Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken, Wenen, 30-09-1959

Geldend van 18-05-1960 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk zijn ter definitieve regeling van nog niet opgeloste vermogensrechtelijke vraagstukken het volgende overeengekomen:

I

  • 1 Ten vervolge op de teruggave van Oostenrijks vermogen in Nederland krachtens de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951, waarvan de tekst als Bijlage I hierbij wordt gevoegd, verplicht de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich, de Oostenrijkse Bondsregering voor een definitieve regeling van de tussen beide Staten bestaande vermogensrechtelijke vraagstukken een totaalbedrag van f 1 750 000 (een miljoen zevenhonderdvijftig duizend Nederlandse guldens) ter beschikking te stellen.

  • 2 De Oostenrijkse Bondsregering verklaart, dat zij dit bedrag zal gebruiken ter regeling van de door haar vertegenwoordigde aanspraken en dat zij bij de Nederlandse Regering geen verdere aanspraken op teruggave van op grond van de wettelijke voorschriften inzake vijandelijk vermogen in het Koninkrijk der Nederlanden onder beheer gestelde vermogensbestanddelen, welke op het ogenblik, dat zij onder beheer werden gesteld, het eigendom waren van personen, die toentertijd de Oostenrijkse nationaliteit bezaten of deze sindsdien hebben verkregen, langs diplomatieke weg aanhangig zal maken of ondersteunen.

    De onder 3 (a), (b), (c) en (d) vermelde aanspraken behoren niet tot de aanspraken ten aanzien waarvan de Oostenrijkse Regering aldus heeft verklaard niet te zullen interveniëren.

  • 3 Afgezien van bovengenoemde betaling verklaart de Nederlandse Regering zich tot het volgende bereid:

    • (a) Vermogensbestanddelen van Oostenrijkse onderdanen, welke door het Nederlandse Beheersinstituut niet daadwerkelijk onder beheer konden worden gesteld, worden, zonder berekening van beheerskosten of belastingen door het Beheersinstituut, ter vrije beschikking gesteld van de belanghebbenden.

    • (b) Aanspraken van Oostenrijkse onderdanen, welke hun oorsprong ontlenen aan in Nederland uitgegeven en niet tijdig voor de Nederlandse effectenregistratie aangemelde effecten, zullen dezelfde behandeling genieten als die, welke in Nederland wordt verleend aan soortgelijke aanspraken van geallieerde onderdanen.

    • (c) Verzoeken van Oostenrijkse onderdanen om teruggave ingevolge de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951, welke tussen het ogenblik van inwerkingtreden van deze Overeenkomst en 31 december 1959 worden ingediend, zullen zo spoedig mogelijk worden afgedaan.

    • (d) Aanvragen van de Oostenrijkse „Sammelstellen”, welke zijn ingesteld ingevolge de „Auffangorganisationengesetz” van 13 maart 1957, BGBL. No. 73, als gewijzigd bij de eerste en tweede „Auffangorganisationengesetz-Novelle”, BGBL. No. 285/58 en BGBL. No. 62/59, tot afstand van de in het Koninkrijk der Nederlanden aanwezige vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan geen aanspraken geldend zijn gemaakt en welke aan met name te noemen Oostenrijkse onderdanen, die het slachtoffer zijn geweest van nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen werden onttrokken, kunnen tot 31 december 1959 worden ingediend. Deze vermogens zullen ingevolge de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951 onder aftrek van de beheerskosten zo spoedig mogelijk door de Nederlandse autoriteiten aan bovengenoemde „Sammelstellen” worden afgestaan.

  • 4 De Oostenrijkse Regering erkent, dat het Oostenrijkse vermogen op het grondgebied van Nederland aan generlei confiscatoire maatregelen is onderworpen.

II

  • 1 De vorderingen van de Unilever N.V., Rotterdam, en van de N.V. Beleggingsmaatschappij „Industriebank”, welke gebaseerd zijn op deelname van deze ondernemingen in rechtspersonen, welke hun zetel in Duitsland hebben, worden op zodanige wijze geregeld, dat de Republiek Oostenrijk het met de omvang van deze deelname overeenkomend deel der zich in Oostenrijk bevindende en krachtens artikel 22 van het verdrag inzake het herstel van een onafhankelijk en democratisch Oostenrijk van 15 mei 1955 op de Republiek overgegane vermogensbestanddelen overdraagt aan de Unilever en de Industriebank, indien de noodzakelijke bewijzen aanwezig zijn en tegen afgifte van de in deze gevallen gebruikelijke aansprakelijkheidsverklaringen.

    Indien zich in de toekomst soortgelijke gevallen, waarin door Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen vorderingen worden ingesteld, mochten voordoen, zal de Oostenrijkse Bondsregering de mogelijkheid van soortgelijke regelingen in welwillende overweging nemen.

  • 2 De Oostenrijkse Bondsregering is bereid, de aanvragen van Nederlandse onderdanen tot vergoeding van materiële oorlogs- en vervolgingsschade volgens de desbetreffende Oostenrijkse wettelijke bepalingen zo snel mogelijk te behandelen.

  • 3 De regeling van door de Nederlandse Regering ingediende vorderingen van Nederlandse onderdanen, welke zijn gebaseerd op in Oostenrijk uitgegeven effecten, zal geschieden volgens de desbetreffende Oostenrijkse wettelijke bepalingen.

    Indien binnen twee jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst af geen wettelijke voorschriften inzake de regeling van zodanige vorderingen van kracht mochten zijn geworden, behoudt de Nederlandse Regering zich het recht voor, de Oostenrijkse Regering opnieuw te benaderen.

III

Deze Overeenkomst treedt in werking door middel van een notawisseling, zodra wederzijds aan de grondwettelijke vereisten voor de inwerkingtreding is voldaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden van beide partijen deze Overeenkomst na onderzoek van hun volmachten hebben ondertekend.

GEDAAN te Wenen, de 30ste september 1959 in twee originele exemplaren in de Nederlandse en Duitse taal, zijnde beide teksten authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) H. F. ESCHAUZIER

Voor de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk:

(w.g.) KREISKY

Bijlage

's-Gravenhage, 31 augustus 1951.

  • I. De Nederlandse Regering is bereid de door het Nederlandse Beheersinstituut op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen (Staatsblad E 133) beheerde vermogensbestanddelen van Oostenrijkse natuurlijke en rechtspersonen, tegen een ter décharge strekkende ontvangstbevestiging 1, wederom in de beschikkingsmacht van de Oostenrijkse belanghebbenden over te dragen, dan wel, indien liquidatie heeft plaats gehad, het op grond van de Nederlandse wettelijke en van overheidswege gegeven voorschriften en met inachtneming van de aan beheerders opgelegde plicht tot zorgvuldig beheer verkregen liquidatieprovenu aan de Oostenrijkse belanghebbenden af te dragen.

  • II. In gevallen, waarin door de Oostenrijkse belanghebbenden wordt aangevoerd dat wanbeheer zal hebben plaatsgevonden, zal een welwillend onderzoek worden ingesteld en eventueel een herziening worden gelast.

  • III. Met betrekking tot de uit hoofde van het beheer in mindering te brengen kosten wordt het volgende bepaald.

    Ten aanzien van vermogens tot en met f 1000, - (een duizend gulden) wordt niet het minimumtarief van twintig gulden per jaar, doch een tarief van 2 % per jaar, berekend over het vermogen, geheven.

    Indien ook de heffing van een zodanig tarief van 2 % ten aanzien van vermogens tot eenduizend gulden een onbillijkheid moet worden geacht, zal door het Nederlandse Beheersinstituut een heffing tot een lager percentage worden vastgesteld. Voor vermogens boven een duizend gulden worden de volgende tarieven toegepast:

    Ten aanzien van vermogens van f 1000, - tot f 100 000, - bedraagt de jaarlijkse heffing 2 %, van f 100 000, - tot f 500 000, - 1½ % met een minimum van f 2000, - , van f 500 000, - tot f 1 000 000, - 1 % met een minimum van f 7 500, - en van f 1000 000, - af ½ % met een minimum van f 10 000, -. Voor ondernemingen, welke een passief-saldo vertonen, bedraagt de jaarlijkse heffing ½ % van de activa met een minimum van f 20, -. Ten aanzien van negatieve particuliere vermogens wordt geen heffing toegepast. Ten aanzien van grotere vermogens en in bijzondere gevallen kan het Nederlandse Beheersinstituut, indien de heffing van het volle tarief een overmatige belasting ten aanzien van het vermogen zou betekenen, op een daartoe strekkend verzoek een lager tarief vaststellen. Zodanige verzoeken van Oostenrijkse onderdanen zullen door het Nederlandse Beheersinstituut in welwillende overweging worden genomen.

  • IV. De nationaliteit van belanghebbenden dient als volgt te worden aangetoond:

    • a) ten aanzien van natuurlijke personen door overlegging van een geldig nationaliteitsbewijs;

    • b) ten aanzien van rechtspersonen door een verklaring van het Oostenrijkse Bondsministerie van Financiën, waaruit blijkt, dat zij volgens Oostenrijks recht zijn opgericht en hun zetel in Oostenrijk hebben.

  • V. Niet voor erkenning komen in aanmerking aanspraken van personen, die op 27 april 1945 de Duitse of Japanse nationaliteit bezaten alsmede van hun rechtsopvolgers. Oostenrijkse natuurlijke personen, wier vermogen wegens een in Nederland gepleegd strafbaar feit bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een onafhankelijke Nederlandse rechterlijke instantie verbeurdverklaard is, krijgen hun vermogen niet terug. Oostenrijkse onderdanen, die gedurende het tijdvak van 10 mei 1940 tot 5 mei 1945 in Nederland werkzaam zijn geweest hetzij in Duitse militaire dienst hetzij als ambtenaar, beambte, agent, vertegenwoordiger of gemachtigde van het Duitse Rijk, krijgen hun in Nederland aanwezige vermogen terug, aangezien ten aanzien van deze personen in het algemeen van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat zij deze werkzaamheden onder dwang hebben verricht. Indien de Nederlandse Regering in uitzonderingsgevallen overwegende bezwaren tegen de teruggave van het in Nederland aanwezige vermogen van zodanige personen mocht hebben, behoudt zij zich het recht voor, alvorens tot teruggave over te gaan, zich met de Oostenrijkse Regering te verstaan ten aanzien van de vraag of de voorwaarden voor de teruggave geheel of gedeeltelijk aanwezig zijn.

  • VI. Aan die Oostenrijkse rechtspersonen, waarvan op 27 april 1945 25 % of een groter deel van het kapitaal in Duitse of Japanse handen was, wordt van hun in Nederland aanwezig vermogen slechts dat deel teruggegeven, dat overeenkomt met het percentage van hun kapitaal, dat zich niet in Duitse of Japanse handen bevond. Indien de Duitse of Japanse kapitaalsdeelname minder dan 25% bedraagt, wordt het in Nederland aanwezige vermogen geheel teruggegeven. Voor zover een Duitse of Japanse kapitaalsdeelname werd verkregen als gevolg van de in Oostenrijk in verband met de nationaal-socialistische machtsovername ontstane dwangpositie, zal zodanige kapitaalsdeelname voor de teruggave van in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen niet als Duits of Japans worden beschouwd.

    Ten bewijze van de eigendomsverhouding op 27 april 1945 zullen Oostenrijkse rechtspersonen een verklaring van het Oostenrijkse Bondsministerie van Financiën dienen over te leggen, waaruit eventueel eveneens zal blijken, of een wijziging der eigendomsverhoudingen nà 27 april 1945 heeft plaatsgevonden teneinde een in verband met de nationaal-socialistische machtsovername getroffen dwangmaatregel ongedaan te maken.

    Bij de tenuitvoerlegging van de onderhavige regeling van de teruggave zal op een voor beide partijen bevredigende wijze rekening worden gehouden met de bijzondere positie van de in Nederland geregistreerde octrooien en merken van Oostenrijkse rechtspersonen.

  • VII. Voor de beoordeling van de eigendomsverhoudingen wordt aan schijntransacties, waardoor Duits of Japans vermogen naar buiten zou worden gecamoufleerd, ieder rechtsgevolg ontzegd.

    Trustee-verhoudingen worden op overeenkomstige wijze beoordeeld.

  • VIII. De Koninklijke Nederlandse Regering behoudt zich het recht voor om vermogensbestanddelen, welke door in het vroegere Rijksmarkengebied gedomicilieerde Oostenrijkse onderdanen gedurende het tijdvak van 1 april 1941 tot 5 mei 1945 door middel van overmakingen van Rijksmarken werden verkregen, overeenkomstig de Wet Herstel Vermogensovergang Rijksmarkengebied (Staatsblad 251) van de teruggave uit te sluiten.

    Voor zodanige van teruggave uitgesloten vermogensbestanddelen zal een schadevergoeding ten bedrage van het destijds voor de aankoop aangewende Rijksmarkenbedrag, omgerekend in Oostenrijkse Schillingen op de basis van 1:1, vermeerderd met 5% rente per jaar, te rekenen van het tijdstip van eigendomsovergang overeenkomstig het Besluit Vijandelijk Vermogen (Staatsblad E 133), worden betaald in Nederlandse guldens omgerekend tegen de dagkoers.

    In gevallen van onbillijkheid zal worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 5 van de Nederlandse Wet H 251.

    Voor zover de verwerving ten dele op andere wijze heeft plaats gevonden dan door middel van overmaking van Rijksmarken, zal de huidige waarde van het gehele vermogen ten volle in Nederlandse guldens worden vergoed.

    De in deze paragraaf vastgestelde regeling zal op overeenkomstige wijze worden toegepast, indien de verwerving door middel van overmaking van Tsjechoslowaakse Kronen heeft plaats gevonden. In zodanige gevallen wordt de Tsjechoslowaakse Kroon eerst in Rijksmarken omgerekend tegen de destijds geldende koers (1 RM = čK 10).

  • IX. In gevallen, waarin het Nederlandse Beheersinstituut binnen het kader van zijn bevoegdheden over in Nederland ten gunste van Oostenrijkse natuurlijke en rechtspersonen ingeschreven octrooien en merken heeft beschikt door verlening van gratis licenties resp. door toestemming tot doorhaling, en waarin dientengevolge een herstel van Oostenrijkse rechten niet zonder meer kan geschieden, is de Nederlandse Regering bereid om, voor zover zulks voor haar mogelijk is, tot herstel van deze Oostenrijkse rechten mede te werken dan wel haar medewerking daartoe te verlenen, dat bevredigende regelingen tussen de tegenwoordige begunstigden en de Oostenrijkse belanghebbenden tot stand worden gebracht.

  • ^ [1]

    Aan het Nederlandse Beheerinstituut.

    Ik bevestig de ontvangst van mijn tot nu toe krachtens het Nederlands Besluit Vijandelijk Vermogen (Staatsblad E 133) in Nederland beheerde vermogensbestanddelen, onderscheidenlijk het liquidatieprovenu daarvan (als gespecificeerd in de bijlage) en ontsla hiermede het Nederlandse Beheersinstituut van iedere verdere aansprakelijkheid voor een behoorlijk beheer.

    Datum Ondertekening