Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen [...] en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek, Praag, 29-04-1991

Geldend van 01-07-2002 t/m heden

Overeenkomst inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek

Authentiek : NL

Overeenkomst inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek,

hierna aangeduid als de Overeenkomstsluitende Partijen,

Geleid door de wens de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft,

In het besef dat overeenstemming omtrent de aan zulke investeringen toe te kennen behandeling, het kapitaalverkeer en de uitwisseling van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling wenselijk is,

Wijzend op de Slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa, ondertekend te Helsinki op 1 augustus 1975,

zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze Overeenkomst

  • a. omvat de term „investeringen”: alle soorten vermogensbestanddelen, geïnvesteerd hetzij rechtstreeks, hetzij via een investeerder van een derde Staat, en in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

    • i. roerende en onroerende goederen en alle daarmede samenhangende eigendomsrechten;

    • ii. aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen alsmede daaraan ontleende rechten;

    • iii. recht op geld en andere vermogensbestanddelen en op iedere prestatie die economische waarde heeft;

    • iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, waaronder ook technische werkwijzen, goodwill en technische kennis; en

    • v. concessies verleend krachtens de wet of een contract, met inbegrip van concessies tot het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen.

  • b. omvat de term „investeerders”:

    • i. natuurlijke personen die in overeenstemming met het recht van een der Overeenkomstsluitende Partijen haar nationaliteit bezitten;

    • ii. rechtspersonen die zijn opgericht in overeenstemming met het recht van een der Overeenkomstsluitende Partijen.

  • c. omvat de term „grondgebied”: mede de zeegebieden grenzend aan de kust van de betrokken Staat, voor zover die Staat overeenkomstig het internationale recht soevereine rechten of rechtsmacht in deze gebieden kan uitoefenen.

Artikel 2

Elke Overeenkomstsluitende Partij bevordert investeringen van investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij op haar grondgebied en laat dergelijke investeringen toe in overeenstemming met haar wettelijke bepalingen.

Artikel 3

  • 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik en het genot daarvan of de beschikking daarover door deze investeerders.

  • 2 In het bijzonder kent elke Overeenkomstsluitende Partij dergelijke investeringen een volledige zekerheid en bescherming toe, die in elk geval niet minder is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van haar eigen investeerders of aan investeringen van investeerders van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken investeerder.

  • 3 De bepalingen van dit artikel mogen niet zo worden uitgelegd dat daardoor een Overeenkomstsluitende Partij wordt verplicht voorrechten en voordelen toe te staan aan investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij die vergelijkbaar zijn met die welke zijn toegestaan aan investeerders van een derde Staat

    • a. uit hoofde van het lidmaatschap van eerstbedoelde Partij van een bestaande of toekomstige douaneunie of economische unie of soortgelijke instellingen; of

    • b. op grond van een overeenkomst inzake de vermijding van dubbele belasting dan wel op basis van wederkerigheid met een derde Staat.

  • 4 Elke Overeenkomstsluitende Partij komt alle verplichtingen na die zij is aangegaan met betrekking tot investeringen van investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

  • 5 Indien naast deze Overeenkomst de wettelijke bepalingen van één van beide Overeenkomstsluitende Partijen of verplichtingen krachtens internationaal recht, die thans bestaan of op een later tijdstip door de Overeenkomstsluitende Partijen worden aangegaan, algemene of bijzondere regelingen bevatten op grond waarvan investeringen door investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan in deze Overeenkomst is voorzien, hebben dergelijke regelingen, in zoverre zij gunstiger zijn, voorrang boven deze Overeenkomst.

Artikel 4

Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt dat betalingen die verband houden met een investering kunnen worden overgemaakt. De overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder onredelijke beperking of vertraging. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

  • a. winsten, interesten, dividenden, royalty's, honoraria en andere lopende inkomsten;

  • b. gelden nodig

    • i. voor het verwerven van grondstoffen of hulpmaterialen, halffabrikaten of eindprodukten, of

    • ii. voor de ontwikkeling van een investering of om kapitaalgoederen te vervangen teneinde de continuïteit van een investering te waarborgen;

  • c. gelden voor terugbetaling van leningen;

  • d. inkomsten uit arbeid van natuurlijke personen; en

  • e. de opbrengst van de verkoop of liquidatie van de investering.

Artikel 5

Geen der Overeenkomstsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor aan investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij direct of indirect hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de maatregelen worden genomen in het algemeen belang en met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang;

  • b. de maatregelen zijn niet discriminatoir;

  • c. de maatregelen gaan vergezeld van een regeling voor de betaling van een billijke schadeloosstelling. Deze schadeloosstelling dient de werkelijke waarde van de getroffen investeringen te zijn en dient, wil zij doeltreffend zijn voor de gerechtigden, zonder onnodige vertraging te worden betaald en te kunnen worden overgemaakt naar het door de betrokken gerechtigden aangewezen land en in een door de gerechtigden aanvaarde vrij inwisselbare valuta.

Artikel 6

Aan investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij wegens oorlog of een ander gewapend conflict, een nationale noodtoestand, burgerlijke ongeregeldheden of andere uitzonderlijke situaties wordt door de laatstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die Overeenkomstsluitende Partij toekent aan haar eigen investeerders of aan investeerders van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken investeerders.

Artikel 7

Indien de investeringen van een investeerder van de ene Overeenkomstsluitende Partij krachtens een bij wet ingesteld stelsel verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico's, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar in de rechten van de genoemde investeerder, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering, door de andere Overeenkomstsluitende Partij erkend.

Artikel 8

  • 1 Geschillen tussen de ene Overeenkomstsluitende Partij en een investeerder van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreffende een investering van laatstgenoemde worden zo mogelijk in der minne geschikt.

  • 2 Elke Overeenkomstsluitende Partij stemt er hierbij mee in een geschil bedoeld in het eerste lid van dit artikel voor te leggen aan een scheidsgerecht, als het geschil niet in der minne is geschikt binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop één van de partijen bij het geschil om een minnelijke schikking heeft verzocht.

  • 3 Het in het tweede lid van dit artikel bedoelde scheidsgerecht zal in elk afzonderlijk geval als volgt worden samengesteld: elke partij bij het geschil benoemt één lid van het scheidsgerecht en de twee aldus benoemde leden kiezen een onderdaan van een derde Staat als voorzitter van het scheidsgerecht. Elke partij bij het geschil benoemt haar lid van het scheidsgerecht binnen twee maanden en de Voorzitter wordt benoemd binnen drie maanden na de datum waarop de investeerder de andere Overeenkomstsluitende Partij in kennis heeft gesteld van zijn beslissing het geschil voor te leggen aan het scheidsgerecht.

  • 4 Indien de benoemingen niet zijn verricht binnen de bovengenoemde termijnen, kan elk der partijen bij het geschil de President van het Instituut voor Arbitrage van de Kamer van Koophandel te Stockholm verzoeken de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de President onderdaan van een der Overeenkomstsluitende Partijen is of indien hij anderszins verhinderd is deze functie uit te oefenen, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President onderdaan is van een der Overeenkomstsluitende Partijen of indien ook hij verhinderd is deze functie uit te oefenen, wordt het lid van het Instituut voor Arbitrage dat het hoogst in anciënniteit is en geen onderdaan is van een der Overeenkomstsluitende Partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

  • 5 Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedure vast, waarbij het de arbitragevoorschriften van de V.N.-Commissie voor Internationaal Handelsrecht (UNCITRAL) toepast.

  • 6 Het scheidsgerecht beslist op basis van het recht, waarbij het met name doch niet uitsluitend rekening houdt met:

    • - de vigerende wetgeving van de betrokken Overeenkomstsluitende Partij;

    • - de bepalingen van deze Overeenkomst en andere van belang zijnde overeenkomsten tussen de Overeenkomstsluitende Partijen;

    • - de bepalingen van bijzondere overeenkomsten betreffende de investering;

    • - de algemene beginselen van het internationale recht.

  • 7 Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing met een meerderheid van stemmen; deze beslissing is onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil.

Artikel 9

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen kan de andere Partij voorstellen overleg te plegen inzake iedere aangelegenheid betreffende de uitlegging of toepassing van de Overeenkomst. De andere Partij neemt dit overleg in welwillende overweging en biedt daartoe passende gelegenheid.

Artikel 10

  • 1 Geschillen tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst worden zo mogelijk in der minne geschikt.

  • 2 Indien een geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen niet op deze wijze kan worden geregeld, wordt het op verzoek van een der Overeenkomstsluitende Partijen voorgelegd aan een scheidsgerecht.

  • 3 Zulk een scheidsgerecht wordt in elk afzonderlijk geval op de volgende wijze samengesteld. Binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek om arbitrage benoemt elke Overeenkomstsluitende Partij één lid van het scheidsgerecht. Deze twee leden kiezen dan een onderdaan van een derde Staat die wordt benoemd tot Voorzitter van het scheidsgerecht. De Voorzitter wordt benoemd binnen twee maanden na de datum van benoeming van de andere twee leden.

  • 4 Indien de noodzakelijke benoemingen niet zijn verricht binnen de in het derde lid van dit artikel genoemde termijnen, kan elk der Overeenkomstsluitende Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de President onderdaan is van een der Overeenkomstsluitende Partijen of indien hij anderszins verhinderd is deze functie uit te oefenen, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President onderdaan is van een der Overeenkomstsluitende Partijen of indien ook hij verhinderd is deze functie uit te oefenen, wordt het lid van het Internationale Gerechtshof dat het hoogst in anciënniteit is en geen onderdaan is van een der Overeenkomstsluitende Partijen verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

  • 5 Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedure vast. De beslissing van het scheidsgerecht is onherroepelijk en bindend voor beide Overeenkomstsluitende Partijen.

  • 6 Alvorens een beslissing te nemen kan het scheidsgerecht in elke stand van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Partijen voorstellen.

  • 7 Het scheidsgerecht beslist op basis van deze Overeenkomst en andere van belang zijnde overeenkomsten tussen de twee Overeenkomstsluitende Partijen, de algemene beginselen van het internationale recht alsmede de algemene rechtsregels die het scheidsgerecht toepasselijk acht. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht aan1om in het geschil een uitspraak ex aequo et bono te doen indien de partijen daarmede instemmen.

  • 8 Elke Overeenkomstsluitende Partij draagt de kosten van haar vertegenwoordiging in de scheidsrechterlijke procedure; de kosten van de Voorzitter en de resterende kosten worden in gelijke delen door de Overeenkomstsluitende Partijen gedragen. Het scheidsgerecht kan in zijn beslissing evenwel bevelen dat een der beide Overeenkomstsluitende Partijen een groter aandeel in de kosten dient te dragen en deze uitspraak is onherroepelijk en bindend voor beide Overeenkomstsluitende Partijen.

Artikel 11

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst van toepassing op het deel van het Rijk in Europa, de Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij in de mededeling voorzien in artikel 13, eerste lid, anders wordt bepaald.

Artikel 12

De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van de datum van inwerkingtreding daarvan tevens van toepassing op investeringen gedaan na 1 januari 1950.

Artikel 13

  • 1 Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand, volgend op de datum waarop de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de in hun onderscheiden landen hiertoe constitutioneel vereiste procedures is voldaan, en zij blijft van kracht gedurende een tijdvak van tien jaar.

  • 2 Tenzij door één van beide Overeenkomstsluitende Partijen tenminste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur mededeling van beëindiging is gedaan, wordt deze Overeenkomst telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij elke Overeenkomstsluitende Partij zich het recht voorbehoudt de Overeenkomst te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid.

  • 3 Ten aanzien van investeringen die zijn gedaan voor de datum van beëindiging van deze Overeenkomst, blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar vanaf die datum.

  • 4 Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel genoemde termijn is de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van deze Overeenkomst ten aanzien van een deel van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondertekenende vertegenwoordigers, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Praag op de 29e april 1991 in de Engelse, de Nederlandse en de Tsjechische taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in uitlegging is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) Y. VAN ROOY

(w.g.) H. J. HEINEMANN

Voor de Regering van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek,

(w.g.) JOZEF BAKŠAY

Consultations on the interpretation and application of the Agreement on Encouragement and Reciprocal Protection of Investments between the Kingdom of the Netherlands and the Czech Republic

AGREED MINUTES

By written consultation made on 30 October 2001, the Czech Republic requested the Kingdom of the Netherlands to start consultations under Article 9 of the Agreement on Encouragement and Reciprocal Protection of Investments between the Kingdom of the Netherlands and the Czech Republic, signed on 29 April 1991. Two questions were formulated:

  • * whether the Agreement extends to Czech investments of another investor prior to the acquisition, and

  • * whether law of the host state not inconsistent with the terms of the Investment Promotion and Protection Agreement (IPPA) can be ignored by the Tribunal contrary to Article 8 (6) of the Agreement.

Consultations took place between delegations of the two countries by written exchange of views and by meetings of the delegations. The consultations were conducted in an open and constructive atmosphere. The aim of the consultations was to have an exchange of views in order to investigate the possibility of reaching a common understanding on the interpretation and application of the IPPA between both countries. During the consultations, the delegations took note of the mutual explanations, which included the principles underlying the IPPA. It was agreed upon that the consultations were held on the interpretation and application of the IPPA. The merits of the outstanding disputes in which the Czech Republic is involved were not subject of the consultations.

A first meeting took place on 19 December 2001 in The Hague, where mainly procedures were discussed. Since in the letter of 30 October 2001 no background information was given with respect to the circumstances that led to the questions referred to, it was agreed upon that the Czech delegation would produce a background paper elucidating the two questions. That Czech background paper was sent to the Netherlands on 2 January 2002. The Netherlands delegation drafted a position paper, which was sent to the Czech Republic on 5 February 2002, in which it addressed the issues forwarded by the Czech delegation and in which its views were given on the interpretation and application of the IPPA between the two countries. On 22 February 2002, a further exchange of views took place during a meeting in Prague, of which the results were written down in agreed minutes, which were signed on 4 April 2002 by the heads of the two delegations.

On 4 and 5 April 2002, a final meeting between experts of both countries was held in The Hague. It was agreed upon that the result of the whole consultation process would be reflected in the present agreed minutes and that it will be proposed to the responsible ministers in both countries to confirm the result of the consultations by an exchange of letters between them. By that exchange of letters the consultation process will be concluded.

The names of the members of both delegations that took part in the consultations are stated in the Annex.

As a result of the consultation process, a common position was reached on the following issues:

  • purpose and context of the Agreement

  • investments disputes and interpretation of Article 8.6 of the Agreement

  • assignment of claims arising under the Agreement

  • application of the Agreement where another IPPA is invoked.

At the same time different views on the interpretation and explanation of the IPPA remained with respect to some issues.

The following positions have been expressed.

1. On the issue of the purpose and context of the Agreement

Both delegations agree that the purpose of the Agreement is to protect investments of investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party. The Agreement creates rights and obligations for the Contracting Parties and gives rights to investors in respect of their investments. They agree that the IPPA is applicable to investments of investors made after 1 January 1950 from the moment an investor of one Contracting Party acquires an investment in the territory of the other Contracting Party. The IPPA protects investments of investors who are either natural persons, having the nationality of one of the Contracting Parties in accordance with its law, or legal persons constituted under the law of one of the Contracting Parties. The investments covered by the IPPA are invested either directly or through an investor of a third State. Investors and investments not falling within these categories are not protected by the IPPA. Investments can be new investments (greenfield investments) or existing investments acquired by an investor.

2. On the issue of investment disputes and interpretation of Article 8.6 of the Agreement

The delegations agree that the arbitral tribunal shall decide on the basis of the law. When making its decision, the arbitral shall take into account, in particular, though not exlusively, the four sources of law set out in Article 8.6. The arbitral tribunal must therefore take into account as far as they are relevant to the dispute the law in force of the Contracting Party concerned and the other sources of law set out in Article 8.6. To the extent that there is a conflict between national law and international law, the arbitral tribunal shall apply international law.

3. On the issue of the assignment of claims arising under the Agreement

The delegations agree that each investor that qualifies under the IPPA is entitled to the protection of the IPPA from the time the investment is acquired by that investor. Investors are free to assign their investments protected by the IPPA. A claim which the first investor has under the IPPA may pass to a second qualifying investor if that claim has been transferred to the second investor either expressly or impliedly by operation of the law applicable to the transfer and the claim so transferred will be available to the second investor on the same basis as it was available to the first investor. If the first investor’s claim does not so pass to the second investor, the first investor may still be able to make the claim.

4. On the issue of the application of the Agreement where another IPPA is invoked

The two delegations agree that, although it might be undesirable that investors submit the same subject matter to different arbitral tribunals under different Investment Protection Agreements, the Czech – Dutch investment Agreement does not deal with this situation. If the Contracting Parties wish to address this issue further, it could be dealt with either by future amendment of the IPPA or within the framework of a multilateral investment protection agreement, taking into account the complexity of the matter and the various situations which may occur.

The delegation of the Netherlands believes that neither written, nor unwritten international law at present deals with this question. The Czech delegation indicated that there are rules available in international law, based on fundamental principles, which deal with the question referred to. The delegations, however, agreed that the consultations do not provide the context to resolve the issue.

On the issue of different tribunals dealing with supposedly identical cases, the Netherlands delegation believes that it cannot be maintained that there are always identical cases when a legal dispute is submitted to international arbitration under different Investment Protection Treaties and/or by different investors. The provisions of Investment Protection Treaties may differ and/or the claimant(s) may differ. Claims of different legal entities, even though they may be controlled by the same economic entity, are not necessarily the same claims and difference in legal personality has been recognised by tribunals (see, e.g., the ICJ Barcelona traction case). For instance, subsidiaries can operate rather independently from the parent company. The Netherlands delegation points out that an arbitral tribunal decides on its own jurisdiction. The Netherlands added that within the framework of the World Trade Organisation (WTO) new negotiations on a multilateral investment agreement are foreseen and may deal with this matter, but it may take some time before a result may be accomplished.

The Hague, 17 June, 2002

For the delegation of the Kingdom of the Netherlands:

PETER D.U. DEN BOER

Ministry of Economic Affairs

Prague, 1 July 2002

For the delegation of the Czech Republic:

VACLAV ROMBALD

Ministry of Finance

  • ^ [1]

    [Red: Het woord „aan” dient hier te worden geschrapt.]