Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake [...] de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag), 's-Gravenhage, 08-04-1960

Geldend van 01-08-1963 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag)

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag)

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen:

Artikel 1

  • 1 De Bondsrepubliek Duitsland betaalt het Koninkrijk der Nederlanden een bedrag van 280 miljoen DM.

  • 2 Van het in lid 1 genoemde bedrag dient 100 miljoen DM op de dag na de inwerkingtreding van dit Verdrag, 90 miljoen DM een jaar, en 90 miljoen DM twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te worden betaald.

Artikel 2

De in artikel 1 genoemde betaling vindt plaats met het oog op:

  • 1.

    • a) de nog resterende Nederlandse vorderingen uit hoofde van de bij notawisseling van 19 mei 1952 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de restitutie van Duitse in Rijksmark luidende effecten;

    • b) de uitgaven welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen tot en met 31 maart 1960 hebben gedaan in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden;

    • c) de bijdrage van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten van de voorgenomen normalisering van de Westerwoldsche Aa (§ 47 van Bijlage A bij het Grensverdrag);

  • 2. de vorderingen, naar voren gebracht ten behoeve van Nederlanders die om redenen van ras, geloof of wereldbeschouwing getroffen zijn door nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen;

  • 3. alle tijdens de heden afgesloten onderhandelingen door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden geldend gemaakte aanspraken inzake:

    • a) alle door Duitse instellingen uitgegeven effecten (met inbegrip van hiervoor uitgegeven certificaten) die tijdens de tweede wereldoorlog uit Nederland zijn weggevoerd en ten aanzien waarvan niet reeds een regeling is getroffen bij de Nederlands-Duitse notawisseling van 19 mei 1952, voor zover de uitgevende instellingen gevestigd zijn in het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn, of voor zover deze effecten onderworpen zijn aan de in dit gebied voorgeschreven „Wertpapierbereinigung”.

    • b) kredieten welke verband houden met het op 11 mei 1920 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen de Nederlandse en de Duitse Regering inzake krediet en steenkolen (Tredefina-Verdrag);

    • c) tegoeden welke op 8 mei 1945 bij Duitse kredietinstellingen werden aangehouden ten name van voormalige nationaalsocialistische organisaties in Nederland;

    • d) de kredieten aan ondernemingen van de Duitse celwolindustrie, waarvoor de Reichskreditgesellschaft zich als borg heeft verbonden;

    • e) tegoeden en gelden welke tijdens de tweede wereldoorlog door in Nederland aangestelde „Verwalter” naar Duitsland zijn overgemaakt of weggevoerd;

    • f) de op 14 december 1950 te Niederbreisig ondertekende Nederlands-Duitse overeenkomst tot regeling van de met de restitutie van binnenschepen verband houdende vraagstukken.

Artikel 3

De Bondsrepubliek Duitsland zal het Koninkrijk der Nederlanden de uitgaven vergoeden voor lopende investeringen welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen in de periode van 1 april 1960 tot de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag hebben verricht in de in artikel 4 van het Grensverdrag aangegeven gebieden. De beide Regeringen zullen zich verstaan over de grootte van deze uitgaven.

Artikel 4

Het Koninkrijk der Nederlanden draagt op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag het vroegere Duitse gezantschapsgebouw te 's-Gravenhage, Lange Vijverberg 8 (Gemeente 's-Gravenhage, sectie E nr. 812 en 2430) in eigendom over aan de Bondsrepubliek Duitsland, zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen.

Artikel 5

  • 1 Vermogensbestanddelen die als Duits vermogen krachtens het Nederlandse Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgegaan, ten aanzien waarvan echter tot de dag van ondertekening van dit Verdrag het Nederlandse Beheersinstituut nog geen stappen tot inbezitneming heeft genomen en ten aanzien waarvan geen andere behandeling lopende is, worden zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen ter beschikking gesteld van de vroegere Duitse rechthebbenden of hun rechtsopvolgers, voor zover zich hiertegen geen gewichtige redenen verzetten.

  • 2 Het Koninkrijk der Nederlanden behoudt zich voor, vermogensbestanddelen die tussen 1 april 1941 en 5 mei 1945 zijn verworven door middel van overmakingen van Rijksmarken in de zin van de Nederlandse Wet herstel vermogensovergang Rijksmarkengebied, slechts in zoverre ter beschikking te stellen dat de bepalingen van genoemde wet op deze vermogensbestanddelen overeenkomstig worden toegepast.

Artikel 6

  • 1 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal in bijzondere gevallen verzoeken tot teruggave van Duitse vermogens die krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgegaan, of van de netto-opbrengsten daarvan, welwillend onderzoeken, voor zover de verzoeken binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag door de Duitse betrokkenen of hun rechtsopvolgers bij de Ministers van Justitie en van Financiën van het Koninkrijk der Nederlanden worden ingediend.

  • 2 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan van dit onderzoek gevallen uitsluiten, waarin reeds een beslissing is genomen en waarbij geen nieuwe gronden voor de teruggave worden aangevoerd.

Artikel 7

  • 1 Vermogensbestanddelen die afkomstig zijn uit de nalatenschappen van na 8 mei 1945 overleden niet-Duitse erflaters, of de netto-opbrengsten daarvan, en die als Duits vermogen krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgegaan, worden aan de Duitse betrokkenen of hun rechtsopvolgers op hun verzoek ter beschikking gesteld. Het verzoek dient binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bij het Nederlandse Beheersinstituut te worden ingediend.

  • 2 Indien een zodanige nalatenschap bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog niet is verdeeld, worden aan de Duitse betrokkenen of hun rechtsopvolgers de aan hen toevallende aanspraken ter beschikking gesteld, zonder dat daartoe een verzoek behoeft te worden ingediend en zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen.

Artikel 8

Voor zover vroegere Duitse rechthebbenden of personen die naar Duits recht in hun plaats zijn getreden, geïnteresseerd zijn in het terugverkrijgen van hun krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden overgegane en daarna vervreemde handelsmerken en de tegenwoordige Nederlandse rechthebbenden bereid zijn daaraan mede te werken, zal de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden in overleg met de Ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland te 's-Gravenhage de mogelijkheid onderzoeken of en in hoeverre, met inachtneming van het ten aanzien van de overdracht van handelsmerken in het Koninkrijk der Nederlanden geldende recht, in het bijzonder artikel 20 van de Nederlandse Merkenwet, een voor alle belanghebbenden bevredigende oplossing kan worden bereikt.

Artikel 9

  • 1 Het Koninkrijk der Nederlanden zal vorderingen van Duitse schuldeisers, die gedekt zijn door hypotheken op in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn gelegen onroerende goederen van Nederlandse eigenaars, niet op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen opeisen. Op zijn verzoek zal het Koninkrijk der Nederlanden geïnde bedragen weer ter beschikking van de schuldenaar stellen, voor zover de hypotheek nog niet is doorgehaald of een rechtsgeldige toestemming tot doorhaling nog niet is verleend.

  • 2 In gevallen waarin processen aanhangig zijn, behoudt het Koninkrijk der Nederlanden zich voor, zijn gedragslijn overeenkomstig lid 1 ervan afhankelijk te stellen dat de procespartijen het proces beëindigen door intrekking van de eis of erkenning van de vordering onder verdeling der gerechtskosten en onder wederzijds afzien van aanspraken wegens buitengerechtelijke kosten. De procespartijen wordt aanbevolen de tussen hen aanhangige processen op deze wijze te beëindigen.

Artikel 10

  • 1 Het Koninkrijk der Nederlanden staat ervoor in, dat Nederlandse naamloze vennootschappen waarvan het gehele geplaatste kapitaal als Duits vermogen krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen op het Koninkrijk der Nederlanden is overgegaan en tot op de dag van ondertekening van dit Verdrag niet aan derden is overgedragen, hun vermogensbestanddelen die zich op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn bevinden, ter vrije beschikking stellen van de voormalige Duitse aandeelhouders of hun rechtsopvolgers. Dit geldt niet voor zover het overige vermogen van de vennootschap niet voldoende is om haar schulden te dekken.

  • 2 Lid 1 wordt ook dan toegepast indien enige aandelen die gezamenlijk een gering percentage van het kapitaal vormen, bij de inwerkingtreding van het Besluit Vijandelijk Vermogen toebehoorden aan niet-Duitse commissarissen, directeuren of andere leidinggevende employés van de betrokken vennootschap.

  • 3 Lid 1 en lid 2 gelden overeenkomstig voor alle andere Nederlandse rechtspersonen in de zin van artikel 1 sub 4 van het Besluit Vijandelijk Vermogen.

  • 4 De rechtspositie met betrekking tot het zich in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn bevindende vermogen van Nederlandse rechtspersonen in de zin van artikel 1 sub 4 van het Besluit Vijandelijk Vermogen wordt in de gevallen die niet door deze bepalingen worden geregeld, niet aangetast door de leden 1 tot en met 3.

  • 5 De bepalingen van artikel 9, lid 2, van dit Verdrag gelden overeenkomstig.

Artikel 11

  • 1 Het Koninkrijk der Nederlanden zal certificaten van in Rijksmarken, Goudmarken of fijn goud luidende effecten, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende opbrengsten, die zich als Duits vermogen op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk bevinden en die tot de datum van ondertekening van dit Verdrag niet aan derden zijn overgedragen, ter doorgeving aan de vroegere Duitse rechthebbenden of hun rechtsopvolgers ter beschikking stellen van de Bondsrepubliek Duitsland of van een door de Bondsregering aan te wijzen instantie zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen.

  • 2 Dit geldt overeenkomstig voor duplicaten welke voor zodanige certificaten zijn uitgegeven, alsmede voor de aanspraken op afgifte van duplicaten.

Artikel 12

  • 1 Het Koninkrijk der Nederlanden stelt de bedragen welke Duitse schuldenaars van obligaties van welke aard ook, alsmede van pand- en rentebrieven, of welke rechtsvoorgangers van deze schuldenaars in Nederland hebben gedeponeerd voor tot en met 8 mei 1945 vervallen rente en voor de tot en met dat tijdstip te betalen aflossingsbedragen, kosten en rechten, ter beschikking voor de leningdienst. Dit geldt ook voor bedragen die zijn gedeponeerd voor aflossingen van leningen op grond van vóór 9 mei 1945 afgekondigde opzeggingen van de lening of op grond van vóór dat tijdstip overeengekomen aflossingen. De bedragen worden zonder enige voorwaarde en zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen ter beschikking gesteld.

  • 2 Het Koninkrijk der Nederlanden sluit de door de „Gewerkschaften” Carl Alexander en Carolus Magnus, alsmede de door het „Deutsches Kalisyndikat” gedeponeerde bedragen van deze regeling uit.

Artikel 13

  • 1 Het Koninkrijk der Nederlanden zal pensioenen en soortgelijke uitkeringen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst met een Nederlandse natuurlijke of rechtspersoon en die krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgegaan, op zijn verzoek ter beschikking stellen aan de vroegere rechthebbende, voor zover hij naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland de Duitse nationaliteit bezit en deze pensioenen en uitkeringen niet reeds vroeger ter beschikking zijn gesteld. Dit geldt eveneens voor uitkeringen die voortvloeien uit een verzekeringsovereenkomst gesloten in verband met een zodanige arbeidsovereenkomst of in verband met de uitoefening van een beroep in het Koninkrijk der Nederlanden of in de vroegere delen van het Koninkrijk door een persoon die de Duitse nationaliteit bezit. De vorenbedoelde pensioenen en uitkeringen worden ter beschikking gesteld met inachtneming van de volgende bepalingen:

    • a) personen die op 1 februari 1946 hun gewone verblijfplaats hadden binnen het tegenwoordige gebied van het Koninkrijk der Nederlanden of van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn, ontvangen de sedert 1 februari 1946 vervallen en in de toekomst vervallende bedragen;

    • b) personen die op 1 november 1952 hun gewone verblijfplaats hadden buiten het Duitse Rijk naar de toestand van 31 december 1937 en buiten het Koninkrijk der Nederlanden, ontvangen de sedert 1 november 1952 vervallen en in de toekomst vervallende bedragen;

    • c) personen die zich na 1 februari 1946 binnen het tegenwoordige gebied van het Koninkrijk der Nederlanden of van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn hebben gevestigd of zullen vestigen, of zich na 1 november 1952 buiten het Duitse Rijk naar de toestand van 31 december 1937 en buiten het Koninkrijk der Nederlanden hebben gevestigd of zullen vestigen, ontvangen de sedert de datum van hun vestiging vervallen en in de toekomst vervallende bedragen;

    • d) op personen die onder verschillende van de hierboven vermelde bepalingen vallen, is de voor hen gunstigste bepaling van toepassing.

  • 2 Bij kapitaalverzekeringen wordt de aanspraak of het door het Nederlandse Beheersinstituut geïnde bedrag aan de vroegere rechthebbende ter beschikking gesteld. Indien het verzekerde bedrag vervallen is vóór de volgens lid 1 beslissende peildata, wordt het uit te betalen bedrag verminderd met 4% per jaar, gerekend van de vervaldatum tot de peildatum.

  • 3 In gevallen waarin tussen het Nederlandse Beheersinstituut en de verzekeraar een afkoopregeling is getroffen, wordt het door het Nederlandse Beheersinstituut geïnde bedrag aan de vroegere rechthebbende ter beschikking gesteld, onder aftrek van de bedragen waarop hij op de voet van de bovenstaande bepalingen geen aanspraak kan maken.

  • 4 Bij het overlijden van rechthebbenden ontvangen de erfgenamen op hun verzoek de nog niet aan de erflater uitbetaalde bedragen waarop de erflater op grond van de bovenstaande bepalingen aanspraak zou hebben kunnen maken.

  • 5 De bedragen en aanspraken worden zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen ter beschikking gesteld.

  • 6 De aanvragen moeten binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bij het Nederlandse Beheersinstituut worden ingediend.

Artikel 14

Het Koninkrijk der Nederlanden zal, op de voet van hoofdstuk 3 van het bij dit Verdrag behorende Slotprotocol, de personen van Duitse nationaliteit die destijds in dienst stonden van Nederlands-Indië, ex gratia pensioenen of soortgelijke uitkeringen toekennen overeenkomstig de beginselen die gelden voor andere personen die destijds in dienst stonden van Nederlands-Indië.

Artikel 15

  • 1 Door de in artikel 1 vermelde betaling zijn alle in artikel 2 genoemde Nederlandse vorderingen en aanspraken definitief geregeld. Het Koninkrijk der Nederlanden zal, voor zover in artikel 18 van het Slotprotocol niet anders is bepaald, de Bondsrepubliek Duitsland alsmede Duitse natuurlijke en rechtspersonen vrijwaren indien deze door derden uit hoofde van deze vorderingen en aanspraken mochten worden aangesproken. Aanspraken van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen op grond van de Duitse wetten inzake het herstel van nationaal-socialistisch onrecht blijven onaangetast, voor zover zij geen betrekking hebben op de in artikel 2 onder 1a en 3a genoemde effecten.

  • 2 Het Koninkrijk der Nederlanden zal in de toekomst de Bondsrepubliek Duitsland niet benaderen met het verzoek tot regeling van soortgelijke vorderingen of aanspraken, alsmede van vorderingen of aanspraken die voortvloeien uit de oorlog en de bezetting van Nederland. Aanspraken van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen op grond van de Duitse wetten inzake de regeling van de gevolgen van de oorlog blijven onverminderd bestaan.

Artikel 16

  • 1 De Verdragsluitende Partijen stellen vast dat de bepalingen van het zesde hoofdstuk van het op 26 mei 1952 te Bonn ondertekende Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting (zoals gewijzigd op 23 oktober 1954) ook betrekking hebben op maatregelen die het Koninkrijk der Nederlanden op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen heeft genomen.

  • 2 Met het oog op de definitieve regeling die in de artikelen 4 tot en met 13 van dit Verdrag en in hoofdstuk 5 van het Grensverdrag op basis van artikel 4 van het zesde hoofdstuk van het in lid 1 genoemde verdrag is getroffen, zal de Bondsrepubliek Duitsland bij het Koninkrijk der Nederlanden geen verdere vorderingen of aanspraken ten aanzien van de toepassing van het Besluit Vijandelijk Vermogen aanhangig maken.

Artikel 17

  • 1 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag voor Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen alsmede voor Nederlands Nieuw-Guinea. De toepassing op Suriname en de Nederlandse Antillen is echter afhankelijk van de goedkeuring door de Regeringen van die landen. Deze goedkeuring zal geacht worden te zijn verleend indien de Regering van het Koninkrijk niet binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland mededeling doet van het tegendeel.

  • 2 De verplichtingen welke krachtens de artikelen 5 tot en met 13 van dit Verdrag en krachtens hoofdstuk 2 van het Slotprotocol op het Koninkrijk der Nederlanden rusten, hebben alleen betrekking op die vermogensbestanddelen welke zich bevinden in de delen van het Koninkrijk waarop dit Verdrag van toepassing is.

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden der Verdragsluitende Partijen dit Verdrag, dat deel uitmaakt van het heden ondertekende Algemene Verdrag, hebben ondertekend.

Gedaan te 's-Gravenhage, 8 april 1960, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) VON BRENTANO

(w.g.) LAHR

Slotprotocol bij het Financiële Verdrag

Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging zijn de gevolmachtigden van beide Partijen over de volgende bepalingen tot overeenstemming gekomen en hebben de volgende verklaringen afgelegd:

HOOFDSTUK 1. (bij de artikelen 1 tot en met 3 van het Verdrag)

Artikel 1

Het Koninkrijk der Nederlanden staat na de inwerkingtreding van dit Verdrag aan de Bondsrepubliek Duitsland of aan de door de Bondsregering aan te wijzen instanties alle eventueel aan het Koninkrijk der Nederlanden toekomende vorderingen en aanspraken af, voor zover deze betrekking hebben op:

  • 1. de Nederlandse kredieten aan ondernemingen van de Duitse celwolindustrie, waarvoor de „Reichskreditgesellschaft” zich als borg heeft verbonden (artikel 2 sub 3d van het Verdrag);

  • 2. door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Bondsregering ter kennis gebrachte vorderingen uit hoofde van liggelden en bewakingskosten voor Duitse binnenschepen en verdere daarmede verband houdende vorderingen overeenkomstig punt 6, derde volzin, van bijlage 1 bij de Nederlands-Duitse overeenkomst van 14 december 1950 tot regeling van de met de restitutie van binnenschepen verband houdende vraagstukken (artikel 2 sub 3f van het Verdrag).

Artikel 2

Het Koninkrijk der Nederlanden staat aan de Bondsrepubliek Duitsland of aan de door de Bondsregering aan te wijzen instanties alle aanspraken af die het Koninkrijk toekomen uit hoofde van nog uitstaande kredieten voor de woningbouw, kredieten aan kleine zelfstandigen, alsmede kredieten ter vergoeding van oorlogsschade in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden (artikel 2 sub 1b en artikel 3 van het Verdrag).

Artikel 3

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal ervoor zorgdragen dat de voor de uitvoering van de bovenbedoelde cessies nodige verklaringen worden afgegeven en dat de vereiste bescheiden, voorzover aanwezig, ter beschikking worden gesteld.

Artikel 4

Het Koninkrijk der Nederlanden erkent, dat rechten uit hoofde van nominaal RM 1.500.000 „Reichsschatzanweisungen”, welke voortvloeien uit de opbrengst van in Rijksmark luidende effecten die tijdens de oorlog uit Nederland naar Duitsland zijn weggevoerd en door de „Deutsche Revisions- und Treuhand AG.” bij de „Reichskreditgesellschaft AG.” zijn gedeponeerd, de Bondsrepubliek Duitsland toekomen.

HOOFDSTUK 2. (bij de artikelen 4 tot en met 13 van het Verdrag)

Artikel 5

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal ernaar streven, bij de in artikel 4 van het Verdrag overeengekomen eigendomsoverdracht het vroegere Duitse gezantschapsgebouw tevens aan de Bondsrepubliek Duitsland ten gebruike ter beschikking te stellen. Indien het de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden om technische redenen niet mogelijk mocht zijn, het gebouw op dat tijdstip ledig over te dragen, zal zij het uiterlijk tot en met 31 december 1961 mogen blijven gebruiken, met dien verstande dat zij gedurende die tijd de op de eigenaar rustende kosten en lasten draagt

Artikel 6

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal, indien daarom door tussenkomst van de Ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland te 's-Gravenhage wordt gevraagd, aan de vroegere eigenaars van in het Koninkrijk in beslag genomen Duitse vermogensbestanddelen met uitzondering van huisraad en grondbezit inlichtingen verstrekken inzake de omvang en de realisering van deze vermogensbestanddelen of inzake de grootte van de liquidatie-opbrengsten, voorzover dit praktisch mogelijk is en de inlichtingen noodzakelijk zijn om de uitvoering van de in het kader van de Duitse wetgeving inzake de regeling van de gevolgen van de oorlog reeds bestaande of nog uit te vaardigen wettelijke voorschriften, mogelijk te maken.

Artikel 7

Het Koninkrijk der Nederlanden zal tegen vroegere eigenaars van in beslag genomen Duits vermogen geen aanspraken geldend maken op grond van het feit dat verplichtingen van deze eigenaars uit dit vermogen of uit de opbrengst daarvan zijn betaald.

HOOFDSTUK 3. (bij artikel 14 van het Verdrag)

Artikel 8

Het Koninkrijk der Nederlanden betaalt ex gratia aan de vóór 10 mei 1940 gepensioneerde Nederlands-Indische ambtenaren van Duitse nationaliteit:

  • 1. over de periode van 1 mei 1956 tot en met 31 december 1957, gedurende welke de Republiek Indonesië het bedrag van hun pensioenen in rupiah's heeft betaald: het koersverschil in guldens vermeerderd met de door het Koninkrijk der Nederlanden verleende toeslagen;

  • 2. over de periode van 1 januari 1958 af, de datum waarop de Republiek Indonesië de betaling van pensioenen aan rechthebbenden buiten Indonesië geheel heeft gestaakt: de bedragen der pensioenen in guldens vermeerderd met de door het Koninkrijk der Nederlanden tot nu toe verleende en in de toekomst nog te verlenen toeslagen, voor zolang en voorzover de Republiek Indonesië ter zake nalatig blijft.

Artikel 9

Het Koninkrijk der Nederlanden betaalt in guldens aan de weduwen en wezen van de in artikel 8 bedoelde gepensioneerden de weduwenpensioenen en wezenonderstanden hun toekomend krachtens het reglement van het weduwen- en wezenfonds waarin de overledene deelgenoot is geweest, vermeerderd met de door het Koninkrijk der Nederlanden tot nu toe verleende of in de toekomst nog te verlenen toeslagen.

Artikel 10

  • 1 Het Koninkrijk der Nederlanden kent ex gratia, met ingang van 1 mei 1956, onderstand bij wijze van pensioen toe aan de per 10 mei 1940 zonder het predikaat eervol ontslagen Nederlands-Indische ambtenaren van Duitse nationaliteit die op het ogenblik van hun ontslag in vaste dienst waren.

  • 2 Het bedrag van de onderstand wordt berekend op de voet van het Indisch Burgerlijk Pensioenreglement, zoals dat luidde op het ogenblik van hun ontslag.

  • 3 Het Koninkrijk der Nederlanden zal deze onderstanden uitbetalen in guldens vermeerderd met de door het Koninkrijk tot nu toe verleende en in de toekomst nog te verlenen toeslagen.

Artikel 11

Het Koninkrijk der Nederlanden betaalt aan weduwen en wezen na de dood van de krachtens artikel 10 rechthebbenden, met uitzondering echter van de periode vóór 1 mei 1956, ex gratia weduwenpensioenen en wezenonderstanden in guldens overeenkomstig het reglement van het weduwen- en wezenfonds waarbij de overledene op het ogenblik van zijn ontslag verplicht was aangesloten, vermeerderd met de door het Koninkrijk tot nu toe verleende en in de toekomst nog te verlenen toeslagen.

Artikel 12

  • 1 Het Koninkrijk der Nederlanden kent ex gratia, met ingang van 1 mei 1956, onderstand bij wijze van pensioen toe aan de per 10 mei 1940 zonder het predikaat eervol ontslagen Nederlands-Indische ambtenaren van Duitse nationaliteit die op het ogenblik van hun ontslag in tijdelijke dienst waren, voorzover de betrokkenen kunnen aantonen dat hun dienstverband minstens tien achtereenvolgende jaren heeft geduurd.

  • 2 Aangezien de betrokkenen op het ogenblik van hun ontslag niet in vaste dienst waren en zij derhalve niet in hun pensioen hebben bijgedragen, zal deze onderstand worden gesteld op 4/5 van de onderstand die hun krachtens lid 2 van artikel 10 zou toekomen.

  • 3 Het Koninkrijk der Nederlanden zal deze onderstanden uitbetalen in guldens vermeerderd met de door het Koninkrijk tot nu toe verleende en in de toekomst nog te verlenen toeslagen.

Artikel 13

Het Koninkrijk der Nederlanden kent geen onderstand bij wijze van pensioen toe overeenkomstig de artikelen 10 en 12 aan personen van wie is gebleken dat zij het nationaal-socialisme daadwerkelijk hebben gesteund, dan wel dat zij zich vijandig jegens de belangen van het Koninkrijk hebben gedragen.

Artikel 14

  • 1 Uitkeringen krachtens de wetgeving op grond van artikel 131 van de Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland worden in mindering gebracht op de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 12.

  • 2 Het Koninkrijk der Nederlanden kan ten aanzien van betalingen uit hoofde van de artikelen 8 en 10 tot en met 12 niet als vroegere „Dienstherr” of „Versorgungsträger” in de zin van artikel 77a van de Duitse wet tot regeling van de rechtsverhoudingen van de onder artikel 131 van de Grondwet vallende personen worden beschouwd.

Artikel 15

Het Koninkrijk der Nederlanden kan van bovenstaande regeling die personen uitsluiten, die hun woonplaats niet in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn hebben.

Artikel 16

Het Koninkrijk der Nederlanden kan eisen dat rechthebbenden, voorzover zij krachtens bovenstaande bepalingen uitkeringen ontvangen, hun aanspraken tegenover de Republiek Indonesië aan het Koninkrijk cederen.

Artikel 17

  • 1 Uitkeringen overeenkomstig de bovenstaande bepalingen kunnen slechts plaatsvinden, indien de rechthebbenden zich bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken aanmelden en de documenten die eventueel nodig zijn om te bewijzen dat zij recht hebben op een uitkering, overleggen.

  • 2 Rechthebbenden die zich na het verstrijken van een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken aanmelden, kunnen slechts nabetaling krijgen over een periode van 5 jaar eindigend op de eerste van de maand volgend op de datum van aanmelding.

HOOFDSTUK 4. (bij artikel 15 van het Verdrag)

Artikel 18

Het Koninkrijk der Nederlanden is niet gehouden Duitse privaatrechtelijke personen overeenkomstig de tweede zin van lid 1 van artikel 15 van het Verdrag, te vrijwaren, indien zij door Nederlanders die vanwege hun ras, geloof of wereldbeschouwing door nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen zijn getroffen, worden aangesproken uit hoofde van zodanige vorderingen en aanspraken die krachtens artikel 8, lid 2, van het „Bundesentschädigungsgesetz” onaangetast blijven.

HOOFDSTUK 5

Artikel 19

Het Koninkrijk der Nederlanden zal uit hoofde van de door oorlogshandelingen veroorzaakte verwoesting van het gebouw van het Koninklijke Nederlandse Gezantschap te Berlijn, Rauchstrasse 10, geen vorderingen aanhangig maken.

SLOTBEPALING

Artikel 20

De bepalingen van dit Slotprotocol maken deel uit van het Financiële Verdrag.

GEDAAN te 's-Gravenhage, 8 april 1960, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) VON BRENTANO

(w.g.) LAHR

Nr. I

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Unter Bezugnahme auf Artikel 2 des heute unterzeichneten Finanzvertrags beehre ich mich, Ihnen zu bestätigen, dass die Verteilung des in Artikel 1 des Vertrags bezeichneten Betrags ausschliesslich dem Ermessen der Regierung des Königreichs der Niederlande überlassen bleibt.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz den Minister für Auswärtige Angelegenheiten des Königreichs der Niederlande Herrn J. M. A. H. Luns Den Haag

Nr. II

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Ik heb de eer U de ontvangst te bevestigen van Uw brief van heden, waarvan de tekst in Nederlandse vertaling als volgt luidt:

„Onder verwijzing naar artikel 2 van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer U te bevestigen dat de verdeling van het in artikel 1 van het Verdrag genoemde bedrag geheel wordt overgelaten aan het beleid van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden.”

Van de inhoud van Uw brief heb ik kennis genomen.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie Dr. H. von Brentano, Bondsminister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr. III

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Onder verwijzing naar artikel 2 van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer U het volgende mede te delen:

Op grond van de door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden naar voren gebrachte politieke gezichtspunten en overgelegde feitelijke gegevens heeft de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zich in de loop van de onderhandelingen bereid verklaard tot de uit artikel 2 sub 2 blijkende regeling ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging, met inbegrip van hun nabestaanden.

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden geeft uitdrukking aan de verwachting, dat de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zich op verzoek van de Regering van het Koninkrijk bereid Verklaart met haar in onderhandeling te treden indien de Bondsrepubliek met een andere staat een overeenkomst sluit op grond waarvan andere dan de vorenbedoelde groepen personen een schadevergoeding zullen ontvangen.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie Dr. H. von Brentano, Bondsminister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr. IV

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Eingang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen, dessen Text in deutscher Übersetzung wie folgt lautet:

„Unter Bezugnahme auf Artikel 2 des heute unterzeichneten Finanzvertrags beehre ich mich, Ihnen folgendes mitzuteilen:

Auf Grund der von der Regierung des Königreichs der Niederlande vorgetragenen politischen Gesichtspunkte und vorgelegten tatsächlichen Angaben hat sich die Regierung der Bundesrepublik Deutschland im Laufe der Verhandlungen zu der aus Artikel 2 Ziffer 2 ersichtlichen Regelung zugunsten niederländischer Opfer der nationalsozialistischen Verfolgung einschliesslich ihrer Hinterbliebenen bereit erklärt.

Die Regierung des Königreichs der Niederlande gibt der Erwartung Ausdruck, dass sich die Regierung der Bundesrepublik Deutschland auf Wunsch der Regierung des Königreichs der Niederlande bereit erklärt, in Verhandlungen mit ihr einzutreten, falls die Bundesrepublik Deutschland mit einem anderen Staat eine Vereinbarung trifft, nach der andere als die vorbezeichneten Personengruppen eine Entschädigung erhalten sollen.”

Ich beehre mich, darauf hinzuweisen, dass die Regierung der Bundesrepublik Deutschland anlässlich der Verhandlungen mehrfach zum Ausdruck gebracht hat, dass sie nicht beabsichtige und sich auch nicht in der Lage sehe, andere als die in Artikel 2 Ziffer 2 bezeichneten Personengruppen zu entschädigen. Sie wiederholt diese Erklärung aus Anlass des Abschlusses dieses Vertrags ausdrücklich.

Im Hinblick auf den von der Regierung des Königreichs der Niederlande geäusserten Wunsch erklärt sie sich jedoch bereit, mit dieser in Verhandlungen einzutreten, falls die Bundesrepublik Deutschland mit einem anderen Staat eine Vereinbarung trifft, nach der andere als die in Artikel 2 Ziffer 2 bezeichnetem Personengruppen eine Entschädigung erhalten sollen, und falls in der betreffenden Vereinbarung diese Personengruppen nach eindeutigen und bestimmten Merkmalen festgelegt worden sind.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz den Minister für Auswärtige Angelegenheiten des Königreichs der Niederlande Herrn J. M. A. H. Luns Den Haag

Nr. V

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Onder verwijzing naar artikel 3 van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer U het volgende mede te delen:

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal met ingang van heden geen verdere investeringen verrichten in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden, zonder zich tevoren met de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland over aard en omvang van zodanige investeringen te hebben verstaan.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie Dr. H. von Brentano, Bondsminister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr. VI

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April I960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Empfang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen, dessen Text in deutscher Übersetzung wie folgt lautet:

„Unter Bezugnahme auf Artikel 3 des heute unterzeichneten Finanzvertrags beehre ich mich, Ihnen folgendes mitzuteilen:

Die Regierung des Königreichs der Niederlande wird vom heutigen Tage an keine weiteren Investitionen in den in Artikel 4 des heute unterzeichneten Grenzvertrags bezeichneten Gebieten vornehmen, ohne sich vorher mit der Regierung der Bundesrepublik Deutschland über Art und Umfang solcher Investitionen verständigt zu habend.”

Ich habe vom Inhalt Ihres Schreibens Kenntnis genommen.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz den Minister für Auswärtige Angelegenheiten des Königreichs der Niederlande Herrn J. M. A. H. Luns Den Haag

Nr. VII

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Onder verwijzing naar artikel 12 van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer, het volgende op te merken:

Op grond van artikel 12 worden de door de „Gesellschaft für Hypothekenverwahrung GmbH” te Berlijn ter bediening van de leningen van de „International Mortgage & Investment Corporation”, Maryland, USA, overgemaakte bedragen niet ter beschikking gesteld, aangezien het hier niet om een door een Duitse schuldenaar uitgegeven lening gaat en voor deze lening, voorzover de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden bekend, ook geen andere schuldenaar, borg of garant aanwezig is, die uit dien hoofde een regeling op grond van de op 27 februari 1953 te Londen ondertekende Overeenkomst nopens de Duitse buitenlandse schulden zou moeten treffen.

Verder moge ik U het volgende mededelen:

Aanspraken voortvloeiende uit Duitse „Auslandsbonds” die zich op 8 mei 1945 niet in het Koninkrijk der Nederlanden bevonden, en eventueel hiervoor uitgegeven certificaten, ten aanzien waarvan het Koninkrijk niet in bijzondere gevallen in overleg met de eigenaars van de obligaties en van eventuele certificaten een regeling over de bediening van de lening heeft getroffen, zullen niet worden behandeld als Duits vermogen in de zin van het Besluit Vijandelijk Vermogen. Dit geldt ook voor obligaties van de leningen der „Gewerkschaften” Carolus Magnus en Carl Alexander; de bediening hiervan is gegarandeerd op de wijze als vastgesteld door besluiten van de vergaderingen van obligatiehouders.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie Dr. H. von Brentano, Bondsminister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr. VIII

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Eingang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen, dessen Text in deutscher Übersetzung wie folgt läutet:

„Unter Bezugnahme auf Artikel 12 des heute unterzeichneten Finanz Vertrags beehre ich mich, Sie auf folgendes hinzuweisen:

Auf Grund des Artikels 12 werden die von der Gesellschaft für Hypothekenverwahrung GmbH, in Berlin zur Bedienung der Anleihen der International Mortgage & Investment Corporation Maryland, USA, überwiesenen Beträge nicht zur Verfügung gestellt, weil es sich hier nicht um von einem deutschen Schuldner ausgegebene Anleihen handelt und für sie, soweit der Regierung des Königreichs der Niederlande bekannt, auch kein sonstiger Schuldner, Bürge oder Garant vorhanden ist, der insoweit eine Regelung nach dem am 27. Februar 1953 in London unterzeichneten Abkommen über deutsche Auslandsschulden vorzunehmen, hätte.

Ferner darf ich Sie von folgendem unterrichten:

Ansprüche aus am 8. Mai 1945 nicht im Königreich der Niederlande befindlichen deutschen Auslandsbonds und etwa hierüber ausgestellten Zertifikaten, für welche das Königreich im Einzelfall keine besondere Vereinbarung über die Bedienung im Einvernehmen mit den Eigentümern der Bonds und etwaiger Zertifikate getroffen hatte, werden nicht als deutsches Vermögen im Sinne des „Besluit Vijandelijk Vermogen” behandelt werden. Dies gilt auch für Obligationen der Anleihen der Gewerkschaften Carolus Magnus und Carl Alexander; ihre Bedienung ist in der Weise, wie es durch Beschlüsse der Obligationärsversammlungen festgelegt worden ist, sichergestellt.”

Ich habe vom Inhalt dieses Schreibens Kenntnis genommen und darf folgendes hinzufügen:

Aus der Tatsache, dass dem von der Regierung der Bundesrepublik Deutschland ausgesprochenen Wunsch nach Freigabe sämtlicher Dotationsbeträge durch Artikel 12 des Finanzvertrags nicht voll entsprochen worden ist, kann nicht gefolgert werden, dass die bisherige Rechtslage bezüglich der nicht freigegebenen Dotationsbeträge verändert worden ist oder die Interessen etwaiger Berechtigter präjudiziert werden.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz den Minister für Auswärtige Angelegenheiten des Königreichs der Niederlande Herrn J. M. A. H. Luns Den Haag

Nr. IX

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Onder verwijzing naar artikel 15, lid 2, van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer U het volgende mede te delen:

Het Koninkrijk der Nederlanden behoudt zich voor, aanspraken en vorderingen van de in lid 2 van artikel 15 genoemde soort bij een algemeen onderzoek overeenkomstig lid 2 van artikel 5 van de op 27 februari 1953 te Londen ondertekende Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden geldend te maken.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie Dr. H. von Brentano, Bondsminister van Buitenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr. X

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Empfang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen, dessen Text in deutscher Übersetzung wie folgt lautet:

„Unter Bezugnahme auf Artikel 15 Abs. 2 des heute unterzeichneten Finanzvertrags beehre ich mich, Ihnen folgendes mitzuteilen:

Das Königreich der Niederlande behält sich vor, Ansprüche und Forderungen der in Artikel 15 Abs. 2 genannten Art bei einer allgemeinen Prüfung gemäss Artikel 5 Abs. 2 des am 27. Februar 1953 in London unterzeichneten Abkommens über deutsche Auslandsschulden geltend zu machen.”

Ich habe vom Inhalt Ihres Schreibens Kenntnis genommen.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz den Minister für Auswärtige Angelegenheiten des Königreichs der Niederlande Herrn J. M. A. H. Luns Den Haag