Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Monaco inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen, ’s-Gravenhage, 11-01-2010

Geldend van 01-12-2010 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Monaco inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vorstendom Monaco inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

en

de Regering van het Vorstendom Monaco;

Geleid door de wens de uitwisseling van informatie met betrekking tot belastingen te vergemakkelijken;

Erkennend dat het uitwisselen van informatie met betrekking tot bepaalde belastingen, in het bijzonder met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en met betrekking tot douanerechten reeds mogelijk is op grond van bestaande juridische instrumenten en regelingen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten verlenen elkaar bijstand door middel van de uitwisseling van informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de toepassing en handhaving van de nationale wetten van de Verdragsluitende Staten die betrekking hebben op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is.

Deze informatie omvat informatie die naar verwachting van belang zal zijn voor de bepaling, vaststelling en inning van deze belastingen, de invordering en tenuitvoerlegging van belastingvorderingen of het onderzoek naar of de vervolging van belastingzaken. Informatie wordt uitgewisseld in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en wordt vertrouwelijk behandeld op de wijze voorzien in artikel 8.

De uit hoofde van de wetgeving of bestuursrechtelijke praktijk van de aangezochte Staat aan personen toegekende rechten en waarborgen blijven van toepassing voor zover zij de doeltreffende uitwisseling van informatie niet onnodig verhinderen of vertragen.

Artikel 2. Rechtsmacht

Een aangezochte Staat is niet verplicht informatie te verstrekken die noch in het bezit is van zijn autoriteiten, noch in het bezit of onder de macht van personen onder zijn territoriale rechtsmacht.

Artikel 3. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is

  • 1 De belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is betreffen:

    • a. in Nederland, de belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van Nederland, en in het bijzonder:

      • i. inkomstenbelasting;

      • ii. loonbelasting;

      • iii. vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet;

      • iv. dividendbelasting;

      • v. schenkingsrecht;

      • vi. successierechten;

    • b. in Monaco:

      winstbelasting (impôts sur les bénéfices).

  • 2 Dit Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. Indien de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten zulks overeenkomen, is dit Verdrag ook van toepassing op alle in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. Voorts kunnen de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, in onderling overleg tussen de Verdragsluitende Staten in de vorm van een briefwisseling worden uitgebreid of aangepast. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die zijn aangebracht in de belastingheffing en daarmee samenhangende maatregelen inzake het verzamelen van informatie waarop het Verdrag van toepassing is.

Artikel 4. Begripsomschrijvingen

  • 1 Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald:

    • a. „wordt onder de uitdrukking „Verdragsluitende Staat” verstaan Nederland of Monaco, al naargelang van hetgeen de context vereist;

    • b. wordt onder de uitdrukking „Nederland” verstaan het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waarbinnen Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsbevoegdheid heeft of soevereine rechten uitoefent met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan en de daarboven gelegen wateren, en hun natuurlijke rijkdommen;

    • c. wordt onder de uitdrukking „Monaco” verstaan het grondgebied van het Vorstendom Monaco alsmede zijn binnenwateren, territoriale wateren met inbegrip van de zeebodem en de ondergrond daarvan, het luchtruim daarboven, de exclusieve economische zone en het continentaal plat waarover het Vorstendom Monaco soevereine rechten uitoefent en rechtsbevoegdheid heeft in overeenstemming met de bepalingen van het internationaal recht en de nationale wet- en regelgeving van het Vorstendom Monaco;

    • d. wordt onder de uitdrukking „bevoegde autoriteit” verstaan:

      • i. wat Nederland betreft, de minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

      • ii. wat Monaco betreft, de adviseur voor Financiële Zaken en Economie van de Regering of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

    • e. wordt onder de uitdrukking „persoon” verstaan een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;

    • f. wordt onder de uitdrukking „lichaam” verstaan elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;

    • g. wordt onder de uitdrukking „beursgenoteerd lichaam” verstaan een lichaam waarvan de voornaamste aandelencategorie aan een erkende effectenbeurs staat genoteerd mits de ter beurze genoteerde aandelen direct door het publiek gekocht of verkocht kunnen worden; aandelen kunnen „door het publiek” worden gekocht of verkocht indien de aankoop of verkoop van aandelen niet impliciet of expliciet is voorbehouden aan een beperkte groep investeerders;

    • h. wordt onder de uitdrukking „voornaamste aandelencategorie” verstaan de aandelencategorie of –categorieën die een meerderheid van het totale aantal stemmen en de waarde van het lichaam vertegenwoordigen;

    • i. wordt onder de uitdrukking „erkende effectenbeurs” verstaan een effectenbeurs die de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten overeenkomen;

    • j. wordt onder de uitdrukking „collectief beleggingsfonds of collectieve beleggingsregeling” verstaan elk gezamenlijk beleggingsinstrument, ongeacht de rechtsvorm. De uitdrukking „openbaar collectief beleggingsfonds of openbare collectieve beleggingsregeling” omvat elk collectief beleggingsfonds of elke collectieve beleggingsregeling, mits de eenheden, aandelen of andere belangen in het fonds of de regeling direct door het publiek kunnen worden gekocht, verkocht of afgelost; eenheden, aandelen of andere belangen in het fonds of de regeling kunnen direct „door het publiek” worden gekocht, verkocht of afgelost indien de aankoop, verkoop of aflossing niet impliciet of expliciet is voorbehouden aan een beperkte groep investeerders;

    • k. wordt onder de uitdrukking „belasting” verstaan elke belasting waarop het Verdrag van toepassing is;

    • l. wordt onder de uitdrukking „verzoekende Staat” verstaan de Verdragsluitende Staat die om informatie verzoekt;

    • m. wordt onder de uitdrukking „aangezochte Staat” verstaan de Verdragsluitende Staat die gevraagd is informatie te verstrekken;

    • n. wordt onder de uitdrukking „maatregelen ten behoeve van het verzamelen van informatie” verstaan wetten en bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures die een Verdragsluitende Staat in staat stellen de gevraagde informatie te verkrijgen en te verstrekken;

    • o. wordt onder de uitdrukking „informatie” verstaan alle feiten, verklaringen of stukken ongeacht in welke vorm;

    • p. wordt onder de uitdrukking „fiscale delicten” verstaan belastingzaken waarbij sprake is van opzettelijke gedragingen die vervolgd kunnen worden krachtens de strafwetten van de verzoekende Staat, bestuursrechtelijke boetes daaronder begrepen;

    • q. wordt onder de uitdrukking „strafwetten” verstaan alle strafrechtelijke bepalingen die krachtens de nationale wetgeving als zodanig worden aangeduid, ongeacht of zij zijn opgenomen in belastingwetten, het wetboek van strafrecht of andere wetten.

  • 2 Voor de toepassing van dit Verdrag door een Verdragsluitende Staat op enig ogenblik heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die Staat de voorkeur heeft boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die Staat aan die uitdrukking wordt gegeven.

Artikel 5. Uitwisseling van informatie op verzoek

  • 1 De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat verstrekt op verzoek informatie ten behoeve van de in artikel 1 bedoelde doeleinden. Dergelijke informatie wordt uitgewisseld ongeacht of de onderzochte gedragingen, indien deze in de aangezochte Staat zouden plaatsvinden, uit hoofde van de wetgeving van de aangezochte Staat als misdrijf zouden worden aangemerkt.

  • 2 Indien de informatie in het bezit van de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat niet toereikend is om aan het verzoek te voldoen, treft die Staat alle toepasselijke maatregelen inzake het verzamelen van informatie om de verzoekende Staat de verlangde informatie te verstrekken, ongeacht het feit dat de aangezochte Staat ten behoeve van zijn eigen belastingheffing niet over dergelijke informatie hoeft te beschikken.

  • 3 Indien de bevoegde autoriteit van een verzoekende Staat specifiek daarom verzoekt, is de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat gehouden uit hoofde van dit artikel informatie te verstrekken, voor zover zulks is toegestaan uit hoofde van de nationale wetgeving, in de vorm van getuigenverklaringen en gewaarmerkte afschriften van originele stukken.

  • 4 Elke Verdragsluitende Staat waarborgt dat zijn bevoegde autoriteiten ten behoeve van de in artikel 1 van het Verdrag omschreven doelstellingen, over de bevoegdheid beschikken het navolgende te verkrijgen en te verstrekken:

    • a. informatie die berust bij banken, overige financiële instellingen, of personen die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreden, met inbegrip van gevolmachtigden en beheerders van een trust („trustees”);

    • b. informatie met betrekking tot de juridische en feitelijke eigendom van lichamen, maatschappen, trusts, stichtingen, „Anstalten” en andere rechtspersonen, met inbegrip van, binnen de beperkingen van artikel 2, informatie inzake de eigendom met betrekking tot al deze rechtspersonen binnen een eigendomsketen; in het geval van trusts, informatie met betrekking tot instellers van een trust, de beheerders daarvan („trustees”), begunstigden daarvan en de positie van een trust in een eigendomsketen; en in het geval van stichtingen, informatie met betrekking tot stichters, leden van het bestuur en begunstigden.

    Dit Verdrag schept daarnaast geen verplichting voor de Verdragsluitende Staten informatie inzake de eigendom te verkrijgen of te verstrekken met betrekking tot beursgenoteerde lichamen of openbare collectieve beleggingsfondsen of openbare collectieve beleggingsregelingen, tenzij deze informatie kan worden verkregen zonder tot onevenredige moeilijkheden te leiden.

  • 5 De bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat verstrekt de volgende informatie aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat wanneer de eerstgenoemde Staat uit hoofde van het Verdrag een verzoek om informatie doet, teneinde aan te tonen dat deze naar verwachting van belang zal zijn voor het verzoek:

    • a. de identiteit van de persoon op wie de controle of het onderzoek betrekking heeft;

    • b. een verklaring omtrent de gewenste informatie, met inbegrip van de aard en de vorm waarin de verzoekende Staat de informatie van de aangezochte Staat wenst te ontvangen;

    • c. het fiscale doel waarvoor om de informatie wordt verzocht;

    • d. de redenen om te veronderstellen dat de gevraagde informatie zich bevindt in de aangezochte Staat of zich in het bezit of onder de macht bevindt van een persoon die onder de rechtsmacht van de aangezochte Staat valt;

    • e. de namen en adresgegevens, voor zover bekend, van personen van wie verondersteld wordt dat zij in het bezit zijn van de verzochte informatie;

    • f. een verklaring dat het verzoek in overeenstemming is met de wetgeving en de administratieve praktijk van de verzoekende Staat, dat indien de gevraagde informatie onder de rechtsmacht van de verzoekende Staat zou vallen, de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat deze informatie volgens de wetten van de verzoekende Staat of volgens de normale gang van zaken in de bestuursrechtelijke praktijk zou kunnen verkrijgen, en dat het verzoek in overeenstemming is met dit Verdrag;

    • g. een verklaring dat de verzoekende Staat op zijn eigen grondgebied alles in het werk heeft gesteld om de informatie te verkrijgen, tenzij dit zou leiden tot onevenredige moeilijkheden.

  • 6 De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat doet de gevraagde informatie zo spoedig mogelijk toekomen aan de verzoekende Staat. Teneinde een snel antwoord te waarborgen:

    • a. bevestigt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat de ontvangst van een verzoek schriftelijk aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat en stelt zij de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoek in kennis van eventuele gebreken in het verzoek.

    • b. Indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat niet in staat is geweest de informatie binnen 90 dagen na ontvangst van het verzoek te verkrijgen en te verstrekken, daaronder begrepen het feit dat zij belemmeringen ondervindt bij het verstrekken van informatie of weigert de informatie te verstrekken, stelt zij de verzoekende Staat daarvan onmiddellijk op de hoogte, onder vermelding van de redenen van het onvermogen, de aard van de belemmeringen of de redenen voor de weigering.

Artikel 6. Belastingcontrole in het buitenland

  • 1 Een Verdragsluitende Staat kan vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Staat toestaan het grondgebied van de eerstgenoemde Staat te betreden om, met schriftelijke toestemming van de betrokkenen, personen te ondervragen en stukken te onderzoeken. De bevoegde autoriteit van de als tweede genoemde Staat stelt de bevoegde autoriteit van de eerstgenoemde Staat in kennis van het tijdstip en de plaats van de ontmoeting met de betrokken personen.

  • 2 Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de ene Verdragsluitende Staat kan de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Staat vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteit van de eerstgenoemde Staat toestaan aanwezig te zijn bij het daarvoor in aanmerking komende deel van een belastingcontrole in de als tweede genoemde Staat.

  • 3 Indien het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt ingewilligd, stelt de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Staat die de controle uitvoert, de bevoegde autoriteit van de andere Staat zo spoedig mogelijk in kennis van het tijdstip en de plaats van de controle, de autoriteit of functionaris die de controle zal uitvoeren en de door de eerstgenoemde Staat ten behoeve van de controle vereiste procedures en voorwaarden. Alle beslissingen met betrekking tot het uitvoeren van de belastingcontrole worden genomen door de Staat die het onderzoek uitvoert.

Artikel 7. Mogelijkheid een verzoek af te wijzen

  • 1 Van de aangezochte Staat kan niet worden verlangd dat hij informatie verkrijgt of verstrekt die de verzoekende Staat krachtens zijn eigen wetgeving niet zou kunnen verkrijgen ten behoeve van de toepassing of handhaving van zijn eigen belastingwetten. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat kan verzoeken om bijstand afwijzen die niet zijn gedaan in overeenstemming met dit Verdrag of met een ander instrument waarbij de Verdragsluitende Staten partij zijn.

  • 2 De bepalingen van dit Verdrag mogen een Verdragsluitende Staat niet verplichten informatie te verstrekken waardoor een handelsgeheim, zakelijk geheim, industrieel, commercieel of beroepsgeheim of handelsverloop zou worden onthuld. Niettegenstaande het voorgaande zal de informatie zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, niet als geheim of handelsproces worden behandeld uitsluitend op grond van het feit dat zij aan de in dat lid gestelde criteria voldoet.

  • 3 De bepalingen van dit Verdrag mogen een Verdragsluitende Staat niet verplichten informatie te verkrijgen of te verstrekken waardoor vertrouwelijke communicatie tussen een cliënt en een advocaat of een andere erkende juridische vertegenwoordiger zou worden onthuld indien dergelijke communicatie:

    • a. plaatsvindt ten behoeve van het verzoeken om of verstrekken van juridisch advies; of

    • b. plaatsvindt ten behoeve van bestaande of mogelijk in te stellen gerechtelijke procedures.

  • 4 De aangezochte Staat kan een verzoek om informatie afwijzen indien de openbaarmaking van de informatie in strijd zou zijn met de openbare orde.

  • 5 Een verzoek om informatie wordt niet geweigerd op grond van het feit dat de belastingvordering, die aanleiding gaf tot het verzoek, wordt betwist.

  • 6 De aangezochte Staat kan een verzoek om informatie afwijzen indien de informatie die door de verzoekende Staat wordt gevraagd om een bepaling van de belastingwetgeving van de verzoekende Staat ten uitvoer te leggen of te handhaven, of een daarmee verband houdend vereiste, discriminatie inhoudt van een onderdaan van de aangezochte Staat ten opzichte van een onderdaan van de verzoekende Staat die zich in dezelfde omstandigheden bevindt.

Artikel 8. Vertrouwelijkheid

Alle uit hoofde van dit Verdrag door een Verdragsluitende Staat ontvangen informatie wordt vertrouwelijk behandeld en wordt uitsluitend ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (met inbegrip van rechterlijke instanties en administratieve lichamen) die onder de rechtsmacht van de desbetreffende Verdragsluitende Staat vallen en betrokken zijn bij de vaststelling of inning van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is. Deze personen of autoriteiten mogen uitsluitend voor deze doeleinden van deze informatie gebruikmaken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen. De informatie mag niet ter kennis worden gebracht van enige andere persoon, instelling, autoriteit of rechterlijke instantie zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat.

Artikel 9. Kosten

De bevoegde autoriteiten bereiken overeenstemming over kosten die voortvloeien uit het verlenen van bijstand.

Artikel 10. Uitvoeringswetgeving

De Verdragsluitende Staten stellen alle wetgeving vast die noodzakelijk is om te voldoen aan en ter uitvoering van de bepalingen van het Verdrag.

Artikel 11. Taal

Verzoeken om bijstand en antwoorden daarop worden gesteld in de Engelse of de Franse taal.

Artikel 12. Andere internationale verdragen of regelingen

De mogelijkheden voor bijstand waarin dit Verdrag voorziet, vormen geen beperking voor, noch worden zij beperkt door, de mogelijkheden vervat in bestaande internationale verdragen of andere regelingen tussen de Verdragsluitende Staten die betrekking hebben op samenwerking ter zake van belastingzaken.

Artikel 13. Regeling voor onderling overleg

  • 1 De bevoegde autoriteiten trachten moeilijkheden of twijfelpunten, die mochten rijzen tussen de Verdragsluitende Staten met betrekking tot de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag, in onderling overleg op te lossen.

  • 2 Naast de in het eerste lid bedoelde afspraken, kunnen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten in onderling overleg overeenstemming bereiken over de krachtens de artikelen 5 en 6 te hanteren procedures.

  • 3 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen teneinde overeenstemming te bereiken als bedoeld in dit artikel.

  • 4 Wanneer moeilijkheden of twijfelpunten die zijn gerezen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van het Verdrag niet binnen een periode van twee jaar nadat de vraag is gerezen opgelost kunnen worden door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten in een procedure voor onderling overleg ingevolge de voorgaande leden van dit artikel, kan het geval op verzoek van een van de Verdragsluitende Staten worden voorgelegd voor arbitrage, echter slechts nadat de procedures die beschikbaar zijn op grond van het eerste en derde lid van dit artikel volledig zijn uitgeput en mits de betrokken belastingplichtige of belastingplichtigen schriftelijk ermee instemmen te worden gebonden door de beslissing van de arbitragecommissie.

    De beslissing van de arbitragecommissie in een bepaald geval is voor dat geval bindend voor beide Verdragsluitende Staten en de betrokken belastingplichtigen.

Artikel 14. Inwerkingtreding

  • 1 Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de laatste kennisgeving waarin de Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat is voldaan aan de vereiste interne procedures voor de inwerkingtreding ervan.

  • 2 Vanaf de inwerkingtreding is dit Verdrag van toepassing op:

    • a. strafrechtelijke belastingzaken vanaf die datum; en

    • b. alle overige aangelegenheden vanaf die datum waarop artikel 1 van toepassing is, zij het uitsluitend met betrekking tot belastingtijdvakken beginnend op of na die datum, of bij ontbreken van een belastingtijdvak, met betrekking tot alle belastingvorderingen ontstaan op of na die datum.

Artikel 15. Beëindiging

  • 1 Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een van de Verdragsluitende Staten wordt beëindigd. Elk van de Staten kan het Verdrag langs diplomatieke weg beëindigen door de andere Verdragsluitende Staat ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het verstrijken van een periode van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag kennis te geven van beëindiging. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan.

  • 2 Deze beëindiging wordt van kracht op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een tijdvak van zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving van beëindiging door de andere Verdragsluitende Staat. Alle verzoeken ontvangen vóór de feitelijke datum van beëindiging worden afgehandeld in overeenstemming met dit Verdrag.

  • 3 Bij beëindiging van dit Verdrag, blijven de Verdragsluitende Staten gebonden door de voorwaarden van artikel 8 ten aanzien van alle uit hoofde van dit Verdrag verkregen informatie.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te ’s-Gravenhage op 11 januari 2010, in tweevoud, in de Nederlandse, de Franse en de Engelse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Ingeval de Nederlandse en de Franse tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

J. C. DE JAGER

Voor het Vorstendom Monaco,

F. BIANCHERI