Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende [...] en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht, 's-Gravenhage, 06-02-1963

Geldend van 30-04-1966 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Bondspresident van de Republiek Oostenrijk,

De wens koesterende om de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van in burgerlijke zaken gegeven rechterlijke beslissingen alsmede van authentieke akten te regelen,

Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hun Gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

De Heer dr. H. R. van Houten, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

De Bondspresident van de Republiek Oostenrijk:

De Heer dr. Claus Winterstein, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van de Republiek Oostenrijk in het Koninkrijk der Nederlanden,

Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel 1

  • (1) Dit Verdrag is van toepassing op beslissingen, die in vermogensrechtelijke zaken door de gewone gerechten van de Hoge Verdragsluitende Partijen zijn gegeven.

  • (2) Voor de toepassing van dit Verdrag worden de Oostenrijkse „Arbeitsgerichte” met gewone gerechten op een lijn gesteld.

  • (3) Onder „vermogensrechtelijke zaken” worden voor de toepassing van dit Verdrag ook wettelijke onderhoudsvorderingen verstaan.

  • (4) Onder „beslissingen” worden voor de toepassing van dit Verdrag verstaan: alle beslissingen, hoe ook genaamd (zoals vonnissen, beslissingen in kort geding, beschikkingen, arresten, dwangbevelen, Urteile, Zahlungsbefehle, Zahlungsaufträge, Beschlüsse), gegeven in zaken van eigenlijke of oneigenlijke rechtspraak, met uitzondering evenwel van:

    • a) beslissingen inzake faillissement, akkoord en surséance van betaling;

    • b) voorlopige maatregelen;

    • c) beslissingen van de strafrechter omtrent burgerrechtelijke vorderingen;

    • d) beslissingen van Nederlandse gerechten voorzover daarbij een schuldenaar veroordeeld is tot betaling van een dwangsom aan de schuldeiser voor het geval de schuldenaar zijn verplichting tot het verrichten of nalaten van een handeling niet nakomt, tenzij de verbeurde geldsom door een nadere beslissing van een Nederlands gerecht vastgesteld is.

Artikel 2

  • (1) De door de gerechten van een der Hoge Verdragsluitende Partijen gegeven beslissingen worden in het gebied van de andere Hoge Verdragsluitende Partij erkend, indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a) dat de beslissing is gegeven door een in de zin van artikel 3 van dit Verdrag bevoegd gerecht;

    • b) dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;

    • c) dat de partijen wettig vertegenwoordigd zijn geweest of, in geval van een beslissing bij verstek, wettig zijn opgeroepen; betreft het een dwangbevel, „Zahlungsauftrag” of „Zahlungsbefehl”, dan dient het stuk wettig te zijn bezorgd bij degene tegen wie het is uitgevaardigd;

    • d) dat de erkenning niet in strijd is met de openbare orde van de Staat, waar zij wordt ingeroepen; met name mag in de Staat, waar de erkenning wordt ingeroepen, niet reeds een in kracht van gewijsde gegane beslissing zijn gegeven in dezelfde zaak tussen dezelfde partijen;

    • e) dat in de Staat, waar de erkenning wordt ingeroepen, niet reeds een geding aanhangig is in dezelfde zaak tussen dezelfde partijen, dat aldaar aanhangig is gemaakt vóór de aanvang van het geding Staat waar de beslissing is gegeven.

  • (2) De in het voorgaande lid onder c genoemde voorwaarde is niet vervuld,

    wanneer

    • a) in geval van een beslissing bij verstek de niet-verschenen partij ten overstaan van het gerecht waarbij de erkenning wordt ingeroepen, bewijst dat zij niet zo tijdig van het geding kennis heeft gekregen dat zij daarin kon verschijnen;

    • b) indien het betreft een dwangbevel, een „Zahlungsauftrag” of een „Zahlungsbefehl”, de partij tegen wie het is uitgevaardigd, ten overstaan van het gerecht waarbij de erkenning wordt ingeroepen, bewijst dat zij van de beslissing niet zo tijdig kennis heeft gekregen dat zij daartegen in verzet kon gaan („Einwendungen, Widerspruch erheben”).

Artikel 3

  • (1) In de zin van artikel 2, lid 1 onder a, is, met uitzondering van de hierna in lid 2 genoemde gevallen, bevoegd het gerecht dat de beslissing heeft gegeven,

    • a) indien op het tijdstip van de aanvang van het geding de gedaagde in de Staat welks gerecht de beslissing heeft gegeven, zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats had;

    • b) indien de gedaagde een onderneming of een filiaal had in de Staat welks gerecht de beslissing heeft gegeven, en aldaar in rechte betrokken is ter zake van geschillen, die op die onderneming of dat filiaal betrekking hebben;

    • c) indien de gedaagde zich schriftelijk door overeenkomst of domiciliekeuze voor een bepaald geschil of voor geschillen uit een bepaalde rechtsverhouding voortspruitende, had onderworpen aan de rechtsmacht van dat gerecht;

    • d) wanneer de gedaagde op de rechtsstrijd ten gronde is ingegaan zonder bezwaren tegen de bevoegdheid van het gerecht (lid 4) te hebben opgeworpen;

    • e) in geval van een eis in reconventie, indien in de zin van dit artikel het gerecht bevoegd was te beslissen in conventie.

  • (2) In gedingen met betrekking tot zakelijke rechten op onroerende goederen en de overgang van zulke goederen ter zake des doods zijn bevoegd de gerechten van de Staat, waar de goederen zijn gelegen.

  • (3) De gerechten van de Staat, waar de erkenning wordt ingeroepen, zijn gebonden aan de feiten zoals die in de beslissing zijn vastgesteld en waarop het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, zijn bevoegdheid heeft gegrond.

  • (4) Onder „bezwaar tegen de bevoegdheid van het gerecht” in de zin van het eerste lid onder d wordt mede verstaan elke verklaring van de gedaagde, dat hij de bevoegdheid van het gerecht enkel in de zin van dit artikel bestrijdt.

  • (5) De gerechten van de Hoge Verdragsluitende Partij in wier gebied de beslissing is gegeven, zijn niettemin niet bevoegd in de zin van artikel 2, lid 1 onder a, indien naar het recht van de andere Hoge Verdragsluitende Partij haar eigen gerechten of die van een derde Staat uitsluitend bevoegd waren.

Artikel 4

De gerechten van de Hoge Verdragsluitende Partij waar de erkenning wordt ingeroepen, mogen de beslissing slechts toetsen aan de in artikel 2 vermelde voorwaarden. Voor het overige mag de beslissing noch wat de feiten, noch wat het recht betreft, worden getoetst.

Artikel 5

  • (1) Elke door een Nederlands gerecht gegeven beslissing, die in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbaar is en die op grond van de voorgaande artikelen in Oostenrijk moet worden erkend, kan in Oostenrijk worden tenuitvoergelegd.

  • (2) Elke door een Oostenrijks gerecht gegeven beslissing, die in Oostenrijk voor tenuitvoerlegging vatbaar is en die op grond van de voorgaande artikelen in Nederland moet worden erkend, kan in Nederland worden tenuitvoergelegd, nadat het bevoegde Nederlandse gerecht de beslissing uitvoerbaar heeft verklaard.

  • (3) De procedure tot uitvoerbaarverklaring (tenuitvoerlegging) wordt beheerst door het recht van de Hoge Verdragsluitende Partij, in wier gebied de uitvoerbaarverklaring (tenuitvoerlegging) plaatsvindt.

Artikel 6

Is bij de beslissing over meer dan een vordering uitspraak gedaan, doch aan de voorwaarden voor de erkenning of tenuitvoerlegging slechts met betrekking tot een of meer van deze vorderingen voldaan, dan moet de beslissing in zoverre worden erkend of uitvoerbaar worden verklaard (tenuitvoergelegd).

Artikel 7

  • (1) De partij, die erkenning of uitvoerbaarverklaring (tenuitvoerlegging) verlangt, moet overleggen:

    • a) een expeditie van de beslissing;

    • b) bewijsstukken waaruit kan worden vastgesteld, dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan en — indien uitvoerbaarverklaring (tenuitvoerlegging) wordt verzocht — dat de beslissing vatbaar is voor tenuitvoerlegging in de Staat, waar zij is gegeven;

    • c) indien het een beslissing bij verstek betreft, een gewaarmerkt afschrift van de dagvaarding of een ander geschrift dat kan dienen tot bewijs dat de gedaagde wettig is gedagvaard;

    • d) indien het betreft een dwangbevel, „een Zahlungsauftrag” of een „Zahlungsbefehl”, een geschrift, dat kan dienen tot bewijs dat de beslissing op wettige wijze is bezorgd bij de gedaagde.

  • (2) De over te leggen bescheiden behoeven niet te zijn gelegaliseerd doch dienen, indien het gerecht dat verlangt, vergezeld te gaan van een vertaling. De juistheid van de vertaling moet zijn bevestigd door een beëdigde vertaler, die in één van de beide Staten is toegelaten.

Artikel 8

  • (1) Gerechtelijke schikkingen en notariële akten die in een van de beide Staten tot stand zijn gekomen en in die Staat voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, worden in de andere Staat uitvoerbaar verklaard (tenuitvoergelegd), tenzij de tenuitvoerlegging in strijd is met de openbare orde van die Staat.

  • (2) De verzoekende partij moet een authentiek afschrift van de beschikking of de notariële akte overleggen, waaruit blijkt dat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Artikel 7, lid 2, is van toepassing.

  • (3) De bepalingen van de beide vorige leden zijn toepasselijk op voor de Oostenrijkse „Jugendamter” met betrekking tot onderhoudsverplichtingen tot stand gekomen schikkingen.

Artikel 9

Indien een geding voor een gerecht van een van beide Staten aanhangig is en te voorzien is dat de beslissing over het onderwerp van dit geding in de andere Staat zal moeten worden erkend, moet het gerecht, waarbij een vordering over hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen later is aanhangig gemaakt, de eiser niet ontvankelijk verklaren.

Artikel 10

  • (1) Dit Verdrag doet geen afbreuk aan de bepalingen van andere overeenkomsten die tussen de beide Hoge Verdragsluitende Partijen bestaan of zullen tot stand komen en die eveneens de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of authentieke akten regelen.

  • (2) Dit Verdrag is slechts van toepassing op executoriale titels die na zijn inwerkingtreding zijn tot stand gekomen.

Artikel 11

  • (1) Dit Verdrag geldt, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, alleen voor het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk.

  • (2) Dit Verdrag kan door een notawisseling tussen de Regeringen van beide Staten in onderlinge overeenstemming worden uitgebreid tot elk van de buiten Europa gelegen delen van het Koninkrijk der Nederlanden. In de notawisseling wordt het tijdstip van het in werking treden van de uitbreiding vastgesteld.

Artikel 12

  • (1) Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De uitwisseling van de akten van bekrachtiging moet zo spoedig mogelijk te Wenen plaatsvinden.

  • (2) Het Verdrag treedt in werking op de zestigste dag na de uitwisseling van de akten van bekrachtiging.

Artikel 13

  • (1) Ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen kan dit Verdrag door een schriftelijke, tot de andere Hoge Verdragsluitende Partij te richten mededeling opzeggen. De opzegging wordt een jaar na het tijdstip, waarop zij werd medegedeeld, van kracht.

  • (2) De opzegging kan beperkt worden tot een of meer van de gebieden, tot welke het Verdrag krachtens artikel 11, lid 2, mocht zijn uitgebreid.

Artikel 14

Ieder geschil met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, dat tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen mocht ontstaan, moet langs diplomatieke weg worden bijgelegd.

TEN BLIJKE WAARVAN de wederzijdse Gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegels voorzien.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 6e februari 1963, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Republiek Oostenrijk:

(w.g.) DR. CLAUS WINTERSTEIN