Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en [...] voor de produktie van verrijkt uranium, Almelo, 04-03-1970

Geldend van 19-07-1971 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifuge-procédé voor de produktie van verrijkt uranium

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake samenwerking bij de ontwikkeling en exploitatie van het gas-ultracentrifuge-procédé voor de produktie van verrijkt uranium

Het Koninkrijk der Nederlanden,

de Bondsrepubliek Duitsland en

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

Van oordeel zijnde dat het van groot belang is dat verrijkt uranium beschikbaar komt voor andere doeleinden dan de vervaardiging van kernwapens;

Overwegende dat in de nabije toekomst een snelle toeneming van het aantal kerncentrales in Europa en elders is te verwachten;

Overwegende dat het van belang is in Europa een aanzienlijke capaciteit voor de verrijking van uranium te ontwikkelen ten einde te kunnen voldoen aan de vraag naar verrijkt uranium als brandstof voor deze centrales;

Overwegende dat in hun onderscheiden landen vorderingen op het gebied van de ontwikkeling van de gas-ultracentrifugemethode zijn gemaakt;

Overwegende dat gezamenlijke ontwikkeling van deze methode de Europese samenwerking op technologisch gebied zal versterken en dat gezamenlijke industriële exploitatie van deze methode zal bijdragen tot de economische integratie van Europa;

Uitdrukking gevend aan hun bereidheid te overwegen samen te werken met Europese of andere landen die belangstelling hebben voor de produktie van verrijkt uranium volgens de gas-ultracentrifuge-methode;

Voorts uitdrukking gevend aan hun bereidheid hun samenwerking in te passen in het verband van een grotere Europese gemeenschap;

In herinnering brengend de op 4 maart 1970 te Almelo ondertekende Interim-Overeenkomst inzake beveiligingsmaatregelen en rubricering en uitdrukking gevend aan hun voornemen geëigende beveiligingsmaatregelen toe te passen ter uitvoering van een gemeenschappelijk rubriceringsbeleid ten aanzien van het gas-ultracentrifuge-procédé;

Wederom bevestigend dat iedere afspraak tot samenwerking in overeenstemming zal moeten zijn met het beleid van de Overeenkomstsluitende Partijen inzake de niet-verspreiding van kernwapens, waaraan zij groot belang hechten, alsmede met hun internationale verplichtingen op dit gebied, en dat geëigende internationale veiligheidscontrole daarop zal worden toegepast;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I

  • (1) De Overeenkomstsluitende Partijen werken samen overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst met als doel de verrijking van uranium volgens het gasultracentrifuge-procédé en de fabricage van de voor dit procédé benodigde gas-ultracentrifuges.

  • (2) De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de oprichting en de exploitatie van gezamenlijke industriële ondernemingen voor de bouw van fabrieken voor de verrijking van uranium volgens het gas-ultracentrifuge-procédé en voor het exploiteren van die fabrieken, alsmede voor het op andere wijze op commerciële grondslag exploiteren van dit procédé.

  • (3) Iedere Overeenkomstsluitende Partij of elk door haar aangewezen commercieel lichaam heeft het recht in de gezamenlijke industriële ondernemingen bedoeld in lid (2) van dit Artikel deel te nemen op basis van gelijkheid van belangen te zamen met de andere Overeenkomstsluitende Partijen of de door hen aangewezen commerciële lichamen.

  • (4) De Overeenkomstsluitende Partijen bevorderen de integratie van hun onderzoek en ontwikkelingswerk op dit gebied met als doel de uitvoering van een geïntegreerd programma voor onderzoek en ontwikkeling door de in het tweede lid van dit Artikel bedoelde gezamenlijke industriële ondernemingen ten einde een concurrerende positie ten opzichte van andere producenten van verrijkt uranium op te bouwen en te handhaven.

Artikel II

  • (1) Ten einde te voorzien in een doeltreffend toezicht door de Overeenkomstsluitende Partijen overeenkomstig de bepalingen van dit Artikel op de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking, wordt een Gemengde Commissie ingesteld.

  • (2) De Gemengde Commissie bestaat uit een door iedere Overeenkomstsluitende Partij daartoe aangewezen vertegenwoordiger, die door adviseurs kan worden bijgestaan. De Commissie neemt al haar beslissingen met eenparigheid van stemmen. Iedere vertegenwoordiger heeft een stem.

  • (3) Het voorzitterschap van de Gemengde Commissie wordt bij toerbeurt door de vertegenwoordiger van elke Overeenkomstsluitende Partij voor een termijn van een jaar uitgeoefend.

  • (4) De Gemengde Commissie stelt haar eigen reglement van orde vast en beslist welke regelingen op bestuurlijk terrein voor een goede uitoefening van haar taken nodig zijn. In het reglement van orde worden geeigende voorzieningen getroffen voor het gebruik van de Duitse, de Engelse en de Nederlandse taal. De kosten verbonden aan het doen functioneren van de Gemengde Commissie worden gelijkelijk omgeslagen over de Overeenkomstsluitende Partijen.

  • (5) De Gemengde Commissie heeft tot taak:

    • (a) alle vragen die met betrekking tot de in Artikel VII voorziene veiligheidscontrole rijzen, te bestuderen en dienaangaande beslissingen te nemen;

    • (b) vragen voortvloeiende uit de rubriceringsregelingen en beveiligingsmaatregelen die overeenkomstig Artikel V in acht genomen moeten worden, te bestuderen en dienaangaande beslissingen te nemen;

    • (c) de Overeenkomstsluitende Partijen van advies te dienen betreffende de voorwaarden waarop overeenkomsten als bedoeld in artikel IX zouden kunnen worden gesloten;

    • (d) voorstellen betrekking hebbende op de volgende onderwerpen te bestuderen en dienaangaande beslissingen te nemen:

      • (i) het overbrengen naar gebieden buiten het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen van gegevens die zijn verkregen ten gevolge van de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking, dan wel van gegevens waarvan de daarop rustende rechten zijn overgedragen aan de gezamenlijke industriële ondernemingen ingevolge deze Overeenkomst;

      • (ii) het verlenen van licenties of sub-licenties voor het gebruik buiten het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen van de gegevens bedoeld in (i) van dit lid, dan wel van uitvindingen die worden gedaan tijdens de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking;

      • (iii) de uitvoer buiten het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen van apparatuur of materialen ontwikkeld, geproduceerd of verwerkt ingevolge de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking;

    • (e) de akten waarbij de gezamenlijke industriële ondernemingen worden opricht goed te keuren en in het bijzonder goedkeuring te verlenen aan de samenstelling van deze ondernemingen, de te beslissen of aan voorstellen tot wijziging van deze akten of deze samenstelling gevolg kan worden gegeven;

    • (f) voorstellen goed te keuren van de gezamenlijke industriële ondernemingen betreffende de plaats van vestiging van alle belangrijke installaties die zullen worden gebouwd ingevolge de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking;

    • (g) regelingen te treffen aangaande de vaststelling en de betaling van royalty's overeenkomstig de derde, vierde en vijfde paragraaf van Bijlage I bij deze Overeenkomst betreffende octrooien en andere industriële rechten;

    • (h) die programma's voor onderzoek en ontwikkeling goed te keuren die geheel of ten dele zullen worden gefinancierd uit gezamenlijke regeringssubsidies van de Overeenkomstsluitende Partijen, alsmede voorstellen te bestuderen, gedaan door de gezamenlijke industriële ondernemingen aangaande wijzigingen in het gezamenlijk door de Overeenkomstsluitende Partijen te dragen aandeel in de kosten voor onderzoek en ontwikkeling;

    • (i) beslissingen te nemen omtrent het treffen van geëigende maatregelen, indien zich ontwikkelingen op technisch of economisch gebied voordoen, die de exploitatie op commerciële basis van het gas-ultracentrifuge-procédé door de gezamenlijke industriële ondernemingen in belangrijke mate kunnen beïnvloeden of daaromtrent de Overeenkomstsluitende Partijen aanbevelingen te doen;

    • (j) beslissingen te nemen met betrekking tot alle vragen betreffende de uitlegging van deze Overeenkomst die aan haar worden voorgelegd door de gezamenlijke industriële ondernemingen in verband met de uitoefening van hun taken.

  • (6) Gedurende de periode waarin een aanvankelijk scheidend vermogen van in totaal 350 ton per jaar wordt opgebouwd, keurt de Gemengde Commissie ook die bepalingen van de belangrijkste tussen de gezamenlijke industriële ondernemingen te sluiten contracten goed die belangrijke financiële gevolgen kunnen hebben.

  • (7) De Gemengde Commissie kan te allen tijde aan de gezamenlijke industriële ondernemingen richtlijnen geven ingevolge door de Commissie krachtens het vijfde of zesde lid van dit Artikel genomen beslissingen; de gezamenlijke industriële ondernemingen hebben de plicht deze richtlijnen ten uitvoer te leggen.

Artikel III

  • (1)

    • (a) Met inachtneming van de bepalingen van dit Artikel, neemt een Overeenkomstsluitende Partij niet de exploitatie op commerciële basis ter hand van het gas-ultracentrifuge-procédé voor de verrijking van uranium of bevordert of helpt op enigerlei wijze deze exploitatie, dan door middel van de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking.

    • (b) De gezamenlijke industriële ondernemingen spannen zich in om te voldoen aan alle opdrachten voor de verrijking van uranium die bij hen worden geplaatst door afnemers op het grondgeied van een Overeenkomstsluitende Partij, ongeacht of het voldoen aan deze opdrachten het creëren van nieuwe capaciteit voor het verrijken van uranium nodig zou maken. De gezamenlijke industriële ondernemingen zijn verplicht aan deze opdrachten te voldoen, indien de betrokken Overeenkomstsluitende Partij of lichamen op haar grondgebied ermede instemt, onderscheidenlijk instemmen dat gedeelte van de benodigde extra financiën beschikbaar te stellen dat niet door de gezamenlijke industriële ondernemingen en de andere Overeenkomstsluitende Partijen wordt verschaft.

  • (2)

    • (a) Geen der Overeenkomstsluitende Partijen neemt een nieuw programma voor onderzoek of ontwikkeling inzake het gas-ultracentrifuge-procédé ter hand ten einde dit procédé op commerciële basis te exploiteren of bevordert of helpt op enigerlei wijze een zodanig programma, tenzij dit programma in het kader van de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking is aangeboden voor uitvoering door de daarvoor in aanmerking komende gezamenlijke industriële onderneming en dit aanbod niet binnen een termijn van 4 maanden is aanvaard.

    • (b) In gevallen waarin een programma dat op deze wijze is aangeboden en dat niet is aanvaard, wordt uitgevoerd, mogen de resultaten daarvan niet door de betrokken Overeenkomstsluitende Partij worden gebruikt, tenzij deze zijn aangeboden voor gebruik door de daarvoor in aanmerking komende gezamenlijke industriële onderneming in het kader van de in Artikel I van de Overeenkomst omschreven samenwerking op billijke en redelijke voorwaarden en dat aanbod eveneens niet binnen een termijn van vier maanden is aanvaard.

  • (3) De Overeenkomstsluitende Partijen houden elkander via de Gemengde Commissie op de hoogte van technische en/of economische ontwikkelingen die de exploitatie op commerciële basis van het gas-ultracentrifuge-procédé door de gezamenlijke industriële ondernemingen in belangrijke mate zouden kunnen beïnvloeden.

Artikel IV

  • (1) Ten aanzien van de in Artikel I van de Overeenkomst omschreven samenwerking, passen de Overeenkomstsluitende Partijen de bepalingen toe van Bijlage I bij deze Overeenkomst betreffende octrooien en andere industriële rechten, welke Bijlage een integrerend deel van deze Overeenkomst uitmaakt.

  • (2) Met inachtneming van de bepalingen van dit Artikel en van Artikel III van deze Overeenkomst maken de Overeenkomstsluitende Partijen, tenzij anders is overeengekomen, geen gebruik van gegevens die hun ingevolge deze Overeenkomst zijn overgedragen noch delen zij deze aan iemand mede, behalve ten behoeve van de in Artikel I van de Overeenkomst omschreven samenwerking.

Artikel V

  • (1) Ten aanzien van de in Artikel I van de Overeenkomst omschreven samenwerking, passen de Overeenkomstsluitende Partijen de bepalingen toe van Bijlage II bij deze Overeenkomst betreffende beveiligingsmaatregelen en rubricering, welke Bijlage een integrerend deel van deze Overeenkomst uitmaakt.

  • (2) Op de datum van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst treedt de op 4 maart 1970 te Almelo ondertekende Interim-Overeenkomst inzake beveiligingsmaatregelen en rubricering buiten werking en worden alle gegevens en documenten, overgedragen met inachtneming van de bepalingen daarvan, beschermd alsof zij krachtens deze Overeenkomst waren overgedragen.

Artikel VI

  • (1) De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich gezamenlijk en ieder voor zich te verzekeren dat gegevens, uitrusting, basismaterialen of bijzondere splijtbare materialen, in hun bezit ten behoeve van of als gevolg van de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking, niet zullen worden gebruikt door een niet-kernwapenstaat om kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen te vervaardigen of anderszins te verwerven of de beschikkingsmacht over zodanige kernwapens of nucleaire explosiemiddelen te verkrijgen, dan wel om een niet-kernwapenstaat te helpen, aan te moedigen of ertoe te bewegen kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen te vervaardigen of anderszins te verwerven of de beschikkingsmacht over zodanige kernwapens of nucleaire explosiemiddelen te verkrijgen. Voor de toepassing van dit lid betekent de uitdrukking „niet-kernwapenstaat” een Staat, daaronder begrepen elke door deze Overeenkomst gebonden Staat, die vóór 1 januari 1967 geen kernwapen of ander nucleair explosiemiddel heeft vervaardigd en tot ontploffing heeft gebracht.

  • (2) Voorts verbinden de Overeenkomstsluitende Partijen zich te verzekeren dat de in Artikel I van deze Overeenkomst bedoelde gezamenlijke industriële ondernemingen geen uranium van de voor wapens vereiste verrijkingsgraad zullen produceren voor de vervaardiging van kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen.

Artikel VII

  • (1) Ten behoeve van de verificatie van de nakoming van de in artikel VI van deze Overeenkomst neergelegde verbintenissen, worden geëigende procedures voor veiligheidscontrole toegepast, die verenigbaar dienen te zijn met de internationale verplichtingen van iedere Overeenkomstsluitende Partij.

  • (2) Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van dit Artikel worden de volgende procedures toegepast:

    • (a) de procedures van het door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM) ingestelde stelsel voor veiligheidscontrole en de maatregelen voor het afleggen van rekening en verantwoording voor het gebruik van materiaal en uitrusting, zoals vastgesteld door de Regering van het Verenigd Koninkrijk, zoals die van toepassing zijn op de onderscheiden grondgebieden van de Overeenkomstsluitende Partijen; vertegenwoordigers van de Overeenkomstsluitende Partijen en waar noodzakelijk van de Commissie van de Europese Gemeenschappen plegen overleg en wisselen bezoeken uit, ten einde te verzekeren dat zodanige procedures bevredigend en doelmatig zijn voor het doel van dit Artikel;

    • (b) de procedures die voortvloeien uit bijkomende verplichtingen met betrekking tot veiligheidscontrole die bindend zijn voor een of meer der Overeenkomstsluitende Partijen ingevolge een overeenkomst of overeenkomsten gesloten met de Internationale Organisatie voor Atoomenergie;

    • (c) in geval van samenwerking met of uitvoer naar andere Staten dan de Overeenkomstsluitende Partijen, mutatis mutandis de onder (a) en (b) hierboven omschreven internationale procedures.

  • (3) De Gemengde Commissie treft alle voor de tenuitvoerlegging van dit Artikel noodzakelijke voorzieningen.

Artikel VIII

  • (1) Ieder geschil dat tussen de Overeenkomstsluitende Partijen ontstaat betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst of van een beslissing van de Gemengde Commissie, dan wel van maatregelen of regelingen die krachtens een zodanige beslissing ten uitvoer zijn gelegd, wordt verwezen naar de Gemengde Commissie, die zal trachten tot een minnelijke schikking te komen.

  • (2) Indien het geschil niet op deze wijze is geregeld, dan wordt het, indien mogelijk, door de Overeenkomstsluitende Partijen geregeld.

  • (3) Indien een geschil niet door de Overeenkomstsluitende Partijen is gereregeld, dan wordt het op verzoek van een daarbij betrokken Overeenkomstsluitende Partij voor arbitrage voorgelegd aan een Scheidsrechterlijke Commissie, tenzij een andere Overeenkomstsluitende Partij hiertegen om redenen van beveiliging bezwaar maakt.

  • (4) Een zodanige Scheidsrechterlijke Commissie wordt als volgt ad hoc samengesteld. Ieder der bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partijen benoemt een lid. Indien evenwel alle drie Overeenkomstsluitende Partijen bij het geschil betrokken zijn en een van hen tegen de twee andere procedeert, dan wel twee tegen de derde, dan benoemen de twee Partijen wier belangen samengaan te zamen een lid. De twee aldus benoemde leden benoemen het derde lid, dat als voorzitter zal optreden. De leden van de Scheidsrechterlijke Commissie worden, met uitzondering van de voorzitter, benoemd binnen twee maanden, en deze laatste binnen drie maanden, te rekenen van de datum van het verzoek om arbitrage.

  • (5) Indien er binnen de in het vierde lid van dit Artikel gestelde termijn geen benoeming is gedaan, dan kan elke bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partij de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verzoeken de benoeming te doen. Indien de President de nationaliteit van een der betrokken Overeenkomstsluitende Partijen bezit of indien hij om andere redenen verhinderd is de benoeming te doen, dan wordt deze door de Vice-President gedaan. Indien de Vice-President de nationaliteit van een der betrokken Overeenkomstsluitende Partijen bezit of indien hij eveneens om andere redenen de benoeming niet kan doen, dan wordt deze gedaan door het in dienstjaren oudste lid van het Hof dat niet de nationaliteit van een der betrokken Overeenkomstsluitende Partijen bezit.

  • (6) De Scheidsrechterlijke Commissie neemt, op basis van deze Overeenkomst en van algemeen volkenrecht, haar beslissing met meerderheid van stemmen. De Scheidsrechterlijke Commissie stelt haar eigen procedureregeling vast. Een niet bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partij kan zich in het geding voegen of daarin tussenkomen.

  • (7) Tegen een beslissing van de Scheidsrechterlijke Commissie staat geen beroep open. In geval van een geschil betreffende de strekking of draagwijdte van een zodanige beslissing, rust op de Scheidsrechterlijke Commissie de plicht de beslissing op verzoek van een der Overeenkomstsluitende Partijen toe te lichten.

Artikel IX

De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen gezamenlijk overeenkomsten sluiten voor samenwerking met Europese of andere Staten of met internationale organisaties. Elk voorstel voor het sluiten van een zodanige overeenkomst wordt door de Gemengde Commissie in overweging genomen.

Artikel X

Deze Overeenkomst laat onverlet de verplichtingen van de Bondsrepubliek Duitsland en van het Koninkrijk der Nederlanden die voortvloeien uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel XI

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt deze Overeenkomst alleen voor het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk en wat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreft, alleen voor Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Artikel XII

Deze Overeenkomst dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden. Deze Overeenkomst treedt in werking na de nederlegging bij de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden van de derde akte van bekrachtiging. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden stelt de andere ondertekenende Staten in kennis van de nederlegging van elke akte van bekrachtiging en van de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

Artikel XIII

Iedere Overeenkomstsluitende Partij of de Gemengde Commissie kan te allen tijde voorstellen doen tot wijziging van deze Overeenkomst. Deze voorstellen worden, indien zij door de Gemengde Commissie zijn goedgekeurd, door de Commissie aan de Overeenkomstsluitende Partijen ter aanvaarding voorgelegd. Elke aldus voorgelegde wijziging moet door iedere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk worden aanvaard en treedt in werking 30 dagen na ontvangst door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden van een schriftelijke kennisgeving van aanvaarding van alle Overeenkomstsluitende Partijen. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden stelt de andere Overeenkomstsluitende Partijen in kennis van de datum van inwerkingtreding van een zodanige wijziging.

Artikel XIV

In geval van toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of tot een verdrag dat voor dit Verdrag in de plaats treedt, onderwerpen de Overeenkomstsluitende Partijen deze Overeenkomst aan een onderzoek ten einde vast te stellen in hoeverre wijzigingen als gevolg van deze toetreding nodig of wenselijk zijn.

Artikel XV

Nadat deze Overeenkomst tien jaar van kracht is geweest, kan iedere Overeenkomstsluitende Partij, met inachtneming van een opzeggingstermijn van een jaar, deze Overeenkomst schriftelijk opzeggen. De Overeenkomstsluitende Partijen voeren onmiddellijk daarop onderhandelingen met het oog op de regeling van de gevolgen van een zodanige opzegging.

Artikel XVI

Deze Overeenkomst kan te allen tijde met eenstemmige goedkeuring van de Overeenkomstsluitende Partijen worden beëindigd. In dit geval wordt tussen hen een Protocol gesloten voor een dienovereenkomstige regeling van de rechten en verplichtingen, waaronder begrepen bepalingen aangaande de te volgen handelwijze met betrekking tot activa en passiva verband houdend met de samenwerking krachtens deze Overeenkomst.

Artikel XVII

In het geval van opzegging van deze Overeenkomst door een Overeenkomstsluitende partij overeenkomstig de bepalingen van Artikel XV of in geval van beëindiging van deze Overeenkomst krachtens Artikel XVI, worden geëigende voorzieningen getroffen voor de voortzetting, in verband met het bepaalde in de Artikelen VI en VII, van verbintenissen en waarborgen en, in verband met het bepaalde in Artikel V, van maatregelen, voor de bescherming van gerubriceerde gegevens, documenten en apparatuur. Zolang deze voorzieningen nog niet zijn getroffen, blijven de Artikelen V, VI en VII en alle uit hoofde daarvan tot stand gekomen regelingen of toegepaste procedures van kracht.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Almelo, de 4de maart 1970, in drie exemplaren, elk in de Nederlandse, de Duitse en de Engelse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk gezaghebbend.

Bijlage I. Octrooien en andere industriële rechten

  • (1) In deze Bijlage wordt verstaan onder:

    • (a) „industriële rechten”, alle rechten van industriële eigendom, met name octrooien, ingeschreven tekeningen en modellen, gebruiksmodellen en rechten op „know-how”, alsmede auteursrechten;

    • (b) „reeds bestaande”, met betrekking tot industriële rechten, alle zodanige rechten die op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen of elders in het bezit zijn van of onder de beschikkingsmacht staan van de onderstaande personen of lichamen:

      • (i) wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden:

        de Nederlandse Regering, de Stichting Reactor Centrum Nederland en de Ultra-Centrifuge Nederland N.V.;

      • (ii) wat betreft de Bondsrepubliek Duitsland:

        de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Gesellschaft für Kernverfahrenstechnik m.b.H., de Gesellschaft für nukleare Verfahrenstechnik m.b.H. en de Uran-Isotopentrennungsgesellschaft m.b.H.;

      • (iii) wat betreft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland:

        de Regering van het Verenigd Koninkrijk en de United Kingdom Atomic Energy Authority,

    • (c) „dit gebied”, de technologie van de gas-ultracentrifuge en daarmede verwante technologie die gebruikt kan worden bij de verrijking van uranium volgens het gas-ultracentrifuge-procédé en bij de bouw van fabrieken voor de vervaardiging van gas-ultracentrifuges en voor de verrijking.

  • (2) Met inachtneming van vroeger aangegane en op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst nog bestaande verbintenissen, neemt elke Overeenkomstsluitende Partij alle in haar vermogen liggende maatregelen ten einde te verzekeren dat de in aanmerking komende gezamenlijke industriële onderneming een gratis niet-uitsluitende licentie wordt verleend voor het gebruik en de uitoefening van reeds bestaande en aan deze Overeenkomstsluitende Partij toebehorende industriële rechten op dit gebied, en het recht wordt toegekend sublicenties te verlenen ten behoeve van alle werkzaamheden op dit gebied die moeten worden verricht in het kader van de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking.

  • (3) Een Evaluatiegroep, waarin elk der Overeenkomstsluitende Partijen een persoon aanwijst, stelt op een door de Gemengde Commissie te bepalen tijdstip een vergelijkend onderzoek in naar de mate waarin de onderscheiden reeds bestaande en aan elke Overeenkomstsluitende Partij toebehorende industriële rechten op dit gebied daadwerkelijk hebben bijgedragen tot het eerste gemeenschappelijke ontwerp voor een centrifugeverrijkingsfabriek, waartoe de gezamenlijke industriële ondernemingen hebben besloten. Na de bewijsvoering van de bezitters van deze rechten te hebben gehoord, brengt de Evaluatiegroep verslag over haar bevindingen uit aan de Gemengde Commissie.

  • (4) Naast haar taak ingevolge paragraaf (3) van deze Bijlage, stelt de Evaluatiegroep een passende royalty vast, uitgedrukt in een percentage van de waarde van verrijkingsfabrieken die met gebruikmaking van het in genoemde paragraaf (3) bedoelde ontwerp worden gebouwd.

  • (5) De Gemengde Commissie zal aan de hand van het verslag van de Evaluatiegroep:

    • (a) een vaste termijn bepalen, te rekenen van de definitieve beslissing omtrent het in paragraaf (3) van deze Bijlage bedoelde ontwerp;

    • (b) de waarde berekenen van verrijkingsinstallaties tot de bouw waarvan men zich binnen deze termijn vast heeft verbonden; en

    • (c) de nodige instructies geven voor betaling door de in aanmerking komende gezamenlijke industriële onderneming aan elke Overeenkomstsluitende Partij van haar aandeel in de verschuldigde royalty's, overeenkomstig het verslag van de Evaluatiegroep.

  • (6) Alle industriële rechten voortvloeiend uit geïntegreerde onderzoek- en ontwikkelingsprogramma's die worden uitgevoerd door de gezamenlijke industriële ondernemingen, of voortvloeiend uit soortgelijke programma's, in afwachting van de aanvang van zodanige geïntegreerde programma's uitgevoerd onder de auspiciën van een der Overeenkomstsluitende Partijen als onderdeel van de in Artikel I van de Overeenkomst omschreven samenwerking, worden overgedragen aan de in aanmerking komende gezamenlijke industriële onderneming. Waar nodig kunnen aanvragen voor octrooien en voor de inschrijving van tekeningen en modellen evenwel in eerste instantie worden verricht door de persoon die de uitvinding heeft gedaan of de tekening of het model heeft ontworpen, doch alle rechten op zodanige octrooien of ingeschreven tekeningen of modellen worden binnen zes maanden na de datum van de aanvraag overgedragen aan de daarvoor in aanmerking komende industriële onderneming.

  • (7) De betrokken gezamenlijke industriële onderneming verleent met betrekking tot de industriële rechten bedoeld in paragraaf (6) van deze Bijlage en tot andere industriële rechten op dit gebied die in haar bezit zijn of onder haar beschikkingsmacht staan:

    • (a) gratis licenties ten behoeve van enigerlei werkzaamheid op dit gebied die dient te worden verricht in het kader van de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking;

    • (b) licenties op redelijke commerciële voorwaarden aan ondernemingen op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen voor andere doeleinden dan de verrijking van uranium volgens het gas-ultracentrifuge-procédé.

  • (8) Alle industriële rechten op dit gebied voortvloeiend uit nieuwe nationale onderzoek- en ontwikkelingsprogramma's welke op dit gebied met het oog op exploitatie voor commerciële doeleinden worden opgesteld, worden behandeld overeenkomstig het tweede lid van Artikel III van deze Overeenkomst.

  • (9) Elke Overeenkomstsluitende Partij verzekert dat de in aanmerking komende gezamenlijke industriële onderneming in kennis wordt gesteld van alle aanvragen voor octrooien of voor de inschrijvingen van tekeningen en modellen waarop het bepaalde in paragraaf (8) van deze Bijlage van toepassing is, en dat volledige bijzonderheden daaromtrent worden verstrekt. Wanneer mogelijk, dient een zodanige kennisgeving te worden verricht binnen de periode die bij internationale overeenkomst is toegestaan voor het indienen van verdere aanvragen met prioriteit in andere landen dan dat van de persoon die de betrokken uitvinding heeft gedaan of de betrokken tekening of het betrokken model heeft ontworpen. Met inachtneming van het bepaalde in lid 5, onder (d), van Artikel II van deze Overeenkomst, heeft de in aanmerking komende gezamenlijke industriële onderneming het recht zodanige uitvindingen of tekeningen of modellen op eigen kosten en in haar eigen naam te beschermen in landen waarin de persoon die zodanige uitvindingen heeft gedaan of zodanige tekeningen of modellen heeft ontworpen, zulks niet doet.

  • (10) Geen der Overeenkomstsluitende Partijen mag de industriële rechten van de andere Overeenkomstsluitende Partijen of van de gezamenlijke industriële ondernemingen aanvechten of betwisten of op enigerlei wijze andere personen aanmoedigen of bijstaan deze rechten aan te vechten of te betwisten.

  • (11) Bij de verlening van een licentie of sub-licentie op industriële rechten op dit gebied, welke rechten aan de Overeenkomstsluitende Partijen toebehoren, verlangt elke Overeenkomstsluitende Partij en verlangen de gezamenlijke industriële ondernemingen dat de houders van deze licenties of sublicenties zich onthouden van het aanvechten of betwisten van de industriële rechten van de Overeenkomstsluitende Partijen of van de gezamenlijke industriële ondernemingen.

  • (12) De Overeenkomstsluitende Partijen en de gezamenlijke industriële ondernemingen behandelen uit commercieel oogpunt waardevolle gegevens die voortvloeien uit deze Overeenkomst met geëigende voorzorgen en verlangen van alle andere personen aan wie deze gegevens kunnen worden medegedeeld, dat dezen soortgelijke voorzorgen in acht nemen.

  • (13) De verlening door de gezamenlijke industriële ondernemingen van licenties of sub-licenties voor het gebruik en de uitoefening buiten het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen van de industriële rechten bedoeld in de paragrafen (2), (6) en (8) van deze Bijlage of van andere industriële rechten op dit gebied die in hun bezit zijn of onder hun beschikkingsmacht staan, wordt geregeld overeenkomstig lid (5), onder (d), van Artikel II van deze Overeenkomst.

Bijlage II. Beveiligingsmaatregelen en rubricering

  • (1) De Overeenkomstsluitende Partijen nemen alle geëigende maatregelen ter beveiliging van gerubriceerde stukken, d.w.z. alle gerubriceerde gegevens, bescheiden of uitrusting die tussen hen worden uitgewisseld in verband met de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking.

  • (2) De Overeenkomstsluitende Partijen nemen voorts alle geëigende maatregelen ter beveiliging van alle stukken die kunnen voortvloeien uit de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking en die zijn gerubriceerd overeenkomstig een gemeenschappelijk rubriceringsbeleid, zoals is voorzien in paragraaf (4) van deze Bijlage.

  • (3) De Overeenkomstsluitende Partijen passen op alle zodanig gerubriceerde stukken de voor hun nationale gerubriceerde stukken met een overeenkomstige rubriceringsgraad geldende beveiligingsvoorschriften toe, doch de toegepaste voorschriften mogen in geen geval minder streng zijn dan de onderling overeengekomen beginselen en minimumnormen.

  • (4)

    • (a) Overeenkomstig lid (5), onder (b), van Artikel II van deze Overeenkomst bestudeert de Gemengde Commissie alle vragen verband houdende met de rubriceringsregelingen en beveiligingsmaatregelen die moeten worden toegepast op de in de paragrafen (1) en (2) van deze Bijlage bedoelde stukken.

    • (b) Elke Overeenkomstsluitende Partij wijst een instantie aan die verantwoordelijk is voor de uitvoering op haar grondgebied van zodanige regelingen en maatregelen overeenkomstig een gemeenschappelijk rubriceringsbeleid.

    • (c) Indien nodig, ten einde zich te overtuigen van de bevredigende en doeltreffende tenuitvoerlegging van alinea (b) van deze paragraaf, kan de Gemengde Commissie te allen tijde bij de instanties, overeenkomstig het in die alinea bepaalde aangewezen, verslagen opvragen voor zover zij zulks nodig acht.

  • (5)

    • (a) Gerubriceerde stukken waarop paragraaf (1) van deze Bijlage van toepassing is, dragen een van de rubriceringsgraden die voor de Staat van herkomst zijn aangegeven in paragraaf (6) van deze Bijlage. Bij ontvangst wordt bovendien op deze gerubriceerde stukken door of op gezag van de instantie van de ontvangende Staat de overeenkomstige nationale rubriceringsgraad aangegeven. De ontvangende Staat mag een zodanige rubriceringsgraad niet verlagen of opheffen zonder toestemming van de Staat van herkomst.

    • (b) De Gemengde Commissie verstrekt richtlijnen voor de toepassing van de onderscheiden rubriceringsgraden aangegeven in paragraaf (6) overeenkomstig een gemeenschappelijk rubriceringsbeleid, op stukken welke zijn opgesteld als resultaat van de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking.

  • (6) De onderling vergelijkbare rubriceringsgraden in de zin van deze Bijlage zijn:

    In het Koninkrijk der Nederlanden

    ZEER GEHEIM

    GEHEIM

    CONFIDENTIEEL of VERTROUWELIJK

    DIENSTGEHEIM

    In de Bondsrepubliek Duitsland

    STRENG GEHEIM

    GEHEIM

    VS-VERTRAULICH

    VS-NUR FÜR DEN DIENSTGEBRAUCH

    In het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-lerland

    TOP SECRET

    SECRET

    CONFIDENTIAL

    RESTRICTED

  • (7) Gerubriceerde bescheiden worden van een der landen naar een ander overgebracht door tussenkomst van de diplomatieke koeriersdienst of op een andere veilige wijze die de instanties van de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen kunnen overeenkomen.

  • (8)

    • (a) Toegang tot de beveiligde sectoren van gebouwen op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen die worden gebruikt voor de in Artikel I van deze Overeenkomst omschreven samenwerking, en toegang tot gerubriceerde stukken worden aan bezoekers alleen verleend, indien zij in hun eigen Staat toegang hebben tot gerubriceerde stukken van dezelfde rubriceringsgraad en zij gemachtigd zijn door de overeenkomstig paragraaf (4) van deze Bijlage aangewezen instantie van die Staat.

    • (b) De machtiging dient schriftelijk te zijn verleend en dit geschrift dient vooraf te worden toegezonden aan de instantie van de te bezoeken Staat. In dit stuk dienen de begrenzing en de duur van de machtiging te zijn aangegeven, alsmede de hoogste rubriceringsgraad waartoe toegang tot gerubriceerde stukken kan worden verleend.

    • (c) De instantie van de te bezoeken Staat wordt vooraf van elk bezoek in kennis gesteld en draagt er zorg voor dat de persoon of personen die gemachtigd is, onderscheidenlijk zijn toelating tot het betrokken gebouw te verlenen, daarvan tijdig op de hoogte wordt, onderscheidenlijk worden gebracht. In de kennisgeving worden de onderwerpen genoemd met betrekking waartoe de bezoeker toegang tot gerubriceerde stukken kan worden verleend.

  • (9)

    • (a)

      • (i) Ingeval gerubriceerde stukken waarop paragraaf (1) van deze Bijlage van toepassing is, in de Staat waarnaar zij zijn overgebracht, verloren gaan of, zonder dat daartoe machtiging is verleend, openbaar worden gemaakt, of ingeval er een redelijke verdenking bestaat dat openbaarmaking zonder machtiging heeft plaatsgevonden, wordt de instantie van de Staat van herkomst daarvan onverwijld op de hoogte gebracht.

      • (ii) Ingeval gerubriceerde stukken waarop paragraaf (2) van deze Bijlage van toepassing is, verloren gaan of, zonder dat daartoe machtiging is verleend, openbaar worden gemaakt, of ingeval er een redelijke verdenking bestaat dat openbaarmaking zonder machtiging heeft plaatsgevonden, wordt de Gemengde Commissie daarvan onverwijld op de hoogte gebracht.

    • (b) In alle gevallen waarop alinea (a) van deze paragraaf van toepassing is, vallen het onderzoek of een zodanig feit ingevolge de vigerende wetten en voorschriften strafbaar is, en de vervolging in verband met een zodanig strafbaar feit overeenkomstig haar binnenlandse wetgeving en interne voorschriften, volledig binnen de bevoegdheden van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied het feit plaatsvond; alle andere Overeenkomstsluitende Partijen wordt evenwel de gelegenheid geboden de bevoegde autoriteiten van de betrokken Overeenkomstsluitende Partij alle gegevens te verstrekken die samenhangen met het onderzoek en de mogelijke vervolging in verband met een zodanig feit. De Regering van de Staat van herkomst of de Gemengde Commissie, al naar het geval is, wordt te zijner tijd medegedeeld of een zodanige rechtsvervolging is ingesteld en wat de uitslag ervan is.

    • (c) Gerubriceerde gegevens die ingevolge het in deze paragraaf bepaalde worden overgedragen, genieten dezelfde mate van beveiliging als alle andere gerubriceerde gegevens die op grond van deze Overeenkomst worden overgedragen.