Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, Brussel, 31-03-1965

Geldend van 01-12-2016 t/m heden

Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof

Authentiek : NL

Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Overwegende dat de eenheid bij de toepassing der rechtsregels, die België, Luxemburg en Nederland gemeenschappelijk hebben, bevorderd dient te worden,

Hebben tot dat doel besloten over te gaan tot het sluiten van een Verdrag betreffende de instelling van een Benelux-Gerechtshof en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister, Adjunct voor Buitenlandse Zaken;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:

Zijne Excellentie de Heer P. Werner, Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken,

die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

HOOFDSTUK I. Instelling, doel en zetel van het Hof

Artikel 1

  • 1 Er wordt een Benelux-Gerechtshof opgericht, hierna genoemd het Hof.

  • 2 Het Hof heeft tot taak de gelijkheid te bevorderen bij de toepassing van rechtsregels die gemeen zijn aan de Beneluxlanden. Ter uitvoering van deze taak beschikt het Hof over:

    • a. de bevoegdheid kennis te nemen van vragen betreffende de uitleg van rechtsregels;

    • b. rechtsprekende bevoegdheid;

    • c. adviserende bevoegdheid.

  • 3 De bevoegdheden bedoeld in lid 2, onder (a) en (c), worden uitgeoefend ten aanzien van rechtsregels welke, hetzij bij verdrag, hetzij bij een beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Unie zijn aangewezen.

  • 4 De bevoegdheid bedoeld in lid 2, onder (b), wordt uitgeoefend op specifieke gebieden die daartoe zijn aangewezen in een verdrag. Ten aanzien van deze verdragen winnen de Beneluxlanden het advies in van het Hof.

  • 5 Het Hof heeft tevens de bevoegdheid om op grond van en met inachtneming van Aanvullende Protocollen bij dit Verdrag kennis te nemen van administratiefrechtelijke beroepen inzake de rechtsbescherming van personen in dienst van de Benelux Unie, de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom of een Benelux Gemeenschappelijke Dienst.

  • 7 Het Comité van Ministers kan, eveneens bij beschikking, bepalingen, welke door hem als gemeenschappelijke rechtsregels zijn aangewezen, van de toepassing van dit Verdrag, dan wel van hoofdstuk III, onderdeel A, en/of hoofdstuk III, onderdeel C, daarvan, uitsluiten.

  • 8 De in de leden 6 en 7 bedoelde beschikkingen worden genomen nadat terzake advies is ingewonnen van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad. Zij worden vóór het tijdstip van hun inwerkingtreding in elk der drie Staten bekendgemaakt in de vorm welke aldaar voor de bekendmaking van verdragen is voorgeschreven.

Artikel 2

  • 1 Het Hof heeft zijn permanente zetel in Luxemburg, waar de zittingen worden gehouden.

  • 2 Het Hof kan ook zitting houden op een andere plaats in een van de drie landen.

  • 3 Het Hof wordt bijgestaan door een griffie. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 3bis, lid 2, van dit Verdrag vervullen de beambten van de griffie hun functie naast die van personeelslid van het Benelux Secretariaat-Generaal, en zijn, als dusdanig, toegewezen aan de zetel van het Benelux Secretariaat-Generaal.

HOOFDSTUK II. Organisatie

Artikel 3

  • 1 Het Hof is samengesteld uit:

    • a. ten minste negen raadsheren op basis van artikel 3, lid 2, onder wie de President, de eerste vice-president en de tweede vice-president, en ten minste negen plaatsvervangende raadsheren. De raadsheren en plaatsvervangende raadsheren worden benoemd uit de leden van de Hoge Raad der Nederlanden en uit de leden van het Hof van Cassatie van België. Voor Luxemburg kunnen zij benoemd worden uit de leden van het Cour Supérieure de Justice en het Cour Administrative.

    • b. ten minste zes rechters en ten minste zes plaatsvervangende rechters op basis van artikel 3, lid 2, benoemd uit de leden van de Gerechtshoven van Nederland, van de Hoven van beroep van België en van het Cour d’appel van Luxemburg.

    Het Parket van het Hof is samengesteld uit drie advocaten-generaal, onder wie een eerste advocaat-generaal als Hoofd van het Parket, en uit plaatsvervangende advocaten-generaal. Zij worden benoemd uit de leden van de Parketten bij de in artikel 3, lid 1, onder (a), bedoelde rechtscolleges.

  • 2 De raadsheren, de plaatsvervangende raadsheren, de rechters, de plaatsvervangende rechters, de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal worden in een voor elk der drie landen gelijk aantal benoemd bij beschikking van het Comité van Ministers. Het Comité van Ministers kan het aantal plaatsvervangende raadsheren en plaatsvervangende rechters van een land, op voorstel van dat land, uitbreiden tot ten hoogste vijf. Het Comité van Ministers kan, op dezelfde voorwaarden, voor elk der advocaten-generaal een plaatsvervanger van dezelfde nationaliteit benoemen. Deze kan, in overleg met het Hoofd van het Parket, in een procedure optreden in de plaats van de advocaat-generaal. De magistraten blijven bij het Hof en het Parket in functie zolang zij in hun eigen land als zodanig in actieve dienst zijn. De magistraten, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen hun functie bij het Hof blijven uitoefenen tot de leeftijd van zeventig jaar.

  • 3 Indien een magistraat niet langer voldoet aan de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van zijn functie bij het Hof, stelt het Hof zulks vast. Indien een raadsheer, een plaatsvervangend raadsheer of een rechter, een plaatsvervangende rechter dan wel het Hoofd van het Parket ontslag vraagt, wordt dit ingediend bij de President, of, indien het om de President, een advocaat-generaal of een plaatsvervangende advocaat-generaal gaat, bij het Hoofd van het Parket. De President of het Hoofd van het Parket geeft hiervan kennis aan het Comité van Ministers. Het Comité van Ministers verleent daarvan akte. Hierdoor ontstaat de vacature.

  • 4 Voor magistraten, die lid blijven van het Hof en van het Parket ofschoon zij wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet langer deel uitmaken van de rechterlijke macht van hun eigen land, zijn de incompatibiliteiten van kracht, welke in hun eigen land voor de magistraten van het hoogste rechtscollege gelden. Zij blijven onderworpen aan het disciplinaire gezag dat in de wetgeving van hun eigen land is voorzien.

  • 5 De functies van President en van eerste en tweede vice-president van het Hof en tevens van de Eerste Kamer worden volgens nationaliteit bij toerbeurt vervuld voor een periode van drie jaar. Een aangevangen doch onderbroken mandaat van drie jaar moet worden voltooid door een raadsheer van dezelfde nationaliteit. De President, een eerste en een tweede vicepresident van verschillende nationaliteit worden door de algemene vergadering van het Hof bij absolute meerderheid van stemmen der aanwezige leden gekozen. De eerste verkiezing van de President van het Hof geschiedt evenwel bij absolute meerderheid van stemmen der door het Comité van Ministers als leden van het Hof aangewezen en in algemene vergadering aanwezige magistraten. De volgorde der nationaliteit voor het bekleden van het voorzitterschap en het vicevoorzitterschap, welke volgorde gedurende de eerste negen jaar van het bestaan van het Hof door middel van stemming zal worden bepaald, wordt vervolgens bij toerbeurt herhaald.

  • 6 De rechters kiezen uit hun midden volgens nationaliteit bij toerbeurt voor een periode van drie jaar de President, de eerste vice-president en de tweede vice-president van de Tweede Kamer. De verkiezing van de President van deze Kamer vindt plaats onmiddellijk na de verkiezing van de President van het Hof.

    Een aangevangen doch onderbroken mandaat van drie jaar moet worden voltooid door een rechter van dezelfde nationaliteit.

  • 7 Het voorzitterschap van de Derde Kamer wordt bepaald in overeenstemming met de Aanvullende Protocollen bedoeld in artikel 1, lid 5.

  • 8 De functie van Hoofd van het Parket bij het Hof wordt volgens nationaliteit bij toerbeurt vervuld voor een periode van drie jaar. Een aangevangen doch onderbroken mandaat van drie jaar moet worden voltooid door een advocaat-generaal van dezelfde nationaliteit. De volgorde der nationaliteiten voor het bekleden van de functie van Hoofd van het Parket wordt gedurende de eerste negen jaar door leeftijd bepaald. Vervolgens wordt deze volgorde bij toerbeurt herhaald.

Artikel 3bis

  • 1 Het Hof wordt bijgestaan door een griffier en eventueel een of meer substituut-griffiers. De griffier dient doctor in de rechten, meester in de rechten (Nederland), licentiaat in de rechten (België), of houder van een als daaraan gelijkwaardig erkend diploma (Luxemburg) te zijn dan wel master in de rechten op basis van een diploma dat is behaald bij een universiteit, een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling met eenzelfde opleidingsniveau, die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat van de Europese Unie is aangewezen. Ten aanzien van de substituut-griffiers kan ook een ander universitair einddiploma worden aanvaard.

  • 1bis Een waarnemend griffier kan de taak van de griffier of substituut-griffiers waarnemen. Deze wordt aangetrokken uit de griffiers van de rechtscolleges genoemd in artikel 3, lid 1, onder (a), en door de President van het Hof benoemd op voordracht van het Hoofd van het Parket na instemming van het rechtscollege waarvoor betrokkene werkzaam is en waar deze verder zijn functie blijft uitoefenen.

  • 2 De griffier en de substituut-griffiers worden benoemd door het Comité van Ministers in overeenstemming met de President van het Hof en het Hoofd van het Parket; zij worden bij voorkeur gekozen uit de personeelsleden van het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie. In dat geval vervullen zij de functie van griffier of substituut-griffier naast hun functie bij het Secretariaat-Generaal, met inachtneming van de regeling bedoeld in het zevende lid van dit artikel. Hun benoeming tot griffier of substituut-griffier behoeft de instemming van de Secretaris-Generaal.

  • 3 Vanaf het ogenblik dat het aantal door het Hof te behandelen zaken het vervullen van de functie van griffier of substituut-griffier naast hun functie bij het Secretariaat-Generaal onmogelijk maakt, zal een griffie worden ingesteld op de zetel van het Hof te Luxemburg.

    De Benelux Raad zal, eenmaal per jaar, op basis van een door het Hof opgesteld rapport, zich buigen over de ontwikkeling van het aantal door het Hof behandelde zaken teneinde zich over het ogenblik waarop de griffie te Luxemburg zal worden geopend, uit te spreken.

  • 4 De griffier en de substituut-griffiers worden op voordracht van het Hoofd van het Parket door het Comité van Ministers van hun functie ontheven in het belang van de dienst. Waarnemend griffiers worden op voordracht van het Hoofd van het Parket door de President van hun functie ontheven in het belang van de dienst. Het Hoofd van het Parket geeft van zijn voornemen tot het doen van deze voordracht kennis aan de betrokken griffier, substituut-griffier of waarnemend griffier. Het Hoofd van het Parket gaat tot deze voordracht niet over dan na de griffier, substituut-griffier of waarnemend griffier te hebben gehoord. Tegen de beslissing van het Comité van Ministers dan wel van de President kan de griffier of substituut-griffier respectievelijk waarnemend griffier, binnen twee maanden nadat deze aan hem is medegedeeld, beroep instellen bij de Eerste Kamer van het Hof, zoals bedoeld in artikel 4quinquies, lid 1, onder (a). Het Hof beoordeelt het beroep in volle omvang.

  • 5 Indien de algemene vergadering vaststelt dat de functie van de griffier of één of meer substituut-griffiers niet of niet meer gelijktijdig met andere of bepaalde andere functies kan worden uitgeoefend, stelt de President het Comité van Ministers daarvan in kennis. Indien het Comité van Ministers zich verenigt met het gevoelen van de algemene vergadering, neemt het de maatregelen die het nodig acht om de bezwaren weg te nemen.

  • 6 De griffier, de substituut-griffiers en de waarnemend griffiers, de leden van de aan de griffie verbonden vertaaldienst en het griffiepersoneel zijn onderworpen aan het disciplinair gezag van het Hof. De algemene vergadering stelt de op hen toepasselijke tuchtregeling vast en legt deze ter goedkeuring voor aan het Comité van Ministers.

  • 7 Voor zover diezelfde personen personeelslid zijn van het Secretariaat-Generaal, stelt het Comité van Ministers, op voorstel van de algemene vergadering, een regeling vast betreffende de verdeling van het gezag tussen het Hof en de Secretaris-Generaal, deze laatste gehoord.

Artikel 4

  • 1 De leden van het Hof en van het Parket oefenen hun ambt uit in alle onpartijdigheid en onafhankelijkheid.

  • 2 De President legt tijdens een algemene vergadering bijeengekomen in plenaire zitting, de eed af dat hij zijn ambt eerlijk, nauwgezet en onpartijdig zal vervullen en het geheim van de raadkamer zal bewaren. De leden van het Hof en van het Parket leggen dezelfde eed af in handen van de President.

  • 3 De griffier en de substituut-griffiers leggen in handen van de President de eed af, dat zij hun ambt eerlijk en nauwgezet zullen vervullen en het geheim van de raadkamer zullen bewaren.

  • 4 Voor de wijze van aflegging van de eed en de mogelijkheid deze door een belofte te vervangen, geldt de nationale wet van degene die de eed moet afleggen.

  • 5 De leden van het Hof en van het Parket alsmede de waarnemend griffiers genieten generlei vaste wedde. Zij ontvangen een door het Comité van Ministers vastgestelde vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Het statuut, de salariëring, de vergoedingen en, voor zover nodig, de pensioenregeling, alsmede de reis- en verblijfskosten van de griffier, van de substituut-griffiers, van de leden van de aan de griffie verbonden vertaaldienst en van het griffiepersoneel worden op voorstel van de algemene vergadering vastgesteld door het Comité van Ministers. De uit de bepalingen van dit lid voortvloeiende kosten komen ten laste van de in artikel 13 van het Verdrag bedoelde begroting.

Artikel 4bis

Het Hof geniet rechtspersoonlijkheid. Het Hof wordt door de President vertegenwoordigd.

Artikel 4ter

  • 1 De lokalen en de vergaderingen van het Hof, alsmede de archieven van het Hof, waar deze zich ook bevinden, zijn onschendbaar.

  • 2 Behoudens in geval van overmacht mogen de lokalen en de vergaderingen van het Hof slechts met toestemming van de President of van een door hem aangewezen persoon worden betreden.

Artikel 4quater

  • 1 De raadsheren, de plaatsvervangende raadsheren, de rechters, de plaatsvervangende rechters, de advocaten-generaal, de plaatsvervangende advocaten-generaal en de griffier, de substituut-griffiers en de waarnemend griffiers van het Hof kunnen in rechte niet worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen met betrekking tot hetgeen zij in de uitoefening van hun functie hebben gezegd, gedaan of geschreven, zelfs indien zij niet meer in functie zijn.

  • 1bis De Eerste Kamer kan de immuniteit van de raadsheren, de plaatsvervangende raadsheren, de rechters, de plaatsvervangende rechters, de advocaten-generaal, de plaatsvervangende advocaten-generaal en de griffier opheffen. De President van het Hof kan de immuniteit van de substituut-griffiers en de waarnemend griffiers opheffen.

  • 2 Indien, onverminderd het in lid 1 bepaalde, tegen een in dat lid bedoelde persoon een vervolging in rechte wordt ingesteld, kan hij in elk der drie Beneluxlanden slechts worden berecht door de instantie die in dat land bevoegd is tot berechting van een persoon, die overeenkomstig dit Verdrag, een vergelijkbare functie vervult in het land van berechting.

Artikel 4quinquies

  • 1 Het Hof bestaat uit:

    • a. een Eerste Kamer, waarin de raadsheren en plaatsvervangende raadsheren bedoeld in artikel 3, lid 1, onder (a), zitting hebben;

    • b. een Tweede Kamer, eventueel bestaande uit Afdelingen, waarin de rechters en plaatsvervangende rechters bedoeld in artikel 3, lid 1, onder (b), zitting hebben;

    • c. een Derde Kamer, waarin de raadsheren, plaatsvervangende raadsheren, rechters en plaatsvervangende rechters bedoeld in artikel 3, lid 1, onder (a) en (b), zitting hebben.

  • 2 Voor zover niet bepaald in de Aanvullende Protocollen bedoeld in artikel 1, lid 5, bepaalt het Reglement van Orde de nadere regels van samenstelling van de Kamers.

Artikel 5

  • 1 Aan de zittingen van de Eerste Kamer wordt in beginsel deelgenomen door negen raadsheren, van elk land drie. In gevallen voorzien in het Reglement van Orde kan het Hof echter zitting houden met drie raadsheren, van elk land één, dan wel met vijf raadsheren. In zaken bedoeld in hoofdstuk III, onderdeel A, treedt bij voorkeur de advocaat-generaal op die behoort tot het land waar het bodemgeschil aanhangig is.

  • 1bis Aan zittingen van de Tweede Kamer wordt deelgenomen door drie rechters, van elk land één.

  • 1ter Aan zittingen van de Derde Kamer wordt deelgenomen door drie leden van de Derde Kamer, van elk land één.

  • 2 Voor het overige zal bij Reglement van Orde al hetgeen betreft de samenstelling van het Hof bij zittingen, de onderlinge rangorde der leden, de vakanties, de taken en de werkwijze van de algemene vergadering, het optreden van het Parket, de wijze van stemmen, de inrichting van de rol, de vaststelling der zittingsdagen en de werkzaamheden van de griffie nader worden geregeld.

  • 3

    • a. De leden van het Hof en van het Parket, die in welke instantie ook als lid van een nationaal rechterlijk college hebben medegewerkt aan een uitspraak gegeven in een zaak die voor het Hof wordt gebracht, onttrekken zich aan de behandeling van die zaak of kunnen aan de behandeling van die zaak worden onttrokken. Als zodanig wordt niet beschouwd de uitspraak, waarbij de nationale rechter zich ertoe heeft bepaald de uitspraak op te schorten overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van dit Verdrag.

    • b. De rechters en de leden van het Parket die hebben medegewerkt aan een uitspraak gegeven in een zaak zoals bedoeld in artikel 9bis onttrekken zich aan de behandeling van een zaak zoals bedoeld in artikel 9ter of kunnen aan de behandeling van die zaak worden onttrokken.

  • 4 De Minister van Justitie van elk der drie landen kan zich, in zaken als bedoeld in hoofdstuk III, onderdeel A, rechtstreeks schriftelijk wenden tot het Parket bij het Hof. Hij kan langs die weg het Hof een uiteenzetting doen geworden van zijn zienswijze omtrent een geschilpunt, mits hij daarvan afschrift doet toekomen aan de Ministers van Justitie der beide andere landen. De leden van het Parket zijn niet verplicht de door de Minister uitgesproken mening te verdedigen.

  • 5 De advocaten-generaal vervangen elkander, ongeacht het land waartoe zij behoren. Ingeval van ontstentenis van al deze functionarissen wijst het Hof een van zijn leden of plaatsvervangende leden aan om hun werkzaamheden tijdelijk te verrichten.

HOOFDSTUK III. Bevoegdheid

A. Vragen betreffende de uitleg van rechtsregels

Artikel 6

  • 1 In de hierna omschreven gevallen neemt de Eerste Kamer bedoeld in artikel 4quinquies kennis van vragen betreffende de uitleg van rechtsregels, bedoeld in artikel 1, voorzover deze zijn gerezen in zaken aanhangig bij een rechtscollege van één der drie landen dat zitting houdt binnen het grondgebied in Europa.

  • 2 Wanneer blijkt, dat een uitspraak in een voor een nationaal rechtscollege aanhangige zaak medebrengt de beantwoording van een vraag van uitleg van een in artikel 1 bedoelde rechtsregel, kan dat rechtscollege, indien het van mening is dat een beslissing op dit punt noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen, ook ambtshalve zijn definitieve uitspraak opschorten teneinde een beslissing van het Hof over de vraag van uitleg uit te lokken.

  • 3 Indien aan de voorwaarden, omschreven in het voorgaande lid is voldaan, is een nationaal rechtscollege, tegen de uitspraken waarvan krachtens het nationale recht geen beroep kan worden ingesteld, verplicht de vraag van uitleg aan het Hof voor te leggen.

  • 4 Het in lid 2 of lid 3 bedoelde rechtscollege zal dit echter niet doen:

    • 1°. indien het van oordeel is, dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent het antwoord op de gerezen vraag van uitleg;

    • 2°. indien de zaak wegens haar spoedeisend karakter geen uitstel gedoogt.

    Voorts kan het rechtscollege nalaten de vraag aan het Hof voor te leggen, indien het zich verenigt met een reeds eerder door het Hof in een andere zaak of bij een advies omtrent die vraag van uitleg gegeven beslissing of advies.

  • 5 De beslissing waarbij uitleg wordt gevraagd omschrijft de feiten, waarop de door het Hof te geven uitleg moet worden toegepast. Van de beslissing behoeft noch grosse te worden gelicht noch betekening te worden gedaan. Ambtshalve wordt een door de griffier voor conform getekend afschrift der beslissing zo spoedig mogelijk aan het Hof toegezonden. Dit doet daarvan afschrift toekomen aan de Ministers van Justitie van de drie landen. Het Hof kan overlegging van de dossiers verlangen.

  • 6 Het rechtscollege, dat zonder tegelijkertijd een eindbeslissing te wijzen overeenkomstig de tweede alinea van dit artikel beslist over de wenselijkheid om een vraag van uitleg aan het Hof voor te leggen, kan bepalen of een rechtsmiddel, dat tegen die beslissing openstaat, onmiddellijk kan worden aangewend dan wel tegelijk met een rechtsmiddel tegen de eindbeslissing,

Artikel 7

  • 1 Bij zijn uitspraak geeft het Hof slechts een beslissing over de vraag van uitleg die aan het Hof is voorgelegd. Van die beslissing blijkt uit een door de griffie van het Hof afgegeven expeditie. De griffie van het Hof zendt deze expeditie zo spoedig mogelijk toe aan het gerecht waar het bodemgeschil aanhangig is alsmede aan partijen of haar gemachtigden.

  • 2 De nationale rechters die daarna in de zaak uitspraak doen, zijn gebonden aan de uitleg welke voortvloeit uit de door het Hof gedane uitspraak.

  • 3 De termijnen welke in de procedure voor de nationale rechter in acht genomen moeten worden, alsmede de termijnen van verjaring, zijn rechtens geschorst gedurende de tijd dat de zaak bij het Hof aanhangig is, en wel met ingang van de dag waarop ingevolge artikel 6 de opschorting is uitgesproken tot de dag waarop de overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel verzonden beslissing ter griffie zal zijn ontvangen.

Artikel 8

Het Hof kan kennis nemen van een verzoek tot uitleg, zelfs indien de beslissing van de nationale rechter waarbij die uitleg wordt gevraagd volgens de bepalingen van het nationale recht nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen.

Artikel 9

  • 1 Wanneer het voor de uitleg van een op grond van artikel 1 aangewezen rechtsregel nodig is een rechtsinstelling of de daaruit voortvloeiende rechtsbetrekkingen te kwalificeren en die kwalificatie niet door een zodanige rechtsregel bepaald is, zal die kwalificatie door het Hof geschieden overeenkomstig de wet van het land waar de beslissing waarbij uitleg wordt gevraagd, is gegeven.

  • 2 Het Hof is niet bevoegd om te beoordelen of de toepassing van enig voorschrift, waarnaar een krachtens artikel 1 aangewezen rechtsregel verwijst, in strijd is met de openbare orde.

B. Rechtsprekende bevoegdheid

Artikel 9bis

De Tweede Kamer bedoeld in artikel 4quinquies, lid 1, onder (b), neemt kennis in volle omvang van zaken die op grond van artikel 1, lid 4, daartoe zijn aangewezen.

Artikel 9ter

  • 2 De grenzen van deze voorziening en de gevolgen daarvan worden nader bepaald in het Reglement op de procesvoering.

  • 3 Deze voorziening heeft opschortende werking.

Artikel 9quater

De Derde Kamer bedoeld in artikel 4quinquies, lid 1, onder (c), neemt kennis van beroepen bedoeld in artikel 1, lid 5.

C. Adviezen

Artikel 10

  • 1 Elk van de drie Regeringen kan de Eerste Kamer verzoeken bij wege van advies zijn oordeel te geven over de uitleg van een in artikel 1 bedoelde rechtsregel.

  • 2 Van dit verzoek wordt door de griffie van het Hof mededeling gedaan aan de beide andere Regeringen, die dan op hun beurt beschouwingen ter zake aan de Eerste Kamer kunnen doen toekomen. De Eerste Kamer doet een kennisgeving, waarin het voorwerp van het verzoek summier is omschreven, onverwijld opnemen in het officiële publikatieblad van elk der drie landen.

  • 3 Partijen die betrokken mochten zijn bij een rechtsgeding, waarbij dezelfde vraag aan de orde is, kunnen eveneens hun beschouwingen doen toekomen aan de Eerste Kamer.

  • 4 De Eerste Kamer zal bij de uitoefening van zijn adviserende bevoegdheden de op de rechtspraak betrekking hebbende bepalingen van dit Verdrag zoveel mogelijk tot richtsnoer nemen.

HOOFDSTUK IV. Rechtspleging en gerechtskosten

Artikel 11

  • 1 De regels die van oudsher in acht worden genomen door de rechterlijke colleges zullen ook richtsnoer zijn bij de uitoefening door het Hof van zijn rechtsprekende taak.

  • 2 Het Hof stelt zijn reglement op de procesvoering vast en legt dit ter goedkeuring voor aan het Comité van Ministers.

  • 3 Regel is dat de procedure voor het Hof wordt gevoerd bij geschrifte. Het Hof kan echter gelegenheid geven tot in het openbaar te houden pleidooien op door het Hof te bepalen plaats, dag en uur.

  • 3bis De procedures bedoeld in de artikelen 9bis en 9ter worden ingesteld door indiening van een daartoe strekkend verzoekschrift bij de griffie van het Hof. Het Reglement van Orde van het Hof en het Reglement op de procesvoering bepalen de nadere regels die voor deze procedures gelden.

  • 4 Elke partij is bevoegd om binnen een, naar gelang de zaak, door de President van de Eerste of Tweede Kamer te bepalen termijn een memorie in te dienen inhoudende haar stellingen en conclusies. Indien de aard der zaak daartoe aanleiding geeft kan aan partijen een termijn worden gegeven voor het indienen van een memorie van antwoord. Deze termijnen kunnen worden verlengd.

  • 4bis Een verdrag bedoeld in artikel 1, lid 4, kan bepalen, dat een instelling die een besluit heeft genomen dat onderwerp vormt van een zaak die aanhangig is bij de Tweede Kamer, opmerkingen kan indienen na voorafgaande raadpleging van de Beneluxlanden. De instelling zal geen opmerkingen indienen indien zwaarwegende belangen van een van de Beneluxlanden zich hiertegen verzetten.

  • 5 Voor het Hof mogen optreden:

    • a. iedere advocaat die is ingeschreven bij de balie van een lidstaat van de Europese Unie;

    • b. eenieder die op grond van een in artikel 1, lid 4, bedoeld verdrag wordt toegelaten;

    • c. eenieder die voor een bepaalde zaak door het Hof als gemachtigde wordt toegelaten.

    Deze personen, die voor het Hof verschijnen, genieten, onverminderd het ten deze toepasselijke tuchtrecht, de voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies nodige rechten en waarborgen, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de procesvoering. Ten aanzien van hen bezit het Hof, overeenkomstig de bepalingen van bedoeld reglement, de bevoegdheden welke op dit gebied gewoonlijk aan de rechter worden toegekend.

  • 5bis Ten aanzien van getuigen geniet het Hof dezelfde bevoegdheden als op dit gebied in de regel aan de rechter zijn toegekend; het Hof kan tevens geldboeten opleggen, een en ander overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de procesvoering.

    De tenuitvoerlegging van beslissingen van het Hof waarbij geldboeten worden opgelegd geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op wiens grondgebied zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de nationale regering van elk land der Benelux wordt aangewezen. Van de aanwijzing geeft zij kennis aan het Hof en de Secretaris-Generaal.

  • 6 De beraadslagingen van het Hof zijn en blijven geheim. De beslissingen van het Hof zijn met redenen omkleed, zij vermelden de namen van de raadsheren of rechters die haar genomen hebben en worden in openbare zitting uitgesproken. Tegen de beslissingen staat generlei voorziening open, onverminderd de toepassing van artikel 9ter.

  • 7 De talen die door en voor het Hof worden gebruikt zijn in de regel het Nederlands en het Frans. De procesvoering, de pleidooien en de uitspraak vinden plaats in de taal die voor de rechter bij wie het bodemgeschil aanhangig is gebezigd wordt, onderscheidenlijk in de taal waarin de voorziening op basis van artikel 9bis is aangebracht. Bij de processtukken moet steeds een vertaling in de andere taal worden gevoegd.

    Het Hof kan ten aanzien van de pleidooien afwijking van deze regel toestaan. Indien pleidooien zijn gehouden moet uiterlijk terstond na afloop daarvan een pleitnota worden overgelegd.

    Wanneer de beslissing waarbij uitleg wordt gevraagd, onderscheidenlijk de voorziening op basis van artikel 9bis, in de Duitse taal is gesteld, beveelt het Hof dat de verdere procesvoering en de uitspraak hetzij in het Nederlands hetzij in het Frans plaatsvinden. De pleidooien kunnen in een der drie talen worden gehouden.

    Wanneer de voorziening is ingesteld tegen een beslissing die in een andere taal is gewezen dan het Nederlands, het Frans of het Duits, moet de voorziening in het Frans of in het Nederlands worden ingesteld. Het Hof kan ten aanzien van de pleidooien toelaten dat zij in de taal worden gehouden waarin de bestreden beslissing is gesteld.

  • 8 Aan de griffie van het Hof is een vertaaldienst verbonden. Deze dienst verstrekt kosteloos alle hierboven bedoelde vertalingen.

Artikel 12

  • 1 In zaken waarin het Hof bevoegdheid uitoefent op basis van artikel 1, lid 2, onder (a), stelt het de kosten vast welke op de behandeling voor het Hof zijn gevallen. Deze kosten omvatten de honoraria voor de raadslieden van de partijen, voorzover zulks in overeenstemming is met de wetgeving van het land waar het bodemgeschil aanhangig is.

  • 2 De aldus vastgestelde kosten maken deel uit van de proceskosten waarover de nationale rechter uitspraak doet.

  • 2bis In de zaken waar het Hof uitspraak doet op grond van zijn bevoegdheid bedoeld in artikel 1, lid 2, onder (b), stelt het de kosten vast en veroordeelt het de in het ongelijk gestelde partij in de kosten. De kosten omvatten onder meer de honoraria van de raadsleden binnen de grenzen bepaald door het Reglement op de procesvoering. Het Hof kan eveneens de kosten omslaan.

    De instellingen die, op grond van artikel 11, lid 4bis, opmerkingen indienen, dragen hun eigen kosten.

  • 3 De schrifturen welke deel uitmaken van een voor het Hof gevoerde procedure, alsmede de beslissingen of adviezen van het Hof, zijn in de drie landen vrij van alle formaliteiten en rechten van zegel en registratie en van alle andere heffingen.

HOOFDSTUK V. Financiële bepaling

Artikel 13

De aan de werkzaamheden van het Hof, de griffie en de vertaaldienst verbonden kosten vormen een afzonderlijke post op de begroting van het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie.

HOOFDSTUK VI. Slotbepalingen

Artikel 14

  • 1 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag slechts van toepassing voor het Europese deel van Nederland.

  • 2 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot Aruba, Curaçao, Sint Maarten en het Caribische deel van Nederland bij een daartoe strekkende verklaring, te richten tot het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie.

Artikel 15

  • 1 Dit Verdrag wordt bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie.

  • 2 Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgende op de datum van neerlegging van de derde akte van bekrachtiging.

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en voorzien van hun zegel.

GEDAAN te Brussel, op 31 maart 1965, in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.