Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming, Brussel, 10-06-1970

Geldend van 01-02-1983 t/m heden

Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming

Authentiek : NL

Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming

De Regering van het Koninkrijk België,

De Regering van het Groothertogdom Luxemburg,

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

Gelet op artikel 6 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, ondertekend te 's-Gravenhage op 3 februari 1958;

Gelet op het op 18 oktober 1950 te Parijs tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot Bescherming van Vogels, waarbij de drie Beneluxlanden partij zijn;

Bezield door de wens een harmonisatie tot stand te brengen van de beginselen van hun, in het belang van de grondgebruikers, van de landbouw en van een doeltreffende natuurbescherming vastgestelde wettelijke bepalingen op het gebied van de jacht en de bescherming van in het wild levende vogels;

Overwegende dat deze harmonisatie kan bijdragen tot een toenadering tussen de wetgevingen inzake het vervoer van wild en van in het wild levende vogels, alsmede tot de afschaffing van controles en formaliteiten aan de binnengrenzen van Benelux;

Gelet op het advies van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 25 april 1970;

Zijn het volgende overeengekomen:

DEEL I. Jacht

Artikel 1

  • 1 Elk der drie Regeringen verbindt zich in haar nationale wetgeving het wild volgens de volgende categorieën te rangschikken: grof wild, klein wild, waterwild, overig wild.

  • 2 In de zin van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

    • a) grof wild: edelherten (Cervus elaphus), reeën (Capreolus preolus), damherten (Dama dama), moeflons (Ovis musimon) en wilde zwijnen (Sus scrofa);

    • b) klein wild: hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix), patrijzen (Perdix perdix), houtsnippen (Scolopax rusticola);

    • c) waterwild: alle soorten ganzen en eenden (Anatidae), goudplevieren (Pluvialis apricarius), watersnippen (Gallinago gallinago), poelsnippen (Gallinago media), bokjes (Lymnocryptes minimus) en meerkoeten (Fulica atra);

    • d) overig wild: houtduiven (Columba palumbus), zwarte en bonte kraaien (Corvus corone corone en Corvus corone cornix), roeken (Corvus frugilegus), kauwen (Corvus monedula), vlaamse gaaien (Garrulus glandarius), eksters (Pica pica), konijnen (Oryctolagus cuniculus), vossen (Vulpes vulpes), wilde katten (Felis sylvestris), verwilderde katten (Felis catus), bunzings (Putorius putorius), hermelijnen (Mustela erminea), wezels (Mustela nivalis), eekhoorns (Sciurus vulgaris), boom- en steenmarters (Martes martes en Martes foina), dassen (Meles meles), otters (Lutra lutra) en zeehonden (Phoca vitulina en Halichoerus grypus).

  • 4 In afwachting van de harmonisatie van de categorieën wild kan elk van de Overeenkomstsluitende Partijen andere diersoorten aan deze categorieën toevoegen.

Artikel 2

De drie Regeringen plegen overleg over de data van opening en sluiting van de jacht.

Artikel 3

De terreinen waarop de jacht met het geweer wordt uitgeoefend moeten aan minimale afmetingen voldoen. Deze afmetingen worden in elk land afgestemd op de cynegetische omstandigheden, met dien verstande dat:

  • a) de minimum aaneengesloten oppervlakte zowel in Nederland als ten noorden en ten westen van de lijn Samber en Maas in België 25 hectare bedraagt, doch ten zuiden van deze lijn in België, evenals in Luxemburg, 50 hectare;

  • b) de jacht op waterwild toegestaan is op terreinen van geringere oppervlakte, mits deze, op het ogenblik dat die jacht wordt uitgeoefend, een minimum aaneengesloten wateroppervlakte van een hectare omvatten.

Nochtans kan geen van de drie landen geringere minimumoppervlakten vaststellen dan die, welke thans op grond van de nationale wetgeving gelden.

Artikel 4

  • 1 De jacht met het geweer is verboden tenminste gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang.

  • 2 Bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten mag slechts gebruik worden gemaakt van nader aan te wijzen wapens en munitie, alsmede van nader aan te wijzen andere middelen, tuigen en jachtmethoden, overeenkomstig de procedure aangegeven in lid 4.

  • 3 De jacht met het geweer op nader aan te wijzen wildsoorten mag slechts worden uitgeoefend volgens een afschotplan overeenkomstig de in lid 4 gestelde procedure en voorwaarden.

  • 4

    • a) Het Comité van Ministers stelt vast door middel van overeenkomstig artikel 19 a) van het Unieverdrag genomen beschikkingen en rekening houdende met de cynegetische omstandigheden eigen aan elk land of deel daarvan:

      • 1°. de wapens en munitie alsmede de andere middelen, tuigen en jachtmethoden zoals bedoeld in lid 2;

      • 2°. de wildsoorten en de streken van de Beneluxlanden, waarvoor een afschotplan zal gelden.

    • b) Voor de jacht met het geweer op de wildsoorten en in de streken als bedoeld onder a) 2° van dit lid dient de houder van het jachtrecht een afschotplan te bezitten dat door of namens de daartoe bevoegde Minister is goedgekeurd.

  • 5 Elk der drie Regeringen stelt de wijze vast waarop, alsmede de voorwaarden waaronder, uitvoering zal worden gegeven aan het in de leden 1 en 4 bepaalde, zulks met inbegrip van de controlemaatregelen.

Artikel 5

  • 1 Met inachtneming van de nationale sanitaire bepalingen is het vervoer en het in de handel brengen van levend of dood wild toegestaan vanaf de datum van opening tot en met de tiende dag na sluiting van de jacht op dit wild.

  • 2 Vanaf de elfde dag na sluiting tot de datum van opening van de jacht is het vervoer en het in de handel brengen van levend of dood wild slechts toegestaan overeenkomstig de bepalingen uitgevaardigd door de Regering van het land waar het vervoer of het in de handel brengen plaatsvindt.

Artikel 6

In het verkeer met derde landen is de in-, uit- en doorvoer van levend of dood wild slechts toegestaan overeenkomstig de geldende bepalingen van de partnerlanden waar deze handelingen plaatsvinden.

DEEL II. Bescherming van de vogelstand

Artikel 7

De drie Regeringen verbinden zich de in de Beneluxlanden in het wild levende vogelsoorten, andere dan die welke op grond van artikel 1 als wild worden beschouwd, te beschermen; daartoe stelt het Comité van Ministers, onverminderd het bepaalde in artikel 8, de beschermingsmaatregelen, alsmede de vogelsoorten waarop deze betrekking hebben, vast door middel van overeenkomstig artikel 19 a) van het Unieverdrag genomen beschikkingen.

Artikel 8

  • 1 Elk der drie Regeringen verbindt zich haar nationale wetgeving zodanig aan te passen dat het te allen tijde en waar dan ook verboden is vogels, behorende tot de krachtens artikel 7 aangewezen soorten, alsmede hun eieren, ook uitgeblazen, en hun jongen te koop voorhanden te hebben, te verkopen, te kopen en te leveren; dit verbod geldt ook voor opgezette exemplaren van deze soorten, behoudens daarvan verkregen ontheffing door de bevoegde nationale autoriteiten.

  • 2 Het vervoeren van de in lid 1 bedoelde vogels, alsmede van hun eieren en jongen, is slechts toegestaan overeenkomstig de geldende bepalingen van het land op wiens grondgebied het vervoer plaatsvindt.

Artikel 9

In het verkeer met derde landen is de in-, uit- en doorvoer van alle levende of dode vogels, alsmede van hun eieren en hun jongen, slechts toegestaan met voorafgaande machtiging van de partnerlanden waar deze handelingen plaatsvinden.

DEEL III. Algemene bepalingen

Artikel 10

Het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 5, 6, 8 en 9 wordt uitgeoefend in het binnenland van elk der landen, aan de buitengrenzen van Benelux en niet bij gelegenheid van de overschrijding van de binnengrenzen van Benelux.

Artikel 11

Het Comité van Ministers stelt door middel van overeenkomstig artikel 19 a) van het Unieverdrag genomen beschikkingen de maatregelen vast welke, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5 lid 2, 6, 8 lid 2, en 9, in een of meer landen dienen te worden genomen, teneinde te voorkomen dat belangen van partnerlanden worden geschaad.

Artikel 12

Elk der drie landen behoudt de bevoegdheid in zijn wetgeving bepalingen te handhaven of op te nemen waarin aangelegenheden worden geregeld waarvoor in deze Overeenkomst geen regeling is getroffen, mits die bepalingen niet strijdig zijn met de Overeenkomst.

Artikel 13

  • 1 Elk der drie Regeringen behoudt zich het recht voor om, in het belang van de wetenschap, van het natuurbeheer of tot voorkoming van schade, afwijkingen toe te staan van de bepalingen van deze Overeenkomst, mits tevoren dienaangaande overeenstemming is bereikt in het Comité van Ministers door middel van een overeenkomstig artikel 19 a) van het Unieverdrag genomen beschikking.

  • 2 In dringende gevallen echter, kan elk der Regeringen, in afwachting van de beschikking van het Comité van Ministers, afwijkende maatregelen nemen en toepassen gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden. Van deze voorlopige toepassing wordt door de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie aan de andere Regeringen kennis gegeven.

Artikel 14

  • 2 De in het voorgaande lid bedoelde beschikkingen worden in elk der drie Staten bekendgemaakt in de vorm welke aldaar voor de bekendmaking van verdragen is voorgeschreven. De uitleg kan slechts aan het Benelux-Gerechtshof worden gevraagd, indien zij aldus zijn bekendgemaakt in de Staat waarin de vraag van uitleg is gerezen en, sedert de bekendmaking, tien dagen zijn verstreken.

Artikel 15

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst slechts van toepassing op het in Europa gelegen grondgebied.

Artikel 16

  • 1 Deze Overeenkomst zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die de Overeenkomstsluitende Partijen in kennis stelt van de nederlegging van die akten.

  • 2 Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging valt.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Brussel, op 10 juni 1970, in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Gemeenschappelijke memorie van toelichting

Algemeen

Het Benelux-Unieverdrag, dat sinds 1 november 1960 van kracht is, stelt tussen België, Luxemburg en Nederland een Economische Unie in, welke een vrij verkeer van personen, goederen, kapitalen en diensten omvat (artikel 1).

Artikel 6 bepaalt, dat de Hoge Verdragsluitende Partijen er gezamenlijk op toezien dat geen wettelijk of uitvoerend voorschrift noch enig ander publiekrechtelijk voorschrift, in het bijzonder op het gebied van de gezondheid, het vrije verkeer op ongerechtvaardigde wijze belemmert.

De wetgevingen der Beneluxlanden op het gebied van de bescherming van de wildstand en van de vogelstand bevatten maatregelen die onder toepassing vallen van artikel 6 van het Unieverdrag.

Aldus hebben de voornaamste bepalingen van de Belgische jachtwet betrekking op de jachtkalender en het vervoerverbod buiten de periode dat de jacht geopend is. Het vervoer en derhalve ook de in- en uitvoer, alsmede het verhandelen van wild is slechts toegestaan vanaf het moment van de opening van de jacht tot en met de derde dag na sluiting van de jacht. Naast de officieren van de gerechtelijke politie is met name de douane belast met het toezicht op de naleving van het verbod tot vervoer, waaronder begrepen de in- en uitvoer.

De bepalingen op dit gebied vervat in de Luxemburgse wetgeving komen voor een groot deel overeen met die van de Belgische wet. De verschillen hebben betrekking op de bepalingen ten aanzien van de invoer van wild, die onder bepaalde voorwaarden in gesloten jachtperiode geoorloofd blijft in Luxemburg, alsmede op de vorming van de jachtvelden.

In de Nederlandse jachtwet zijn een aantal bepalingen met betrekking tot de toepassing van een jachtkalender en de voorschriften nopens de jachtvelden opgenomen die direct of indirect zijn gericht op de bescherming van de wildstand. Om economische redenen werd afgezien van een algeheel vervoerverbod en verbod van verhandeling, in de zin zoals voorgeschreven door de Belgische wet, doch bestaat een strikte reglementering op het vervoer van wild. Zo dient bij het vervoer van wild een verklaring van oorsprong te kunnen worden getoond. De mogelijkheden van de moderne koeltechniek hebben ertoe geleid dat het vervoer en de handel van wild in gesloten tijd wettelijk wordt toegestaan. Naast de rijks- en gemeentepolitie is ook de dienst der douane belast met het toezicht op de naleving van deze reglementering.

Ten aanzien van de bescherming van de vogelstand bestaat in de drie Beneluxlanden een in-, uit- en doorvoerverbod van bepaalde vogelsoorten die beschermd zijn. Met name is de douane belast met het toezicht op de naleving van dit verbod.

De opheffing zonder meer van de douanecontrole aan de intragrenzen, waardoor voldaan zou worden aan de bepalingen van artikel 6 van het Unieverdrag, laat de problemen, voortspruitend uit de verschillen in de wetgevingen inzake de bescherming van de wilden de vogelstand, onopgelost. Het is aanbevelenswaardig in de Beneluxlanden gecoördineerde regimes tot stand te brengen die steunen op gelijke beginselen en waarbij de uitvoeringsmaatregelen zo nauw mogelijk op elkaar aansluiten.

Op grond van de voorgaande overwegingen is deze Beneluxovereenkomst opgesteld; zij houdt eveneens rekening met de doelstellingen van het op 18 oktober 1950 te Parijs tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot Bescherming van Vogels, waarbij de drie Beneluxlanden partij zijn.

De grondbeginselen van de overeenkomst zijn:

  • 1. het onderscheid tussen, enerzijds, het wild en, anderzijds, de in het wild levende vogels;

  • 2. het opnemen in de jachtwet van elk der drie landen van onderscheiden categorieën wild (grof wild, klein wild, waterwild en overig wild) en het vaststellen van de soorten die tot de genoemde categorieën behoren;

  • 3. het coördineren van de openings- en sluitingsdata van de jacht;

  • 4. het vaststellen van minimale afmetingen voor jachtvelden;

  • 5. het coördineren van de maatregelen betreffende de tot jagen geoorloofde wapens, munitie en overige middelen en tuigen, alsmede betreffende de wijze waarop de jacht mag worden uitgeoefend;

  • 6. het coördineren van de maatregelen betreffende het vervoer, zomede betreffende de in-, uit- en doorvoer van wild;

  • 7. het beschermen van de in het wild levende vogelsoorten;

  • 8. het verbieden van het verhandelen van in het wild levende vogelsoorten;

  • 9. het coördineren van de regimes welke van toepassing zijn op in-, uit- en doorvoer van vogels in het algemeen.

Toelichting bij de artikelen

Artikel 1

Een gecoördineerd regime inzake jacht vereist een gelijkluidende definitie van het begrip „wild”.

Alleen de Nederlandse jachtwet kent een nauwkeurige definitie.

De Belgische jachtwet geeft geen definitie van „wild”, doch in enige artikelen worden bepaalde dieren genoemd waarop die wet van toepassing is (bijv. art. 2, 6, 6bis, 6ter, 7, 7ter, 10). Bovendien beschouwt de jurisprudentie als wild de dieren waarop men gewoon is te jagen.

De Luxemburgse jachtwet kent evenmin een definitie van wat onder „wild” moet worden verstaan. Op grond van enige in de jachtwet voorkomende artikelen kan evenwel worden afgeleid welke diersoorten in Luxemburg tot de categorieën grof wild, klein wild, waterwild en overig wild worden gerekend.

In artikel 1 van de Conventie wordt onderscheid gemaakt tussen 4 categorieën wild, t.w. grof wild, klein wild, waterwild en overig wild, De aanwijzing van deze onderscheidene wildcategorieën en de daartoe behorende soorten strekt tot wegneming van onzekerheid omtrent de vraag of een bepaalde diersoort al dan niet tot het jachtwild wordt gerekend. De aanwijzing staat voorts in verband met andere wetsartikelen, welke bv. betrekking hebben op de wijze van bejagen, de daartoe geoorloofde middelen, de jachtvelden en de data van opening en sluiting van de jacht voor de onderscheidene wildsoorten.

Als grof wild, resp. klein wild en waterwild, zijn in artikel 1 die diersoorten aangeduid, welke naar hun aard of op basis van de huidige jachtwetgevingen in aanmerking komen om in de drie hoger vermelde categorieën te worden opgenomen.

Ook is een categorie „overig wild” onderscheiden. Van oudsher regelen de jachtwetten immers het bemachtigen van zekere dieren die, hoewel zij meestal niet rechtstreeks het voorwerp van de jacht zijn, toch enig belang voor de jacht bezitten. Tot deze groep dieren rekent men o.m. vossen, bunzings, wezels, verwilderde katten; sommige ervan, zoals vossen, worden af en toe bejaagd. Wegens hun levenswijze en hun aantal beschouwt men deze dieren meestal als schadelijk en tracht men ze het gehele jaar te bestrijden.

Door een steeds verdergaande aantasting van de biotopen van deze diersoorten lopen sommige daarvan echter gevaar te verdwijnen, zoals o.m. de das, de otter en de wilde kat. Het ecologisch onderzoek heeft voorts aangetoond, dat deze soorten evenals de gewone wildsoorten een belangrijke rol spelen in de voedingskringloop van de natuur. Het is dan ook niet uitgesloten dat het in de toekomst nodig zal zijn maatregelen te treffen voor hun bescherming. Voor een aantal hiervan, bv. de marter, is dit reeds het geval in Nederland. Uit de aard der zaak horen dergelijke maatregelen thuis in het raam van de jachtwetgeving. De opname in de categorie „overig wild” biedt daartoe de mogelijkheid.

Artikel 1, lid 3 bepaalt dat het Comité van Ministers, ingesteld krachtens artikel 15 van het Unieverdrag, bevoegd is om door middel van beschikkingen de lijst van de diersoorten, behorende tot de categorieën grof wild, klein wild, waterwild en overig wild aan te vullen. Het gaat hier - evenals in de artikelen 7, 11 en 13, lid 1 - om beschikkingen in de zin van artikel 19a) van het Unieverdrag, dat bepaalt dat de beschikkingen de Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden; deze dienen dus op het nationale vlak de nodige maatregelen te treffen om aan de beschikkingen uitvoering te geven.

In afwachting dat het Comité van Ministers op grond van artikel 1, lid 3 der Overeenkomst de harmonisatie van de categorieën wild zal hebben voltooid en op grond van artikel 7 de harmonisatie van de categorieën beschermde vogelsoorten zal hebben tot stand gebracht, kan elk der drie Regeringen vanzelfsprekend voorlopig andere diersoorten aan de in artikel 1 bedoelde categorieën wild toevoegen.

Artikel 2

In dit artikel gaan de drie Regeringen de verplichting aan overleg te plegen over de data van opening en sluiting van de jacht. Gelet op de verschillen in de geografische en de cynegetische omstandigheden is het niet noodzakelijk dat in de drie Beneluxlanden een volstrekt uniforme jachtkalender zou gelden. Deze verschillen brengen overigens met zich mede, dat ook binnen de grenzen van één land niet altijd eenzelfde jachtkalender voor het gehele grondgebied behoeft te gelden.

Artikel 3

De uitoefening van de jacht dient enerzijds haar begrenzing te vinden in de regel dat de belangen van de grondgebruikers moeten worden ontzien en anderzijds in het streven te voorkómen dat door overmatig afschot van in het wild levende dieren de ondergang, hetzij plaatselijk, landelijk of internationaal, van bepaalde soorten veroorzaakt wordt. Tussen deze grenzen zal in beginsel een ieder de jacht mogen uitoefenen.

De regeling van de jacht zal echter een zodanige moeten zijn, dat - binnen de genoemde begrenzing - een optimale wildstand behouden blijft. Daartoe is het onder meer noodzakelijk regelen te stellen met betrekking tot de afmetingen, waaraan jachtvelden moeten voldoen.

Het is duidelijk dat, in het algemeen, de jacht op wild alleen dan behoorlijk kan worden uitgeoefend, wanneer deze jachtuitoefening plaatsvindt op terreinen van zodanige afmetingen, dat het daarop aanwezige wild daar gelegenheid vindt voor voeding, voortplanting, dekking en rust, en wel in die mate, dat dit wild zich daar bij voortduring kan ophouden. De jager is dan in staat door middel van afschot de wildstand te regelen en deze aldus op een redelijk peil te handhaven. Bijgevolg kan hij verantwoordelijk worden gesteld voor het handhaven van een te hoge wildstand en zal hij eventueel de gevolgen dragen van het overbejagen. Door het vaststellen van een minimum grootte van de jachtterreinen wordt bereikt dat cynegetisch aanvaardbare jachtterreinen ontstaan.

Gelet op de uiteenlopende feitelijke omstandigheden in de drie landen, is niet voorzien in een gelijke norm voor het ganse Beneluxgebied. De minimale oppervlakte, welke een aaneengesloten gebied moet vormen, is vastgesteld op 25 hectare voor het Beneluxgebied ten noorden en ten westen van de lijn Samber en Maas op Belgisch grondgebied en op 50 hectare ten zuiden van deze lijn. Daarenboven is de jacht op waterwild toegestaan op terreinen van geringere oppervlakte, mits deze, op het ogenblik dat die jacht wordt uitgeoefend, een minimum aaneengesloten wateroppervlakte van een hectare omvatten. Nochtans kunnen geen geringere minimum-oppervlakten worden vastgesteld dan die, welke op de datum van ondertekening der Overeenkomst op grond van de nationale wetgeving gelden.

Artikel 4

De doelstellingen van de jachtwet brengen mee dat de wetgever al het mogelijke doet om de rechtszekerheid te verhogen. Dit is van bijzonder belang wanneer het gaat om de bepaling van de tot jagen geoorloofde middelen, tuigen en methoden. Een nauwkeurige opsomming is derhalve wenselijk.

Middelen, tuigen en methoden die van oudsher gebruikt worden bij de jacht behoeven geen nadere omschrijving, hoewel het kan voorkomen dat het onbeperkt gebruik daarvan in het belang van de jacht en van een doeltreffende bescherming van de natuur niet langer kan worden geduld.

Het is echter niet uitgesloten dat nieuwe middelen, tuigen en methoden of wijzigingen van in gebruik zijnde geoorloofde middelen tot jagen zullen worden gebruikt in het Beneluxgebied.

Een positieve en limitatieve opsomming der tot jagen geoorloofde middelen, tuigen en methoden biedt het voordeel dat aanstonds doelmatig kan worden ingegrepen tegen het gebruik van niet geoorloofde. Wanneer dergelijke nieuwigheden niet indruisen tegen de gangbare opvattingen inzake jacht, bestaat er geen bezwaar tegen aanpassing van de lijst der geoorloofde middelen, tuigen en methoden.

Artikel 5

Een belangrijk element in de bestrijding van de stroperij is de reglementering van het vervoer en het in de handel brengen van wild.

In België is het verboden vanaf de derde dag na de sluiting van de jacht wild te koop te stellen, te verkopen, te kopen, te vervoeren of te venten. In gesloten tijd is het eveneens verboden aan handelaars in voedingswaren en restaurateurs wild voorradig te hebben, zelfs buiten hun woning, en is het aan eenieder verboden wild te verbergen of voorradig te houden voor rekening van handelaars. Wild mag slechts worden te koop gesteld of gekocht vanaf de dag die op de opening van de jacht volgt. Het vervoeren van dood wild is derhalve wettelijk verboden gedurende de gesloten jachttijd, welke ook de herkomst van het wild is of in welke vorm dan ook (vers, bevroren, ingeblikt). Levend wild mag slechts vervoerd worden voor de herbevolking van de jachtgebieden en met machtiging van de Minister van Landbouw.

In de Nederlandse jachtwet is het vervoeren van en de handel in wild in gesloten en geopende jachttijd vrij uitputtend geregeld. Samenvattend komen de gestelde regelen eigenlijk neer op een verbod van vervoer of het onder zich hebben van wild in gesloten of geopende jachttijd, indien het wild niet op legale wijze is verkregen. Wildhandelaars mogen evenwel in gesloten jachttijd wild verhandelen, vervoeren of doen vervoeren mits het vervoer gedekt is door een geleidebiljet. Geschoten grof wild moet bovendien voorzien zijn van wildmerken verstrekt door het Ministerie van Landbouw. Bepaalde wildsoorten mogen niet ongemerkt vervoerd worden, terwijl het vervoer door anderen dan de vergunninghouder slechts is toegestaan voor zover dit vervoer gedekt is door een, door laatstgenoemde afgegeven, geleidebiljet.

Krachtens de Luxemburgse jachtwet is het vervoer van wild in gesloten jachttijd verboden. Nochtans is de invoer van wild toegestaan mits de wettelijk geoorloofde herkomst is aangetoond.

Gegeven de hiervoor beschreven situatie en rekening houdend met het feit dat een normale afzetperiode moet worden voorzien voor de verkoop en het vervoer van wild na de sluiting van de jacht, bepaalt artikel 5 dat tot 10 dagen na de sluiting van de jacht het regime ten aanzien van het vervoer en het in de handel brengen van wild in open jachttijd mag worden toegepast.

In het tweede lid wordt gesteld dat buiten de open jachttijd het vervoer en het in de handel brengen van wild slechts zijn toegestaan met inachtneming van de nationale wettelijke regelen.

Het begrip «in de handel brengen» dient uiteraard in zeer brede zin te worden opgevat; het omvat o.a. het voorhanden hebben of bewaren, het bereiden, bewerken of anderszins behandelen, het uitstallen, verpakken, invoeren, het te koop aanbieden, verkopen, al dan niet kosteloos overdragen, verspreiden en ruilen.

Artikel 6

Dit artikel sluit nauw aan bij de regelingen voorzien in artikel 5 en voorziet essentieel hetzelfde regime voor in-, uit- en doorvoer als voor het nationaal vervoeren en in de handel brengen van wild.

Ook in dit verband zal geleidelijk aan, door de onderlinge toenadering van de wetgevingen, een uniform Beneluxregime tot stand kunnen worden gebracht.

Artikel 7

Dit artikel bevat het basisprincipe dat de in het wild levende vogelsoorten, die niet als wild zijn aangemerkt, dienen te worden beschermd. De concrete toepassing van dit beginsel zal door het Comité van Ministers worden uitgewerkt door de bepaling van de beschermingsmaatregelen, alsmede van de vogelsoorten waarop deze bescherming betrekking heeft, zonder dat deze maatregelen nochtans afbreuk zullen kunnen doen aan het in artikel 8 bepaalde.

Met de algemene uitdrukking «vogelsoorten» wordt bedoeld de soorten vogels volgens de algemeen aanvaarde wetenschappelijke classificatie. Om betwistingen uit te sluiten is het immers wenselijk gebleken alle ondersoorten, rassen of variëteiten van een gegeven vogelsoort te beschermen, ook al komt niet iedere ondersoort of ras van een bepaalde vogelsoort thans in het Beneluxgebied bestendig voor. De bescherming van de in het wild levende vogels is thans in de drie landen nog niet op een uniforme wijze geregeld; unificatie kan nog enige tijd vergen.

Artikel 8

In dit artikel wordt het in de handel brengen van in het wild levende vogels, aangewezen krachtens artikel 7, alsmede van hun eieren en jongen, in de drie Beneluxlanden verboden. Deze bepaling is een eerste beschermingsmaatregel die uitvoering geeft aan het in artikel 7 bepaalde. Hoewel het verbod in beginsel ook geldt voor opgezette exemplaren, kunnen de nationale autoriteiten, voor zover hun wetgeving daartoe ruimte laat, ontheffing van dit verbod verlenen.

Krachtens het tweede lid van artikel 8 is het vervoeren van de, in de voorgaande alinea bedoelde, in het wild levende vogels, alsmede van hun eieren en jongen, in elk van de landen slechts toegestaan krachtens de regelen van toepassing in het land waar het vervoer plaatsvindt. Deze maatregel is voorzien in afwachting van de totstandkoming van een uniform Benelux-regime op dit stuk.

Aangezien het in de handel brengen van in het wild levende vogels, aangewezen krachtens art. 7, alsmede van hun eieren en jongen, op grond van lid 1 van art. 8 verboden is, kan worden volstaan met het toezicht op de naleving van het verkoopverbod en van de vervoerreglementering in het binnenland van elk der landen en aan de buitengrenzen van het Beneluxgebied (zie ook art. 10).

Artikel 9

Dit artikel bepaalt dat de in-, uit- en doorvoer van alle vogels, levend of dood, alsmede van hun eieren en jongen, slechts wordt toegestaan met voorafgaande machtiging. Deze beperking vindt haar oorsprong in het feit, dat in de huidige situatie de in-, uit- en doorvoer van in het wild levende vogels weliswaar verboden is, doch dit verbod al te gemakkelijk omzeild wordt door het ten invoer aangeven van vogels als zijnde exotische vogels, terwijl het in feite gaat om in Benelux in het wild levende vogelsoorten. Door het instellen van de voorafgaande machtiging en het voorleggen van de nodige bewijsstukken zullen frauduleuze in- en uitvoerverklaringen ten zeerste bemoeilijkt worden.

Het instellen van dit systeem van voorafgaande machtiging berust tevens op de overweging dat sommige overzeese landen bepaalde vogelsoorten, die aldaar voorkomen, wensen te beschermen en daarom de uitvoer ervan verbieden. Ten einde bij te dragen tot de bescherming van deze vogelsoorten in die landen, zijn de Beneluxlanden van oordeel dat de invoer van deze soorten dient te worden gereglementeerd.

Artikel 10

Overeenkomstig de doelstellingen van de Benelux Economische Unie is in dit artikel bepaald, dat het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 5, 6, 8 en 9 wordt uitgeoefend in het binnenland van elk der landen, aan de buitengrenzen van Benelux en niet bij gelegenheid van de overschrijding van de binnengrenzen van Benelux.

Het ligt overigens in de bedoeling om, door een toenadering van de nationale jachtwetten, geleidelijk een uniforme Beneluxregeling inzake het vervoer van wild tot stand te brengen.

Artikel 11

Dit artikel biedt de mogelijkheid om, met instemming van het Comité van Ministers, af te wijken van de bepalingen inzake in-, uit- en doorvoer, alsmede inzake het vervoer; dit heeft voornamelijk ten doel in een geünificeerd Beneluxdouanegebied een voldoend soepele toepassing mogelijk te maken van de nationale regelingen met betrekking tot de jacht en de vogelbescherming. Zulks voorkomt dat schade wordt toegebracht aan de belangen van enig partnerland, dat betrokken is bij vorenbedoelde handelingen en welks wetgeving ten opzichte van de wetgeving van het land waar de handeling plaatsvindt verschillen vertoont, welke niet strijdig zijn met de Overeenkomst (bv. ten gevolge van bepaalde vervoersverboden tijdens gesloten jachttijd).

Artikel 12

De instelling, op grond van de onderhavige Overeenkomst, van een gecoördineerd regime sluit niet uit dat in één of meer der landen bijzondere maatregelen kunnen of moeten worden getroffen met betrekking tot aangelegenheden, waarvoor in de Overeenkomst geen regeling is voorzien. Om deze reden, alsmede ter voorkoming van elk misverstand dienaangaande, voorziet artikel 12 uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor elk der Regeringen haar wetgeving aan te vullen, op voorwaarde echter dat deze aanvullende bepalingen niet strijdig zijn met de Overeenkomst.

Voorts spreekt het wel vanzelf dat elk der drie Regeringen tevens het recht heeft in de nationale wetgeving verdergaande beschermingsmaatregelen te handhaven of op te nemen dan die, welke zijn voorzien in deze Overeenkomst.

Artikel 13

Het is logisch dat de Beneluxlanden de bevoegdheid behouden om, mits met voorafgaande instemming van het Comité van Ministers, in het belang van de wetenschap, de natuurbescherming of ter voorkoming van schade, maatregelen te nemen, welke afwijken van het bepaalde in vorige artikelen (lid 1).

In lid 2 is echter bepaald, dat elk der Regeringen in dringende gevallen deze maatregelen eenzijdig kan nemen en toepassen zonder de instemming van het Comité van Ministers, doch slechts voor een tijd van ten hoogste drie maanden; deze maatregelen kunnen niet worden hernieuwd.

Artikel 14

Teneinde een uniforme interpretatie van de bepalingen van de Overeenkomst te bevorderen, wordt in artikel 13 aan het Benelux-Gerechtshof de rechtsprekende en adviserende bevoegdheid toegekend, welke wordt omschreven in de hoofdstukken II en IV van het op 31 maart 1965 te Brussel gesloten Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof. Hierdoor wordt, in het geval dat een nationaal rechtscollege in twijfel verkeert over de interpretatie van een bepaling van de Overeenkomst, de mogelijkheid en, in sommige gevallen, zelfs de plicht in het leven geroepen om een beslissing van het Benelux-Hof uit te lokken.

Artikelen 15 en 16

Deze artikelen bevatten een aantal, in Benelux-Overeenkomsten gebruikelijke, slotbepalingen, welke geen nader commentaar behoeven.

De Nederlandse Jachtwet van 3 november 1954, naar welke Wet in de Gemeenschappelijke memorie van toelichting wordt verwezen, is geplaatst in Stb. 523. Voor wijzigingen van deze Wet zie Stb. 1955, 213 en Stb. 1958, 296 en 698.