Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag inzake de Instelling van een Veiligheidscontrole op het gebied van de Kernenergie, Parijs, 20-12-1957

Geldend van 22-07-1959 t/m heden

Verdrag inzake de Instelling van een Veiligheidscontrole op het gebied van de Kernenergie

Authentiek : NL

Verdrag inzake de Instelling van een Veiligheidscontrole op het gebied van de Kernenergie

De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, Ierland, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en de Turkse Republiek;

Besloten de ontwikkeling te bevorderen van de produktie en het gebruik van kernenergie in de landen welke lid zijn van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (hierna te noemen de „Organisatie”) door middel van samenwerking tussen deze landen en het onderling in overeenstemming brengen van nationale maatregelen;

Overwegende dat de tot dit doel binnen de Organisatie ondernomen gemeenschappelijke werkzaamheden bedoeld zijn om de Europese kernindustrie voor uitsluitend vreedzame doeleinden te ontwikkelen en geen enkel militair doel mogen bevorderen;

Overwegende dat tijdens zijn bijeenkomst van 18 juli 1956 de Raad van de Organisatie (hierna te noemen de „Raad”) besloten heeft te dien einde een internationale veiligheidscontrole in te stellen;

Overwegende dat bij een Beslissing van heden de Raad binnen de Organisatie een Europees Agentschap voor Kernenergie heeft opgericht (hierna te noemen het „Agentschap”) dat tot taak heeft de ondernomen gemeenschappelijke werkzaamheden voort te zetten;

Zijn overeengekomen als volgt:

DEEL I

Artikel 1

  • (a) Het doel van de veiligheidscontrole is te verzekeren dat

    • (i) de functionering van gemeenschappelijke ondernemingen opgericht door twee of meer Regeringen of door onderdanen van twee of meer landen op initiatief of met de hulp van het Agentschap, en

    • (ii) materialen, uitrusting en diensten welke krachtens met de betrokken Regeringen gesloten overeenkomsten door het Agentschap ter beschikking zijn gesteld of onder zijn toezicht staan

    geen militaire doeleinden zullen bevorderen.

  • (b) De veiligheidscontrole kan op verzoek van de partijen worden toegepast op iedere bilaterale of multilaterale overeenkomst, of, op verzoek van een Regering, op iedere activiteit waarvoor die Regering op het gebied van de kernenergie verantwoordelijk is.

Artikel 2

  • (a) Voor de hierboven genoemde doelstellingen zal de veiligheidscontrole van toepassing zijn op

    • (i) iedere gemeenschappelijke onderneming en op iedere onderneming die valt binnen de werkingssfeer van een overeenkomst gesloten ingevolge artikel 1 (a)(ii) of een verzoek gengevolge artikel 1(b);

    • (ii) iedere installatie die basismateriaal of splijtstoffen gebruikt, teruggewonnen of verkregen in dergelijke gemeenschappelijke ondernemingen;

    • (iii) iedere installatie die splijtstoffen gebruikt, teruggewonnen of verkregen hetzij uit basismateriaal, hetzij uit splijtstof, onderworpen aan controle krachtens artikel 1.

  • (b) Niettemin kan de Bestuurscommissie van het Agentschap (hierna te noemen de „Bestuurscommissie”) de toepassing van de veiligheidscontrole buiten werking stellen in gevallen waarin splijtstoffen geëxporteerd worden uit het grondgebied dat valt onder de rechtsmacht van de Regeringen welke partij zijn bij dit Verdrag, mits deze splijtstoffen onderworpen zijn aan een gelijkwaardige veiligheidscontrole.

Artikel 3

Ten aanzien van iedere onderneming of installatie die aan controle is onderworpen heeft het Agentschap de volgende rechten en verplichtingen waarvan de omvang wordt bepaald door de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 8:

  • (a) het onderzoeken van de ontwerpen voor speciale uitrusting en installaties, met inbegrip van kernreactoren, uitsluitend met het doel te verzekeren dat de controle doeltreffend kan worden uitgeoefend zoals voorzien in dit Verdrag;

  • (b) het goedkeuren van de middelen te gebruiken voor de chemische bewerking van bestraalde materialen, uitsluitend met het doel te verzekeren dat het in artikel 1 omschreven oogmerk zal worden verwezenlijkt;

  • (c) te eisen dat werkstaten worden bijgehouden en overgelegd, teneinde te verzekeren dat rekening en verantwoording ten aanzien van basismateriaal en splijtstoffen, gebruikt of voortgebracht door de onderneming of de installatie, kan worden afgelegd;

  • (d) het verzoeken om en het in ontvangst nemen van rapporten ten aanzien van de gemaakte vorderingen.

Artikel 4

  • (a) Splijtstoffen teruggewonnen of verkregen uit basismateriaal of splijtstoffen die aan controle onderworpen zijn worden uitsluitend gebruikt voor vreedzame doeleinden, onder controle van het Agentschap, voor onderzoek of in reactoren die door de betrokken Regering of Regeringen worden aangegeven.

  • (b) Iedere hoeveelheid teruggewonnen of verkregen splijtstof die uitgaat boven hetgeen voor het boven vermelde gebruik nodig is, blijft onderworpen aan de controle van het Agentschap, dat kan eisen dat het bij het Agentschap in bewaring wordt gegeven of op andere plaatsen die door het Agentschap worden of kunnen worden gecontroleerd, mits daarna op verzoek van de betrokken partijen de aldus gedeponeerde splijtstoffen onmiddellijk aan de betrokken partijen zullen worden teruggegeven om te worden gebruikt onder dezelfde voorwaarden als hierboven vermeld.

Artikel 5

  • (a) Het Agentschap heeft het recht en de plicht naar het grondgebied dat valt onder de rechtsmacht van de Regeringen welke partij zijn bij dit Verdrag, inspecteurs te zenden, die door het Agentschap na overleg met de betrokken Regering of Regeringen worden aangewezen, welke inspecteurs te allen tijde toegang hebben tot alle plaatsen en gegevens, alsmede tot elke persoon die zich uit hoofde van zijn beroep met aan controle onderworpen materialen, uitrustingen of installaties bezig houdt, voorzover dit noodzakelijk is voor het afleggen van verantwoording voor aan controle onderworpen basismateriaal en splijtstoffen en om er zich van te vergewissen of de verplichtingen, welke voortvloeien uit dit Verdrag en uit iedere andere door het Agentschap met de betrokken Regering of Regeringen gesloten overeenkomst, worden nageleefd.

  • (b) Indien deze verplichtingen niet in acht worden genomen kan het Agentschap verzoeken dat de maatregelen worden genomen die nodig zijn ter correctie van de situatie; indien dit niet binnen redelijke tijd gebeurt, kan het Agentschap één of meer van de hierna volgende maatregelen voorschrijven:

    • (i) de opschorting of beëindiging van leveranties van materialen, uitrustingen of diensten geleverd door of onder toezicht van het Agentschap;

    • (ii) de teruggave van materialen en uitrustingen geleverd door of onder toezicht van het Agentschap.

Artikel 6

De Regeringen die partij zijn bij dit Verdrag zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen voorgeschreven krachtens lid (b) van artikel 5 en in bevelschriften uitgegeven door de President van het Tribunaal krachtens artikel 11 (e) en zij zijn er tevens voor verantwoordelijk er, voorzover nodig, voor te zorgen dat de verantwoordelijke partijen iedere inbreuk zullen corrigeren.

DEEL II

Artikel 7

De controle waarin dit Verdrag voorziet wordt uitgeoefend door de volgende lichamen, die binnen het Agentschap functioneren:

  • (i) de Bestuurscommissie;

  • (ii) een Controlebureau dat bestaat uit één vertegenwoordiger van elke Regering die partij is bij dit Verdrag.

Artikel 8

  • (a) Het Controlebureau is bevoegd:

    • (i) veiligheidsvoorschriften uit te werken die voor de verschillende soorten ondernemingen de technische procedure voor de controle vaststellen;

    • (ii) clausules op te stellen inzake de toepassing van veiligheidsvoorschriften die moeten worden opgenomen in met de betrokken Regeringen te sluiten overeenkomsten;

    • (iii) na te gaan of de verplichtingen die voortspruiten uit dit Verdrag en uit de in lid (a) (ii) bedoelde overeenkomsten worden nagekomen;

    • (iv) de rapporten te onderzoeken die betrekking hebben op het uitoefenen van de controle en in gevallen waarin het van oordeel is dat een inbreuk heeft plaats gevonden te verzoeken dat de maatregelen worden genomen die nodig zijn ter correctie van de situatie, en, indien nodig, aan de Bestuurscommissie de voor te schrijven maatregelen voor te stellen.

  • (b) Het Controlebureau stelt de Bestuurscommissie op de hoogte van iedere inbreuk die naar zijn oordeel heeft plaats gevonden en brengt periodiek rapport uit aan de Commissie over al zijn activiteiten.

Artikel 9

  • (a) De beslissingen van het Controlebureau worden, tenzij zijn huishoudelijk reglement anders bepaalt, aangenomen bij meerderheid van zijn leden.

  • (b) Het Controlebureau wordt bijgestaan door een internationale staf die bestaat uit een Directeur van de controle en de administratieve en technische ambtenaren die nodig zijn om de functies van het Controlebureau uit te oefenen en, in het bijzonder, een groep internationale inspecteurs. De inspecteurs en de andere leden van de internationale staf zullen leden van de staf van de Organisatie zijn,

  • (c) Behoudens hun verantwoordelijkheid tegenover het Agentschap mogen de inspecteurs en de andere leden van de internationale staf, zelfs na beëindiging van hun dienstverband, geen feiten of inlichtingen bekend maken die te hunner kennis zijn gekomen in de uitoefening van hun taak. Iedere inbreuk op deze regel stelt hen in ieder gebied dat onder de rechtsmacht valt van de Regeringen die partij zijn bij dit Verdrag bloot aan die straffen die in dat gebied van kracht zijn voor inbreuken op de regels voor het beroepsgeheim, ongeacht de nationaliteit van de overtreder.

  • (d) De Organisatie vergoedt iedere onredelijke schade veroorzaakt door het Agentschap of door zijn personeel in de uitoefening van hun taak.

Artikel 10

  • (a) De Bestuurscommissie is bevoegd alle beslissingen te nemen die nodig zijn voor de toepassing van dit Verdrag en zij zal in het bijzonder

    • (i) het huishoudelijk reglement van het Controlebureau goedkeuren;

    • (ii) de veiligheidsvoorschriften goedkeuren;

    • (iii) onder voorbehoud van de goedkeuring van de Raad, overeenkomsten aangaan met de betrokken Regeringen;

    • (iv) waar nodig de maatregelen voorschrijven waarin wordt voorzien in artikel 5 (b).

  • (b) De besluiten van de Bestuurscommissie die betrekking hebben op de toepassing van dit Verdrag worden genomen met eenparigheid van stemmen der aanwezige en hun stem uitbrengende leden. De beslissingen krachtens lid (a) (iv) van dit artikel vereisen echter een twee-derde meerderheid van de leden van de Bestuurscommissie, waaronder niet is begrepen het lid dat de Regering vertegenwoordigt op wier gebied de inbreuk heeft plaats gevonden.

Artikel 11

  • (a) Inspecties worden uitgevoerd krachtens een door het Controlebureau uitgegeven bevelschrift dat de installaties vermeldt die geinspecteerd moeten worden.

  • (b) In ieder afzonderlijk geval moet de betrokken Regering er van tevoren van in kennis worden gesteld dat de inspectie zal worden uitgevoerd, maar een dergelijke voorafgaande kennisgeving vermeldt niet welke installaties geinspecteerd zullen worden.

  • (c) Indien de betrokken Regering zulks verzoekt, worden de internationale inspecteurs vergezeld door vertegenwoordigers van de autoriteiten van die Regering, op voorwaarde dat de inspecteurs daardoor niet worden opgehouden of op andere wijze in de uitoefening van hun functie worden gehinderd.

  • (d) De internationale inspecteurs hebben tevens tot taak de in artikel 3 (c) bedoelde verantwoording met betrekking tot basismateriaal en splijtstof op te vragen en te controleren, alsmede na te gaan of de uit dit Verdrag en uit iedere met de betrokken Regering of Regeringen gesloten overeenkomst voortvloeiende verplichtingen worden nageleefd. De inspecteurs brengen iedere inbreuk ter kennis van het Controlebureau.

  • (e) Bij verzet tegen de uitvoering van een inspectiemaatregel kan het Controlebureau de President van het Tribunaal, waarin in artikel 12 wordt voorzien, vragen om een bevelschrift voor de tenuitvoerlegging van een inspectiemaatregel tegen de betrokken onderneming. De President van het Tribunaal beslist hierover binnen drie dagen. De beslissing van de President prejudicieert niet op de beslissing van het Tribunaal ten aanzien van eventuele volgende eisen betreffende hetzelfde geval, die later krachtens artikel 13 mochten worden ingediend.

DEEL III

Artikel 12

  • (a) Hierbij wordt een Tribunaal ingesteld dat bestaat uit zeven onafhankelijke rechters die voor vijf jaar worden benoemd bij beslissing van de Raad of, indien de Raad niet tot een beslissing komt, door middel van het lot uit een lijst waarop door iedere Regering die partij is bij dit Verdrag een door haar voorgestelde rechter is geplaatst.

  • (b) Indien er in het Tribunaal geen rechter zitting heeft van de nationaliteit van een partij bij een aan het Tribunaal voorgelegd geval, kan de betrokken Regering iemand aanwijzen die in dat geval als toegevoegd rechter in het Tribunaal zitting zal hebben.

  • (c) De organisatie van het Tribunaal en de rechtspositie van de rechters dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van het aan dit Verdrag gehecht Protocol.

  • (d) Het Tribunaal neemt zijn eigen huishoudelijk reglement aan dat door de Raad dient te worden goedgekeurd.

Artikel 13

  • (a) Iedere Regering die partij is bij dit Verdrag of iedere betrokken onderneming kan bij het krachtens artikel 12 opgerichte Tribunaal in beroep gaan tegen beslissingen

    • (i) die betrekking hebben op de toepassing van artikel 3; indien binnen twee maanden na het verzoek om onderzoek of goedkeuring geen maatregelen zijn genomen, dient dit te worden beschouwd als een beslissing tot verwerping van het beroep;

    • (ii) die één of meer van de maatregelen voorschrijven waarin is voorzien in artikel 5 (b);

  • (b) Indien krachtens het voorgaande lid beroep is aangetekend bij het Tribunaal, beslist het Tribunaal of de bestreden beslissing in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, van de veiligheidsvoorschriften en van de in artikel 8 bedoelde overeenkomsten. Indien het Tribunaal tot de slotsom komt dat de bestreden beslissing in strijd is met deze bepalingen, neemt de Bestuurscommissie al die maatregelen die nodig zijn om de beslissing van het Tribunaal ten uitvoer te leggen.

  • (c) Het Tribunaal kan het Agentschap verplichten de schade te vergoeden die eventueel door de partij die in beroep is gegaan geleden wordt tengevolge van de bestreden beslissing.

  • (d) Iedere onderneming kan bovendien het Tribunaal verzoeken het Agentschap op te dragen iedere uitzonderlijke schade te vergoeden die de onderneming heeft geleden tengevolge van een uit hoofde van artikel 5 uitgevoerde inspectie.

Artikel 14

Het Tribunaal is bevoegd beslissingen te nemen ten aanzien van ieder ander vraagstuk dat betrekking heeft op de gemeenschappelijke werkzaamheden van de Staten-Leden van de Organisatie op het gebied van de kernenergie, en dat aan het Tribunaal is voorgelegd in overeenstemming tussen de betrokken partijen bij dit Verdrag.

Artikel 15

  • (a) Een beroep bij het Tribunaal in de gevallen bedoeld in lid (a) van artikel 13 dient te worden ingesteld binnen twee maanden na de datum van de bestreden beslissing, of, in andere gevallen, binnen drie jaar na de datum waarop de feiten die de onderneming in staat stellen schadevergoeding te eisen te harer kennis kwamen.

  • (b) Behoudens de bepalingen van het hiernavolgend lid heeft een bij het Tribunaal ingesteld beroep geen schorsende werking. Indien het Tribunaal echter van mening is dat de omstandigheden zulks eisen, kan het bevelen dat de tenuitvoerlegging van de beslissing waartegen het beroep is ingesteld wordt opgeschort.

  • (c) Een bij het Tribunaal ingesteld beroep tegen een beslissing, genomen krachtens artikel 5 (b) (ii), heeft schorsende werking. Het Tribunaal kan echter op verzoek van iedere Regering die partij is bij dit Verdrag de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen.

DEEL IV

Artikel 16

  • (a) Tussen de Organisatie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) zal een overeenkomst worden gesloten waarin de regelingen worden omschreven volgens welke de bij dit Verdrag ingestelde controle binnen het gebied waarop het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) van toepassing is zal worden uitgevoerd door de bevoegde lichamen van EURATOM, daartoe gemachtigd door het Agentschap teneinde de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken. Hiertoe strekkende voorstellen zullen worden voorgelegd aan de Europese Commissie, opgericht bij genoemd Verdrag, zodra deze Commissie is ingesteld, opdat binnen de kortst mogelijke tijd een dergelijke overeenkomst kan worden bereikt

  • (b) Tussen de Organisatie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie kan eveneens een overeenkomst worden gesloten teneinde de tussen deze twee instellingen in het leven te roepen samenwerking te omschrijven.

Artikel 17

In de zin van artikel 1 omvat het begrip militaire doeleinden het gebruik van splijtstof in oorlogswapens en sluit het gebruik van deze splijtstof in reactoren voor de produktie van elektriciteit en warmte of voor voortbeweging uit.

Artikel 18

  • (a) De uitdrukking „splijtstoffen” betekent: plutonium-239, uranium-233, uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233, elk materiaal dat een of meer der bovengenoemde stoffen bevat, alsmede zulk ander splijtbaar materiaal als de Bestuurscommissie van tijd tot tijd zal bepalen; de uitdrukking „splijtstoffen” omvat evenwel geen basismateriaal.

  • (b) De uitdrukking „uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233” betekent: uranium dat de isotopen 235 of 233 of beide bevat in zulk een hoeveelheid dat de verhouding van de totale hoeveelheid van deze isotopen tot het isotoop 238 groter is dan de verhouding van het isotoop 235 tot het isotoop 238 zoals dat in de natuur voorkomt.

  • (c) De uitdrukking „basismateriaal” betekent: uranium dat het mengsel van de in de natuur voorkomende isotopen bevat, uranium waaraan het isotoop 235 is onttrokken, thorium, elk der bovengenoemde stoffen in de vorm van metaal, alliage, scheikundige samenstelling of scheikundig concentraat, elk ander materiaal dat een of meer der bovengenoemde stoffen bevat in die concentratie als de Bestuurscommissie van tijd tot tijd zal vaststellen, alsmede zulk ander materiaal als de Bestuurscommissie van tijd tot tijd zal bepalen.

  • (d) De uitdrukking „materiaal” betekent basismateraal en splijtstof.

Artikel 19

  • (a) De Regering van ieder land dat lid of geassocieerd lid is van de Organisatie en dat dit Verdrag niet heeft ondertekend kan ertoe toetreden door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie gerichte mededeling, mits zij eveneens toetreedt tot het Agentschap.

  • (b) De Regering van ieder ander land dat dit Verdrag niet heeft ondertekend kan ertoe toetreden door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie gerichte mededeling, mits zij eveneens toetreedt tot het Agentschap en onder voorwaarde van de eenstemmige goedkeuring van de leden van de Organisatie. Een dergelijke toetreding treedt in werking met ingang van de datum van die goedkeuring.

Artikel 20

Iedere Regering die partij is bij dit Verdrag kan de toepassing daarvan op zichzelf beëindigen door middel van een daartoe strekkende mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie, met inachtneming van een opzeggingstermijn van twaalf maanden, doch een dergelijke opzegging laat onverlet de controle, uitgeoefend over vóór dat tijdstip door of onder toezicht van het Agentschap geleverde materialen.

Artikel 21

  • (a) Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie.

  • (b) Dit Verdrag treedt in werking bij de nederlegging van de akten van bekrachtiging door ten minste tien der ondertekenende Regeringen. Voor iedere ondertekenende Regering die het Verdrag op een later tijdstip bekrachtigt, treedt het in werking op het ogenblik van nederlegging van haar akte van bekrachtiging.

  • (c) De tenuitvoerlegging van dit Verdrag in het gebied van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) is echter afhankelijk van het sluiten van de in artikel 16(a) bedoelde overeenkomst, met uitzondering - onverminderd de regelingen welke in die Overeenkomst zullen worden omschreven - van wat betreft haar toepassing op installaties binnen gemeenschappelijke ondernemingen.

Artikel 22

De Secretaris-Generaal van de Organisatie doet aan alle Regeringen welke partij zijn bij dit Verdrag mededeling van de ontvangst van iedere akte van bekrachtiging of toetreding. Hij doet hun eveneens mededeling van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

Bijlage Interpretatie met betrekking tot artikel 1

De bepalingen van artikel 1 (a)(ii) met betrekking tot „diensten welke door het Agentschap ter beschikking zijn gesteld of onder zijn toezicht staan” hebben betrekking op de bijzondere hulp die aan een land kan worden verleend krachtens een afzonderlijke daartoe gesloten overeenkomst die met de betrokken Regering is aangegaan. Zij hebben geen uitbreiding tot gevolg van de toepassing van artikel 2 door het scheppen van een vervolgingsrecht met inbegrip van controle op de activiteiten van personen, die aan gemeenschappelijke ondernemingen hebben medegewerkt, alsmede controle op het gebruik van de kennis, die zij, die aan die ondernemingen hebben deelgenomen, hebben verworven.

TEN BLIJKE WAARVAN de behoorlijk gemachtigde ondergetekende gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Parijs, de twintigste december negentienhonderd zevenenvijftig, in de Franse, Engelse, Duitse, Italiaanse en Nederlandse taal, in een enkel exemplaar dat zal blijven nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, door wie gewaarmerkte afschriften zullen worden gezonden aan alle ondertekenende Regeringen.

Protocol betreffende het Tribunaal ingesteld bij het Verdrag inzake de Instelling van een Veiligheidscontrole op het gebied van de Kernenergie

De Regeringen die partij zijn bij het heden gesloten Verdrag inzake de Instelling van een Veiligheidscontrole op het gebied van de Kernenergie (hierna te noemen het „Verdrag”);

Verlangend in overeenstemming met artikel 12 van het Verdrag de organisatie vast te stellen van het bij dat artikel ingestelde Tribunaal alsmede de rechtspositie van zijn rechters;

Hebben overeenstemming bereikt ten aanzien van de volgende bepalingen die aan het Verdrag zullen worden gehecht:

Artikel 1

Het bij artikel 12 (a) van het Verdrag ingestelde Tribunaal vervult zijn functies in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag en van dit Protocol.

Artikel 2

  • (a) De benoeming van de rechters als voorzien in artikel 12 (a) van het Verdrag vindt plaats binnen een periode van zes maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag; latere benoemingen vinden plaats binnen zes maanden na het ontstaan van een vacature of vacatures.

  • (b) Iedere vacature wordt vervuld voor de rest van de ambtstermijn volgens dezelfde methode als bepaald voor de eerste benoeming.

Artikel 3

  • (a) De rechters zijn personen van grote bekwaamheid wier onpartijdigheid bekend is en die hetzij voldoen aan de voorwaarden welke in hun eigen land vereist worden om de hoogste rechterlijke ambten te bekleden hetzij algemeen bekende rechtsgeleerden zijn.

  • (b) Geen rechter mag deelnemen aan de berechting van enige zaak waarin hij vroeger is opgetreden als vertegenwoordiger, raadsman of advocaat van een der partijen, als lid van een nationaal of internationaal gerechtshof, als lid van een commissie van onderzoek, of in enige andere functie. In geval van twijfel op dit punt beslist het Tribunaal.

  • (c) Er mogen geen twee rechters zitting hebben die onderdanen zijn van dezelfde staat.

Artikel 4

  • (a) De rechters genieten immuniteit ten aanzien van rechtsvervolging met betrekking tot door hen in hun rechterlijke hoedanigheid verrichte handelingen. Deze immuniteit blijft van kracht ook nadat zij hun functie hebben neergelegd. Een dergelijke immuniteit kan door het Tribunaal worden opgeheven.

  • (b) Een rechter kan niet uit zijn ambt worden ontzet tenzij hij naar het eenstemmig oordeel van de andere rechters niet langer aan de voor zijn benoeming vereiste voorwaarden voldoet of als hij zijn ambtsplichten niet langer vervult.

  • (c) De betrokken rechter neemt niet deel aan de beraadslagingen en het nemen van de beslissingen uit hoofde van dit artikel.

Artikel 5

  • (a) Het Tribunaal kiest zijn President.

  • (b) Het Tribunaal benoemt een Griffier.

Artikel 6

De regels met betrekking tot de betaling van honoraria aan de rechters worden bepaald door de Raad van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (hierna te noemen de „Organisatie”).

Artikel 7

  • (a) De President roept het Tribunaal bijeen wanneer zulks nodig is.

  • (b) Het Tribunaal houdt zitting ten hoofdkwartiere van de Organisatie.

  • (c) De President presideert de zittingen van het Tribunaal. Indien de President niet in staat is te presideren of in de gevallen waarin de President van dezelfde nationaliteit is als een der partijen, presideert de oudste der andere rechters.

Artikel 8

  • (a) De zittingen van het Tribunaal zijn rechtsgeldig indien vijf rechters aanwezig zijn.

  • (b) Alle beslissingen worden genomen bij meerderheid van de aanwezige rechters.

  • (c) Indien de stemmen staken heeft de President, of de rechter die in zijn plaats optreedt, een beslissende stem.

Artikel 9

  • (a) De behandeling vindt plaats in het openbaar tenzij het Tribunaal uit eigen beweging of op verzoek van partijen anders beslist.

  • (b) De besprekingen van het Tribunaal zijn geheim. Het Tribunaal deelt de redenen mede waarop zijn beslissingen zijn gebaseerd en vermeldt de namen van de rechters die eraan deelnamen.

Artikel 10

  • (a) De Staten-Leden en de Organisatie worden voor het Tribunaal vertegenwoordigd door een vertegenwoordiger die voor ieder geval afzonderlijk wordt aangewezen; de vertegenwoordiger kan voor het Tribunaal worden bijgestaan door raadslieden of advocaten.

  • (b) Andere partijen kunnen vertegenwoordigd worden door personen die gerechtigd zijn te pleiten voor rechtbanken van enige Lid-Staat.

  • (c) De vertegenwoordigers, raadslieden en advocaten, bedoeld in dit artikel, genieten immuniteit ten aanzien van rechtsvervolging met betrekking tot door hen afgelegde verklaringen en overgelegde schriftelijke stukken in verband met de uitoefening van de in dit artikel bedoelde functies. Bovendien zijn hun documenten onschendbaar en genieten zij vrijheid van beweging tussen de zetel van het Tribunaal en hun gebruikelijke woonplaats.

  • (d) De immuniteiten worden uitsluitend verleend in het belang van een juiste rechtsbedeling en voor zover zij voor de betrokken personen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functies. Het Tribunaal kan deze immuniteiten opheffen indien het van mening is dat een dergelijke opheffing niet in strijd is met een juiste rechtsbedeling.

  • (e) Het Tribunaal heeft ten aanzien van de raadslieden en advocaten die voor het Tribunaal verschijnen dezelfde bevoegdheden als die welke gewoonlijk worden toegekend aan rechtbanken en tribunalen, onder de voorwaarden die worden bepaald in het huishoudelijk reglement.

Artikel 11

  • (a) Getuigen en deskundigen kunnen worden gehoord onder de voorwaarden die worden bepaald in het huishoudelijk reglement.

  • (b) Getuigen en deskundigen kunnen worden gehoord hetzij onder ede in de vorm welke wordt bepaald in het huishoudelijk reglement, hetzij op de wijze, neergelegd in de nationale wetgeving van de getuige of deskundige.

Artikel 12

  • (a) Het Tribunaal kan verzoeken dat een getuige of deskundige wordt gehoord door de gerechtelijke autoriteiten van zijn plaats van inwoning.

  • (b) Het verzoek wordt gericht aan de betrokken Regering, die het doorzendt aan de bevoegde gerechtelijke autoriteiten.

Artikel 13

  • (a) Iedere schending van de eed door een getuige of deskundige voor het Tribunaal wordt beschouwd als gelijk te staan met een schending begaan voor een rechtbank, die zich bezighoudt met een civiele procedure, van het land waarin de zitting van het Tribunaal plaats vond.

  • (b) Indien een dergelijke schending is begaan tijdens het horen van een getuige of deskundige door een nationale gerechtelijke autoriteit, bedoeld in artikel 12 van dit Protocol, is de nationale wetgeving van het land van deze gerechtelijke autoriteit van toepassing.

Artikel 14

Het Tribunaal bepaalt het bedrag en de verdeling der kosten.

Artikel 15

De onkosten verbonden aan het doen functioneren van het Tribunaal worden opgevoerd op de begroting van de Organisatie.

TEN BLIJKE WAARVAN de behoorlijk gemachtigde ondergetekende gevolmachtigden dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te Parijs, de twintigste december negentienhonderd zevenenvijftig, in de Franse, Engelse, Duitse, Italiaanse en Nederlandse taal, in een enkel exemplaar dat zal blijven nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, door wie gewaarmerkte afschriften zullen worden gezonden aan alle ondertekenende Regeringen.

Decision of the Council establishing a European Nuclear Energy Agency

THE COUNCIL

Having regard to the Convention for European Economic Co-operation of 16th April, 1948, and, in particular, Articles 13, 15 and 19 of that Convention;

Considering that, by virtue of Article 15 of that Convention, the Council may set up such technical committees or other bodies, as may be required for the performance of the functions of the Organisation;

Having regard to the Decision of the Council of 10th June, 1955, concerning Co-operation in the Use of Nuclear Energy for Peaceful Purposes, and the Decision of the Council of 18th July, 1956, concerning Joint Action by Member Countries in the Field of Nuclear Energy;

Considering that, by a Decision of 18th July, 1956, the Council set up a Steering Committee for Nuclear Energy instructed to submit to it proposals regarding the joint action to be undertaken by Member countries and to draw up a draft Statute for the European Nuclear Energy Agency, which will be instructed to promote this action for the development of the production and uses of nuclear energy for peaceful purposes;

Considering that the period provided for the Steering Committee was extended by the Council at its meeting of 13th February, 1957;

Considering that there is no contradiction between the principles which inspire the provisions of the present Decision and the principles which have inspired the Treaty instituting the European Atomic Energy Community (EURATOM) entered into at Rome on 25th March, 1957;

Having regard to the Report of the Steering Committee for Nuclear Energy of 27th September, 1957;

Decides:

PART I

Article 1

  • (a) There is hereby established within the framework of the Organisation a European Nuclear Energy Agency (hereinafter referred to as the “Agency”).

  • (b) The purpose of the Agency shall be to further the development of the production and uses of nuclear energy for peaceful purposes by the participating countries, through co-operation between those countries and a harmonisation of measures taken at the national level.

Article 2

The tasks assigned to the Agency shall be carried out, under the authority of the Council, by the Steering Committee for Nuclear Energy (hereinafter referred to as the “Steering Committee”), by the bodies established in conformity with the provisions set forth below to assist it in its work or perform tasks of common interest to a group of countries, and by the Secretariat of the Agency.

Article 3

The Steering Committee shall be competent to deal with any question relevant to the purpose of the Agency under conditions resulting from the provisions set forth below and from other decisions of the Council applicable.

Article 4

  • (a) The Agency shall, as far as possible, promote the confrontation and harmonisation of programmes and projects of participating countries relating to the development of research and industry in the field of the production and uses of nuclear energy for peaceful purposes in the light of the forecasts of energy requirements and supplies drawn up by the Energy Advisory Commission.

  • (b) To this end, participating countries shall be invited, in cases and under conditions determined by the Steering Committee,

    • (i) to communicate periodically to the Agency their national or joint programmes or estimates together with all useful information regarding their state of progress;

    • (ii) to notify the Agency of their publicly or privately sponsored projects.

  • (c) The programmes and projects shall be examined by the Steering Committee according to a procedure to be laid down by it. The Steering Committee may give its advice, in particular in the form of recommendations, to the countries concerned.

Article 5

  • (a) The Agency shall, where appropriate, promote the formation of joint undertakings for the production and uses of nuclear energy for peaceful purposes, endeavouring to secure the participation of the greatest possible number of countries.

  • (b) If a group of participating or associated countries declares its intention to set up a joint undertaking, the countries concerned may agree to undertake the necessary work for this purpose among themselves within the Organisation at their own cost, whatever the position adopted by other participating countries. The Working Parties or Study Groups set up in accordance with this paragraph shall keep the Steering Committee informed of their progress and report to it on their conclusions.

  • (c) When joint undertakings have been established on the initiative or with the assistance of the Agency,

    • (i) the Steering Committee - or a Restricted Group of the Steering Committee composed of representatives of the countries which take part in the undertaking - shall exercise the functions assigned to it by the agreements concluded for the establishment of the undertakings concerned;

    • (ii) the joint undertakings shall report each year to the Steering Committee on the state of their affairs and their development;

    • (iii) the Steering Committee shall consider such problems of general interest as may be raised by the operation of joint undertakings, with a view to proposing any necessary measures to the Governments;

    • (iv) the agreements concluded for the creation of joint undertakings should contain provisions under which participating countries or groups of participating countries not taking part in joint undertakings might subsequently accede to them or benefit from the results of their activities.

Article 6

  • (a) The Agency shall do everything in its power to ensure that joint undertakings as well as participating countries are regularly supplied with the raw materials necessary for the implementation of their programmes in the nuclear field.

  • (b) To this end, the Agency shall, where appropriate, promote the conclusion by the Organisation, in accordance with Article 13 (b) of the Convention of 16th April, 1948, or by participating countries, of agreements for the supply of raw materials, possibly from third countries. The Steering Committee shall exercise the functions assigned to the Organisation by virtue of such agreements.

Article 7

  • (a) The Agency is instructed to examine jointly with the Steering Board for Trade measures to achieve the greatest possible freedom of international trade in products of interest for the production and uses of nuclear energy for peaceful purposes.

  • (b) In particular, the Steering Committee shall fulfil the functions assigned to it in this matter by the Council.

Article 8

  • (a) A security control shall be established with a view to ensuring that the operation of joint undertakings and the materials, equipment and services made available by the Agency or under its supervision, shall not further any military purpose.

  • (b) The security control may be applied, at the request of the parties, to any bilateral or multilateral agreement, or, at the request of a participating country, to any of that country's activities in the field of nuclear energy.

  • (c) The organisation of this control and the functions of the Agency relating to its exercise shall be the subject of a special Convention on security control.

Article 9

  • (a) The Agency shall encourage the development of research into the production and uses of nuclear energy for peaceful purposes in participating countries.

  • (b) To this end, it shall, where appropriate, promote the conclusion of agreements for the joint use of research installations built by participating countries and, in accordance with the conditions set forth in Article 5 above, the creation of joint research establishments.

  • (c) The Agency shall encourage the exchange of scientific and technical information related to its purpose between participating and associated countries.

Article 10

  • (a) The Agency shall promote the development in participating countries of training in matters relating to nuclear energy, so as to assist in meeting the demand for scientific and technical personnel in this field.

  • (b) To this end, the Steering Committee shall take such steps as will make it possible, by co-operation between participating and associated countries,

    • (i) to use to the maximum degree and to develop existing training facilities in competent national institutions;

    • (ii) to organise supplementary training as necessary on an international basis, for teachers, students or engineers.

Article 11

  • (a) The Agency shall encourage the elaboration and harmonisation of legislation relating to nuclear energy in participating countries, in particular with regard to:

    • (i) the protection of public health and the prevention of accidents in the nuclear industry;

    • (ii) third party liability and insurance against atomic risks;

    • (iii) measures to ensure the most efficient use of patented inventions.

  • (b) For this purpose, the Steering Committee shall:

    • (i) prepare, as soon as possible, and submit to participating countries with a view to their adoption, common rules to serve as a basis for national laws and regulations;

    • (ii) encourage the establishment between participating countries of joint services necessary, in particular, for the protection of public health and the prevention of accidents in the nuclear industry.

PART II

Article 12

  • (a) The Steering Committee shall be composed of representatives of all Member Governments of the Organisation which have participated in the present Decision.

  • (b) The Governments of Canada and the United States of America are invited to associate themselves with the work of the Agency.

Article 13

  • (a) The Steering Committee shall designate each year a Chairman and Vice-Chairmen from among its members. It shall adopt its own Rules of Procedure.

  • (b) The Steering Committee may give its advice, in particular in the form of recommandations, to participating countries on any question within its competence.

  • (c) Whenever it is necessary to take decisions which are binding on Governments and which exceed the powers specially conferred on the Steering Committee, the latter shall submit proposals to the Council to this end.

  • (d) The Steering Committee shall report each year to the Council on the execution of its duties and on the situation and prospects of the nuclear industry in participating countries.

Article 14

  • (a) The reports and proposals prepared by the Steering Committee shall, when appropriate, call attention to the different attitudes adopted by the members.

  • (b) The decisions, opinions or recommendations of the Steering Committee shall be adopted by mutual agreement of those of its members present and voting.

  • (c) However, decisions of the Steering Committee which relate to the adoption of the agenda, the undertaking of studies, the establishment of Working Parties and the submission of questionnaires to participating countries, shall be adopted by a majority of the members of the Steering Committee present.

  • (d) Decisions which are binding on Governments and which are taken by the Steering Committee within the powers conferred upon it shall commit only those countries which have accepted them.

Article 15

  • (a) The Steering Committee may establish such Commissions and Working Parties as it may consider necessary to assist it in the performance of its duties and entrust them with the execution of any task relevant to the purpose of the Agency.

  • (b) Restricted bodies may be established to study questions or execute functions of interest to a group of participating or associated countries, in accordance with the conditions set forth in Article 5 above or in a decision of the Council. Special expenditure assignable to the work of these bodies, such as the cost of studies or the remuneration of experts, shall be chargeable to the countries concerned.

Article 16

  • (a) The Steering Committee shall perform its duties in collaboration with the competent bodies of the Organisation.

  • (b) The Steering Committee shall consult these bodies on questions which come within their terms of reference. These bodies shall consult the Steering Committee on all questions relating to the production and uses of nuclear energy for peaceful purposes.

Article 17

  • (a) The Steering Committee and its subsidiary bodies shall be assisted by the Secretariat of the Agency, which shall form part of the Secretariat of the Organisation.

  • (b) Expenditure relating to the working of the Agency shall be covered by the Budget of the Organisation. To this end, the Steering Committee shall prepare annual estimates of expenditure, which shall be submitted to the Council for approval.

  • (c) Expenditure of the Agency which is subject to special financial rules shall be covered by separate budgetary provisions and countries which make no financial contribution to such expenses shall abstain when the relevant item in the Budget is approved.

Article 18

  • (a) In the performance of its duties, the Steering Committee shall take account of the work done by other international Organisations concerned and shall, as far as possible, request their co-operation.

  • (b) The Steering Committee shall, in agreement with the Council, establish relations with international governmental Organisations concerned with nuclear energy questions.

  • (c) The Steering Committee may establish contact with international non-governmental Organisations concerned, within the framework of decisions or arrangements approved by the Council.

Article 19

  • (a) The provisions of the present Decision do not affect rights and obligations resulting from treaties previously entered into by Governments participating in the present Decision.

  • (b) Since the present Decision does not affect the exercise of competences granted to the European Atomic Energy Community (EURATOM) by the Treaty entered into at Rome on 25th March, 1957, the Agency shall establish with the said Community a close collaboration, details of which shall be determined by common agreement.

Article 20

  • (a) Participating countries shall be countries the Governments of which participate in the present Decision1. Associated countries shall be Canada and the United States of America.

  • (b) Any Government participating in the present Decision may terminate the application thereof to itself by giving twelve months' notice to that effect to the Secretary-General of the Organisation.

  • (c) The Decision of the Council of 18th July, 1956, referred to above, is repealed.

Article 21

The present Decision shall enter into force on 1st February, 1958.

Beslissing van de Raad inzake de oprichting van een Europees Agentschap voor Kernenergie

DE RAAD;

Gelet op het Verdrag nopens Europese Economische Samenwerking van 16 april 1948 en, in het bijzonder, de artikelen 13, 15 en 19 van dat Verdrag;

Overwegende dat, krachtens artikel 15 van dat Verdrag, de Raad die technische commissies of andere lichamen kan instellen, die vereist zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden van de Organisatie;

Gelet op de Beslissing van de Raad van 10 juni 1955 inzake de samenwerking bij het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden en de Beslissing van de Raad van 18 juli 1956 inzake de gemeenschappelijke werkzaamheden op het gebied van de kernenergie van de lid-staten;

Overwegende dat de Raad bij zijn Beslissing van 18 juli 1956 een Bestuurscommissie voor Kernenergie heeft ingesteld met als taak aan de Raad voorstellen te doen betreffende de gemeenschappelijke werkzaamheden van de lid-staten, alsmede het opstellen van een ontwerp-Statuut voor het Europese Agentschap voor Kernenergie, dat tot taak zal hebben deze werkzaamheden, die gericht zijn op de ontwikkeling van de produktie en het gebruik van kernenergie voor vredesdoeleinden, te bevorderen;

Overwegende dat de aan de Bestuurscommissie hiervoor gestelde termijn door de Raad werd verlengd tijdens de zitting van 13 februari 1957;

Overwegende dat er geen tegenstrijdigheden bestaan tussen de beginselen welke aan de bepalingen van de onderhavige Beslissing ten grondslag liggen en de beginselen welke ten grondslag liggen aan het Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM), gesloten te Rome op 25 maart 1957;

Gelet op het verslag van de Bestuurscommissie voor Kernenergie van 27 september 1957;

Besluit:

DEEL I

Artikel 1

  • (a) Hierbij wordt binnen het kader van de Organisatie een Europees Agentschap voor Kernenergie (hierna te noemen het „Agentschap”) opgericht.

  • (b) Het doel van het Agentschap zal zijn de bevordering van de ontwikkeling van de produktie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden door de deelnemende landen door middel van samenwerking tussen die landen en het onderling in overeenstemming brengen van op nationaal niveau genomen maatregelen.

Artikel 2

De aan het Agentschap opgedragen taken worden onder het gezag van de Raad uitgevoerd door de Bestuurscommissie voor Kernenergie (hierna te noemen de „Bestuurscommissie”), door de lichamen die zijn ingesteld overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen om de Bestuurscommissie bij te staan bij haar werkzaamheden of ter vervulling van taken die voor een groep landen van gemeenschappelijk belang zijn, alsmede door het Secretariaat van het Agentschap.

Artikel 3

De Bestuurscommissie is bevoegd elke aangelegenheid te behandelen die betrekking heeft op de doelstellingen van het Agentschap onder voorwaarden die uit de hiernavolgende bepalingen, alsmede uit andere van toepassing zijnde beslissingen van de Raad, voortvloeien.

Artikel 4

  • (a) Het Agentschap bevordert zoveel mogelijk het met elkaar vergelijken en het met elkaar in overeenstemming brengen van programma's en projecten van deelnemende landen, welke betrekking hebben op de ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek en van de industrie op het gebied van de produktie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden, in het licht van de prognoses inzake energiebehoeften en -voorziening welke worden opgesteld door de Adviescommissie voor Energie.

  • (b) Te dien einde worden de deelnemende landen in door de Bestuurscommissie te bepalen gevallen en onder door deze Commissie te bepalen voorwaarden, uitgenodigd

    • (i) periodiek aan het Agentschap hun burgerlijke, nationale of gemeenschappelijke programma's of ramingen, alsmede alle dienstige gegevens aangaande de gemaakte vorderingen, mede te delen;

    • (ii) het Agentschap in kennis te stellen van hun door de overheid of particulieren gesteunde projecten.

  • (c) De programma's en projecten zullen door de Bestuurscommissie volgens een door deze Commissie vast te stellen procedure worden bestudeerd. De Bestuurscommissie kan haar advies geven aan de betrokken landen, in het bijzonder in de vorm van aanbevelingen.

Artikel 5

  • (a) Het Agentschap bevordert, in voorkomende gevallen, de oprichting van gemeenschappelijke ondernemingen voor de produktie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden en streeft er daarbij naar de deelneming van een zo groot mogelijk aantal landen te verkrijgen.

  • (b) Indien een groep deelnemende of geassocieerde landen haar voornemen te kennen geeft een gemeenschappelijke onderneming op te richten, kunnen de betrokken landen overeenkomen het voor dit doel noodzakelijke werk onderling op eigen kosten binnen het kader van de Organisatie ter hand te nemen, ongeacht het standpunt in deze van andere deelnemende landen. De overeenkomstig dit lid ingestelde werk- of studiegroepen houden de Bestuurscommissie van hun vorderingen op de hoogte en brengen aan deze Commissie over hun bevindingen verslag uit.

  • (c) Wanneer op initiatief of met behulp van het Agentschap gemeenschappelijke ondernemingen zijn opgericht

    • (i) oefent de Bestuurscommissie - of een Beperkte Groep uit deze Commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de landen die aan de onderneming deelnemen - de functies uit welke haar zijn opgedragen krachtens de overeenkomsten welke zijn gesloten voor de oprichting van de betrokken ondernemingen;

    • (ii) brengen de gemeenschappelijke ondernemingen elk jaar aan de Bestuurscommissie verslag uit over hun stand van zaken en hun ontwikkeling;

    • (iii) bestudeert de Bestuurscommissie die vraagstukken van algemeen belang, die zich tengevolge van het doen functioneren van gemeenschappelijke ondernemingen kunnen voordoen, zulks met het oog op het doen van voorstellen aan de Regeringen aangaande eventuele noodzakelijke maatregelen;

    • (iv) behoren de voor de oprichting van gemeenschappelijke ondernemingen gesloten overeenkomsten bepalingen te bevatten, krachtens welke deelnemende landen of groepen deelnemende landen, die niet aan gemeenschappelijke ondernemingen deelnemen, later tot deze ondernemingen kunnen toetreden of profiteren van de resultaten van hun werkzaamheden.

Artikel 6

  • (a) Het Agentschap doet alles wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat de gemeenschappelijke ondernemingen alsmede de deelnemende landen regelmatig worden voorzien van de grondstoffen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun programma's op het gebied van de kernenergie.

  • (b) Te dien einde bevordert het Agentschap, in voorkomende gevallen, de sluiting door de Organisatie, overeenkomstig artikel 13 (b) van het Verdrag van 16 april 1948, of door deelnemende landen, van overeenkomsten voor de levering van grondstoffen eventueel uit derde landen. De Bestuurscommissie oefent de functies uit welke aan de Organisatie zijn opgedragen krachtens deze overeenkomsten.

Artikel 7

  • (a) Het Agentschap heeft tot taak om, tezamen met de Bestuursraad voor de Handel, de grootst mogelijke vrijheid tot stand te brengen in de internationale handel in produkten welke van belang zijn voor de produktie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden.

  • (b) In het bijzonder vervult de Bestuurscommissie de haar in deze door de Raad opgedragen taken.

Artikel 8

  • (a) Er zal een veiligheidscontrole worden ingesteld ten einde te verzekeren dat het functioneren van gemeenschappelijke ondernemingen en de door het Agentschap, of onder zijn toezicht, beschikbaar gestelde materialen, uitrusting en diensten generlei militair doel zullen bevorderen.

  • (b) De veiligheidscontrole kan, op verzoek der partijen, op elke bilaterale of multilaterale overeenkomst worden toegepast of, op verzoek van een deelnemend land, op elk der werkzaamheden van dat land op het gebied van de kernenergie.

  • (c) De organisatie van deze controle, alsmede de functies van het Agentschap met betrekking tot de uitoefening ervan, worden geregeld in een afzonderlijk verdrag nopens de veiligheidscontrole.

Artikel 9

  • (a) Het Agentschap stimuleert de ontwikkeling van het onderzoek op het gebied van de produktie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden in de deelnemende landen.

  • (b) Te dien einde bevordert het, in voorkomende gevallen, het sluiten van overeenkomsten voor het gemeenschappelijk gebruik van door de deelnemende landen gebouwde onderzoekinstallaties, alsmede, overeenkomstig de in artikel 5 hierboven vervatte voorwaarden, de oprichting van gemeenschappelijke onderzoekinrichtingen.

  • (c) Het Agentschap moedigt de uitwisseling aan tussen de deelnemende en geassocieerde landen van op zijn doelstellingen betrekking hebbende wetenschappelijke en technische gegevens.

Artikel 10

  • (a) Het Agentschap bevordert de ontwikkeling in de deelnemende landen van de opleiding in zaken die betrekking hebben op de kernenergie, teneinde ertoe bij te dragen aan de vraag naar wetenschappelijk en technisch personeel op dit gebied te voldoen.

  • (b) Te dien einde neemt de Bestuurscommissie zodanige maatregelen dat het, door samenwerking tussen deelnemende en geassocieerde landen, mogelijk zal worden

    • (i) van de bestaande opleidingsmogelijkheden bij de bevoegde nationale instituten een maximaal gebruik te maken en deze mogelijkheden verder te ontwikkelen;

    • (ii) waar nodig aanvullende opleidingsmogelijkheden te scheppen op internationale basis voor docenten, studenten of ingenieurs.

Artikel 11

  • (a) Het Agentschap bevordert de uitwerking en het onderling in overeenstemming brengen van de wettelijke bepalingen op het gebied van de kernenergie in de deelnemende landen, in het bijzonder waar het betreft:

    • (i) de bescherming van de volksgezondheid en de voorkoming van ongelukken bij de industrie op het gebied van de kernenergie;

    • (ii) aansprakelijkheid jegens derden en verzekering tegen atoomrisico's;

    • (iii) maatregelen om het meest doelmatige gebruik van geoctrooieerde uitvindingen te verzekeren.

  • (b) Te dien einde zal de Bestuurscommissie

    • (i) zo spoedig mogelijk gemeenschappelijke regels opstellen als basis voor nationale wetten en regelingen en deze aan de deelnemende landen ter aanvaarding voorleggen;

    • (ii) het instellen van gemeenschappelijke diensten voor de deelnemende landen bevorderen, voorzover deze noodzakelijk zijn, meer in het bijzonder voor de bescherming van de volksgezondheid en de voorkoming van ongelukken in de industrie op het gebied van de kernenergie.

DEEL II

Artikel 12

  • (a) De Bestuurscommissie bestaat uit vertegenwoordigers van alle Regeringen van lid-staten van de Organisatie, die deze Beslissing hebben onderschreven.

  • (b) De regeringen van Canada en van de Verenigde Staten van Amerika worden uitgenodigd aan de werkzaamheden van het Agentschap deel te nemen.

Artikel 13

  • (a) De Bestuurscommissie wijst elk jaar uit haar midden een Voorzitter en Vice-Voorzitter aan. Zij stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.

  • (b) De Bestuurscommissie kan de deelnemende landen, in het bijzonder in de vorm van aanbevelingen, van advies dienen over alle binnen haar bevoegdheid vallende aangelegenheden.

  • (c) In alle gevallen waarin beslissingen moeten worden genomen die voor de Regeringen bindend zijn en die niet vallen binnen de bijzondere aan de Bestuurscommissie verleende bevoegdheden doet de Commissie daartoe strekkende voorstellen aan de Raad.

  • (d) De Bestuurscommissie brengt jaarlijks aan de Raad rapport uit over de uitvoering van haar taken en over de toestand en de vooruitzichten van de industrie op het gebied van de kernindustrie in de deelnemende landen.

Artikel 14

  • (a) De rapporten en voorstellen welke door de Bestuurscommissie zijn opgesteld geven, waar nodig, de onderscheidene standpunten aan welke door haar leden worden ingenomen.

  • (b) De beslissingen, meningen of aanbevelingen van de Bestuurscommissie worden aangenomen in onderlinge overeenstemming van die van haar leden, die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen.

  • (c) Beslissingen van de Bestuurscommissie die betrekking hebben op het vaststellen van de agenda, het ondernemen van studies, het instellen van werkgroepen en het voorleggen van vragenlijsten aan de deelnemende landen, worden echter aangenomen bij meerderheid van de aanwezige leden van de Bestuurscommissie.

  • (d) Beslissingen die bindend zijn voor Regeringen en die door de Bestuurscommissie worden genomen binnen de grenzen van de haar verleende bevoegdheden binden slechts die landen die ze hebben aanvaard.

Artikel 15

  • (a) De Bestuurscommissie kan die commissies en werkgroepen instellen die zij nodig acht om haar bij te staan in de uitoefening van haar taken en aan wie zij de uitvoering van iedere taak kan opdragen die betrekking heeft op het doel van het Agentschap.

  • (b) In de in artikel 5 of in een Beslissing van de Raad genoemde gevallen kunnen lichamen van beperkte omvang worden ingesteld om vraagstukken te bestuderen of functies te verrichten die van belang zijn voor een groep deelnemende of geassocieerde landen. De speciale onkosten die door het werk van deze lichamen worden medegebracht, zoals de onkosten van studies of de vergoeding voor deskundigen, komen ten laste van de betrokken landen.

Artikel 16

  • (a) De Bestuurscommissie voert haar taak uit in samenwerking met de bevoegde lichamen van de Organisatie.

  • (b) De Bestuurscommissie raadpleegt deze lichamen over alle vraagstukken die binnen de grenzen van hun opdracht liggen. Deze lichamen raadplegen de Bestuurscommissie over alle vraagstukken welke betrekking hebben op de produktie en het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden.

Artikel 17

  • (a) De Bestuurscommissie en de aan haar ondergeschikte lichamen worden bijgestaan door het Secretariaat van het Agentschap, dat een onderdeel is van het Secretariaat van de Organisatie.

  • (b) De onkosten welke betrekking hebben op het functioneren van het Agentschap worden gedekt door de begroting van de Organisatie. Te dien einde stelt de Bestuurscommissie een jaarlijkse begroting op van de onkosten, welke ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Raad.

  • (c) De uitgaven van het Agentschap die onderworpen zijn aan bijzondere financiële regels worden gedekt door afzonderlijke begrotingsvoorzieningen en landen die aan dergelijke onkosten niet financieel bijdragen onthouden zich van stemming als de betreffende begrotingspost wordt goedgekeurd.

Artikel 18

  • (a) Bij de uitoefening van haar taken houdt de Bestuurscommissie rekening met het werk dat door andere betrokken internationale organisaties wordt verricht en doet zoveel mogelijk een beroep op hun samenwerking.

  • (b) De Bestuurscommissie knoopt in overeenstemming met de Raad betrekkingen aan met gouvernementele internationale organisaties die zich bezig houden met vraagstukken op het gebied van de kernenergie.

  • (c) De Bestuurscommissie kan, binnen het kader van de door de Raad goedgekeurde beslissingen of regelingen, contact opnemen met de betrokken niet-gouvernementele internationale organisaties.

Artikel 19

  • (a) De bepalingen van deze Beslissing maken geen inbreuk op de rechten en verplichtingen welke voortvloeien uit verdragen welke de Regeringen, die deze Beslissing hebben genomen, op een vroeger tijdstip hebben aangegaan.

  • (b) Daar deze Beslissing geen inbreuk maakt op de uitoefening van de bevoegdheden, toegekend aan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) bij het op 25 maart 1957 te Rome gesloten verdrag, brengt het Agentschap een nauwe samenwerking met genoemde Gemeenschap tot stand waarvan de bijzonderheden in onderlinge overeenstemming zullen worden vastgesteld.

Artikel 20

  • (a) Deelnemende landen zijn landen wier Regeringen deze Beslissing hebben genomen2. Geassocieerde landen zijn Canada en de Verenigde Staten van Amerika.

  • (b) Iedere Regering die deze Beslissing heeft genomen kan de toepassing van de Beslissing voorzover haar betreft beëindigen door dit aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie mede te delen met inachtneming van een opzeggingstermijn van twaalf maanden.

  • (c) De hierboven bedoelde Beslissing van de Raad van 18 juli 1956 wordt hierbij ingetrokken.

Artikel 21

Deze Beslissing treedt in werking op 1 februari 1958.

  • ^ [1]

    [Red: Dit zijn alle Leden van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, t.w. de Bondsrepubliek Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Ierland, IJsland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Nederland, Portugal, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, Zweden, Zwitserland en Turkije.]

  • ^ [2]

    [Red: Dit zijn alle Leden van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, t.w. de Bondsrepubliek Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Ierland, IJsland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Nederland, Portugal, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, Zweden, Zwitserland en Turkije.]