Bevordering van de mensenrechten, democratiseringsprocessen, consolidatie van de rechtsstaat en goed bestuur worden door het partnerschap actief ondersteund.

    Deze terreinen zijn een belangrijk onderwerp voor de politieke dialoog. In het kader van deze dialoog kennen de partijen bijzonder belang toe aan de veranderingen zoals die zich voordoen en de continuïteit van de bereikte vooruitgang. Bij deze regelmatige evaluatie wordt de economische, sociale, culturele en historische achtergrond van ieder land in aanmerking genomen.

    Aan deze terreinen wordt tevens bijzondere aandacht geschonken bij de steun voor ontwikkelingsstrategieën. De Gemeenschap verleent steun voor politieke, institutionele en juridische hervormingen en voor het versterken van de capaciteit van openbare en particuliere actoren en de civiele samenleving in het kader van strategieën die door de betrokken staat en de Gemeenschap worden overeengekomen.

    De beginselen die ten grondslag liggen aan de in dit artikel vastgestelde essentiële en fundamentele elementen zijn gelijkelijk van toepassing op enerzijds de ACS-staten en anderzijds de Europese Unie en haar lidstaten.

Artikel 10. Andere elementen van het politieke klimaat [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen zijn van oordeel dat de volgende elementen bijdragen tot de instandhouding en consolidatie van een stabiel en democratisch politiek klimaat:

    • duurzame en rechtvaardige ontwikkeling, wat onder meer toegang tot productiemiddelen, essentiële diensten en justitie inhoudt;

    • sterkere betrokkenheid van de nationale parlementen van de ACS-staten, plaatselijke gedecentraliseerde overheden en een actieve, georganiseerde civiele samenleving en de particuliere sector.

  • 2 De partijen erkennen dat de beginselen van de sociale markteconomie, ondersteund door transparante concurrentieregels en gezond economisch en sociaal beleid, tot de verwezenlijking van doelstellingen van het partnerschap bijdragen.

Artikel 11. Vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing, respons op onstabiele situaties [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen erkennen dat duurzame vrede en veiligheid niet mogelijk zijn zonder ontwikkeling en zonder terugdringing van de armoede en dat duurzame ontwikkeling niet mogelijk is zonder vrede en veiligheid. De partijen voeren een actief, veelomvattend en geïntegreerd beleid inzake vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing en menselijke veiligheid, en pakken onstabiele situaties aan in het kader van het partnerschap. Dit beleid wordt gebaseerd op het beginsel van eigen inbreng en richt zich met name op de opbouw van capaciteiten op nationaal, regionaal en continentaal vlak en op het voorkomen van gewelddadige conflicten in een vroeg stadium, door de onderliggende oorzaken, waaronder armoede, op gerichte wijze en met een passende combinatie van alle beschikbare instrumenten aan te pakken.

    De partijen erkennen dat moet worden opgetreden tegen nieuwe of zich uitbreidende bedreigingen voor de veiligheid, zoals georganiseerde misdaad, piraterij en de smokkel van met name mensen, drugs en wapens. Ook moeten de gevolgen van mondiale problemen, zoals turbulentie op de internationale financiële markt, klimaatverandering en pandemieën, in aanmerking worden genomen.

    De partijen onderstrepen de belangrijke rol van regionale organisaties bij vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing en bij het aanpakken van nieuwe of zich uitbreidende bedreigingen voor de veiligheid; in Afrika, heeft de Afrikaanse Unie een sleutelverantwoordelijkheid in dit verband.

  • 2 De onderlinge afhankelijkheid van veiligheid en ontwikkeling is het uitgangspunt van de activiteiten op het gebied van vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing, waarbij een combinatie van benaderingen voor de korte en lange termijn wordt toegepast, die verder gaat dan uitsluitend crisisbeheersing. De activiteiten voor de aanpak van nieuwe of zich uitbreidende bedreigingen voor de veiligheid bieden steun voor onder andere de wetshandhaving, met inbegrip van samenwerking op het gebied van grenscontroles, verbetering van de veiligheid van de internationale toeleveringsketen en versterking van de bescherming van lucht-, zee- en wegvervoer.

    De activiteiten op het gebied van vredesopbouw, conflictpreventie en conflictoplossing houden met name in: steun voor de evenwichtige verdeling van politieke, economische, sociale en culturele kansen onder alle geledingen van de samenleving, steun voor versterking van de democratische legitimiteit en de effectiviteit van het bestuur, steun voor de totstandbrenging van effectieve instrumenten voor de vreedzame verzoening van groepsbelangen, steun voor de actieve betrokkenheid van vrouwen, steun voor het overbruggen van scheidslijnen tussen verschillende geledingen van de samenleving en steun voor een actieve en georganiseerde civiele samenleving. In dit verband wordt bijzondere aandacht gegeven aan de ontwikkeling van systemen voor vroegtijdige waarschuwing en mechanismen voor vredesopbouw waarmee wordt bijgedragen tot het voorkomen van conflicten.

  • 3 Andere relevante activiteiten in dit verband zijn onder meer: steun voor bemiddeling, onderhandelingen en verzoening, steun voor effectief regionaal beheer van gedeelde schaarse natuurlijke hulpbronnen, steun voor demobilisatie van voormalige strijdenden en hun reïntegratie in de samenleving, steun voor het aanpakken van het probleem van kindsoldaten en het geweld tegen vrouwen en kinderen. Er worden passende maatregelen getroffen om de militaire uitgaven en de wapenhandel tot een verantwoord niveau terug te brengen, onder meer door steun te verlenen ter bevordering en toepassing van overeengekomen gedragsnormen en gedragscodes, en om activiteiten die conflicten aanjagen tegen te gaan.

  • 3 bis Bijzondere aandacht wordt besteed aan de bestrijding van antipersoneelmijnen en ontplofbare oorlogsresten en de aanpak van de illegale vervaardiging, de illegale overdracht, het illegale verkeer en de illegale accumulatie van handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, met inbegrip van de aanpak van ondeugdelijk beveiligde en beheerde voorraden en hun ongecontroleerde verspreiding.

    De partijen komen overeen hun respectieve verplichtingen krachtens alle desbetreffende internationale verdragen en instrumenten te coördineren, na te komen en ten volle ten uitvoer te leggen, en daartoe op nationaal, regionaal en continentaal niveau samen te werken.

  • 3 ter De partijen komen tevens overeen samen te werken bij het voorkomen van activiteiten van huurlingen, overeenkomstig hun verplichtingen op grond van alle desbetreffende internationale verdragen en instrumenten en hun respectieve wet- en regelgeving.

  • 4 Teneinde onstabiele situaties op strategische en doeltreffende wijze aan te pakken, wisselen de partijen informatie uit en faciliteren zij een preventieve aanpak, waarbij diplomatieke middelen, beveiliging en ontwikkelingssamenwerking op samenhangende wijze worden ingezet. Zij bereiken overeenstemming over de beste manier om het vermogen van staten om hun kerntaken te vervullen te versterken en de politieke wil tot hervorming te stimuleren met inachtneming van het beginsel van eigen inbreng. In onstabiele situaties is politieke dialoog van bijzonder belang en moet deze verder worden uitgebouwd en versterkt.

  • 5 In gewelddadige conflictsituaties nemen de partijen alle passende maatregelen om escalatie van het geweld te voorkomen en de territoriale uitbreiding ervan te beperken, en een vreedzame beslechting van geschillen te bevorderen. In het bijzonder moet erop worden toegezien dat de voor samenwerking bestemde financiële middelen benut worden in overeenstemming met de beginselen en doelstellingen van de Overeenkomst, en moet worden voorkomen dat deze middelen voor offensieve doeleinden worden misbruikt.

  • 6 In postconflictsituaties nemen de partijen alle passende maatregelen om de situatie tijdens het overgangsproces te stabiliseren, teneinde het herstel van een niet-gewelddadige, stabiele en democratische situatie te bevorderen. De partijen zien toe op de totstandkoming van de noodzakelijke koppeling tussen noodmaatregelen, herstel en ontwikkelingssamenwerking.

  • 7 De partijen bevorderen het versterken van vrede en internationale gerechtigheid en bevestigen hun vastberadenheid om:

    De partijen streven ernaar maatregelen te nemen ten behoeve van de bekrachtiging en tenuitvoerlegging van het Statuut van Rome en daarmee samenhangende instrumenten.

Artikel 11 bis. Bestrijding van terrorisme

De partijen uiten opnieuw hun krachtige veroordeling van alle daden van terrorisme en verbinden zich ertoe het terrorisme te bestrijden door internationale samenwerking overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en het internationale recht, de desbetreffende verdragen en instrumenten en met name de volledige tenuitvoerlegging van de resoluties 1373 en 1456 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en andere relevante VN-resoluties. De partijen komen hiertoe overeen:

  • informatie uit te wisselen over terroristische groeperingen en de hen ondersteunende netwerken;

  • inzichten uit te wisselen over middelen en methoden om daden van terrorisme te bestrijden, onder meer op technisch gebied en wat opleiding betreft, en ervaringen uit te wisselen met betrekking tot het voorkomen van terrorisme.

Artikel 11 ter. Samenwerking inzake de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens

  • 1 De partijen zijn van oordeel dat de verspreiding van massavernietigingswapens en de middelen om die zowel aan staten als aan niet-statelijke actoren te verschaffen, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt.

    De partijen komen daarom overeen samen te werken en bij te dragen tot de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de middelen tot verschaffing daarvan, door volledige naleving en nationale tenuitvoerlegging van hun bestaande verplichtingen op grond van de internationale ontwapenings- en non-proliferatieverdragen en -overeenkomsten en andere internationale verplichtingen op dit gebied.

    De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze Overeenkomst vormt.

  • 2 De partijen komen voorts overeen samen te werken en bij te dragen tot de doelstelling van non-proliferatie door:

    • maatregelen te nemen met het oog op de ondertekening of bekrachtiging van dan wel toetreding tot, en de volledige tenuitvoerlegging van alle andere relevante internationale instrumenten;

    • instelling van een effectief stelsel van nationale exportcontroles met het oog op de beheersing van uitvoer en doorvoer van goederen die betrekking hebben op massavernietigingswapens, met inbegrip van een controle op eindgebruik als massavernietigingswapen van technologieën voor tweeërlei gebruik alsmede effectieve sancties op overtreding van de exportcontroles.

    De financiële en technische bijstand voor de samenwerking bij het bestrijden van de verspreiding van massavernietigingswapens wordt gefinancierd met andere specifieke middelen dan die welke bestemd zijn voor de financiering van de ACS-EG-samenwerking.

  • 3 De partijen komen overeen een regelmatige politieke dialoog in te stellen ter begeleiding en consolidatie van deze elementen.

  • 4 Indien een partij, na een versterkte politieke dialoog te hebben gevoerd, waarbij met name gebruik is gemaakt van verslagen van het Internationaal Atoomagentschap (IAEA), de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW) en andere relevante multilaterale instellingen, van oordeel is dat een andere partij niet heeft voldaan aan een verplichting die voortvloeit uit lid 1 van dit artikel inzake de non-proliferatie van massavernietigingswapens, verstrekt die partij, behalve in bijzondere dringende gevallen, de andere partij, de ACS-Raad van Ministers en de EU-Raad van de Ministers alle terzake dienende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde tot een voor de partijen aanvaardbare oplossing te komen. Met dit doel verzoekt zij de andere partij om overleg te plegen over maatregelen die door de betrokken partijen zijn genomen of moeten worden genomen om de situatie recht te zetten.

  • 5 Het overleg vindt plaats op het niveau en in de vorm die het meest geschikt wordt geacht om tot een oplossing te komen.

    Het overleg begint uiterlijk 30 dagen na de datum van het verzoek; de duur ervan wordt, afhankelijk van de aard en ernst van de schending, met wederzijdse instemming vastgesteld. De dialoog in het kader van de overlegprocedure duurt in geen geval langer dan 120 dagen.

  • 6 Indien het overleg niet tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing leidt, indien overleg wordt geweigerd of in bijzonder dringende gevallen, kunnen passende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen worden ingetrokken zodra de redenen ervoor hebben opgehouden te bestaan.

Artikel 12. Coherentie van het Gemeenschapsbeleid en de impact daarvan op de uitvoering van de overeenkomst [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De partijen verbinden zich ertoe de beleidscoherentie inzake ontwikkeling op doelgerichte, strategische en op partnerschap berustende wijze te bevorderen, onder andere door versterking van de dialoog op het gebied van beleidscoherentie inzake ontwikkeling. De Unie erkent dat de Unie met haar beleid op andere gebieden dan ontwikkeling steun kan verlenen aan de ontwikkelingsprioriteiten van de ACS-staten, overeenkomstig de doelstellingen van deze Overeenkomst. Op deze grondslag verbetert de Unie de samenhang van die beleidsgebieden teneinde de doelstellingen van deze Overeenkomst te bereiken.

Onverminderd artikel 96 stelt de Gemeenschap, indien zij voornemens is bij de uitvoering van haar bevoegdheden een maatregel te nemen die, gelet op de doelstellingen van de Overeenkomst, van invloed kan zijn op de belangen van de ACS-staten, de ACS-groep daarvan tijdig in kennis. Met het oog hierop houdt de Commissie het secretariaat van de ACS-groep op de hoogte van geplande voorstellen en doet zij haar voorstellen voor maatregelen van deze aard tegelijkertijd aan dit secretariaat toekomen. Zo nodig kan ook op initiatief van de ACS-staten een verzoek om inlichtingen worden ingediend.

Op verzoek van deze staten vindt onverwijld overleg plaats opdat, voordat een definitief besluit wordt genomen, rekening kan worden gehouden met hun bezwaren ten aanzien van de gevolgen van deze maatregelen.

Na dit overleg kunnen de ACS-staten en de ACS-groep hun bezwaren bovendien schriftelijk aan de Gemeenschap zo vlug mogelijk kenbaar maken en voorstellen voor wijzigingen doen die aangeven hoe hun bezwaren ondervangen moeten worden.

Indien de Gemeenschap geen gevolg geeft aan de voorstellen van de ACS-staten, stelt zij de ACS-staten daar zo spoedig mogelijk van in kennis, onder opgave van redenen.

De ACS-groep wordt tevens, indien mogelijk tevoren, toereikende informatie verstrekt over de inwerkingtreding van deze besluiten.

Artikel 13. Migratie

  • 1 Betreffende migratie wordt in het kader van het partnerschap tussen EU en ACS een diepgaande dialoog gehouden.

    De partijen bevestigen opnieuw dat zij krachtens het internationale recht gehouden zijn en zich ertoe verbonden hebben toe te zien op de eerbiediging van de mensenrechten en de bestrijding van alle vormen van discriminatie op grond van met name afkomst, geslacht, ras, taal en godsdienst.

  • 2 De partijen zijn het erover eens dat ten aanzien van migratie een partnerschap met zich meebrengt: billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op hun grondgebied verblijven, integratiebeleid dat deze onderdanen rechten en plichten geeft die vergelijkbaar zijn met die van hun staatsburgers, versterking van de bestrijding van discriminatie in het economische, sociale en culturele leven en ontwikkeling van maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat.

  • 3 Elke lidstaat past op werknemers die de nationaliteit van een ACS-staat bezitten en legaal in loondienst werkzaam zijn op zijn grondgebied, wat arbeidsvoorwaarden, beloning en ontslag betreft, een regeling toe waarbij geen discriminatie op grond van nationaliteit plaatsvindt ten opzichte van zijn eigen onderdanen. Elke ACS-staat past bovendien ten aanzien hiervan op werknemers die de nationaliteit van een lidstaat bezitten een vergelijkbare niet-discriminerende regeling toe.

  • 4 De partijen zijn van oordeel dat strategieën om de armoede te bestrijden, de levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren, werkgelegenheid te scheppen en scholingsmogelijkheden te ontwikkelen, op de lange termijn bijdragen tot normalisering van de migratiestromen.

    De partijen houden in het kader van de ontwikkelingsstrategieën en de nationale en regionale programmering rekening met de structurele knelpunten die met de migratiestromen verband houden, teneinde de economische en sociale ontwikkeling van de gebieden waaruit de migranten afkomstig zijn te steunen en de armoede terug te dringen.

    De Gemeenschap steunt door middel van nationale en regionale samenwerkingsprogramma's de opleiding van onderdanen van de ACS-staten, in hun land van herkomst, in een ander ACS-land of in lidstaat van de Europese Unie. Ten aanzien van opleiding in een lidstaat zien de partijen erop toe dat dergelijke opleidingen gericht zijn op de professionele integratie van de ACS-onderdanen in hun land van herkomst.

    De partijen ontwikkelen samenwerkingsprogramma's teneinde de toegang voor studerenden uit de ACS-staten tot het onderwijs te vergemakkelijken, met name door gebruikmaking van nieuwe communicatietechnologieën.

  • 5

    • a In het kader van de politieke dialoog bespreekt de Raad van Ministers problemen die het gevolg zijn van illegale immigratie, teneinde waar toepasselijk tot middelen voor een preventiebeleid te komen.

    • b. In dit verband komen de partijen met name overeen erop toe te zien dat in het kader van alle procedures voor terugkeer van illegale immigranten naar hun land van herkomst de rechten en de waardigheid van het individu worden gerespecteerd. De autoriteiten verstrekken hun in verband hiermede de administratieve faciliteiten die voor hun terugkeer noodzakelijk zijn.

    • c. Voorts komen de partijen overeen:

      • i. iedere lidstaat van de Europese Unie verbindt zich ertoe eigen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een ACS-staat verblijven op verzoek van die staat zonder verdere formaliteiten over te nemen;

        iedere ACS-staat verbindt zich ertoe eigen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verblijven op verzoek van die lidstaat zonder verdere formaliteiten over te nemen.

        Voor dergelijke doeleinden verstrekken de lidstaten en de ACS-staten hun onderdanen passende identiteitsdocumenten.

        Wat de lidstaten van de Europese Unie betreft zijn de verplichtingen van dit lid uitsluitend van toepassing op personen die voor de toepassing van het Gemeenschapsrecht geacht worden hun onderdanen te zijn overeenkomstig Verklaring nr. 2 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie. Wat de ACS-staten betreft zijn de verplichtingen van dit lid uitsluitend van toepassing op personen die overeenkomstig het rechtsstelsel van het betrokken land geacht worden hun onderdanen te zijn.

      • ii. Op verzoek van een partij wordt overleg geopend met de ACS-staten teneinde in goed vertrouwen en met inachtneming van de desbetreffende regels van het internationale recht overeenkomsten bilaterale overeenkomsten te sluiten inzake specifieke verplichtingen op het gebied van de overname en terugkeer van hun onderdanen. Indien een partij zulks noodzakelijk acht, bevatten dergelijke overeenkomsten tevens regelingen voor de overname van onderdanen van derde landen en van stateloze personen. In die regelingen wordt bepaald welke categorieën personen onder de regelingen vallen, alsmede op welke wijze de overname en de terugkeer dienen te geschieden.

        De ACS-staten wordt passende steun verleend ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze regelingen.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „partijen” verstaan: de Gemeenschap, elk van haar lidstaten en elke ACS-staat.

DEEL 2. INSTITUTIONELE BEPALINGEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Artikel 14. Gezamenlijke instellingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De instellingen in het kader van deze Overeenkomst zijn de Raad van Ministers, het Comité van Ambassadeurs en de Paritaire Parlementaire Vergadering.

  • 2 De gezamenlijke instellingen, alsmede de instellingen die bij economische partnerschapsovereenkomsten zijn ingesteld, streven naar coördinatie, coherentie en complementariteit en doeltreffende wederzijdse informatieverstrekking, onverminderd de desbetreffende bepalingen van reeds bestaande of toekomstige economische partnerschapsovereenkomsten.

Artikel 14 bis. Bijeenkomsten van staatshoofden en regeringsleiders [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De partijen komen bijeen op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders in een door de partijen overeen te komen passende vorm.

Artikel 15. De Raad van Ministers [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De Raad van Ministers bestaat uit de leden van de Raad van de Europese Unie en leden van de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en een lid van de regering van elke ACS-staat anderzijds.

    Het voorzitterschap van de Raad van Ministers wordt bij toerbeurt bekleed door een lid van de Raad van de Europese Unie en een lid van de regering van een ACS-staat.

    De Raad van Ministers komt, op initiatief van de voorzitter, in de regel eenmaal per jaar bijeen, alsmede in alle gevallen wanneer zulks noodzakelijk wordt geacht, in een vorm en een geografische samenstelling die passend zijn voor de te bespreken vraagstukken. Dergelijke bijeenkomsten bieden de gelegenheid tot overleg op hoog niveau over aangelegenheden die voor de partijen van specifiek belang zijn, ter aanvulling van de werkzaamheden van het bij artikel 38 ingestelde Gemengd Ministerieel Handelscomité en het bij artikel 83 ingestelde ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, die als input dienen voor de reguliere jaarlijkse bijeenkomsten van de Raad van Ministers.

  • 2 De Raad van Ministers heeft de volgende taken:

    • a. hij voert de politieke dialoog;

    • b. hij stelt beleidsrichtsnoeren vast en neemt de noodzakelijke besluiten voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de Overeenkomst, met name wat betreft ontwikkelingsstrategieën voor de specifieke gebieden die onder deze Overeenkomst vallen en alle andere relevante gebieden, alsmede wat betreft de procedures;

    • c. hij onderzoekt en vindt een oplossing voor problemen die de effectieve en efficiënte tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst kunnen belemmeren of de verwezenlijking van de doelstellingen ervan kunnen verhinderen;

    • d. hij ziet toe op de soepele werking van de overlegmechanismen.

  • 3 De Raad van Ministers neemt zijn besluiten bij overeenstemming tussen de partijen. De Raad van Ministers kan slechts geldig besluiten indien ten minste de helft van de leden van de Raad van de Europese Unie, één lid van de Commissie en twee derde van de leden die de regeringen van de ACS-staten vertegenwoordigen, aanwezig zijn. Ieder lid van de Raad van Ministers kan zich bij verhindering laten vertegenwoordigen. Het plaatsvervangend lid oefent alle rechten van het verhinderde lid uit.

    De Raad van Ministers kan besluiten nemen die voor de partijen bindend zijn en op de reguliere jaarlijkse bijeenkomsten of door middel van een schriftelijke procedure resoluties, aanbevelingen en adviezen formuleren. Hij brengt over de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst jaarlijks verslag uit aan de Paritaire Parlementaire Vergadering. Hij bestudeert resoluties en aanbevelingen van de Paritaire Parlementaire Vergadering en neemt die in overweging.

    De Raad van Ministers voert een permanente dialoog met de vertegenwoordigers van de sociale en economische partners en andere actoren van de civiele samenleving in de ACS en in de EU. Daartoe kan buiten de vergaderingen overleg worden gevoerd.

  • 4 De Raad van Ministers kan bevoegdheden delegeren aan het Comité van Ambassadeurs.

  • 5 De Raad van Ministers stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst zijn reglement van orde vast.

Artikel 16. Het Comité van Ambassadeurs

  • 1 Het Comité van Ambassadeurs bestaat uit de Permanente Vertegenwoordigers van alle lidstaten bij de EU en een vertegenwoordiger van de Commissie enerzijds en het hoofd van de missie bij de EU van iedere ACS-staat anderzijds.

    Het voorzitterschap van het Comité van Ambassadeurs wordt bij toerbeurt bekleed door de Permanente Vertegenwoordiger van een door de Gemeenschap aangewezen lidstaat en het hoofd van een missie die een door de ACS-staten aangewezen ACS-staat vertegenwoordigt.

  • 2 Het Comité staat de Raad van Ministers bij in de vervulling van zijn taken en voert alle opdrachten uit waarmee het Comité door de Raad van Ministers is belast. In dit verband volgt het de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst en de vooruitgang die bij de verwezenlijking van de daarin omschreven doelstellingen wordt geboekt.

    Het Comité van Ambassadeurs komt regelmatig bijeen, met name om de zittingen van de Raad voor te bereiden, en bij elke andere noodzakelijk geachte gelegenheid.

  • 3 Het Comité stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst zijn reglement van orde vast.

Artikel 17. De Paritaire Parlementaire Vergadering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De Paritaire Parlementaire Vergadering bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de Europese Unie en vertegenwoordigers van de ACS-staten. De leden van de Paritaire Parlementaire Vergadering zijn enerzijds leden van het Europese Parlement en anderzijds Parlementsleden of, bij ontstentenis daarvan, andere vertegenwoordigers die door het parlement van iedere ACS-staat zijn aangewezen. Indien een ACS-staat geen parlement heeft, moet de deelneming van een vertegenwoordiger van die ACS-staat vooraf door de Paritaire Parlementaire Vergadering worden goedgekeurd.

  • 2 De taken van de Paritaire Parlementaire Vergadering als raadgevend lichaam zijn als volgt:

    • bevordering van de democratische processen door middel van dialoog en overleg;

    • bevordering van het wederzijds begrip tussen de volkeren van de Europese Unie en die van de ACS-staten en stimulering van de bekendheid met ontwikkelingsvraagstukken bij de bevolking;

    • bespreking van vraagstukken met betrekking tot ontwikkeling en het partnerschap tussen ACS en EU, zoals economische partnerschapsovereenkomsten, andere handelsregelingen, het Europees Ontwikkelingsfonds en landenstrategiedocumenten en regionale strategiedocumenten. Met het oog hierop doet de Commissie deze strategiedocumenten ter informatie toekomen aan de Paritaire Parlementaire Vergadering;

    • bespreking van het jaarverslag van de Raad van Ministers over de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en aanneming van resoluties en formulering van aanbevelingen aan de Raad van Ministers met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst;

    • bevordering van institutionele ontwikkeling en versterking van de capaciteit van de nationale parlementen overeenkomstig artikel 33, lid 1, van deze Overeenkomst.

  • 3 De Paritaire Parlementaire Vergadering komt twee maal per jaar in voltallige vergadering bijeen, bij toerbeurt in de Europese Unie en in een ACS-staat. Teneinde de regionale integratie te versterken en de samenwerking tussen de nationale parlementen te bevorderen, worden op regionaal niveau bijeenkomsten tussen parlementsleden van de EU en de ACS-staten gehouden.

    Bij de organisatie van deze bijeenkomsten op regionaal niveau worden de doelstellingen van artikel 14, lid 2, in aanmerking genomen.

  • 4 De Paritaire Parlementaire Vergadering stelt binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst haar reglement van orde vast.

DEEL 3. SAMENWERKINGSSTRATEGIEËN

Artikel 18

De samenwerkingsstrategieën worden gebaseerd op ontwikkelingsstrategieën en de economische en commerciële samenwerking; deze twee gebieden zijn onderling verbonden en vullen elkaar aan. De partijen zien erop toe dat de inspanningen op beide gebieden elkaar wederzijds versterken.

TITEL I. ONTWIKKELINGSSTRATEGIEËN

HOOFDSTUK I. ALGEMEEN KADER

Artikel 19. Principes en doelstellingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De centrale doelstelling van de ACS-EG-samenwerking is bestrijding en uiteindelijk uitroeiing van armoede; duurzame ontwikkeling; en geleidelijke integratie van de ACS-staten in de wereldeconomie. In deze context worden samenwerkingskader en richtlijnen afgestemd op de individuele omstandigheden in elke ACS-staat, en worden de lokale betrokkenheid bij de economische en sociale hervormingen en de integratie van de particuliere sector en actoren van de civiele samenleving in het ontwikkelingsproces bevorderd.

  • 2 Bij de samenwerking wordt uitgegaan van de conclusies van de conferenties van de Verenigde Naties en de op internationaal niveau overeengekomen doelstellingen, oogmerken en actieprogramma's, alsmede van de follow-up daarvan, als basis voor ontwikkelingsprincipes. Bij de samenwerking wordt mede uitgegaan van de doelstellingen van de internationale ontwikkelingssamenwerking; voorts wordt bijzondere aandacht geschonken aan de totstandbrenging van kwalitatieve en kwantitatieve voortgangsindicatoren. De partijen streven gezamenlijk naar snellere vooruitgang met betrekking tot de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

  • 3 Regering en niet-overheidsactoren in elke ACS-staat nemen het initiatief tot overleg over de ontwikkelingsstrategieën van het land en de steun van de gemeenschap daarvoor.

Artikel 20. Benadering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De doelstellingen van de ACS-EG-ontwikkelingssamenwerking dienen te worden bereikt door middel van geïntegreerde strategieën waarvan de economische, maatschappelijke, culturele, institutionele en milieuelementen in de lokale gemeenschap geworteld zijn. De samenwerking vormt aldus een samenhangend kader op basis waarvan steun kan worden verleend ten behoeve van de eigen ontwikkelingsstrategieën van de ACS-staten, waarbij gezorgd dient te worden voor complementariteit en interactie tussen de verschillende elementen, met name op nationaal en regionaal niveau en tussen die niveaus. In deze context, en binnen het kader van het ontwikkelingsbeleid en de hervormingen van de ACS-staten, zijn de ACS-EG-samenwerkingsstrategieën op nationaal en waar van toepassing regionaal niveau gericht op:

    • a. de verwezenlijking van snelle en duurzame, werkgelegenheid creërende economische groei, de ontwikkeling van de particuliere sector, de bevordering van de werkgelegenheid, de verbetering van de toegang tot productieve economische activiteiten en hulpmiddelen;

    • aa. stimulering van regionale samenwerking en integratie;

    • b. de bevordering van de menselijke en maatschappelijke ontwikkeling, waarbij erop wordt toegezien dat in de voordelen van de groei door allen gelijkelijk wordt gedeeld en de gelijkheid van vrouwen en mannen wordt gestimuleerd;

    • c. de stimulering van de culturele waarden van gemeenschappen en specifieke interacties met economische, politieke en maatschappelijke elementen;

    • d. de bevordering van de institutionele hervormingen en opbouw, de versterking van de instellingen die nodig zijn voor de consolidering van de democratie, goed bestuur en de totstandkoming van efficiënte en concurrerende markteconomieën; alsmede de opbouw van de capaciteit voor ontwikkeling en partnerschap; en

    • e. de bevordering van de duurzaamheid en het herstel van het milieu, goede praktijken en het behoud van de natuurlijke hulpbronnen.

  • 2 Er dient systematisch op te worden toegezien dat de volgende thematische of algemene onderwerpen aan de orde worden gesteld op alle samenwerkingsgebieden: mensenrechten, gendervraagstukken, democratie, goed bestuur, milieuduurzaamheid, klimaatverandering, overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten en institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw. Deze gebieden komen tevens in aanmerking voor steun van de Gemeenschap.

  • 3 De gedetailleerde teksten betreffende de doelstellingen en strategieën van de ontwikkelingssamenwerking, met name de sectorale beleidsvormen en strategieën, worden opgenomen in een compendium met operationele richtsnoeren voor specifieke samenwerkingsgebieden of -sectoren. Deze teksten kunnen worden herzien, gewijzigd en/of aangepast door de Raad van Ministers op basis van een aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering.

HOOFDSTUK II. GEBIEDEN WAAROP STEUN WORDT VERLEEND

DEEL I. ECONOMISCHE ONTWIKKELING [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Artikel 21. Investeringen en ontwikkeling van de particuliere sector [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 In het kader van de samenwerking wordt steun verleend voor de noodzakelijke economische en institutionele hervormingen en beleidslijnen op nationaal en/of regionaal niveau, die gericht zijn op de totstandbrenging van een gunstig klimaat voor investeringen en de ontwikkeling van een dynamische, levensvatbare en concurrerende particuliere sector. Voorts wordt in het kader van de samenwerking steun verleend ten behoeve van:

    • a. de bevordering van de dialoog en de samenwerking tussen de publieke en de particuliere sector;

    • b. de ontwikkeling van ondernemersvaardigheden en de bedrijfscultuur;

    • c. privatisering en hervorming van ondernemingen; en

    • d. ontwikkeling en modernisering van bemiddelings- en arbitragesystemen.

  • 2 Voorts wordt in het kader van de samenwerking steun verleend ter verbetering van de kwaliteit, beschikbaarheid en toegankelijkheid van financiële en niet-financiële diensten ten behoeve van particuliere ondernemingen, zowel formeel als informeel, door:

    • a. katalysering en benutting van binnenlandse en buitenlandse particuliere spaartegoeden ten behoeve van de financiering van particuliere ondernemingen door de ondersteuning van beleid gericht op de ontwikkeling van een moderne financiële sector, inclusief kapitaalmarkt, financiële instellingen en duurzame microfinancieringstransacties;

    • b. ontwikkeling en versterking van bedrijfsinstellingen en intermediaire organisaties, associaties, kamers van koophandel en lokale dienstverleners uit de particuliere sector die niet-financiële diensten ondersteunen en aanbieden aan ondernemingen, zoals professionele, technische, beheers-, opleidings- en commerciële-ondersteuningsdiensten; en

    • c. ondersteuning van instellingen, programma's, activiteiten en initiatieven die bijdragen tot de ontwikkeling en overdracht van technologieën, knowhow en goede praktijken met betrekking tot alle aspecten van de bedrijfsvoering.

  • 3 De samenwerking is gericht op de bevordering van de bedrijfsontwikkeling door de verlening van financiering, garantiefaciliteiten en technische ondersteuning gericht op de bevordering en ondersteuning van de oprichting, vestiging, uitbreiding, diversificatie, rehabilitatie, herstructurering, modernisering of privatisering van dynamische, levensvatbare en concurrerende ondernemingen in alle economische sectoren, alsmede van financiële tussenpersonen, zoals financieringsinstituten en venture-capitalinstellingen, en leasingbedrijven, door:

    • a. de totstandbrenging en/of versterking van financiële instrumenten in de vorm van investeringskapitaal;

    • b. de verbetering van de toegang tot essentiële input, zoals bedrijfsinformatie en advies- of technische bijstandsdiensten;

    • c. de stimulering van de exportactiviteiten, met name door capaciteitsopbouw op alle met de handel verband houdende gebieden; en

    • d. de bevordering van contacten, netwerken en samenwerking tussen bedrijven, met inbegrip van de overdracht van technologie en knowhow op nationaal, regionaal en ACS-EU-niveau, en partnerschappen met particuliere buitenlandse investeerders, voor zover die in overeenstemming zijn met de doelstellingen en richtlijnen van de ACS-EU-ontwikkelingssamenwerking.

  • 4 In het kader van de samenwerking wordt steun verleend voor de ontwikkeling van micro-ondernemingen door de verbetering van de toegang tot financiële en niet-financiële diensten; een passend beleids- en regelgevingskader voor hun ontwikkeling; en de verschaffing van opleiding en informatiediensten over goede praktijken op het gebied van microfinanciering.

  • 5 De steun voor investeringen en ontwikkeling van de particuliere sector omvat acties en initiatieven op macro-, meso- en micro-economisch niveau en bevordert het streven naar innovatieve financieringsmechanismen, waaronder het combineren en benutten van particuliere en openbare bronnen van ontwikkelingsfinanciering.

  • 6 De samenwerking ondersteunt investeringen van de openbare sector in basisinfrastructuur, die gericht zijn op ontwikkeling van de particuliere sector, economische groei en uitroeiing van de armoede.

Artikel 22. Macro-economische en structurele hervormingen en beleidslijnen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De samenwerking is gericht op de ondersteuning van de ACS-staten bij:

    • a. de totstandbrenging van macro-economische groei en stabilisatie door middel van een streng fiscaal en monetair beleid, resulterend in de vermindering van de inflatie en de verbetering van het externe en fiscale evenwicht; de versterking van de fiscale discipline, de stimulering van de begrotingstransparantie en -efficiency en de verbetering van de kwaliteit, rechtvaardigheid en samenstelling van het fiscaal beleid; en

    • b. de tenuitvoerlegging van structureel beleid dat erop is gericht de rol van de verschillende actoren, in het bijzonder van de particuliere sector, te versterken en een voor een sterkere mobilisatie van binnenlandse middelen en de groei van bedrijfsleven, investeringen en werkgelegenheid bevorderlijk klimaat te creëren, en tevens is gericht op:

      • i. de liberalisering van de handels- en wisselkoersregimes en de convertibiliteit van de lopende rekening, daarbij rekening houdende met de specifieke omstandigheden van elk land;

      • ii. de versterking van de hervormingen van de arbeids- en productenmarkt;

      • iii. de stimulering van hervormingen van de financiële systemen, die bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van een levensvatbare bancaire en non-bancaire sector, kapitaalmarkten en financiële diensten, inclusief microfinanciering;

      • iv. de verbetering van de kwaliteit van de particuliere en publieke diensten; en

      • v. de bevordering van de regionale samenwerking en geleidelijke integratie van het macro-economisch en monetair beleid.

  • 2 Bij de ontwikkeling van macro-economisch beleid en structurele aanpassingsprogramma's dient rekening te worden gehouden met de sociaal-politieke achtergrond en institutionele capaciteit van de betrokken staten; dit beleid en deze programma's dienen een positief effect te hebben op de armoedebestrijding en de toegang tot de sociale dienstverlening, en zijn gebaseerd op de volgende principes:

    • a. de ACS-staten zijn als eerste verantwoordelijk voor het analyseren van de op te lossen problemen en het opstellen en ten uitvoer leggen van de hervormingen;

    • b. steunprogramma's moeten worden afgestemd op de bijzondere situatie van elke ACS-staat; in deze programma's moet rekening worden gehouden met de maatschappelijke omstandigheden, de cultuur en het milieu van deze staten;

    • c. het recht van de ACS-staten om de koers van hun ontwikkelingsstrategieën en -prioriteiten te bepalen, wordt erkend en geëerbiedigd;

    • d. het tempo van de hervormingen moet realistisch zijn en verenigbaar met de capaciteiten en hulpbronnen van elke ACS-staat; en

    • e. de bevolking moet beter worden voorgelicht over de economische en maatschappelijke hervormingen en beleidslijnen.

Artikel 23. Economische en sectorale ontwikkeling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

In het kader van de samenwerking dient steun te worden verleend voor duurzame beleidslijnen en institutionele hervormingen en voor de nodige investeringen voor een gelijke toegang tot economische activiteiten en productiemiddelen, in het bijzonder:

  • a) de ontwikkeling van opleidingssystemen die bijdragen tot de verhoging van de productiviteit in de formele en informele sector;

  • b) kapitaal, krediet, grond, met name wat eigendomsrechten en gebruik betreft;

  • c) de ontwikkeling van plattelandsstrategieën gericht op de totstandkoming van een kader voor participatieve gedecentraliseerde planning, toewijzing en beheer van hulpbronnen;

  • d) de ontwikkeling van strategieën ter verbetering van de landbouwproductie en -productiviteit in de ACS-staten door met name de noodzakelijke financiering te verstrekken voor landbouwonderzoek, landbouwinputs en -diensten, ondersteunende plattelandsinfrastructuur en risicovermindering en -beheersing. De steun omvat openbare en particuliere investeringen in de landbouw, stimulering van de ontwikkeling van landbouwbeleid en -strategieën, versterking van organisaties van landbouwers en de particuliere sector, beheer van natuurlijke hulpbronnen, en ontwikkeling en werking van de landbouwmarkten. De strategieën voor de landbouwproductie versterken het nationale en regionale beleid voor voedselzekerheid en de regionale integratie. De samenwerking in dit verband ondersteunt de inspanningen van de ACS-staten om de concurrentiepositie van hun grondstoffenexport te versterken en hun strategieën voor de grondstoffenexport aan te passen aan de ontwikkeling van de handelsvoorwaarden;

  • e) duurzame ontwikkeling van de watervoorraden op basis van de beginselen van geïntegreerd beheer van de watervoorraden, waardoor een rechtvaardige en duurzame verdeling van gemeenschappelijke watervoorraden over de verschillende soorten gebruik daarvan wordt gewaarborgd;

  • f) duurzame ontwikkeling van aquacultuur en visserij, met inbegrip van zowel de binnenvisserij als de mariene rijkdommen binnen de exclusieve economische zones van de ACS-staten;

  • g) economische en technologische infrastructuur en diensten, inclusief vervoer, telecommunicatiesystemen, communicatiediensten en ontwikkeling van de informatiemaatschappij;

  • h) ontwikkeling van een concurrerende industrie-, mijnbouw- en energiesector, inclusief stimulering van de betrokkenheid en ontwikkeling van de particuliere sector;

  • i) ontwikkeling van de handel, inclusief de bevordering van eerlijke handel;

  • j) ontwikkeling van het bedrijfsleven, de financiële sector en het bankwezen; en andere dienstensectoren;

  • k) ontwikkeling van het toerisme;

  • l) ontwikkeling van infrastructuur en diensten ten behoeve van wetenschap, technologie en onderzoek; inclusief stimulering, overdracht en toepassing van nieuwe technologieën;

  • m) versterking van de capaciteit in productieve sectoren, met name in de publieke en particuliere sector;

  • n) bevordering van traditionele kennis; en

  • o) ontwikkeling en tenuitvoerlegging van specifieke aanpassingsstrategieën ter vermindering van de gevolgen van het verlies van preferenties, zo mogelijk met inachtneming van de activiteiten onder a) tot en met n).

Artikel 23 bis. Visserij [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Gezien de sleutelrol die visserij en aquacultuur in de ACS-staten spelen door hun positieve bijdrage aan de werkgelegenheid, het genereren van inkomsten, de voedselzekerheid en de middelen van bestaan van plattelands- en kustgemeenschappen en daardoor aan de bestrijding van armoede, wordt de samenwerking gericht op de verdere ontwikkeling van de aquacultuursector en de visserijsector in de ACS-staten, teneinde de sociale en economische voordelen van deze sectoren op duurzame wijze te vergroten.

De samenwerkingsprogramma's en -activiteiten ondersteunen onder andere de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën en beheersplannen voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur en de visserij in de ACS-staten en -regio’s, de integratie van de aquacultuur en de visserij in de nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën, de ontwikkeling van de infrastructuur en de technische kennis om de ACS-staten in staat te stellen een maximale duurzame opbrengst te behalen uit hun visserij en aquacultuur, de opbouw van de capaciteit van de ACS-staten om externe problemen te overwinnen die verhinderen dat zij hun visserijrijkdommen ten volle kunnen valoriseren, en de stimulering en ontwikkeling van gemeenschappelijke ondernemingen voor investeringen in de visserij- en de aquacultuursector in de ACS-staten. In alle via onderhandelingen tot stand te komen visserijovereenkomsten tussen de Gemeenschap en de ACS-staten dient rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsstrategieën op dit gebied.

Met wederzijdse instemming kan op hoog niveau, inclusief ministerieel niveau, overleg worden gevoerd over ontwikkeling, verbetering en/of versterking van de ACS-EU-ontwikkelingssamenwerking op het gebied van duurzame aquacultuur en visserij.

Artikel 24. Toerisme

De samenwerking is gericht op de duurzame ontwikkeling van de toeristenindustrie in de ACS-staten en -subregio's, waarbij het toenemende belang van deze sector voor de groei van de dienstensector in de ACS-staten en de toename van de internationale handel erkend wordt, alsmede het vermogen van de toeristenindustrie om andere sectoren van de economie te stimuleren en de rol die deze sector kan spelen bij de uitroeiing van armoede.

In het kader van de samenwerkingsprogramma's en -projecten worden de inspanningen van de ACS-staten ondersteund die gericht zijn op de totstandbrenging en verbetering van het juridische en institutionele kader en de hulpbronnen voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van duurzame beleidslijnen en programma's op het gebied van toerisme, alsmede, onder andere, de verbetering van de concurrentiepositie van deze sector, met name van het MKB, de ondersteuning en bevordering van investeringen, productontwikkeling, inclusief de ontwikkeling van de inheemse culturen in de ACS-staten, en versterking van de onderlinge banden tussen het toerisme en andere sectoren van de economie.

DEEL II. SOCIALE EN HUMANE ONTWIKKELING

Artikel 25. Sociale sectorale ontwikkeling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 In het kader van de samenwerking wordt steun verleend voor de inspanningen van de ACS-staten op het gebied van de ontwikkeling van algemene en sectorale beleidslijnen en hervormingen ter verbetering van de verspreiding en kwaliteit van, alsmede de toegang tot de sociale basisinfrastructuur en -diensten, waarbij rekening wordt gehouden met de lokale behoeften en specifieke eisen van de kwetsbaarste en minst bevoorrechte bevolkingsgroepen, teneinde de ongelijkheid wat betreft de toegang tot deze diensten te verminderen. Daarbij dient er in het bijzonder op te worden toegezien dat de overheidsuitgaven voor de sociale sectoren toereikend zijn. In deze context is de samenwerking gericht op:

    • a. de verbetering van onderwijs en opleiding op alle niveaus, waarbij gestreefd wordt naar erkenning van hogeronderwijskwalificaties, totstandbrenging van systemen voor kwaliteitsborging in het onderwijs, ook voor onderwijs dat online of met andere niet-conventionele middelen wordt gegeven, en opbouw van technische capaciteit en vaardigheden;

    • b. de verbetering van de stelsels voor gezondheidszorg, in het bijzonder de rechtvaardige toegang tot alomvattende en hoogwaardige gezondheidszorg, en voeding, de uitroeiing van honger en ondervoeding en het garanderen van de voedselvoorziening en de voedselzekerheid, onder meer door het ondersteunen van vangnetten;

    • c. de integratie van bevolkingsvraagstukken in de ontwikkelingsstrategieën, ter verbetering van de reproductieve gezondheidszorg, de eerstelijnsgezondheidszorg en de gezinsplanning; het voorkomen van verminking van de genitaliën bij vrouwen;

    • d. de bevordering van de bestrijding van:

      • hiv/aids, waarbij wordt toegezien op de bescherming van seksuele en reproductieve gezondheid en de rechten van vrouwen;

      • andere armoedegerelateerde ziekten, met name malaria en tuberculose;

    • e. de bevordering van de beschikbaarheid van drinkwater en de verbetering van de toegang tot veilig water en voldoende gezondheidszorg;

    • f. de verbetering van de beschikbaarheid van betaalbare en passende huisvesting voor alle bevolkingsgroepen door ondersteuning van goedkope, op de lagere-inkomensgroepen afgestemde huisvestingsprogramma's, alsmede verbetering van de stadsontwikkeling; en

    • g. de bevordering van participatieve methoden van sociale dialoog en de eerbiediging van de sociale basisrechten.

  • 2 In het kader van de samenwerking wordt voorts steun verleend voor capaciteitsopbouw op sociale gebieden, bijvoorbeeld ten behoeve van opleidingsprogramma's voor de ontwikkeling van sociaal beleid of met betrekking tot moderne beheersmethoden voor sociale projecten en programma's; beleid dat bevorderlijk is voor technologische innovatie en onderzoek; de opbouw van lokale knowhow en de bevordering van partnerschap; en de organisatie van rondetafelgesprekken op nationaal en/of regionaal niveau.

  • 3 In het kader van de samenwerking wordt de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleidslijnen en systemen voor sociale bescherming en veiligheid bevorderd en ondersteund, ter stimulering van de sociale cohesie en de bevordering van zelfhulp en solidariteit binnen de gemeenschap. De steun wordt onder andere geconcentreerd op de ontwikkeling van initiatieven gebaseerd op economische solidariteit, met name door het opzetten van socialeontwikkelingsfondsen die zijn afgestemd op de lokale behoeften en actoren.

Artikel 26. Jeugdzaken

In het kader van de samenwerking dient voorts steun te worden verleend voor de totstandbrenging van een samenhangend en omvattend beleid ter verwezenlijking van het potentieel van de jeugd met het doel deze beter te integreren in de samenleving en haar in staat te stellen zich volledig te ontplooien. In deze context wordt in het kader van de samenwerking steun verleend voor beleidslijnen, maatregelen en activiteiten gericht op:

  • a. de bescherming van de rechten van het kind en de jeugd, in het bijzonder van meisjes;

  • b. de bevordering van de vaardigheden, de energie, het streven naar innovatie en het potentieel van de jeugd, ter stimulering van de kansen van de jeugd op economisch, maatschappelijk en cultureel gebied en ter verbetering van de werkgelegenheidsvooruitzichten van de jeugd in de productieve sector;

  • c. de ondersteuning van instellingen binnen de lokale gemeenschap die kinderen de kans geven zich fysiek, psychologisch, maatschappelijk en economisch te ontplooien;

  • d. de herintegratie in de maatschappij van kinderen in postconflictsituaties door middel van rehabilitatieprogramma’s, en

  • e. bevordering van de actieve participatie van jonge burgers in het openbare leven en stimulering van de uitwisseling van studenten en de interactie van jeugdorganisaties uit de ACS en de Europese Unie.

Artikel 27. Cultuur en ontwikkeling [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De samenwerking op cultureel gebied is gericht op:

  • a. de integratie van de culturele dimensie op alle niveaus van de ontwikkelingssamenwerking;

  • b. de erkenning, het behoud en de bevordering van culturele waarden en identiteiten, teneinde een interculturele dialoog mogelijk te maken;

  • c. de erkenning, het behoud en de bevordering van de waarde van cultureel erfgoed; de ondersteuning van de ontwikkeling van de capaciteit in deze sector;

  • d. de ontwikkeling van de culturele sector en de verbetering van de markttoegang voor culturele goederen en diensten;

  • e. de erkenning en ondersteuning van de rol van cultuuractoren en cultuurnetwerken en hun bijdrage aan duurzame ontwikkeling; en

  • f. de bevordering van de culturele dimensie in het onderwijs en de deelname van jongeren aan culturele activiteiten.

DEEL IIII. REGIONALE SAMENWERKING EN INTEGRATIE

Artikel 28. Algemene benadering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 In het kader van de samenwerking tussen EU en ACS wordt effectieve bijstand verleend ter verwezenlijking van de doelstellingen en prioriteiten van de ACS-staten in de context van regionale samenwerking en integratie.

  • 2 Overeenkomstig de in de artikelen 1 en 20 vastgestelde algemene doelstellingen beoogt de samenwerking tussen ACS en EU:

    • a) bevordering van vrede en stabiliteit en de preventie en oplossing van conflicten;

    • b) bevordering van economische ontwikkeling en economische samenwerking door opbouw van grotere markten, vrij verkeer van personen, goederen, diensten, kapitaal, arbeid en technologie tussen de ACS-staten, snellere diversifiëring van de economieën van de ACS-staten, bevordering en uitbreiding van het handelsverkeer tussen de ACS-staten onderling en met derde landen, en geleidelijke integratie van de ACS-staten in de wereldeconomie;

    • c) bevordering van het beheer van uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling met een transnationale dimensie door onder andere coördinatie en harmonisatie van regionaal samenwerkingsbeleid.

  • 3 In overeenstemming met de voorwaarden van artikel 58 biedt de samenwerking tevens ondersteuning voor interregionale en intra-ACS-samenwerking, waarbij bijvoorbeeld betrokken zijn:

    • a) een of meer regionale ACS-organisaties, ook op continentaal niveau;

    • b) Europese landen en gebieden overzee en ultraperifere regio’s;

    • c) ontwikkelingslanden die niet tot de ACS-groep behoren.

Artikel 29. ACS-EU-samenwerking ter ondersteuning van regionale samenwerking en integratie [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De samenwerking op het gebied van stabiliteit, vrede en conflictpreventie ondersteunt:

    • a) de bevordering en ontwikkeling van een regionale politieke dialoog op gebieden als conflictpreventie en -oplossing, mensenrechten en democratisering, uitwisseling, netwerkvorming en bevordering van de mobiliteit van de verschillende actoren van de ontwikkeling, met name de civiele samenleving;

    • b) de bevordering van regionale initiatieven en regionaal beleid inzake veiligheidsgerelateerde vraagstukken, zoals wapenbeheersing, bestrijding van drugs, georganiseerde misdaad, witwassen van geld, omkoping en corruptie.

  • 2 De samenwerking op het gebied van regionale economische integratie ondersteunt:

    • a) de betrokkenheid van de minst ontwikkelde ACS-staten bij de totstandbrenging van regionale markten en het delen in de voordelen daarvan;

    • b) de tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van sectorale economische hervorming op regionaal niveau;

    • c) de liberalisering van handel en betalingen;

    • d) de stimulering van binnenlandse en buitenlandse grensoverschrijdende investeringen en andere initiatieven voor regionale of subregionale economische integratie;

    • e) de vermindering van de gevolgen van de netto-overgangskosten van de regionale integratie in de begrotingsmiddelen en op de betalingsbalans; en

    • f) infrastructuur, met name vervoer en communicatie, veiligheid daarvan en diensten, met inbegrip van de ontwikkeling van regionale kansen op het gebied van de informatie- en communicatietechnologieën (ICT).

  • 3 De samenwerking op het gebied van regionaal beleid inzake duurzame ontwikkeling ondersteunt de prioriteiten van de ACS-regio’s, en met name:

    • a) het milieu en het duurzame beheer van natuurlijke rijkdommen, waaronder water en energie, en de aanpak van klimaatverandering;

    • b) voedselzekerheid en landbouw;

    • c) gezondheid, onderwijs en opleiding;

    • d) onderzoek en technologische ontwikkeling; en

    • e) regionale initiatieven voor rampenparaatheid, vermindering van de gevolgen van rampen en wederopbouw na een ramp.

Artikel 30. Capaciteitsopbouw ter ondersteuning van regionale samenwerking en integratie binnen de ACS-groep [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Teneinde de doeltreffendheid en doelmatigheid van het regionale beleid te versterken, is de samenwerking gericht op ontwikkeling en versterking van de capaciteit van:

  • a) instellingen en organisaties voor regionale integratie die door de ACS-staten zijn opgericht, of waarin ACS-staten participeren en die regionale samenwerking en integratie bevorderen;

  • b) de nationale regeringen en parlementen met betrekking tot vraagstukken op het gebied van regionale integratie; en

  • c) niet-overheidsactoren, met inbegrip van de particuliere sector.

DEEL IV. THEMATISCHE EN ALGEMENE VRAAGSTUKKEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Artikel 31. Gendervraagstukken

De samenwerking draagt bij tot de versterking van beleidslijnen en programma's die de gelijkwaardige deelname van mannen en vrouwen aan alle aspecten van het politieke, economische, maatschappelijke en culturele leven beogen te verbeteren, te garanderen en te verruimen. De samenwerking draagt bij tot de verbetering van de toegang van vrouwen tot alle nodige hulpbronnen voor de volwaardige uitoefening van hun fundamentele rechten. In het kader van de samenwerking wordt met name een passend kader gecreëerd voor:

  • a. de integratie van gendervraagstukken en een genderbewuste benadering op alle niveaus van de ontwikkelingssamenwerking, inclusief macro-economische beleidslijnen, strategieën en maatregelen; en

  • b. de bevordering van de goedkeuring van specifieke positieve maatregelen ten gunste van vrouwen, zoals:

    • i. de bevordering van hun deelname aan de nationale en lokale politiek;

    • ii. de ondersteuning van vrouwenorganisaties;

    • iii. de toegang tot sociale basisdiensten, met name onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en gezinsplanning;

    • iv. de toegang tot productiemiddelen, met name grond, krediet en arbeidsmarkt; en

    • v. de specifieke inachtneming van vrouwen bij verlening van noodhulp en rehabilitatiemaatregelen.

Artikel 31 bis. HIV/AIDS [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De samenwerking ondersteunt de inspanningen van de ACS-staten ter ontwikkeling en versterking van beleid en programma’s in alle sectoren om de HIV/AIDSpandemie aan te pakken en te voorkomen dat deze de ontwikkeling belemmert. Steun wordt verleend aan de ACS-staten om de universele toegang tot HIV/AIDSpreventie, -behandeling, -verzorging en -steun tot stand te brengen en in stand te houden, en is met name gericht op:

  • a) prioritaire ondersteuning van de ontwikkeling en uitvoering van alomvattende multisectorale strategieën en plannen inzake HIV/AIDS in het kader van nationale en regionale ontwikkelingsplannen;

  • b) betrokkenheid van alle passende sectoren bij de nationale respons op HIV/AIDS en de brede inzet van belanghebbenden op alle niveaus;

  • c) versterking van de stelsels voor volksgezondheid en de aanpak van personeelstekorten in de gezondheidszorg teneinde de universele toegang tot en de effectieve integratie van HIV/AIDSpreventie, behandeling, verzorging en andere zorgdiensten te waarborgen;

  • d) aanpak van genderongelijkheid en seksueel geweld en misbruik, factoren die de HIV/AIDSpandemie versterken, alsmede intensivering van de inspanningen om de rechten van meisjes en vrouwen te garanderen, doeltreffende gendersensitieve HIV/AIDSprogramma's en -diensten voor meisjes en vrouwen te ontwikkelen, ook met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en te bevorderen dat vrouwen ten volle worden betrokken bij de planning en besluitvorming inzake HIV/AIDSstrategieën en -programma’s;

  • e) ontwikkeling van juridische en beleidsmatige ondersteunende kaders en afschaffing van bestraffende wetten, beleidslijnen, praktijken, stigmatisering en discriminatie waardoor de rechten van de mens worden ondermijnd, de kwetsbaarheid voor HIV/AIDS wordt vergroot en de toegang tot doeltreffende HIV/AIDSpreventie, -behandeling, -verzorging en -steun, waaronder geneesmiddelen, voorzieningen en diensten voor HIV/AIDSpatiënten en de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, wordt belemmerd;

  • f) verbetering van de toegang tot wetenschappelijk onderbouwde, brede HIV/AIDSpreventie die zich richt op de plaatselijke factoren van de epidemie en de specifieke behoeften van vrouwen, jongeren en de meest kwetsbare bevolkingsgroepen; en

  • g) betrouwbare toegang voor iedereen tot veilige, hoogwaardige en betaalbare geneesmiddelen en tot gezondheidsvoorzieningen, met inbegrip van voorzieningen voor seksuele en reproductieve gezondheid.

Artikel 32. Milieu en natuurlijke hulpbronnen

  • 1 De samenwerking op het gebied van milieubescherming en duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen is gericht op:

    • a. de integratie van het beginsel van duurzaam milieubeheer in alle aspecten van de ontwikkelingssamenwerking en de ondersteuning van de door de verschillende actoren ten uitvoer gelegde programma's en projecten;

    • b. de opbouw en/of versterking van de wetenschappelijke en technische, menselijke en institutionele capaciteit van alle actoren die een rol spelen op het gebied van de milieubescherming;

    • c. de ondersteuning van specifieke maatregelen en regelingen voor de aanpak van kritieke vraagstukken op het gebied van duurzaam milieubeheer en in verband met de huidige en toekomstige, regionale en internationale verplichtingen inzake delfstoffen en natuurlijke hulpbronnen, met name betreffende:

      • i. tropische bossen, watervoorraden, hulpbronnen van kustgebieden, mariene hulpbronnen en visbestanden, flora en fauna, bodem, biodiversiteit;

      • ii. bescherming van fragiele ecosystemen (bijvoorbeeld koraalrif);

      • iii. hernieuwbare energiebronnen, met name zonne-energie en energie-efficiency;

      • iv. duurzame plattelands- en stadsontwikkeling;

      • v. woestijnvorming, droogte en ontbossing;

      • vi. ontwikkeling van innovatieve oplossingen voor stedelijke milieuproblemen; en

      • vii. bevordering van duurzaam toerisme;

    • d. de inachtneming van vraagstukken met betrekking tot vervoer en verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen.

  • 2 In het kader van de samenwerking dient tevens rekening te worden gehouden met:

    • a. de kwetsbaarheid van kleine insulaire ACS-staten, in het bijzonder gezien de dreiging van klimaatverandering;

    • b. de verslechtering van de problemen op het gebied van droogte en woestijnvorming van de minst ontwikkelde en niet aan zee grenzende ACS-staten; en

    • c. institutionele opbouw en capaciteitsopbouw.

Artikel 32 bis. Klimaatverandering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De partijen erkennen dat klimaatverandering een ernstig wereldwijd milieuprobleem is, dat de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in gevaar brengt en toereikende, voorspelbare en tijdige financiële ondersteuning vereist. Om deze redenen dient de samenwerking, in overeenstemming met artikel 32 en met name lid 2, onder a), daarvan:

  • a) te erkennen dat de ACS-staten, en met name kleine eilanden en laaggelegen ACS-staten, kwetsbaar zijn voor klimaatgerelateerde verschijnselen zoals kusterosie, cyclonen, overstromingen en door milieuomstandigheden veroorzaakte bevolkingsverplaatsingen, en dat in het bijzonder de minst ontwikkelde en niet aan zee grenzende ACS-staten kwetsbaar zijn voor toenemende overstromingen, droogte, ontbossing en woestijnvorming;

  • b) beleid en programma's te versterken en ondersteunen tot vermindering van klimaatverandering en tot aanpassing aan de gevolgen daarvan en de dreiging die uit klimaatverandering voortvloeit, onder andere door middel van institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw;

  • c) de capaciteit van de ACS-staten te versterken op het gebied van de ontwikkeling van en de deelname aan de wereldwijde koolstofmarkt; en

  • d) zich te concentreren op de volgende activiteiten:

    • i) opneming van klimaatverandering in de ontwikkelingsstrategieën en de inspanningen om armoede te bestrijden;

    • ii) versterking van het politieke profiel van klimaatverandering binnen de ontwikkelingssamenwerking, onder meer door een passende beleidsdialoog;

    • iii) bijstand aan de ACS-staten bij de aanpassing aan klimaatverandering in de desbetreffende sectoren, zoals landbouw, waterbeheer en infrastructuur, onder andere door overdracht en overname van relevante en milieuvriendelijke technologieën;

    • iv) bevordering van rampenpreventie, aangezien er bij steeds meer rampen een verband is met klimaatverandering;

    • v) verlening van financiële en technische steun voor bestrijdingsmaatregelen van de ACS-staten, in lijn met doelstellingen inzake armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling; dit omvat tevens het terugdringen van emissies die het gevolg zijn van ontbossing en aantasting van de bossen en het terugdringen van emissies in de landbouw;

    • vi) verbetering van de informatieverstrekking over weer en klimaat en de weersvoorspellingen en van systemen voor vroegtijdige waarschuwing;

    • vii) bevordering van hernieuwbare energiebronnen en koolstofarme technologieën die bevorderlijk zijn voor duurzame ontwikkeling.

Artikel 33. Institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 In het kader van de samenwerking wordt systematisch aandacht besteed aan institutionele aspecten; in deze context wordt steun verleend ten behoeve van de inspanningen van de ACS-staten met het oog op de ontwikkeling en versterking van de structuren, instellingen en procedures die bijdragen tot:

    • a. de bevordering en ondersteuning van de democratie, de menselijke waardigheid, sociale rechtvaardigheid en pluralisme, rekening houdende met de diversiteit binnen de samenlevingen en tussen de samenlevingen onderling;

    • b. de bevordering en ondersteuning van de universele en volledige eerbiediging, inachtneming en bescherming van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden;

    • c. de ontwikkeling en versterking van de rechtsstaat; de verbetering van de toegang tot het rechtsapparaat, daarbij de vakkundigheid en onafhankelijkheid van de rechtsstelsels waarborgend; en

    • d. het garanderen van transparant en verantwoordelijk bestuur en beheer in alle overheidsinstellingen.

  • 2 De partijen werken samen bij de bestrijding van omkoping en corruptie op alle niveaus binnen hun samenlevingen.

  • 3 In het kader van de samenwerking worden de inspanningen van de ACS-staten ondersteund om hun overheidsinstellingen te ontwikkelen tot een positieve factor voor groei en ontwikkeling, en de efficiency en impact van de overheidsdiensten op het leven van de burgers aanmerkelijk te verbeteren. In deze context wordt in het kader van de samenwerking bijstand verleend bij de hervorming, rationalisering en modernisering van de overheidssector. Meer bepaald is de steun in het kader van de samenwerking gericht op:

    • a. de hervorming en modernisering van het ambtenarenapparaat;

    • b. juridische en justitiële hervormingen en de modernisering van de rechtsstelsels;

    • c. de verbetering en versterking van het beheer van de overheidsfinanciën en de begroting, teneinde de economische activiteiten in de ACS-staten verder te ontwikkelen en de belastingopbrengsten te vergroten, met volledige inachtneming van de soevereiniteit van de ACS-staten op dit gebied.

      Onder meer kunnen de volgende maatregelen worden genomen:

      • i) versterking van de capaciteit op het gebied van het beheer van de binnenlandse overheidsinkomsten, met inbegrip van de opbouw van een doeltreffend, efficiënt en duurzaam belastingstelsel;

      • ii) bevordering van de deelname aan internationale structuren en processen voor fiscale samenwerking, teneinde de verdere ontwikkeling van en de effectieve naleving van internationale normen te vergemakkelijken;

      • iii) ondersteuning van de toepassing van internationale goede praktijken op fiscaal gebied, waaronder transparantie en informatie-uitwisseling, in de ACS-staten die zich daartoe verbonden hebben;

    • d. het in een hoger tempo doorvoeren van de hervormingen van de bancaire en financiële sector;

    • e. de verbetering van het beheer van de overheidsmiddelen en de hervorming van de procedures voor overheidsopdrachten; en

    • f. politieke, administratieve, economische en financiële decentralisering.

  • 4 Voorts wordt in het kader van de samenwerking steun verleend voor het herstel en/of de verbetering van de kritische capaciteit van de overheidssector en de ondersteuning van de instellingen die nodig zijn in een markteconomie.

    • a. de ontwikkeling van de bekwaamheden op het gebied van wet- en regelgeving die nodig zijn voor het goed functioneren van een markteconomie, inclusief mededingingsbeleid en consumentenbeleid;

    • b. de verbetering van de capaciteit om beleid, vooral op economisch, sociaal of milieugebied of op het gebied van onderzoek, wetenschap, technologie en innovatie te analyseren, te plannen, te formuleren en ten uitvoer te leggen;

    • c. de modernisering, versterking en hervorming van de financiële en monetaire instellingen en de verbetering van de desbetreffende procedures;

    • d. de opbouw, op lokaal en gemeentelijk niveau, van de capaciteit die nodig is voor de tenuitvoerlegging van het decentraliseringsbeleid en de bevordering van de betrokkenheid van de bevolking bij het ontwikkelingsproces; en

    • e. de ontwikkeling van de capaciteit op andere kritieke gebieden, zoals:

      • i. internationale onderhandelingen; en

      • ii. beheer en coördinatie van externe hulp.

  • 5 De samenwerking omvat alle gebieden en sectoren en is gericht op de bevordering van de betrokkenheid daarbij van niet-overheidsactoren en de ontwikkeling van hun capaciteiten; alsmede op de versterking van de structuren voor informatie, dialoog en overleg tussen deze actoren en de nationale overheden, onder andere op regionaal niveau.

TITEL II. ECONOMISCHE EN COMMERCIELE SAMENWERKING

HOOFDSTUK I. DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 34. Doelstellingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De economische en commerciële samenwerking heeft ten doel de soepele en geleidelijke integratie van de ACS-staten in de wereldeconomie te bevorderen, met inachtneming van hun politieke keuzen en ontwikkelingsprioriteiten, zodat hun duurzame ontwikkeling wordt gestimuleerd en wordt bijgedragen aan het een eind maken aan de armoede in de ACS-landen.

  • 2 Het uiteindelijk doel van economische en commerciële samenwerking is de ACS-staten in staat te stellen ten volle aan de internationale handel deel te nemen. In deze context wordt bijzondere aandacht besteed aan de noodzaak dat de ACS-staten actief aan de multilaterale handelsbesprekingen deelnemen. Gezien het huidige ontwikkelingsniveau van de ACS-landen moet de economische en commerciële samenwerking worden gericht op het de ACS-staten in staat stellen de uitdagingen van globalisering aan te kunnen en zich geleidelijk aan te passen aan de nieuwe voorwaarden van de internationale handel, zodat hun overgang naar de geliberaliseerde wereldeconomie wordt vergemakkelijkt. In dit verband wordt nauwe aandacht geschonken aan de kwetsbaarheid van vele ACS-staten door hun afhankelijkheid van grondstoffen of een klein aantal sleutelproducten, waaronder agro-industriële producten met toegevoegde waarde, en door het risico van het verlies van preferenties.

  • 3 Door middel van de in titel I bedoelde strategieën voor nationale en regionale ontwikkeling beoogt de economische en commerciële samenwerking daartoe de versterking van de productie-, aanbod- en handelscapaciteit van de ACS-landen en hun vermogen om investeringen aan te trekken. Voorts is deze samenwerking gericht op de totstandbrenging van een nieuwe handelsdynamiek tussen de partijen, de versterking van het handels- en investeringsbeleid van de ACS-landen, de vermindering van hun afhankelijkheid van grondstoffen, de bevordering van sterker gediversifieerde economieën en de verbetering van het vermogen van deze landen om alle met de handel verband houdende zaken af te handelen.

  • 4 De economische en commerciële samenwerking wordt in volledige overeenstemming met de bepalingen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), inclusief die met betrekking tot bijzondere en aan de omstandigheden aangepaste behandeling, uitgevoerd met inachtneming van de wederzijdse belangen van de partijen en hun respectieve ontwikkelingsniveaus. De samenwerking betreft tevens de gevolgen van het verlies van preferenties, in volledige overeenstemming met de multilaterale verbintenissen.

Artikel 35. Beginselen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De economische en commerciële samenwerking is gebaseerd op een waarlijk, versterkt en strategisch partnerschap. Zij is voorts gebaseerd op een integrale aanpak, die voortbouwt op de sterke punten en het succes van de voorgaande ACS-EG-Overeenkomsten.

  • 2 De economische en commerciële samenwerking bouwt voort op regionale integratie-initiatieven van de ACS-staten. De samenwerking ter ondersteuning van regionale samenwerking en integratie, zoals bedoeld in titel I, en de economische en commerciële samenwerking versterken elkaar onderling. Ter versterking van het concurrentievermogen van de ACS-staten pakt de economische en commerciële samenwerking met name knelpunten aan de vraag- en de aanbodzijde aan, in het bijzonder koppeling van infrastructuur, diversificatie van de economie en maatregelen tot ontwikkeling van het handelsverkeer. Derhalve wordt passende aandacht geschonken aan de overeenkomstige maatregelen in de ontwikkelingsstrategieën van de ACS-staten en -regio's, die door de Gemeenschap worden gesteund, in het bijzonder door verlening van hulp voor handel.

  • 3 De economische en commerciële samenwerking houdt rekening met de verschillende ontwikkelingsbehoeften en -niveaus van de ACS-landen en -regio's. In deze context herbevestigen de partijen hun gehechtheid aan een bijzondere en aan de omstandigheden aangepaste behandeling voor alle ACS-landen en handhaving van de bijzondere behandeling van de minst ontwikkelde ACS-landen en aan het naar behoren rekening houden met de kwetsbaarheid van kleine, niet aan zee grenzende en insulaire landen.

HOOFDSTUK II. NIEUWE HANDELSREGELINGEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Artikel 36. Modaliteiten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Met het oog op bovenstaande doelstellingen en beginselen komen de partijen overeen alle noodzakelijke maatregelen te treffen voor de sluiting van nieuwe, met de WTO verenigbare economische partnerschapsovereenkomsten, die de tussen hen bestaande handelsbelemmeringen geleidelijk opheffen en de samenwerking op alle voor de handel van belang zijnde terreinen versterken.

  • 2 De economische partnerschapsovereenkomsten zijn, als ontwikkelingsinstrumenten, bedoeld om de soepele en geleidelijke integratie van de ACS-staten in de mondiale economie te bevorderen, vooral door volledig gebruik te maken van het potentieel van de regionale integratie en de zuid-zuidhandel.

  • 3 De partijen komen overeen deze nieuwe handelsregelingen geleidelijk in te voeren.

Artikel 37. Procedures [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Gedurende de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten wordt overeenkomstig titel I en artikel 35 steun verleend voor capaciteitsopbouw in de openbare en de particuliere sector van de ACS-landen, onder meer door middel van maatregelen ter versterking van het concurrentievermogen, ter versterking van regionale organisaties en ter ondersteuning van initiatieven voor regionale handelsintegratie, waarbij zo nodig bijstand wordt verleend voor budgettaire aanpassing en fiscale hervorming, verbetering en ontwikkeling van infrastructuur en bevordering van investeringen.

  • 2 De partijen toetsen regelmatig de voortgang van de onderhandelingen overeenkomstig artikel 38.

  • 3 Er zullen onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten worden gevoerd met de ACS-landen die zich daartoe in staat achten op een door hen geschikt geacht niveau en in overeenstemming met de door de ACS-groep overeengekomen procedures, en met het oog op ondersteuning van regionale integratieprocessen binnen de ACS.

  • 4 De onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten beogen met name vaststelling van het tijdschema voor de geleidelijke opheffing van handelsbelemmeringen tussen de partijen in overeenstemming met de desbetreffende WTO-regels. Aan Gemeenschapszijde bouwt de handelsliberalisatie voort op het acquis en heeft zij de verbetering van de huidige markttoegang voor de ACS-landen ten doel via onder meer een herziening van de oorsprongsregels. In de onderhandelingen wordt rekening gehouden met het ontwikkelingsniveau van de ACS-staten en de sociaaleconomische gevolgen van handelsmaatregelen voor deze staten, en hun vermogen hun economieën aan het liberalisatieproces aan te passen en daarop af te stemmen. Bij de onderhandelingen zal derhalve een zo groot mogelijke soepelheid worden betracht bij de vaststelling van een voldoende lange overgangsperiode, de definitieve lijst van in aanmerking komende producten, met inachtneming van de gevoelige sectoren, en de mate van asymmetrie wat betreft de tijdschema's voor tariefafbouw, waarbij de op dat moment geldende WTO-regels in acht worden genomen.

  • 5 De partijen werken nauw samen in WTO-verband met het oog op verduidelijking en motivering van de getroffen regelingen, met name op het punt van de mate van soepelheid.

  • 6 De partijen zetten de besprekingen voort over vereenvoudiging en herziening van de oorsprongsregels, met inbegrip van cumulatiebepalingen, die op hun uitvoer van toepassing zijn.

  • 7 Wanneer ACS-staten een economische partnerschapsovereenkomst hebben gesloten, kunnen de ACS-staten die bij die overeenkomst geen partij zijn, te allen tijde om toetreding daartoe verzoeken.

  • 8 In het kader van de ACS-EU-samenwerking ter ondersteuning van de regionale samenwerking en integratie in ACS-verband, zoals in titel I omschreven, schenken de partijen overeenkomstig artikel 35 bijzondere aandacht aan de behoeften die door de tenuitvoerlegging van de economische partnerschapsovereenkomsten ontstaan. De in artikel 1 van bijlage IV bij deze Overeenkomst uiteengezette beginselen zijn van toepassing. Met het oog hierop bereiken de partijen overeenstemming over de toepassing van een bestaand of nieuw regionaal financieringsmechanisme voor de toekenning van middelen uit het meerjarig financieel kader voor de samenwerking en andere aanvullende middelen.

Artikel 37 bis. Andere handelsregelingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 In de context van de huidige handelspolitieke ontwikkeling naar sterkere liberalisering van het handelsverkeer kunnen de EU en de ACS-staten deelnemen aan onderhandelingen over en tenuitvoerlegging van overeenkomsten voor sterkere liberalisering van het multilaterale en bilaterale handelsverkeer. Deze liberalisering kan leiden tot het verlies van de aan de ACS-staten toegekende preferenties en tot aantasting van hun concurrentiepositie op de EU-markt en hun ontwikkelingsinspanningen, die de EU wenst te ondersteunen.

  • 2 Overeenkomstig de doelstellingen van de economische en commerciële samenwerking streeft de EU naar maatregelen om mogelijke negatieve gevolgen van de liberalisering op te vangen, teneinde binnen het multilaterale handelsstelsel zo lang mogelijk een significante preferentiële toegang voor de ACS-staten te behouden en te bewerkstelligen dat elke onvermijdelijke vermindering van de preferenties geleidelijk wordt ingevoerd over een zo lang mogelijke periode.

Artikel 38. Gemengd Ministerieel Handelscomité [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Er wordt een Gemengd Ministerieel Handelscomité ACS-EG opgericht.

  • 2 Het Ministeriële Handelscomité bespreekt alle handelsgerelateerde vraagstukken die voor alle ACS-staten van belang zijn, en houdt met name regelmatig toezicht op de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van economische partnerschapsovereenkomsten. Het geeft bijzondere aandacht aan de lopende multilaterale handelsbesprekingen en bestudeert de gevolgen die de initiatieven voor sterkere liberalisatie hebben voor de handel tussen ACS en EU en de ontwikkeling van de economieën van de ACS-staten. Het brengt verslag uit en doet passende aanbevelingen aan de Raad van Ministers, ook wat steunmaatregelen betreft, om de voordelen van de ACS-EG-handelsregelingen te versterken.

  • 3 Het Ministeriële Handelscomité komt tenminste eenmaal per jaar bijeen. Zijn reglement van orde wordt door de Raad van Ministers vastgesteld. Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de ACS-staten en de Gemeenschap.

Artikel 38 bis. Overleg [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Wanneer nieuwe maatregelen, of maatregelen die zijn voorzien in programma’s van de Gemeenschap ter harmonisering van wetgeving met het oog op handelsfacilitering, de belangen van een of meer ACS-staten kunnen schaden, stelt de Gemeenschap, alvorens zij dergelijke maatregelen neemt, het secretariaat van de ACS-groep en de betrokken ACS-staten hiervan in kennis.

  • 2 Om het de Gemeenschap mogelijk te maken de belangen van de ACS-groep in aanmerking te nemen, wordt op verzoek van de ACS-groep overleg gepleegd overeenkomstig artikel 12 van deze Overeenkomst om tot een bevredigende oplossing te komen.

  • 3 Indien bestaande regelgeving van de Gemeenschap op het gebied van handelsfacilitering de belangen van een of meer ACS-staten schaadt of indien deze belangen worden geschaad door de interpretatie, de toepassing of de uitvoering van deze regelgeving, wordt op verzoek van de betrokken ACS-staten overleg gepleegd overeenkomstig artikel 12 om tot een bevredigende oplossing te komen.

  • 4 Om een bevredigende oplossing te vinden, kunnen de partijen in het Gemengd Ministerieel Handelscomité ook andere handelsproblemen aan de orde stellen die het gevolg zijn van door de lidstaten getroffen of voorgenomen maatregelen.

  • 5 Teneinde effectief overleg mogelijk te maken, stellen de partijen elkaar van dergelijke maatregelen in kennis.

  • 6 De partijen komen overeen dat overleg binnen de instellingen van een economische partnerschapsovereenkomst en informatieverstrekking via deze instellingen, over aangelegenheden die onder een dergelijke overeenkomst vallen, geacht worden te voldoen aan dit artikel en aan artikel 12 van deze overeenkomst, mits alle mogelijk betrokken ACS-staten ondertekenaars zijn van de economische partnerschapsovereenkomst in het kader waarvan het overleg is gehouden of de informatie is verstrekt.

HOOFDSTUK III. SAMENWERKING IN INTERNATIONALE FORA

Artikel 39. Algemene bepalingen

  • 1 De partijen onderstrepen het belang van hun actieve deelneming in de Wereldhandelsorganisatie en in andere relevante internationale organisaties door lid van deze organisaties te worden en hun agenda en activiteiten van nabij te volgen.

  • 2 Zij komen overeen nauw samen te werken bij het vaststellen en bevorderen van hun gemeenschappelijke belangen bij internationale economische en commerciële samenwerking, met name in de WTO, onder meer door deelneming aan de opstelling en afhandeling van de agenda van toekomstige multilaterale handelsbesprekingen. In deze context wordt bijzondere aandacht besteed aan verbetering van de toegang tot de Gemeenschap en andere markten voor producten en diensten van oorsprong uit de ACS-landen.

  • 3 Zij zijn het eveneens eens over het belang van soepelheid van de WTO-regels zodat rekening kan worden gehouden met het ontwikkelingsniveau van de ACS-landen en hun moeilijkheden om aan hun verplichtingen te voldoen. Zij zijn het voorts eens over de noodzaak van technische bijstand om de ACS-landen in staat te stellen hun verbintenissen na te komen.

  • 4 De Gemeenschap stemt ermee in om de ACS-staten, in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst, te helpen actief lid van deze organisaties te worden door ontwikkeling van het vermogen dat nodig is om de betrokken overeenkomsten te sluiten, hieraan effectief deel te nemen, deze te volgen en uit te voeren.

Artikel 40. Grondstoffen

  • 1 De partijen erkennen de noodzaak te zorgen voor een betere functionering van de internationale grondstoffenmarkten en verhoging van de doorzichtigheid van deze markten.

  • 2 Zij bevestigen hun bereidheid tot uitbreiding van het onderling overleg in de internationale fora en organisaties die zich met grondstoffen bezighouden.

  • 3 Daartoe vinden op verzoek van een partij gedachtewisselingen plaats:

    • over de functionering van de bestaande internationale overeenkomsten of gespecialiseerde intergouvernementele werkgroepen met het doel deze te verbeteren en doelmatiger en meer in overeenstemming met de marktontwikkelingen te maken;

    • wanneer wordt voorgesteld om een internationale overeenkomst te sluiten of te verlengen of een gespecialiseerde intergouvernementele werkgroep op te richten.

    Dergelijke gedachtewisselingen hebben ten doel rekening te houden met de respectieve belangen van elke partij. Zij kunnen, zo nodig, in het kader van het Ministeriële Handelscomité plaatsvinden.

HOOFDSTUK IV. DE HANDEL IN DIENSTEN

Artikel 41. Algemene bepalingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen onderstrepen het toenemend belang van diensten in het internationale handelsverkeer en de grote bijdrage die deze leveren aan de economische en sociale ontwikkeling.

  • 3 In het kader van de onderhandelingen inzake de geleidelijke liberalisatie van de handel in diensten, zoals voorzien in artikel XIX van de GATS, zegt de Gemeenschap toe de prioriteiten van de ACS-staten ten aanzien van verbetering van de EG-lijst welwillend in overweging te zullen nemen ten einde aan hun specifieke belangen tegemoet te komen.

  • 4 Voorts stemmen de partijen er in het kader van de economische partnerschapsovereenkomsten en na enige ervaring te hebben opgedaan met de toepassing van de meestbegunstigingsclausule in het kader van de GATS mee in om hun partnerschap uit te breiden tot de liberalisatie van diensten in overeenstemming met de bepalingen van de GATS, en met name die betrekking hebben op de deelneming van ontwikkelingslanden in liberalisatieovereenkomsten.

  • 5 De Gemeenschap steunt, in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, de inspanningen van de ACS-staten ter versterking van hun dienstverleningscapaciteit. Bijzondere aandacht wordt besteed aan diensten op het gebied van arbeidskrachten, bedrijven, distributie, financiën, toerisme, cultuur en de bouw en de daarmee verband houdende technische diensten met het oog op verhoging van het concurrentievermogen van deze landen zodat de handel in goederen en diensten van deze landen in waarde en omvang toeneemt.

Artikel 42. Zeevervoer [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen erkennen het belang van kosteneffectieve en efficiënte zeevervoerdiensten in een veilig en schoon marien milieu, aangezien deze vervoertak bij uitstek de internationale handel bevordert en aldus een van de drijvende krachten van economische ontwikkeling en de ontwikkeling van de handel is.

  • 2 Zij verbinden zich tot bevordering van de liberalisatie van het zeevervoer en passen daartoe op effectieve wijze het beginsel van onbeperkte toegang op niet-discriminerende en commerciële basis tot de internationale zeevervoermarkt.

  • 3 Elke partij kent ondermeer een behandeling toe die niet minder gunstig is dan de aan de eigen schepen toegekende voor door onderdanen of bedrijven van de andere partij geëxploiteerde schepen en voor op het grondgebied van een van beide partijen geregistreerde schepen ten aanzien van de toegang tot havens, het gebruik van de infrastructuur en hulpdiensten van deze havens alsmede daarmee verband houdende vergoedingen en kosten, douane-installaties en de toewijzing van ligplaatsen en voorzieningen voor laden en lossen.

  • 4 De Gemeenschap steunt, in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, de inspanningen van de ACS-Staten om kosteneffectieve en efficiënte zeevervoerdiensten in de ACS-staten te ontwikkelen en te bevorderen met het oog op verhoging van de deelneming van ACS-ondernemers in internationale scheepvaartdiensten.

Artikel 43. Informatie- en communicatietechnologieën en informatiemaatschappij [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen erkennen de belangrijke rol die de informatie- en communicatietechnologieën en de actieve deelneming aan de informatiemaatschappij spelen voor de geslaagde integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie.

  • 2 Zij herbevestigen derhalve hun respectieve verbintenissen in het kader van bestaande multilaterale overeenkomsten, met name het aan de GATS gehechte protocol inzake basistelecommunicatie en verzoeken de ACS-landen die nog geen partij bij deze overeenkomsten zijn om hiertoe toe te treden.

  • 3 Voorts stemmen zij in met volledige en actieve deelneming aan eventuele op dit terrein te voeren internationale onderhandelingen.

  • 4 De partijen zullen derhalve maatregelen treffen die de inwoners van de ACS-landen gemakkelijke toegang tot de informatie- en communicatietechnologieën zullen bieden via onder meer de volgende maatregelen:

    • de ontwikkeling en aanmoediging van het gebruik van betaalbare en hernieuwbare energiebronnen;

    • de ontwikkeling en aanleg van uitgebreidere goedkope draadloze communicatienetwerken;

    • de ontwikkeling en aanmoediging van het gebruik van plaatselijke inhoud voor informatie- en communicatietechnologieën.

  • 5 De partijen komen tevens overeen de onderlinge samenwerking op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën en de informatiemaatschappij te intensiveren. Deze samenwerking is, in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, met name gericht op sterkere complementariteit en harmonisatie van de communicatiesystemen op nationaal, regionaal en internationaal niveau en hun aanpassing aan de nieuwe technologieën.

HOOFDSTUK V. MET DE HANDEL BERBAND HOUDENDE TERREINEN

Artikel 44. Algemene bepalingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen erkennen het toenemend belang dat nieuwe met de handel verband houdende terreinen spelen bij het vergemakkelijken van de geleidelijke integratie van de ACS-staten in de wereldeconomie. Zij stemmen er derhalve mee in om hun samenwerking op deze terreinen te versterken door volledige en gecoördineerde deelneming in de desbetreffende internationale fora en overeenkomsten.

  • 2 De Gemeenschap steunt, in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, de inspanningen van de ACS-staten tot versterking van hun vermogen om alle handelsgerelateerde terreinen aan te pakken, inclusief, zo nodig, met verbetering en ondersteuning van het institutionele kader.

Artikel 45. Mededingingsbeleid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen zijn het erover eens dat de invoering en tenuitvoerlegging van een efficiënt en gezond mededingingsbeleid en -regels van doorslaggevend belang zijn voor de verbetering en veiligstelling van een investeringsvriendelijk klimaat, een duurzaam industrialisatieproces en doorzichtigheid bij de toegang tot markten.

  • 2 Met het oog op de opheffing van concurrentiedistorsies en met inachtneming van de uiteenlopende ontwikkelingsniveaus en economische behoeften van elk ACS-land verplichten zij zich tot de toepassing van nationale of regionale regels en beleid, inclusief de controle op en onder bepaalde omstandigheden het verbod van overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen die als doel of gevolg hebben de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen. De partijen komen voorts overeen om misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt van de Gemeenschap of op het grondgebied van de ACS-staten te verbieden.

  • 3 De partijen komen eveneens overeen de samenwerking op dit terrein te versterken teneinde een effectief mededingingsbeleid met de passende nationale mededingingsorganisaties uit te stippelen en te ondersteunen dat geleidelijk zorgt voor het op efficiënte wijze doen naleven van de mededingingsregels door zowel particuliere als staatsondernemingen. De samenwerking op dit terrein omvat, in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, met name hulp bij het ontwerpen van een passend wettelijk kader en de administratieve uitvoering daarvan waarbij de bijzondere situatie van de minst ontwikkelde landen speciale aandacht krijgt.

Artikel 46. Bescherming van intellectuele eigendomsrechten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Onverminderd hun standpunten in multilaterale besprekingen erkennen de partijen de noodzaak te zorgen voor een toereikend en doeltreffend niveau van bescherming van de intellectuele, industriële en commerciële eigendomsrechten en andere onder de TRIPs vallende rechten, inclusief bescherming van geografische aanduidingen, in overeenstemming met de internationale normen, met het oog op vermindering van verstoringen van en belemmeringen voor de bilaterale handel.

  • 3 Zij zijn het eveneens eens over de noodzaak van toetreding tot alle internationale overeenkomsten inzake de intellectuele, industriële en commerciële eigendom, zoals bedoeld in deel I van de TRIPs-Overeenkomst, in overeenstemming met hun ontwikkelingsniveau.

  • 4 De Gemeenschap, haar lidstaten en de ACS-staten kunnen de sluiting overwegen van overeenkomsten die de bescherming beogen van handelsmerken en geografische aanduidingen voor producten van bijzonder belang voor beide partijen.

  • 5 In het kader van deze Overeenkomst omvat intellectuele eigendom met name auteursrecht, inclusief het auteursrecht op computerprogramma's, en naburige rechten, inclusief artistieke ontwerpen, en industriële eigendom mede omvattende gebruiksmodellen, octrooien, inclusief octrooien voor biotechnologische uitvindingen en plantenrassen of andere doeltreffende afzonderlijke stelsels, industriële ontwerpen, geografische aanduidingen, inclusief benamingen van oorsprong, handelsmerken voor goederen of diensten, topografieën van geïntegreerde schakelingen alsmede de wettelijke bescherming van databanken en de bescherming tegen oneerlijke concurrentie, zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en van niet-openbaar gemaakte informatie over knowhow.

  • 6 De partijen komen voorts overeen om hun samenwerking op dit terrein te versterken. Desgewenst omvat de samenwerking, op onderling overeengekomen voorwaarden en in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, onder meer de volgende gebieden: formulering van wet- en regelgeving inzake bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, voorkoming van misbruik van deze rechten door de houders en schending van deze rechten door concurrenten, en van wet- en regelgeving tot instelling en versterking van binnenlandse en regionale kantoren en andere instanties; dit houdt mede in dat steun wordt verleend aan regionale instellingen voor intellectuele eigendom die belast zijn met de toepassing en bescherming van deze rechten, onder meer voor de opleiding van personeel.

Artikel 47. Normalisatie en certificering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen komen overeen nauwer samen te werken op het gebied van normalisatie, certificering en kwaliteitsborging om onnodige technische belemmeringen op te heffen en onderlinge verschillen op deze gebieden te verkleinen teneinde de handel te bevorderen.

    In dit verband herbevestigen zij hun verbintenis krachtens de aan de WTO-Overeenkomst gehechte Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (TBT-overeenkomst).

  • 2 De samenwerking op het gebied van normalisatie en certificering heeft, in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, ten doel compatibele systemen tussen de partijen te bevorderen en omvat met name:

    • maatregelen, in overeenstemming met de TBT-overeenkomst, om een intensiever gebruik van internationale technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, inclusief sectorspecieke maatregelen, overeenkomstig het economische ontwikkelingsniveau van de ACS-landen te bevorderen;

    • samenwerking op het gebied van kwaliteitsbeheer en kwaliteitsborging in geselecteerde sectoren van belang voor de ACS-staten;

    • steun voor initiatieven met betrekking tot capaciteitsopbouw in de ACS-landen op gebieden zoals conformiteitsbeoordeling, metrologie en normalisatie;

    • de ontwikkeling van operationele banden tussen ACS- en Europese normalisatie-, conformiteitsbeoordelings- en certificeringsorganisaties.

  • 3 De partijen verbinden zich ertoe om te zijner tijd de sluiting van overeenkomsten inzake onderlinge erkenning in sectoren van wederzijdse economisch belang te overwegen.

Artikel 48. Sanitaire en fytosanitaire maatregelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen erkennen het recht van elke partij op het treffen of doen naleven van de sanitaire en fytosanitaire maatregelen die nodig zijn om het leven of de gezondheid van mens, dier of plant te beschermen, op voorwaarde dat deze maatregelen geen willekeurige discriminatie of verkapte beperking van de handel in het algemeen vormen. Daartoe herbevestigen zij hun verbintenissen krachtens de aan de WTO-Overeenkomst gehechte Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (de SPS-overeenkomst), met inachtneming van hun respectieve ontwikkelingsniveaus.

  • 2 Voorts verbinden zij zich tot versterking van coördinatie, overleg en informatie ten aanzien van de kennisgeving en toepassing van voorgestelde sanitaire en fytosanitaire maatregelen, overeenkomstig de SPS-overeenkomst, wanneer deze maatregelen afbreuk kunnen doen aan de belangen van een van beide partijen. Ook stemmen zij in met voorafgaand overleg en coördinatie in het kader van de Codex Alimentarius-commissie, het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten en het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten met het oog op bevordering van hun gemeenschappelijke belangen.

  • 3 De partijen komen overeen om, in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, hun samenwerking uit te breiden met het oog op versterking van de capaciteit van de openbare en de particuliere sector van de ACS-landen op dit gebied.

Artikel 49. Handel en milieu [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen herbevestigen hun verbintenis tot bevordering van de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze dat wordt gezorgd voor een duurzaam en deugdelijk beheer van het milieu in overeenstemming met de internationale verdragen en toezeggingen op dit terrein en met inachtneming van hun respectieve ontwikkelingsniveaus. Zij komen overeen dat er bij het ontwerpen en de uitvoering van milieumaatregelen rekening moet worden gehouden met de bijzondere behoeften van de ACS-staten, ook met betrekking tot het bepaalde in artikel 32 bis.

  • 2 Indachtig de beginselen van Rio en met het oog op versterking van de onderlinge verwevenheid van handel en milieu komen de partijen overeen hun samenwerking op dit terrein te verhogen. De samenwerking beoogt met name de totstandbrenging van een coherent nationaal, regionaal en internationaal beleid, versterking van met het milieu verband houdende kwaliteitscontroles van goederen en diensten en de verbetering van milieuvriendelijke productiemethoden in relevante sectoren te verzekeren.

  • 3 De partijen komen overeen dat milieumaatregelen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische doeleinden.

Artikel 50. Handel en arbeidsnormen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen herbevestigen hun gehechtheid aan de op internationaal vlak erkende fundamentele arbeidsnormen, zoals omschreven in de respectieve IAO-Verdragen, en met name de vrijheid van vakvereniging en het recht op collectieve onderhandelingen, de afschaffing van dwangarbeid, de opheffing van de ergste vormen van kinderarbeid en non-discriminatie op het gebied van tewerkstelling.

  • 2 Zij komen overeen de samenwerking op dit gebied te verhogen, met name op de volgende terreinen:

    • informatie-uitwisseling over de respectieve arbeidswetgeving en -regelgeving;

    • de uitstippeling van nationale arbeidswetgeving en versterking van de bestaande wetgeving;

    • vormings- en bewustmakingsprogramma's;

    • eerbiediging van de toepassing van de nationale arbeidswetgeving en -regelgeving.

  • 3 De partijen komen overeen dat arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische doeleinden.

Artikel 51. Consumentenbeleid en bescherming van de gezondheid van de consument [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen komen overeen hun samenwerking op het gebied van het consumentenbeleid en de bescherming van de gezondheid van de consument te verhogen met inachtneming van de nationale wetgevingen ter voorkoming van handelsbelemmeringen.

  • 2 De samenwerking heeft met name ten doel om, in overeenstemming met de in titel I vastgestelde nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en overeenkomstig artikel 35, de institutionele en technische capaciteit op dit gebied te verbeteren, snelle alarmsystemen voor wederzijdse voorlichting over gevaarlijke producten tot stand te brengen, informatie en ervaringen uit te wisselen over de totstandbrenging en het doen functioneren van toezicht na het op de markt brengen van producten en productveiligheid, de aan de consument verstrekte informatie over prijzen, kenmerken van producten en geboden diensten te verbeteren, het opzetten van onafhankelijke consumentenverenigingen en contacten tussen vertegenwoordigers van de belangen van consumenten aan te moedigen, de compatibiliteit van consumentenbeleid en -systemen te verbeteren, kennis te geven van de uitvoering en samenwerking bij het onderzoek naar schadelijke of oneerlijke handelspraktijken te bevorderen en het geven van uitvoering aan exportverboden in de handel tussen partijen ten aanzien van goederen en diensten waarvan de afzet in het land van productie werd verboden.

Artikel 52. Clausule inzake uitsluiting van belastingen

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 32, lid 1, van bijlage IV, geldt de meestbegunstigingsbehandeling toegekend overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst of een in het kader van deze Overeenkomst getroffen regeling niet voor belastingvoordelen die de partijen elkaar nu of in de toekomst verlenen op basis van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing of andere belastingregelingen of nationale belastingwetgeving.

  • 2 Niets in deze Overeenkomst of in in het kader van deze Overeenkomst getroffen regelingen mag zo worden uitgelegd dat het treffen of de uitvoering van maatregelen ter voorkoming van belastingfraude of -ontwijking overeenkomstig de belastingbepalingen in overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing of andere belastingregelingen of nationale belastingwetgeving wordt verhinderd.

  • 3 Niets in deze Overeenkomst of in in het kader van deze Overeenkomst getroffen regelingen mag zo worden uitgelegd dat wordt verhinderd dat de partijen bij de toepassing van de relevante bepalingen van hun belastingwetgeving onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren, met name wat betreft hun verblijfplaats, of wat betreft de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

HOOFDSTUK VI. SAMENWERKING OP ANDERE GEBIEDEN

Artikel 53. Visserijovereenkomsten

  • 1 De partijen verklaren hun bereidheid te onderhandelen over visserijovereenkomsten die beogen duurzame en wederzijds bevredigende voorwaarden voor visserijactiviteiten in de ACS-staten te waarborgen.

  • 2 Bij de sluiting of tenuitvoerlegging van dergelijke overeenkomsten passen de ACS-staten geen discriminatie toe jegens de Gemeenschap of tussen de lidstaten, onverminderd bijzondere regelingen tussen ontwikkelingslanden in hetzelfde geografisch gebied, inclusief visserijovereenkomsten op basis van wederkerigheid, en past de Gemeenschap geen discriminatie toe jegens de ACS-staten.

Artikel 54. Continuïteit van de voedselvoorziening

  • 1 Met betrekking tot de beschikbare landbouwproducten verbindt de Gemeenschap zich ertoe de mogelijkheid te waarborgen tot voorafgaande vaststelling voor een langere termijn van de restituties bij export naar alle ACS-staten voor een reeks producten die wordt vastgesteld met inachtneming van de door deze staten kenbaar gemaakte voedselbehoeften.

  • 2 De voorafgaande vaststelling geldt voor een jaar en wordt tijdens de geldigheidsduur van de Overeenkomst jaarlijks toegepast, met dien verstande dat het restitutieniveau zal worden vastgesteld overeenkomstig de gewoonlijk door de Commissie gevolgde methoden.

  • 3 Specifieke overeenkomsten kunnen worden gesloten met de ACS-staten die hierom verzoeken in het kader van hun beleid inzake de continuïteit van de voedselvoorziening.

  • 4 De in lid 3 bedoelde specifieke overeenkomsten mogen de productie en de handelsstromen in de ACS-regio's niet in gevaar brengen.

DEEL 4. SAMENWERKING INZAKE ONTWIKKELINGSFINANCIERING

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK I. DOELSSTELLINGEN, BEGINSELEN, RICHTSNOEREN EN BEGUNSTIGDEN

Artikel 55. Doelstellingen

De doelstellingen van samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering zijn het steunen en bevorderen, op basis van wederzijds belang en in een geest van onderlinge afhankelijkheid, van de inspanningen van de ACS-staten om de doelstellingen van deze Overeenkomst te verwezenlijken, zulks door toereikende financiële middelen en passende technische bijstand te verstrekken.

Artikel 56. Principes [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering wordt uitgevoerd op basis van en in overeenstemming met de door de ACS-staten op nationaal, regionaal en intra-ACS-niveau vastgestelde ontwikkelingsdoelstellingen, -strategieën en -prioriteiten. Daarbij worden hun respectieve geografische, sociale en culturele kenmerken en hun specifieke vermogens in aanmerking genomen. De samenwerking wordt gestuurd door de internationaal overeengekomen agenda voor de doeltreffendheid van hulp en is gebaseerd op eigen inbreng, onderlinge afstemming, donorcoördinatie en -harmonisatie, resultaatgestuurde ontwikkeling en wederzijdse verantwoording. Voor de samenwerking geldt met name:

    • a) de eigen plaatselijke inbreng, op alle niveaus, in het ontwikkelingsproces wordt bevorderd;

    • b) de samenwerking weerspiegelt een op wederzijdse rechten en plichten gebaseerd partnerschap;

    • c) de samenwerking benadrukt het belang van voorspelbaarheid en zekerheid ten aanzien van de verstrekking van middelen, die op zeer gunstige voorwaarden en op permanente basis dient te geschieden;

    • d) de samenwerking is flexibel en toegesneden op de situatie van iedere ACS-staat en op het specifieke karakter van het betrokken project of programma; en

    • e) er wordt toegezien op efficiency, coördinatie en consistentie.

  • 2 Bij de samenwerking wordt voorzien in een bijzondere behandeling voor de minst ontwikkelde ACS-landen en wordt rekening gehouden met de kwetsbaarheid van niet aan zee grenzende en insulaire ACS-landen. Voorts dient te worden voorzien in de specifieke behoeften van landen die zich in een situatie na een conflict bevinden.

Artikel 57. Richtsnoeren

  • 1 Bij de uitvoering van de uit hoofde van de Overeenkomst gefinancierde activiteiten werken de ACS-staten en de Gemeenschap nauw samen, met inachtneming van de gelijkheid der partners.

  • 2 De ACS-staten zijn verantwoordelijk voor:

    • a. het vaststellen van de doelstellingen en prioriteiten waarop de indicatieve programma's worden gebaseerd;

    • b. het selecteren van projecten en programma's;

    • c. het opstellen en presenteren van de dossiers voor de projecten en programma's;

    • d. het voorbereiden van aanbestedingen, het voeren van onderhandelingen en het gunnen van opdrachten;

    • e. de uitvoering en het beheer van projecten en programma's; en

    • f. het onderhoud van projecten en programma's.

  • 3 Onverminderd bovenstaande bepalingen kunnen tevens niet-overheidsactoren worden belast met het indienen van voostellen voor en het uitvoeren van programma's en projecten op gebieden die hen aangaan.

  • 4 De ACS-staten en de Gemeenschap zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor:

    • a. het in het kader van de gezamenlijke instellingen vaststellen van richtsnoeren voor de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering;

    • b. het vaststellen van de indicatieve programma's;

    • c. het evalueren van projecten en programma's;

    • d. het waarborgen dat op gelijke voorwaarden kan worden deelgenomen aan aanbestedingen en toegang wordt verkregen tot opdrachten;

    • e. het uitoefenen van toezicht op en het verrichten van de evaluatie van het effect en de resultaten van projecten en programma's; en

    • f. het toezien op adequate, snelle en doeltreffende uitvoering van projecten en programma's.

  • 5 De Gemeenschap is verantwoordelijk voor het nemen van de financieringsbesluiten met betrekking tot de projecten en programma's.

  • 6 Tenzij in de Overeenkomst anders wordt bepaald, wordt ieder besluit dat door een van de partijen bij de Overeenkomst moet worden goedgekeurd, goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd binnen zestig dagen na de kennisgeving door de andere partij.

Artikel 58. Begunstigden [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Voor financiële steun uit hoofde van deze Overeenkomst komen de volgende entiteiten en organisaties in aanmerking:

    • a. ACS-staten;

    • b. regionale of interstatelijke instanties waarvan een of meer ACS-staten deel uitmaken, met inbegrip van de Afrikaanse Unie of andere instanties waarvan ook niet-ACS-landen deel uitmaken, en die door deze ACS-staten zijn gemachtigd; en

    • c. gemengde organen die door de ACS-staten en de Gemeenschap zijn opgericht om bepaalde specifieke doelstellingen te verwezenlijken.

  • 2 Met instemming van de betrokken ACS-staat of -staten komen eveneens voor financiële steun in aanmerking:

    • a. nationale en/of regionale overheids- of semi-overheidsinstanties en departementen van de ACS-staten, met inbegrip van parlementen, en met name financiële instellingen en ontwikkelingsbanken uit de ACS-staten;

    • b. ondernemingen en andere particuliere organisaties en privaatrechtelijke lichamen uit de ACS-staten;

    • c. ondernemingen van een lidstaat van de Gemeenschap, ter aanvulling op hun eigen bijdrage, teneinde deze ondernemingen in staat te stellen productieve projecten op te zetten op het grondgebied van een ACS-staat;

    • d. financiële tussenpersonen uit de ACS of de Gemeenschap die particuliere of publieke investeringen in ACS-staten verstrekken, bevorderen en financieren;

    • e. plaatselijke gedecentraliseerde autoriteiten uit de ACS-staten en de Gemeenschap, en

    • f. ontwikkelingslanden die niet tot de ACS-groep behoren, indien zij tezamen met ACS-staten participeren in een gemeenschappelijk initiatief of een regionale organisatie, overeenkomstig artikel 6 van bijlage IV bij deze Overeenkomst.

  • 3 Niet-statelijke actoren uit de ACS-staten en de Gemeenschap die een plaatselijk karakter hebben, komen in aanmerking voor financiële steun uit hoofde van deze Overeenkomst volgens de modaliteiten die zijn overeengekomen bij de nationale en regionale indicatieve programma’s.

HOOFDSTUK II. Toepassingsgebied en aard van de financiering

Artikel 59

In het kader van de prioriteiten die door de betrokken ACS-staat of ACS-staten op nationaal of regionaal niveau zijn vastgesteld, kan steun worden verleend voor projecten, programma's en andere activiteiten die tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst bijdragen.

Artikel 60. TOEPASSINGSGEBIED EN AARD VAN DE FINANCIERING [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Financiering kan worden verleend ter ondersteuning van onder meer, afhankelijk van de behoeften en van het meest wenselijk geachte type activiteiten:

  • a. maatregelen die bijdragen tot vermindering van de schuldenlast en de betalingsbalansproblemen van de ACS-staten;

  • b. macro-economische en structurele hervormingen en beleid;

  • c. compensatie van de ongunstige kortetermijngevolgen van exogene schokken, waaronder instabiliteit van exportopbrengsten, voor de sociaaleconomische hervormingen en het sociaaleconomische beleid;

  • d. sectoraal beleid en sectorale hervormingen;

  • e. institutionele ontwikkeling en capaciteitsopbouw;

  • f. programma's voor technische samenwerking; en

  • g. humanitaire bijstand en noodhulp, met inbegrip van hulp aan vluchtelingen en ontheemden, interventies die in crisissituaties of postcrisissituaties een overgangsfase vormen van spoedmaatregelen voor herstel naar langetermijnontwikkeling, alsmede voorbereiding op rampen.

Artikel 61. Aard van de financiering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De financiering geschiedt onder meer in de volgende vormen:

    • a. projecten en programma's;

    • b. kredietlijnen, garantieregelingen en aandelenparticipatie;

    • c. begrotingssteun: hetzij rechtstreeks, voor de ACS-staten met convertibele en vrij verhandelbare valuta, hetzij onrechtstreeks door het gebruik van tegenwaardefondsen uit hoofde van de verschillende communautaire instrumenten;

    • d. menselijke en materiële middelen die noodzakelijk zijn voor effectief beheer van en toezicht op projecten en programma's;

    • e. sectorale en algemene programma's ter ondersteuning van de invoer, in de vorm van:

      • i. sectorale invoerprogramma's in natura, onder meer door financiering van inputs voor het productiestelsel en van benodigdheden om de sociale dienstverlening te verbeteren;

      • ii. sectorale invoerprogramma's in de vorm van in gedeelten vrijkomende deviezensteun ter financiering van sectorale invoer; en

      • iii. algemene invoerprogramma's in de vorm van in gedeelten vrijkomende deviezensteun ter financiering van de algemene invoer van een grote verscheidenheid aan producten.

  • 2 Rechtstreekse begrotingssteun ter ondersteuning van macro-economische of sectorale hervormingen wordt verleend indien:

    • a) goed uitgewerkte, op armoedebestrijding gerichte nationale of sectorale ontwikkelingsstrategieën aanwezig of in uitvoering zijn;

    • b) een goed uitgewerkt, op stabiliteit gericht macro-economisch of sectoraal beleid, dat door het land zelf is ingesteld en door de belangrijkste donors, waaronder indien van toepassing de internationale financiële instellingen, positief is beoordeeld, aanwezig of in uitvoering is; en

    • c) het financieel beheer van de overheid voldoende transparant, verantwoordelijk en doeltreffend is.

    De Gemeenschap stemt systemen en procedures specifiek op elk ACS-land af, houdt samen met het partnerland toezicht op haar begrotingssteun en steunt de inspanningen van de partnerlanden ter versterking van de nationale verantwoording, het toezicht door het parlement, de auditcapaciteiten en de toegang tot informatie voor het publiek.

  • 3 Soortgelijke begrotingssteun wordt geleidelijk verstrekt voor sectoraal beleid ter vervanging van afzonderlijke projecten.

  • 4 Door middel van de hierboven omschreven invoerprogramma's en begrotingssteun kan tevens steun worden verleend aan begunstigde ACS-staten die hervormingen uitvoeren die gericht zijn op intraregionale economische liberalisering en netto overgangskosten met zich meebrengen.

  • 5 De middelen die in het kader van de Overeenkomst ter financiering van projecten, programma’s en andere activiteiten die tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst bijdragen worden ingezet, zijn de middelen die zijn uitgetrokken in het meerjarig financieel kader voor de samenwerking waarin deze Overeenkomst voorziet, de eigen middelen van de Europese Investeringsbank (hierna „de Bank” genoemd), en waar toepasselijk andere middelen uit de begroting van de Europese Gemeenschap.

  • 6 De middelen die uit hoofde van de Overeenkomst worden verstrekt kunnen worden benut ter dekking van het totaal van plaatselijke en externe uitgaven voor projecten en programma's, en ook voor de financiering van terugkerende kosten.

TITEL II. FINANCIËLE SAMENWERKING [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

HOOFDSTUK I. FINANCIËLE MIDDELEN

Artikel 62. Totaalbedrag

  • 1 Het totale bedrag van de financiële steun van de Gemeenschap voor de in de Overeenkomst omschreven doeleinden en de uitgewerkte voorwaarden voor de financiering zijn opgenomen in de bijlagen bij de Overeenkomst.

  • 2 Indien een ACS-staat de Overeenkomst niet bekrachtigt of deze opzegt, passen de partijen de bedragen van de in het Financieel Protocol vastgestelde financiële middelen aan. Deze aanpassing wordt ook toegepast:

    • a. bij toetreding tot de Overeenkomst van nieuwe ACS-staten die niet aan de onderhandelingen over de Overeenkomst hebben deelgenomen; en

    • b. bij uitbreiding van de Gemeenschap.

Artikel 63. Methoden voor de financiering

De wijze waarop elk project of programma wordt gefinancierd, wordt door de betrokken ACS-staat of ACS-staten en de Gemeenschap in gemeenschappelijk overleg vastgesteld met inachtneming van:

  • a. het ontwikkelingsniveau en de geografische, economische en financiële situatie van deze staten;

  • b. de aard van het project of programma, de vooruitzichten inzake de economische en financiële rentabiliteit van het project of programma en de sociale en culturele gevolgen ervan; en

  • c. in geval van een lening, de factoren waardoor de dienst van de lening wordt gewaarborgd.

Artikel 64. Doorlening

  • 1 Financiële steun kan worden verleend aan of via de betrokken ACS-staten ofwel, overeenkomstig het bepaalde in de Overeenkomst, door bemiddeling van financiële instellingen die voor steun in aanmerking komen, dan wel rechtstreeks aan een andere begunstigde. Wanneer de financiële steun via een tussenpersoon aan de uiteindelijke begunstigde dan wel rechtstreeks aan de uiteindelijke begunstigde in de particuliere sector wordt verstrekt:

    • a. worden de voorwaarden waaronder de middelen via de tussenpersoon aan de uiteindelijke begunstigde of rechtstreeks aan de uiteindelijke begunstigde in de particuliere sector worden verstrekt, vastgelegd in de financierings- of de leningsovereenkomst; en

    • b. wordt een eventueel uit de doorleentransactie voor de tussenpersoon of uit de rechtstreekse kredietverstrekking voor de uiteindelijke begunstigde in de particuliere sector voortvloeiende financiële marge, na aftrek van de administratieve kosten, de financiële risico's en de wisselkoersrisico's en de kosten van de aan de uiteindelijke begunstigde verstrekte technische bijstand, aangewend voor ontwikkelingsdoeleinden onder de in de financierings- of de leningovereenkomst vastgestelde voorwaarden.

  • 2 Wanneer de financiering geschiedt door een bemiddelende instelling die in de ACS-staten is gevestigd of daar actief is, dient deze instelling elk project te selecteren en te evalueren en de daarvoor uitgetrokken middelen te beheren volgens de voorwaarden van deze Overeenkomst en in onderling overleg tussen de partijen.

Artikel 65. Medefinanciering

  • 1 Op verzoek van de ACS-staten kunnen de financieringsmiddelen van de Overeenkomst worden aangewend voor medefinanciering, in het bijzonder met ontwikkelingsorganisaties en -instellingen, lidstaten van de Gemeenschap, ACS-staten, derde landen dan wel internationale of particuliere financiële instellingen, ondernemingen of exportkredietinstellingen.

  • 2 Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de mogelijkheid van medefinanciering, wanneer de deelname van de Gemeenschap andere financiële instellingen tot deelname aanmoedigt en deze financiering voor de betrokken ACS-staat tot een voordelig financieel pakket kan leiden.

  • 3 Medefinanciering kan geschieden in de vorm van gezamenlijke of parallelle financiering. In elk afzonderlijk geval wordt de voorkeur gegeven aan de oplossing die de beste verhouding tussen kosten en effectiviteit biedt. Maatregelen worden getroffen om de deelname van de Gemeenschap en van de overige medefinanciers te coördineren en harmoniseren, teneinde het aantal door de ACS-staten te volgen procedures te beperken en deze procedures te versoepelen.

  • 4 Het overleg en de coördinatie met de andere donoren en medefinanciers moet worden versterkt en uitgebreid door zo mogelijk kaderovereenkomsten inzake medefinanciering te sluiten; het beleid en de procedures voor de medefinanciering moeten worden herzien uit een oogpunt van efficiency en om optimale omstandigheden te waarborgen.

HOOFDSTUK II. STEUN VOOR SCHULDVERLICHTING EN STRUCTURELE AANPASSING

Artikel 66. Steun voor schuldverlichting [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Teneinde de schuldenlast en de betalingsbalansproblemen van de ACS-staten te verlichten, komen de partijen overeen de middelen waarin het meerjarig financieel kader voor de samenwerking uit hoofde van deze Overeenkomst voorziet, in te zetten als bijdrage tot internationaal overeengekomen initiatieven voor schuldverlichting ten behoeve van de ACS-staten. De Gemeenschap verbindt zich ertoe te onderzoeken hoe op de langere termijn andere communautaire middelen kunnen worden benut ter ondersteuning van internationaal overeengekomen initiatieven voor schuldverlichting.

  • 2 Op verzoek van een ACS-staat kan de Gemeenschap:

    • a. bijstand verlenen voor het onderzoek naar en het vinden van concrete oplossingen voor schuldenlastproblemen, zoals binnenlandse schulden en problemen in verband met de schuldendienst en de betalingsbalans;

    • b. opleidingsmogelijkheden bieden op het gebied van schuldenbeheer en internationale financiële onderhandelingen, en steun verlenen voor workshops, cursussen en seminars met betrekking tot deze onderwerpen; en

    • c. bijstand verlenen voor het ontwikkelen van flexibele technieken en instrumenten voor schuldenbeheer.

  • 3 De ACS-staten kunnen op een met de Commissie per geval overeen te komen wijze de in de Overeenkomst bedoelde beschikbare deviezen aanwenden voor de aflossing van schulden die ontstaan zijn door leningen uit de eigen middelen van de Bank, speciale leningen en risicodragend kapitaal, zulks in overeenstemming met de vervaltermijnen van de schuld en ten hoogste voor het bedrag dat nodig is voor de betalingen in nationale valuta.

  • 4 Gezien de ernst van het probleem van de internationale schuldenlast en de gevolgen ervan voor de economische groei, verklaren de partijen zich bereid verder van gedachten te wisselen in het kader van de internationale besprekingen over het algemene probleem van de schuldenlast, onverminderd de specifieke besprekingen in de desbetreffende fora.

Artikel 67. Steun voor structurele aanpassing [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De Overeenkomst voorziet in steun voor de macro-economische en structurele hervormingen die door de ACS-staten worden uitgevoerd. De partijen zien er in dit verband op toe dat de aanpassing economisch uitvoerbaar en politiek en sociaal aanvaardbaar is. De steun wordt verleend in het kader van een door de Gemeenschap en de betrokken ACS-staat gezamenlijk verrichte beoordeling van de uitgevoerde of overwogen hervormingen op macro-economisch of sectoraal niveau, en dient een algehele evaluatie van de hervormingsinspanningen mogelijk te maken. De gezamenlijke beoordeling wordt zo veel mogelijk afgestemd op voor het land specifieke regelingen en de steun wordt beoordeeld aan de hand van de bereikte resultaten. Een van de hoofdkenmerken van de steunprogramma's is dat de hulp snel beschikbaar moet zijn.

  • 2 De ACS-staten en de Gemeenschap erkennen dat het opzetten van regionale hervormingsprogramma's moet worden aangemoedigd en dat bij het opstellen en uitvoeren van nationale programma's rekening dient te worden gehouden met regionale activiteiten die van invloed zijn op de nationale ontwikkeling. De steun voor structurele aanpassing moet daartoe tevens:

    • a. vanaf het begin van de situatiebeoordeling maatregelen omvatten ter aanmoediging van regionale integratie en ter inachtneming van de gevolgen van grensoverschrijdende aanpassingen;

    • b. steun bieden voor harmonisatie en coördinatie van het macro-economisch en sectoraal beleid, met inbegrip van de belasting- en douanestelsels, met als tweeledig doel regionale integratie en structurele hervorming op nationaal niveau; en

    • c. de gevolgen van de netto overgangskosten van de regionale integratie in de begrotingsmiddelen en op de betalingsbalans in acht nemen, door middel van algemene invoerprogramma's of door middel van begrotingssteun.

  • 3 Alle ACS-staten die hervormingen op macro-economisch of sectoraal gebied uitvoeren of overwegen komen in aanmerking voor steun voor structurele aanpassing, met inachtneming van de regionale context, de doeltreffendheid van de hervormingen en de mogelijke gevolgen voor de economische, sociale en politieke dimensie van de ontwikkeling en tevens gelet op de economische en sociale problemen van die staten.

  • 4 ACS-staten die hervormingsprogramma's opzetten die worden erkend en gesteund door in ieder geval de voornaamste multilaterale donoren, of overeengekomen zijn met die donoren maar door hen niet noodzakelijkerwijs financieel worden gesteund, worden geacht automatisch te hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van steun voor aanpassing.

  • 5 De steun voor structurele aanpassing wordt op flexibele wijze ter beschikking gesteld in de vorm van sectorale en algemene invoerprogramma's of begrotingssteun.

  • 6 Bij de voorbereiding en de evaluatie van en de financieringsbesluiten voor de programma's voor structurele aanpassing worden de bepalingen van deze Overeenkomst betreffende de uitvoeringsprocedures in acht genomen, en wordt rekening gehouden met de noodzaak van snelle uitkering van de steun voor structurele aanpassing. Per geval kan worden toegestaan dat een beperkt gedeelte van de invoer uit de ACS-staten of de Gemeenschap met terugwerkende kracht wordt gefinancierd.

  • 7 Bij de tenuitvoerlegging van elk steunprogramma wordt erop toegezien dat het bedrijfsleven van de ACS op zo ruim en transparant mogelijke wijze toegang krijgt tot de middelen van het programma en dat de aanbestedingsprocedures worden afgestemd op de administratieve en commerciële praktijk in de betrokken staat, terwijl voor in te voeren goederen een optimale prijs/kwaliteitverhouding en met betrekking tot de harmonisatie van de procedures voor het verlenen van steun voor structurele aanpassing de nodige samenhang met de op internationaal niveau verwezenlijkte vooruitgang wordt gewaarborgd.

HOOFDSTUK 3. STEUN BIJ EXOGENE SCHOKKEN [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Artikel 68 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De partijen erkennen dat macro-economische instabiliteit als gevolg van exogene schokken de ontwikkeling van de ACS-staten negatief kan beïnvloeden en de verwezenlijking van hun ontwikkelingsdoelen in gevaar kan brengen. Derhalve wordt, binnen het meerjarig financieel kader voor de samenwerking uit hoofde van deze Overeenkomst, een stelsel voor aanvullende steun opgezet teneinde de negatieve kortetermijneffecten van exogene schokken, waaronder de gevolgen voor de exportopbrengsten, te reduceren.

  • 2 Deze steun heeft ten doel het veiligstellen van sociaaleconomische hervormingen en beleid op gebieden die door de terugval van de opbrengsten negatief kunnen worden beïnvloed, en het reduceren van de negatieve kortetermijneffecten van dergelijke schokken.

  • 3 De zeer sterke afhankelijkheid van de economieën van de ACS-staten van de export, met name die van landbouw- en mijnbouwproducten, moet in aanmerking worden genomen bij de toewijzing van middelen. In dit verband wordt aan minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende, insulaire en zich in een situatie na een conflict of een natuurramp bevindende ACS-staten een gunstiger behandeling verleend.

  • 4 Op de verstrekking van de aanvullende middelen zijn de specifieke procedures van toepassing van het steunmechanisme dat in bijlage II bij deze Overeenkomst (Financieringsvoorwaarden) is omschreven.

  • 5 De Gemeenschap verleent tevens steun voor marktconforme verzekeringsregelingen die bestemd zijn voor ACS-staten die zich tegen de kortetermijneffecten van exogene schokken wensen te beschermen.

HOOFDSTUK VI. STEUN VOOR SECTORAAL BELEID

Artikel 69

  • 1 De samenwerking ondersteunt door middel van de diverse instrumenten en procedures waarin de Overeenkomst voorziet:

    • a. sociaal-economisch sectoraal beleid en sectorale hervormingen;

    • b. maatregelen ter intensivering van de activiteit van de productiesector en van het concurrentievermogen van de exportsector;

    • c. maatregelen tot uitbreiding van de dienstverlening van de sociale sector; en

    • d. thematische vraagstukken en vraagstukken met een dwarsverband.

  • 2 De steun wordt op gepaste wijze verleend door middel van:

    • a. sectorale programma's;

    • b. begrotingssteun;

    • c. investeringen;

    • d. wederopbouw;

    • e. opleiding;

    • f. technische bijstand; en

    • g. institutionele steun.

HOOFDSTUK V. MICROPROJECTEN EN GEDECENTRALISEERDE SAMENWERKING

Artikel 70

Teneinde tegemoet te komen aan de ontwikkelingsbehoeften van de plaatselijke gemeenschappen en om alle actoren van de gedecentraliseerde ontwikkeling die een bijdrage kunnen leveren aan de autonome ontwikkeling van de ACS-staten aan te moedigen initiatieven te ontplooien, steunt de samenwerking dergelijke ontwikkelingsactiviteiten, binnen het kader dat bepaald is door de wet- en regelgeving van de betrokken ACS-staten en de bepalingen van het indicatieve programma. In deze context steunt de samenwerking:

  • a. microprojecten op lokaal niveau die in economisch en sociaal opzicht een weerslag hebben op het leven van de bevolking, aan een geconstateerde en aangetoonde prioritaire behoefte beantwoorden en op initiatief en met actieve deelname van de begunstigde lokale gemeenschap worden uitgevoerd; en

  • b. gedecentraliseerde samenwerking, met name wanneer daarbij de inspanningen en middelen van gedecentraliseerde organisaties uit de ACS-staten en equivalente organisaties uit de Gemeenschap gecombineerd worden. Dankzij deze vorm van samenwerking kunnen vaardigheden, innoverende werkmethoden en middelen van de actoren van de gedecentraliseerde samenwerking in dienst worden gesteld van de ontwikkeling van de ACS-staat.

Artikel 71

  • 1 Microprojecten en ontwikkelingsactiviteiten in het kader van de gedecentraliseerde samenwerking kunnen worden gesteund met gebruikmaking van de financiële middelen in het kader de Overeenkomst. Projecten of programma's die onder deze vorm van samenwerking vallen, kunnen al dan niet gerelateerd zijn aan programma's in de concentratiesectoren van de indicatieve programma's, maar kunnen ook een methode zijn om de specifieke doelstellingen van het indicatieve programma te bereiken, of het resultaat van initiatieven van plaatselijke gemeenschappen of gedecentraliseerde instanties.

  • 2 Aan de financiering van microprojecten en gedecentraliseerde samenwerking wordt een bijdrage geleverd door het Fonds, die in beginsel niet meer mag bedragen dan drie vierde van de totale kosten van ieder project en de in het indicatieve programma gestelde limiet niet mag overschrijden. Het resterende gedeelte wordt als volgt gefinancierd:

    • a. voor microprojecten: door de betrokken lokale gemeenschap, die afhankelijk van haar mogelijkheden bijdragen levert in natura, in de vorm van dienstverlening of in contant geld;

    • b. door de actoren van de gedecentraliseerde samenwerking, mits de door hen ingebrachte financiële, technische, materiële en andere middelen als regel niet minder bedragen dan 25% van de geraamde kosten van het project of programma; en

    • c. in uitzonderlijke gevallen door de betrokken ACS-staat, via een financiële bijdrage, beschikbaarstelling van infrastructuurvoorzieningen of via dienstverlening.

  • 3 Voor de in het kader van microprojecten of gedecentraliseerde samenwerking gefinancierde projecten en programma's gelden de procedures die zijn vastgesteld in de Overeenkomst, met name die waarnaar in meerjarenprogramma's naar wordt verwezen.

HOOFDSTUK 6. HUMANITAIRE BIJSTAND, NOODHULP EN BIJSTAND NA DE NOODFASE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Artikel 72. Algemeen beginsel [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Humanitaire bijstand, noodhulp en bijstand na de noodfase worden verleend in crisissituaties. Het doel van humanitaire bijstand en noodhulp is het redden en behouden van mensenlevens en het voorkomen en verlichten van menselijk lijden overal waar dat noodzakelijk is. Bijstand na de noodfase is gericht op herstel en wordt verleend in de overgangsfase naar programma’s voor langeretermijnontwikkeling.

  • 2 Crisissituaties, met inbegrip van situaties van langdurige structurele instabiliteit of kwetsbaarheid, zijn situaties die de openbare orde of de veiligheid van personen bedreigen en die dreigen in een gewapend conflict te ontaarden of het land te destabiliseren. Crisissituaties kunnen ook het gevolg zijn van natuurrampen, door de mens veroorzaakte crises, zoals oorlogen en andere conflicten, of buitengewone omstandigheden met vergelijkbare gevolgen, die onder andere betrekking hebben op klimaatverandering, milieuschade, toegang tot energie en natuurlijke rijkdommen of extreme armoede.

  • 3 De humanitaire hulp, noodhulp en bijstand na de noodfase worden verleend zo lang als noodzakelijk is om te voorzien in de behoeften die van dergelijke omstandigheden het gevolg zijn voor de slachtoffers, waarmee een koppeling tot stand wordt gebracht tussen noodhulp, herstel en ontwikkeling.

  • 4 Humanitaire bijstand wordt uitsluitend verleend volgens de behoeften en belangen van de slachtoffers van de crisissituatie en in overeenstemming met de beginselen van het internationale humanitaire recht, op basis van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid. In het bijzonder mag er geen sprake zijn van discriminatie van slachtoffers op grond van ras, etnische afkomst, godsdienst, geslacht, leeftijd, nationaliteit of politieke overtuiging, en dienen de vrije toegang tot en de bescherming van de slachtoffers, alsmede de veiligheid van de hulpverleners en hun uitrusting, te worden gewaarborgd.

  • 5 De financiering van de humanitaire bijstand, noodhulp en bijstand na de noodfase geschiedt volgens het meerjarig financieel kader voor de samenwerking uit hoofde van deze Overeenkomst, indien de bijstand niet uit de begroting van de Unie kan worden gefinancierd. Bij de uitvoering van de humanitaire bijstand, noodhulp en bijstand na de noodfase wordt toegezien op complementariteit en coördinatie met de inspanningen van de lidstaten en op de toepassing van de beste praktijken op het gebied van de doeltreffendheid van de hulp.

Artikel 73. Tenuitvoerlegging [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Bijstandsacties worden uitgevoerd op verzoek van een ACS-land dat of een ACS-regio die door een crisissituatie is getroffen, op initiatief van de Commissie, of op advies van internationale organisaties of plaatselijke of internationale niet-overheidsorganisaties.

  • 2 De Gemeenschap treft de nodige maatregelen om snel ingrijpen mogelijk te maken, zodat kan worden voorzien in de onmiddellijke behoeften waarvoor de bijstand nodig is. Beheer en uitvoering van de steun geschieden volgens procedures die soepel, snel en doeltreffend ingrijpen mogelijk maken.

  • 3 Gezien de ontwikkelingsdoelstelling van de overeenkomstig dit hoofdstuk verstrekte bijstand, kan deze op verzoek van de betrokken staat of regio in uitzonderlijke gevallen worden gebruikt samen met het indicatieve programma.

HOOFDSTUK VII. STEUN VOOR INVESTERINGEN EN ONTWIKKELING VAN DE PARTICULIERE SECTOR

Artikel 74

De samenwerking steunt door middel van financiële en technische bijstand het beleid en de strategieën voor investeringen en de ontwikkeling van de particuliere sector, een en ander als bepaald in deze Overeenkomst.

Artikel 75. Bevordering van investeringen

De ACS-staten, de Gemeenschap en haar lidstaten, elk binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, erkennen het belang van particuliere investeringen voor de bevordering van hun ontwikkelingssamenwerking en de noodzaak maatregelen te treffen om deze investeringen te stimuleren. Daartoe ondernemen zij het volgende:

  • a. zij nemen maatregelen om particuliere investeerders die zich naar de doelstellingen en de prioriteiten van de ontwikkelingssamenwerking tussen ACS en EG, alsmede naar de vigerende wetten en voorschriften voegen, aan te moedigen aan hun ontwikkelingsinspanningen deel te nemen;

  • b. zij treffen maatregelen en voorzieningen die bijdragen tot totstandbrenging en handhaving van een voorspelbaar en veilig investeringsklimaat en sluiten overeenkomsten ter verbetering van dit klimaat;

  • c. zij stimuleren dat de particuliere sector van de EU investeert in en specifieke bijstand verleent aan particuliere ondernemingen in de ACS-landen in het kader van samenwerking tussen ondernemingen en partnerschappen;

  • d. zij vereenvoudigen de totstandkoming van partnerschappen en gezamenlijke ondernemingen door het stimuleren van medefinanciering;

  • e. zij sponsoren fora inzake sectorale investeringen teneinde partnerschappen en buitenlandse investeringen te stimuleren;

  • f. zij steunen de inspanningen van de ACS-staten om financiering aan te trekken, waarbij bijzondere nadruk wordt gelegd op particuliere financiering van investeringen in infrastructuur en van infrastructuur die opbrengsten genereert die voor de particuliere sector cruciaal is;

  • g. zij steunen de versterking van de capaciteit van nationale instanties en instellingen voor de stimulering van investeringen die zich bezighouden met stimulering en vereenvoudiging van buitenlandse investeringen;

  • h. zij verspreiden informatie over investeringsmogelijkheden en het ondernemingsklimaat in de ACS-staten; en

  • i. zij bevorderen de dialoog in het particuliere bedrijfsleven op nationaal en regionaal niveau en tussen ACS en EU, met name door middel van een ACS-EU-forum voor het particuliere bedrijfsleven. De steun voor de activiteiten van het ACS-EU-forum voor het particuliere bedrijfsleven beoogt de volgende doelstellingen:

    • i. vergemakkelijking van de dialoog binnen de particuliere sector in ACS en EU en tussen de particuliere sector in ACS en EU en de instanties die bij de Overeenkomst zijn ingesteld;

    • ii. analyse en periodieke verstrekking aan de betrokken instanties van gegevens over alle vraagstukken die verband houden met de betrekkingen tussen de particuliere sector in ACS en EU in het kader van de Overeenkomst, of meer in het algemeen met de economische betrekkingen tussen de Gemeenschap en de ACS-staten; en

    • iii. analyse en periodieke verstrekking aan de betrokken instanties van gegevens over specifieke problemen van sectorale aard met betrekking tot onder meer regionale of subregionale bedrijfstakken of producttypen.

Artikel 76. Financiering en ondersteuning van investeringen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De samenwerking voorziet in langlopende financiële middelen, met inbegrip van risicodragend kapitaal, teneinde de groei in de particuliere sector te helpen stimuleren en binnenlands en buitenlands kapitaal voor dit doel te helpen mobiliseren. Daartoe worden in het kader van de samenwerking voorzieningen getroffen voor:

    • a. niet-terugvorderbare steun ten behoeve van financiële en technische bijstand ter ondersteuning van beleidshervorming, ontwikkeling van het menselijk potentieel, institutionele capaciteitsopbouw of andere vormen van institutionele steun voor specifieke investeringen, maatregelen ter vergroting van het concurrentievermogen van ondernemingen en ter versterking van de capaciteiten van particuliere financiële en niet-financiële tussenpersonen, vereenvoudiging en stimulering van investeringen en activiteiten ter verbetering van het concurrentievermogen;

    • b. advies ten behoeve van het scheppen van een gunstig investeringsklimaat en een informatiebasis om kapitaalstromen te leiden en te stimuleren;

    • c. risicodragend kapitaal voor investeringen in kapitaal of semikapitaal, garanties ter ondersteuning van binnenlandse en buitenlandse particuliere investeringen, alsmede leningen of kredietlijnen volgens de voorwaarden van bijlage II (Financieringsvoorwaarden) bij deze Overeenkomst; en

    • d. leningen uit de eigen middelen van de Bank en de Investeringsfaciliteit, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage II bij deze Overeenkomst. Dergelijke leningen mogen tevens worden gebruikt ter financiering van overheidsinvesteringen in basisinfrastructuur.

  • 2 Leningen uit de eigen middelen van de Bank worden verstrekt overeenkomstig haar statuten en de in bijlage II bij deze Overeenkomst genoemde voorwaarden en regelingen.

Artikel 77. Investeringsgaranties

  • 1 Investeringsgaranties worden voor de ontwikkelingsfinanciering een steeds belangrijker instrument, omdat daarmede de aan een project verbonden risico's kunnen worden teruggedrongen en particuliere kapitaalstromen kunnen worden gestimuleerd. De samenwerking dient daarom de beschikbaarheid en het gebruik van risicoverzekering te bevorderen, teneinde met dit risicoverminderende instrument het vertrouwen van de investeerders in de ACS-staten te stimuleren.

  • 2 In het kader van de samenwerking worden garanties verstrekt en wordt door middel van garantiefondsen bijgedragen tot het dekken van de risico's van voor deze steun in aanmerking komende investeringen. Specifiek wordt in het kader van de samenwerking steun verleend voor:

    • a. herverzekeringsregelingen om buitenlandse rechtstreekse investeringen van daarvoor in aanmerking komende investeerders te dekken: tegen juridische onzekerheid en de grote risico's van onteigening, beperkingen op de overdracht van deviezen, oorlog en binnenlandse onlusten en contractbreuk. Investeerders kunnen hun projecten verzekeren tegen elke mogelijke combinatie van de vier typen dekking;

    • b. garantieprogramma's voor risicodekking, in de vorm van gedeeltelijke garanties voor de financiering van schulden. Zowel gedeeltelijke risicogaranties als gedeeltelijke kredietgaranties zijn beschikbaar; en

    • c. nationale en regionale garantiefondsen, met medewerking van in het bijzonder binnenlandse financiële instellingen of investeerders, teneinde de ontwikkeling van de financiële sector te stimuleren.

  • 3 De samenwerking biedt tevens steun voor capaciteitsopbouw, institutionele steun en deelneming in de basisfinanciering van nationale en/of regionale initiatieven om de commerciële risico's voor investeerders te reduceren (onder meer garantiefondsen, regelgevende organen, arbitragemechanismen en rechtsstelsels om de bescherming te verbeteren van investeringen die bijdragen tot verbetering van het stelsel van exportkredieten).

  • 4 De samenwerking biedt deze steun op grond van de complementaire en toegevoegde waarde, voor particuliere en/of overheidsinitiatieven, en indien mogelijk in partnerschap met particuliere en/of overheidsorganisaties. In het kader van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering verrichten de ACS en de EG een gezamenlijke studie van het voorstel om een ACS-EG-Garantieagentschap in te stellen voor de verstrekking en het beheer van programma's voor investeringsgaranties.

Artikel 78. Bescherming van investeringen

  • 1 De ACS-staten en de Gemeenschap en haar lidstaten, elk binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, bevestigen de noodzaak om de investeringen van elke partij op hun respectieve grondgebieden te bevorderen en te beschermen en onderstrepen dat daartoe in wederzijds belang overeenkomsten dienen te worden gesloten inzake bevordering en bescherming van investeringen, die ook als grondslag kunnen dienen voor verzekerings- en garantiestelsels.

  • 2 Teneinde meer Europese investeringen aan te trekken voor door de ACS-staten gestarte ontwikkelingsprojecten die voor hen van bijzonder belang zijn, kunnen de Gemeenschap en de lidstaten enerzijds en de ACS-staten anderzijds ook overeenkomsten sluiten betreffende specifieke projecten van wederzijds belang wanneer de Gemeenschap en Europese bedrijven in de financiering daarvan bijdragen.

  • 3 De partijen komen tevens overeen, met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Gemeenschap en haar lidstaten, in de overeenkomsten inzake economisch partnerschap algemene beginselen inzake de bescherming en bevordering van investeringen op te nemen, overeenkomstig de beste resultaten die zijn overeengekomen in de desbetreffende internationale fora, dan wel bilateraal.

TITEL III. TECHNISCHE SAMENWERKING

Artikel 79

  • 1 Technische samenwerking moet de ACS-staten helpen hun nationaal en regionaal menselijk potentieel beter te benutten en hun voor het succes van de ontwikkeling cruciale instellingen op duurzame wijze te ontwikkelen; middelen hiertoe zijn onder meer versterking van adviesbureaus en -organisaties in de ACS-staten, alsmede uitwisselingsregelingen voor adviseurs uit bedrijven in ACS en EU.

  • 2 Bovendien moet technische samenwerking een gunstige kostenbatenverhouding te zien geven, voldoen aan de behoeften waarvoor zij is opgezet, de overdracht van kennis vergemakkelijken en de nationale en regionale capaciteit versterken. De technische samenwerking moet bijdragen tot de verwezenlijking van de doeleinden van projecten en programma's, onder meer door versterking van de managementcapaciteit van de nationale en regionale ordonnateurs. De technische bijstand moet:

    • a. vraaggestuurd opereren, wat wil zeggen dat bijstand uitsluitend wordt verleend op verzoek van de betrokken ACS-staat of ACS-staten en moet zijn aangepast aan de behoeften van de begunstigde;

    • b. de inspanningen van de ACS-staten om hun behoeften te formuleren aanvullen en ondersteunen;

    • c. worden onderworpen aan toezicht en follow-up teneinde de effectiviteit te waarborgen;

    • d. bevorderen dat door deskundigen, adviesbureaus en instellingen voor onderwijs en onderzoek uit de ACS wordt geparticipeerd in door het Fonds gefinancierde opdrachten, en methoden vaststellen om gekwalificeerd nationaal en regionaal personeel te betrekken bij projecten van het Fonds;

    • e. bevorderen dat nationaal leidinggevend personeel van de ACS in een adviserende functie wordt gedetacheerd bij een instelling van het eigen land, een buurland of een regionale organisatie;

    • f. erop gericht zijn de beperkingen en mogelijkheden van het nationale en regionale arbeidspotentieel beter te onderkennen en een register op te stellen van deskundigen, consulenten en adviesbureaus in de ACS-staten die kunnen worden aangetrokken voor de uitvoering van door het Fonds gefinancierde projecten en programma's;

    • g. technische bijstand tussen de ACS-staten onderling ondersteunen, ter bevordering van de uitwisseling tussen de ACS-staten van deskundigheid op het gebied van technische bijstand en management en van beroepsvaardigheden;

    • h. voorzien in actieprogramma's voor de langetermijnontwikkeling van instellingen en menselijk potentieel als integrerend onderdeel van de planning van projecten en programma's, waarbij de financiële vereisten in acht moeten worden genomen;

    • i. gericht zijn op versterking van het vermogen van de ACS-staten om de eigen expertise op te bouwen; en

    • j. bijzondere aandacht schenken aan het uitbreiden van de mogelijkheden van de ACS-staten inzake planning, uitvoering en evaluatie van projecten en programma's en inzake budgetbeheer.

  • 3 Technische bijstand kan worden verleend op alle samenwerkingsterreinen binnen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst. De samenwerkingsactiviteiten moeten breed van toepassing en van opzet zijn en worden aangepast aan de behoeften van de ACS-staten.

  • 4 Technische samenwerking kan specifiek of algemeen zijn. Het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering stelt richtsnoeren op voor de tenuitvoerlegging van de technische samenwerking.

Artikel 80

Teneinde de uittocht van gekwalificeerd personeel uit de ACS-staten tegen te gaan, verleent de Gemeenschap desgewenst bijstand aan de ACS-staten om de terugkeer van in ontwikkelde landen verblijvende gekwalificeerde onderdanen van de ACS-staten te bevorderen, door middel van passende maatregelen om repatriëring te stimuleren.

TITEL IV. PROCEDURES EN BEHEERSSYSTEMEN

Artikel 81. Procedures

De beheersprocedures moeten doorzichtig en gemakkelijk toe te passen zijn en moeten de decentralisatie van de taken en verantwoordelijkheden mogelijk maken. De tenuitvoerlegging van de ACS-EU-ontwikkelingssamenwerking moet openstaan voor niet-overheidsactoren op gebieden waarop zij actief zijn. De gedetailleerde procedurele bepalingen voor de programmering, voorbereiding, tenuitvoerlegging en het beheer van de financiële en technische samenwerking zijn in bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer vastgelegd. De ACS-EU-Raad van Ministers kan deze bepalingen op basis van een aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering opnieuw onderzoeken en wijzigen.

Artikel 82. Met de uitvoering belaste ambtenaren

Voor de tenuitvoerlegging van de financiële en technische samenwerking in het kader van deze Overeenkomst worden ambtenaren aangewezen die met de uitvoering daarvan zijn belast. Uitvoerige bepalingen in verband met de verantwoordelijkheden van de met de uitvoering belaste ambtenaren zijn in bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer vastgelegd.

Artikel 83. ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering

  • 1 De Raad van Ministers onderzoekt tenminste eenmaal per jaar of de doelstellingen van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering worden verwezenlijkt en tevens welke algemene en specifieke problemen zich daarbij voordoen. Te dien einde wordt in het kader van de Raad van Ministers een ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, hierna ACS-EG-Comité genoemd, opgericht.

  • 2 Het ACS-EG-Comité is onder meer met de volgende taken belast:

    • a. ervoor zorgen dat de doelstellingen en beginselen van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering worden verwezenlijkt en vaststellen van algemene richtsnoeren voor de daadwerkelijke en tijdige tenuitvoerlegging daarvan;

    • b. bestuderen van problemen die bij de tenuitvoerlegging van de activiteiten inzake ontwikkelingssamenwerking kunnen rijzen en voorstellen van passende maatregelen;

    • c. herzien van de bijlagen bij de Overeenkomst om ervoor te zorgen dat zij voortdurend relevant blijven en aanbevelen van alle passende maatregelen aan de Raad van Ministers met het oog op de goedkeuring daarvan; en

    • d. bestuderen van de activiteiten die in het kader van de Overeenkomst worden ontplooid ter verwezenlijking van de doelstellingen inzake het bevorderen van de ontwikkeling van de particuliere sector en particuliere investeringen en van de activiteiten van de Investeringsfaciliteit.

  • 3 Het ACS-EG-Comité vergadert om de drie maanden en bestaat op basis van pariteit uit door de Raad van Ministers aangewezen vertegenwoordigers van de ACS-staten en van de Gemeenschap of hun gemachtigden. Het komt tenminste eenmaal per jaar en telkens wanneer één der partijen daarom verzoekt, bijeen op het niveau van de ministers.

  • 4 De Raad van Ministers stelt het reglement van orde van het ACS-EG-Comité vast en met name de wijze van vertegenwoordiging en het aantal leden van het Comité, de wijze waarop zij hun besprekingen voeren en de wijze waarop het voorzitterschap wordt uitgeoefend.

  • 5 Het ACS-EG-Comité kan vergaderingen van deskundigen beleggen om de oorzaken te bestuderen van eventuele knelpunten of moeilijkheden die een doeltreffende tenuitvoerlegging van de ontwikkelingssamenwerking belemmeren. Deze deskundigen leggen het Comité aanbevelingen voor om deze knelpunten of moeilijkheden uit de weg te ruimen.

DEEL 5. ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE MINST ONTWIKKELDE, NIET AAN ZEE GRENZENDE EN INSULAIRE ACS-STATEN

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 84

  • 1 Om de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire ACS-staten in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de door de Overeenkomst geboden mogelijkheden en hun ontwikkelingstempo te versnellen, moet de samenwerking een speciale behandeling bieden voor de minst ontwikkelde ACS-landen en terdege rekening houden met de kwetsbaarheid van de niet aan zee grenzende en insulaire ACS-staten. Er moet bovendien rekening worden gehouden met de behoeften van landen waar conflicten hebben gewoed.

  • 2 Afgezien van de specifieke maatregelen en bepalingen voor de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende en insulaire staten in de verschillende hoofdstukken van de Overeenkomst, wordt ten aanzien van deze groepen en de landen waar conflicten hebben gewoed bijzondere aandacht geschonken aan :

    • a. de versterking van de regionale samenwerking;

    • b. de vervoers- en communicatie-infrastructuur;

    • c. de doelmatige exploitatie van de rijkdommen van de zee en de afzet van deze producten alsook, wat de niet aan zee grenzende landen betreft, de binnenvisserij;

    • d. met betrekking tot de structurele aanpassing, aan het ontwikkelingspeil van deze landen en, bij de uitvoering, aan het sociale aspect van de aanpassing;

    • e. de tenuitvoerlegging van voedselstrategieën en geïntegreerde ontwikkelingsprogramma's.

HOOFDSTUK II. MINST ONTWIKKELDE ACS-STATEN

Artikel 85

  • 1 Voor de minst ontwikkelde ACS-staten geldt een bijzondere behandeling teneinde hen te helpen de ernstige economische en sociale moeilijkheden die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.

  • 2 De lijst van minst ontwikkelde landen is in bijlage VI opgenomen. Deze lijst kan bij besluit van de Raad van Ministers worden gewijzigd:

    • a. indien een derde land dat zich in een vergelijkbare situatie bevindt, tot de Overeenkomst toetreedt; en

    • b. indien de economische situatie van een van de ACS-staten een belangrijke en blijvende wijziging ondergaat waardoor deze staat bij de groep van minst ontwikkelde ACS-staten moet worden ingedeeld of zijn indeling bij deze groep niet langer verantwoord is.

Artikel 86

De bepalingen die voor de minst ontwikkelde ACS-staten zijn aangenomen, zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 29, 32, 35, 37, 56, 68, 84, 85.

HOOFDSTUK III. NIET AAN ZEER GRENZENDE ACS-STATEN

Artikel 87

  • 1 Er worden specifieke bepalingen en maatregelen vastgesteld om de niet aan zee grenzende ACS-staten te steunen in hun streven de geografische moeilijkheden en belemmeringen die hun ontwikkeling in de weg staan, te overwinnen zodat zij hun ontwikkelingstempo kunnen versnellen.

  • 2 De lijst van niet aan zee grenzende ACS-staten is in bijlage VI opgenomen. Deze lijst kan bij besluit van de Raad van Ministers worden gewijzigd wanneer een derde land dat zich in een vergelijkbare situatie bevindt, tot de Overeenkomst toetreedt.

Artikel 88

De bepalingen die voor de niet aan zee grenzende ACS-staten zijn aangenomen, zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 32, 35, 56, 68, 84, 87.

HOOFDSTUK IV. INSULAIRE ACS-STATEN

Artikel 89

  • 1 Er worden specifieke maatregelen genomen om insulaire ACS-staten te steunen in hun streven hun toenemende kwetsbaarheid als gevolg van nieuwe, ernstige economische, sociale en ecologische problemen te stoppen en te verminderen. Die maatregelen dienen de tenuitvoerlegging van de prioriteiten voor duurzame ontwikkeling van kleine insulaire ontwikkelingslanden te bevorderen, waarbij wordt gestreefd naar een geharmoniseerde aanpak van hun economische groei en humane ontwikkeling.

  • 2 De lijst van insulaire ACS-staten is in bijlage VI opgenomen. Deze lijst kan bij besluit van de Raad van Ministers worden gewijzigd wanneer een derde land dat zich in een vergelijkbare situatie bevindt, tot de Overeenkomst toetreedt.

Artikel 90

De bepalingen die zijn aangenomen voor de insulaire ACS-staten zijn vastgelegd in de volgende artikelen : 2, 32, 35, 56, 68, 84, 89.

DEEL VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 91. Conflict tussen deze Overeenkomst en andere verdragen

Verdragen, overeenkomsten, akkoorden of regelingen van ongeacht welke vorm of aard tussen een of meer lidstaten van de Gemeenschap en een of meer ACS-staten mogen geen beletsel vormen voor de toepassing van de Overeenkomst.

Artikel 92. Betrokken gebieden

De Overeenkomst is, onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen inzake de betrekkingen tussen de ACS-staten en de Franse overzeese departementen, van toepassing, enerzijds, op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is en onder de in dat Verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van de ACS-staten.

Artikel 93. Bekrachtiging en inwerkingtreding

  • 1 De Overeenkomst wordt door de ondertekenende partijen bekrachtigd of goedgekeurd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke regels en procedures.

  • 2 De akten van bekrachtiging of goedkeuring van de Overeenkomst worden, wat de ACS-staten betreft, nedergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en, wat de Gemeenschap en de lidstaten betreft, bij het secretariaat-generaal van de ACS-staten. De secretariaten stellen de ondertekenende staten en de Gemeenschap hiervan onverwijld in kennis.

  • 3 De Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de akten van bekrachtiging van de lidstaten en van tenminste twee derde van de ACS-staten, alsmede de akte van goedkeuring van de Overeenkomst door de Gemeenschap, zijn nedergelegd.

  • 4 De ACS-staat die de in leden 1 en 2 bedoelde procedures op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst, zoals deze in lid 3 is vastgesteld, niet heeft voltooid, kan zulks slechts doen binnen 12 maanden na deze datum en onverminderd het bepaalde in lid 6.

    Voor dergelijke staten wordt de Overeenkomst van toepassing op de eerste dag van de tweede maand volgende op de voltooiing van deze procedures. Deze staten erkennen de geldigheid van elke maatregel die na de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan is genomen.

  • 5 In het reglement van orde van de bij de Overeenkomst opgerichte gezamenlijke instellingen wordt bepaald onder welke voorwaarden de vertegenwoordigers van de ondertekenende staten bedoeld in lid 4 als waarnemer in die instellingen zitting kunnen hebben.

  • 6 De Raad van Ministers kan besluiten speciale steun toe te kennen aan ACS-staten die de vorige ACS-EG-overeenkomsten hebben ondertekend en die door het ontbreken van normaal opgerichte overheidsinstellingen de Overeenkomst niet hebben kunnen ondertekenen of bekrachtigen. Deze steun kan betrekking hebben op institutionele opbouw en activiteiten in verband met de economische en sociale ontwikkeling, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de behoeften van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen. Dergelijke landen kunnen in dit verband een beroep doen op de middelen die in deel 4 van deze Overeenkomst voor financiële en technische samenwerking beschikbaar worden gesteld.

    In afwijking van lid 4, mogen de betrokken landen die de Overeenkomst hebben ondertekend de bekrachtigingsprocedures voltooien binnen de twaalf maanden na het herstel van de overheidsinstellingen.

    De betrokken landen die de Overeenkomst niet hebben ondertekend noch bekrachtigd kunnen door middel van de toetredingsprocedure bedoeld in artikel 94 tot de Overeenkomst toetreden.

Artikel 94. Toetreding

  • 1 Ieder verzoek om toetreding tot de Overeenkomst van een onafhankelijke staat waarvan de structurele kenmerken en economische en sociale situatie vergelijkbaar zijn met die van de ACS-staten, wordt aan de Raad van Ministers voorgelegd.

    Indien het verzoek door de Raad van Ministers wordt goedgekeurd, treedt de betrokken staat tot de Overeenkomst toe door nederlegging van een akte van toetreding bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, dat hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan het secretariaat van de ACS-staten en de lidstaten hiervan in kennis stelt. De Raad van Ministers kan de nodige wijzigingsmaatregelen nemen.

    De betrokken staat heeft dezelfde rechten en verplichtingen als de ACS-staten. Zijn toetreding mag geen afbreuk doen aan de voordelen die voor de ACS-staten welke de Overeenkomst hebben ondertekend, voortvloeien uit de bepalingen betreffende de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering. De Raad van Ministers kan de voorwaarden en specifieke regelingen vaststellen voor de toetreding van een afzonderlijke staat in een speciaal protocol dat een integrerend deel uitmaakt van de Overeenkomst.

  • 2 De Raad van Ministers wordt in kennis gesteld van ieder verzoek van een derde staat om toetreding tot een uit ACS-staten samengestelde economische groepering.

  • 3 De Raad van Ministers wordt in kennis gesteld van ieder verzoek van een derde staat om toe te treden tot de Europese Unie. Tijdens de onderhandelingen tussen de Unie en de staat die het verzoek heeft ingediend, verstrekt de Gemeenschap de ACS-staten alle relevante informatie en de ACS-staten van hun kant stellen de Gemeenschap in kennis van hun problemen zodat zij daar ten volle rekening kan mee houden. Het secretariaat van de ACS-staten wordt door de Gemeenschap in kennis gesteld van elke toetreding tot de Europese Unie.

    Elke nieuwe lidstaat van de Europese Unie wordt vanaf de datum van zijn toetreding Partij bij de Overeenkomst door middel van een daartoe strekkende clausule in de Akte van Toetreding. Indien de Akte van Toetreding tot de Unie niet voorziet in een dergelijke automatische toetreding van de lidstaat tot de Overeenkomst, treedt de betrokken lidstaat toe door nederlegging van een Akte van Toetreding bij het secretariaat-generaal van de Europese Unie, dat hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan het secretariaat van de ACS-staten en de lidstaten daarvan in kennis stelt.

    De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding van nieuwe lidstaten tot deze Overeenkomst. De Raad van Ministers kan de nodige overgangs- of wijzigingsmaatregelen vaststellen.

Artikel 95. Duur van de Overeenkomst en herzieningsclausule [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De Overeenkomst wordt gesloten voor een periode van twintig jaar die aanvangt op 1 maart 2000.

  • 2 De financiële protocollen worden voor elke periode van vijf jaar vastgesteld.

  • 3 Uiterlijk 12 maanden vóór het verstrijken van elke periode van vijf jaar stellen de Gemeenschap en de lidstaten, enerzijds, en de ACS-staten, anderzijds, elkaar in kennis van de bepalingen van de Overeenkomst die zij met het oog op eventuele wijziging van deze Overeenkomst opnieuw willen bezien. Indien een Partij verzoekt bepalingen van de Overeenkomst opnieuw te bezien, beschikt de andere Partij in weerwil van bovengenoemde tijdslimiet over een termijn van twee maanden om te verzoeken ook andere bepalingen die verband houden met die waarvoor het eerste verzoek is ingediend, opnieuw te bezien.

    Tien maanden vóór het verstrijken van deze periode van vijf jaar openen de Partijen bij de Overeenkomst onderhandelingen om na te gaan welke wijzigingen eventueel moeten worden aangebracht in de bepalingen waarop de bedoelde kennisgeving betrekking heeft.

    Artikel 93 is ook van toepassing op de aangebrachte wijzigingen.

    De Raad van Ministers stelt eventueel de overgangsmaatregelen vast die met betrekking tot de gewijzigde bepalingen nodig zijn totdat deze in werking treden.

  • 4 Achttien maanden vóór het einde van de totale geldigheidsduur van de Overeenkomst openen de Partijen bij de Overeenkomst onderhandelingen om na te gaan door welke bepalingen hun betrekkingen nadien zullen worden geregeld.

    De Raad van Ministers stelt eventueel de overgangsmaatregelen vast die nodig zijn totdat de nieuwe Overeenkomst in werking treedt.

Artikel 96. Essentiële onderdelen: overlegprocedure en aangepaste maatregelen inzake mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de term „Partij” verstaan de Gemeenschap en de lidstaten van de Europese Unie, enerzijds, en iedere ACS-staat, anderzijds.

  • 1 bis Beide partijen komen overeen, behalve in bijzonder spoedeisende gevallen, alle mogelijkheden voor dialoog die artikel 8 biedt, te benutten, alvorens zij het in lid 3, onder a, van dit artikel bedoelde overleg openen.

  • 2

  • a. Indien, ondanks de politieke dialoog over de essentiële elementen van artikel 8 en lid 2 van dit artikel, een partij van mening is dat de andere partij een verplichting voortvloeiend uit de eerbiediging van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat, bedoeld in artikel 9, lid 2, niet nakomt, verstrekt zij, behalve in bijzondere dringende gevallen, de andere partij en de Raad van Ministers alle terzake dienende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Met dit doel verzoekt zij de andere partij om overleg te plegen over maatregelen die door de betrokken partijen zijn genomen of moeten worden genomen om de situatie recht te zetten, overeenkomstig het bepaalde in bijlage VII.

    Het overleg vindt plaats op het niveau en in de vorm die het meest geschikt wordt geacht om tot een oplossing te komen.

    Het overleg begint uiterlijk 30 dagen na de datum van het verzoek; de duur ervan wordt, afhankelijk van de aard en ernst van de schending, met wederzijdse instemming vastgesteld. De dialoog in het kader van de overlegprocedure duurt niet langer dan 120 dagen.

    Indien het overleg niet tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing leidt, indien overleg wordt geweigerd of in bijzonder dringende gevallen kunnen passende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen worden ingetrokken zodra de redenen ervoor hebben opgehouden te bestaan.

  • b. Het begrip „bijzonder dringende gevallen” heeft betrekking op uitzonderlijke gevallen van bijzonder ernstige en flagrante schending van één van de essentiële onderdelen bedoeld in artikel 9, lid 2, die een onmiddellijke reactie vereisen.

    De Partij die gebruikmaakt van de procedure voor bijzonder dringende gevallen stelt de andere Partij en de Raad van Ministers afzonderlijk daarvan in kennis, behalve wanneer haar de tijd ontbreekt om dit te doen.

  • c. De in dit artikel bedoelde „passende maatregelen” worden genomen in overeenstemming met het internationaal recht en staan in verhouding tot de schending. Bij de keuze van deze maatregelen dient voorrang te worden gegeven aan die maatregelen die de werking van de Overeenkomst het minst verstoren. Er is overeengekomen dat slechts in laatste instantie tot opschorting zal worden overgegaan.

    Indien in bijzonder dringende gevallen maatregelen worden genomen, worden deze onmiddellijk ter kennis gebracht van de andere Partij en de Raad van Ministers. Op verzoek van de betrokken Partij kan overleg worden gepleegd om de situatie grondig te onderzoeken en, indien mogelijk, tot een oplossing te komen. Dit overleg wordt gevoerd in overeenstemming met het bepaalde in de tweede en derde alinea sub a.

Artikel 97. Overlegprocedure en passende maatregelen inzake corruptie

  • 1 De Partijen zijn van oordeel dat wanneer de Gemeenschap een belangrijke partner is uit een oogpunt van financiële steun aan het economisch en sectoraal beleid en de desbetreffende programma's, de Partijen overleg dienen te plegen in ernstige gevallen van corruptie.

  • 2 In dergelijke gevallen kan een partij de andere partij verzoeken overleg te plegen. Dit overleg begint uiterlijk 30 dagen na de datum van het verzoek en de dialoog in het kader van de overlegprocedure duurt niet langer dan 120 dagen.

  • 3 Indien het overleg niet tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing leidt of indien overleg wordt geweigerd, nemen de Partijen passende maatregelen. Het is in ieder geval in de eerste plaats de taak van de Partij waar zich ernstige gevallen van corruptie hebben voorgedaan om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de situatie onmiddellijk recht te zetten. De door een Partij genomen maatregelen moeten in verhouding staan tot de ernst van de situatie. Bij de keuze van die maatregelen moet voorrang worden gegeven aan die maatregelen die de toepassing van de Overeenkomst het minst verstoren. Er is overeengekomen dat slechts in laatste instantie tot opschorting zal worden overgegaan.

  • 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de term „Partij” verstaan de Gemeenschap en de lidstaten van de Europese Unie, enerzijds, en iedere ACS-staat, anderzijds.

Artikel 98. Beslechting van geschillen

  • 1 Ieder geschil betreffende de interpretatie of toepassing van deze Overeenkomst tussen een of meer lidstaten van de Gemeenschap enerzijds, en een of meer ACS-staten anderzijds, wordt aan de Raad van Ministers voorgelegd.

    In de periode tussen de vergaderingen van de Raad van Ministers, moeten dergelijke geschillen aan het Comité van Ambassadeurs worden voorgelegd.

  • 2

    • a. a. Indien de Raad van Ministers er niet in slaagt het geschil te beslechten, kan een van beide partijen verzoeken het geschil door middel van arbitrage te beslechten. Elke Partij stelt daartoe binnen dertig dagen na het verzoek om arbitrage een arbiter aan. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan, kan één van de Partijen de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken de tweede arbiter aan te stellen.

    • b. Beide arbiters stellen op hun beurt binnen dertig dagen een derde arbiter aan. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan, kan één van de Partijen de secretaris-generaal van het Permanent Hof van Arbitrage verzoeken de derde arbiter aan te stellen.

    • c. Behoudens andersluidende beslissing van de arbiters wordt de procedure toegepast die is vastgelegd in het optionele arbitragereglement van het Permanent Hof van Arbitrage voor Internationale Organisaties en Staten. De besluiten van de arbiters worden binnen drie maanden met meerderheid van stemmen genomen.

    • d. Elke Partij bij het geschil moet de vereiste maatregelen nemen om het besluit van de arbiters ten uitvoer te leggen.

    • e. Voor de toepassing van deze procedure worden de Gemeenschap en de lidstaten geacht één Partij bij het geschil te vormen.

Artikel 99. Opzeggingsclausule

De Overeenkomst kan door de Gemeenschap en haar lidstaten ten aanzien van elke ACS-staat en door elke ACS-staat ten aanzien van de Gemeenschap en haar lidstaten worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden.

Artikel 100. Status van de teksten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De aan deze Overeenkomst gehechte protocollen en bijlagen vormen daarvan een integrerend deel. De bijlagen I bis, II, III, IV en VI kunnen door de Raad van Ministers worden herzien en/of gewijzigd op basis van een aanbeveling van het ACS-EG-Comité voor Samenwerking inzake Ontwikkelingsfinanciering.

Deze Overeenkomst, opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, Deense, Duitse, Engelse, Estse, Finse, Franse, Griekse, Hongaarse, Italiaanse, Letse, Litouwse, Maltese, Nederlandse, Poolse, Portugese, Roemeense, Sloveense, Slowaakse, Spaanse, Tsjechische en Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd in de archieven van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en het secretariaat van de ACS-staten, die beide een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift aan elk van de ondertekenende staten zal doen toekomen.

GEDAAN te Cotonou, de drieëntwintigste juni 2000.

BIJLAGE I. Financieel Protocol

  • 1. Voor de doelstellingen vermeld in deze Overeenkomst en voor een periode van vijf jaar, te beginnen op 1 maart 2000, beloopt het totale bedrag van de financiële steun van de Gemeenschap aan de ACS-staten 15.200 miljoen euro.

  • 2. De financiële steun van de Gemeenschap omvat een bedrag van maximaal 13.500 miljoen euro uit hoofde van het 9e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF).

  • 3. Het 9e EOF wordt als volgt over de verschillende samenwerkingsinstrumenten verdeeld:

    • a. 10.000 miljoen euro wordt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp gereserveerd voor een bijdrage ter ondersteuning van de langetermijnontwikkeling. Deze bijdrage wordt gebruikt voor de financiering van nationale indicatieve programma's, overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 5 van bijlage IV „Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer” bij deze Overeenkomst. In het kader van de bijdrage ter ondersteuning van de langetermijnontwikkeling:

      • i. wordt 90 miljoen euro gereserveerd voor de financiering van de begroting van het Centrum voor de Ontwikkeling van het Bedrijfsleven (COB);

      • ii. wordt 70 miljoen euro gereserveerd voor de financiering van de begroting van het Technisch Centrum voor Landbouwsamenwerking en Plattelandsontwikkeling (TCLP); en

      • iii. wordt een bedrag van maximaal 4 miljoen euro gereserveerd voor de doeleinden waarnaar wordt verwezen in artikel 17 van deze Overeenkomst (Paritaire Vergadering).

    • b. 1300 miljoen euro wordt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp gereserveerd voor de financiering van steun ten behoeve van de regionale samenwerking en integratie van de ACS-staten, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 14 van bijlage IV „Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer” bij deze Overeenkomst.

    • c. 2200 miljoen euro wordt uitgetrokken voor de financiering van de Investeringsfaciliteit, overeenkomstig de voorwaarden die uiteen worden gezet in bijlage II „Financieringsvoorwaarden” bij deze Overeenkomst, onverminderd de financiering van de rentesubsidies waarin wordt voorzien in artikel 2 en artikel 4 van bijlage II bij deze Overeenkomst, die worden gefinancierd uit de middelen genoemd in artikel 3, onder a, van deze bijlage.

  • 4. Een bedrag van maximaal 1700 miljoen euro wordt door de Europese Investeringsbank ter beschikking gesteld in de vorm van leningen uit de eigen middelen. Deze middelen worden verstrekt voor de doeleinden die uiteen worden gezet in bijlage II „Financieringsvoorwaarden” bij deze Overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden waarin is voorzien in de statuten en de desbetreffende bepalingen van de voorwaarden voor de financiering van investeringen, zoals die zijn vastgesteld in bovengenoemde bijlage. De Bank kan uit de door haar beheerde middelen bijdragen aan de financiering van regionale projecten en program- ma's.

  • 5. Alle op de datum van inwerkingtreding van dit Financieel Protocol resterende middelen van eerdere EOF en bedragen die op een latere datum worden vrijgemaakt van in het kader van deze Fondsen lopende projecten, worden overgedragen naar het 9e EOF en gebruikt overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze Overeenkomst. Voor alle aldus naar het 9e EOF overgedragen middelen die voordien waren toegewezen aan het indicatieve programma van een ACS-staat of -regio, blijft de toewijzing aan die staat of regio van kracht. Het totale bedrag van dit Financieel Protocol, aangevuld met de overgedragen resterende middelen van eerdere EOF, dekt de periode 2000–2007.

  • 6. De Bank beheert de uit eigen middelen verstrekte leningen en de in het kader van de Investeringsfaciliteit gefinancierde maatregelen. Alleandere middelen in het kader van deze Overeenkomst worden door de Commissie beheerd.

  • 7. Vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van dit Financieel Protocol gaan de partijen na in welke mate de vastleggingen en betalingen zijn gerealiseerd. Deze analyse vormt de basis voor het herevalueren van het totale bedrag van de middelen, alsmede voor het evalueren van de behoefte aan nieuwe middelen voor de ondersteuning van de financiële samenwerking in het kader van deze Overeenkomst.

  • 8. Indien de middelen waarin de instrumenten van de Overeenkomst voorzien vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van dit Financieel Protocol opgebruikt zijn, neemt de gezamenlijke ACS-EG-Raad van Ministers passende maatregelen.

  • 9. In afwijking van het bepaalde in artikel 58 van deze Overeenkomst wordt een bedrag van 90 miljoen EUR overgedragen naar de intra-ACS-middelen in het kader van het 9e EOF. Dit bedrag kan worden gebruikt voor de financiering van de deconcentratie in de periode 2006-2007 en wordt rechtstreeks door de Commissie beheerd.

Bijlage I Bis. Meerjarig financieel kader voor de samenwerking in het kader van deze Overeenkomst

  • 1. Voor de doelstellingen vermeld in deze Overeenkomst en voor een periode die begint op 1 maart 2005, heeft een meerjarig financieel kader voor samenwerking betrekking op vastleggingen vanaf 1 januari 2008 voor een periode van vijf of zes jaar.

  • 2. Voor deze nieuwe periode handhaaft de Europese Unie haar steuninspanningen ten gunste van de ACS-staten op ten minste hetzelfde peil als dat van het 9e EOF, de resterende bedragen van eerdere fondsen niet inbegrepen; hieraan worden toegevoegd, op basis van de schattingen van de Gemeenschap: het effect van de inflatie, de groei in de Europese Unie en de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten in 2004.

  • 3. Noodzakelijke wijzigingen van het meerjarige financiële kader of de daarmee samenhangende delen van de Overeenkomst worden, in afwijking van het bepaalde in artikel 95 van de Overeenkomst, vastgesteld door de Raad van Ministers.

Bijlage 1 ter. Meerjarig financieel kader voor de periode 2008-2013

  • 1. Voor de doelstellingen vermeld in deze overeenkomst en voor de periode vanaf 1 januari 2008 bedraagt de totale financiële steun aan de ACS-staten binnen dit meerjarig financieel kader 23,966 miljard EUR, zoals bepaald in de punten 2 en 3.

  • 2. Het bedrag van 21,966 miljard EUR uit hoofde van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) komt beschikbaar op het moment van inwerkingtreding van het meerjarig financieel kader. Het bedrag wordt verdeeld over de volgende samenwerkingsinstrumenten:

    • a. 17,766 miljard EUR voor de financiering van nationale en regionale indicatieve programma’s. Hiermee worden gefinancierd:

      • i. de nationale indicatieve programma’s van de ACS-staten, overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 5 van bijlage IV bij deze overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

      • ii. regionale indicatieve programma’s ter ondersteuning van de regionale en interregionale samenwerking en integratie van de ACS-staten, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11, artikel 13, lid 1, en artikel 14 van bijlage IV bij deze overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

    • b. 2,7 miljard EUR voor de financiering van intra-ACS- en interregionale samenwerking tussen veel of alle ACS-staten, overeenkomstig artikel 12, artikel 13, lid 2, en artikel 14 van bijlage IV bij deze overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer. Dit bedrag omvat structurele steun aan de gezamenlijke instellingen: het COB en het TCLP, zoals bedoeld in bijlage III bij deze overeenkomst en overeenkomstig de in die bijlage bepaalde regels en procedures aan toezicht onderworpen, en de Paritaire Parlementaire Vergadering, zoals bedoeld in artikel 17 van de overeenkomst. Het omvat tevens de financiering van de huishoudelijke uitgaven van het in protocol 1, punten 1 en 2, bij deze overeenkomst bedoelde ACS-secretariaat;

    • c. 1,5 miljard EUR voor de financiering van de investeringsfaciliteit, overeenkomstig de in bijlage II (financieringsvoorwaarden) bij deze overeenkomst omschreven procedures en voorwaarden, waaronder een aanvullende bijdrage van 1,1 miljard EUR aan de investeringsfaciliteit in de vorm van een roterend fonds en 0,4 miljard EUR voor de financiering van rentesubsidies zoals bedoeld in de artikelen 2 en 4 van die bijlage, gedurende de looptijd van het tiende EOF.

  • 3. De in het kader van de investeringsfaciliteit gefinancierde acties en de daarmee verband houdende rentesubsidies worden beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB). In aanvulling op het tiende EOF zal de EIB een bedrag van ten hoogste 2 miljard EUR beschikbaar stellen in de vorm van leningen uit eigen middelen. Deze middelen worden verstrekt voor de doeleinden die uiteen worden gezet in bijlage II bij deze overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden van de statuten van de EIB en de desbetreffende bepalingen van de voorwaarden voor de financiering van investeringen, zoals die zijn vastgesteld in bovengenoemde bijlage. Alle andere middelen in het kader van dit meerjarig financieel kader worden door de Commissie beheerd.

  • 4. De resterende bedragen van het negende EOF en de eerdere EOF’s kunnen na 31 december 2007 of na de inwerkintreding van het onderhavige meerjarig financieel kader (als dat later is) niet meer worden vastgelegd tenzij de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen een andersluidend besluit neemt, hetzelfde geldt voor middelen die onder deze EOF’s aan projecten waren toegewezen, maar na de genoemde datum worden geannuleerd, met uitzondering van de resterende middelen en de na die datum geannuleerde middelen van het stelsel voor de stabilisatie van de exportopbrengsten van landbouwproducten (STABEX) in verband met EOF’s voorafgaand aan het negende EOF en resterende bedragen en terugbetalingen van middelen die waren toegewezen aan de investeringsfaciliteit, met uitzondering van de daarmee verband houdende rentesubsidies. De middelen die eventueel worden vastgelegd na 31 december 2007 doch voor de inwerkingtreding van deze overeenkomst, zoals hierboven bedoeld, worden uitsluitend gebruikt om ervoor te zorgen dat de EU-administratie kan blijven werken en om de lopende kosten te dekken voor de instandhouding van lopende projecten tot de inwerkingtreding van het tiende EOF.

  • 5. Het totaalbedrag voor het onderhavige meerjarig financieel kader is bestemd voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013. Tenzij de Raad van de Europese Unie, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen een andersluidend besluit neemt, kunnen de middelen uit hoofde van het tiende EOF, met uitzondering van middelen voor de investeringsfaciliteit, daarmee verband houdende rentesubsidies niet inbegrepen, niet na 31 december 2013 worden vastgelegd.

  • 6. Het ACS-EG-Comité van Ambassadeurs kan namens de ACS-EG-Raad van Ministers binnen het totaalbedrag van het meerjarig financieel kader passende maatregelen nemen om te voldoen aan de programmeringsbehoeften van de in punt 2 beschreven samenwerkingsinstrumenten, waaronder de herverdeling van middelen tussen de verschillende toewijzingen.

  • 7. De partijen voeren een prestatie-evaluatie uit om te beoordelen in hoeverre de vastleggingen en betalingen zijn gerealiseerd en wat het resultaat en het effect van de steun zijn. Die evaluatie wordt uitgevoerd op grond van een door de Commissie in 2010 op te stellen voorstel. De prestatie-evaluatie vormt de grondslag voor het besluit over het bedrag van de financiële samenwerking na 2013.

  • 8. Elke lidstaat kan de Commissie of de EIB vrijwillige bijdragen verschaffen om de doelstellingen van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst te ondersteunen. De lidstaten kunnen ook projecten of programma’s cofinancieren, bijvoorbeeld in het kader van speciale initiatieven onder auspiciën van de Commissie of de EIB. Het ACS-eigendom op het nationale niveau van deze initiatieven dient gewaarborgd te zijn.

Bijlage I quater. Meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020

  • 1. Voor de doelstellingen van deze Overeenkomst en voor een periode vanaf 1 januari 2014 wordt het totaalbedrag van de financiële steun die beschikbaar is voor de ACS-landen binnen dit meerjarig financieel kader vastgesteld op 31,589 miljard EUR, als gespecificeerd in de punten 2 en 3.

  • 2. De som van 29,089 miljard EUR in het kader van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) wordt beschikbaar gesteld met ingang van de datum van inwerkingtreding van het meerjarig financieel kader. Bedoelde som wordt tussen de samenwerkingsinstrumenten als volgt verdeeld:

    • a. 24,365 miljard EUR voor de financiering van de nationale en regionale indicatieve programma’s. Deze toewijzing wordt gebruikt voor de financiering van:

      • i. de nationale indicatieve programma’s van de ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 5 van bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

      • ii. regionale indicatieve programma’s ter ondersteuning van de regionale en interregionale samenwerking en integratie van de ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11 van bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

    • b. 3,590 miljard EUR voor de financiering van intra-ACS- en interregionale samenwerking tussen vele of alle ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 12, 13 en 14 van bijlage IV bij deze Overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer. Dit bedrag omvat steun aan gezamenlijke instellingen en lichamen die zijn ingesteld onder deze Overeenkomst. Dit bedrag bestrijkt ook steun aan de huishoudelijke uitgaven van het ACS-secretariaat als bedoeld in de punten 1 en 2 van protocol nr. 1 betreffende de huishoudelijke uitgaven van de gezamenlijke instellingen;

    • c. 1,134 miljard EUR voor de financiering van de investeringsfaciliteit overeenkomstig de voorwaarden van bijlage II (Financieringsvoorwaarden) bij deze Overeenkomst, met inbegrip van een bijkomende bijdrage van 500 miljoen EUR aan de investeringsfaciliteit, in de vorm van een roterend fonds, en 634 miljoen EUR, in de vorm van subsidies voor de financiering van de rentesubsidies en van projectgerelateerde technische bijstand als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 4 van die bijlage, gedurende de looptijd van het elfde EOF.

  • 3. De verrichtingen die in het kader van de investeringsfaciliteit worden gefinancierd, met inbegrip van de overeenstemmende rentesubsidies, worden beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB). Een bedrag van maximaal 2,500 miljard EUR wordt, bovenop de uit het elfde EOF beschikbare middelen, door de EIB beschikbaar gesteld in de vorm van leningen uit eigen middelen. Deze middelen worden toegekend voor de doelstellingen als uiteengezet in bijlage II bij deze Overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in het statuut van de EIB en de relevante bepalingen van de voorwaarden voor de financiering van investeringsprojecten in die bijlage. Alle andere financiële middelen in het kader van dit meerjarig financieel kader worden door de Commissie beheerd.

  • 4. Na 31 december 2013 of na de datum van de inwerkingtreding van dit meerjarig financieel kader, zo dit later is, worden de saldi van het 10e EOF of van vroegere EOF’s en vrijgemaakte middelen voor projecten in het kader van voorgaande EOF’s niet langer vastgelegd, tenzij de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen anders besluit, met uitzondering van de overblijvende saldi en terugbetalingen van de middelen die waren toegewezen voor de financiering van de investeringsfaciliteit, exclusief de daarmee verband houdende rentesubsidies en de overblijvende saldi van het stelsel voor de stabilisatie van de exportopbrengsten van landbouwproducten (Stabex) in het kader van de EOF’s voorafgaand aan het 9e EOF.

  • 5. Het totaalbedrag van dit meerjarig financieel kader is bestemd voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020. De middelen van het 11e EOF en, in het geval van de investeringsfaciliteit, de middelen afkomstig van gelden die terugvloeien, worden na 31 december 2020 niet verder vastgelegd, tenzij de Raad van de Europese Unie, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen anders besluit. De middelen die echter door de lidstaten in het kader van het 9e, het 10e en het 11e EOF zijn geplaatst ter financiering van de investeringsfaciliteit blijven echter na 31 december 2020 beschikbaar voor uitbetaling.

  • 6. Het Comité van Ambassadeurs kan namens de ACS-EU-Raad van ministers, binnen het totaalbedrag van het meerjarig financieel kader, passende maatregelen nemen om te voldoen aan de programmeringsbehoeften voor een van de in punt 2 beschreven toewijzingen, waaronder de herverdeling van middelen tussen de verschillende toewijzingen.

  • 7. Op verzoek van een van beide partijen kan worden besloten tot een prestatie-evaluatie, om op een onderling afgesproken tijdstip na te gaan in welke mate de vastleggingen en betalingen zijn gerealiseerd, alsook de resultaten en gevolgen van de verleende steun. Deze evaluatie wordt verricht op basis van een voorstel van de Commissie. Zij kan bijdragen tot de in artikel 95, lid 4, van deze Overeenkomst bedoelde onderhandelingen.

  • 8. Elke lidstaat kan de Commissie of de EIB vrijwillige bijdragen verstrekken om de doelstellingen van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst te steunen. De lidstaten kunnen ook projecten of programma’s medefinancieren, bijvoorbeeld in het kader van specifieke initiatieven die door de Commissie of de EIB moeten worden beheerd. De verantwoordelijkheid van de ACS-landen over dergelijke initiatieven op nationaal niveau dient te worden gewaarborgd.

BIJLAGE II. Financieringsvoorwaarden

HOOFDSTUK 1. FINANCIERING VAN INVESTERINGEN

Artikel 1

  • 1 De financieringsvoorwaarden voor maatregelen in het kader van de Investeringsfaciliteit, leningen uit de eigen middelen van de Europese Investeringsbank en speciale maatregelen worden in dit hoofdstuk vastgesteld. Deze middelen worden verstrekt aan daarvoor in aanmerking komende ondernemingen, direct dan wel indirect, via daarvoor in aanmerking komende investeringsfondsen en/of financiële tussenpersonen.

  • 2 Middelen voor rentesubsidies, als bedoeld in deze bijlage, worden beschikbaar gesteld uit de toewijzing voor rentesubsidies als bepaald in bijlage I b, lid 2, onder c).

  • 3 Rentesubsidies kunnen worden gekapitaliseerd of gebruikt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp. Het bedrag van de rentesubsidie wordt, na berekening van de waarde op het tijdstip van de overboeking van de lening, afgeboekt op het bedrag van de toewijzing voor rentesubsidies als bepaald in bijlage I ter, punt 2, onder c), en rechtstreeks overgemaakt aan de Bank. Maximaal 15% van deze toewijzing voor rentesubsidies mag ook worden gebruikt voor de ondersteuning van projectgerelateerde technische bijstand in ACS-landen.

  • 4 Deze voorwaarden gelden onverminderd de voorwaarden die kunnen worden opgelegd aan ACS-landen waarvoor beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast („HIPC”) of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast. Wanneer dergelijke regelingen een reductie vereisen van het rentetarief voor leningen met meer dan 3%, zoals is toegestaan krachtens de artikelen 2 en 4 van dit hoofdstuk, tracht de Bank de gemiddelde kosten van de middelen door passende medefinanciering met andere donoren te verminderen. Indien dit niet mogelijk wordt geacht, kan de rentevoet van de banklening zodanig worden verlaagd dat deze overeenstemt met het niveau in het kader van het HIPC-initiatief of een internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast.

Artikel 2. Middelen van de Investeringsfaciliteit

  • 1 De middelen van de Investeringsfaciliteit worden, onder andere, gebruikt voor:

    • a. de verstrekking van risicokapitaal in de vorm van:

      • i. aandelenparticipaties in ondernemingen uit de ACS-staten, inclusief financiële instellingen;

      • ii. semikapitaalbijstand aan ondernemingen uit de ACS-staten, inclusief financiële instellingen; en

      • iii. garanties en andere kredietaanvullingen die kunnen worden gebruikt voor het dekken van politieke en andere investeringsgerelateerde risico's, ten behoeve van buitenlandse en plaatselijke investeerders of kredietverleners.

    • b. de verstrekking van gewone leningen.

  • 2 Aandelenparticipaties hebben gewoonlijk betrekking op niet-controlerende minderheidsbelangen en worden vergoed op basis van de resultaten van het betrokken project.

  • 3 Semikapitaalbijstand kan bestaan uit voorschotten van aandeelhouders, converteerbare obligaties, voorwaardelijke, achtergestelde of participatieleningen of een soortgelijke vorm van bijstand. Deze bijstand kan met name bestaan uit:

    • a. voorwaardelijke leningen, waarvan de aflossing en/of looptijd afhankelijk is van de vervulling van bepaalde voorwaarden met betrekking tot het resultaat van het project; in het specifieke geval van voorwaardelijke leningen voor pre-investeringsonderzoeken of andere projectgerelateerde technische bijstand, kan de aflossing worden geannuleerd indien de investering niet plaatsvindt;

    • b. participatieleningen, waarvan de aflossing en/of looptijd afhankelijk is van de financiële rentabiliteit van het project; en

    • c. achtergestelde leningen, waarvan de terugbetaling pas plaatsvindt nadat de overige verstrekte kredieten zijn terugbetaald.

  • 4 De vergoeding van elke maatregel wordt gespecificeerd bij het verstrekken van de lening. Echter:

    • a. in het geval van voorwaardelijke en participatieleningen omvat de vergoeding gewoonlijk een vaste rentevoet van maximaal 3% en een variabele component die gerelateerd is aan het resultaat van het project; en

    • b. in het geval van achtergestelde leningen is de rentevoet marktconform.

  • 5 De garanties zijn in overeenstemming met de verzekerde risico's en de bijzondere kenmerken van de maatregel.

  • 6 De rentevoet van gewone leningen omvat een referentietarief dat door de Bank wordt toegepast voor vergelijkbare leningen waarvoor dezelfde voorwaarden gelden inzake aflossingsvrije periode en periode van aflossing, alsmede een door de Bank vastgestelde opwaardering.

  • 7 Voor gewone leningen in landen waarvoor geen beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het HIPC-initiatief of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast, gelden in de volgende gevallen concessionele voorwaarden:

    • a. in het geval van infrastructuurprojecten die een voorwaarde zijn voor de ontwikkeling van de particuliere sector in de minst ontwikkelde landen, in landen die zich in een post-conflictsituatie bevinden of door een natuurramp zijn getroffen. In deze gevallen wordt de rentevoet van de lening verlaagd met maximaal 3%;

    • b. in het geval van projecten die betrekking hebben op herstructureringsmaatregelen in het kader van privatisering of projecten met aanmerkelijke en duidelijk aantoonbare sociale of milieuvoordelen. In deze gevallen worden de leningen verstrekt met een rentesubsidie waarvan de omvang en vorm afhankelijk zijn van de bijzondere kenmerken van het project. De rentesubsidie bedraagt echter niet meer dan 3%.

    De uiteindelijke rentevoet van leningen die onder a) of b) vallen, bedraagt in geen geval minder dan 50% van het referentietarief.

  • 8 De voor deze concessionele doeleinden ter beschikking gestelde middelen zijn afkomstig van de Investeringsfaciliteit en bedragen niet meer dan 5% van het totale bedrag dat wordt toegewezen voor de financiering van investeringen in het kader van de Investeringsfaciliteit en uit de eigen middelen van de Bank.

  • 9 Rentesubsidies kunnen worden gekapitaliseerd of gebruikt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp. Maximaal 15% van de begroting voor rentesubsidies mag worden gebruikt voor de ondersteuning van projectgerelateerde technische bijstand in ACS-landen.

Artikel 3. Maatregelen van de Investeringsfaciliteit

  • 1 In het kader van de Investeringsfaciliteit wordt in alle sectoren van de economie steun verleend voor investeringen van particuliere en commercieel geleide publieke entiteiten, onder andere voor economische en technologische infrastructuur die opbrengsten genereert en voor de particuliere sector cruciaal is. De Investeringsfaciliteit dient:

    • a. te worden beheerd als een revolverend fonds en gericht te worden op financiële duurzaamheid. Voor de maatregelen in het kader van de Investeringsfaciliteit gelden marktconforme voorwaarden; de maatregelen mogen niet leiden tot verstoringen op de lokale markten of het verplaatsen van particuliere financieringsbronnen.

    • b. de financiële sector van de ACS te steunen en gericht te zijn op katalysering, door het aantrekken van plaatselijke langetermijnmiddelen te bevorderen en buitenlandse particuliere investeerders en kredietverleners te interesseren voor projecten in de ACS-staten.

    • c. een gedeelte van het risico te dragen voor de projecten die ermee worden gefinancierd. De financiële duurzaamheid wordt verzekerd door de portefeuille als geheel en niet door afzonderlijke maatregelen, en

    • d. ernaar te streven middelen te verstrekken via nationale en regionale instellingen en programma’s van de ACS die de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf stimuleren.

  • 1 bis De Bank ontvangt een vergoeding voor de kosten die zij maakt voor het beheer van de Investeringsfaciliteit. Gedurende de eerste twee jaar na de inwerkingtreding van het tweede Financieel Protocol bedraagt deze vergoeding ten hoogste 2% per jaar van het totale aanvangskapitaal van de Investeringsfaciliteit. Daarna omvat de vergoeding die de Bank ontvangt een vast onderdeel van 0,5% per jaar van het aanvangskapitaal en een variabel onderdeel van ten hoogste 1,5% per jaar van de portefeuille van de Investeringsfaciliteit die geïnvesteerd is in projecten in ACS-landen. De vergoeding wordt gefinancierd uit de Investeringsfaciliteit.

  • 2 Bij het verstrijken van de geldigheidsduur van dit Financieel Protocol en bij gebreke van een specifiek besluit van de Raad van Ministers worden de cumulatieve nettoterugbetalingen aan de Investeringsfaciliteit overgedragen naar het volgende Protocol.

Artikel 4. EIB-leningen uit de eigen middelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De Bank:

  • a. draagt met de door haar beheerde middelen bij tot de economische en industriële ontwikkeling van de ACS-staten op nationale en regionale basis; daartoe financiert zij, bij wijze van prioriteit, productieve projecten en programma's of andere investeringen gericht op de bevordering van de particuliere sector in alle sectoren van de economie;

  • b. werkt nauw samen met de nationale en regionale ontwikkelingsbanken en met bancaire en financiële instellingen uit de ACS-staten en de EU; en

  • c. wijzigt, in overleg met de betrokken ACS-staat, de in de Overeenkomst omschreven regelingen en procedures voor de tenuitvoerlegging van de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, teneinde zo nodig rekening te houden met de aard van de projecten en programma's en in het kader van haar statutaire procedures conform de doelstellingen van de Overeenkomst te handelen.

  • 2 Voor leningen uit de eigen middelen van de Bank gelden de volgende voorwaarden:

    • a) het referentierentetarief is het tarief dat door de Bank wordt toegepast voor leningen tegen dezelfde voorwaarden wat munteenheid en aflossingsperiode betreft op de dag van ondertekening van de overeenkomst of op de datum van overboeking;

    • b) voor landen waarvoor geen beperkende leningsvoorwaarden gelden in het kader van het HIPC-initiatief of een andere internationaal overeengekomen regeling voor de houdbaarheid van de schuldenlast, geldt echter het volgende:

      • i) projecten in de overheidssector komen in principe in aanmerking voor een rentesubsidie van maximaal 3%;

      • ii) projecten in de particuliere sector, vallende onder de categorieën gespecificeerd in artikel 2, lid 7, onder b), komen in aanmerking voor rentesubsidies onder dezelfde voorwaarden als gespecificeerd in genoemde bepaling.

      De uiteindelijke rentevoet bedraagt in geen geval minder dan 50% van het referentietarief;

    • c) de aflossingsperiode van door de Bank uit eigen middelen verstrekte leningen wordt vastgesteld op basis van de economische en financiële kenmerken van het project. Voor deze leningen geldt gewoonlijk een aflossingsvrije periode, die wordt vastgesteld onder verwijzing naar de periode die voor de uitvoering van het project nodig is.

  • 3 Voor door de Bank uit eigen middelen gefinancierde investeringen in overheidsbedrijven kunnen van de betrokken ACS-staat specifieke projectgerelateerde garanties of verbintenissen worden verlangd.

Artikel 5. Regels inzake wisselkoersrisico

Teneinde de gevolgen van wisselkoersschommelingen zo veel mogelijk te beperken, worden de problemen in verband met het wisselkoersrisico als volgt aangepakt:

  • a. in het geval van aandelenparticipaties die gericht zijn op de versterking van de eigen middelen van een onderneming, komt het wisselkoersrisico in het algemeen voor rekening van de Investeringsfaciliteit;

  • b. in het geval van gewone leningen en financiering met risicodragend kapitaal ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf, wordt het wisselkoersrisico in het algemeen gedeeld door enerzijds de Gemeenschap en anderzijds de overige betrokken partijen. Gemiddeld zou het wisselkoersrisico gelijkelijk moeten worden gedeeld, en

  • c. voorzover haalbaar en passend, met name in landen die de kenmerken vertonen van macro-economische en financiële stabiliteit, worden in het kader van de Investeringsfaciliteit leningen verstrekt in de lokale munteenheden van de ACS-staten, teneinde aldus het wisselkoersrisico de facto weg te nemen.

Artikel 6. Regels inzake overmaking van deviezen

De betrokken ACS-staten verbinden zich ertoe om ten aanzien van maatregelen uit hoofde van de Overeenkomst waarvoor zij schriftelijk toestemming hebben verleend in het kader van deze Overeenkomst:

  • a. de rente, provisies en aflossing van leningen vrij te stellen van nationale of lokale belastingen of fiscale heffingen die krachtens de wetgeving van de betrokken ACS-staat of ACS-staten verschuldigd zijn;

  • b. de begunstigden de beschikking te geven over de nodige deviezen voor de betaling van rente, provisies en aflossing van leningen, welke bedragen verschuldigd zijn uit hoofde van de financieringsovereenkomsten die gesloten zijn voor de uitvoering van projecten en programma's op hun grondgebied; en

  • c. de Bank de beschikking te geven over de nodige deviezen voor de overmaking van alle bedragen die zij in nationale valuta heeft ontvangen, tegen de wisselkoers die op het ogenblik van de overmaking van toepassing is op transacties tussen de euro of andere deviezen voor overmaking en de nationale valuta. Dit omvat alle soorten vergoedingen, zoals, onder andere, rente, dividend en provisies, alsmede de aflossing van leningen en de opbrengsten uit de verkoop van aandelen, welke bedragen verschuldigd zijn uit hoofde van de financieringsovereenkomsten die gesloten zijn voor de uitvoering van projecten en programma's op hun grondgebied.

Artikel 6 bis. Jaarlijkse rapportage over de Investeringsfaciliteit

Vertegenwoordigers van de lidstaten van de Europese Unie die verantwoordelijkheid dragen voor de Investeringsfaciliteit en vertegenwoordigers van de ACS-staten, alsmede de Europese Investeringsbank, de Commissie, het secretariaat van de Raad van de Europese Unie en het ACS-secretariaat komen jaarlijks bijeen om het functioneren en de prestaties van en beleidskwesties betreffende de Investeringsfaciliteit te bespreken.

Artikel 6 ter. Toetsing van de prestaties van de Investeringsfaciliteit

Halverwege de looptijd en aan het einde van de looptijd van een financieel protocol worden de algehele prestaties van de Investeringsfaciliteit gezamenlijk getoetst. Bij die toetsing kunnen aanbevelingen worden gedaan ter verbetering van de implementatie van de Investeringsfaciliteit.

HOOFDSTUK 2. SPECIALE MAATREGELEN

Artikel 7

  • 1 In het kader van de samenwerking wordt uit de toewijzing voor niet-terugvorderbare hulp steun verleend voor:

    • a. sociale woningbouw, ter bevordering van de langetermijnontwikkeling van de woningbouw, inclusief secundaire hypotheekfaciliteiten;

    • b. microfinanciering ter stimulering van MKB en micro-ondernemingen; en

    • c. capaciteitsopbouw ter versterking en vergemakkelijking van de effectieve deelnamen van de particuliere sector aan de sociale en economische ontwikkeling.

  • 2 De ACS-EG-Raad van Ministers neemt, na de ondertekening van deze Overeenkomst en op voorstel van het ACS-EG-Comité voor samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering, een besluit over de bepalingen en het bedrag van de middelen die worden toegewezen uit hoofde van de bijdrage voor langetermijnontwikkeling, teneinde deze doelstellingen te verwezenlijken.

HOOFDSTUK 3. FINANCIERING VOOR KORTETERMIJNFLUCTUATIES VAN DE EXPORTOPBRENGSTEN

Artikel 8

  • 1 De partijen erkennen dat dalingen van de exportopbrengsten als gevolg van kortetermijnfluctuaties de ontwikkelingsfinanciering en de tenuitvoerlegging van het macro-economisch en sectoraal beleid in gevaar kunnen brengen. De mate van afhankelijkheid van de economie van een ACS-staat van de export van goederen, in het bijzonder van landbouw- en mijnbouwproducten, is derhalve een belangrijk criterium bij de vaststelling van de toewijzing voor langetermijnontwikkeling.

  • 2 Om de negatieve effecten van de instabiliteit van de exportopbrengsten te reduceren en de uitvoering van een door een inkomstendaling in gevaar gebracht ontwikkelingsprogramma te garanderen, kan uit de programmeerbare middelen voor de langetermijnontwikkeling van een land aanvullende financiële steun worden vrijgemaakt op basis van artikel 9 en artikel 10.

Artikel 9. Criteria

  • 1 Aanvullende financiële middelen worden vrijgemaakt indien sprake is van:

    • een daling van 10% (2% in het geval van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende of insulaire staten en van landen die zich in een situatie na een conflict of een natuurramp bevinden) van de exportopbrengsten van goederen, vergeleken met het rekenkundig gemiddelde van de opbrengsten in de vier aan het toepassingsjaar voorafgaande jaren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de meest extreme waarde, of

    • een daling van 10% (2% in het geval van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende of insulaire staten en van landen die zich in een situatie na een conflict of een natuurramp bevinden) van de exportopbrengsten van alle landbouw- en mijnbouwproducten, vergeleken met het rekenkundig gemiddelde van de opbrengsten in de vier aan het toepassingsjaar voorafgaande jaren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de meest extreme waarde voor landen waarvan de exportopbrengsten uit landbouw- of mijnbouwproducten meer dan 40% van de totale exportopbrengsten uit goederen vertegenwoordigen, of

    • een daling van 10% (2% in het geval van de minst ontwikkelde, niet aan zee grenzende of insulaire staten en van landen die zich in een situatie na een conflict of een natuurramp bevinden) van de exportopbrengsten van alle landbouw- en mijnbouwproducten, vergeleken met het rekenkundig gemiddelde van de opbrengsten in de vier aan het toepassingsjaar voorafgaande jaren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de meest extreme waarde voor landen waarvan de exportopbrengsten uit landbouw- of mijnbouwproducten tussen 20 en 40% van de totale exportopbrengsten uit goederen vertegenwoordigen, mits de totale opbrengsten niet bovenproportioneel stijgen doordat het aandeel van de exportopbrengsten uit land- of mijnbouwproducten in de totale uitvoer afneemt.

  • 2 Het recht op aanvullende financiële middelen is van toepassing wanneer de in lid 1 omschreven daling van de exportopbrengsten ten minste 0,5% van het bbp bedraagt. Het recht op aanvullende financiële middelen is beperkt tot drie opeenvolgende jaren.

  • 3 De aanvullende financiële middelen worden opgenomen in de openbare rekeningen van het betrokken land. Zij worden gebruikt overeenkomstig de programmeringsregels en -methoden, inclusief de specifieke bepalingen van bijlage IV „Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer”, op basis van vooraf opgestelde overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken ACS-staat in het jaar volgend op het toepassingsjaar. Bij overeenstemming tussen de partijen kunnen de middelen worden gebruikt voor financiering van in de nationale begroting opgenomen programma’s. Een deel van de aanvullende financiële middelen kan evenwel worden bestemd voor specifieke sectoren, met name voor de ontwikkeling van commerciële verzekeringsregelingen die bescherming bieden tegen fluctuaties van exportopbrengsten.

Artikel 9 bis

  • 1 Het bedrag van de aanvullende financiële middelen is gelijk aan de daling van de exportopbrengsten vermenigvuldigd met het rekenkundig gemiddelde van de verhouding overheidsinkomsten/bruto binnenlands product in de vier aan het toepassingsjaar voorafgaande jaren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de meest extreme waarde en het verhoudingscijfer ten hoogste 25% bedraagt.

  • 2 De door de ACS-staten verstrekte gegevens voor het bepalen van de toekenningscriteria en de in artikel 9 omschreven aanvullende financiële middelen worden door de Commissie geanalyseerd in de plaatselijke munteenheid, gecorrigeerd voor inflatie. De Commissie rekent vervolgens het potentiële bedrag van de aanvullende financiële middelen overeenkomstig haar procedures om in euro.

  • 3 Binnen de totale toewijzing voor de nationale indicatieve programma’s stelt de Commissie jaarlijks voor alle ACS-staten een toewijzing vast voor steun in geval van kortetermijnfluctuaties van de exportopbrengsten. Indien het bedrag van de financiële middelen dat op basis van de in artikel 9 vastgestelde criteria wordt berekend, hoger is dan die toewijzing, worden de nationale toewijzingen verdeeld naar verhouding van het in euro uitgedrukte potentiële bedrag van de aanvullende financiële middelen voor iedere ACS-staat.

Artikel 10. Voorschotten

Het systeem voor de verdeling van aanvullende financiële middelen voorziet in voorschotten om de nadelige gevolgen op te vangen van eventuele vertragingen bij het verkrijgen van de geconsolideerde handelsstatistieken en om ervoor te zorgen dat de betrokken middelen uiterlijk in de begroting van het tweede jaar volgend op het toepassingsjaar kunnen worden opgenomen. Voorschotten zijn voorbehouden voor landen waar de financiële middelen uit hoofde van FLEX via algemene begrotingssteun kunnen worden verstrekt. Zij worden vrijgemaakt op basis van door de regering opgestelde en bij de Commissie ingediende voorlopige exportstatistieken. Voorschotten bedragen ten hoogste 100% van het geschatte bedrag van de aanvullende financiële middelen voor het toepassingsjaar. De aldus vrijgemaakte bedragen worden aangepast aan de hand van de definitieve geconsolideerde exportstatistieken. Deze statistieken worden uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het toepassingsjaar ingediend.

Artikel 11

De bepalingen in dit hoofdstuk worden uiterlijk na twee jaar herzien; daarna kunnen zij op verzoek van een der partijen worden herzien.

HOOFDSTUK 4. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 12. Lopende betalingen en kapitaalverkeer

  • 1 Onverminderd lid 3 hieronder, verbinden de partijen zich ertoe geen beperkingen op te leggen voor betalingen in vrij convertibele munt op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen onderdanen van de Gemeenschap en de ACS-staten.

  • 2 Met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans verbinden de partijen zich ertoe geen beperkingen op te leggen op het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot directe investeringen in ondernemingen welke in overeenstemming met de wetten van het gastland zijn opgericht, en investeringen in overeenstemming met deze Overeenkomst, alsook de liquidatie of repatriëring van die investeringen en van alle opbrengsten daarvan.

  • 3 Indien een of meer ACS-staten of een of meer lidstaten in ernstige betalingsbalansproblemen verkeren of dreigen te verkeren, kunnen de ACS-staat, de lidstaat of de Gemeenschap, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel, de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten en de artikelen VIII en XIV van de statuten van het Internationaal Monetair Fonds, beperkingen instellen ten aanzien van de lopende betalingen, die van beperkte duur zijn en niet verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is voor een herstel van de situatie van de betalingsbalans. De partij die de maatregelen neemt, dient de andere partijen daarvan onverwijld in kennis te stellen en deze andere partijen zo spoedig mogelijk een tijdschema te doen toekomen voor de opheffing van deze maatregelen.

Artikel 13. Regeling voor ondernemingen

Wat de regeling inzake vestiging en diensten betreft, behandelen de ACS-staten enerzijds en de lidstaten anderzijds onderdanen en vennootschappen of ondernemingen uit de ACS-staten respectievelijk de lidstaten op voet van gelijkheid. Indien evenwel een ACS-staat of een lidstaat voor een bepaalde activiteit geen gelijke behandeling kan toepassen, is de ACS-staat respectievelijk de lidstaat niet verplicht voor die activiteit een gelijke behandeling toe te kennen aan onderdanen en vennootschappen of ondernemingen van de betrokken staat.

Artikel 14. Definitie van „vennootschappen en ondernemingen”

  • 1 Onder „vennootschappen of ondernemingen van een lidstaat of een ACS-staat” in de zin van deze Overeenkomst worden verstaan vennootschappen of ondernemingen naar burgerlijk recht of handelsrecht, met inbegrip van overheids- of andere bedrijven, coöperatieve verenigingen en alle andere rechtspersonen en verenigingen naar publiek of privaat recht, met uitzondering van vennootschappen zonder winstoogmerk, opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat of van een ACS-staat en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging in een lidstaat of een ACS-staat hebben.

  • 2 Indien zij alleen hun statutaire zetel in een lidstaat of een ACS-staat hebben, dient hun activiteit evenwel een daadwerkelijke en voortdurende band te vertonen met de economie van die lidstaat of die ACS-staat.

HOOFDSTUK 5. OVEREENKOMSTEN INZAKE BESCHERMING VAN INVESTERINGEN

Artikel 15

  • 1 Bij de tenuitvoerlegging van artikel 78 van deze Overeenkomst nemen de partijen de volgende beginselen in acht:

  • a. iedere staat die partij is bij de Overeenkomst kan in voorkomend geval verzoeken dat onderhandelingen met een andere staat die partij is bij de Overeenkomst worden geopend over een overeenkomst inzake bevordering en bescherming van investeringen;

  • b. bij de opening van onderhandelingen over sluiting, toepassing en interpretatie van bilaterale of multilaterale overeenkomsten inzake bevordering en bescherming van investeringen wordt door de staten die partij zijn bij dergelijke overeenkomsten niet gediscrimineerd tussen staten die partij zijn bij de onderhavige Overeenkomst en evenmin jegens die staten ten opzichte van derde landen;

  • c. de staten die partij zijn bij de Overeenkomst hebben het recht te vragen dat de hierboven bedoelde niet discriminerende behandeling wordt gewijzigd of aangepast wanneer daartoe door internationale verplichtingen of een wijziging van de feitelijke situatie de noodzaak is ontstaan;

  • d. toepassing van de hierboven vermelde beginselen mag niet tot doel of tot gevolg hebben dat inbreuk wordt gemaakt op de soevereiniteit van een staat die partij is bij de Overeenkomst; en

  • e. de relatie tussen de datum van inwerkingtreding van de gesloten overeenkomsten, de bepalingen betreffende de regeling van geschillen en de datum van de bedoelde investeringen worden in die overeenkomsten vastgesteld met inachtneming van de voorgaande leden. De partijen bij de Overeenkomst bevestigen dat als algemeen beginsel geen terugwerkende kracht wordt toegepast, tenzij staten die partij zijn bij de Overeenkomst anders besluiten.

  • 2 De partijen bij de Overeenkomst komen overeen de belangrijkste clausules van een modelovereenkomst inzake bescherming en bevordering van investeringen te onderzoeken, teneinde de onderhandelingen over bilaterale overeenkomsten inzake bescherming en bevordering van investeringen te vereenvoudigen. Bij dit onderzoek, dat uitgaat van de bepalingen van de bestaande bilaterale overeenkomsten tussen de staten die partij zijn bij de Overeenkomst, wordt met name aandacht geschonken aan:

    • a. wettelijke garanties voor eerlijke en rechtvaardige behandeling en bescherming van buitenlandse investeerders;

    • b. een meestbegunstigingsclausule;

    • c. bescherming bij onteigening en nationalisering;

    • d. overdracht van kapitaal en winsten; en

    • e. internationale arbitrage bij geschillen tussen investeerders en het gastland.

  • 3 De partijen komen overeen de capaciteit van de garantiestelsels te onderzoeken, teneinde een positief antwoord te kunnen geven op de specifieke behoefte van kleine en middelgrote ondernemingen om hun investeringen in de ACS-staten veilig te stellen. Deze onderzoeken moeten zo snel mogelijk na de ondertekening van de Overeenkomst worden aangevangen. De Commissie legt het resultaat van deze studies ter goedkeuring en verdere afhandeling voor aan het ACS-EG-Comité voor Samenwerking inzake Ontwikkelingsfinanciering.

BIJLAGE III. INSTITUTIONELE STEUN

Artikel 1

De samenwerking ondersteunt het institutionele mechanisme ter bevordering van landbouw en plattelandsontwikkeling. In dit verband dient de samenwerking de rol van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP) bij de institutionele capaciteitsopbouw in de ACS te helpen versterken, met name wat betreft informatiemanagement, ter verbetering van de toegang tot technologieën om productiviteit en afzetmogelijkheden in de landbouw te verhogen en voedselzekerheid en plattelandsontwikkeling te versterken.

Artikel 2. TCLP

  • 1 De taak van het TCLP is het versterken van de ontwikkeling van beleids- en institutionele capaciteit en het versterken van de managementcapaciteiten op het gebied van informatie en communicatie bij ACS-organisaties voor landbouw- en plattelandsontwikkeling. Het helpt die organisaties bij het formuleren en uitvoeren van beleid en programma's om armoede te bestrijden, duurzame voedselzekerheid te bevorderen, natuurlijke hulpbronnen in stand te houden en zo bij te dragen tot zelfvoorziening in de landbouw- en plattelandsontwikkeling in de ACS.

  • 2 De taken van het TCLP zijn:

    • a) het ontwikkelen en verstrekken van informatiediensten en het verbeteren van de toegang tot onderzoek, opleiding en innovatie op het gebied van landbouw- en plattelandsontwikkeling, teneinde de ontwikkeling van de landbouw en het platteland te stimuleren; en

    • b) het ontwikkelen en versterken van de capaciteiten in de ACS, met het oog op:

      • i) verbetering van formulering en beheer van beleid en strategieën voor de ontwikkeling van de landbouw en het platteland op nationaal en regionaal niveau, onder meer ter verbetering van capaciteiten voor het verzamelen van gegevens en voor beleidsonderzoek, -analyse en -formulering;

      • ii) verbetering van informatie- en communicatiemanagement, met name in het kader van de nationale landbouwstrategie;

      • iii) bevordering van effectieve intra-institutioneel informatie- en communicatiemanagement (ICM) ten behoeve van het meten van prestaties, en bevordering van de vorming van consortia met regionale en internationale partners;

      • iv) stimulering van gedecentraliseerd ICM op plaatselijk en nationaal niveau;

      • v) versterking van initiatieven door middel van regionale samenwerking; en

      • vi) ontwikkeling van werkwijzen om de beleidsimpact op het gebied van landbouw- en plattelandsontwikkeling te meten.

  • 3 Het Centrum ondersteunt regionale initiatieven en netwerken en voert geleidelijk programma's voor capaciteitsontwikkeling uit samen met geschikte organisaties uit de ACS. Hiertoe verleent het centrum steun aan gedecentraliseerde regionale informatienetwerken. Deze netwerken worden geleidelijk en op efficiënte wijze tot stand gebracht.

  • 4 De activiteiten van het TCLP worden periodiek geëvalueerd.

  • 5 Het Comité van Ambassadeurs is belast met het toezicht op het TCLP. Het Comité van Ambassadeurs neemt na de ondertekening van de Overeenkomst de volgende maatregelen:

    • a) het stelt de statuten van het TCLP vast;

    • b) het benoemt de leden van de raad van bestuur;

    • c) het benoemt het management van het TCLP op voorstel van de raad van bestuur; en

    • d) het houdt toezicht op de algemene strategie van het TCLP en heeft de supervisie over de werkzaamheden van de raad van bestuur.

  • 6 De raad van bestuur heeft overeenkomstig de statuten van het TCLP de volgende taken:

    • a) hij stelt het financieel reglement, het personeelsreglement en de werkwijze vast;

    • b) hij houdt toezicht op de werkzaamheden;

    • c) hij stelt het programma en de begroting van het TCLP vast;

    • d) hij dient periodieke verslagen en evaluaties in aan de toezichthoudende autoriteit; en

    • e) hij voert alle andere taken uit die hem door de statuten van het TCLP zijn opgelegd.

  • 7 De begroting van het Centrum wordt gefinancierd volgens de in de Overeenkomst vastgestelde regels voor de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering.

Bijlage IV. Procedures voor tenuitvoerlegging en beheer

HOOFDSTUK 1. PROGRAMMERING (NATIONAAL)

Artikel 1 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Activiteiten die gefinancierd worden met uit hoofde van de Overeenkomst verleende subsidies worden geprogrammeerd aan het begin van de periode waarop het meerjarig financieel kader voor de samenwerking betrekking heeft.

De programmering is gebaseerd op de beginselen van eigen inbreng, onderlinge afstemming, donorcoördinatie en -harmonisatie, resultaatgestuurde ontwikkeling en wederzijdse verantwoording.

Voor de toepassing hiervan houdt programmering in:

  • a) formulering en ontwikkeling van landenstrategiedocumenten, regionale strategiedocumenten of intra-ACS-strategiedocumenten, op basis van de ontwikkelingsdoelstellingen en -strategieën van de ACS-staten, de ACS-regio's of de ACS-groep voor de middellange termijn en rekening houdend met de beginselen van gezamenlijke programmering en taakverdeling onder de donors; dit proces dient zoveel mogelijk gestuurd te worden door een partnerland of -regio;

  • b) een duidelijke indicatie van de kant van de Gemeenschap betreffende de indicatieve programmeerbare financiële middelen waarover het land, de regio of het intra-ACS-samenwerkingsverband kan beschikken gedurende de periode die door het meerjarige financiële kader voor de samenwerking wordt bestreken, alsmede alle andere nuttige inlichtingen, waaronder een mogelijke reserve voor onvoorziene behoeften;

  • c) opstelling en goedkeuring van een indicatief programma voor de tenuitvoerlegging van het strategiedocument, rekening houdende met de verbintenissen van andere donors, en met name de lidstaten van de Europese Unie; en

  • d) een evaluatieproces dat betrekking heeft op het strategiedocument, het indicatieve programma en de daarvoor toegewezen middelen.

Artikel 2. Landenstrategiedocument [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Het landenstrategiedocument wordt opgesteld door de betrokken ACS-staat en de EU. Het wordt opgesteld na overleg met een ruime selectie van actoren, waaronder niet-overheidsactoren, plaatselijke overheden en waar van toepassing ACS-parlementen, en wordt gebaseerd op ervaringen en de beste praktijk. Het landenstrategiedocument wordt aangepast aan de behoeften en de specifieke omstandigheden van elke ACS-staat. Met het landenstrategiedocument wordt een prioriteitsrangorde aangebracht in de activiteiten en wordt de eigen plaatselijke inbreng in de samenwerkingsprogramma’s versterkt. Discrepanties tussen de analyse van het land zelf en die van de Gemeenschap worden aangegeven. Het landenstrategiedocument omvat de volgende standaardonderdelen:

  • a) een analyse van de politieke, economische, sociale en ecologische achtergrond van het land, de beperkingen, capaciteiten en vooruitzichten en een beoordeling van de basisbehoeften, zoals het inkomen per hoofd van de bevolking, de bevolkingsomvang en de sociale indicatoren en kwetsbaarheid;

  • b) een gedetailleerd overzicht van de ontwikkelingsstrategie van het land voor de middellange termijn, met duidelijk gestelde prioriteiten en vermelding van de verwachte financiële vereisten;

  • c) een overzicht van de relevante plannen en maatregelen van andere donoren die in het land actief zijn, met name de EU-lidstaten als bilaterale donoren;

  • d) responsstrategieën die de specifieke bijdrage van de EU in detail omschrijven. Deze moeten waar mogelijk complementair zijn met activiteiten die worden gefinancierd door de ACS-staat zelf en de andere donoren die in het land actief zijn; en

  • e) een indicatie van de meest geschikte steun- en uitvoeringsmechanismen voor deze strategieën.

Artikel 3. Toewijzing van middelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De indicatieve toewijzing van middelen aan de ACS-staten gebeurt op basis van genormeerde, objectieve en transparante behoeften en prestatiecriteria. In dit verband geldt het volgende:

    • a) de behoeften worden geëvalueerd aan de hand van criteria inzake inkomen per hoofd van de bevolking, bevolkingsomvang, sociale indicatoren, schuldniveau en kwetsbaarheid voor exogene schokken. Er wordt voorzien in een bijzondere behandeling voor de minst ontwikkelde ACS-staten en rekening gehouden met de kwetsbaarheid van niet aan zee grenzende en insulaire ACS-staten. Ook wordt rekening gehouden met de bijzondere moeilijkheden van landen die een conflictsituatie of een natuurramp hebben doorgemaakt; en

    • b) de prestaties worden beoordeeld aan de hand van criteria betreffende bestuur, voortgang bij de tenuitvoerlegging van institutionele hervormingen, prestaties van het land bij het benutten van rijkdommen, effectieve tenuitvoerlegging van lopende maatregelen, verlichting of bestrijding van armoede, vooruitgang in de richting van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, duurzame ontwikkeling en macro-economische en sectorale beleidsprestaties.

  • 2 De toegewezen middelen bestaan uit:

    • a) een programmeerbare toewijzing voor macro-economische steunmaatregelen, sectoraal beleid, programma's en projecten ter ondersteuning van concentratiesectoren en andere sectoren van de bijstand van de Gemeenschap. Met deze programmeerbare toewijzing moet het betrokken land de steun van de Gemeenschap op de lange termijn beter kunnen programmeren. Deze toewijzing vormt, samen met eventuele andere communautaire middelen, de basis voor het opstellen van het indicatieve programma voor het betrokken land; en

    • b) een toewijzing voor onvoorziene behoeften zoals vastgesteld in de artikelen 66 en 68 en de artikelen 72, 72 bis en 73 van deze Overeenkomst, die benut kan worden op de voorwaarden die in die artikelen worden vastgesteld, indien de steun niet uit de begroting van de Unie kan worden gefinancierd.

  • 3 Op basis van de reserve voor onvoorziene behoeften wordt een regeling getroffen voor landen die door uitzonderlijke omstandigheden geen toegang hebben tot normale programmeerbare middelen.

  • 4 Onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 7, van deze bijlage betreffende de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie kan de Gemeenschap de programmeerbare toewijzing of de toewijzing voor onvoorziene behoeften van een land verhogen, teneinde rekening te houden met nieuwe behoeften of uitzonderlijke prestaties:

    • a) nieuwe behoeften kunnen ontstaan door uitzonderlijke omstandigheden, zoals een crisis- en postcrisissituatie, of door onvoorziene behoeften als bedoeld in lid 2, onder b);

    • b) met uitzonderlijke prestaties wordt een situatie bedoeld waarin, buiten de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie, de programmeerbare toewijzing van een land volledig is vastgelegd en aanvullende financiering uit het nationale indicatieve programma kan worden geabsorbeerd, en het land een doeltreffend beleid voor armoedebestrijding voert en zijn financiën goed beheert.

Artikel 4. Uitwerking en goedkeuring van het indicatieve programma [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Na ontvangst van bovengenoemde gegevens stelt elke ACS-staat, op basis van en overeenkomstig zijn ontwikkelingsdoelstellingen en -prioriteiten zoals geformuleerd in het landenstrategiedocument, een ontwerp voor een indicatief programma op en legt dit voor aan de Gemeenschap. Het ontwerp voor het indicatieve programma vermeldt:

    • a) de algemene begrotingssteun en/of een beperkt aantal concentratiesectoren of -gebieden waarop de steun dient te worden gericht;

    • b) de meest geschikte maatregelen en activiteiten om de doelstellingen voor de concentratiesector(en) of -gebied(en) te verwezenlijken;

    • c) de middelen die eventueel voor een beperkt aantal projecten en programma’s buiten de concentratiesector(en) of -gebied(en) gereserveerd zijn en/of de hoofdlijnen van die activiteiten, alsmede een indicatie van de voor elk van deze elementen in te zetten middelen;

    • d) welke soorten niet-overheidsactoren overeenkomstig de door de Raad van Ministers vastgestelde criteria voor financiering in aanmerking komen, de middelen die aan niet-overheidsactoren zijn toegewezen en het soort activiteiten die gesteund moeten worden, waarbij het om niet-winstgevende activiteiten moet gaan;

    • e) voorstellen voor mogelijke deelname aan regionale programma’s en projecten; en

    • f) eventuele voorzieningen ter dekking van mogelijke claims en stijgingen van kosten en onvoorziene uitgaven.

  • 2 Het ontwerp voor een indicatief programma omvat waar nodig middelen voor versterking van de menselijke, materiële en institutionele capaciteit van de ACS-staten om nationale indicatieve programma's uit te werken en ten uitvoer te leggen, mogelijk deel te nemen aan uit regionale indicatieve programma's te financieren programma's en projecten, en het beheer van de projectcyclus van de overheidsinvesteringen van de ACS-staten te verbeteren.

  • 3 De betrokken ACS-staat en de Gemeenschap wisselen van gedachten over het ontwerp voor een indicatief programma. Het indicatieve programma wordt door de Commissie namens de Gemeenschap en de betrokken ACS-staat in onderling overleg vastgesteld. Het is voor de Gemeenschap en die staat bindend. Het indicatieve programma wordt aan het landenstrategiedocument gehecht en omvat bovendien:

    • a) een indicatie van specifieke en duidelijk geïdentificeerde activiteiten, met name die waarvoor betalingsverplichtingen kunnen worden aangegaan vóór de eerstkomende evaluatie;

    • b) een indicatief tijdschema voor tenuitvoerlegging en evaluatie van het indicatieve programma, inclusief betalingsverplichtingen en betalingen; en

    • c) resultaatgerichte criteria voor de evaluaties.

  • 4 De Gemeenschap en de betrokken ACS-staat nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de programmering op zo kort mogelijke termijn wordt afgerond en wel, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, binnen twaalf maanden na de goedkeuring van het meerjarige financiële kader voor de samenwerking. De uitwerking van het landenstrategiedocument en het indicatieve programma moet geschieden in het kader van een voortdurend proces dat uitmondt in de vaststelling van één document.

  • 5 Wanneer een ACS-staat zich in een crisissituatie bevindt als gevolg van een oorlog of een ander conflict of uitzonderlijke omstandigheden met vergelijkbare gevolgen, waardoor de nationale ordonnateur zijn taken niet kan verrichten, kan de Commissie zelf de overeenkomstig artikel 3 aan die staat toegewezen middelen beheren en voor bijzondere steun gebruiken. Bijzondere steun kan betrekking hebben op vredeshandhaving, conflictbeheer en -oplossing, steun na conflict, met inbegrip van institutionele versterking, en economische en sociale ontwikkeling, waarbij in het bijzonder acht wordt geslagen op de behoeften van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. De Commissie en de betrokken ACS-staat moeten de normale tenuitvoerlegging en de normale beheersprocedures hervatten zodra de voor samenwerking bevoegde autoriteiten daar opnieuw toe in staat zijn.

Artikel 5. Evaluatieproces [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De financiële samenwerking tussen ACS-staat en Gemeenschap dient zo flexibel te zijn, dat activiteiten voortdurend kunnen worden bijgesteld om aan de doelstellingen te beantwoorden en rekening kan worden gehouden met eventuele veranderingen in economische situatie, prioriteiten en doelstellingen van de betrokken ACS-staat. In dit verband hebben de nationale ordonnateur en de Commissie de volgende taken:

    • a. verrichten van een jaarlijkse operationele evaluatie van het indicatieve programma; en

    • b. verrichten van een tussentijdse evaluatie en een eindevaluatie van de NOS en het indicatieve programma in het licht van behoeften en prestaties.

  • 2 In verband met nieuwe behoeften of uitzonderlijke prestaties kan in uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld in artikel 3, lid 4, op verzoek van elk der partijen een ad-hoc-evaluatie worden verricht.

  • 3 De nationale ordonnateur en de Commissie dragen zorg voor het volgende:

    • a. zij nemen alle noodzakelijke maatregelen om naleving van de bepalingen van het indicatieve programma te waarborgen; dit geldt ook voor het tijdschema voor vastleggings- en uitbetalingskredieten dat bij de programmering is overeengekomen; en

    • b. zij stellen in geval van vertraging bij de tenuitvoerlegging de oorzaak daarvan vast en stellen maatregelen voor om de problemen op te lossen.

  • 4 De jaarlijkse operationele, tussentijdse en eindevaluaties van het indicatieve programma bestaan uit een gezamenlijke beoordeling van de tenuitvoerlegging van het programma, waarbij de resultaten van relevante monitoring- en evaluatieactiviteiten in aanmerking worden genomen. De evaluaties worden ter plaatse uitgevoerd en door de nationale ordonnateur en de Commissie afgerond in overleg met de belanghebbenden, waaronder niet-overheidsactoren, plaatselijke overheden en waar van toepassing ACS-parlementen. Het belangrijkste onderdeel is beoordeling van:

    • a. de in de concentratiesector(en) bereikte resultaten, afgemeten aan de overeengekomen doelstellingen en impactindicatoren en de sectorale beleidsverplichtingen;

    • b. programma’s en projecten buiten de concentratiesector(en);

    • c. de benutting van voor niet-overheidsactoren uitgetrokken middelen;

    • d. de effectiviteit van de uitvoering van de lopende maatregelen en de mate waarin het tijdschema voor vastleggings- en betalingskredieten is aangehouden; en

    • e. uitbreiding van de programmeringsvooruitzichten voor de volgende jaren.

  • 5 De Commissie dient eenmaal per jaar bij het Comité voor Samenwerking inzake Ontwikkelingsfinanciering een samenvattend verslag in over de afronding van de jaarlijkse operationele evaluatie. Het Comité bestudeert hun rapport in overeenstemming met zijn taken en bevoegdheden krachtens deze Overeenkomst.

  • 6 In het licht van de jaarlijkse operationele evaluaties kunnen de nationale ordonnateur en de Commissie het landenstrategiedocument bij de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie herzien en aanpassen:

    • a) indien bij de operationele evaluaties specifieke problemen zijn geconstateerd; en/of

    • b) in het licht van gewijzigde omstandigheden in een ACS-staat.

    Tot wijziging van het landenstrategiedocument kan ook worden besloten naar aanleiding van het in lid 2 bedoelde ad-hoc-evaluatieproces.

    De eindevaluatie kan tevens een aanpassing omvatten met het oog op het nieuwe meerjarige financiële kader voor de samenwerking, ten aanzien van zowel de toewijzing van middelen als de voorbereiding op het volgende programma.

  • 7 Na de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie kan de Commissie namens de Gemeenschap de toewijzing van middelen aan een land verhogen of verlagen in het licht van de behoeften en de prestaties van de betrokken ACS-staat.

    Na een ad-hoc-evaluatie als bedoeld in lid 2 kan de Commissie eveneens, namens de Gemeenschap, de toewijzing van de middelen verhogen in het licht van nieuwe behoeften of uitzonderlijke prestaties van de betrokken ACS-staat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 4.

HOOFDSTUK 2. PROGRAMMERING EN VOORBEREIDING (REGIONAAL) [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Artikel 6. Toepassingsgebied [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Regionale samenwerking heeft betrekking op activiteiten waarbij betrokken zijn:

    • a. twee of meer ACS-staten dan wel alle ACS-staten, evenals ontwikkelingslanden die geen ACS-staat zijn en die aan deze activiteiten deelnemen, en/of

    • b. een regionale instantie waarvan ten minste twee ACS-staten lid zijn en waarvan ook landen die geen ACS-staat zijn lid mogen zijn.

  • 2 Bij regionale samenwerking kunnen ook landen en gebieden overzee en ultraperifere gebieden betrokken zijn. De voor de deelneming van deze gebieden benodigde kredieten vormen een aanvulling op de kredieten die in het kader van de Overeenkomst aan de ACS-staten worden toegekend.

  • 3 Verzoeken om financiering van regionale programma’s worden ingediend door:

    • a) een regionaal lichaam of een regionale organisatie met een passend mandaat; of

    • b) een subregionaal lichaam of een subregionale organisatie met een passend mandaat, of een ACS-staat in de betrokken regio in de programmeringsfase, mits de activiteit in het regionale indicatieve programma is aangegeven.

  • 4 De deelname aan regionale programma’s door ontwikkelingslanden die geen ACS-staat zijn, kan slechts worden overwogen indien:

    • a) het zwaartepunt van de projecten en programma's die volgens het meerjarige financiële kader voor de samenwerking worden gefinancierd, in een ACS-staat blijft liggen;

    • b) in de financieringsinstrumenten van de Gemeenschap gelijkwaardige bepalingen zijn opgenomen; en

    • c) het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd.

Artikel 7. Regionale programma's [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De betrokken ACS-staten besluiten over de definitie van geografische regio's. Regionale integratieprogramma’s dienen zo veel mogelijk overeen te stemmen met de programma’s van bestaande regionale organisaties. Wanneer de ledenbestanden van verschillende relevante regionale organisaties elkaar overlappen, moeten integratieprogramma's in beginsel betrekking hebben op het gecombineerde ledental van die organisaties.

Artikel 8. Regionale programmering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De programmering vindt plaats op het niveau van elke regio. Aan de programmering ligt een gedachtewisseling ten grondslag tussen de Commissie en een regionale organisatie met een passend mandaat, of bij ontbreken van een dergelijk mandaat, de nationale ordonnateurs van de landen in de regio. Waar nuttig kan in het kader van de programmering ook overleg worden gepleegd met niet-overheidsactoren die vertegenwoordigd zijn op regionaal niveau en waar van toepassing met regionale parlementen.

  • 2 Het regionale strategiedocument wordt opgesteld door de Commissie en de regionale organisatie(s) met een passend mandaat, in samenwerking met de ACS-staten in de betrokken regio, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en complementariteit en rekening houdend met de programmering van de landenstrategiedocumenten.

  • 3 Het regionale strategiedocument ROS wordt opgesteld door de Commissie en een regionale organisatie met een passend mandaat, in samenwerking met de ACS-staten in de betrokken regio. Met het regionale strategiedocument wordt een prioriteitsrangorde aangebracht in de activiteiten en wordt de eigen plaatselijke inbreng in de ondersteunde programma's versterkt. het regionale strategiedocument omvat de volgende standaardonderdelen:

    • a) een analyse van de politieke, economische, sociale en ecologische achtergrond van de regio;

    • b) een beoordeling van het regionale economische integratieproces en het proces van integratie in de wereldeconomie en van de vooruitzichten daarvoor;

    • c) een overzicht van de regionale strategieën en prioriteiten en van de te verwachten financieringsvereisten;

    • d) een overzicht van relevante activiteiten van andere externe partners in de regionale samenwerking;

    • e) een overzicht van de specifieke EU-bijdrage tot de verwezenlijking van de doeleinden van de regionale integratie, die zoveel mogelijk een aanvulling moeten zijn op de activiteiten die gefinancierd worden door de ACS-staten zelf en door andere externe partners, met name de EU-lidstaten; en

    • f) een indicatie van de meest geschikte steun- en uitvoeringsmechanismen voor deze strategieën.

Artikel 9. Toewijzing van middelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De indicatieve toewijzing van middelen aan ACS-regio's wordt gebaseerd op een genormeerde, objectieve en transparante schatting van de behoeften en van de voortgang en vooruitzichten van het regionale samenwerkings- en integratieproces.

  • 2 De toegewezen middelen bestaan uit:

    • a) een programmeerbare toewijzing voor regionale integratie, sectoraal beleid, programma's en projecten ter ondersteuning van concentratiesectoren en andere sectoren van de bijstand van de Gemeenschap; en

    • b) een toewijzing aan elke ACS-regio voor onvoorziene behoeften zoals vastgesteld in de artikelen 72, 72 bis en 73 van deze Overeenkomst, indien de steun door de grensoverschrijdende aard of reikwijdte van de onvoorziene behoefte doeltreffender op regionaal niveau kan worden verleend. Deze middelen kunnen worden benut op de voorwaarden van de artikelen 72, 72 bis en 73 van deze Overeenkomst, indien de steun niet uit de begroting van de Unie kan worden gefinancierd. Er dient te worden gezorgd voor complementariteit van de bijdragen uit deze toewijzing en mogelijke bijdragen op nationaal niveau.

  • 3 Met de programmeerbare toewijzing moet de betrokken regio de steun van de Gemeenschap op de lange termijn beter kunnen programmeren. Om op toereikende schaal te kunnen opereren en de efficiëntie te versterken, kunnen regionale en nationale fondsen worden gecombineerd voor het financieren van regionale activiteiten met een duidelijke nationale component.

    Een regionale toewijzing voor onvoorziene behoeften kan worden ingezet voor de betrokken regio en ACS-landen buiten die regio, indien de aard van de onvoorziene behoefte hun betrokkenheid vereist en het zwaartepunt van de voorgenomen projecten en programma’s binnen de regio blijft liggen.

  • 4 Onverminderd het bepaalde in artikel 11 betreffende de evaluaties kan de Gemeenschap de programmeerbare toewijzing of de toewijzing voor onvoorziene behoeften van een regio verhogen, teneinde rekening te houden met nieuwe behoeften of uitzonderlijke prestaties:

    • a) nieuwe behoeften zijn behoeften die ontstaan door uitzonderlijke omstandigheden, zoals crisis- en postcrisissituaties, of door onvoorziene behoeften als bedoeld in lid 2, onder b);

    • b) met uitzonderlijke prestaties wordt een situatie bedoeld waarin, buiten de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie, de programmeerbare toewijzing van een regio volledig is vastgelegd en aanvullende financiering uit het regionale indicatieve programma kan worden geabsorbeerd, en er sprake is van doeltreffende regionale integratie en gezond financieel beheer.

Artikel 10. Regionaal Indicatief Programma [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Op basis van bovengenoemde toewijzing van middelen wordt door een regionale organisatie met een passend mandaat, of bij ontbreken van een dergelijk mandaat, door de nationale ordonnateurs van de landen in de regio, een ontwerp voor een regionaal indicatief programma opgesteld. Het programmaontwerp bepaalt met name het volgende:

    • a. de sectoren en onderwerpen waarop de communautaire steun wordt geconcentreerd;

    • b. de meest geschikte maatregelen en acties voor de verwezenlijking van de voor die sectoren aangegeven doelstellingen; en

    • c. programma’s en projecten waarmee deze doeleinden moeten worden verwezenlijkt, als die duidelijk zijn geïdentificeerd, alsmede een indicatie van de middelen die voor elk van deze onderdelen zullen worden ingezet en een tijdschema voor de uitvoering.

  • 2 De regionale indicatieve programma’s worden in onderling overleg vastgesteld door de Gemeenschap en de naar behoren gemachtigde regionale organisatie(s), of bij ontbreken van een dergelijk mandaat, de betrokken ACS-staten.

Artikel 11. Evaluatieproces [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De financiële samenwerking tussen elke ACS-regio en de Gemeenschap dient zo flexibel te zijn, dat activiteiten voortdurend kunnen worden bijgesteld om aan de doelstellingen te beantwoorden en rekening kan worden gehouden met eventuele veranderingen in economische situatie, prioriteiten en doelstellingen van de betrokken regio. Tussentijds en aan het einde van de looptijd van het protocol wordt een evaluatie uitgevoerd om het regionale indicatieve programma aan te passen aan de veranderende omstandigheden en correcte tenuitvoerlegging te waarborgen. Na de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie kan de Gemeenschap de toewijzing van middelen herzien in het licht van behoeften en prestaties.

  • 2 In verband met nieuwe behoeften of uitzonderlijke prestaties kan in uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld in artikel 9, lid 4, de evaluatie op verzoek van elk der partijen worden verricht. Naar aanleiding van een ad-hoc-evaluatie kan door beide partijen worden besloten tot wijziging van het regionale strategiedocument en/of door de Commissie, namens de Gemeenschap, tot verhoging van de toewijzing van middelen.

    De eindevaluatie kan tevens een aanpassing omvatten met het oog op het nieuwe meerjarige financiële kader voor de samenwerking, ten aanzien van zowel de toewijzing van middelen als de voorbereiding op het volgende regionale indicatieve programma.

Artikel 12. Intra-ACS-samenwerking [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De intra-ACS-samenwerking dient als ontwikkelingsinstrument bij te dragen aan de doelstellingen van het ACS-EG-partnerschap. Intra-ACS-samenwerking is een vorm van supraregionale samenwerking. Intra-ACS-samenwerking is bedoeld om de gemeenschappelijke uitdagingen waar de ACS-staten voor staan, aan te pakken met maatregelen die het begrip geografische ligging overschrijden en ten goede kunnen komen aan vele of alle ACS-staten.

  • 2 In overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en complementariteit wordt een intra-ACS-maatregel overwogen wanneer nationale of regionale maatregelen onmogelijk of minder effectief blijken, teneinde in vergelijking met de maatregelen in het kader van andere samenwerkingsinstrumenten een meerwaarde te bieden.

  • 3 Wanneer de ACS-groep besluit uit het intra-ACS-fonds een bijdrage te leveren aan internationale of interregionale initiatieven, dient ervoor te worden gezorgd dat deze bijdrage voldoende zichtbaar is.

Artikel 12 bis. Intra-ACS-strategiedocument [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De programmering van de intra-ACS-samenwerking vloeit voort uit een gedachtewisseling tussen de Commissie en het ACS-Comité van Ambassadeurs en wordt gezamenlijk verricht door de diensten van de Commissie en het ACS-secretariaat, na overleg met de betrokken actoren en belanghebbenden.

  • 2 In het intra-ACS-strategiedocument worden de prioritaire maatregelen in het kader van de intra-ACS-samenwerking vastgelegd, alsook de maatregelen die nodig zijn om te zorgen dat de betrokkenen voldoende inbreng hebben in de gesteunde programma's. Het intra-ACS-strategiedocument bevat de volgende standaardelementen:

    • a) een analyse van de politieke, economische, sociale en ecologische achtergrond van de ACS-groep van staten;

    • b) een beoordeling van de bijdrage die intra-ACS-samenwerking kan leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst, en van de lessen die hieruit kan worden getrokken;

    • c) een overzicht van de intra-ACS-strategie en doelstellingen en van de te verwachten financieringsvereisten;

    • d) een overzicht van relevante activiteiten van andere externe partners in de samenwerking;

    • e) een indicatie van de EU-bijdrage aan de verwezenlijking van de doeleinden van de intra-ACS-samenwerking en de mate waarin deze complementair is met de activiteiten die op nationaal en regionaal niveau en door andere externe partners, met name de EU-lidstaten, gefinancierd worden.

Artikel 12 ter. Financieringsverzoeken [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

Verzoeken om financiering van intra-ACS-programma’s worden ingediend:

  • a) rechtstreeks door de ACS-Raad van Ministers of het ACS-Comité van Ambassadeurs; of

  • b) indirect door:

    • i) ten minste drie regionale lichamen of organisaties met een passend mandaat, die tot verschillende geografische regio’s behoren, of ten minste twee ACS-staten uit elk van deze drie regio’s;

    • ii) internationale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie, die activiteiten uitvoeren die bijdragen tot de verwezenlijking van de doeleinden van regionale samenwerking en integratie, mits het ACS-Comité van Ambassadeurs daartoe voorafgaand toestemming heeft verleend; of

    • iii) het Caribisch gebied of het gebied van de Stille Oceaan, in verband met hun bijzondere geografische ligging, mits voorafgaand toestemming is verleend door de ACS-Raad van Ministers of het ACS-Comité van Ambassadeurs.

Artikel 12 quater. Toewijzing van middelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

De indicatieve toewijzing van middelen wordt gebaseerd op schattingen van de behoeften en van de voortgang en vooruitzichten van de intra-ACS-samenwerking. Er wordt voorzien in een reserve van niet-geprogrammeerde middelen.

Artikel 13. Indicatief intra-ACS-programma [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 Het indicatieve intra-ACS-programma omvat de volgende standaardcomponenten:

    • a) de sectoren en onderwerpen waarop de communautaire steun wordt geconcentreerd;

    • b) de meest geschikte maatregelen en acties voor de verwezenlijking van de voor die sectoren en onderwerpen aangegeven doelstellingen; en

    • c) de programma’s en projecten waarmee deze doeleinden moeten worden verwezenlijkt, als die duidelijk zijn geïdentificeerd, alsmede een indicatie van de middelen die voor elk van die programma’s en projecten zullen worden ingezet en een tijdschema voor de uitvoering.

  • 2 De Commissie en het ACS-secretariaat worden belast met de vaststelling en beoordeling van de uit te voeren acties. Het indicatieve intra-ACS-programma wordt daarom gezamenlijk opgesteld door de diensten van de Commissie en het ACS-secretariaat en voorgelegd aan het ACS-EG-Comité van Ambassadeurs. Het wordt goedgekeurd door de Commissie, namens de Gemeenschap, en het ACS-Comité van Ambassadeurs.

  • 3 Onverminderd artikel 12 ter, onder iii), dient het ACS-Comité van Ambassadeurs jaarlijks een geconsolideerde lijst in van financieringsverzoeken voor de prioritaire acties waarin het indicatieve intra-ACS-programma voorziet. De Commissie bepaalt samen met het ACS-secretariaat de uit te voeren acties en bereidt deze voor, en stelt het jaarlijkse actieprogramma vast. Financieringsverzoeken voor acties die niet in het indicatieve intra-ACS-programma voorkomen, worden voor zover mogelijk, rekening gehouden met de toegewezen middelen, in het jaarlijkse actieprogramma opgenomen. In uitzonderlijke gevallen worden deze verzoeken goedgekeurd bij een bijzonder financieringsbesluit van de Commissie.

Artikel 14. Evaluatieproces [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De intra-ACS-samenwerking dient zodanig flexibel en responsief te zijn dat gewaarborgd wordt dat acties in het kader van die samenwerking te allen tijde in overeenstemming zijn met de doelstellingen van deze Overeenkomst en rekening wordt gehouden met elke wijziging van de prioriteiten en doelstellingen van de ACS-groep van staten.

  • 2 Het ACS-Comité van Ambassadeurs en de Commissie verrichten een tussentijdse evaluatie en een eindevaluatie van de intra-ACS-samenwerkingsstrategie en het indicatieve intra-ACS-programma, teneinde deze aan de omstandigheden aan te passen en de juiste uitvoering ervan te waarborgen. Indien noodzakelijk kunnen tevens ad-hoc-evaluaties worden uitgevoerd om rekening te houden met nieuwe behoeften die het gevolg zijn van uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden, zoals die welke voortvloeien uit gemeenschappelijke nieuwe uitdagingen voor de ACS-staten.

  • 3 Naar aanleiding van de tussentijdse evaluatie, de eindevaluatie of een ad-hoc-evaluatie kunnen het ACS-Comité van Ambassadeurs en de Commissie het strategiedocument voor de intra-ACS-samenwerking herzien en aanpassen.

  • 4 Naar aanleiding van de tussentijdse evaluatie, de eindevaluatie of een ad-hoc-evaluatie kunnen het ACS-Comité van Ambassadeurs en de Commissie de toewijzingen uit hoofde van het indicatieve intra-ACS-programma aanpassen en de niet-geprogrammeerde intra-ACS-reserve inzetten.

HOOFDSTUK 3. ONDERZOEK EN FINANCIERING

Artikel 15. Identificatie, voorbereiding en onderzoek van programma’s en projecten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De programma’s en projecten die zijn ingediend door de betrokken ACS-staat of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau, worden gezamenlijk onderzocht. Het ACS-EG-Comité voor Samenwerking inzake Ontwikkelingsfinanciering stelt richtsnoeren en criteria op voor de beoordeling van programma's en projecten. De programma's en projecten zijn doorgaans meerjarig en kunnen een reeks beperkte activiteiten op een bepaald gebied omvatten.

  • 2 De dossiers van de opgestelde en ter financiering voorgelegde programma’s en projecten dienen alle gegevens te bevatten die voor het onderzoek van deze programma’s en projecten nodig zijn of, indien deze programma’s en projecten nog niet volledig omschreven zijn, met het oog op het onderzoek een beknopte beschrijving te bevatten.

  • 3 Bij het onderzoek van programma's en projecten wordt de eis inzake nationale personele middelen in acht genomen en wordt een strategie opgezet voor een betere benutting van deze middelen. Bovendien wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken en beperkingen van elke ACS-staat or regio.

  • 4 Programma’s en projecten die worden uitgevoerd door niet-overheidsactoren die overeenkomstig deze Overeenkomst voor financiering in aanmerking komen, kunnen door de Commissie alleen worden onderzocht. Overeenkomstig artikel 19 bis kunnen voor deze programma’s en projecten rechtstreeks subsidieovereenkomsten worden opgesteld tussen de Commissie en de niet-overheidsactoren. Het onderzoek dient in overeenstemming te zijn met artikel 4, lid 1, onder d), betreffende het soort actoren, het feit of zij voor steun in aanmerking komen en het soort activiteiten die ondersteund worden. Bij monde van het hoofd van de delegatie stelt de Commissie de bevoegde ordonnateur in kennis van de aldus toegekende subsidies.

Artikel 16. Financieringsvoorstel en financieringsbesluit [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De conclusies van het onderzoek worden samengevat in een financieringsvoorstel waarvan de definitieve versie wordt opgesteld door de Commissie in nauwe samenwerking met de betrokken ACS-staat of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau.

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 [Red: Vervallen.]

  • 4 De Commissie deelt namens de Gemeenschap haar financieringsbesluit aan de betrokken ACS-staat of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau mede binnen 90 dagen na de datum van opstelling van de definitieve versie van het financieringsvoorstel.

  • 5 Indien het financieringsvoorstel niet door de Commissie namens de Gemeenschap wordt goedgekeurd, wordt de betrokken ACS-staat of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau onmiddellijk op de hoogte gesteld van de redenen van dit besluit. In dat geval kunnen de vertegenwoordigers van de betrokken ACS-staat of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau binnen 60 dagen na de kennisgeving verzoeken:

    • a. het probleem voor te leggen aan het bij deze Overeenkomst ingestelde ACS-EG-Comité voor Samenwerking inzake Ontwikkelingsfinanciering, of

    • b. door de vertegenwoordigers van de Gemeenschap te worden gehoord.

  • 6 Nadat de vertegenwoordigers zijn gehoord, wordt door de Commissie namens de Gemeenschap een definitief besluit genomen om het financieringsvoorstel aan te nemen dan wel af te wijzen; alvorens dit besluit wordt genomen, kan de betrokken ACS-staat of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau aan de Commissie alle gegevens meedelen die hij voor volledige kennis van zaken noodzakelijk acht.

Artikel 17. Financieringsovereenkomst [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip. Wordt voorlopig toegepast per 31-10-2010]

  • 1 De algemene regel is dat voor ieder uit het meerjarige financiële kader voor samenwerking gefinancierd programma of project een financieringsovereenkomst wordt opgesteld door de Commissie en de betrokken ACS-staat of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau.

  • 2 De financieringsovereenkomst wordt binnen 60 dagen na de kennisgeving van het financieringsbesluit van de Commissie opgesteld. In de financieringsovereenkomst:

    • a) worden met name de financiële bijdrage van de Gemeenschap, de financieringsregeling en -voorwaarden en de algemene en specifieke bepalingen in verband met het betrokken programma of project gespecificeerd, alsook de verwachte impact en resultaten; en

    • b) worden toereikende voorzieningen getroffen voor de dekking van onvoorziene hogere kosten en uitgaven, audits en evaluaties.

  • 3 Resterende bedragen die worden geconstateerd bij de afsluiting van programma's en projecten, die binnen de termijn vallen voor vastleggingen uit hoofde van het meerjarige financiële kader voor samenwerking waaruit die programma’s en projecten zijn gefinancierd, komen de betrokken ACS-staat of de bevoegde organisatie of instantie op regionaal of intra-ACS-niveau toe.

Artikel 1