Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst betreffende de rechtspositie van het personeel van de staten van herkomst [...] hoofdkwartier van de NAVO in de Bondsrepubliek Duitsland, Bonn, 07-02-1969

Geldend van 21-12-1969 t/m heden

Overeenkomst betreffende de rechtspositie van het personeel van de staten van herkomst dat is verbonden aan een internationaal militair hoofdkwartier van de NAVO in de Bondsrepubliek Duitsland

Authentiek : EN

Agreement regarding the Status of Personnel of Sending States attached to an International Military Headquarters of NATO in the Federal Republic of Germany

The Kingdom of Belgium,

Canada,

the Federal Republic of Germany,

the Kingdom of the Netherlands,

the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, and

the United States of America

Have agreed as follows:

Article 1

  • 1 In this Agreement the expression

    • (a) “NATO Status of Forces Agreement” means the Agreement between the Parties to the North Atlantic Treaty regarding the Status of their Forces, signed in London on 19 June 1951;

    • (b) “Supplementary Agreement” means the Agreement to Supplement the Agreement between the Parties to the North Atlantic Treaty regarding the Status of their Forces with respect to Foreign Forces stationed in the Federal Republic of Germany, and the Protocol of Signature, signed in Bonn on 3 August 1959;

    • (c) “Protocol” means the Protocol on the Status of International Military Headquarters set up pursuant to the North Atlantic Treaty, signed in Paris on 28 August 1952;

    • (d) “Headquarters” means any international military Headquarters of NATO established in the Federal Republic of Germany pursuant to the North Atlantic Treaty;

    • (e) “sending State” means one of the contracting Parties to the sent Agreement, with the exception of the Federal Republic of Germany.

  • 2 In this Agreement, except in so far as reference is made in Articles 2 and 3 to expressions used in the NATO Status of Forces Agreement and the Supplementary Agreement the expression

    • (a) “force” means the personnel belonging to the land, sea or air armed forces of a sending State;

    • (b) “civilian component” means the civilian personnel who are in the employ of the land, sea or air armed forces of a sending State, and who are not stateless persons, nor nationals of any State which is not a Party to the North Atlantic Treaty, nor German nationals, nor ordinarily resident in the Federal Republic of Germany;

    • (c) “dependents” means

      • (i) the spouse of a member of a force or of a civilian component, or a child of such member depending on him or her for support;

      • (ii) a close relative of a member of a force or of a civilian component, not falling within the definition contained in item (i) of this sub-paragraph, who is financially or for reasons of health dependent on, and is supported by such member, who shares the quarters occupied by such member, and who is present in the Federal territory with the consent of the authorities of the force;

      • (iii) the persons mentioned in items (i) and (ii) of this subparagraph, upon the conditions set out in sub-paragraph (b) of paragraph 2 of Article 2 of the Supplementary Agreement, for a period of ninety days after the death or the transfer of the member of a force or of a civilian component.

Article 2

The respective status of the members of a force and a civilian component attached to a Headquarters, and of their dependents, shall be governed by the provisions of the NATO Status of Forces Agreement and the Supplementary Agreement which apply to the status of the members of a force, a civilian component and of their dependents within the meaning of sub-paragraphs (a) to (c) of paragraph 1 of Article I of the NATO Status of Forces Agreement and paragraph 2 of Article 2 of the Supplementary Agreement.

Article 3

The sending States and the Federal Republic of Germany shall have the rights and obligations in respect of the status of the persons referred to in Article 2 of the present Agreement, which are given to, or imposed upon, them in each case pursuant to the NATO Status of Forces Agreement and the Supplementary Agreement with regard to the members of the force, of the civilian component, and their dependents, in so far as the rights and obligations arising from the NATO Status of Forces Agreement have not been vested in or attached to the appropriate Supreme Headquarters and the authorities responsible under it, pursuant to the Protocol.

Article 4

  • 1 The present Agreement shall be subject to ratification or approval. Each signatory State shall deposit its instrument of ratification or approval with the Government of the Federal Republic of Germany which shall notify the date of each such deposit to all other signatory States.

  • 2 The present Agreement shall enter into force thirty days after the date on which the Federal Republic of Germany and at least one other signatory State have deposited their instruments of ratification or approval, but not before the Protocol has entered into force for the Federal Republic of Germany. It shall enter into force for each other signatory State thirty days after the date on which it has deposited its instrument of ratification or approval.

  • 3 The present Agreement shall lapse

    • (a) when the Protocol or the NATO Status of Forces Agreement or the Supplementary Agreement lapses for the Federal Republic of Germany;

    • (b) between the Federal Republic of Germany and another contracting Party, when the Protocol or the NATO Status of Forces Agreement or the Supplementary Agreement lapses for that contracting Party.

  • 4 The present Agreement shall be reviewed

    • (a) when the NATO Status of Forces Agreement is reviewed pursuant to Article XVII thereof;

    • (b) when the Supplementary Agreement is reviewed pursuant to Article 82 thereof.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned representatives, duly authorized thereto, have signed the present Agreement.

DONE at Bonn this 7th day of February 1969 in the English, French, and German languages, all three texts being equally authoritative, in a single original which shall be deposited in the archives of the Government of the Federal Republic of Germany, which shall transmit a certified copy to each of the other signatory States.

Vertaling : NL

Overeenkomst betreffende de rechtspositie van het personeel van de staten van herkomst dat is verbonden aan een internationaal militair hoofdkwartier van de NAVO in de Bondsrepubliek Duitsland

Het Koninkrijk België,

Canada,

de Bondsrepubliek Duitsland,

het Koninkrijk der Nederlanden,

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

en

de Verenigde Staten van Amerika

zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

  • (1) In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

    • a) „NAVO-Statusverdrag”: het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

    • b) „Aanvullende Overeenkomst”: de op 3 augustus 1959 te Bonn ondertekende Aanvullende Overeenkomst bij het NAVO-Verdrag nopens de rechtspositie der krijgsmachten betreffende de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten, met Protocol van ondertekening;

    • c) „Protocol”: het op 28 augustus 1952 te Parijs ondertekende Protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag;

    • d) „Hoofdkwartier”: ieder krachtens het Noord-Atlantisch Verdrag in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigd internationaal militair hoofdkwartier van de NAVO;

    • e) „staat van herkomst”: een der Overeenkomstsluitende Partijen, met uitzondering van de Bondsrepubliek Duitsland.

  • (2) Behoudens waar in de artikelen 2 en 3 wordt verwezen naar in het NAVO-Statusverdrag en in de Aanvullende Overeenkomst gebruikte termen, betekent in dit Verdrag de term:

    • a) „krijgsmacht”: het personeel behorende tot de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een staat van herkomst;

    • b) „civiele dienst": het burgerpersoneel in dienst bij de land-, zee- of luchtstrijdkrachten van een staat van herkomst, met uitzondering van staatloze personen, of onderdanen van een Staat welke niet partij is bij het Noord-Atlantisch Verdrag, of onderdanen van de Bondsrepubliek Duitsland of personen die in de Bondsrepubliek Duitsland hun verblijfplaats plegen te hebben;

    • c) „gezinslid”:

      • (i) de echtgeno(o)t(e) van een lid van een krijgsmacht of van civiele dienst, of een kind dat van hem of haar afhankelijk is voor zijn onderhoud;

      • (ii) een naaste bloedverwant van een lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst, niet vallende onder de omschrijving, gegeven onder (i) van deze paragraaf, die financieel of om gezondheidsredenen afhankelijk is van en wordt onderhouden door een zodanig lid, die bij een zodanig lid woont en zich met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmacht op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevindt;

      • (iii) de onder (i) en (ii) van deze paragraaf genoemde personen onder de voorwaarden vermeld in paragraaf b) van het tweede lid van artikel 2 van de Aanvullende Overeenkomst, gedurende een tijdvak van negentig dagen na het overlijden of de overplaatsing van dat lid van een krijgsmacht of van een civiele dienst.

Artikel 2

De rechtspositie van de leden van een krijgsmacht of civiele dienst, die zijn verbonden aan een Hoofdkwartier en van hun gezinsleden wordt geregeld door de bepalingen van het NAVO-Statusverdrag en de Aanvullende Overeenkomst, die toepasselijk zijn op de rechtspositie van leden van een krijgsmacht of civiele dienst en van hun gezinsleden in de zin van de paragrafen (a) tot (c) van het eerste lid van artikel I van het NAVO-Statusverdrag en van het tweede lid van artikel 2 van de Aanvullende Overeenkomst.

Artikel 3

Ter zake van de rechtspositie van de personen bedoeld in artikel 2 van deze Overeenkomst, hebben de staten van herkomst en de Bondsrepubliek Duitsland de rechten en verplichtingen die hun zijn verleend of opgelegd ingevolge het NAVO-Statusverdrag en de Aanvullende Overeenkomst met betrekking tot de leden van de krijgsmacht, de civiele dienst en hun gezinsleden, in zoverre de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het NAVO-Statusverdrag niet ingevolge het Protocol zijn op- of overgedragen aan het bevoegde Algemene Hoofdkwartier en de daaraan verantwoordelijke autoriteiten.

Artikel 4

  • (1) Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd of goedgekeurd. Elke ondertekenende Staat dient zijn akte van bekrachtiging of goedkeuring neder te leggen bij de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, die alle andere ondertekenende Staten mededeling doet van de datum van deze nederlegging.

  • (2) Deze Overeenkomst treedt in werking dertig dagen na de nederlegging van de akten van bekrachtiging of goedkeuring door de Bondsrepubliek Duitsland en door ten minste een andere ondertekenende Staat, maar niet alvorens het Protocol in werking is getreden voor de Bondsrepubliek Duitsland. Voor elke andere ondertekenende Staat treedt deze Overeenkomst in werking dertig dagen na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of goedkeuring door die Staat.

  • (3) Deze Overeenkomst treedt buiten werking:

    • a) wanneer het Protocol of het NAVO-Statusverdrag of de Aanvullende Overeenkomst voor de Bondsrepubliek Duitsland buiten werking treedt;

    • b) tussen de Bondsrepubliek Duitsland en een andere Overeenkomstsluitende Partij, wanneer het Protocol of het NAVO-Statusverdrag of de Aanvullende Overeenkomst voor die Overeenkomstsluitende Partij buiten werking treedt.

  • (4) Deze Overeenkomst wordt herzien:

    • a) wanneer het NAVO-Statusverdrag overeenkomstig het bepaalde in artikel XVII van dat Verdrag wordt herzien;

    • b) wanneer de Aanvullende Overeenkomst overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 van die Overeenkomst wordt herzien.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondertekenende vertegenwoordigers, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Bonn de 7de februari 1969, in de Duitse, de Engelse en de Franse taal, zijnde deze drie teksten gelijkelijk gezaghebbend, in een enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift zal doen toekomen aan elk der andere ondertekenende Staten.