Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, 's-Gravenhage, 27-03-1956

Geldend van 05-12-1957 t/m heden

Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika

Authentiek : NL

Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika,

verlangend de banden van vrede en vriendschap, welke van oudsher tussen hen bestaan, te versterken en nauwere economische en culturele betrekkingen tussen hun volkeren aan te moedigen, en zich bewust van de bijdragen welke te dien einde kunnen worden geleverd door overeenkomsten welke wederzijds voordelig handelsverkeer bevorderen, beleggingen tot wederzijds voordeel aanmoedigen en wederzijds rechten en voorrechten vastleggen,

hebben besloten een Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart te sluiten, waaraan in het algemeen de beginselen van het wederzijds toekennen van nationale behandeling en van onvoorwaardelijke meestbegunstiging ten grondslag liggen,

en hebben te dien einde benoemd als hun Gevolmachtigden:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Z.E. Mr. J. W. Beyen, Minister van Buitenlandse Zaken, en

Z.E. Mr. J. M. A. H. Luns, Minister zonder Portefeuille,

en de President van de Verenigde Staten van Amerika:

Z.E. de Heer H. Freeman Matthews, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika te 's-Gravenhage,

die, na elkander hun volmachten te hebben overgelegd, welke in orde werden bevonden, als volgt zijn overeengekomen:

Artikel I

  • 1 De ene Partij zal te allen tijde de onderdanen en vennootschappen van de andere Partij, alsmede hun eigendommen, ondernemingen en andere belangen, behoorlijk en rechtvaardig behandelen.

  • 2 Tussen de grondgebieden van de twee Partijen zal, in overeenstemming met de bepalingen van het onderhavige Verdrag, vrijheid van handel en scheepvaart bestaan.

Artikel II

  • 1 Het zal onderdanen van de ene Partij zijn geoorloofd, het grondgebied van de andere Partij te betreden en daarbinnen te verblijven: (a) ten einde handel te drijven tussen de grondgebieden van de twee Partijen en zich bezig te houden met daarmede samenhangende of in verband staande werkzaamheden op handelsgebied; (b) ten einde de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of waarin zij daadwerkelijk bezig zijn zulks te doen, te ontwikkelen en te leiden; en (c) voor andere doeleinden met inachtneming van de wetten met betrekking tot de toelating en het verblijf van vreemdelingen.

  • 2 Ieder der Partijen verbindt zich, aan toeristen en andere bezoekers het reizen, voor zover doenlijk, te vergemakkelijken, zowel met betrekking tot hun toelating, verblijf en vertrek, als tot het verspreiden van inlichtingen voor toeristen.

  • 3 Het zal onderdanen van de ene Partij binnen het grondgebied van de andere Partij zijn geoorloofd: (a) daarin vrijelijk te reizen en te wonen op plaatsen van hun keuze; (b) gewetensvrijheid te genieten; (c) zowel besloten als openbare godsdienstoefeningen te houden; (d) gegevens te verzamelen en deze door te geven ter verspreiding onder het publiek in het buitenland; en (e) met andere personen, zowel binnen als buiten dat grondgebied, in verbinding te staan per post, telegraaf of ander middel, dat openstaat voor algemeen openbaar gebruik.

  • 4 De bepalingen van dit artikel laten het recht van ieder der Partijen onverlet om maatregelen toe te passen, welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid.

Artikel III

  • 1 Onderdanen van de ene Partij zal binnen het grondgebied van de andere Partij op geen enkele wijze overlast worden aangedaan; zij zullen te allen tijde bescherming en veiligheid genieten. Zij zullen onder gelijke omstandigheden niet ongunstiger worden behandeld dan onderdanen van die andere Partij ten aanzien van de bescherming en veiligheid van hun persoon en hun rechten. In geen geval zullen zij in dit opzicht een ongunstiger behandeling genieten dan die, welke onderdanen van een derde land genieten, of wordt vereist door het volkenrecht.

  • 2 Indien binnen het grondgebied van de ene Partij een onderdaan van de andere Partij in bewaring wordt gesteld, zal, op verzoek van die onderdaan, de dichtst bijzijnde consulaire vertegenwoordiger van zijn land terstond worden ingelicht, die het recht zal hebben die onderdaan te bezoeken en zich met hem in verbinding te stellen. Die onderdaan zal (a) behoorlijk en menselijk worden behandeld; (b) prompt in kennis worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen; (c) zo spoedig als te verenigen valt met een behoorlijke voorbereiding van zijn verdediging worden berecht; en (d) kunnen beschikken over alle middelen, welke redelijkerwijze voor zijn verdediging noodzakelijk worden geacht, met inbegrip van de diensten van een bevoegd raadsman te zijner keuze.

Artikel IV

  • 1 Onderdanen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten bij de toepassing van wetten en voorschriften, welke een geldelijke vergoeding of andere uitkering of tegemoetkoming toekennen op grond van ziekte, letsel of dood ontstaan als gevolg van en gedurende het bestaan van hun dienstbetrekking, of te wijten aan de aard daarvan.

  • 2 Naast de rechten en voorrechten omschreven in het eerste lid van dit artikel zullen onderdanen van de ene Partij binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten bij de toepassing van wetten en voorschriften, welke een stelsel van verplichte sociale verzekering inhouden, krachtens welke uitkeringen geschieden zonder dat van geval tot geval een onderzoek naar de financiële behoefte wordt ingesteld, en wel in de volgende gevallen: (a) ziekte, met inbegrip van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, en moederschap; (b) invaliditeit of arbeidsonbekwaamheid; (c) dood van vader, echtgenoot of echtgenote of enig andere kostwinner; (d) werkloosheid.

Artikel V

  • 1 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten met betrekking tot het recht zich in elke aanleg te wenden tot de gewone rechter, administratieve scheidsgerechten en instanties, zowel ter verkrijging als ter verdediging van hun recht. Het is wel verstaan, dat vennootschappen van de ene Partij, welke niet werkzaam zijn binnen het grondgebied van de andere Partij, hetzelfde recht zullen hebben, zonder dat inschrijving of vestiging zal zijn vereist.

  • 2 (a) Overeenkomsten tussen onderdanen of vennootschappen van de ene Partij en onderdanen of vennootschappen van de andere Partij, krachtens welke geschillen door scheidsrechterlijke uitspraak zullen worden beslecht, zullen niet onuitvoerbaar worden geoordeeld binnen het grondgebied van die andere Partij alleen op grond van het feit, dat de plaats aangewezen voor de scheidsrechterlijke procedure gelegen is buiten dat grondgebied, of een of meer van de scheidsmannen niet de nationaliteit van die andere Partij bezitten. (b) In overeenstemming met het hierna gestelde onder (1) en (2) van deze bepaling zullen scheidsrechterlijke uitspraken — welke krachtens dergelijke overeenkomsten naar behoren zijn gewezen, definitief zijn en ten uitvoer kunnen worden gelegd op grond van de wetten van de plaats, waar die uitspraak is gewezen — beslissend worden geacht in procedures over de tenuitvoerlegging, welke voor de bevoegde rechter van ieder der Partijen zijn gebracht. (1) Wat betreft erkenning en tenuitvoerlegging in de Verenigde Staten van Amerika zullen die scheidsrechterlijke uitspraken voor een rechter in een hunner Staten slechts voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar zijn op dezelfde voet als scheidsrechterlijke uitspraken gewezen in andere hunner Staten. (2) Wat betreft tenuitvoerlegging in het Koninkrijk der Nederlanden zullen die scheidsrechterlijke uitspraken worden behandeld op dezelfde wijze als scheidsrechterlijke uitspraken bedoeld in het op 26 september 1927 te Genève gesloten Verdrag nopens de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken.

Artikel VI

  • 1 Eigendommen van onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij te allen tijde bescherming en beveiliging genieten.

  • 2 Aan de woonhuizen, kantoren, pakhuizen, fabrieken en andere percelen van onderdanen en vennootschappen van de ene Partij, gelegen binnen het grondgebied van de andere Partij, zal geen overlast worden aangedaan; zij zullen niet worden betreden zonder rechtsgeldige reden. Die percelen en hun inhoud zullen, indien een dergelijk onderzoek noodzakelijk is, slechts overeenkomstig de wet en met zorgvuldige inachtneming van het gerief der bewoners en van de belangen van de bedrijfsuitoefening ambtelijk worden door- en onderzocht.

  • 3 Geen van beide Partijen zal onredelijke of discriminerende maatregelen nemen, welke inbreuk zouden maken op de rechten of belangen binnen haar grondgebied van onderdanen en vennootschappen van de andere Partij, hetzij in hun vermogen, hetzij in hun ondernemingen en de eigendommen daarvan, hetzij in de ervaring, kennis of techniek, welke zij ter beschikking hebben gesteld.

  • 4 Eigendommen van onderdanen en vennootschappen van de ene Partij binnen het grondgebied van de andere Partij zullen niet aan hen worden onttrokken, tenzij voor een doel te algemenen nutte, noch zullen zij aan hen worden onttrokken zonder prompte betaling van een rechtvaardige vergoeding. Zulk een vergoeding zal zó geschieden, dat zij daadwerkelijk in geld kan worden omgezet, en zal gelijkwaardig zijn aan de onttrokken eigendommen; en vóór of bij de onttrekking zal afdoend worden voorzien in de vaststelling en uitbetaling van deze vergoeding.

  • 5 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen in geen geval binnen het grondgebied van de andere Partij een minder gunstige behandeling genieten dan nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie met betrekking tot de aangelegenheden behandeld in het tweede en vierde lid van dit artikel. Bovendien zullen ondernemingen, waarin onderdanen en vennootschappen van de ene Partij een aanmerkelijk belang hebben, binnen het grondgebied van de andere Partij geen minder gunstige behandeling genieten dan nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie met betrekking tot alle zaken in verband met de onteigening van particuliere ondernemingen en met het plaatsen van die ondernemingen onder toezicht of beheer van Overheidswege.

Artikel VII

  • 1 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten bij alle op winst gerichte activiteit op handels-, industrieel-, financieel- en ander gebied (zakelijke activiteit), hetzij dat deze rechtstreeks wordt uitgeoefend, hetzij door een vertegenwoordiger, hetzij door middel van elke andere wettelijk toegelaten rechtsvorm. Bijgevolg zal het aan die onderdanen en vennootschappen binnen dat grondgebied zijn geoorloofd: (a) filialen, agentschappen, kantoren, fabrieken en andere vestigingen, welke geschikt zijn voor de uitoefening van hun bedrijf, op te richten en in stand te houden; (b) hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een of meer tussenschakels, vennootschappen op te richten overeenkomstig de algemene wettelijke bepalingen van die andere Partij op het stuk van vennootschappen, en het overwegend belang te verwerven in vennootschappen van die andere Partij en (c) ondernemingen, welke zij hebben gevestigd of verworven, te beheersen en te besturen. Bovendien zullen ondernemingen, welke zij beheersen, ongeacht de vorm, hetzij als eigen bedrijf, hetzij als vennootschap of anderszins, met betrekking tot alles wat verband houdt met de uitoefening van het bedrijf, niet ongunstiger worden behandeld dan vergelijkbare ondernemingen, beheerst door onderdanen en vennootschappen van die andere Partij.

  • 2 Ieder der Partijen behoudt zich het recht voor, beperkingen te stellen aan de mate, waarin vreemdelingen binnen haar grondgebied ondernemingen mogen oprichten, daarin belangen verwerven, of drijven, op het gebied van verbindingen, het vervoer te water of door de lucht, bankzaken op het gebied van het in deposito nemen van gelden en waarden, alsmede op het gebied van bewindvoering, of de exploitatie van land of andere natuurlijke hulpbronnen. Nieuwe door een van beide Partijen uit te vaardigen beperkingen ten aanzien van de mate, waarin aan vreemdelingen nationale behandeling is toegekend met betrekking tot het uitoefenen van die werkzaamheden binnen haar grondgebied, zullen evenwel niet van toepassing zijn op ondernemingen, welke die werkzaamheden reeds aldaar uitoefenen op het tijdstip, waarop die nieuwe beperkingen worden ingesteld, en welke eigendom zijn van, of worden beheerst door onderdanen en vennootschappen van de andere Partij. Bovendien zal geen van beide Partijen aan vennootschappen van de andere Partij op het gebied van vervoer, verbindingen en bankwezen het recht ontzeggen, filialen en agentschappen in overeenstemming met de toepasselijke wetten en voorschriften te hebben, dienstig voor in hoofdzaak internationale zaken, waarmede zij zich bezig houden.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid van dit artikel laten onverlet het recht van ieder der Partijen, bijzondere vormvoorschriften uit te vaardigen met betrekking tot de vestiging binnen haar grondgebied van ondernemingen, beheerst door vreemdelingen; maar die voorschriften mogen het wezen van de in genoemd lid omschreven rechten niet aantasten.

  • 4 Onderdanen en vennootschappen van ieder der Partijen alsook ondernemingen, beheerst door die onderdanen en vennootschappen, zullen met betrekking tot de in dit artikel genoemde aangelegenheden in ieder geval de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten.

Artikel VIII

  • 1 Aan onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zal het zijn geoorloofd, binnen het grondgebied van de andere Partij zich te doen bijstaan door accountants en andere technische deskundigen, leiding gevend personeel, rechtskundigen, vertegenwoordigers en andere specialisten te hunner keuze. Bovendien zal het aan die onderdanen en vennootschappen zijn geoorloofd, zich te doen bijstaan door accountants en andere technische deskundigen, ongeacht de mate waarin zij bevoegd zijn binnen het grondgebied van die andere Partij een beroep uit te oefenen, ten einde in het bijzonder onderzoeken in te stellen, accountantsverslagen op te maken en technische onderzoeken te verrichten voor, en verslag uit te brengen aan die onderdanen en vennootschappen in verband met het organiseren en leiden van hun eigen ondernemingen en van ondernemingen, waarin zij een geldelijk belang hebben, binnen dat grondgebied.

  • 2 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling en behandeling van de meestbegunstigde natie genieten met betrekking tot het zich bewegen op het gebied van wetenschap, onderwijs, godsdienst en liefdadigheid en zullen het recht hebben verenigingen voor dat doel op te richten overeenkomstig de wetten van die andere Partij.

Artikel IX

  • 1 Onderdanen en vennootschappen van het Koninkrijk der Nederlanden zullen binnen het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika: (a) nationale behandeling genieten met betrekking tot het tijdelijk verkrijgen van de beschikking over land, opstallen en ander onroerend goed, geschikt voor de uitoefening van de activiteit, welke zij mogen ontwikkelen ingevolge artikel VII en artikel VIII, en met het doel ze te bewonen, alsook met betrekking tot het bezit en het gebruik van dat onroerend goed; en (b) andere rechten op onroerend goed kunnen uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de toepasselijke wetten van de Staten, gebiedsdelen en bezittingen van de Verenigde Staten van Amerika.

  • 2 Onderdanen en vennootschappen van de Verenigde Staten van Amerika zullen binnen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden nationale behandeling genieten met betrekking tot verkrijging door koop, huur, pacht, erfpacht of anderszins en met betrekking tot de eigendom, het bezit en het gebruik van land, opstallen en ander onroerend goed. In het geval evenwel, dat zulk een onderdaan is gevestigd in, of zulk een vennootschap is opgericht volgens de wetten van een Staat, gebiedsdeel of bezitting van de Verenigde Staten van Amerika, welke minder dan nationale behandeling in dit opzicht toestaat aan onderdanen en vennootschappen van het Koninkrijk der Nederlanden, zal het Koninkrijk der Nederlanden niet verplicht zijn, zulk een onderdaan of vennootschap gunstiger te behandelen in dit opzicht dan die Staat, dat gebiedsdeel of die bezitting onderdanen en vennootschappen van het Koninkrijk der Nederlanden behandelt.

  • 3 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten met betrekking tot verwerving door koop, huur of anderszins en met betrekking tot eigendom en bezit van alle soort roerende zaken, zowel lichamelijke als onlichamelijke. Ieder der Partijen kan evenwel beperkingen opleggen aan eigendom van vreemdelingen ten aanzien van zaken, welke een gevaar kunnen opleveren uit een oogpunt van openbare veiligheid, en aan eigendom van vreemdelingen ten aanzien van belangen in ondernemingen, welke zich bezighouden met bepaalde soorten activiteit, doch slechts voor zover zulks kan geschieden zonder inbreuk te maken op de rechten en voorrechten neergelegd in artikel VII of in enige andere bepaling van dit Verdrag.

  • 4 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten met betrekking tot het verkrijgen van alle soort zaken bij erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wil, of tengevolge van rechterlijk vonnis. Zouden zij, tengevolge van het feit, dat zij vreemdelingen zijn, niet gerechtigd zijn als eigenaar te blijven optreden, dan zal hun een redelijke tijd worden gelaten om de betrokken zaken op gebruikelijke wijze en tegen marktwaarde te verkopen.

  • 5 Onderdanen en vennootschappen van ieder der Partijen zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten met betrekking tot het beschikken over alle soort zaken. Met betrekking tot verkrijging, eigendom en gebruik van en beschikking over goederen van welke aard ook binnen het grondgebied van de ene Partij zullen voorts vennootschappen, welke zijn opgericht overeenkomstig de wetten van die Partij, en worden beheerst door onderdanen en vennootschappen van de andere Partij, een behandeling genieten niet minder gunstig dan die, welke binnen dat grondgebied, vennootschappen van die andere Partij of vennootschappen, welke op overeenkomstige wijze zijn opgericht, en worden beheerst door de onderdanen en vennootschappen van een derde land, genieten.

Artikel X

  • 1 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten met betrekking tot het verkrijgen en in stand houden van octrooirechten en met betrekking tot de rechten van handelsmerk, handelsnaam, handelsetiket en iedere vorm van industriële eigendom.

  • 2 De Partijen zijn het eens, dat het gewenst is door samenwerking en andere geëigende middelen uitwisseling en gebruik van wetenschappelijke en technische kennis te bevorderen, in het bijzonder met het oog op de opvoering van de produktiviteit en de verhoging van het levenspeil binnen ieders grondgebied.

Artikel XI

  • 1 Onderdanen van de ene Partij, woonachtig binnen het grondgebied van de andere Partij, en onderdanen en vennootschappen van de ene partij, die zich binnen het grondgebied van de andere Partij bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven, of werkzaam zijn op het gebied van wetenschap, onderwijs, godsdienst of liefdadigheid, zullen niet worden onderworpen dan drukkender belastingen, rechten en heffingen geheven van of gelegd op inkomsten, vermogen, transacties, werkzaamheden of enig ander object, of aan drukkender vereisten ten aanzien van de heffing en inning daarvan, dan waaraan onderdanen en vennootschappen van die andere Partij worden onderworpen.

  • 2 Met betrekking tot onderdanen van de ene Partij, die noch woonachtig zijn, noch zich bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven binnen het grondgebied van de andere Partij, en met betrekking tot vennootschappen van de ene Partij, welke zich niet bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven binnen het grondgebied van de andere Partij, zal die andere Partij er naar streven, in het algemeen het beginsel omschreven in het eerste lid van dit artikel toe te passen.

  • 3 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen in geen geval binnen het grondgebied van de andere Partij worden onderworpen aan drukkender belastingen, rechten en heffingen, geheven van of gelegd op inkomsten, vermogen, transacties, werkzaamheden of enig ander object, of aan drukkender vereisten ten aanzien van de heffing en inning daarvan, dan waaraan onderdanen, inwoners en vennootschappen van een derde land worden onderworpen.

  • 4 In het geval van vennootschappen en van niet binnen het grondgebied van de andere Partij woonachtige onderdanen van de ene Partij, welke zich bezig houden met handel of een ander op winst gericht streven binnen het grondgebied van de andere Partij, zal die andere Partij geen belastingen, rechten of heffingen heffen van of leggen op inkomsten, vermogen, of enige andere grondslag, welke uitgaan boven hetgeen redelijkerwijs kan worden toegerekend of toebedeeld aan haar grondgebied, noch zal zij aftrekken toestaan, noch vrijstellingen verlenen lager dan hetgeen redelijkerwijze kan worden toegerekend of toebedeeld aan haar grondgebied. Een dergelijke regel zal eveneens van toepassing zijn in het geval van vennootschappen, uitsluitend opgericht voor, en werkzaam op het gebied van wetenschap, onderwijs, godsdienst of liefdadigheid.

  • 5 Ieder der Partijen behoudt zich het recht voor: (a) bepaalde belastingvoordelen te verlenen op voet van wederkerigheid; (b) bijzondere belastingvoordelen toe te kennen op grond van een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting of ter wederzijdse veiligstelling van inkomsten; en (c) haar eigen onderdanen en inwoners van aangrenzende landen gunstigere vrijstellingen van persoonlijke aard toe te kennen met betrekking tot inkomsten- en successiebelastingen dan aan andere niet-inwoners worden toegekend.

Artikel XII

  • 1 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen vanwege de andere Partij nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten met betrekking tot betalingen, overmakingen en transfers van gelden of waardepapieren tussen de grondgebieden van de twee Partijen alsook tussen het grondgebied van die andere Partij en van een derde land.

  • 2 Geen van beide Partijen zal deviezenbeperkingen als omschreven in lid 5 van dit artikel instellen, behalve voor zover zulks nodig is om haar monetaire reserves voldoende op peil te houden of weer te brengen, in het bijzonder in verhouding tot haar buitenlandse commerciële en financiële behoeften. Het is wel verstaan dat de bepalingen van dit artikel geen wijzigingen brengen in de verplichtingen, welke ieder der Partijen eventueel heeft tegenover het Internationale Monetaire Fonds, noch het instellen van bijzondere beperkingen uitsluiten, wanneer het Fonds een Partij uitdrukkelijk machtigt of verzoekt deze bijzondere beperkingen in te stellen.

  • 3 Indien een van beide Partijen deviezenbeperkingen instelt overeenkomstig lid 2 van dit artikel zal zij, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren, dat voldoende deviezen beschikbaar zijn voor goederen en diensten, welke van wezenlijk belang zijn voor de gezondheidstoestand en het welzijn van haar bevolking, redelijke voorzieningen treffen voor het opnemen in vreemde valuta in de geldsoort van de andere Partij — in aanmerking genomen de bijzondere behoeften ten aanzien van andere transacties — van: (a) de vergoeding bedoeld in artikel VI, lid 4, (b) inkomsten, hetzij in de vorm van lonen, rente, dividenden, commissiegelden en provisies, royalties, betalingen voor technische diensten, of anderszins, en (c) bedragen voor de aflossing van leningen, afschrijvingen van rechtstreekse investeringen en, voor zoveel mogelijk, overmaking van kapitaal. Indien meer dan een wisselkoers geldt, zal op de omrekening van de op te nemen bedragen die koers worden toegepast, welke uitdrukkelijk door het Internationale Monetaire Fonds voor zodanige transacties is goedgekeurd, of, bij gebreke van zulk een goedgekeurde koers, een werkelijke koers, welke met inbegrip van eventuele belastingen of extra heffingen op overmakingen naar het buitenland rechtvaardig en redelijk is.

  • 4 Deviezenbeperkingen mogen door geen van beide Partijen worden ingesteld op een wijze welke onnodig nadelig of willekeurig discriminerend is ten aanzien van vorderingen, beleggingen, vervoer, handel en andere belangen van onderdanen en vennootschappen van de andere Partij, of van hun mogelijkheden te concurreren. De ene Partij zal te allen tijde de andere Partij voldoende gelegenheid tot overleg geven met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

  • 5 De term „deviezenbeperkingen”, als gebruikt in het artikel, omvat alle beperkingen, regelingen, heffingen, belastingen of andere vereisten, ingesteld door een van beide Partijen, welke bezwarend of belemmerend werken ten aanzien van betalingen, overmakingen of transfers van gelden of waardepapieren tussen de grondgebieden van beide Partijen.

  • 6 Kwesties, welke zich voordoen in het kader van dit Verdrag met betrekking tot deviezencontrole zijn onderworpen aan de bepalingen van dit artikel.

Artikel XIII

Handelsreizigers, die onderdanen en vennootschappen van de ene Partij vertegenwoordigen, die binnen het grondgebied daarvan zaken doen, zullen bij toelating tot en vertrek uit het grondgebied van de andere Partij en gedurende hun verblijf aldaar, de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten met betrekking tot douane- en andere aangelegenheden, met inbegrip van — onverminderd de uitzonderingen, voorzien in lid 5 van artikel XI — belastingen en heffingen, welke van toepassing zijn op henzelf, hun monsters en het aannemen van orders, en van de voorschriften, waaraan de uitoefening van hun beroep is onderworpen.

Artikel XIV

  • 1 De ene Partij zal de behandeling van de meestbegunstigde natie toekennen aan produkten van de andere Partij, ongeacht de plaats van waar en het soort vervoermiddel, waarmede zij worden aangevoerd, alsook aan produkten bestemd voor uitvoer naar het grondgebied van die andere Partij, ongeacht de weg waarlangs en het vervoermiddel waarmee zulks zal geschieden, wat betreft in- en uitvoerrechten en heffingen van welke aard ook, opgelegd bij of in verband met de in- of de uitvoer, of opgelegd ten aanzien van de overmaking naar het buitenland van de betaling voor ingevoerde of uitgevoerde goederen, en met betrekking tot de wijze van heffing van die rechten en heffingen en met betrekking tot alle regels en vormvoorschriften in verband met in- en uitvoer.

  • 2 Geen van beide Partijen mag beperkingen of verboden instellen met betrekking tot de invoer van enig produkt van de andere Partij of tot de uitvoer van enig produkt naar het grondgebied van de andere Partij, tenzij de invoer van het overeenkomstige produkt uit, of de uitvoer van het overeenkomstige produkt naar alle andere landen op gelijke wijze is beperkt of verboden.

  • 3 Indien de ene Partij kwantitatieve beperkingen instelt ten aanzien van de in- of uitvoer van enig produkt, waarbij de andere Partij aanzienlijk belang heeft: (a) zal zij in het algemeen van te voren het totaal van het produkt, naar hoeveelheid of waarde, dat mag worden ingevoerd of uitgevoerd gedurende een aangegeven periode, en de eventuele wijzigingen in dat totaal of die periode bekend maken; en (b) zal zij, indien zij toewijzingen geeft aan een derde land, die andere Partij een aandeel toekennen evenredig tot het totaal van het produkt, naar hoeveelheid of waarde, hetwelk door of aan haar gedurende een voorafgaande representatieve periode werd geleverd, waarbij eventuele bijzondere factoren, welke de handel in dat produkt beïnvloeden in aanmerking worden genomen.

  • 4 De ene Partij mag verboden uitvaardigen en beperkingen instellen op grond van sanitaire of andere gebruikelijke overwegingen van niet-commerciële aard of om bedriegelijke en oneerlijke praktijken te voorkomen, mits die verboden of beperkingen niet willekeurig discrimineren ten nadele van de handel van de andere Partij.

  • 5 Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen vanwege de andere Partij nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten ten aanzien van alle aangelegenheden betreffende in- en uitvoer.

  • 6 Niettegenstaande het bepaalde bij lid 2 en lid 3 (b) van dit artikel mag een Partij beperkingen op, of een vergunningsstelsel voor de invoer en de uitvoer van goederen instellen, welke een overeenkomstig gevolg hebben als, of noodzakelijk zijn voor de werking van overeenkomstig artikel XII toegepaste deviezenbeperkingen. Die beperkingen of dat vergunningsstelsel mogen echter niet meer dan noodzakelijk is afwijken van het bepaalde bij de bovengenoemde artikelleden en moeten in overeenstemming zijn met een beleid, gericht op het bevorderen van een zo groot mogelijke ontwikkeling van de buitenlandse handel, waarbij niet wordt gediscrimineerd, en op het zo snel mogelijk bereiken van een stand van de betalingsbalans en van de monetaire reserves, welke het instandhouden van zulke beperkingen niet meer noodzakelijk maakt.

Artikel XV

  • 1 Ieder der Partijen zal prompt de wetten, regelingen en administratieve beslissingen van algemene gelding bekend maken met betrekking tot de tarieven van rechten, belastingen en andere heffingen tot de indeling van goederen voor douanedoeleinden en tot de voorschriften en beperkingen terzake van invoer en uitvoer of de overmaking van betalingen daarvoor, of welke van invloed zijn op de verkoop, de verspreiding of het gebruik daarvan; en zij zal die wetten, regelingen en beslissingen op uniforme, onpartijdige en redelijke wijze toepassen. In het algemeen zullen nieuwe administratieve voorschriften of beperkingen, welke van invloed zijn op de invoer — met uitzondering van die, welke uit hoofde van sanitaire overwegingen of de openbare veiligheid worden ingesteld — niet in werking treden dan na een, de omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk tijdsverloop.

  • 2 De ene Partij zal ervoor zorg dragen, dat onderdanen en vennootschappen van de andere Partij en importeurs van produkten van die andere Partij in beroep kunnen gaan en op korte termijn onpartijdig een nieuwe behandeling, en, indien daarvoor grond bestaat, herziening in gunstige zin kunnen krijgen van administratieve beslissingen met betrekking tot douane-aangelegenheden, waaronder begrepen het opleggen van boeten en straffen, het verbeurd verklaren en beslissingen met betrekking tot de indeling en waardebepaling van goederen voor douanedoeleinden door de administratieve autoriteiten.

  • 3 Door een van beide Partijen opgelegde straffen wegens overtreding van de wetten op het gebied van in- en uitvoer en scheepvaart en van de voorschriften betreffende de documenten, welke moeten kunnen worden overgelegd, zullen niet hoger zijn dan nodig is om louter als waarschuwing te dienen, indien het schrijffouten betreft of fouten, welke werden gemaakt zonder bedriegelijke opzet of grove nalatigheid.

  • 4 Met betrekking tot voorschriften omtrent het merken van ingevoerde goederen zal ieder der Partijen in het algemeen: (a) toestaan, dat voorgeschreven merken van oorsprong na invoer worden aangebracht; (b) geen aanduidingen toelaten, welke leiden tot een verkeerde voorstelling van de werkelijke oorsprong van de produkten; en (c) geen voorschriften toepassen, welke kosten met zich brengen, welke economisch prohibitief werken of zouden leiden tot ernstige beschadiging van het produkt.

  • 5 Geen van beide Partijen mag een maatregel nemen welke door zijn discriminerende aard de importeurs of exporteurs van produkten van beide landen belemmert of verhindert een zeeverzekering te sluiten voor die produkten bij vennootschappen van elk van beide Partijen.

Artikel XVI

  • 1 Op produkten van de ene Partij zal binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling en de behandeling van de meestbegunstigde natie worden toegepast in alle aangelegenheden, welke van invloed zijn op belastingheffing, verkoop, verspreiding, opslag en gebruik in het binnenland.

  • 2 Goederen, voortgebracht door onderdanen en vennootschappen van de ene Partij binnen het grondgebied van de andere Partij, of door vennootschappen van laatstgenoemde Partij, beheerst door bedoelde onderdanen en vennootschappen, zullen binnen dat grondgebied niet minder gunstig worden behandeld dan soortgelijke goederen van nationale oorsprong, voortgebracht door welke persoon of vennootschap ook, in alle aangelegenheden welke van invloed zijn op uitvoer, belastingheffing, verkoop, verspreiding, opslag en gebruik.

Artikel XVII

  • 1 De ene Partij verplicht zich ervoor te zorgen (a) dat ondernemingen, welke haar Regering in eigendom heeft of beheerst, en monopolies of instanties, aan wie uitsluitende rechten of bijzondere voorrechten binnen haar grondgebied zijn verleend, hun inkopen en verkopen, waarbij hetzij invoer hetzij uitvoer is betrokken en waardoor de handel van de andere Partij wordt beïnvloed, uitsluitend zullen verrichten op grond van commerciële overwegingen, zoals prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verkoopbaarheid, vervoer en andere voorwaarden van koop of verkoop; en (b) dat de onderdanen, vennootschappen en de handel van die andere Partij voldoende gelegenheid zullen krijgen in overeenstemming met het geldende handelsgebruik mede te dingen bij zulke kopen en verkopen.

  • 2 De ene Partij zal de onderdanen, vennootschappen en handel van de andere Partij behoorlijk en onpartijdig behandelen in verhouding tot de onderdanen, vennootschappen en de handel van andere landen, met betrekking tot: (a) de aankoop van goederen door de Regering; (b) het verlenen van concessies en andere Regeringscontracten; en (c) de verkoop van een dienst, welke de Regering of een monopolie of een instantie, welke uitsluitende rechten of bijzondere voorrechten heeft, ten verkoop aanbiedt.

Artikel XVIII

  • 1 Partijen erkennen, dat gelijke voorwaarden voor mededinging behoren te worden gehandhaafd in het geval dat ondernemingen op het gebied van handel en fabricage, welke eigendom zijn van of worden beheerst door de overheid van de ene Partij binnen haar grondgebied in concurrentie treden met particuliere ondernemingen, welke eigendom zijn van en worden beheerst door onderdanen en vennootschappen van de andere Partij. Dienovereenkomstig behoren aan die overheidsondernemingen geen bijzondere economische voorrechten te worden gegeven met het oogmerk de concurrentiemogelijkheden van die particuliere ondernemingen te schaden. Dit beginsel mag evenwel niet zó worden uitgelegd, dat het een der of beide Partijen zou verhinderen dergelijke bijzondere gunsten toe te staan ten behoeve van overheidsondernemingen, welke nodig worden geacht in tijden van economische crisis, in het bijzonder ter bestrijding van werkloosheid. Dit beginsel doet bovendien niets af aan bijzondere voordelen toegekend in verband met: (a) het vervaardigen van goederen bestemd voor gebruik door de Regering of het leveren van goederen en diensten aan de Regering te haren behoeve; of (b) het tegen prijzen, welke belangrijk lager liggen dan de concurrerende prijzen voorzien in de behoeften van bepaalde bevolkingsgroepen aan onontbeerlijke goederen en diensten, welke die groepen anders ternauwernood zouden kunnen verkrijgen.

  • 2 Geen onderneming van de ene Partij met inbegrip van rechtspersonen, verenigingen en Regeringsinstanties en -organen, eigendom van, of beheerst door de overheid mag, voor zover zij zich bezighoudt met handel, industrie, scheepvaart of andere zakelijke activiteit, binnen het grondgebied van de andere Partij, hetzij voor zichzelf of voor haar eigendommen, binnen dat grondgebied aanspraak maken op of vrijdom genieten ten aanzien van belastingheffing, rechtsvervolging, tenuitvoerlegging van vonnissen of enige andere verplichting, waaraan ondernemingen in eigendom van of beheerst door particulieren binnen dat grondgebied zijn onderworpen.

Artikel XIX

  • 1 Schepen onder de vlag van de ene Partij, voorzien van de volgens haar wetten vereiste scheepspapieren ten bewijze van hun nationaliteit, zullen worden geacht schepen te zijn van die Partij, zowel in volle zee, als in de havens, plaatsen en wateren van de andere Partij.

  • 2 Schepen van de ene Partij zullen vrij en op gelijke voorwaarden als schepen van de andere Partij en op gelijke voorwaarden als schepen van derde landen met hun lading mogen komen naar alle havens, plaatsen en wateren van die andere Partij, welke openstaan voor buitenlandse handel en scheepvaart. Die schepen en lading zullen in ieder opzicht nationale behandeling en behandeling van de meestbegunstigde natie genieten in de havens, plaatsen en wateren van die andere Partij; maar ieder der Partijen behoudt zich voor, uitsluitend aan haar eigen schepen rechten en voorrechten in te ruimen met betrekking tot de kustvaart en de binnenscheepvaart.

  • 3 Schepen van de ene Partij zullen nationale behandeling en behandeling van de meestbegunstigde natie genieten met betrekking tot het recht alle lading te vervoeren, welke verscheept mag worden naar of van het grondgebied van de andere Partij.

  • 4 Goederen vervoerd door schepen onder de vlag van de ene Partij van en naar het grondgebied van de andere Partij zullen dezelfde voorrechten genieten als wanneer zij worden vervoerd met schepen onder de vlag van die andere Partij. Dit geldt in het bijzonder voor in- en uitvoerrechten en alle andere rechten en heffingen, premies, teruggave van invoerrechten en andere voorrechten van deze aard alsook voor het douane-regime en het vervoer naar en van de haven per spoor en ander vervoermiddel.

  • 5 Indien een schip van de ene Partij aan de grond loopt of schipbreuk lijdt op de kust van de andere Partij of indien het in nood verkeert en een haven van de andere Partij moet binnenlopen, zal de laatstgenoemde Partij zowel het schip als zijn bemanning, de passagiers, de persoonlijke eigendommen van de bemanning en van de passagiers en de lading van het schip op dezelfde wijze beschermen en helpen als zij zou hebben gedaan in het geval van een schip onder haar eigen vlag in overeenkomstige omstandigheden; en zij zal het schip, nadat het hersteld is, toestaan de reis voort te zetten met overeenkomstige toepassing van de wetten, welke gelden voor schepen onder haar eigen vlag. Goederen geborgen uit het schip zullen vrij zijn van alle invoerrechten, tenzij zij in het vrije verkeer worden gebracht; maar ten aanzien van goederen, welke niet in het vrije verkeer worden gebracht, mogen, zolang zij nog niet zijn uitgevoerd, maatregelen worden genomen ten einde de belangen van de Schatkist veilig te stellen.

  • 6 Onder de uitdrukking „schepen”, als hier gebruikt, wordt verstaan alle soorten schepen, hetzij particulier eigendom of voor een particulier varend, hetzij eigendom van de overheid of voor haar varend, met uitzondering van oorlogsschepen. Deze uitdrukking heeft geen betrekking op vissersvaartuigen behalve in de leden 1 en 5 van dit artikel en in artikel XX.

Artikel XX

  • 1 In alle havens van de ene Partij zal het aan kapiteins van alle schepen onder de vlag van de andere Partij, waarvan de bemanning niet meer voltallig is ten gevolge van ziekte of een andere oorzaak, zijn geoorloofd de zeelieden aan te monsteren die nodig zijn om de reis voort te zetten.

  • 2 Zeelieden, die onderdaan zijn van de ene Partij, zullen naar havens van de andere Partij kunnen worden gezonden om zich naar schepen van hun nationaliteit onder toezicht van consulaire ambtenaren te begeven, hetzij alleen, of in groepen, en voorzien van papieren voor zeelieden uitgegeven in plaats van paspoorten. Evenzo zal het aan onderdanen van de ene Partij zijn geoorloofd te reizen door het grondgebied van de andere Partij om zich naar een schip te begeven of om naar het vaderland terug te keren, daarbij gebruik makend van papieren voor zeelieden in plaats van paspoorten.

Artikel XXI

Er zal vrijheid van doorreis en doorvoer bestaan door het grondgebied van de ene Partij langs de daarvoor in het internationale verkeer meest geschikte wegen: (a) voor onderdanen van de andere Partij met hun bagage; (b) voor andere personen met hun bagage op weg naar of van het grondgebied van die andere Partij; en (c) voor goederen van welke oorsprong ook op hun weg naar of van het grondgebied van die andere Partij. Die personen en zaken op doorreis of in doorvoer zullen vrij zijn van in- en uitvoerrechten, van rechten geheven wegens doorvoer en van onredelijke heffingen en vereisten en zullen niet onnodig worden opgehouden of aan onnodige beperkingen onderworpen. Zij zullen evenwel zijn onderworpen aan maatregelen als bedoeld in lid 4 van artikel II en aan niet discriminerende voorschriften, welke nodig zijn om misbruik van het voorrecht van doorreis of doorvoer te voorkomen.

Artikel XXII

  • 1 Dit Verdrag laat onverlet het recht van ieder der Partijen maatregelen toe te passen: (a) welke de invoer of uitvoer van goud of zilver regelen; (b) met betrekking tot splijtbaar materiaal, radioactieve nevenprodukten, welke ontstaan bij het gebruik of de verwerking daarvan of tot materialen, welke als grondstof dienen voor splijtbaar materiaal; (c) welke de produktie van of de handel in wapenen, ammunitie en oorlogswerktuigen regelen, of de handel in andere materialen rechtstreeks of middellijk bestemd voor de bevoorrading van een militaire inrichting; (d) welke nodig zijn ter nakoming van haar verplichtingen met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of ter bescherming van wezenlijke belangen in verband met haar veiligheid; (e) welke aan een vennootschap, waarin onderdanen van een derde land of derde landen rechtstreeks of middellijk het overwegend belang hebben, de voordelen van dit Verdrag ontzeggen, behalve ten aanzien van de erkenning van haar bestaan in rechte en van de toegang tot de rechter; en (f) welke haar nationale visserij en de aanlanding van de produkten daarvan betreffen.

  • 2 De bepalingen omtrent de meestbegunstiging in dit Verdrag zijn niet van toepassing op voordelen toegekend: (a) door de Verenigde Staten van Amerika of hun gebiedsdelen en bezittingen over en weer, aan de Republiek Cuba, aan de Republiek der Philippijnen, aan het Trustgebied van de Stille Zuidzee-eilanden of aan de Panama Kanaal Zone; of (b) door de Delen van het Koninkrijk der Nederlanden over en weer, door Nederland aan zijn deelgenoten in de Benelux (België met inbegrip van haar Overzeese en Trustgebieden, en Luxemburg), of door het Koninkrijk der Nederlanden aan de Republiek Indonesië.

  • 3 De bepalingen omtrent de meestbegunstiging in dit Verdrag zijn niet van toepassing op voordelen door de ene Partij toegekend aan aangrenzende landen ten einde het grensverkeer te vergemakkelijken, of uit hoofde van een douane-unie of een vrij handelsgebied, waarbij een der Partijen zich mocht aansluiten, na de andere Partij van haar plannen in kennis te hebben gesteld en haar de gelegenheid te hebben gegeven haar zienswijze dienaangaande kenbaar te maken.

  • 4 De bepalingen van dit Verdrag welke betrekking hebben op de behandeling van goederen, laten onverlet het recht van ieder der Partijen te handelen, zoals is vereist of uitdrukkelijk is toegestaan krachtens de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, zolang die Partij verdragsluitende partij is bij de Algemene Overeenkomst. Evenzo zijn de bepalingen van meestbegunstiging in dit Verdrag niet van toepassing op bijzondere voordelen, welke krachtens bedoelde Overeenkomst worden toegekend.

  • 5 Onderdanen van de ene Partij, die op het grondgebied van de andere Partij zijn toegelaten voor beperkte doeleinden, zullen niet het recht hebben om op winst gerichte werkzaamheden te vervullen in strijd met de hun uitdrukkelijk overeenkomstig de wet opgelegde beperkingen, welke de voorwaarde voor hun toelating waren.

  • 6 Niets in dit Verdrag zal worden geacht uitdrukkelijk of stilzwijgend recht te verlenen tot het ontwikkelen van politieke activiteit.

Artikel XXIII

  • 1 Onder „nationale behandeling” wordt verstaan een behandeling binnen het grondgebied van een Partij, welke niet minder gunstig is dan de behandeling, welke, in overeenkomstige omstandigheden, binnen dat gebied aan onderdanen, vennootschappen, produkten, schepen of andere zaken, al naar het geval zich voordoet, van die Partij wordt toegekend.

  • 2 Onder „behandeling van meestbegunstiging” wordt verstaan een behandeling binnen het grondgebied van een Partij, welke niet minder gunstig is dan de behandeling, welke in overeenkomstige omstandigheden, binnen dat gebied aan onderdanen, vennootschappen, produkten, schepen of andere zaken, al naar het geval zich voordoet, van een derde land wordt toegekend.

  • 3 Onder de uitdrukking „vennootschappen” als gebruikt in dit Verdrag wordt verstaan maatschappijen, maatschappen, vennootschappen, stichtingen, verenigingen en andere juridische eenheden („legal entities”) of rechtspersonen, met of zonder beperkte aansprakelijkheid of met of zonder winstoogmerk. Vennootschappen, opgericht binnen het grondgebied van de ene Partij overeenkomstig de geldende wetten en voorschriften, zullen worden geacht vennootschappen van die Partij te zijn en hun bestaan in rechte als zodanig zal worden erkend binnen het grondgebied van de andere Partij.

  • 4 Nationale behandeling overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag aan vennootschappen toegekend zal: (a) wat betreft vennootschappen van het Koninkrijk der Nederlanden, in een Staat, gebiedsdeel of bezitting van de Verenigde Staten van Amerika zijn de behandeling, welke daarin wordt toegekend aan vennootschappen, opgericht in andere Staten, gebiedsdelen en bezittingen van de Verenigde Staten van Amerika; en (b) wat betreft vennootschappen van de Verenigde Staten van Amerika, in een Deel van het Koninkrijk der Nederlanden de behandeling, welke daarin wordt toegekend aan vennootschappen opgericht in een ander Deel van het Koninkrijk, Voorts zal in een Deel van het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa de nationale behandeling, welke aan onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika wordt toegekend, de behandeling zijn, welke in dat Deel wordt toegekend aan Nederlandse onderdanen, die niet in dat Deel zijn geboren.

Artikel XXIV

Het grondgebied, waarop dit Verdrag van toepassing is, omvat alle landstreken en wateren onder de rechtsmacht van ieder der Partijen alsook ieder gebied, waarvoor zij internationaal verantwoordelijk is, met uitzondering van de Panama Kanaal Zone en het Trust-gebied van de Stille Zuidzee-eilanden, met dien verstande, dat het niet eerder van toepassing is op onderscheidenlijk Suriname of de Nederlandse Antillen dan na een maand nadat de Regering van de Verenigde Staten van Amerika de kennisgeving heeft ontvangen, dat het Koninkrijk der Nederlanden het Verdrag daarop zal toepassen.

Artikel XXV

  • 1 De ene Partij zal de vertogen, welke de andere Partij tot haar mocht richten met betrekking tot een aangelegenheid betreffende de werking van dit Verdrag in welwillende overweging nemen en voldoende gelegenheid geven voor overleg dienaangaande.

  • 2 Een geschil tussen Partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag zal, indien niet tot tevredenheid opgelost langs diplomatieke weg, worden onderworpen aan het Internationale Gerechtshof, tenzij Partijen overeenkomen het op andere vreedzame wijze te regelen.

Artikel XXVI

Dit Verdrag treedt in de plaats van het Verdrag van handel en scheepvaart, ondertekend te Washington 26 augustus 1852, en de overeenkomst met betrekking tot handelsmerken bij notawisseling, ondertekend te Washington 10 en 16 februari 1883.

Artikel XXVII

  • 1 Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de bekrachtigingsoorkonden zullen zo spoedig mogelijk te Washington worden uitgewisseld.

  • 2 Dit Verdrag zal in werking treden een maand na de dag van de uitwisseling der bekrachtigingsoorkonden. Het zal gedurende tien jaren van kracht blijven en daarna van kracht blijven, totdat het wordt beëindigd op de wijze als in dit artikel bepaald.

  • 3 Ieder der Partijen kan dit Verdrag na afloop van het oorspronkelijke tijdvak van tien jaren of te eniger tijd daarna met betrekking tot al het grondgebied, waarop het van toepassing is, of met betrekking tot Suriname of de Nederlandse Antillen beëindigen door middel van een schriftelijke mededeling aan de andere Partij en met inachtneming van een opzeggingstermijn van een jaar.

TEN BLIJKE WAARVAN de onderscheidene Gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en daaraan hun zegel hebben gehecht.

GEDAAN in tweevoud in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, te 's-Gravenhage, de 27e maart 1956.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS (w.g.) J. W. BEYEN

Voor de Verenigde Staten van Amerika:

(w.g.) H. FREEMAN MATTHEWS

Protocol

Bij het ondertekenen van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika hebben de ondergetekende Gevolmachtigden, behoorlijk gemachtigd door hun onderscheidene Regeringen, verder overeenstemming bereikt ten aanzien van de volgende bepalingen, welke zullen worden geacht een integrerend deel van genoemd Verdrag uit te maken:

  • 1. De echtgenoot of echtgenote en de ongehuwde minderjarige kinderen van een persoon, die overeenkomstig de bepalingen van artikel II, lid 1 (a) en (b), is toegelaten, zullen eveneens worden toegelaten, indien zij hem of haar vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.

  • 2. De bepalingen van artikel II, lid 1 (b), zijn eveneens van toepassing op personen, die onderdanen en vennootschappen van eigen nationaliteit, welke een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of daadwerkelijk bezig zijn zulks te doen in een onderneming binnen het grondgebied van de andere Partij, vertegenwoordigen en te hunnen dienste werkzaam zijn in een verantwoordelijke functie.

  • 3. Met betrekking tot artikel II, lid 1, en de eerste zin van artikel VIII, lid 1, zullen onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in een Deel van het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa dezelfde behandeling genieten als Nederlandse onderdanen, die niet in dat Deel zijn geboren.

  • 4. De bepalingen van artikel IV, lid 2, hebben alleen betrekking op wetten en voorschriften, welke hetzij nationale wetten of voorschriften zijn of geheel of gedeeltelijk berusten op bepalingen van nationale wetten of voorschriften. Voorts sluit dat lid niet de mogelijkheid uit, dat ieder der Partijen vreemdelingen, die tijdelijk ingezetenen van haar grondgebied zijn, niet doet vallen onder haar stelsel van sociale verzekering, welke het betalen van een premie voorschrijft.

  • 5. Het recht bedoeld in artikel V, lid 1, omvat onder meer het recht op rechtskundige bijstand, op kosteloos procederen en op vrijstelling van het storten van een waarborgsom voor de kosten.

  • 6. De bepalingen van artikel VI, lid 4, welke voorzien in de betaling van schadevergoeding, zijn eveneens van toepassing op belangen, welke onderdanen en Vennootschappen van ieder der Partijen rechtstreeks of middellijk bezitten in eigendommen, welke binnen het grondgebied van de andere Partij worden onttrokken aan belanghebbenden.

  • 7. De bepalingen van artikel VII leggen geen van beide Partijen de verplichting binnen haar grondgebied op aan onderdanen en vennootschappen van de andere Partij toe te staan zakelijke activiteit te ontwikkelen zonder te voldoen aan de algemeen geldende wettelijke voorschriften.

  • 8. De uitoefening van een beroep valt niet onder de activiteit bedoeld in artikel VII, lid 1.

  • 9. Met betrekking tot artikel VII, lid 1, is het wel verstaan, dat ieder der Partijen, in overeenstemming met de woorden en de geest van dit Verdrag, bijzondere eisen kan stellen aan buitenlandse verzekeringsmaatschappijen, ten einde een mate van verantwoording en solvabiliteit te waarborgen vergelijkbaar met die, welke van soortgelijke binnenlandse maatschappijen wordt geëist, mits die eisen niet tot gevolg hebben, dat in wezen wordt gediscrimineerd ten nadele van die buitenlandse maatschappijen.

  • 10. Partijen zijn overeengekomen, dat de eerste zin van artikel VII, lid 2, op voet van wederkerigheid, niet van toepassing is op de vestiging van, of het verkrijgen van belangen in, of de beheersing van, de bedrijfsuitoefening van en de leiding van vennootschappen van de ene Partij met het doel petroleum en andere delfstoffen op te sporen en te ontginnen binnen het grondgebied van die Partij, door onderdanen of vennootschappen van de andere Partij.

  • 11. De bepalingen van de eerste zin van artikel VIII, lid 1, laten onverlet het recht van Nederland voor te schrijven, dat vreemdelingen in Nederland slechts mogen worden tewerkgesteld, mits de vereiste vergunningen zijn verkregen. De voorschriften betreffende tewerkstelling zullen echter, in overeenstemming met de bepalingen van bedoeld lid, soepel worden toegepast.

  • 12. Dit Verdrag vervangt generlei bepaling van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot inkomsten- en zekere andere belastingen, ondertekend te Washington 29 april 1948.

  • 13. De behandeling, bedoeld in artikel XII, lid 1, juncto de bepalingen van artikel XXIII, lid 1 en lid 2, heeft alleen de strekking discriminatie op grond van nationaliteit uit te sluiten en sluit bij voorbeeld niet uit een verschillende behandeling van verschillende geldsoorten of naar plaats van ingezetenschap.

  • 14. Ieder der Partijen mag de beperkingen stellen aan de invoer van buitenlands kapitaal, welke eventueel nodig zijn om haar monetaire reserves overeenkomstig artikel XII, lid 2, te beschermen of om ernstige monetaire verstoringen, voortvloeiende uit speculatieve financiële handelingen, te voorkomen.

  • 15. Wat betreft artikel XVII, lid 1, is het wel verstaan, dat, onder een commerciële overweging mede wordt begrepen het kunnen beschikken over middelen tot betaling.

  • 16. De bepalingen van artikel XVII, lid 2 (b) en (c), en van artikel XIX, lid 3, zijn niet van toepassing op postdiensten.

  • 17. Partijen zijn overeengekomen, dat onder het woord lading, als gebruikt in artikel XIX, lid 2 en lid 3, zowel passagiers als goederen zijn begrepen.

  • 18. Wat betreft artikel XXII, lid 1 (d), is het wel verstaan, dat het voorbehoud omtrent veiligheidsoverwegingen niet ten doel heeft een grond op te leveren om bovenmatig lange tijd af te wijken van een bepaling van het Verdrag. Anderzijds maakt ieder der Partijen naar eigen beste weten uit, welke maatregelen zij noodzakelijk acht ter bescherming van haar wezenlijke belangen in verband met haar veiligheid.

  • 19. De bepalingen van artikel XXII, lid 2, zijn van toepassing op Puertorico, ongeacht de wijzigingen, welke zich mochten voltrekken in zijn politieke status.

  • 20. Artikel XXIV is niet van toepassing op een gebied onder het gezag van een der Partijen, alleen als militaire basis of wegens tijdelijke militaire bezetting.

TEN BLIJKE WAARVAN de onderscheidene Gevolmachtigden dit Protocol hebben ondertekend en daaraan hun zegel hebben gehecht.

GEDAAN in tweevoud in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, te 's-Gravenhage, de 27e maart 1956.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) J. W. BEYEN

Voor de Verenigde Staten van Amerika:

(w.g.) H. FREEMAN MATTHEWS

No. I

MINISTRY OF FOREIGN AFFAIRS

The Hague, 27th March 1956.

Excellency:

We have the honor to refer to the negotiations leading to the conclusion of the Treaty of Friendship, Commerce and Navigation signed this day, during the course of which extensive conversations were held between the representatives of the two countries concerning the most-favored-nation aspects of the Treaty in relation to forwardlooking regional arrangements designed to bring closer cooperation, or integration, among European countries.

The common view emerging from these conversations is that European regional arrangements which do not involve the raising of barriers of any kind to intercourse with the rest of the world but which are designed to promote peace and prosperity, to expand trade, to increase productivity and to raise standards of living, are mutually advantageous. Accordingly, it is recognized in principle that the Netherlands should continue to be able to participate in European regional arrangements which serve these aims and the broad interests of both Parties, even though the Netherlands may thereunder be obliged to grant some reciprocal advantages to other participating countries which it is unable to grant to non-participating countries.

It is determined that any necessary reconciliation between the terms of the Treaty and existing European arrangements in which the Netherlands now participates is adequately provided in Article XXII, paragraph 4. It is agreed that, should this provision be insufficient to meet future contingencies, the two Parties will at the request of either Party consult with a view to determining what further adjustments might be necessary. Should such consultation fail to lead to a mutually satisfactory result, either Party, notwithstanding the provisions of Article XXVII, shall be entitled to suspend the operation of particular most-favored-nation provisions of the Treaty to the extent deemed appropriate to the situation, upon giving two months' written notice to the other Party. With respect to the subject matter of any provision so affected, however, it would be the policy of the Parties to proceed in general as follows: The United States of America would accord to the Kingdom of the Netherlands treatment no less favorable in like situations than that accorded other countries participating in the arrangement in question, and the Kingdom of the Netherlands would accord to the United States of America treatment no less favorable in like situations than that accorded countries not so participating.

If the above is acceptable to the United States Government, we have the honor to suggest that this note and your Excellency's reply to that effect shall be considered as constituting an agreement between our two Governments, forming an integral part of the above-mentioned Treaty.

Please accept, Excellency, the renewed assurances of our highest consideration and esteem.

(sd.) J. LUNS

(sd.) J. W. BEYEN

To His Excellency Mr. H. Freeman Matthews, Ambassador extraordinary and plenipotentiary of the United States of America at The Hague.

No. I

MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

's-Gravenhage, 27 maart 1956.

Excellentie,

Wij hebben de eer te verwijzen naar de onderhandelingen, welke geleid hebben tot het sluiten van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart, dat vandaag is ondertekend; in de loop dezer onderhandelingen werd uitvoerig van gedachten gewisseld tussen de vertegenwoordigers van onze beide landen over de meestbegunstigingsaspecten van het Verdrag in verband met op de toekomst gerichte regionale overeenkomsten, welke ten doel hebben nauwere samenwerking tussen, of integratie van Europese landen tot stand te brengen.

Deze gedachtenwisselingen hebben geleid tot het gemeenschappelijk inzicht, dat Europese regionale overeenkomsten, welke niet meebrengen dat hinderpalen van welke aard ook worden opgeworpen voor het verkeer met de rest van de wereld, doch ten doel hebben vrede en welvaart te bevorderen, de handel uit te breiden, de produktiviteit op te voeren en de levensstandaard te verhogen, strekken tot wederzijds voordeel. Dienovereenkomstig wordt in beginsel erkend, dat Nederland in de gelegenheid moet zijn ook in de toekomst deel te nemen aan Europese regionale overeenkomsten, welke dienstig zijn aan de verwezenlijking van die doelstellingen en in brede trekken aan de belangen van beide Partijen ondanks het feit dat Nederland krachtens die overeenkomsten verplicht zou kunnen zijn enige voordelen op basis van wederkerigheid toe te kennen aan andere deelnemende landen, welke voordelen Nederland niet kan geven aan niet-deelnemende landen.

Vastgesteld is, dat, voorzover aanpassing tussen de bepalingen van het Verdrag en de bestaande Europese overeenkomsten, waarbij Nederland thans partij is, noodzakelijk mocht zijn, artikel XXII, lid 4, daarin op voldoende wijze voorziet. Overeengekomen is dat, indien deze voorziening onvoldoende mocht zijn om toekomstige onvoorziene verwikkelingen tot oplossing te brengen, de Partijen, op het verzoek van een van beiden, overleg zullen plegen om vast te stellen, welke verdere aanpassingen noodzakelijk zouden kunnen zijn. Zou dat overleg niet leiden tot een wederzijds bevredigend resultaat, dan zal ieder der Partijen, ondanks de bepalingen van artikel XXVII, gerechtigd zijn de werking van specifieke meestbegunstigingsbepalingen van het Verdrag op te schorten in de mate, welke onder de omstandigheden passend wordt geoordeeld door een schriftelijke kennisgeving aan de andere Partij met een termijn van twee maanden. Ten aanzien van de materie, waarop een aldus opgeschorte bepaling betrekking heeft, zullen echter in het algemeen de volgende gedragslijnen door Partijen worden in achtgenomen: de Verenigde Staten van Amerika zullen aan het Koninkrijk der Nederlanden een behandeling toekennen, welke niet minder gunstig zal zijn dan die, welke in overeenkomstige omstandigheden wordt toegekend aan andere landen welke partij zijn in de betreffende overeenkomst, en het Koninkrijk der Nederlanden zal aan de Verenigde Staten van Amerika een behandeling toekennen welke niet minder gunstig zal zijn dan die, welke in Overeenkomstige omstandigheden wordt toegekend aan niet-deelnemende landen.

Indien het bovenstaande voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika aanvaardbaar is, hebben wij de eer voor te stellen, dat deze nota en Uwer Excellentie's daartoe strekkend antwoord, zullen worden beschouwd een overeenkomst te vormen tussen onze beide Regeringen, welke een integrerend deel uitmaakt van het bovenvermelde Verdrag.

Gelief, Excellentie, de hernieuwde verzekering van onze bijzondere hoogachting en waardering te aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) J. W. BEYEN

Aan Zijne Excellentie de Heer H. Freeman Matthews, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika te 's-Gravenhage.

No. II

AMERICAN EMBASSY

The Hague, 27th March 1956.

Excellencies:

I have the honor to acknowledge the receipt of your Excellencies' note of to day, which reads as follows:

“We have the honor to refer to the negotiations lealing to the conclusion of the Treaty of Friendship, Commerce and Navigation signed this day, during the course of which extensive conversations were held between the representatives of the two countries concerning the most-favored-nation aspects of the Treaty in relation to forwardlooking regional arrangements designed to bring closer cooperation, or integration, among European countries.

“The common view emerging from these conversations is that European regional arrangements which do not involve the raising of barriers of any kind to intercourse with the rest of the world but which are designed to promote peace and prosperity, to expand trade, to increase productivity and to raise standards of living, are mutually advantageous. Accordingly, it is recognized in principle that the Netherlands should continue to be able to participate in European regional arrangements which serve these aims and the broad interests of both Parties, even though the Netherlands may thereunder be obliged to grant some reciprocal advantages to other participating countries which it is unable to grant to non-participating countries.

“It is determined that any necessary reconciliation between the terms of the Treaty and existing European arrangements in which the Netherlands now participates is adequately provided in Article XXII, paragraph 4. It is agreed that, should this provision be insufficient to meet future contingencies, the two Parties will at the request of either Party consult with a view to determining what further adjustments might be necessary. Should such consultation fail to lead to a mutually satisfactory result, either Party, notwithstanding the provisions of Article XXVII, shall be entitled to suspend the operation of particular most-favored-nation provisions of the Treaty to the extent deemed appropriate to the situation, upon giving two months' written notice to the other Party. With respect to the subject matter of any provision so affected, however, it would be the policy of the Parties to proceed in general as follows: The United States of America would accord to the Kingdom of the Netherlands treatment no less favorable in like situations than that accorded other countries participating in the arrangement in question, and the Kingdom of the Netherlands would accord to the United States of America treatment no less favorable in like situations than that accorded countries not so participating.

“If the above is acceptable to the United States Government, we have the honor to suggest that this note and your Excellency's reply to that effect shall be considered as constituting an agreement between our two Governments, forming an integral part of the above-mentioned Treaty.”

I have the honor to inform your Excellencies that the contents of your Excellencies' note are acceptable to my Government and I herewith confirm that your Excellencies' note and the present reply thereto shall be considered as constituting an agreement between our two Governments, forming an integral part of the above-mentioned Treaty.

As your Excellencies are aware, the United States Government welcomes progress in the development of European cooperation and integration insofar as arrangements for cooperation and integration contribute to a freer flow of trade, a more efficient use of manpower and materials, and greater unity. In this connection, it may be recalled that the United States Government has given concrete support to such organizations as the European Coal and Steel Community and concurred in the waiver relative thereto granted by the CONTRACTING PARTIES to the General Agreement on Tariffs and Trade, bearing in mind the benefits expected to accrue from arrangements designed to create a dynamic competitive common market within the Community and to insure sound economic relations between the Community and outside countries. The United States Government is prepared to consider sympathetically in the same spirit other proposals which the Kingdom of the Netherlands might make.

Please accept, Excellencies, the renewed assurances of my highest consideration and esteem.

(sd.) H. FREEMAN MATTHEWS

To Their Excellencies Mr. J. W. Beyen, Minister of Foreign Affairs, and Mr. J. M. A. H. Luns, Minister without Portfolio, at The Hague.

No. II

AMERIKAANSE AMBASSADE

's-Gravenhage, 27 maart 1956.

Excellenties,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van Uwer Excellenties nota van heden, welke als volgt luidt:

„Wij hebben de eer te verwijzen naar de onderhandelingen, welke geleid hebben tot het sluiten van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart, dat vandaag is ondertekend; in de loop dezer onderhandelingen werd uitvoerig van gedachten gewisseld tussen de vertegenwoordigers van onze beide landen over de meestbegunstigingsaspecten van het Verdrag in verband met op de toekomst gerichte regionale overeenkomsten, welke ten doel hebben nauwere samenwerking tussen, of integratie van Europese landen tot stand te brengen.

Deze gedachtenwisselingen hebben geleid tot het gemeenschappelijk inzicht, dat Europese regionale overeenkomsten, welke niet meebrengen dat hinderpalen van welke aard ook worden opgeworpen voor het verkeer met de rest van de wereld, doch ten doel hebben vrede en welvaart te bevorderen, de handel uit te breiden, de produktiviteit op te voeren en de levensstandaard te verhogen, strekken tot wederzijds voordeel. Dienovereenkomstig wordt in beginsel erkend, dat Nederland in de gelegenheid moet zijn ook in de toekomst deel te nemen aan Europese regionale overeenkomsten, welke dienstig zijn aan de verwezenlijking van die doelstellingen en in brede trekken aan de belangen van beide Partijen ondanks het feit dat Nederland krachtens die overeenkomsten verplicht zou kunnen zijn enige voordelen op basis van wederkerigheid toe te kennen aan andere deelnemende landen, welke voordelen Nederland niet kan geven aan niet-deelnemende landen.

Vastgesteld is, dat, voorzover aanpassing tussen de bepalingen van het Verdrag en de bestaande Europese overeenkomsten, waarbij Nederland thans partij is, noodzakelijk mocht zijn, artikel XXII, lid 4, daarin op voldoende wijze voorziet. Overeengekomen is dat, indien deze voorziening onvoldoende mocht zijn om toekomstige onvoorziene verwikkelingen tot oplossing te brengen, de Partijen, op het verzoek van een van beiden, overleg zullen plegen om vast te stellen, welke verdere aanpassingen noodzakelijk zouden kunnen zijn. Zou dat overleg niet leiden tot een wederzijds bevredigend resultaat, dan zal ieder der Partijen, ondanks de bepalingen van artikel XXVII, gerechtigd zijn de werking van specifieke meestbegunstigingsbepalingen van het Verdrag op te schorten in de mate, welke onder de omstandigheden passend wordt geoordeeld door een schriftelijke kennisgeving aan de andere Partij met een termijn van twee maanden. Ten aanzien van de materie, waarop een aldus opgeschorte bepaling betrekking heeft, zullen echter in het algemeen de volgende gedragslijnen door Partijen worden in achtgenomen: de Verenigde Staten van Amerika zullen aan het Koninkrijk der Nederlanden een behandeling toekennen, welke niet minder gunstig zal zijn dan die, welke in overeenkomstige omstandigheden wordt toegekend aan andere landen welke partij zijn in de betreffende overeenkomst, en het Koninkrijk der Nederlanden zal aan de Verenigde Staten van Amerika een behandeling toekennen welke niet minder gunstig zal zijn dan die, welke in overeenkomstige omstandigheden wordt toegekend aan niet-deelnemende landen.

Indien het bovenstaande voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika aanvaardbaar is, hebben wij de eer voor te stellen, dat deze nota en Uwer Excellentie's daartoe strekkend antwoord, zullen worden beschouwd een overeenkomst te vormen tussen onze beide Regeringen, welke een integrerend deel uitmaakt van het bovenvermelde Verdrag.”

Ik heb de eer Uwe Excellenties te berichten, dat de inhoud van Uwer Excellenties nota voor mijn Regering aanvaardbaar is, en ik bevestig hiermede, dat Uwer Excellenties nota en dit antwoord daarop zullen worden beschouwd een overeenkomst te vormen tussen onze twee Regeringen en een integrerend deel zullen uitmaken van het bovenbedoeld Verdrag.

Zoals Uwe Excellenties bekend is, juicht de Regering van de Verenigde Staten van Amerika iedere stap voorwaarts op de weg naar Europese samenwerking en integratie toe, voorzover op samenwerking en integratie gerichte overeenkomsten bijdragen tot een vrijer handelsverkeer, een doelmatiger gebruik van mankracht en materiaal, en groter eenheid. In dit verband zij er aan herinnerd, dat de Regering van de Verenigde Staten van Amerika daadwerkelijk steun heeft gegeven aan organisaties als de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en heeft ingestemd met de ontheffing, welke in dit verband werd verleend door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, gedachtig aan de voordelen, welke, naar men verwacht, zullen voortspruiten uit overeenkomsten, welke ten doel hebben een dynamische, concurrerende, gemeenschappelijke markt te scheppen binnen de Gemeenschap en gezonde economische betrekkingen te verzekeren tussen de Gemeenschap en de landen daarbuiten. De Regering van de Verenigde Staten is bereid in dezelfde geest andere voorstellen, welke het Koninkrijk der Nederlanden zou willen doen, welwillend te overwegen.

Gelief, Excellenties, de hernieuwde verzekering van mijn bijzondere hoogachting en waardering te aanvaarden.

(w.g.) H. FREEMAN MATTHEWS

Aan Hunne Excellenties Mr. J. W. Beyen, Minister van Buitenlandse Zaken, en Mr. J.M. A. H. Luns, Minister zonder Portefeuille, te 's-Gravenhage.