Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland [...] het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, 's-Gravenhage, 16-06-1959[Regeling vervallen per 01-12-2015.]

Geldend van 30-12-2004 t/m 30-11-2015

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied [Vervallen per 01-12-2015]

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, de wens koesterende, op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen dubbele belasting te vermijden en andere aangelegenheden op belastinggebied te regelen, zijn overeengekomen, de navolgende Overeenkomst te sluiten. Te dien einde hebben tot gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Dr. J. Löns, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage,

die na uitwisseling van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, als volgt zijn overeengekomen:

Artikel 1 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen, die volgens de wetgeving van elk van beide Staten rechtstreeks van het inkomen of van het vermogen of naar verscheidene andere grondslagen ten behoeve van de Staten, de „Länder”, de provinciën, de gemeenten of gemeentelijke verbanden, (ook in de vorm van opcenten) worden geheven.

  • (2) Belastingen in de zin van deze Overeenkomst zijn:

    • 1. in de Bondsrepubliek Duitsland:

      • a) de Einkommensteuer (inkomstenbelasting) (met inbegrip van de Lohnsteuer (loonbelasting), de Kapitalertragsteuer (belasting op kapitaalopbrengsten) en de Aufsichtsratsteuer (commissarissenbelasting));

      • b) de Körperschaftsteuer (vennootschapsbelasting);

      • c) de Abgabe Notopfer Berlin (heffing „Notopfer Berlin”);

      • d) de Vermögensteuer (vermogensbelasting);

      • e) de Gewerbesteuer (ondernemingsbelasting);

      • f) de Grundsteuer (grondbelasting);

    • 2. in het Koninkrijk der Nederlanden:

      • a) de inkomstenbelasting;

      • b) de loonbelasting;

      • c) de vennootschapsbelasting;

      • d) de dividendbelasting;

      • e) de commissarissenbelasting;

      • f) de vermogensbelasting;

      • g) de grondbelasting;

      • h) gemeentelijke baatbelastingen;

      • i) gemeentelijke bouwterreinbelastingen;

      • j) wegen-, straat- en vaartbelastingen;

      • k) het recht op de mijnen.

  • (3) De Overeenkomst zal van toepassing zijn op elke andere belasting van in wezen gelijke of gelijksoortige aard, die na de ondertekening van de Overeenkomst in een van de Staten wordt ingevoerd.

  • (4) De hoogste belastingautoriteiten van de Staten zullen elkander van de invoering van nieuwe belastingen, wezenlijke wijzigingen of de afschaffing van bestaande belastingen, waarop deze Overeenkomst betrekking heeft, op de hoogte stellen.

Artikel 2 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Voor zover uit het zinsverband niet iets anders volgt, betekent in deze Overeenkomst:

    • 1. het begrip „persoon” zowel natuurlijke als rechtspersonen; verenigingen van personen en fondsen (beheren) die als zodanig als een rechtspersoon aan de belastingheffing zijn onderworpen, alsmede de Nederlandse commanditaire vennootschappen op aandelen worden als rechtspersonen beschouwd;

    • 2. het begrip „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting, waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

      • a) Als vaste inrichtingen worden met name beschouwd:

        • aa) een plaats waar leiding wordt gegeven;

        • bb) een filiaal;

        • cc) een kantoor;

        • dd) een fabriek;

        • ee) een werkplaats;

        • ff) een mijn, een steengroeve of een andere plaats van natuurlijke hulpbronnen in exploitatie;

        • gg) uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.

      • b) Als vaste inrichtingen worden niet beschouwd:

        • aa) het gebruik maken van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;

        • bb) het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

        • cc) het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

        • dd) het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend voor de aankoop van goederen of koopwaar of voor de inwinning van inlichtingen voor de onderneming;

        • ee) het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting uitsluitend voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor het verrichten van soortgelijke werkzaamheden, welke voor de onderneming van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulp werkzaamheden hebben.

      • c) Een persoon, die in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is — met uitzondering van een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van letter d —, wordt als een in de eerstgenoemde Staat aanwezige vaste inrichting beschouwd, indien hij een machtiging bezit om namens de onderneming in deze Staat overeenkomsten af te sluiten, en dit recht aldaar gewoonlijk uitoefent, tenzij zijn werkzaamheden zich tot de aankoop van goederen of waren voor de onderneming beperken.

      • d) Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten, enkel op grond van het feit, dat zij aldaar zakenrelaties onderhoudt door middel van een makelaar, commissionair of enig andere onafhankelijke vertegenwoordiger, ingeval deze persoon in de normale uitoefening van zijn bedrijf handelt.

      • e) Het feit, dat een vennootschap met woonplaats in een van de Staten een vennootschap beheerst of door een vennootschap wordt beheerst, die in de andere Staat haar woonplaats heeft of in die andere Staat zakenrelaties onderhoudt (hetzij door middel van een vaste inrichting hetzij op andere wijze), stempelt op zichzelf niet een van de beide vennootschappen tot een vaste inrichting van de andere vennootschap.

    • 3. het begrip „hoogste belastingautoriteit” in de Bondsrepubliek Duitsland de „Bundesminister der Finanzen”, in het Koninkrijk der Nederlanden de Minister van Financiën of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger;

    • 4. het begrip „onderdaan”

      • a) met betrekking tot de Bondsrepubliek Duitsland:

        alle Duitsers in de zin van artikel 116, eerste lid, van de Grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland;

      • b) met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden:

        alle Nederlanders en voorts alle Nederlandse onderdanen, die in Nederland wonen.

      Als onderdanen worden ook beschouwd rechtspersonen, die volgens het in de ene of de andere Staat geldende recht zijn opgericht;

    • 5. het begrip „onderneming van een van de Staten” of „onderneming van de andere Staat” een onderneming op het gebied van handel, nijverheid of van enige andere tak van niet-agrarisch bedrijf, die door een persoon met woonplaats in Nederland of door een persoon met woonplaats in de Bondsrepubliek Duitsland wordt gedreven, al naar het zinsverband vereist.

    • 6. het begrip „grensoverschrijdend bedrijventerrein” een ruimtelijk besloten gebied, dat zich zowel op Nederlands als op Duits grondgebied uitstrekt en waar de gemeenschappelijke grens tussen beide Staten doorheen loopt, voorzover de Staten het gebied in onderling overleg tot grensoverschrijdend bedrijventerrein hebben bestempeld.

  • (2) Voor de toepassing van deze Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elk niet in deze Overeenkomst omschreven begrip de betekenis, welke dat begrip heeft volgens de in die Staat van kracht zijnde wetten met betrekking tot belastingen, welke het onderwerp van deze Overeenkomst vormen.

Artikel 3 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Voor de toepassing van deze Overeenkomst heeft een natuurlijk persoon een woonplaats in die Staat, waar hij een woning heeft onder omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij de woning zal blijven houden en gebruiken.

  • (2) Indien een natuurlijk persoon in geen van de Staten een woning onder de in het eerste lid bedoelde omstandigheden heeft, maar in een van de Staten gewoonlijk verblijft, wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst het gewoonlijk verblijven als woonplaats beschouwd. Iemand verblijft gewoonlijk in een Staat, indien hij daar verblijft onder omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij in deze Staat niet slechts tijdelijk vertoeft.

  • (3) Indien een natuurlijk persoon volgens de voorgaande leden zijn woonplaats in beide Staten heeft, heeft hij voor de toepassing van de artikelen 4 tot en met 19 van deze Overeenkomst zijn woonplaats in die Staat, waarmede de persoonlijke en economische betrekkingen het sterkst zijn (middelpunt van de levensbelangen). Indien het niet mogelijk is het middelpunt van de levensbelangen vast te stellen, zullen de hoogste belastingautoriteiten van de Staten overeenkomstig artikel 25 in onderlinge overeenstemming een regeling treffen.

  • (4) Een natuurlijk persoon, die aan de wal noch een woning onder de in het eerste lid bedoelde omstandigheden heeft, noch aldaar gewoonlijk verblijft in de zin van het tweede lid, maar gewoonlijk aan boord van een tot een scheepvaartonderneming behorend schip verblijft, heeft voor de toepassing van deze Overeenkomst zijn woonplaats in die Staat, waar de plaats van de leiding van de scheepvaartonderneming zich bevindt.

  • (5) Een rechtspersoon heeft voor de toepassing van deze Overeenkomst zijn woonplaats in die Staat, waar de plaats van zijn leiding zich bevindt. Heeft hij in geen van de Staten de plaats van zijn leiding, dan is de plaats van zijn statutaire zetel beslissend.

  • (5a) Indien de plaats van leiding van een rechtspersoon zich bevindt op een grensoverschrijdend bedrijventerrein en de gemeenschappelijke grens tussen de Staten loopt door de vaste bedrijfsinrichting waarin de plaats van leiding zich bevindt en niet eenduidig kan worden vastgesteld in welke van de Staten de rechtspersoon haar plaats van leiding heeft, dan heeft zij haar woonplaats in de Staat waarin het grootste deel van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend, zich bevindt. Nadere regelingen voor de vaststelling, in welk van de Staten de rechtspersoon haar woonplaats heeft, zijn neergelegd in de bijlage bij de Overeenkomst.

  • (6) Voor de toepassing van deze Overeenkomst is de plaats van de leiding de plaats, waar het middelpunt van de algemene leiding van de onderneming zich bevindt. Bevindt de plaats van de leiding van een scheepvaartonderneming zich aan boord van een schip, dan wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst de plaats, waar het schip zijn thuishaven heeft, als de plaats van de leiding beschouwd.

Artikel 4 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten verkrijgt uit onroerende zaken (daaronder begrepen hun toebehoren), die in de andere Staat zijn gelegen, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

  • (2) Het eerste lid is van toepassing zowel op de inkomsten, welke door rechtstreekse exploitatie en gebruik als op die, welke door verhuring, verpachting en elke andere vorm van exploitatie van onroerende zaken (daaronder begrepen de nevenbedrijven van landen bosbouw) worden verkregen, in het bijzonder op de inkomsten welke uit vaste of veranderlijke vergoedingen ter zake van de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en op inkomsten, die bij de vervreemding van onroerende zaken worden verkregen.

  • (3) De leden 1 en 2 zijn ook van toepassing, indien de daarin vermelde vermogensbestanddelen deel uitmaken van het vermogen van een bedrijf op het gebied van handel of nijverheid of van enig ander niet-agrarisch bedrijf.

Artikel 5 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten als ondernemer of medeondernemer inkomsten verkrijgt uit een onderneming op het gebied van handel, nijverheid of enige andere tak van niet-agrarisch bedrijf waarvan de werkzaamheid zich tot op het gebied van de andere Staat uitstrekt, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten slechts voor zover deze aan een zich aldaar bevindende vaste inrichting van de onderneming zijn toe te rekenen.

  • (2) Daarbij moeten aan de vaste inrichting die inkomsten worden toegerekend, die zij behaald zou hebben, indien zij een zelfstandige onderneming ware, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitoefende onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en als een onafhankelijke onderneming zaken deed.

  • (3) Het eerste lid is van toepassing zowel op de inkomsten welke door rechtstreekse exploitatie en gebruik als op die welke door verhuring, verpachting en elke andere vorm van exploitatie van de onderneming worden verkregen, en op inkomsten uit de vervreemding van een bedrijf in zijn geheel, van een aandeel in de onderneming, van een deel van het bedrijf of van een zaak, die in het bedrijf wordt gebruikt.

  • (4) Indien een onderneming van een van de Staten een vaste bedrijfsinrichting op het tot het grondgebied van de andere Staat behorende deel van een grensoverschrijdend bedrijventerrein heeft, dan wordt de bedrijfsinrichting voor de belastingheffing over de inkomsten van de onderneming niet beschouwd als een vaste inrichting. Dit laat artikel 10 onverlet.

  • (5) Indien een op een grensoverschrijdend bedrijventerrein gevestigde vaste bedrijfsinrichting van een onderneming van een van de Staten wordt verplaatst naar een buiten dit grensoverschrijdend bedrijventerrein gelegen plaats of wordt verplaatst binnen dit grensoverschrijdend bedrijventerrein en met deze verplaatsing het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming overgaat naar de andere Staat, dan kan de eerstgenoemde Staat op verzoek bij grote onbillijkheid toestaan dat de belasting, die als gevolg van de verplaatsing verschuldigd wordt, in gelijkmatige termijnen wordt voldaan over een periode van ten hoogste vijf jaren te rekenen vanaf de dag waarop deze voor het eerst verschuldigd is. Van grote onbillijkheid is sprake, indien aan de verplaatsing oorzaken ten grondslag liggen die niet te wijten zijn aan de onderneming zelf.

Artikel 6 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een onderneming van een van de Staten, uit hoofde van haar deelneming in de leiding dan wel in de financiering van een onderneming van de andere Staat met deze onderneming voorwaarden van economische of financiële aard overeenkomt of haar deze oplegt, welke afwijken van die welke met een onafhankelijke onderneming zouden worden overeengekomen, mogen inkomsten, die een van de beide ondernemingen normaal zou hebben verkregen, maar tengevolge van deze voorwaarden niet heeft verkregen, worden begrepen in de inkomsten van deze onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

  • (2) Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing in de betrekkingen tussen twee ondernemingen, in de leiding of het vermogen waarvan dezelfde persoon onmiddellijk of middellijk deelneemt.

Artikel 7 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten als ondernemer of medeondernemer inkomsten verkrijgt uit een zeescheepvaart-, binnenscheepvaart- of luchtvaartonderneming, waarvan de plaats van de leiding zich in een van de Staten bevindt, komt het recht tot belastingheffing voor de rechtstreeks met het zeescheepvaart-, binnenscheepvaart- of luchtvaartbedrijf samenhangende inkomsten slechts toe aan de Staat van de plaats van de leiding, ook indien zich in de andere Staat een vaste inrichting van de onderneming bevindt.

  • (2) Zolang de Staat, waar de plaats van de leiding zich bevindt, het recht tot belastingheffing tegenover een persoon met woonplaats in de andere Staat niet uitoefent, heeft deze andere Staat het recht tot belastingheffing.

Artikel 8 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten verkrijgt uit de vervreemding van een deelneming in een vennootschap, waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en die haar woonplaats in de andere Staat heeft, heeft de eerstgenoemde Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

  • (2) Het eerste lid is niet van toepassing, indien een persoon met woonplaats in een van de Staten een vaste inrichting in de andere Staat heeft en de inkomsten door deze vaste inrichting verkrijgt. In dit geval heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

Artikel 9 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten uit zelfstandige arbeid verkrijgt, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten, indien de arbeid in de andere Staat wordt of is uitgeoefend.

  • (2) Uitoefening van zelfstandige arbeid in de andere Staat wordt slechts dan aanwezig geacht, indien de persoon die de zelfstandige arbeid uitoefent, voor zijn werkzaamheden gebruik maakt van een duurzame inrichting die aldaar geregeld tot zijn beschikking staat. Deze beperking geldt echter niet voor zelfstandig uitgeoefende werkzaamheden op het terrein van de kunst, de voordrachtskunst, de sportbeoefening, het circus, het ballet, het variété en dergelijke.

  • (3) Artikel 5, derde lid, vindt overeenkomstige toepassing.

  • (4) Indien een natuurlijk persoon met woonplaats in een van de Staten als lid van de raad van commissarissen of als niet aan de bestuurstaak deel hebbend lid van soortgelijke organen, vergoedingen verkrijgt van een rechtspersoon, die zijn woonplaats in de andere Staat heeft, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze vergoedingen.

Artikel 10 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een natuurlijk persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten verkrijgt uit niet-zelfstandige arbeid, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten, indien de arbeid in de andere Staat wordt uitgeoefend.

  • (2) In afwijking van het eerste lid kunnen inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid slechts in de Staat worden belast, waar de werknemer zijn woonplaats heeft, indien deze werknemer

    • 1. tijdelijk in totaal niet meer dan 183 dagen gedurende een kalenderjaar, in de andere Staat verblijft,

    • 2. voor zijn gedurende deze tijd uitgeoefende werkzaamheden vergoeding ontvangt van een werkgever, die zijn woonplaats niet in de andere Staat heeft en

    • 3. voor zijn werkzaamheden niet ten laste van een zich in de andere Staat bevindende vaste inrichting of duurzame inrichting van de werkgever vergoeding ontvangt.

  • (2a) Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel, kunnen inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid, die worden verkregen door een natuurlijke persoon die in een van de Staten zijn woonplaats heeft en die ten laste komen van een op een grensoverschrijdend bedrijventerrein gelegen vaste bedrijfsinrichting, waar de gemeenschappelijke grens tussen de Staten doorheen loopt, slechts worden belast in de Staat waarin de persoon zijn woonplaats heeft, tenzij deze persoon ingevolge de Verordening (EEG) 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (Publicatieblad L 149 van 5 juli 1971) of op grond van een verordening van de Europese Unie, die na de ondertekening van het Derde Aanvullend Protocol daarvoor in de plaats komt, aan de rechtsregels van de andere Staat is onderworpen. Indien de persoon ingevolge de Verordening (EEG) 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 of op grond van een verordening van de Europese Unie, die na de ondertekening van het Derde Aanvullend Protocol daarvoor in de plaats komt, aan de rechtsregels van de andere Staat is onderworpen, dan kunnen de inkomsten in de andere Staat worden belast.

  • (3) Indien een natuurlijk persoon voortdurend of overwegend aan boord van schepen of luchtvaartuigen van een scheepvaart- of luchtvaartonderneming diensten verricht, wordt de arbeid geacht te zijn uitgeoefend in de Staat, waar de plaats van de leiding van de onderneming zich bevindt. Zolang deze Staat de inkomsten uit zodanige arbeid niet belast, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

Artikel 11 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een natuurlijk persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten verkrijgt in de vorm van lonen, salarissen en soortgelijke beloningen, die een van de beide Staten, of „Länder”, provinciën, gemeenten of gemeentelijke verbanden en andere publiekrechtelijke rechtspersonen van een van de beide Staten toekennen, heeft de Staat van de openbare kas het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten. Is evenwel de natuurlijke persoon onderdaan van de woonstaat zonder tevens onderdaan van de Staat van de openbare kas te zijn, en oefent hij zijn werkzaamheden in de woonstaat uit, dan heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing.

  • (2) Voor beloningen ter zake van diensten, verricht in verband met enig bedrijf, dat door een Staat of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon wordt uitgeoefend met het oogmerk winst te behalen, vindt artikel 10 toepassing.

Artikel 12 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een natuurlijk persoon met woonplaats in een van de Staten wachtgelden, pensioenen, weduwe- of wezenpensioenen, andere uitkeringen of op geld waardeerbare voordelen ter zake van vroegere diensten verkrijgt, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

  • (2) In afwijking van het eerste lid komt het recht tot belastingheffing voor wachtgelden, pensioenen, weduwe- en wezenpensioenen, andere uitkeringen of op geld waardeerbare voordelen ter zake van vroegere diensten, die een van de beide Staten of „Länder”, provinciën, gemeenten of gemeentelijke verbanden en andere publiekrechtelijke rechtspersonen van een van de beide Staten rechtstreeks of door tussenkomst van een hiertoe in het leven geroepen publiekrechtelijke instelling aan zijn werknemers of hun nagelaten betrekkingen betalen, aan deze Staat toe.

  • (3) Het tweede lid vindt ook toepassing op

    • 1. uitkeringen, die krachtens de wettelijke sociale verzekering worden betaald;

    • 2. pensioenen, lijfrenten alsmede andere periodieke of niet-periodieke uitkeringen, die door een van de Staten of een andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon van deze Staat worden betaald als vergoedingen voor een schade, die als gevolg van oorlogshandelingen of politieke vervolging is ontstaan.

Artikel 13 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten uit de andere Staat dividenden verkrijgt, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

  • (2) Voor zover in de andere Staat de belasting van kapitaalopbrengsten bij wijze van inhouding (aan de bron) wordt geheven, wordt het recht tot toepassing van die inhouding niet aangetast.

  • (3) De overeenkomstig het tweede lid in te houden belasting mag 15% van de dividenden niet overschrijden.

  • (4) De overeenkomstig het tweede lid in te houden belasting mag evenwel 10% van de dividenden niet overschrijden, indien de dividenden door een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en met woonplaats in een van de Staten worden betaald aan een zodanige vennootschap met woonplaats in de andere Staat aan welke ten minste 25% van de stemgerechtigde aandelen van de eerstgenoemde vennootschap behoren.

  • (5) De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing indien een persoon met woonplaats in een van de Staten een vaste inrichting in de andere Staat heeft en de inkomsten door middel van deze vaste inrichting verkrijgt. In dit geval heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

Artikel 14 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten uit de andere Staat interest verkrijgt, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

  • (2) Het eerste lid is niet van toepassing indien een persoon met woonplaats in een van de Staten een vaste inrichting in de andere Staat heeft en de inkomsten door middel van deze vaste inrichting verkrijgt. In dit geval heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

  • (3) Interest in de zin van dit artikel is inkomsten uit leningen, obligaties, wissels of uit enige andere vorm van schuldenaarschap. Voor inkomsten uit converteerbare obligaties en winstdelende obligaties vindt artikel 13, eerste, tweede, derde en vijfde lid, toepassing.

Artikel 15 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten uit de andere Staat inkomsten verkrijgt in de vorm van royalties of andere vergoedingen voor het gebruik maken van of voor het recht tot het gebruik maken van uitvindersrechten, auteursrechten, octrooien, modellen, procédés, handelsmerken of soortgelijke rechten (behalve rechten met betrekking tot de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen) heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

  • (2) Het eerste lid is ook van toepassing op de inkomsten uit de vervreemding van de aldaar vermelde rechten.

  • (3) Als royalties worden ook beschouwd huren en soortgelijke vergoedingen voor het ter beschikking stellen van films, voor het gebruik van nijverheids-, handels- of wetenschappelijke uitrustingen of voor het ter beschikking stellen van bedrijfservaring.

  • (4) Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien een persoon met woonplaats in een van de Staten een vaste inrichting in de andere Staat heeft en de inkomsten door middel van deze vaste inrichting verkrijgt. In dit geval heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

Artikel 16 [Vervallen per 01-12-2015]

Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten verkrijgt, waarvoor in de voorgaande artikelen geen regeling is getroffen, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

Artikel 17 [Vervallen per 01-12-2015]

Hoogleraren of andere docenten met woonplaats in een van de Staten, die beloning ontvangen voor het geven van onderwijs gedurende een tijdelijk verblijf van hoogstens twee jaren aan een universiteit, hogeschool, school of andere onderwijsinstelling in de andere Staat, worden ter zake van deze beloning slechts in de woonstaat belast.

Artikel 18 [Vervallen per 01-12-2015]

Studenten, personen, die een leer- of praktijktijd doormaken en volontairs uit een van de Staten, die slechts voor doeleinden van studie of opleiding in de andere Staat verblijven, worden voor de door hen ten behoeve van hun levensonderhoud, studie en opleiding ontvangen uitkeringen niet door deze andere Staat belast, indien zij deze uitkeringen van buiten deze Staat ontvangen.

Artikel 19 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Het recht tot belastingheffing voor vermogen van een persoon met woonplaats in een van de Staten voor zover het bestaat uit

    • a) onroerende zaken (daaronder begrepen hun toebehoren),

    • b) door hypotheek of andere zakelijke zekerheidsrechten op een onroerende zaak verzekerde vorderingen,

    • c) vermogen, gebezigd in een onderneming op het gebied van handel, nijverheid of van enige andere tak van niet-agrarisch bedrijf, daaronder begrepen zeescheepvaart-, binnenscheepvaart- en luchtvaartondernemingen,

    • d) vermogen, gebezigd in de uitoefening van zelfstandige arbeid,

    heeft de Staat, die ingevolge deze Overeenkomst het recht tot belastingheffing voor de inkomsten uit dit vermogen heeft.

  • (2) Het recht tot belastingheffing voor ander vermogen van een persoon met woonplaats in een van de Staten heeft deze Staat.

Artikel 20 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien de woonstaat ingevolge de voorgaande artikelen het recht tot belastingheffing voor inkomsten of vermogensbestanddelen heeft, mag, onverminderd het bepaalde in artikel 13, tweede lid, en artikel 14, derde lid, tweede zin, de andere Staat deze inkomsten of vermogensbestanddelen niet belasten.

  • (2) Indien de Bondsrepubliek Duitsland de woonstaat is, zal zij de inkomsten en vermogensbestanddelen, waarvoor ingevolge de voorgaande artikelen Nederland een recht tot belastingheffing heeft, niet in de grondslag, waarnaar de belastingen worden geheven, begrijpen. De belastingen voor de inkomsten of vermogensbestanddelen, welke aan de Bondsrepubliek Duitsland ter belasting zijn toegewezen worden evenwel naar het tarief geheven, dat behoort bij het gehele inkomen of het gehele vermogen van de belastingplichtige persoon. In afwijking van de eerste zin zullen dividenden, met uitzondering van de onder artikel 13, vierde lid, vallende dividenden, en interesten op converteerbare obligaties en winstdelende obligaties wel in de grondslag, waarnaar de belastingen worden geheven, worden begrepen; de van deze inkomsten bij wijze van inhouding geheven Nederlandse belasting wordt met de naar een gemiddeld belastingtarief berekende belastingen van de Bondsrepubliek Duitsland voor deze inkomsten verrekend.

  • (3) Indien Nederland de woonstaat is, is het bevoegd, ook die inkomsten (met uitzondering van invaliditeitspensioenen („Verletztenrenten”) en andere uitkeringen ter zake van invaliditeit krachtens de socialeverzekeringswetgeving van de Bondsrepubliek Duitsland, die worden betaald aan een natuurlijke persoon die zijn woonplaats als bedoeld in deze Overeenkomst in Nederland heeft en die tijdens de Tweede Wereldoorlog als dwangarbeider tewerkgesteld was) en vermogensbestanddelen in de grondslag, waarnaar de belastingen worden geheven, te begrijpen, waarvoor de Bondsrepubliek Duitsland ingevolge de voorgaande artikelen een recht tot belastingheffing heeft; Nederland zal evenwel, onder voorbehoud van zijn nationale voorschriften voor de vermijding van dubbele belasting betreffende de verliescompensatie, op de berekende belasting dat deel van de belasting in mindering brengen, dat behoort bij de inkomsten of vermogensbestanddelen, waarvoor ingevolge de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, tweede lid, de artikelen 9, 10, eerste lid, de artikelen 11, 12, tweede en derde lid, artikel 13, vijfde lid, artikel 14, tweede lid, artikel 15, vierde lid, en artikel 19, eerste lid, de Bondsrepubliek Duitsland het recht tot belastingheffing heeft. De in mindering te brengen belasting wordt berekend naar de verhouding, waarin de inkomensbestanddelen of het gedeelte van het vermogen, waarvoor ingevolge de in de vorige zin genoemde artikelen de Bondsrepubliek Duitsland het recht tot belastingheffing heeft, staan tot alle inkomensbestanddelen of het gehele vermogen.

  • (4) Nederland verleent voor de bestanddelen van het inkomen, die volgens artikel 13, tweede lid, van de Overeenkomst in de Bondsrepubliek Duitsland kunnen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het derde lid bedoelde grondslag zijn begrepen een vermindering van Nederlandse belasting. Het bedrag van de vermindering is gelijk aan de in Duitsland over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting. De vermindering die op grond van de voorgaande zinnen moet worden verleend, bedraagt echter niet meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving ter vermijding van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

    Dit lid houdt echter geen beperking in voor enige bestaande of toekomstige compensatie overeenkomstig de Nederlandse voorschriften ter vermijding van dubbele belasting die betrekking hebben op de gezamenlijke inkomsten die afkomstig zijn uit meer dan een land, doch uitsluitend voor wat betreft de berekening van het bedrag van de vermindering van Nederlandse belasting.

Artikel 21 [Vervallen per 01-12-2015]

Deze Overeenkomst tast niet de aanspraak op eventuele verdergaande vrijstellingen aan, die krachtens algemene regelen van het volkenrecht of krachtens bijzondere regelingen aan de diplomatieke of consulaire ambtenaren en beambten toekomen. Voor zover op grond van zulke verdergaande vrijstellingen inkomsten en vermogen in de Staat van verblijf niet worden belast, blijft de belastingheffing voorbehouden aan de Staat die hen heeft uitgezonden.

Artikel 22 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten aantoont, dat maatregelen van de belastingautoriteiten van de Staten te zijnen aanzien hebben geleid tot dubbele belastingheffing in strijd met deze Overeenkomst, kan hij zich, onverminderd de nationale rechtsmiddelen, wenden tot de hoogste belastingautoriteit van de Staat, waarin hij zijn woonplaats heeft of waarvan hij een onderdaan is.

  • (2) Indien de klacht gegrond wordt geacht, moet de krachtens het eerste lid bevoegde hoogste belastingautoriteit trachten met de hoogste belastingautoriteit van de andere Staat in onderlinge overeenstemming een regeling te treffen, teneinde dubbele belastingheffing te vermijden.

Artikel 22a [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Als een onderneming van een van de Staten een vaste bedrijfsinrichting geheel of gedeeltelijk in het tot het grondgebied van de andere Staat behorende deel van een grensoverschrijdend bedrijventerrein heeft en het recht tot belastingheffing over de inkomsten van deze onderneming of over de inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid van werknemers, die voor deze onderneming werkzaam zijn, toekomt aan de eerstgenoemde Staat dan mag de eerstgenoemde Staat in zoverre zelfstandig boekenonderzoeken verrichten voor de vaststelling van de fiscale omstandigheden in deze vaste bedrijfsinrichting. De andere Staat heeft het recht aan het boekenonderzoek deel te nemen.

  • 2 De Staat op het grondgebied waarvan de uitvoering van een boekenonderzoek als bedoeld in het eerste lid is voorzien, moet hierover ten minste twee weken voor de geplande aanvang van het voorgenomen onderzoek door de andere Staat in kennis worden gesteld. In de kennisgeving dient mededeling te worden gedaan van

    • a. de autoriteit of instantie, van wie de door de hoogste belastingautoriteit gedane kennisgeving uitgaat;

    • b. de autoriteit of instantie, die met de uitvoering van het onderzoek belast is;

    • c. naam, adres en andere ter zake dienende gegevens voor de vaststelling van de identiteit van de te onderzoeken onderneming;

    • d. de geplande aanvang van het onderzoek;

    • e. welke belastingmiddelen en tijdvakken het onderzoek omvat.

Na afsluiting van het onderzoek stelt de Staat, die het onderzoek verricht, de andere Staat in kennis van het tijdstip waarop het onderzoek beëindigd is.

  • 3 Op een onderzoek uit hoofde van het eerste lid zijn de rechts- en procedurevoorschriften van de Staat, die het onderzoek uitvoert, van toepassing. Bezwaren tegen maatregelen, die zijn getroffen door de Staat die het onderzoek uitvoert, kunnen slechts bij de daarvoor bevoegde instantie van die Staat worden ingediend.

  • 4 Gegevens over derden, die in het kader van een onderzoek ter kennis komen van de Staat die het onderzoek uitvoert, mogen door die Staat slechts worden gebruikt nadat ze aan de andere Staat zijn overgedragen, die deze gegevens in overeenstemming met zijn rechtsvoorschriften bewerkt en gebruikt en ze daarna ter beschikking stelt van de Staat die het onderzoek uitvoert en deze Staat toestemming verleent deze gegevens te gebruiken.

  • 5 Het eerste lid is niet van toepassing indien de Staat op het grondgebied waarvan de uitvoering van een boekenonderzoek is voorzien, tegen de uitvoering van dat onderzoek bezwaar maakt. Dit bezwaar is alleen geoorloofd indien het onderzoek naar het oordeel van de laatstgenoemde Staat in strijd is met de openbare orde of met wezenlijke belangen van die Staat. In dat geval verrichten de beide Staten binnen een maand na de mededeling van het bezwaar een gezamenlijk onderzoek bij de betrokken onderneming. Hierbij zijn de rechts- en procedurevoorschriften maatgevend van de Staat op het grondgebied waarvan het gezamenlijke onderzoek plaatsvindt.

Artikel 23 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) De hoogste belastingautoriteiten van de Staten zullen elkaar de inlichtingen verstrekken, die nodig zijn om aan deze Overeenkomst uitvoering te geven, in het bijzonder om belastingontduiking te vermijden. De hoogste belastingautoriteiten kunnen weigeren inlichtingen te verstrekken, die niet op grond van de bij de belastingautoriteiten aanwezige gegevens kunnen worden verstrekt, maar uitgebreide onderzoekingen noodzakelijk zouden maken.

  • (2) De inhoud van de inlichtingen, waarvan de hoogste belastingautoriteiten op grond van dit artikel kennis hebben gekregen zal geheim worden gehouden, behoudens de bevoegdheid, deze ter kennis te brengen van personen, die ingevolge de wettelijke voorschriften bij de aanslagregeling of de inning van de belastingen, welke het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken, zijn betrokken. Deze personen hebben dezelfde verplichting als de hoogste belastingautoriteiten.

  • (3) In geen geval zal het eerste lid dusdanig worden uitgelegd, dat een van de Staten de verplichting wordt opgelegd:

    • a) administratieve maatregelen te nemen, welke in strijd zijn met de voorschriften of het gebruik van de beide Staten;

    • b) bijzonderheden te verschaffen welker verstrekking volgens de wettelijke voorschriften van de beide Staten niet kan worden gevorderd.

  • (4) Inlichtingen, die een bedrijfs- of beroepsgeheim zouden onthullen, mogen niet worden gegeven.

  • (5) Het verstrekken van inlichtingen kan om redenen van algemeen beleid worden geweigerd.

Artikel 24 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Onderdanen van een van de Staten mogen in de andere Staat niet worden onderworpen aan andere of hogere belastingen dan waaraan onderdanen van deze andere Staat, onder gelijke omstandigheden, zijn onderworpen. Dit geldt ook voor de omvang van de belastingvrijstellingen, aftrekken en verminderingen, die uit hoofde van de burgerlijke staat of de gezinssamenstelling worden verleend.

  • (2) Ondernemingen, gedreven door een persoon met woonplaats in een van de Staten moeten in beginsel met betrekking tot hun vaste inrichtingen in de andere Staat niet aan belastingen als zijn bedoeld in artikel 1 van deze Overeenkomst of daarmede verband houdende verplichtingen worden onderworpen, die anders, hoger of drukkender zijn dan de belastingen of de daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan de ondernemingen, die door een persoon met woonplaats in de andere Staat worden gedreven, zijn onderworpen.

Artikel 25 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) De hoogste belastingautoriteiten van de Staten kunnen zich bij de behandeling van kwesties, die uit deze Overeenkomst voortvloeien, rechtstreeks met elkander in verbinding stellen.

  • (2) De hoogste belastingautoriteiten zullen in onderlinge overeenstemming een regeling treffen, ten einde moeilijkheden en twijfelpunten, die zich bij de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst voordoen, op te heffen, alsmede ten einde onbillijkheden op grond van dubbele belasting in gevallen die in deze Overeenkomst niet zijn geregeld, ongedaan te maken. Alvorens bepalingen voor de uitvoering van deze Overeenkomst uit te vaardigen zullen zij overleg plegen.

Artikel 26 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Deze Overeenkomst is ook van toepassing op het Land Berlijn, tenzij de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland tegenover de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden binnen drie maanden na het in werking treden van de Overeenkomst een tegenovergestelde verklaring afgeeft.

  • (2) Bij de toepassing van deze Overeenkomst op het Land Berlijn gelden de verwijzingen naar de Bondsrepubliek Duitsland tevens als verwijzingen naar het Land Berlijn.

Artikel 27 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Deze Overeenkomst geldt wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft slechts voor het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk.

  • (2) Deze Overeenkomst kan, hetzij in haar geheel, hetzij met wijzigingen toepasselijk worden verklaard op ieder deel van het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa, dat belastingen heft van in wezen gelijke of gelijksoortige aard als de belastingen bedoeld in artikel 1 van deze Overeenkomst, indien zodanig deel van het Koninkrijk der Nederlanden zulks wenst en de Bondsrepubliek Duitsland er mede instemt. Tot dat doel zullen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nota's wisselen. In deze nota's zullen de wijzigingen en voorwaarden worden vastgesteld (met inbegrip van die, welke betrekking hebben op het tijdstip waarop de Overeenkomst voor de eerste maal toepassing vindt en op de opzegging), met inachtneming waarvan de Overeenkomst toepasselijk zal zijn.

Artikel 28 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Deze Overeenkomst is van toepassing op de belastingen, die voor de tijd na 31 december 1955 worden geheven.

  • (2) In afwijking van het eerste lid is de begrenzing van de in te houden belasting, voorzien in artikel 13, derde lid, van toepassing op dividenden, die na 31 december 1957 worden betaald.

Artikel 29 [Vervallen per 01-12-2015]

  • (1) Deze Overeenkomst moet worden bekrachtigd; de akten van bekrachtiging zullen zo spoedig mogelijk te Bonn worden uitgewisseld.

  • (2) Deze Overeenkomst treedt een maand na de uitwisseling van de akten van bekrachtiging in werking en geldt zolang zij niet door een van de Staten wordt opgezegd. Indien de opzegging plaats vindt ten minste zes maanden voor het einde van een kalenderjaar, houdt de Overeenkomst op van kracht te zijn met ingang van de eerste januari van het eerstvolgende jaar, in het andere geval met ingang van de eerste januari van het tweede daarop volgende jaar. De Overeenkomst kan niet eerder dan tegen 1 januari 1962 worden opgezegd.

TEN BLIJKE WAARVAN de wederzijdse gevolmachtigden deze Overeenkomst hebben ondertekend en van hun zegel voorzien.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 16e juni 1959, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS.

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) J. LÖNS.

Aanvullend Protocol over de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied ten aanzien van heffingen voor eenmaal van het vermogen [Vervallen per 01-12-2015]

Tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van de heffingen voor eenmaal van het vermogen (met uitzondering van het Successierecht), die in het tijdvak van 1 januari 1948 tot en met 31 december 1959 in een van de Staten zijn of worden ingevoerd en ontstaan, hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, ter aanvulling van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, de onderstaande overeenkomst gesloten:

  • 1. Artikel 19 van de Overeenkomst vindt onder voorbehoud van de nummers 2 en 3 overeenkomstige toepassing op heffingen voor eenmaal van het vermogen.

  • 2. Het recht tot belastingheffing van de Bondsrepubliek Duitsland blijft onaangetast voor de in het Koninkrijk der Nederlanden gelegen vermogensbestanddelen van een persoon, die op het voor het ontstaan van de heffing beslissende tijdstip niet de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten of bezit en zijn woonplaats in de zin van de Overeenkomst in de Bondsrepubliek Duitsland heeft gehad of heeft; het recht tot belastingheffing blijft ook onaangetast, indien een natuurlijk persoon de Nederlandse nationaliteit naast de Duitse nationaliteit heeft bezeten of bezit.

  • 3. Het recht tot belastingheffing van het Koninkrijk der Nederlanden blijft onaangetast voor de in de Bondsrepubliek Duitsland gelegen vermogensbestanddelen van een persoon, die op het voor het ontstaan van de heffing beslissende tijdstip niet de Duitse nationaliteit heeft bezeten of bezit en zijn woonplaats in de zin van de Overeenkomst in het Koninkrijk der Nederlanden heeft gehad of heeft; het recht tot belastingheffing blijft ook onaangetast, indien een natuurlijk persoon de Duitse nationaliteit naast de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten of bezit.

  • 4. De bepalingen van het Aanvullend Protocol worden op heffingen, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit Aanvullend Protocol reeds zijn ontstaan, slechts op verzoek toegepast. Het verzoek moet binnen een termijn van drie jaren na de inwerkingtreding worden ingediend. Deze termijn kan niet worden verlengd.

Dit aanvullend Protocol is een integrerend bestanddeel van de Overeenkomst.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 16e juni 1959, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS.

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) J. LÖNS.

Slotprotocol [Vervallen per 01-12-2015]

Bij de ondertekening van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, hebben de ondergetekende gevolmachtigden de volgende overeenstemmende verklaring afgelegd, die een integrerend deel van de Overeenkomst uitmaakt:

Ad artikel 1 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 1 Onder voorbehoud van de bepalingen van hef Aanvullend Protocol, strekt de Overeenkomst zich niet uit tot belastingen voor eenmaal van het vermogen of de vermogensaanwas.

  • 2 De hoogste belastingautoriteiten van de Staten zullen overleg plegen, indien twijfel mocht ontstaan, op welke toekomstige belastingen de Overeenkomst van toepassing zal zijn, opdat aan de Overeenkomst die uitlegging kan worden gegeven of in deze Overeenkomst die wijzigingen kunnen worden aangebracht, als noodzakelijk wordt geacht.

Ad artikel 2 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 3 Een gemeenschappelijk spoorwegstation of aflosstation in een van de Staten, dat krachtens een overeenkomst tussen de beide Staten opgericht is, wordt niet als een vaste inrichting van een spoorwegonderneming van de andere Staat beschouwd.

Ad artikel 4 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 4 Artikel 4 is ook van toepassing op rechten, die aan de bepalingen van het burgerlijk recht van de Staten betreffende onroerende zaken zijn onderworpen.

  • 5 Inkomsten uit de vervreemding van een landbouwbedrijf en een bosbedrijf en inkomsten uit speculatie, die bij de vervreemding van onroerende zaken worden verkregen, zijn eveneens inkomsten, die bij de vervreemding van onroerende zaken worden verkregen. Renten, die als vergoeding voor de vervreemding van onroerende vermogensbestanddelen worden betaald, kunnen slechts in die Staat worden belast, waar de ontvanger van de rente zijn woonplaats heeft.

Ad artikel 5 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 6 Bij het bepalen van de uit de werkzaamheden van een vaste inrichting behaalde inkomsten volgens artikel 5, tweede lid, zal in beginsel worden uitgegaan van de balansen van de vaste inrichting. Daarbij moeten alle kosten, welke aan de vaste inrichting zijn toe te rekenen daaronder begrepen een aandeel in de kosten van de leiding en algemene administratiekosten van de onderneming, in aanmerking worden genomen doch moeten kunstmatige winstverschuivingen buiten beschouwing worden gelaten; in het bijzonder zal geen acht worden geslagen op interesten of royalties welke tussen de vaste inrichtingen van dezelfde onderneming zijn overeengekomen.

  • 7 In bijzondere gevallen kan bij het bepalen van de inkomsten volgens artikel 5, tweede lid, de totale winst van de onderneming worden verdeeld. De belastingautoriteiten van de Staten moeten op een zo vroeg mogelijk tijdstip in onderlinge overeenstemming een regeling treffen, indien dit voor de toerekening van de inkomsten in dat bijzonder geval noodzakelijk is.

  • 8 Artikel 5, eerste lid, vindt overeenkomstige toepassing op de ondernemingsbelasting, die naar een andere grondslag dan de inkomsten wordt geheven.

Ad artikel 5, 7 en 13 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 9 Een stille vennoot wordt als een ondernemer beschouwd indien met zijn deelneming een deelneming in het vermogen van de onderneming gepaard gaat. Indien dit niet het geval is, worden de inkomsten uit de deelneming als stille vennoot als dividenden (artikel 13) beschouwd.

  • 10 Het bezit van aandelen, „Kuxen”, aandeelbewijzen en soortgelijke effecten, van lidmaatschapsrechten in coöperatieve verenigingen en van aandelen in vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Gesellschaften mit beschrankter Haftung) alsook van bewijzen van deelgerechtigdheid in een beleggingsmaatschappij (Kapitalanlagegesellschaft) maakt de bezitter niet tot ondernemer of medeondernemer. Inkomsten uit deze effecten, aandelen en rechten worden als dividenden (artikel 13) beschouwd.

Ad artikel 7 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 11 Artikel 7 is ook van toepassing, indien het bedrijf met gecharterde vaartuigen wordt uitgeoefend. Het is eveneens van toepassing ten aanzien van agentschappen, voor zover de werkzaamheden van het agentschap rechtstreeks met het bedrijf of met de aan- en afvoer verband houden.

  • 12 Artikel 7 is ook van toepassing op deelnemingen van zeescheepvaart-, binnenscheepvaart- of luchtvaartondernemingen in een „pool” of in een bedrijfsgemeenschap.

  • 13 Artikel 7, eerste lid, vindt overeenkomstige toepassing op de ondernemingsbelasting, die naar een andere grondslag dan de inkomsten wordt geheven.

Ad artikel 10 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 14 Als inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid worden beschouwd: salarissen, bezoldigingen, lonen, tantièmes, gratificaties of andere uitkeringen, op geld waardeerbare voordelen en schadeloosstellingen van natuurlijke personen, die in een dienstbetrekking werkzaam zijn.

  • 15 Indien de werkgever een vennootschap van personen (Personengesellschaft) is, wordt voor de toepassing van artikel 10, tweede lid, nummer 2, de plaats van de leiding als woonplaats beschouwd.

  • 16 Artikel 10, eerste lid, is niet van toepassing op studenten, die tegen vergoeding bij een onderneming in de andere Staat niet meer dan 183 dagen gedurende een kalenderjaar worden te werk gesteld, teneinde de noodzakelijke praktijkopleiding te verkrijgen.

Ad artikel 11 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 17 Lonen, salarissen en soortgelijke beloningen, die de Duitse „Bundespost”, de Duitse „Bundesbahn”, de Duitse „Bundesbank”, de Nederlandsche Spoorwegen, het Staatsbedrijf der P.T.T. en de Nederlandsche Bank toekennen, vallen onder het eerste lid van artikel 11 en niet onder het tweede lid van artikel 11.

Ad artikel 13 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 18 Zolang in de Bondsrepubliek Duitsland het tarief van de vennootschapsbelasting voor uitgedeelde winsten lager is dan het belastingtarief voor niet-uitgedeelde winsten, geldt voor deelnemingen in de zin van artikel 13, vierde lid, het volgende:

    • a) bedraagt het verschil 10 % of meer, dan mag de in te houden belasting in de Bondsrepubliek Duitsland 15 % van de dividenden niet te boven gaan;

    • b) bedraagt het verschil 20 % of meer, dan mag bij dividenden, die na 31 december 1958 worden betaald, de in te houden belasting in de Bondsrepubliek Duitsland 25 % niet te boven gaan.

Ad artikel 15 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 19 Voor zover in contracten vergoedingen als royalties of andere vergoedingen worden overeengekomen, die feitelijk verkapte winstuitdelingen zijn, vindt artikel 13 toepassing.

Ad artikel 23 [Vervallen per 01-12-2015]

  • 20 De verplichting van de hoogste belastingautoriteiten om inlichtingen te verstrekken heeft geen betrekking op feiten, waarvan de belastingautoriteiten van banken of daarmede gelijkgestelde instellingen hebben kennis gekregen.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 16e juni 1959, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS.

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) J. LÖNS.

Nr. I [Vervallen per 01-12-2015]

BOTSCHAFT DER

BUNDESREPUBLIK DEUTSCHLAND

DEN HAAG

Den Haag, den 16. Juni 1959.

Herr Aussenminister:

Anlässlich der heutigen Unterzeichnung des Abkommens zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande zur Vermeidung der Doppelbesteuerung auf dem Gebiete der Steuern vom Einkommen und vom Vermögen sowie verschiedener sonstiger Steuern und zur Regelung anderer Fragen auf steuerlichem Gebiete beehre ich mich, Eurer Exzellenz im Namen der Regierung der Bundesrepublik Deutschland mitzuteilen, dass nach ihrer Auffassung das heute unterzeichnete Abkommen an die Stelle des am 18. August 1958 unterzeichneten Abkommens tritt.

Ich wäre Eurer Exzellenz sehr dankbar, wenn Sie mir das Einverständnis Ihrer Regierung mit dieser Auffassung und damit bestätigen würden, dass die Ratifizierung des am 18. August 1958 unterzeichneten Abkommens unter diesen Umständen nicht weiter betrieben werden soll.

Ich benutze auch diesen Anlass, Eure Exzellenz erneut meiner ausgezeichneten Hochachtung zu versichern.

(gez.) J. LÖNS.

An Seine Exzellenz den Minister der Auswärtigen Angelegenheiten, Dr. J. M. A. H. Luns, Den Haag.

Nr. II [Vervallen per 01-12-2015]

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

's-Gravenhage, 16 juni 1959.

Mijnheer de Ambassadeur,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van Uwer Excellentie's brief van heden, van de volgende inhoud:

„Bij gelegenheid van de ondertekening van de Overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, welke ondertekening heden heeft plaats gehad, heb ik de eer Uwer Excellentie namens de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland mede te delen, dat naar haar opvatting de heden ondertekende Overeenkomst in de plaats treedt van de op 18 augustus 1958 ondertekende Overeenkomst.

Ik zou Uwer Excellentie zeer erkentelijk zijn, indien Zij mij de instemming van Haar Regering met deze opvatting zou bevestigen en daarmede zou bevestigen, dat de bekrachtiging van de op 18 augustus 1958 ondertekende Overeenkomst onder deze omstandigheden geen doorgang meer vindt.”

Ik heb de eer, Uwer Excellentie mede te delen, dat de Nederlandse Regering met de opvatting van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland instemt.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik, Mijnheer de Ambassadeur, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te hernieuwen.

(w.g.) J. LUNS.

Zijner Excellentie Dr. J. Löns, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van de Bondsrepubliek Duitsland, 's-Gravenhage.

Bijlage bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied [Vervallen per 01-12-2015]

Indien de plaats van leiding van een rechtspersoon zich bevindt op een grensoverschrijdend bedrijventerrein en de gemeenschappelijke grens tussen de Staten loopt door de vaste bedrijfsinrichting waarin de plaats van leiding zich bevindt, dan heeft de rechtspersoon ingevolge artikel 3, lid 5a, van de Overeenkomst haar woonplaats in de volgende Staat:

  • a. indien eenduidig kan worden vastgesteld, in welke Staat de plaats van leiding van de rechtspersoon zich bevindt, dan heeft zij haar woonplaats in deze Staat.

  • b. indien niet eenduidig kan worden vastgesteld, in welke Staat de plaats van leiding van de rechtspersoon zich bevindt, dan heeft zij haar woonplaats in de Staat waarin het grootste deel is gelegen van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend.

Voorbeelden:

Voorbeeld nr. 1:

Bijlage 10000055400.png

De plaats van leiding kan eenduidig worden vastgesteld.

Nederland heeft het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming (artikel 3, lid 5a, juncto artikel 5, eerste en vierde lid, van de Overeenkomst).

Voorbeeld nr. 2:

Bijlage 10000055392.png

De plaats van leiding kan niet eenduidig worden vastgesteld, omdat de plaats van leiding niet duidelijk in een van beide Staten is gelegen.

Doorslaggevend is het grootste deel van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend.

Door de onderneming gebruikte oppervlakte:

100 m2 + 100 m2 + 400 m2 = 600 m2

daarvan in Duitsland gelegen deel:

50 m2 + 50 m2 + 400 m2 = 500 m2

daarvan in Nederland gelegen deel:

50 m2 + 50 m2 = 100 m2

Duitsland heeft het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming (artikel 3, lid 5a, juncto artikel 5, eerste en vierde lid, van de Overeenkomst).

Voorbeeld nr. 3:

Bijlage 10000054884.png

De plaats van leiding kan niet eenduidig worden vastgesteld, omdat de plaats van leiding niet duidelijk in een van beide Staten is gelegen.

Doorslaggevend is het grootste deel van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend (hier: gebouw 1).

Door de onderneming gebruikte oppervlakte:

100 m2 + 100 m2 = 200 m2

daarvan in Duitsland gelegen deel:

30 m2 + 30 m2 = 60 m2

daarvan in Nederland gelegen deel:

70 m2 + 70 m2 = 140 m2

Nederland heeft het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming (artikel 3, lid 5a, juncto artikel 5, eerste en vierde lid, van de Overeenkomst).

Voorbeeld nr. 4:

Bijlage 10000054885.png

De plaats van leiding kan niet eenduidig worden vastgesteld, omdat de plaats van leiding niet duidelijk in een van beide Staten is gelegen.

Doorslaggevend is het grootste deel van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend.

Door de onderneming gebruikte oppervlakte:

250 m2

daarvan in Duitsland gelegen deel:

200 m2

daarvan in Nederland gelegen deel:

50 m2

Duitsland heeft het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming (artikel 3, lid 5a, juncto artikel 5, eerste en vierde lid, van de Overeenkomst).