Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van [...] van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie, 's-Gravenhage, 29-04-1969

Geldend van 01-12-1986 t/m heden

Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie

Authentiek : NL

Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie

De Regering van het Koninkrijk België,

De Regering van het Groothertogdom Luxemburg,

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

Gelet op het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, ondertekend te Brussel op 31 maart 1965,

Gelet op de Aanbeveling van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 15 januari 1965 en het door die Raad op 29 november 1968 uitgebrachte advies,

Verlangende rechtsbescherming te verlenen aan de personen in dienst van de Benelux Economische Unie door instelling van een ambtenarenrechtspraak,

Hebben tot dat doel besloten over te gaan tot het sluiten van een Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling van een Benelux-Gerechtshof, en zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

HOOFDSTUK I. Bevoegdheid

Artikel 1

Voor de personen in dienst van de Benelux Economische Unie staat administratief-rechtelijk beroep open in de gevallen en op de wijze, voorzien in dit Protocol.

Artikel 2

  • 1 Aan het Benelux-Gerechtshof wordt de rechtsmacht toegekend om van het in artikel 1 bedoelde beroep kennis te nemen.

  • 2 Deze rechtsmacht wordt uitgeoefend door een door het Hof uit zijn midden samengestelde Kamer, waarin drie rechters, van elk land één, voor een tijdvak van drie jaar zitting hebben. Het Hof wijst uit hun midden de Voorzitter en zijn plaatsvervanger aan. Het Hof kan voor elk der rechters een of meer plaatsvervangers aanwijzen.

Artikel 3

Deze Kamer neemt kennis van het beroep ingesteld door:

  • a. de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal alsmede de gewezen Secretarissen-Generaal en Adjunct-Secretarissen-Generaal tegen de besluiten, van algemene strekking dan wel betrekking hebbend op afzonderlijke gevallen, van het Comité van Ministers betreffende hun bezoldiging, pensioenen of andere sociale voorzieningen, betreffende op non-activiteitstelling op grond van ziekten of gebreken, betreffende pensionering op grond van lichamelijke ongeschiktheid, dan wel betreffende het recht op pensioen of op andere sociale voorzieningen van hun weduwen of wezen;

  • b. andere personen dan die bedoeld onder a., die in dienst van de Unie zijn of in haar dienst geweest zijn, tegen de besluiten, van algemene strekking dan wel betrekking hebbend op afzonderlijke gevallen, van een orgaan van de Unie inzake hun bezoldiging, pensioenen of andere sociale voorzieningen, het pensioen of andere sociale voorzieningen van hun weduwen of wezen, de hun opgelegde disciplinaire maatregelen, zwaarder dan een schriftelijke berisping, of schorsingen, op non-activiteitstelling, definitieve beëindiging van de ambtsvervulling, dan wel, in het algemeen, elk besluit, dat hun rechtspositie raakt;

  • c. de weduwe en de wezen van de onder a. en b. bedoelde personen tegen de besluiten, van algemene strekking dan wel betrekking hebbend op afzonderlijke gevallen, van een orgaan van de Unie betreffende hun pensioenen of andere sociale voorzieningen.

Artikel 4

Het Comité van Ministers kan bij beschikking bepalen dat de personen, die een leidende functie uitoefenen of uitgeoefend hebben bij instellingen van de Unie voor de toepassing van het bepaalde in artikel 3 worden geacht te behoren tot de onder a. van dat artikel bedoelde personen.

Artikel 5

In geval van overlijden van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde personen, kan hun recht van beroep worden uitgeoefend door hun erfgenamen en andere rechtsopvolgers onder algemene titel; dezen kunnen eveneens een aanhangig geding voortzetten.

Artikel 6

Het beroep heeft geen schorsende werking, tenzij de Voorzitter van de Kamer deze beveelt.

HOOFDSTUK II. Intern beroep

Artikel 7

Het beroep voor de Kamer van het Hof, ingesteld door een persoon, bedoeld in artikel 3 onder b. en c. en in artikel 5, is slechts ontvankelijk, indien de aangevallen beslissing is genomen na een voorafgaand intern beroep bij het gezag dat de beslissing heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen. Het intern beroep moet worden ingesteld binnen een maand na de dag waarop de belanghebbende kennis heeft genomen van de door hem bestreden beslissing.

Artikel 8

  • 1 Op het intern beroep wordt slechts beslist na advies van een Raadgevende Commissie die is samengesteld uit een gelijk aantal nationale ambtenaren van elk der drie landen, aangewezen door het Comité van Ministers, en leden die, overeenkomstig door het Comité van Ministers gestelde regels, bij geheime stemming en voor de duur van drie jaar, uit en door de in artikel 3b. bedoelde personen worden gekozen. De Raadgevende Commissie wordt voorgezeten door een door het Comité van Ministers daartoe benoemde, tot de rechterlijke macht van een der drie landen behorende rechter, die stemhebbend is in de Commissie.

  • 2 De Voorzitter en elk lid hebben een plaatsvervanger, aangewezen overeenkomstig de wijze voorzien in lid 1.

Artikel 9

  • 1 Het advies van de Raadgevende Commissie wordt aanstonds ter kennis gebracht van het gezag welks beslissing is aangevallen en aan degene die het intern beroep instelde.

  • 2 Het gezag beslist, met redenen omkleed, op het intern beroep.

Artikel 10

De Raadgevende Commissie stelt haar huishoudelijk reglement en de regeling van de te volgen procedure vast en onderwerpt deze reglementen aan de goedkeuring van het Comité van Ministers.

HOOFDSTUK III. Uitblijven van de beslissing

Artikel 11

Indien drie maanden zijn verlopen nadat een in de artikelen 3 of 5 bedoelde persoon een instelling schriftelijk heeft verzocht een besluit te nemen, of nadat het advies bedoeld in Hoofdstuk II ter kennis is gebracht, wordt de instelling, indien zij niet heeft beslist, geacht afwijzend te hebben beschikt.

Artikel 12

Het gezag kan de vorengenoemde termijn, bij met redenen omkleed en aan de betrokkene bekend gemaakt besluit, met ten hoogste twee maanden verlengen.

HOOFDSTUK IV. Beroepsgronden

Artikel 13

Behalve indien het beroep is gericht tegen een besluit, waarbij een disciplinaire straf is opgelegd of een preventieve schorsing met of zonder inhouding van salaris heeft plaatsgevonden, kan het slechts worden gegrond op schending van het geschreven recht of van substantiële vormen, op overschrijding of afwending van macht, dan wel op schending van enig algemeen rechtsbeginsel.

HOOFDSTUK V. Vertegenwoordiging en bijstand van partijen

Artikel 14

De Secretaris-Generaal vertegenwoordigt de Unie in het geding, tenzij hij bij de uitkomst daarvan persoonlijk belang heeft. In dat geval bepaalt het Comité van Ministers wie de Unie vertegenwoordigt.

Artikel 15

Degene die de Unie vertegenwoordigt kan in het geding verschijnen in persoon dan wel een Adjunct-Secretaris-Generaal, een lid van de balie van een der drie landen of een andere persoon, die voor een bepaalde zaak door de Kamer als zodanig wordt toegelaten, in het geding namens hem doen verschijnen; hij kan zich ook ter zitting door een Adjunct-Secretaris-Generaal, zulk een lid van een der balies of zulk een toegelaten persoon doen bijstaan.

Artikel 16

De verzoeker kan in het geding in persoon verschijnen, dan wel een lid van de balie van een der drie landen, of een andere persoon, die voor een bepaalde zaak door de Kamer als zodanig wordt toegelaten, namens hem doen verschijnen; hij kan zich ook ter zitting door zulk een lid van een der balies of zulk een toegelaten persoon doen bijstaan.

Artikel 16bis

De bepalingen van artikel 12, lid 5, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, zoals gewijzigd door artikel 5, lid 1, van het Protocol tot wijziging en aanvulling van dat Verdrag, ondertekend te Brussel op 23 november 1984, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het onderhavige Protocol bedoelde rechtspleging.

HOOFDSTUK VI. Procesgang

Artikel 17

Het beroep wordt ingesteld door indiening van een daartoe strekkend verzoekschrift bij de griffie van het Hof binnen twee maanden, nadat het aangevallen besluit aan de verzoeker is bekend geworden, of een afwijzende beschikking, overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk III, geacht wordt te zijn genomen.

Artikel 18

  • 1 Binnen een door de Voorzitter van de Kamer te bepalen termijn dient de Unie bij de griffie van het Hof een memorie van antwoord naar aanleiding van het inleidende verzoekschrift in.

  • 2 Deze memorie gaat vergezeld van alle bij de Unie berustende stukken, die voor de kennisneming van de zaak van nut kunnen zijn. Met name dienen de stukken en het advies van de Raadgevende Commissie, alsmede de beslissing op het intern beroep bij deze memorie te worden gevoegd.

Artikel 19

De verzoeker en zijn raadsman kunnen inzage nemen van de door de Unie bij de griffie van het Hof gedeponeerde stukken.

Artikel 20

De Voorzitter van de Kamer kan partijen bevelen ter griffie van het Hof aanvullende geschriften en documenten te deponeren.

Artikel 21

De partijen worden ter zitting opgeroepen. De zittingen zijn openbaar, tenzij de Kamer om redenen, aan de openbare orde of de goede zeden ontleend, anders beslist.

Artikel 22

De Kamer hoort de getuigen en deskundigen die zij ambtshalve of op verzoek van partijen heeft doen oproepen.

Artikel 23

De Voorzitter van de Kamer beëdigt getuigen en deskundigen voordat zij worden gehoord. Voor de wijze van aflegging van de eed en de mogelijkheid deze door een belofte te vervangen, geldt de nationale wet van de getuige of de deskundige.

Artikel 24

De Voorzitter van de Kamer bepaalt naar redelijkheid de vergoedingen van de getuigen en deskundigen. Deze worden door de Unie bij wijze van voorschot betaald.

Artikel 25

De in de artikelen 3 en 5 bedoelde personen kunnen in het geding tussenkomen indien zij aantonen dat zij bij de zaak belang hebben.

Artikel 26

Het Hof stelt het reglement op de te volgen procedure bij de Kamer vast en legt dit ter goedkeuring voor aan het Comité van Ministers.

HOOFDSTUK VII. Taalgebruik

Artikel 27

  • 1 De verzoeker en de deskundigen gebruiken de taal die zij zouden hebben gebruikt tegenover de administratieve rechter van hun land. De zaak wordt in die taal behandeld.

  • 2 De getuigen gebruiken de taal van hun keuze.

  • 3 De vertaling van de stukken en van het gesproken woord vindt kosteloos plaats door de zorg van de griffie.

HOOFDSTUK VIII. Uitspraken van het Hof

Artikel 28

Indien het beroep betrekking heeft op een besluit betreffende bezoldiging, pensioenen en andere sociale voorzieningen, kan de Kamer, indien zij het beroep gegrond bevindt, het aangevallen besluit vernietigen en, wanneer daartoe termen zijn, zelf de rechtsbetrekking tussen partijen vaststellen. Zij kan daarbij een partij veroordelen tot de uit die rechtsbetrekking voortvloeiende betaling van een geldsom, alsmede, indien de billijkheid zulks eist, tot het toekennen van vergoeding voor geleden nadeel.

Artikel 29

Indien het beroep betrekking heeft op een besluit, dat oplegging van een disciplinaire maatregel of schorsing inhoudt, kan de Kamer, indien zij het beroep gegrond bevindt, het aangevallen besluit nietig verklaren en, wanneer daartoe termen zijn, in plaats van het nietigverklaarde besluit de straf of schorsing opleggen, welke de Kamer billijk voorkomt. Zij kan, indien de billijkheid zulks eist, aan de verzoeker ten laste van de Unie vergoeding toekennen voor geleden nadeel.

Artikel 30

Indien het beroep betrekking heeft op een ander dan in de artikelen 28 en 29 bedoeld besluit, kan de Kamer, indien zij het beroep gegrond bevindt, het aangevallen besluit vernietigen.

Artikel 31

In de gevallen waarin de Kamer een besluit vernietigt of nietig verklaart, kan zij bepalen of en in hoeverre gevolgen van dat besluit in stand blijven.

Artikel 32

Bij de einduitspraak begroot de Kamer de kosten en doet zij uitspraak over de bijdrage in de betaling ervan. De Kamer kan bepalen dat daarin de kosten van vertegenwoordiging of bijstand van de verzoeker geheel of ten dele zullen worden begrepen.

Artikel 33

De griffier van het Hof geeft zo spoedig mogelijk aan partijen kennis van elke gedane uitspraak.

HOOFDSTUK IX. Tenuitvoerlegging

Artikel 34

De uitspraken van de Kamer die een geldelijke verplichting inhouden, vormen een executoriale titel, waarvan de tenuitvoerlegging ten laste van de Unie slechts kan plaatsvinden na verkregen machtiging van de Kamer.

Artikel 35

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op wiens grondgebied zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de nationale regering van elk land der Benelux wordt aangewezen. Van de aanwijzing geeft zij kennis aan het Hof en de Secretaris-Generaal.

Artikel 36

Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging volgens de nationale wetgeving voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde instantie.

Artikel 37

De tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens een beschikking van de Kamer. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

HOOFDSTUK X. Slotbepalingen

Artikel 38

De bepalingen van de artikelen 2-5 en 12-14 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof zijn van toepassing op de rechtspleging bedoeld in dit Protocol, voor zover daarin niet anders is bepaald.

Artikel 39

  • 2 Deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door de in artikel 2 van dit Protocol bedoelde Kamer.

Artikel 40

Dit Protocol maakt een integrerend bestanddeel uit van het op 31 maart 1965 te Brussel gesloten Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof.

Artikel 41

  • 1 Dit Protocol zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie.

  • 2 Het Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgende op de datum van neerlegging van de derde akte van bekrachtiging.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 29 april 1969, in drievoud in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Gemeenschappelijke memorie van toelichting van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof inzake de rechtsbescherming van de personen in dienst van de Benelux Economische Unie

A. ALGEMEEN

  • 1. De Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad heeft op 15 januari 1965 met eenparigheid van stemmen een Aanbeveling tot de drie Regeringen gericht, waarin de Raad - ingevolge de wens, uitgesproken in het verslag van de Commissie voor de wetgeving betreffende het ontwerp-Verdrag tot instelling van een Benelux-Gerechtshof - aan het Comité van Ministers verzocht zo spoedig mogelijk een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om aan de ambtenaren van de Benelux Economische Unie rechtsbescherming te verlenen door de instelling van een ambtenarenrechtspraak.

    Tijdens diezelfde vergadering hebben de Regeringen verklaard, dat aan deze Aanbeveling gevolg zou worden gegeven en dat de uitslag van het onderzoek aan de Interparlementaire Raad zou worden medegedeeld.

  • 2. De drie Regeringen menen dat, aangezien de ambtenaren der drie landen een bij de wet geregelde rechtsbescherming genieten tegenover het boven hen gestelde gezag, een daaraan gelijkwaardige bescherming aan personen in dienst van de Benelux Economische Unie niet mag worden onthouden. Dat tot dusverre geen regeling voor die rechtsbescherming is getroffen, is toe te schrijven aan de omstandigheid, dat het apparaat van de Unie aanvankelijk slechts van zeer geringe omvang was en eerst geleidelijk is gegroeid tot zijn huidige ook nog beperkte grootte.

    De tegenwoordige toestand is deze, dat voor de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal geen enkele voorziening geldt, welke strekt tot bescherming van hun rechtspositie. Ten aanzien van de overige personen, werkzaam bij het Secretariaat-Generaal, zijn van toepassing de artikelen 27-31 van het personeelsstatuut. Deze bepalingen zijn derhalve vastgesteld op grond van artikel 35, derde lid, van het Unie-verdrag door het Comité van Ministers op voorstel van de Secretaris-Generaal en na advies van de Raad van de Economische Unie in beperkte samenstelling.

    Bij de betrokken bepalingen wordt een Kamer van beroep ingesteld, die is samengesteld uit drie leden van respectievelijk Belgische, Nederlandse en Luxemburgse nationaliteit en gekozen door het Comité van Ministers uit de hoofdambtenaren van de nationale administraties. Bij deze Kamer kan de beambte of gewezen beambte klagen over de vaststelling van salaris, toeslagen en vergoedingen, het recht op pensioen of de berekening van pensioen, een voorgestelde disciplinaire maatregel met uitzondering van de berisping, de non-activiteit wegens ambtsopheffing en het ambtshalve ontslag wegens onbekwaamheid of wangedrag. De Kamer brengt van de klacht advies uit aan het Comité van Ministers, dat een beslissing neemt.

    Dat deze regeling niet voldoet aan de eisen van een genoegzame rechtsbescherming is duidelijk. Aan die eisen wordt slechts voldaan, indien beroep op een onafhankelijke rechter wordt geopend.

B. TOELICHTING OP DE ARTIKELEN

HOOFDSTUK I. Bevoegdheid

  • 3. Met betrekking tot de aanwijzing van de tot kennisneming van het beroep bevoegde rechter is een keuze denkbaar tussen het Benelux-Gerechtshof en een bijzondere rechter voor deze zaken. Die keuze is gevallen op het Benelux-Gerechtshof, omdat het gewenst is het aantal internationale gerechten zo beperkt mogelijk te houden. De aanwijzing van het Benelux-Gerechtshof als bevoegde rechter leidde ertoe de regeling van de rechtsbescherming neer te leggen in een aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof. De onderlinge verhouding tussen Verdrag en Protocol is geregeld in de artikelen 2 en 38-40 van het Protocol.

    Het is duidelijk, dat het in plenaire samenstelling, d.w.z. met negen rechters zitting houdende Hof minder geschikt is om de hier aan de orde zijnde beroepen te behandelen. Daarom is in artikel 2 van het Protocol bepaald, dat de betrokken rechtsmacht wordt uitgeoefend door een uit het midden van het Hof samengestelde Kamer, waarin drie rechters, van elk land één, zitting hebben.

  • 4. Het onderhavige Protocol is van toepassing op alle personen, die in dienst zijn of geweest zijn van de Benelux Economische Unie. Het geldt dus ook voor zodanige personen, die niet werkzaam zijn of waren bij het Secretariaat-Generaal doch b.v. bij eventueel in te stellen gemeenschappelijke diensten.

    Het Protocol is mede van toepassing op de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal. Met het oog op de bijzondere aard van de door hen vervulde functie is te hunnen aanzien beroep echter beperkt tot de in artikel 3, onder a, omschreven categorieën van besluiten. Zo zal tegen een beschikking van het Comité van Ministers, waarbij zij tijdelijk of definitief uit hun functie worden ontheven om andere redenen dan lichamelijke ongeschiktheid, geen beroep openstaan. Daarentegen kunnen de financiële consequenties van een dergelijke beschikking voor hun bezoldiging, pensioen of sociale voorzieningen wel voor het Hof worden aangevochten.

    Het is mogelijk, dat in de toekomst personen in dienst van de Unie een met de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal enigermate vergelijkbare positie hebben, b.v. doordat zij hoofd zijn van een gemeenschappelijke dienst, die afhankelijk is van het Comité van Ministers of een Ministeriële Werkgroep. Artikel 4 van het Protocol verleent het Comité van Ministers de bevoegdheid deze personen voor de omvang van de bij het Protocol voorziene rechtsbescherming gelijk te stellen met de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal.

    Voorts wordt ook aan de weduwen en wezen van de personen, die in dienst waren van de Unie, recht van beroep toegekend. Dit is beperkt tot besluiten betreffende hun pensioenen of andere sociale voorzieningen.

  • 5. Met betrekking tot de voor beroep vatbare besluiten zij er de aandacht op gevestigd, dat blijkens artikel 3 zowel tegen besluiten van algemene strekking als tegen die betrekking hebbend op afzonderlijke gevallen beroep kan worden ingesteld, d.w.z. zowel tegen besluiten die algemene normen bevatten als tegen die, welke die normen op individuele gevallen toepassen. De bijzondere structuur van de Unie verzet zich tegen het maken van onderscheid tussen deze beide categorieën van besluiten, omdat een besluit, dat formeel van algemene strekking is, in feite door de geringe omvang van het personeel van de Unie slechts één persoon of slechts enkele personen kan betreffen; als zulk een besluit niet vatbaar zou zijn voor beroep, zou daardoor te zeer afbreuk worden gedaan aan de beoogde rechtsbescherming.

HOOFDSTUK II. Intern beroep

  • 6. Het is noodzakelijk het aantal door de betrokken Kamer van het Benelux-Gerechtshof te behandelen zaken tot een minimum te beperken. Mede op deze overweging is in artikel 7 van het Protocol bepaald, dat een bij die Kamer in te stellen beroep slechts ontvankelijk is, indien het is voorafgegaan door een intern beroep bij het gezag, dat de aangevallen beslissing nam. Uitgezonderd hiervan zijn beroepen, in te stellen door de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretarissen-Generaal.

    Het gezag dat de beslissing heeft genomen kan slechts op dit intern beroep beslissen na advies van een paritaire Raadgevende Commissie welke is samengesteld uit een gelijk aantal door de Unie en door het personeel aangewezen leden. Deze Kamer van beroep wordt voorgezeten door een tot de rechterlijke macht in één der drie landen behorende rechter; deze is stemhebbend in de Kamer.

    De leden die de Unie vertegenwoordigen in de Commissie zijn nationale ambtenaren van de landen der Benelux, uit elk dezer landen een even groot aantal. Zij worden benoemd door het Comité van Ministers.

    De leden die het personeel vertegenwoordigen worden bij geheime stemming rechtstreeks uit en door het personeel gekozen, voor een zittingperiode van drie jaren. Deze verkiezingen worden nader geregeld door het Comité van Ministers. De tekst van het Protocol maakt het mogelijk de verkiezingen b.v. zodanig in te richten, dat de kandidaatstelling en de stemming per categorie van het personeel plaatsvinden.

    Wanneer het gezag op het intern beroep beslist, geeft het de redenen van zijn beslissing aan. Indien het gezag het door de Raadgevende Commissie uitgebrachte advies volgt, is het evenwel niet verplicht zijn beslissing uitdrukkelijk te motiveren: het volstaat in dat geval naar dat advies te verwijzen, hetgeen inhoudt dat het gezag zich aansluit bij de overwegingen van genoemde Commissie.

HOOFDSTUK III. Uitblijven van de beslissing

  • 7. Het effect van de rechtsbescherming kan gedeeltelijk verloren gaan indien de administratie in netelige gevallen het nemen van een beslissing op de lange baan schuift.

    Zo behoeft de Unie, zo zij zich voor een delicate problematiek geplaatst ziet, het verzoekschrift dat door een personeelslid werd ingediend ter verkrijging van een voordeel waarop hij recht meent te hebben, slechts onbeantwoord te laten om het betrokkene onmogelijk te maken de interne beroepsprocedure op gang te brengen die aan iedere behandeling van een zaak voor het Benelux-Gerechtshof vooraf dient te gaan. Dezelfde situatie zou ontstaan indien de Unie na de interne beroepsprocedure en na ontvangst van het advies van de Raadgevende Commissie het bepalen van een standpunt zou aanhouden.

    In het Protocol wordt derhalve bepaald, dat na het verstrijken van een gelet op de belangen van de Unie en van haar personeel redelijk geachte termijn (drie maanden, welke termijn bij met redenen omkleed besluit tot vijf maanden kan worden verlengd) het uitblijven van een beslissing moet worden uitgelegd als een stilzwijgende afwijzing van het verzoek. Deze afwijzing kan dan op dezelfde voorwaarden als een formele beslissing worden aangevochten.

HOOFDSTUK IV. Beroepsgronden

  • 8. De beroepsgronden verschillen al naar gelang van de aard der aangevochten beslissingen. Zij worden ten dele gerechtvaardigd door de gevolgen die voortvloeien uit de arresten van het Hof t.a.v. de verschillende categorieën der aan het Hof ter beoordeling voorgelegde beslissingen.

    • a) Besluiten waarbij een disciplinaire straf of een schorsing is opgelegd:

      het Hof, dat het besluit kan vernietigen en vervangen door een eigen besluit (artikel 29), doet in feite uitspraak als rechter van beroep. Het moet rekening kunnen houden met alle juridische en feitelijke aspecten van de zaak, zelf in alle vrijheid zich een oordeel kunnen vormen over de ernst der aan verzoeker verweten tekortkomingen en zo nodig de voor dat geval passend geachte disciplinaire maatregelen kunnen bepalen.

    • b) Andere besluiten:

      het Hof kan het besluit vernietigen en bezit daarenboven in geschillen betreffende bezoldiging, pensioenen en andere sociale voorzieningen volledige rechtsmacht (artikelen 28 en 30).

    Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid zou het beoordelen van besluiten, indien dit beperkt zou blijven tot het toetsen van de formele en materiële rechtmatigheid daarvan, belemmerd kunnen worden door het feit dat het personeelsstatuut van de Unie vrij summier van opzet is en niet in details treedt.

    Het lijkt derhalve noodzakelijk de beroepsgronden zo ruim mogelijk te houden en deze niet te beperken tot het enge begrip „overschrijding van macht”. Derhalve worden in het Protocol o.a. als beroepsgronden genoemd schending van het geschreven recht en van algemene rechtsbeginselen.

    Hieruit vloeit voort dat het Hof, zonder zijn toevlucht te behoeven nemen tot een casuïstische vrije rechtsvinding, b.v. uitspraak kan doen over de door het geschreven recht en de algemene rechtsbeginselen gewaarborgde belangen van het personeel en de formele en materiële rechtmatigheid der aangevallen beslissingen in algemene zin kan toetsen.

HOOFDSTUK V. Vertegenwoordiging en bijstand van partijen

  • 9. Uit hoofde van artikel 95, lid 2, van het Unieverdrag wordt de Benelux Economische Unie als regel door de Secretaris-Generaal vertegenwoordigd.

    Wat betreft de vertegenwoordiging van de Unie voor het Benelux-Gerechtshof is dit beginsel op één uitzondering na gehandhaafd: de Secretaris-Generaal is als enige bevoegd tot het deponeren van memoriën en stukken of tot het in ontvangst nemen van kennisgevingen of bevelen van het Hof, behalve wanneer hij persoonlijk bij het geding betrokken is, in welk geval door het Comité van Ministers een ander als vertegenwoordiger wordt aangewezen.

    Het blote feit dat de aangevallen beslissing door de Secretaris-Generaal als instelling van de Unie is genomen, heeft niet tot gevolg dat hij geacht moet worden persoonlijk belang te hebben bij de uitslag van het geding en vormt dus geen motief voor het aanwijzen van een ander als vertegenwoordiger van de Unie.

  • 10. Partijen kunnen persoonlijk voor het Hof verschijnen, al dan niet bijgestaan door een lid van de balie van een der drie landen of door een door het Hof toegelaten persoon, dan wel een van deze personen namens hen doen verschijnen. Het kan namelijk voorkomen dat de Unie in zaken van technische of disciplinaire aard de betwiste beslissing zonder bezwaar kan doen verdedigen door eigen ambtenaren of door gespecialiseerde personeelsleden en dat de verzoeker in zijn eigen beroepsmilieu een woordvoerder vindt. De aan partijen toegevoegde of namens hen optredende personen moeten, voor zover zij geen lid zijn van de balie van een der drie landen, uit deferentie tegenover het Hof van tevoren door hetzelfde zijn toegelaten.

HOOFDSTUK VI. Procesgang

  • 11. Ofschoon steunend op de beginselen die gemeen zijn aan elke vorm van rechtspleging, biedt de procesvoering voor de met de rechtsbescherming van het personeel van de Unie belaste Kamer van het Benelux-Gerechtshof niettemin enkele bijzondere aspecten: de procedure is namelijk inquisitoir, d.w.z. geleid door de rechter en niet onderhevig aan belemmering door gebrek aan medewerking van partijen; voorts is de procedure summier d.w.z. zoveel mogelijk vereenvoudigd.

  • 12. Om een zaak voor het Hof te brengen kan worden volstaan met indiening van een daartoe strekkend verzoekschrift bij de griffie.

    Om begrijpelijke redenen van rechtszekerheid mag niet te lang onzekerheid blijven bestaan omtrent de rechtsgeldigheid van algemene of op een afzonderlijk geval betrekking hebbende beslissingen t.a.v. in dienst van de Unie staande personen. Het instellen van beroep tegen deze beslissingen moet op straffe van verval geschieden binnen een termijn van twee maanden, ingaande op de dag waarop de verzoeker feitelijk kennis heeft genomen van de eindbeslissing, eventueel nadat de interne beroepsprocedure volledig is toegepast.

    Na het verstrijken van deze termijn vervalt het recht op beroep. Deze termijn geldt eveneens t.a.v. de stilzwijgende afwijzing van een verzoek door de Unie in de zin van de artikelen 11 en 12.

    Voor de Kamer, waarvoor zowel een actie tot vernietiging alsook een actie op de grondslag van volledige rechtsmacht kan worden ingesteld, moet een volledig debat op tegenspraak worden gevoerd. Daartoe moet door de Unie naar aanleiding van het inleidende verzoekschrift ter griffie een memorie van antwoord worden ingediend, waarin de aangevallen beslissing kan worden verdedigd en de aangevoerde middelen kunnen worden weerlegd. Tevens moeten alle andere terzake dienende stukken van het dossier ter griffie worden gedeponeerd, waar de verzoeker daarvan inzage kan nemen. Het spreekt vanzelf dat de partijen de Kamer kunnen verzoeken de overlegging te gelasten van stukken die ter sprake zijn gebracht en die zich niet in het dossier bevinden.

  • 13. Zoals trouwens voor een doeltreffende rechtsbescherming vereist, wordt de procesgang geleid door de rechter. De voorzitter van de Kamer stelt de termijn vast binnen welke de memorie van antwoord moet zijn ingediend en gelast partijen aanvullende geschriften en documenten te deponeren die noodzakelijk zijn voor een duidelijke uiteenzetting der geschilpunten en voor de samenstelling van het dossier.

    Wederom met toepassing van het beginsel van een inquisitoire procesvoering is het tevens van belang dat de Kamer, vooral in disciplinaire aangelegenheden, zich volledig inzicht kan laten verschaffen op onduidelijke punten door het horen van getuigen en deskundigen. Zij roept deze getuigen en deskundigen eigener beweging of op verzoek van partijen op.

    Met het oog op de betrouwbaarheid der getuigenverklaringen worden de getuigen en deskundigen onder ede gehoord; de eed wordt afgelegd op de in hun nationale wetgeving voorgeschreven wijze.

  • 14. Het is denkbaar dat bepaalde personen belang hebben bij de uitkomst van een geding waarin zij geen partij zijn. In dat geval verkeert b.v. een personeelslid wiens promotie wordt betwist door een uitgeschakelde kandidaat. Het is in overeenstemming met een goede rechtsbedeling zulke personen de bevoegdheid tot tussenkomst in het proces te verlenen, mits zij hun belang aantonen.

HOOFDSTUK VII. Taalgebruik

  • 15. Het instellen van beroep en het deelnemen aan het geding in de eigen taal vormen een waarborg voor een goede rechtsbedeling. Het geding moet dan ook worden ingeleid en gevoerd in de taal van verzoeker, d.w.z. dat de inleidende memorie, de memorie van antwoord, de aanvullende geschriften en de processtukken in die taal worden opgesteld.

    In plaats van de verzoeker geheel vrij te laten in de keuze van de taal waarin het geding wordt gevoerd - hetgeen aanleiding zou kunnen geven tot ongewenste praktijken - houdt de tekst een objectief criterium in: de taal waarvan verzoeker zich zou bedienen indien hij een soortgelijk geschil bij de administratieve rechter van zijn eigen land aanhangig zou moeten maken. Verzoekers van Nederlandse of Luxemburgse nationaliteit dienen zich derhalve te bedienen van de Nederlandse, respectievelijk de Franse taal; verzoekers van Belgische nationaliteit dienen de taal te gebruiken, welke is bepaald in artikel 25, par. 4, van de wet van 23 december 1946, houdende instelling van een Raad van State, welk artikel is gewijzigd door de wet van 15 april 1958.

    De getuigen en deskundigen bedienen zich uiteraard van de taal hunner keuze, doch hun verklaring wordt ambtshalve en kosteloos vertaald indien zij zich uitdrukken in een andere taal dan die waarin het proces wordt gevoerd.

    De tot het dossier behorende of in de loop van het geding gedeponeerde stukken worden, indien zij in een andere dan de in het proces gebezigde taal zijn opgesteld, eveneens vertaald.

HOOFDSTUK VIII. Uitspraken van het Hof

  • 16. Bij het streven het personeel van de Benelux Economische Unie een zo ruim mogelijke rechtsbescherming te verzekeren is gebleken, dat niet ermede kon worden volstaan aan het Hof slechts de bevoegdheid tot vernietiging toe te kennen, zulks wegens de beknopte opzet van het voor dit personeel geldende statuut. Betrokkenen kunnen namelijk in een ongewone situatie komen te verkeren, zonder dat daarom sprake behoeft te zijn van een rechtshalve aantasting van een bepaling van het statuut of van overschrijding van macht.

    Het leek derhalve noodzakelijk het Hof in bepaalde gevallen met ruimere bevoegdheden te bekleden.

  • 17. In gevallen waarin beroep wordt ingesteld tegen besluiten inzake bezoldiging, pensioenen of sociale voorzieningen doet de Kamer niet alleen uitspraak over de vernietiging van het besluit doch kan zij ook zelf ten gronde recht doen. Indien zij het beroep gegrond acht kan zij derhalve het aangevallen besluit vernietigen en, wanneer daartoe termen aanwezig zijn, zelf de rechtsbetrekkingen tussen partijen vaststellen door haar eigen uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit te stellen (artikel 28).

    De juiste vaststelling van deze betrekkingen kan dan tot gevolg hebben, dat verzoeker bepaalde rechten van civielrechtelijke aard verkrijgt, of doen blijken dat het voorheen door de tegenpartij te zijnen opzichte ingenomen standpunt hem schade heeft berokkend.

    In plaats van de verzoeker, bij gebreke van een minnelijke schikking, voor de lastige, zo niet onmogelijke opgave te plaatsen om voor de nationale rechter betaling van de uit hoofde van salaris, pensioen of sociale voorzieningen werkelijk verschuldigde bedragen, danwel betaling van de vergoeding voor geleden schade te eisen, lijkt het in overeenstemming met een goede rechtsbedeling de Kamer bovendien te belasten met het rechtstreeks zelf vaststellen van de hoogte van deze bedragen en met het veroordelen van de verliezende partij tot betaling van het verschuldigde en, indien de billijkheid dit eist, tot vergoeding van geleden nadeel.

  • 18. Indien het beroep betrekking heeft op een besluit tot oplegging van een disciplinaire maatregel of schorsing, doet de Kamer uitspraak als rechter van beroep. Indien zij het beroep gegrond acht kan zij het aangevallen besluit nietig verklaren en in plaats van het vernietigde besluit de straf of schorsing opleggen die haar billijk voorkomt. In dat geval is dus de herziening van het besluit in het geding, waarbij de Kamer opnieuw ten gronde recht kan doen.

    Bovendien heeft de Kamer op grond van artikel 29 de mogelijkheid om, indien de billijkheid zulks eist, verzoeker ten laste van de Unie vergoeding voor geleden nadeel toe te kennen.

  • 19. Wanneer de Kamer uitspraak moet doen over andere besluiten dan die betreffende bezoldiging, pensioenen en andere sociale voorzieningen of betreffende disciplinaire maatregelen of schorsing, wordt in artikel 30 bepaald, dat de Kamer, indien zij het beroep gegrond bevindt, het aangevallen besluit kan vernietigen. Dit wil dus zeggen, dat zij in dit geval alleen principieel uitspraak doet over de vernietiging, indien zij dit voldoende acht. Op grond van artikel 31 is de Kamer evenwel bevoegd, althans tot op zekere hoogte, eveneens ten gronde recht te doen door te bepalen of en in hoeverre de gevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het gaat hierbij om beroepen van de Secretaris-Generaal of de Adjunct-Secretarissen-Generaal tegen algemene of op een afzonderlijk geval betrekking hebbende besluiten van het Comité van Ministers m.b.t. hun op non-activiteitstelling wegens ziekte of gebreken of hun pensionering wegens lichamelijke ongeschiktheid, alsmede om beroepen van andere in dienst van de Unie zijnde of geweest zijnde personen tegen algemene of op afzonderlijke gevallen betrekking hebbende besluiten van een instelling van de Unie betreffende hun op non-activiteitstelling, hun definitieve ambtsneerlegging wegens andere dan disciplinaire redenen of tegen een besluit dat een aantasting inhoudt van hun rechtspositie.

  • 20. Op grond van artikel 32 is de Kamer bevoegd de kosten te begroten, waarbij haar echter de vrijheid wordt gelaten wat betreft de uitspraak over de bijdragen in de betaling van die kosten. Zij kan derhalve al naar gelang van de omstandigheden een der partijen veroordelen in alle kosten, dan wel deze geheel of gedeeltelijk tussen partijen verdelen. Daar er echter omstandigheden kunnen zijn, waaronder het onrechtvaardig zou zijn de partij, die het geding aanhangig heeft gemaakt, zijn eigen kosten te laten dragen, in verband met de houding van de wederpartij, wordt in dit artikel voorts aan de Kamer de mogelijkheid gegeven de kosten van vertegenwoordiging of bijstand van de verzoeker geheel of ten dele in haar kostenbegroting op te nemen.

  • 21. Volgens artikel 33 moet de griffier van het Hof partijen zo spoedig mogelijk kennis geven van een gedane uitspraak, ongeacht of dit een interlocutoire danwel de einduitspraak is.

HOOFDSTUK IX. Tenuitvoerlegging

  • 22. De artikelen 34 t/m 37 handelen over de tenuitvoerlegging van de uitspraken van de betrokken Kamer van het Benelux-Gerechtshof die een geldelijke verplichting inhouden.

    De tekst van deze artikelen is nagenoeg letterlijk overgenomen uit artikel 192 van het E.E.G.-Verdrag.

    Artikel 34 is een weergave van het eerste lid van bedoeld artikel 192, met weglating evenwel van de beperking dat alleen beschikkingen welke voor andere rechtssubjecten dan de Staten een geldelijke verplichting inhouden, executoriale titel vormen. Deze beperking kan voor de uitspraken van de Kamer achterwege blijven, aangezien bij de beroepen waarvan zij kennis neemt nimmer een Staat partij zal zijn.

    De artikelen 35, 36 en 37 geven de letterlijke inhoud weer van het 2de, 3de en 4de lid van bedoeld artikel 192 van het E.E.G.-Verdrag.

HOOFDSTUK X. Slotbepalingen

  • 23. Krachtens artikel 38 zijn op de in dit Protocol bedoelde rechtspleging van toepassing, voor zover in het Protocol daaromtrent geen bijzondere regels zijn opgenomen, de bepalingen van het Verdrag inzake de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof betreffende de zetel (art. 2) en de organisatie van het Hof (art. 3 t/m 5), de eigenlijke rechtspleging en de gerechtskosten (art. 12 en 13), alsmede de kosten van de werking van het Hof, van de griffie en van de vertaaldienst (art. 14).

  • 24. Hoewel het gaat om een Protocol bij het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van het Hof, leek het gewenst een artikel te wijden aan zijn bevoegdheid tot uitleg van de bepalingen van het Protocol om ter zake elk meningsverschil te vermijden in het geval dat de vraag voor een nationale rechter rijst.

    Anderzijds moest de toepassing van hoofdstuk IV betreffende de adviserende bevoegdheid worden uitgeschakeld. Deze bevoegdheid kan namelijk slechts worden uitgeoefend op verzoek der Regeringen en het valt niet in te zien waarom deze in de onderhavige materie belang zouden kunnen hebben bij een advies van het Hof aangezien het steeds zal gaan om een geschil tussen de Economische Unie en een in dienst van de Unie staande persoon.

    In lid 2 van artikel 39 wordt bepaald, dat de in lid 1 van dat artikel aan het Hof toegekende bevoegdheid zal worden uitgeoefend door de in artikel 2 bedoelde Kamer. Hierbij zit de bedoeling voor de rechtspleging niet nodeloos ingewikkeld te maken.

  • 25. Krachtens artikel 40 maakt dit Protocol een integrerend bestanddeel uit van het Verdrag. Dit heeft tot gevolg dat het dezelfde geldigheidsduur heeft en niet afzonderlijk kan worden opgezegd.