Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM), Rome, 25-03-1957

Geldend op 21-08-2011


  • Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM)
  • (authentiek: nl)

  • Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom)

  • Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

    Beseffende, dat de kernenergie de voornaamste hulpbron vormt welke de ontwikkeling en de vernieuwing van de produktie zal verzekeren en de vooruitgang van de werken des vredes mogelijk zal maken,

    Overtuigd, dat alleen een onverwijlde gemeenschappelijke inspanning de belofte inhoudt van een verwezenlijking die beantwoordt aan het scheppingsvermogen van hun landen,

    Vastbesloten, de voorwaarden te scheppen tot ontwikkeling van een krachtige industrie op het gebied van de kernenergie als bron van ruime energievoorraden en van een modernisering der techniek, alsook van talrijke andere toepassingen welke zullen bijdragen tot het welzijn van hun volkeren,

    Verlangende, veiligheidsvoorwaarden te scheppen, waardoor de gevaren voor het leven en de gezondheid van de bevolking worden afgewend,

    Geleid door de wens, andere landen te betrekken in hun arbeid en samen te werken met de internationale organisaties die zich toeleggen op de vreedzame ontwikkeling van de atoomenergie,

    Hebben besloten een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op te richten, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

    Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

    de Heer PAUL-HENRI SPAAK, Minister van Buitenlandse Zaken;

    J.CH. BARON SNOY ET D’OPPUERS, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken, Voorzitter van de Belgische delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie.

    De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

    Dr. KONRAD ADENAUER, Bondskanselier;

    Prof. Dr. WALTER HALLSTEIN, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

    De President van de Franse Republiek:

    de Heer CHRISTIAN PINEAU, Minister van Buitenlandse Zaken;

    de Heer MAURICE FAURE, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

    De President van de Italiaanse Republiek:

    de Heer ANTONIO SEGNI, Voorzitter van de Raad van Ministers;

    Prof. GAETANO MARTINO, Minister van Buitenlandse Zaken.

    Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:

    de Heer JOSEPH BECH, Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken;

    de Heer LAMBERT SCHAUS, Ambassadeur, Voorzitter van de Luxemburgse delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie.

    Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

    de Heer JOSEPH LUNS, Minister van Buitenlandse Zaken;

    de Heer J. LINTHORST HOMAN, Voorzitter van de Nederlandse delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie;

    Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

  • EERSTE TITEL. TAKEN VAN DE GEMEENSCHAP
  • Artikel 1

    De Hoge Verdragsluitende Partijen richten bij dit Verdrag tezamen een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op.

    De Gemeenschap heeft tot taak, door het scheppen van de voorwaarden noodzakelijk voor de snelle totstandkoming en groei van de industrie op het gebied van de kernenergie, bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard in de Lid-Staten en de ontwikkeling van de betrekkingen met andere landen.

  • Artikel 2

    Voor de vervulling van haar taak moet de Gemeenschap onder de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden:

    • a) het onderzoek ontwikkelen en zorgen voor de verspreiding van technische kennis,

    • b) uniforme veiligheidsnormen vaststellen voor de gezondheidsbescherming van de bevolking en de werknemers en ervoor waken dat deze worden toegepast,

    • c) de investeringen vergemakkelijken en, met name door aanmoediging van het initiatief van de ondernemingen, zorgen voor de verwezenlijking van de fundamentele installaties die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie in de Gemeenschap,

    • d) waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap,

    • e) door passende controle waarborgen, dat de kernmaterialen niet voor andere doeleinden worden aangewend dan waarvoor zij bestemd zijn,

    • f) het eigendomsrecht uitoefenen dat haar wordt toegekend op de bijzondere splijtstoffen,

    • g) zorgen voor ruime afzetmogelijkheden en voor de beschikking over de beste technische middelen door het instellen van een gemeenschappelijke markt voor speciale goederen en uitrusting, door het vrije kapitaalverkeer voor investeringen op het gebied van de kernenergie en door vrije werkgelegenheid voor specialisten binnen de Gemeenschap,

    • h) met andere landen en met internationale organisaties alle betrekkingen tot stand brengen, welke de vooruitgang in het vreedzame gebruik van de kernenergie kunnen bevorderen.

  • Artikel 3 [Vervallen per 01-12-2009]
  • TWEEDE TITEL. BEPALINGEN TER BEVORDERING VAN DE VOORUITGANG OP HET GEBIED VAN DE KERNENERGIE
  • HOOFDSTUK I. Ontwikkeling van het onderzoek
  • Artikel 4
    • 1. De Commissie is er mede belast het onderzoek op het gebied van de kernenergie in de Lid-Staten te bevorderen en te vergemakkelijken en het aan te vullen door het ten uitvoer brengen van het onderzoek- en onderwijsprogramma van de Gemeenschap.

    • 2. In deze aangelegenheid is de Commissie werkzaam op het gebied, dat is bepaald in de lijst die als bijlage I aan dit Verdrag is gehecht.

      Deze lijst kan door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie, die het in artikel 134 genoemde Wetenschappelijk en Technisch Comité raadpleegt.

  • Artikel 5

    Ten einde de coördinatie van de in de Lid-Staten ondernomen onderzoekingen te bevorderen en om deze te kunnen aanvullen, nodigt de Commissie, hetzij door een aan een bepaalde geadresseerde gericht speciaal verzoek dat ter kennis wordt gebracht van de Lid-Staat waaronder de geadresseerde ressorteert, hetzij door een openbaargemaakt algemeen verzoek, de Lid-Staten, personen of ondernemingen uit, haar hun programma’s met betrekking tot de onderzoekingen die zij in haar verzoek omschrijft, mede te delen.

    De Commissie kan, na aan de betrokkenen alle gelegenheid tot het maken van opmerkingen te hebben verleend, een met redenen omkleed advies uitbrengen over elk van de programma’s welke haar worden medegedeeld. Op verzoek van de Staat, van de persoon of van de onderneming die het programma heeft medegedeeld, is de Commissie gehouden een dergelijk advies uit te brengen.

    Door deze adviezen raadt de Commissie nutteloos dubbel werk af en richt het onderzoek op de onvoldoende bestudeerde sectoren. De Commissie kan de programma’s niet publiceren zonder toestemming van de Staten, personen of ondernemingen die deze hebben medegedeeld.

    De Commissie publiceert op gezette tijden een lijst van de sectoren van het onderzoek op het gebied van de kernenergie, die zij onvoldoende bestudeerd acht.

    Ten einde te geraken tot wederzijds overleg en tot uitwisseling van inlichtingen kan de Commissie de vertegenwoordigers van de openbare en particuliere onderzoekcentra bijeenroepen, alsmede alle deskundigen die onderzoek verrichten op dezelfde of aanverwante gebieden.

  • Artikel 6

    Ter bevordering van de uitvoering van de haar medegedeelde onderzoekprogramma’s kan de Commissie:

    • a) in het raam van onderzoekcontracten financiële bijstand verlenen met uitsluiting van subsidies;

    • b) al of niet tegen vergoeding de voor de uitvoering van deze programma’s nodige grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, waarover zij beschikt, verstrekken;

    • c) al of niet tegen vergoeding installaties, uitrustingen of bijstand van deskundigen ter beschikking stellen van de Lid-Staten, personen of ondernemingen;

    • d) een gemeenschappelijke financiering door de betrokken Lid-Staten, personen of ondernemingen bewerkstelligen.

  • Artikel 7

    Met eenparigheid van stemmen stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, welke het Wetenschappelijk en Technisch Comité raadpleegt, de onderzoek- en onderwijsprogramma’s van de Gemeenschap vast.

    Deze programma’s worden opgesteld voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

    De geldmiddelen nodig voor de uitvoering van die programma’s worden ieder jaar op de begroting voor onderzoek en investeringen van de Gemeenschap opgevoerd.

    De Commissie zorgt voor de uitvoering van de programma’s en legt daaromtrent ieder jaar een verslag voor aan de Raad.

    De Commissie houdt het Economisch en Sociaal Comité op de hoogte van de grote lijnen van de onderzoek- en onderwijsprogramma’s van de Gemeenschap.

  • Artikel 8
    • 1. Na raadpleging van het Wetenschappelijk en Technisch Comité richt de Commissie een Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie op.

      Het Centrum draagt zorg voor de uitvoering van de onderzoekprogramma’s en van de overige taken, welke de Commissie aan het Centrum toevertrouwt.

      Daarenboven zorgt het Centrum voor het vaststellen van een uniforme terminologie op het gebied van de kernenergie en voor één ijkstelsel.

      Het richt een centraal bureau op voor metingen op het gebied van de kernenergie.

    • 2. De werkzaamheden van het Centrum kunnen om geografische of organisatorische redenen in afzonderlijke inrichtingen worden verricht.

  • Artikel 9
    • 1. Na advies van het Economisch en Sociaal Comité te hebben ingewonnen, kan de Commissie, in het kader van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie, scholen stichten voor de opleiding van specialisten, met name op het gebied van de opsporing van delfstoffen, de produktie van kernmateriaal van grote zuiverheid, de behandeling van bestraalde splijtstoffen, de techniek van de kernenergie, de bescherming van de gezondheid, de vervaardiging en het gebruik van radioactieve isotopen.

      De Commissie regelt de wijze waarop het onderwijs wordt ingericht.

    • 2. Een instelling op universitair niveau wordt opgericht, waarvan de werkwijze door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zal worden bepaald.

  • Artikel 10

    De Commissie kan bij contract de uitvoering van bepaalde delen van het onderzoekprogramma van de Gemeenschap toevertrouwen aan Lid-Staten, personen of ondernemingen, alsmede aan derde Staten, aan internationale organisaties of aan onderdanen van derde Staten.

  • Artikel 11

    De Commissie publiceert de in de artikelen 7, 8 en 10 bedoelde onderzoekprogramma’s, alsmede periodieke verslagen over de stand van de uitvoering daarvan.

  • HOOFDSTUK II. Verspreiding van kennis
  • Afdeling I. - Kennis waarover de Gemeenschap beschikt
  • Artikel 12

    De Lid-Staten, personen en ondernemingen hebben op hun tot de Commissie gericht verzoek het recht, niet-uitsluitende licenties op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, die eigendom der Gemeenschap zijn, te verkrijgen, voor zover zij in staat zijn de desbetreffende uitvindingen daadwerkelijk te exploiteren.

    De Commissie moet onder dezelfde voorwaarden sub-licenties verlenen op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, wanneer de Gemeenschap krachtens een licentie-overeenkomst daartoe de bevoegdheid heeft.

    Op voorwaarden, welke in onderlinge overeenstemming met de gegadigden worden vastgesteld, verleent de Commissie die licenties of sub-licenties en deelt zij alle voor de exploitatie daarvan noodzakelijke kennis mede. Die voorwaarden hebben met name betrekking op een passende vergoeding en eventueel op de bevoegdheid, toe te kennen aan de gegadigde, om aan derden sublicenties te verlenen evenals op de verplichting de medegedeelde kennis als fabrieksgeheim te behandelen.

    Bij gebreke van overeenstemming over de vaststelling van de in de derde alinea bedoelde voorwaarden, kunnen de gegadigden zich wenden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie, ten einde passende voorwaarden te doen vaststellen.

  • Artikel 13

    De Commissie moet aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen mededeling doen van door de Gemeenschap verkregen kennis, welke niet onder de bepalingen van artikel 12 valt, onverschillig of deze voortvloeit uit de uitvoering van haar onderzoekprogramma dan wel aan haar is medegedeeld met de bevoegdheid er vrijelijk over te beschikken.

    De Commissie kan echter aan mededeling van deze kennis de voorwaarden verbinden, dat zij als vertrouwelijk moet worden beschouwd en niet aan derden mag worden doorgegeven.

    De Commissie kan kennis welke zij heeft verkregen onder beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik en de verspreiding daarvan - zoals de zogenaamde geclassificeerde kennis - slechts mededelen indien zij de naleving van die voorwaarden waarborgt.

  • Afdeling II. - Andere kennis
  • a). Verspreiding langs minnelijke weg
  • Artikel 14

    De Commissie beijvert zich langs minnelijke weg mededeling te verkrijgen of te doen verkrijgen van kennis, die van nut is voor het bereiken der doelstellingen van de Gemeenschap, en verlening van tot exploitatie strekkende licenties op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, die deze kennis tot onderwerp hebben.

  • Artikel 15

    De Commissie stelt een procedure vast, volgens welke de Lid-Staten, personen en ondernemingen, door haar bemiddeling, de voorlopige of uiteindelijke resultaten van hun onderzoekingen kunnen uitwisselen, voor zover het niet betreft resultaten door de Gemeenschap verkregen krachtens door de Commissie verstrekte opdrachten tot onderzoek.

    Deze procedure moet de vertrouwelijke aard van de uitwisseling waarborgen. De medegedeelde resultaten kunnen echter door de Commissie worden doorgegeven aan het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie voor documentatiedoeleinden, zonder dat dit doorgeven een gebruiksrecht tot gevolg heeft, waartoe hij, die de mededeling deed, geen toestemming heeft gegeven.

  • b). Ambtshalve mededeling aan de Commissie
  • Artikel 16
    • 1. Zodra een aanvrage om octrooi of om een gebruiksmodel waarvan het onderwerp valt binnen het specifiek kernenergetische terrein, bij een Lid-Staat wordt ingediend, vraagt deze Staat toestemming aan de aanvrager om de inhoud der aanvrage onmiddellijk aan de Commissie mede te delen.

      Stemt de aanvrager daarin toe, dan wordt deze mededeling binnen drie maanden na indiening van de aanvrage gedaan. Bij gebreke van toestemming van de aanvrager geeft de Lid-Staat binnen dezelfde termijn van het bestaan der aanvrage kennis aan de Commissie.

      De Commissie kan van de Lid-Staat mededeling verzoeken van de inhoud van een aanvrage, van het bestaan waarvan haar kennis is gegeven.

      De Commissie dient haar verzoek in binnen twee maanden na de kennisgeving. Iedere verlenging van deze termijn heeft tot gevolg een gelijke verlenging van de termijn gesteld in de zesde alinea.

      De Lid-Staat, die het verzoek van de Commissie ontvangt, is gehouden wederom toestemming aan de aanvrager te verzoeken om de inhoud van de aanvrage mede te delen. In geval van toestemming wordt deze mededeling zonder verwijl gedaan.

      Bij gebreke van toestemming van de aanvrager is de Lid-Staat niettemin gehouden deze mededeling aan de Commissie te doen, achttien maanden na indiening van de aanvrage.

    • 2. De Lid-Staten zijn gehouden binnen achttien maanden na de indiening aan de Commissie mededeling te doen van het bestaan van elke aanvrage om octrooi of om een gebruiksmodel, welke nog niet is bekendgemaakt en waarvan zij na een eerste onderzoek menen, dat zij betrekking heeft op een onderwerp, dat zonder dat het binnen het specifiek kernenergetisch terrein valt, niettemin rechtstreeks verband houdt met en van overwegend belang is voor de ontwikkeling van de kernenergie binnen de Gemeenschap.

      Op verzoek van de Commissie wordt haar de inhoud daarvan binnen twee maanden medegedeeld.

    • 3. De Lid-Staten zijn gehouden de duur van de procedure betreffende aanvragen om octrooi of om gebruiksmodellen, welke betrekking hebben op de in leden 1 en 2 bedoelde onderwerpen en ten aanzien waarvan de Commissie een verzoek heeft ingediend, zoveel mogelijk te verkorten, opdat de bekendmaking binnen de kortst mogelijke termijn kan geschieden.

    • 4. Bovengenoemde mededelingen moeten door de Commissie als vertrouwelijk worden beschouwd. Zij kunnen slechts worden gedaan voor documentatiedoeleinden. De Commissie kan de medegedeelde uitvindingen evenwel toepassen met toestemming van de aanvrager of overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 23.

    • 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer een met een derde Staat of met een internationale organisatie gesloten akkoord zich tegen mededeling verzet.

  • c). Licentieverlening bij wege van arbitrage of ambtshalve
  • Artikel 17
    • 1. Bij gebreke van een minnelijke schikking kunnen niet-uitsluitende licenties worden verleend bij wege van arbitrage of ambtshalve, volgens de bepalingen van de artikelen 18 tot en met 23:

      • a) aan de Gemeenschap of aan de Gemeenschappelijke Ondernemingen waaraan dit recht krachtens artikel 48 is toegekend op de octrooien, op de voorlopig bescherminggevende rechten of op de gebruiksmodellen, betreffende uitvindingen welke rechtstreeks verband houden met onderzoekingen op het gebied van de kernenergie, voor zover het verlenen van die licenties noodzakelijk is voor het uitvoeren van hun eigen onderzoekingen of onontbeerlijk is voor het functioneren van hun installaties.

        Op verzoek van de Commissie houden deze licenties de bevoegdheid in, derden te machtigen de uitvinding toe te passen voor zover zij werkzaamheden of bestellingen uitvoeren voor rekening van de Gemeenschap of van de Gemeenschappelijke Ondernemingen;

      • b) aan personen of ondernemingen, die daartoe een verzoek hebben gericht tot de Commissie, op octrooien, op voorlopig bescherminggevende rechten of op gebruiksmodellen, betreffende een uitvinding welke rechtstreeks verband houdt met en van overwegend belang is voor de ontwikkeling van de kernenergie binnen de Gemeenschap, voor zover aan alle hieronder volgende voorwaarden is voldaan:

        • i) ten minste vier jaren zijn verlopen sedert de indiening van de aanvrage om octrooi, behoudens wanneer het een uitvinding betreft, welke betrekking heeft op een onderwerp, dat binnen het specifiek kernenergetische terrein valt;

        • ii) in de behoeften, welke voortvloeien uit de ontwikkeling van de kernenergie binnen het grondgebied van een Lid-Staat, waar een uitvinding wordt beschermd, zoals de Commissie deze ontwikkeling opvat, niet wordt voorzien voor wat deze uitvinding betreft;

        • iii) een verzoek is gedaan aan de octrooihouder om zelf of door zijn licentiehouders in die behoeften te voorzien, doch door hem aan dat verzoek geen gevolg is gegeven;

        • iv) de gegadigde personen of ondernemingen in staat zijn daadwerkelijk door hun exploitatie in die behoeften te voorzien.

      Zonder voorafgaand verzoek van de Commissie kunnen de Lid-Staten, om in die zelfde behoeften te voorzien, geen enkele in hun nationale wetgeving opgenomen dwangmaatregel nemen, die beperking van de bescherming van de uitvinding tot gevolg heeft.

    • 2. De verlening van een niet-uitsluitende licentie onder de in het vorige lid bedoelde voorwaarden kan niet geschieden, indien de octrooihouder het bestaan van een wettige reden aantoont en met name de omstandigheid dat hij niet over een voldoende termijn heeft beschikt.

    • 3. De verlening van een licentie krachtens lid 1 geeft recht op een volledige vergoeding, waarvan het bedrag moet worden overeengekomen tussen de houder van het octrooi, van het voorlopig bescherminggevende recht of van het gebruiksmodel en de licentiehouder.

    • 4. De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Unieverdrag van Parijs tot de bescherming van de industriële eigendom.

  • Artikel 18

    Voor de in deze afdeling gestelde doeleinden wordt een Arbitrage-Commissie ingesteld, waarvan de leden worden benoemd en waarvan het reglement wordt vastgesteld door de Raad, op voorstel van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

    Binnen een maand na de kennisgeving staat tegen de beslissingen van de Arbitrage-Commissie voor partijen beroep met schorsende werking open bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het onderzoek van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan slechts betrekking hebben op de formele regelmatigheid van de beslissing en op de door de Arbitrage-Commissie aan de bepalingen van dit Verdrag gegeven uitlegging.

    De eindbeslissingen van de Arbitrage-Commissie hebben voor de betrokken partijen kracht van gewijsde. Zij zijn uitvoerbaar onder de in artikel 164 gestelde voorwaarden.

  • Artikel 19

    Wanneer, bij gebreke van een minnelijke schikking, de Commissie in een geval als bedoeld in artikel 17 verlening van licenties wenst te verkrijgen, geeft zij daarvan bericht aan de houder van het octrooi, het voorlopig bescherminggevende recht, het gebruiksmodel of de octrooi-aanvrage onder gelijktijdige vermelding van de gegadigde en de omvang van de licentie.

  • Artikel 20

    De houder kan binnen een maand na ontvangst van het in artikel 19 genoemde bericht, aan de Commissie en in voorkomende gevallen aan de gegadigde derde, voorstellen een compromis te sluiten met het doel, zich tot de Arbitrage-Commissie te wenden.

    Indien de Commissie of de gegadigde derde weigert een compromis te sluiten, kan de Commissie de Lid-Staat of zijn bevoegde instanties niet verzoeken de licentie te verlenen of te doen verlenen.

    Indien de Arbitrage-Commissie, waaraan het geschil krachtens het compromis is voorgelegd, erkent dat het verzoek van de Commissie in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 17, doet zij een met redenen omklede uitspraak, die verlening van de licentie aan de gegadigde medebrengt en waarbij de voorwaarden en vergoeding voor deze licentie worden vastgesteld, voor zover partijen daaromtrent niet tot overeenstemming zijn gekomen.

  • Artikel 21

    Wanneer de houder niet voorstelt het geschil aan de Arbitrage-Commissie voor te leggen, kan de Commissie de betrokken Lid-Staat of zijn bevoegde instanties verzoeken de licentie te verlenen of te doen verlenen.

    Indien de Lid-Staat of zijn bevoegde instanties, de houder gehoord, van mening zijn dat niet is voldaan aan de in artikel 17 gestelde voorwaarden, geeft de Lid-Staat aan de Commissie kennis van zijn weigering de licentie te verlenen of te doen verlenen.

    Indien hij weigert de licentie te verlenen of te doen verlenen of binnen vier maanden na het verzoek geen toelichting verstrekt ten aanzien van het verlenen van de licentie, kan de Commissie zich binnen twee maanden tot het Hof van Justitie wenden.

    De houder moet worden gehoord in het geding voor het Hof van Justitie van de Europese Unie.

    Indien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie vaststelt, dat aan de in artikel 17 gestelde voorwaarden is voldaan, zijn de betrokken Lid-Staat of zijn bevoegde instanties gehouden de nodige maatregelen te nemen om dit arrest ten uitvoer te leggen.

  • Artikel 22
    • 1. Bij gebreke van overeenstemming over het bedrag der vergoeding tussen de houder van het octrooi, van het voorlopig bescherminggevende recht of van het gebruiksmodel en de licentiehouder, kunnen de betrokkenen een compromis sluiten met het doel zich tot de Arbitrage-Commissie te wenden.

      Partijen zien hierdoor af van elk beroep, met uitzondering van dat bedoeld in artikel 18.

    • 2. Indien de licentiehouder weigert een compromis te sluiten, wordt de hem verleende licentie nietig geacht.

      Indien de houder van het octrooi, van het voorlopig bescherminggevende recht of van het gebruiksmodel weigert een compromis te sluiten, wordt de in dit artikel bedoelde vergoeding door de bevoegde nationale instanties vastgesteld.

  • Artikel 23

    De beslissingen van de Arbitrage-Commissie of van de bevoegde nationale instanties kunnen, wat de licentievoorwaarden betreft, na één jaar worden herzien, voor zover nieuwe feiten dit rechtvaardigen.

    De herziening dient te geschieden door de instantie waarvan de beslissing uitgaat.

  • Afdeling III. - Bepalingen betreffende de geheimhouding
  • Artikel 24

    De kennis, welke de Gemeenschap dank zij de uitvoering van haar onderzoekprogramma heeft verkregen en waarvan de openbaarmaking de defensiebelangen van een of meer Lid-Staten zou kunnen schaden, wordt onderworpen aan een stelsel van geheimhouding volgens de volgende bepalingen:

    • 1. Een beveiligingsverordening, die wordt aangenomen door de Raad op voorstel van de Commissie, stelt, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, de verschillende toepasselijke stelsels van geheimhouding en de voor elk daarvan te nemen beveiligingsmaatregelen vast.

    • 2. De Commissie moet de kennis, waarvan de openbaarmaking naar haar oordeel de defensiebelangen van een of meer Lid-Staten zou kunnen schaden, voorlopig onderwerpen aan het daarvoor in de beveiligingsverordening voorgeschreven stelsel van geheimhouding.

      Zij deelt deze kennis onmiddellijk mede aan de Lid-Staten, die verplicht zijn voorlopig de geheimhouding daarvan te waarborgen onder dezelfde voorwaarden.

      Binnen drie maanden doen de Lid-Staten aan de Commissie weten of zij het voorlopig toegepaste stelsel wensen te handhaven, het door een ander stelsel wensen te vervangen of de geheimhouding wensen op te heffen.

      Na het verstrijken van deze termijn wordt het strengste van de aldus gevraagde stelsels toegepast. De Commissie geeft hiervan kennis aan de Lid-Staten.

      Op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat kan de Raad met eenparigheid van stemmen te allen tijde een ander stelsel toepassen of de geheimhouding opheffen. De Raad wint het advies van de Commissie in alvorens zich uit te spreken over het verzoek van een Lid-Staat.

    • 3. De bepalingen van de artikelen 12 en 13 zijn niet van toepassing op de kennis die aan een stelsel van geheimhouding is onderworpen.

      Echter, onder voorbehoud dat de toepasselijke beveiligingsmaatregelen in acht genomen worden,

      • a) kan de in de artikelen 12 en 13 bedoelde kennis door de Commissie worden medegedeeld:

        • i) aan een Gemeenschappelijke Onderneming,

        • ii) aan een persoon of een andere dan een Gemeenschappelijke Onderneming door bemiddeling van de Lid-Staat op welks grondgebied zij werkzaam zijn;

      • b) kan de in artikel 13 bedoelde kennis door een Lid-Staat worden medegedeeld aan een persoon of aan een andere dan een Gemeenschappelijke Onderneming, die werkzaam is op het grondgebied van die Staat, onder voorbehoud dat van deze mededeling aan de Commissie kennis wordt gegeven;

      • c) heeft elke Lid-Staat bovendien het recht, van de Commissie de verlening van een licentie overeenkomstig artikel 12 te eisen, voor zijn eigen behoeften of voor die van een persoon of onderneming, welke werkzaam zijn op het grondgebied van deze Staat.

  • Artikel 25
    • 1. De Lid-Staat, die mededeling doet van het bestaan of van de inhoud van een aanvrage om octrooi of om gebruiksmodel betreffende een in artikel 16, lid 1 of 2 bedoeld onderwerp, geeft in voorkomend geval kennis van de noodzaak deze aanvrage om defensieredenen te onderwerpen aan het stelsel van geheimhouding, dat deze Staat aanwijst onder vermelding van de vermoedelijke duur daarvan.

      De Commissie geeft aan de overige Lid-Staten alle mededelingen door welke zij krachtens de voorgaande alinea heeft verkregen. De Commissie en de Lid-Staten zijn gehouden de maatregelen, welke krachtens de bepalingen van de beveiligingsverordening voortvloeien uit het stelsel van geheimhouding, dat door de Staat van oorsprong wordt verlangd, in acht te nemen.

    • 2. De Commissie kan deze mededelingen eveneens doorgeven, hetzij aan de Gemeenschappelijke Ondernemingen hetzij, door bemiddeling van een Lid-Staat, aan een persoon of aan een andere dan een Gemeenschappelijke Onderneming, die werkzaam is op het grondgebied van die Staat.

      De uitvindingen waarop de in lid 1 bedoelde aanvragen betrekking hebben, kunnen niet dan met toestemming van de aanvrager of overeenkomstig de bepalingen der artikelen 17 tot en met 23 worden toegepast.

      De mededelingen en, in voorkomend geval, de toepassing bedoeld in dit lid zijn onderworpen aan de maatregelen, welke krachtens de beveiligingsverordening voortvloeien uit het door de Staat van oorsprong verlangde stelsel van geheimhouding.

      Zij behoeven in alle gevallen de toestemming van de Staat van oorsprong. Mededeling en toepassing kunnen slechts om defensieredenen worden geweigerd.

    • 3. Op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat kan de Raad, te allen tijde, met eenparigheid van stemmen een ander stelsel toepassen of de geheimhouding opheffen. De Raad wint het advies van de Commissie in, alvorens zich uit te spreken over het verzoek van een Lid-Staat.

  • Artikel 26
    • 1. Wanneer kennis welke het onderwerp is van octrooien, octrooi-aanvragen, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of aanvragen om gebruiksmodel aan geheimhouding wordt onderworpen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 24 en 25, kunnen de Staten die de toepassing van dit stelsel gevraagd hebben, niet weigeren hun toestemming te geven om overeenkomstige aanvragen in de overige Lid-Staten in te dienen.

      Elke Lid-Staat neemt de nodige maatregelen om de geheimhouding van dergelijke rechten en aanvragen te waarborgen volgens de procedure, voorgeschreven door de nationale wetten en bestuursrechtelijke bepalingen van die Staat.

    • 2. De overeenkomstig artikel 24 aan geheimhouding onderworpen kennis kan niet dan met algemene instemming van de Lid-Staten in aanmerking komen voor indiening van aanvragen buiten die Staten. Spreken die Staten zich niet uit, dan wordt deze instemming geacht verkregen te zijn, zes maanden na de datum waarop de Commissie deze kennis medegedeeld heeft aan de Lid-Staten.

  • Artikel 27

    De vergoeding van de schade welke de aanvrager heeft geleden uit hoofde van de geheimverklaring om defensieredenen, is onderworpen aan de bepalingen van de nationale wetten der Lid-Staten en komt ten laste van de Staat die de geheimverklaring gevraagd heeft, of die hetzij de verzwaring of de verlenging van de geheimhouding, hetzij het verbod van indiening van aanvragen buiten de Gemeenschap uitgelokt heeft.

    Wanneer meer Staten hetzij de verzwaring of de verlenging van de geheimhouding, hetzij het verbod tot indiening van aanvragen buiten de Gemeenschap hebben uitgelokt, zijn zij voor de uit hun verzoek voortvloeiende schade hoofdelijk aansprakelijk.

    De Gemeenschap kan uit hoofde van dit artikel geen aanspraak maken op enige vergoeding.

  • Afdeling IV. - Bijzondere bepalingen
  • Artikel 28

    Indien nog niet gepubliceerde aanvragen om octrooi of gebruiksmodel, of octrooien of gebruiksmodellen welke geheim gehouden worden om defensieredenen ten gevolge van een mededeling aan de Commissie onrechtmatig worden toegepast of ter kennis van een niet bevoegde derde komen, is de Gemeenschap gehouden de door de betrokkene geleden schade te vergoeden.

    Onverminderd haar eigen rechten tegen de veroorzaker van de schade, treedt de Gemeenschap in de rechten op verhaal van belanghebbenden tegenover derden, voor zover zij de schade heeft vergoed. Het recht van de Gemeenschap om, overeenkomstig de van kracht zijnde algemene bepalingen, op te treden tegen de veroorzaker, blijft onverlet.

  • Artikel 29

    Elk akkoord of contract, dat uitwisseling van wetenschappelijke of industriële kennis op het gebied van de kernenergie ten doel heeft tussen een Lid-Staat, een persoon of een onderneming enerzijds en een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat anderzijds, waarvoor van één van beide zijden de ondertekening door een Staat, handelende in de uitoefening van zijn soevereiniteit, vereist is, moet door de Commissie worden gesloten.

    De Commissie kan echter een Lid-Staat, een persoon of een onderneming machtigen, onder door haar passend geachte voorwaarden, dergelijke akkoorden te sluiten onder voorbehoud, dat de bepalingen van de artikelen 103 en 104 worden toegepast.

  • HOOFDSTUK III. Bescherming van de gezondheid
  • Artikel 30

    Voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden binnen de Gemeenschap basisnormen vastgesteld.

    Onder basisnormen wordt verstaan:

    • a) de met voldoende veiligheid maximaal toelaatbare doses,

    • b) de maximaal toelaatbare bestraling en besmetting,

    • c) de grondbeginselen van het medisch toezicht op de werknemers.

  • Artikel 31

    De basisnormen worden voorbereid door de Commissie, na advies van een groep personen, aangewezen door het Wetenschappelijk en Technisch Comité uit wetenschappelijke deskundigen van de Lid-Staten, met name uit de deskundigen op het gebied van de volksgezondheid. De Commissie vraagt over de aldus voorbereide basisnormen het advies van het Economisch en Sociaal Comité.

    Na raadpleging van het Europees Parlement stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de basisnormen vast op voorstel van de Commissie, die hem de adviezen doorgeeft welke zij bij de Comités heeft ingewonnen.

  • Artikel 32

    Op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat kunnen de basisnormen worden herzien of aangevuld volgens de in artikel 31 bepaalde procedure.

    De Commissie moet ieder door een Lid-Staat ingediend verzoek in behandeling nemen.

  • Artikel 33

    Elke Lid-Staat vaardigt passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uit om de vastgestelde basisnormen te doen naleven en neemt de nodige maatregelen met betrekking tot het onderwijs, de opvoeding en de beroepsopleiding.

    De Commissie doet alle aanbevelingen om de te dien aanzien in de Lid-Staten toepasselijke bepalingen met elkander in overeenstemming te brengen.

    Hiertoe moeten de Lid-Staten deze bepalingen, zoals zij van toepassing zijn bij de inwerkingtreding van dit Verdrag, alsmede de latere ontwerp-bepalingen van gelijke aard aan de Commissie mededelen.

    De eventuele aanbevelingen van de Commissie, die betrekking hebben op de ontwerp-bepalingen, moeten worden gedaan binnen drie maanden na de mededeling van deze ontwerpen.

  • Artikel 34

    Elke Lid-Staat op wiens grondgebied bijzonder gevaarlijke proefnemingen moeten plaatsvinden, is verplicht aanvullende maatregelen te treffen voor de bescherming van de gezondheid, omtrent welke hij vooraf het advies van de Commissie inwint.

    De instemming van de Commissie is noodzakelijk, indien de gevolgen van deze proefnemingen zich kunnen doen gevoelen op het grondgebied van de andere Lid-Staten.

  • Artikel 35

    Elke Lid-Staat richt de nodige installaties op, om een voortdurende controle uit te oefenen op de radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem, evenals om controle uit te oefenen op de inachtneming van de basisnormen.

    De Commissie heeft toegang tot deze controle-installaties; zij kan de werking en de doeltreffendheid van deze installaties nagaan.

  • Artikel 36

    De inlichtingen betreffende de in artikel 35 bedoelde controle worden door de bevoegde autoriteiten regelmatig aan de Commissie medegedeeld, ten einde deze op de hoogte te houden van de mate van radioactiviteit, die van invloed kan zijn op de bevolking.

  • Artikel 37

    Iedere Lid-Staat is gehouden, aan de Commissie de algemene gegevens te verstrekken van elk plan voor de lozing van radioactieve afvalstoffen, in welke vorm ook, om vast te kunnen stellen of de uitvoering van dat plan een radioactieve besmetting van het water, de bodem of het luchtruim van een andere Lid-Staat tengevolge zou kunnen hebben.

    De Commissie brengt, na raadpleging van de in artikel 31 bedoelde groep van deskundigen, binnen zes maanden haar advies uit.

  • Artikel 38

    De Commissie richt tot de Lid-Staten alle aanbevelingen over de mate van radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem.

    In spoedeisende gevallen stelt de Commissie een richtlijn vast, waarbij zij de betrokken Lid-Staat gelast, binnen een door haar gestelde termijn alle nodige maatregelen te treffen, om een overschrijding van de basisnormen te voorkomen en de naleving van de voorschriften te verzekeren.

    Indien die Staat binnen de gestelde termijn de richtlijn van de Commissie niet volgt, kan deze of elke betrokken Lid-Staat, in afwijking van de artikelen 258 en 259 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de zaak onmiddellijk bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig maken.

  • Artikel 39

    In het kader van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie richt de Commissie, zodra dit Centrum is gesticht, een afdeling op voor documentatie en studie van vraagstukken betreffende de bescherming van de volksgezondheid.

    Deze afdeling heeft in het bijzonder de opdracht de in de artikelen 33, 36 en 37 bedoelde gegevens en inlichtingen te verzamelen en de Commissie bij de uitvoering van de haar in dit hoofdstuk opgedragen taak bij te staan.

  • HOOFDSTUK IV. Investeringen
  • Artikel 40

    Ten einde het initiatief van personen en ondernemingen aan te wakkeren en een gecoördineerde ontwikkeling van hun investeringen op het gebied van de kernenergie te vergemakkelijken, publiceert de Commissie op gezette tijden programma’s van indicatieve aard, die met name betrekking hebben op doeleinden van de produktie van kernenergie en op de voor hun verwezenlijking nodige investeringen van welke aard ook.

    Alvorens deze programma’s te publiceren, wint de Commissie het advies in van het Economisch en Sociaal Comité.

  • Artikel 41

    De personen en ondernemingen, die behoren tot de takken van industrie genoemd in bijlage II van dit Verdrag, zijn gehouden aan de Commissie mededeling te doen van de investeringsprojecten voor nieuwe installaties alsmede voor vervanging of verbouwing, welke naar aard en omvang beantwoorden aan de criteria door de Raad op voorstel van de Commissie vastgesteld.

    De lijst der bovenbedoelde takken van industrie kan door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint.

  • Artikel 42

    Van de in artikel 41 bedoelde projecten moet mededeling worden gedaan aan de Commissie en, ter informatie, aan de betrokken Lid-Staat en wel uiterlijk drie maanden vóór het afsluiten van de eerste contracten met de leveranciers of drie maanden vóór de aanvang der werkzaamheden, indien deze met eigen middelen van de onderneming moeten worden verricht.

    De Raad kan op voorstel van de Commissie deze termijn wijzigen.

  • Artikel 43

    De Commissie bespreekt met de personen of ondernemingen alle aspecten van de investeringsprojecten, welke in verband staan met de doelstellingen van dit Verdrag.

    De Commissie deelt haar standpunt mede aan de betrokken Lid-Staat.

  • Artikel 44

    De Commissie kan, met goedvinden van de betrokken Lid-Staten, personen en ondernemingen, de investeringsprojecten, die haar zijn medegedeeld, bekendmaken.

  • HOOFDSTUK V. Gemeenschappelijke Ondernemingen
  • Artikel 45

    Ondernemingen welke van fundamenteel belang zijn voor de ontwikkeling van de industrie op het gebied van de kernenergie binnen de Gemeenschap, kunnen worden opgericht als Gemeenschappelijke Ondernemingen in de zin van dit Verdrag, overeenkomstig de bepalingen van de hiernavolgende artikelen.

  • Artikel 46
    • 1. Elk project voor een Gemeenschappelijke Onderneming, dat uitgaat van de Commissie, van een Lid-Staat, of voortvloeit uit enig ander initiatief, wordt door de Commissie aan een onderzoek onderworpen.

      Hiertoe wint de Commissie het advies in van de Lid-Staten alsmede van elk openbaar of particulier lichaam, dat haar, naar haar oordeel, kan voorlichten.

    • 2. De Commissie geeft ieder project voor een Gemeenschappelijke Onderneming, tezamen met haar met redenen omkleed advies, aan de Raad door.

      Indien zij een gunstig advies uitbrengt over de noodzakelijkheid van de beoogde Gemeenschappelijke Onderneming, doet de Commissie aan de Raad voorstellen betreffende:

      • a) de vestigingsplaats,

      • b) de statuten,

      • c) de omvang en het ritme van de financiering,

      • d) de eventuele deelneming van de Gemeenschap aan de financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming,

      • e) de eventuele deelneming van een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat aan de financiering of aan het beheer van de Gemeenschappelijke Onderneming,

      • f) de toekenning van alle of van een gedeelte der in bijlage III van dit Verdrag genoemde gunsten.

      Zij voegt daaraan een uitvoerig rapport toe over het gehele project.

  • Artikel 47

    Wanneer de Commissie zich tot de Raad heeft gewend, kan deze haar verzoeken om de nadere inlichtingen en het aanvullend onderzoek, die hij noodzakelijk acht.

    Indien de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de mening uitspreekt dat een door de Commissie met een ongunstig advies doorgegeven project toch moet worden uitgevoerd, is de Commissie gehouden de voorstellen en het uitvoerig rapport, bedoeld in artikel 46, aan de Raad voor te leggen.

    Bij gunstig advies van.de Commissie of in het in de voorgaande alinea bedoelde geval, beslist de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over ieder voorstel van de Commissie.

    De Raad beslist echter met eenparigheid van stemmen over:

    • a) de deelneming van de Gemeenschap aan de financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming,

    • b) de deelneming van een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat aan de financiering of aan het beheer van de Gemeenschappelijke Onderneming.

  • Artikel 48

    De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie alle of een gedeelte van de in bijlage III van dit Verdrag genoemde gunsten van toepassing verklaren op iedere Gemeenschappelijke Onderneming; de Lid -Staten zijn, ieder wat hem betreft, gehouden de toepassing daarvan te verzekeren.

    De Raad kan op dezelfde wijze de voorwaarden vaststellen, waaraan de toekenning van deze gunsten wordt verbonden.

  • Artikel 49

    De oprichting van een Gemeenschappelijke Onderneming geschiedt ingevolge besluit van de Raad.

    Iedere Gemeenschappelijke Onderneming bezit rechtspersoonlijkheid.

    In elke Lid-Staat heeft de Gemeenschappelijke Onderneming de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de onderscheidene nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden en in rechte optreden.

    Voor zover in dit Verdrag of in haar statuten niet anders is bepaald, valt elke Gemeenschappelijke Onderneming onder de voorschriften, welke van toepassing zijn op handels- en industriële ondernemingen; de statuten kunnen subsidiair verwijzen naar de nationale wetgevingen der Lid-Staten.

    Onder voorbehoud van de krachtens dit Verdrag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie verleende bevoegdheden worden de geschillen, waarbij de Gemeenschappelijke Ondernemingen betrokken zijn, door de bevoegde nationale rechterlijke instanties beslecht.

  • Artikel 50

    De statuten van de Gemeenschappelijke Ondernemingen worden in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig de bijzondere bepalingen, welke daarin voor dat doel zijn opgenomen.

    Deze wijzigingen kunnen echter eerst van kracht worden, nadat zij op voorstel van de Commissie door de Raad, die beslist overeenkomstig de bepalingen van artikel 47, zijn goedgekeurd.

  • Artikel 51

    De Commissie zorgt voor de uitvoering van alle besluiten van de Raad betreffende de oprichting van Gemeenschappelijke Ondernemingen, totdat de organen belast met de werking van deze Ondernemingen tot stand zijn gebracht.

  • HOOFDSTUK VI. Voorziening
  • Artikel 52
    • 1. De voorziening van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen geschiedt, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, volgens het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen en door middel van een gemeenschappelijk voorzieningsbeleid.

    • 2. Te dien einde, en volgens de bepalingen van dit hoofdstuk,

      • a) is elke handelwijze, welke beoogt aan bepaalde gebruikers een bevoorrechte positie te verschaffen, verboden;

      • b) wordt een Agentschap opgericht, dat een optierecht heeft op ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen, voortgebracht op het grondgebied van de Lid-Staten, alsmede het uitsluitend recht heeft om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap.

      Het Agentschap mag tussen de gebruikers niet discrimineren op grond van het gebruik dat zij van de gevraagde leveranties wensen te maken, tenzij dit gebruik ongeoorloofd is of indruist tegen de voorwaarden, welke de niet tot de Gemeenschap behorende leveranciers aan de betrokken leverantie hebben verbonden.

  • Afdeling I. - Het Agentschap
  • Artikel 53

    Het Agentschap staat onder toezicht van de Commissie; deze geeft richtlijnen aan het Agentschap, heeft het recht van veto over zijn beslissingen en benoemt zijn directeur-generaal, alsmede zijn adjunct-directeur-generaal.

    Iedere stilzwijgende of uitdrukkelijke handeling door het Agentschap verricht in de uitoefening van zijn optierecht of van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd; de Commissie neemt binnen een maand een besluit.

  • Artikel 54

    Het Agentschap bezit rechtspersoonlijkheid en financiële zelfstandigheid.

    De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie de statuten van het Agentschap vast.

    De statuten kunnen op dezelfde wijze worden herzien.

    De statuten bepalen het kapitaal van het Agentschap en de wijze waarop het ingebracht wordt. Het grootste deel van het kapitaal moet in ieder geval aan de Gemeenschap en de Lid-Staten toebehoren. De verdeling van het kapitaal wordt in onderlinge overeenstemming door de Lid-Staten vastgesteld.

    De statuten regelen de wijze waarop het commerciële beheer van het Agentschap wordt gevoerd. Zij kunnen ter bestrijding van de bedrijfskosten van het Agentschap in een heffing van de transacties voorzien.

  • Artikel 55

    De Lid-Staten moeten aan het Agentschap alle inlichtingen verstrekken of doen verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn optierecht en zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten.

  • Artikel 56

    De Lid-Staten waarborgen de vrije uitoefening van de functies van het Agentschap op hun grondgebied.

    Zij kunnen een orgaan of organen oprichten, die bevoegd zijn, om de producenten en de gebruikers in de niet-Europese gebieden, welke onder hun rechtsmacht vallen, te vertegenwoordigen in de betrekkingen met het Agentschap.

  • Afdeling II. Ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen herkomstig uit de Gemeenschap
  • Artikel 57
    • 1. Het optierecht van het Agentschap geldt:

      • a) voor de verkrijging van het gebruiks- en verbruiksrecht ten aanzien van materialen die krachtens de bepalingen van hoofdstuk VIII aan de Gemeenschap in eigendom toebehoren;

      • b) voor de verkrijging van het eigendomsrecht in alle andere gevallen.

    • 2. Het Agentschap oefent zijn optierecht uit door het sluiten van contracten met de producenten van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen.

      Behoudens de bepalingen van de artikelen 58, 62 en 63 is iedere producent gehouden de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen welke hij voortbrengt op het grondgebied van de Lid-Staten, aan het Agentschap aan te bieden, alvorens deze ertsen of stoffen worden gebruikt, overgedragen of opgeslagen.

  • Artikel 58

    Wanneer een producent verscheidene bewerkingen verricht vanaf de ertswinning tot en met de produktie van metaal, is hij slechts gehouden het produkt aan het Agentschap aan te bieden in het produktiestadium dat hij zelf kiest.

    Hetzelfde geldt voor verschillende ondernemingen, waartussen bindingen bestaan, welke tijdig aan de Commissie zijn medegedeeld en met deze besproken zijn volgens de in de artikelen 43 en 44 bepaalde procedure.

  • Artikel 59

    Wanneer het Agentschap zijn optierecht niet uitoefent ten aanzien van de gehele produktie of een gedeelte daarvan:

    • a) kan de producent hetzij met eigen middelen, hetzij door middel van contracten voor loonveredeling, de ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen verwerken, onder voorbehoud dat hij het Agentschap het produkt van deze verwerking aanbiedt,

    • b) wordt de producent bij besluit van de Commissie toestemming verleend om de beschikbare produktie buiten de Gemeenschap te verkopen onder voorbehoud dat geen gunstiger voorwaarden worden bedongen dan bij het eerder gedane aanbod aan het Agentschap. De uitvoer van bijzondere splijtstoffen kan echter slechts door het Agentschap geschieden overeenkomstig de bepalingen van artikel 62.

    De Commissie mag haar toestemming niet verlenen, indien de ontvangers van deze leveranties niet alle waarborgen bieden dat de algemene belangen van de Gemeenschap zullen worden geëerbiedigd of indien de bepalingen en voorwaarden van deze contracten in strijd zijn met de doelstellingen van dit Verdrag.

  • Artikel 60

    De eventuele gebruikers delen aan het Agentschap op gezette tijden hun behoeften aan materialen mede, onder opgave van de hoeveelheden, de natuurkundige en scheikundige aard, de plaatsen van herkomst, het gebruik, de leveringstermijnen en de prijzen, welke de bepalingen en voorwaarden zouden uitmaken van een leveringscontract, waarvan zij de afsluiting wensen.

    Eveneens delen de producenten aan het Agentschap de aanbiedingen mede, welke zij kunnen doen, met alle specificaties die nodig zijn om hun produktieprogramma’s te kunnen opstellen en met name de duur der contracten. Deze duur mag, zonder toestemming van de Commissie, niet langer zijn dan tien jaar.

    Het Agentschap brengt alle eventuele gebruikers op de hoogte van de aanbiedingen en van de omvang der ontvangen aanvragen en nodigt hen uit binnen een bepaalde termijn hun bestellingen in te dienen.

    Wanneer het Agentschap al deze bestellingen ontvangen heeft, deelt het mede, onder welke voorwaarden het aan deze kan voldoen.

    Indien het Agentschap niet in staat is aan alle ontvangen bestellingen volledig te voldoen, verdeelt het de leveringen naar evenredigheid van de bij elk der aanbiedingen passende bestellingen, behoudens de bepalingen van de artikelen 68 en 69.

    Een reglement van het Agentschap, dat de goedkeuring van de Commissie behoeft, bepaalt de wijze waarop vraag en aanbod tegen elkaar worden afgewogen.

  • Artikel 61

    Het Agentschap is verplicht aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten.

    Het Agentschap kan, met inachtneming van de voorschriften van artikel 52, bij het sluiten van een contract de gebruikers verzoeken een passend voorschot te storten, hetzij als waarborg, hetzij ter verlichting van de eigen verplichtingen op lange termijn die het Agentschap voor het voldoen aan deze bestelling ten opzichte van de producenten op zich heeft genomen.

  • Artikel 62
    • 1. Het Agentschap oefent zijn optierecht uit op de bijzondere splijtstoffen welke op het grondgebied van de Lid-Staten worden voortgebracht,

      • a) hetzij om aan de aanvragen van de verbruikers in de Gemeenschap onder de in artikel 60 bepaalde voorwaarden te voldoen,

      • b) hetzij om deze stoffen zelf op te slaan,

      • c) hetzij om deze stoffen uit te voeren met toestemming van de Commissie, die zich houdt aan de bepalingen van artikel 59 b ), tweede alinea.

    • 2. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk VII worden deze stoffen en de bij de produktie overgebleven kweekstoffen echter ter beschikking gelaten van de producent,

      • a) hetzij om opgeslagen te worden met machtiging van het Agentschap,

      • b) hetzij om binnen de grenzen van zijn eigen behoeften te worden gebruikt,

      • c) hetzij om binnen de grenzen van hun behoeften ter beschikking te worden gesteld van ondernemingen binnen de Gemeenschap, welke met die producent, voor de uitvoering van een tijdig aan de Commissie medegedeeld programma, rechtstreekse bindingen hebben, welke noch ertoe strekken, noch ten gevolge hebben dat de produktie, de technische ontwikkeling of de investeringen worden beperkt, of wederrechtelijk een ongelijkheid tussen de gebruikers van de Gemeenschap wordt teweeggebracht.

    • 3. De bepalingen van artikel 89 lid 1a ) zijn van toepassing op bijzondere splijtstoffen, welke op het grondgebied van de Lid-Staten zijn voortgebracht en waarop het Agentschap zijn optierecht niet heeft uitgeoefend.

  • Artikel 63

    De ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, voortgebracht door de Gemeenschappelijke Ondernemingen, worden aan de gebruikers toegewezen volgens de regels, vastgesteld in de statuten of overeenkomsten welke voor deze Ondernemingen gelden.

  • Afdeling III. Ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen niet uit de Gemeenschap herkomstig
  • Artikel 64

    Het Agentschap heeft, eventueel optredend in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde Staat of een internationale organisatie gesloten akkoorden, het uitsluitend recht, behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, akkoorden of overeenkomsten te sluiten, welke leveringen van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig van buiten de Gemeenschap, als hoofddoel hebben.

  • Artikel 65

    Artikel 60 is van toepassing op de aanvragen van de gebruikers en op de contracten tussen de gebruikers en het Agentschap, betreffende de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig van buiten de Gemeenschap.

    Het Agentschap kan echter bepalen, welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen zal zijn, voor zover het daardoor aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd.

  • Artikel 66

    Indien de Commissie op verzoek van de betrokken gebruikers vaststelt, dat het Agentschap niet in staat is binnen een redelijke termijn het bestelde materiaal geheel of gedeeltelijk te leveren, of dit slechts kan doen tegen onredelijke prijzen, hebben de gebruikers het recht rechtstreeks contracten te sluiten voor leveringen van buiten de Gemeenschap, voor zover deze contracten wezenlijk beantwoorden aan de in hun bestelling tot uiting gebrachte behoeften.

    Dit recht wordt verleend voor de duur van één jaar, welke kan worden verlengd ingeval de toestand die de verlening heeft gerechtvaardigd, blijft voortduren.

    De gebruikers die van het in dit artikel bedoelde recht gebruik maken, zijn gehouden de voorgenomen rechtstreekse contracten aan de Commissie mede te delen. Deze kan zich binnen een maand tegen het afsluiten daarvan verzetten, indien zij in strijd zijn met de doelstellingen van dit Verdrag.

  • Afdeling IV. - Prijzen
  • Artikel 67

    Behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, komen de prijzen tot stand door afweging tegen elkaar van vraag en aanbod, volgens de bepalingen van artikel 60; hierop mogen de Lid-Staten geen inbreuk maken door middel van hun nationale regelingen.

  • Artikel 68

    Prijsmanipulaties die ten doel hebben, in strijd met het beginsel van gelijke toegang dat uit dit hoofdstuk voortvloeit, aan bepaalde verbruikers een bevoorrechte positie te verschaffen, zijn verboden.

    Indien het Agentschap dergelijke manipulaties vaststelt, meldt het deze aan de Commissie.

    Indien de Commissie de vaststelling gegrond acht, kan zij voor de betwiste aanbiedingen de prijzen wederom op een peil brengen, dat met het beginsel van gelijke toegang strookt.

  • Artikel 69

    De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie prijzen vaststellen.

    Wanneer het Agentschap met toepassing van artikel 60 de voorwaarden vaststelt, waaronder aan de bestellingen kan worden voldaan, kan het aan de gebruikers, die een bestelling hebben gedaan, een prijsverevening voorstellen.

  • Afdeling V. - Bepalingen betreffende het voorzieningsbeleid
  • Artikel 70

    De Commissie kan, binnen de in de begroting van de Gemeenschap bepaalde grenzen en onder door haar vast te stellen voorwaarden, financieel bijdragen tot de opsporing van delfstoffen op het grondgebied van de Lid-Staten.

    De Commissie kan aan de Lid-Staten aanbevelingen doen met het oog op de ontwikkeling van de opsporing van delfstoffen en van de mijnbouw.

    De Lid-Staten zijn gehouden jaarlijks aan de Commissie een rapport toe te zenden over de ontwikkeling van de opsporing en winning van delfstoffen, over de vermoedelijke reserves en over de op hun grondgebied verrichte of voorgenomen investeringen in de mijnbouw. Deze rapporten worden aan de Raad voorgelegd met het advies van de Commissie, met name betreffende het gevolg, dat de Lid-Staten hebben gegeven aan de krachtens de voorgaande alinea gedane aanbevelingen.

    Indien de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op verzoek van de Commissie vaststelt, dat ondanks op lange termijn economisch verantwoord schijnende delvingsmogelijkheden, de opsporingsmaatregelen en de toeneming van de mijnontginning aanmerkelijk onvoldoende blijven, wordt de betrokken Lid-Staat, zolang hij geen verbetering in deze toestand brengt, geacht af te zien van het recht van gelijke toegang tot de andere hulpbronnen binnen de Gemeenschap zowel voor hemzelf als voor zijn onderdanen.

  • Artikel 71

    De Commissie doet aan de Lid-Staten alle dienstige aanbevelingen over de belasting- of mijnbouwregelingen.

  • Artikel 72

    Het Agentschap kan uit de binnen en buiten de Gemeenschap beschikbare hoeveelheden de nodige handelsvoorraden aanleggen om de voorziening of de lopende leveringen van de Gemeenschap te vergemakkelijken.

    De Commissie kan eventueel tot het aanleggen van veiligheidsvoorraden besluiten. De wijze van financiering van deze voorraden wordt op voorstel van de Commissie door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedgekeurd.

  • Afdeling VI. - Bijzondere bepalingen
  • Artikel 73

    Indien een akkoord of overeenkomst tussen een Lid-Staat, een persoon of een onderneming enerzijds, en een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat anderzijds, tevens levering inhoudt van produkten, welke onder de bevoegdheid van het Agentschap vallen is wat de levering van deze produkten betreft, voorafgaande instemming van de Commissie nodig voor het sluiten of het verlengen van dat akkoord of die overeenkomst.

  • Artikel 74

    De Commissie kan de overdracht, de invoer- of de uitvoer van kleine hoeveelheden ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, zoals die gewoonlijk worden gebruikt voor het onderzoek, vrijstellen van de toepassing der bepalingen van dit hoofdstuk.

    Van iedere overdracht, invoer of uitvoer, welke geschiedt krachtens deze bepaling, moet aan het Agentschap kennis worden gegeven.

  • Artikel 75

    De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de verbintenissen tot het behandelen, bewerken of verwerken van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen

    • a) aangegaan tussen verschillende personen of ondernemingen, indien de behandelde, bewerkte of verwerkte materialen moeten terugkeren naar de oorspronkelijke persoon of onderneming,

    • b) aangegaan tussen een persoon of onderneming en een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, indien de materialen worden behandeld, bewerkt of verwerkt buiten de Gemeenschap en terugkeren naar de oorspronkelijke persoon of onderneming,

    • c) aangegaan tussen een persoon of onderneming en een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, wanneer de materialen worden behandeld, bewerkt of verwerkt binnen de Gemeenschap en terugkeren, hetzij naar de oorspronkelijke organisatie of onderdaan, hetzij naar een andere door deze organisatie of onderdaan aangewezen geadresseerde eveneens buiten de Gemeenschap.

    De betrokken personen of ondernemingen moeten echter aan het Agentschap kennis geven van het bestaan van dergelijke verbintenissen en, zodra de contracten zijn ondertekend, van de hoeveelheden materiaal welke daarmede gemoeid zijn. De Commissie kan zich verzetten tegen de onder b) vermelde verbintenissen, indien zij meent dat de bewerking of verwerking niet doeltreffend, veilig en zonder verlies aan materialen ten nadele van de Gemeenschap kan geschieden.

    De materialen, waarvoor deze verbintenissen zijn aangegaan, worden op het grondgebied van de Lid-Staten aan de in hoofdstuk VII bepaalde controlemaatregelen onderworpen. De bepalingen van hoofdstuk VIII zijn echter niet van toepassing op de bijzondere splijtstoffen waarvoor de onder c) bedoelde verbintenissen zijn aangegaan.

  • Artikel 76

    De bepalingen van dit hoofdstuk kunnen, met name ingeval door onvoorziene omstandigheden een toestand van algemene schaarste zou ontstaan, door de Raad met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden ieder verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

    Na verloop van zeven jaar na 1 januari 1958 kan de Raad deze bepalingen in hun geheel bevestigen. Bij gebreke van bevestiging worden nieuwe bepalingen met betrekking tot het onderwerp van dit hoofdstuk vastgesteld overeenkomstig de procedure, omschreven in de voorgaande alinea.

  • HOOFDSTUK VII. Veiligheidscontrole
  • Artikel 77

    Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk moet de Commissie zich ervan vergewissen of op het grondgebied van de Lid-Staten

    • a) de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen niet voor andere doeleinden worden aangewend dan waarvoor de gebruikers verklaard hebben ze te bestemmen,

    • b) de bepalingen met betrekking tot de voorziening en elke bijzondere verbintenis betreffende controle, die de Gemeenschap heeft aangegaan in een akkoord met een derde Staat of een internationale organisatie, worden nageleefd.

  • Artikel 78

    Ieder die een installatie voor de produktie, de afscheiding of enige aanwending van grondstoffen of bijzondere splijtstoffen of voor de behandeling van bestraalde splijtstoffen opricht of in gebruik heeft, is gehouden aan de Commissie de fundamentele technische kenmerken van die installatie mede te delen, voor zover de kennis daarvan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 77 omschreven doelstellingen.

    De Commissie moet de werkwijzen voor de regeneratie der bestraalde stoffen goedkeuren, voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 77 omschreven doelstellingen.

  • Artikel 79

    De Commissie verlangt het bijhouden en overleggen van werkstaten, om de rekening en verantwoording der gebruikte of geproduceerde ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen mogelijk te maken. Hetzelfde geldt voor de vervoerde grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

    Degenen die aan de controle onderworpen zijn, geven aan de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat kennis van de mededelingen welke zij, krachtens artikel 78 en de eerste alinea van dit artikel, aan de Commissie doen toekomen.

    De aard en de strekking van de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde verplichtingen worden omschreven in een door de Commissie op te maken en door de Raad goed te keuren verordening.

  • Artikel 80

    De Commissie kan verlangen, dat elk overschot aan bijzondere splijtstoffen, die als bijprodukt teruggewonnen of verkregen zijn en niet daadwerkelijk gebruikt worden of voor het doel gereed zijn, bij het Agentschap worden opgeslagen dan wel in andere bewaarplaatsen, die door de Commissie worden of kunnen worden gecontroleerd.

    De bijzondere splijtstoffen, die aldus zijn opgeslagen, moeten op verzoek van belanghebbenden onverwijld aan deze worden teruggegeven.

  • Artikel 81

    De Commissie kan inspecteurs zenden naar het grondgebied van de Lid-Staten. De Commissie raadpleegt iedere betrokken Lid-Staat, voordat zij de eerste opdracht aan een inspecteur verleent op het grondgebied van die Staat; deze raadpleging geldt voor alle latere opdrachten aan die inspecteur.

    De inspecteurs hebben, op vertoon van een document waaruit hun hoedanigheid blijkt, te allen tijde toegang tot alle plaatsen, alle gegevens en alle personen, die zich uit hoofde van hun beroep bezighouden met krachtens dit hoofdstuk aan controle onderworpen materialen, uitrustingen of installaties, voor zover dit noodzakelijk is om de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen te controleren en er zich van te vergewissen, of de bepalingen van artikel 77 worden nageleefd. Indien de betrokken Staat zulks verzoekt, worden de door de Commissie aangewezen inspecteurs vergezeld van vertegenwoordigers van de autoriteiten van deze Staat, op voorwaarde dat de inspecteurs daardoor niet worden opgehouden of op andere wijze in de uitoefening van hun functie worden gehinderd.

    Bij verzet tegen de uitoefening van controle dient de Commissie aan de president van het Hof van Justitie van de Europese Unie een bevelschrift te vragen, ten einde met dwangmiddelen de uitvoering van de controle te verzekeren. De president van het Hof van Justitie van de Europese Unie beslist hierover binnen drie dagen.

    Indien uitstel gevaar oplevert, kan de Commissie zelf een schriftelijk controlebevel afgeven in de vorm van een besluit. Dit bevel moet onverwijld ter goedkeuring achteraf aan de president van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden voorgelegd.

    Na afgifte van het bevelschrift of van het besluit dragen de instanties van de betrokken Staat er zorg voor dat de inspecteurs toegang krijgen tot de in het bevelschrift of het besluit bepaalde plaatsen.

  • Artikel 82

    De inspecteurs worden door de Commissie in dienst genomen.

    Zij zijn verplicht zich de in artikel 79 bedoelde rekening en verantwoording te doen voorleggen en deze na te zien. Zij brengen aan de Commissie van elke schending verslag uit.

    De Commissie kan een richtlijn vaststellen waarbij zij de betrokken lidstaat gelast, binnen een door haar te stellen termijn alle maatregelen te nemen, die noodzakelijk zijn om een einde te maken aan de vastgestelde schending; zij stelt de Raad daarvan op de hoogte.

    Indien de lidstaat zich binnen de gestelde termijn niet aan deze richtlijn van de Commissie onderwerpt, kan de Commissie of elke betrokken lidstaat, in afwijking van de artikelen 258 en 259 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de zaak onmiddellijk aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

  • Artikel 83
    • 1. Ingeval personen of ondernemingen inbreuk maken op de verplichtingen welke hun door dit hoofdstuk worden opgelegd, kan de Commissie sancties tegen hen uitspreken.

      Deze sancties zijn, naar hun gewicht gerangschikt, de volgende:

      • a) de waarschuwing,

      • b) het intrekken van bijzondere voordelen, zoals financiële bijstand of technische hulp,

      • c) het stellen van de onderneming, voor een tijdsduur van ten hoogste vier maanden, onder het beheer van een persoon of groep van personen, daartoe aangewezen in onderlinge overeenstemming tussen de Commissie en de Staat waaronder de onderneming ressorteert,

      • d) het geheel of gedeeltelijk intrekken van grondstoffen of van bijzondere splijtstoffen.

    • 2. De besluiten van de Commissie houdende verplichting tot levering welke zijn vastgesteld ter uitvoering van het voorgaande lid, vormen een executoriale titel. Zij kunnen op het grondgebied van de Lid-Staten ten uitvoer worden gelegd, onder de in artikel 164 vastgestelde voorwaarden.

      In afwijking van de bepalingen van artikel 157 heeft het beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie tegen de besluiten van de Commissie waarbij sancties worden opgelegd als bepaald in het voorgaande lid, schorsende werking. Het Hof van Justitie van de Europese Unie kan echter, op verzoek van de Commissie of van elke betrokken Lid-Staat, de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het besluit bevelen.

      De bescherming der geschade belangen moet door een passende rechtsprocedure worden gewaarborgd.

    • 3. De Commissie kan de Lid-Staten alle aanbevelingen doen met betrekking tot de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, welke ten doel hebben de naleving op hun grondgebied van de uit dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

    • 4. De Lid-Staten zijn gehouden er voor te zorgen, dat de sancties ten uitvoer worden gelegd en, in voorkomende gevallen, dat schade, veroorzaakt door de inbreuken, wordt hersteld door hen die zich aan deze inbreuken hebben schuldig gemaakt.

  • Artikel 84

    Bij de uitoefening van de controle wordt niet gediscrimineerd op grond van de bestemming welke is gegeven aan de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

    Het gebied waarover de controle zich uitstrekt, en de wijze waarop deze wordt uitgeoefend, alsmede de bevoegdheden van de controle-organen, zijn beperkt tot de verwezenlijking van de in dit hoofdstuk omschreven doelstellingen.

    De controle mag zich niet uitstrekken tot materialen bestemd voor defensiedoeleinden, welke voor die doeleinden in bijzondere bewerking zijn of welke na die bewerking, krachtens een operatieplan, in een militaire inrichting worden geplaatst of opgeslagen.

  • Artikel 85

    Indien nieuwe omstandigheden zulks noodzakelijk zouden maken, kan de in dit hoofdstuk bepaalde wijze van uitoefening van de controle door de Raad met eenparigheid van stemmen worden aangepast op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden elk verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

  • HOOFDSTUK VIII. Regeling van het eigendomsrecht
  • Artikel 86

    De bijzondere splijtstoffen zijn eigendom van de Gemeenschap.

    Het eigendomsrecht van de Gemeenschap strekt zich uit tot alle bijzondere splijtstoffen die zijn voortgebracht of ingevoerd door een Lid-Staat, een persoon of een onderneming, en die onderworpen zijn aan de veiligheidscontrole bepaald in hoofdstuk VII.

  • Artikel 87

    De Lid-Staten, personen of ondernemingen hebben op de op regelmatige wijze in hun bezit gekomen bijzondere splijtstoffen het meest uitgebreide recht tot gebruik en verbruik, onder voorbehoud van de verplichtingen welke voor hen voortvloeien uit de bepalingen van dit Verdrag, met name wat de veiligheidscontrole, het aan het Agentschap toegekende optierecht en de gezondheidsbescherming betreft.

  • Artikel 88

    Het Agentschap houdt namens de Gemeenschap een bijzondere administratie bij, genaamd „Financiële administratie van de bijzondere splijtstoffen”.

  • Artikel 89
    • 1. In de financiële administratie van de bijzondere splijtstoffen

      • a) wordt in het credit van de Gemeenschap en in het debet van de begunstigde Lid-Staat, persoon of onderneming, de waarde geboekt van de bijzondere splijtstoffen die ter beschikking zijn gelaten of gesteld van die Staat, van die persoon of van die onderneming;

      • b) wordt in het debet van de Gemeenschap en in het credit van de leverende Lid-Staat, persoon of onderneming, de waarde geboekt van de door die Staat, persoon of onderneming voortgebrachte of ingevoerde bijzondere splijtstoffen die eigendom van de Gemeenschap worden. Een soortgelijke boeking wordt verricht wanneer een Lid-Staat, een persoon of een onderneming aan de Gemeenschap bijzondere splijtstoffen teruggeeft die voorheen ter beschikking van die Staat, persoon of onderneming waren gelaten of gesteld.

    • 2. De veranderingen, die zich in de waarde van de hoeveelheden bijzondere splijtstoffen voordoen, worden in de administratie op zodanige wijze weergegeven, dat deze geen aanleiding kunnen geven tot enigerlei verlies of winst voor de Gemeenschap. Eventuele winsten of verliezen komen ten bate of ten laste van de houders.

    • 3. De uit de hierboven vermelde verrichtingen voortvloeiende saldi zijn op verzoek van de crediteur onmiddellijk opeisbaar.

    • 4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt het Agentschap als een onderneming beschouwd wat betreft de verrichtingen voor eigen rekening.

  • Artikel 90

    Indien nieuwe omstandigheden zulks noodzakelijk zouden maken, kunnen de bepalingen van dit hoofdstuk betreffende het eigendomsrecht van de Gemeenschap door de Raad met eenparigheid van stemmen worden aangepast op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden elk verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

  • Artikel 91

    Het eigendomsrecht, dat van toepassing is op alle voorwerpen, materialen en goederen die krachtens dit hoofdstuk niet in eigendom toebehoren aan de Gemeenschap, wordt geregeld door de wetgeving van elke Lid-Staat.

  • HOOFDSTUK IX. De gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie
  • Artikel 92

    De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de goederen en produkten, die voorkomen op de lijsten die als bijlage IV aan dit Verdrag zijn gehecht.

    Deze lijsten kunnen op initiatief van de Commissie of van een Lid-Staat door de Raad op voorstel van de Commissie worden gewijzigd.

  • Artikel 93

    De lidstaten verbieden onderling alle douanerechten op de in- en uitvoer, of heffingen van gelijke werking en elke kwantitatieve beperking van de in- en uitvoer:

    • a) voor de op de lijsten A1 en A2 voorkomende produkten,

    • b) voor de op lijst B voorkomende produkten, voor zover hiervoor een gemeenschappelijk douanetarief geldt en deze produkten worden begeleid door een door de Commissie afgegeven certificaat, waaruit blijkt dat zij bestemd zijn voor doeleinden op het gebied van de kernenergie.

    De niet-Europese grondgebieden, welke vallen onder de rechtsmacht van een Lid-Staat, kunnen echter in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking met een uitsluitend fiscaal karakter blijven heffen. De hoogte en de wijze van heffing dezer rechten en heffingen mogen geen discriminatie teweegbrengen tussen deze Staat en de overige Lid-Staten.

  • Artikel 94 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 95 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 96

    De Lid-Staten schaffen elke op de nationaliteit gegronde beperking van de toegang tot gekwalificeerde arbeid op het gebied van de kernenergie af ten aanzien van hen die de nationaliteit van een van de Lid-Staten bezitten, behoudens de beperkingen welke voortvloeien uit de fundamentele eisen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.

    Na raadpleging van het Europees Parlement kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint, de richtlijnen betreffende de wijze van toepassing van dit artikel vaststellen.

  • Artikel 97

    Geen enkele op de nationaliteit gegronde beperking kan worden aangevoerd tegen natuurlijke personen of rechtspersonen, naar publiek- of privaatrecht, die onder de rechtsmacht van een Lid-Staat vallen, wanneer zij aan de bouw van installaties van wetenschappelijke of industriële aard op het gebied van de kernenergie binnen de Gemeenschap wensen deel te nemen.

  • Artikel 98

    De Lid-Staten nemen alle nodige maatregelen om het afsluiten van verzekeringscontracten ter dekking van de atoomrisico’s te vergemakkelijken.

    De Raad stelt, na raadpleging van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint, de richtlijnen vast betreffende de wijze van toepassing van dit artikel.

  • Artikel 99

    De Commissie kan ter vergemakkelijking van het kapitaalverkeer, bestemd voor de financiering van de takken van industrie, vermeld in de lijst die als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht, alle nodige aanbevelingen doen.

  • Artikel 100 [Vervallen per 01-05-1999]
  • HOOFDSTUK X. Betrekkingen met derden
  • Artikel 101

    Binnen de grenzen van haar bevoegdheid kan de Gemeenschap verplichtingen aangaan door het sluiten van akkoorden of overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat.

    Met het oog op deze akkoorden of overeenkomsten worden door de Commissie onderhandelingen gevoerd volgens richtlijnen van de Raad; zij worden gesloten door de Commissie met goedkeuring van de Raad, welke daartoe met een gekwalificeerde meerderheid besluit.

    Het onderhandelen over en het sluiten van akkoorden of overeenkomsten welke zonder tussenkomst van de Raad en binnen de grenzen van de betreffende begroting kunnen worden uitgevoerd, geschiedt evenwel door de Commissie, die verplicht is de Raad daarvan op de hoogte te houden.

  • Artikel 102

    De akkoorden of overeenkomsten gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, waarbij behalve de Gemeenschap een of meer Lid-Staten partij zijn, kunnen eerst in werking treden, nadat alle betrokken Lid-Staten aan de Commissie hebben medegedeeld, dat deze akkoorden of overeenkomsten volgens de bepalingen van hun onderscheidene nationale wetgevingen van toepassing zijn geworden.

  • Artikel 103

    De Lid-Staten zijn gehouden aan de Commissie mededeling te doen van hun ontwerp-akkoorden of ontwerp-overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, voor zover deze akkoorden of overeenkomsten verband houden met de werkingssfeer van dit Verdrag.

    Wanneer een ontwerp-akkoord of ontwerp-overeenkomst bepalingen bevat welke een beletsel vormen voor de toepassing van dit Verdrag, richt de Commissie haar opmerkingen tot de betrokken Staat binnen een termijn van een maand na de ontvangst van de mededeling welke haar is gedaan.

    Deze Staat kan het ontworpen akkoord of de ontworpen overeenkomst niet sluiten dan na de bezwaren van de Commissie te hebben opgeheven of zich te hebben geschikt naar de uitspraak die het Hof van Justitie van de Europese Unie op zijn verzoek onverwijld heeft gedaan ten aanzien van de verenigbaarheid der ontworpen clausules met de bepalingen van dit Verdrag. Het verzoek kan bij het Hof van Justitie van de Europese Unie worden ingediend op ieder tijdstip nadat de Staat de opmerkingen van de Commissie heeft ontvangen.

  • Artikel 104

    Geen persoon of onderneming die na 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, na de datum van hun toetreding, akkoorden of overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat sluit of verlengt, kan zich op deze akkoorden of overeenkomsten beroepen ten einde zich te onttrekken aan de hun door dit Verdrag opgelegde verplichtingen.

    Iedere Lid-Staat neemt alle maatregelen welke hij noodzakelijk oordeelt om aan de Commissie, op haar verzoek, mededeling te doen van alle inlichtingen betreffende de akkoorden of overeenkomsten die na de in de voorgaande alinea bedoelde data en binnen de werkingssfeer van dit Verdrag door enige persoon of onderneming zijn gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat. De Commissie kan deze mededeling uitsluitend verlangen om na te gaan of deze akkoorden of overeenkomsten geen clausules bevatten welke een beletsel vormen voor de toepassing van dit Verdrag.

    Op verzoek van de Commissie spreekt het Hof van Justitie van de Europese Unie zich uit over de verenigbaarheid van deze akkoorden of overeenkomsten met de bepalingen van dit Verdrag.

  • Artikel 105

    De bepalingen van dit Verdrag kunnen niet worden ingeroepen tegen de uitvoering van akkoorden of overeenkomsten die een Lid-Staat, een persoon of een onderneming vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding, van dit Verdrag heeft gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, indien van deze akkoorden of overeenkomsten uiterlijk dertig dagen na de genoemde data aan de Commissie mededeling is gedaan.

    Nochtans kunnen akkoorden of overeenkomsten die een persoon of een onderneming tussen 25 maart 1957 en 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, tussen de ondertekening van de Toetredingsakte en de datum van hun toetreding, heeft gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, niet worden ingeroepen tegen dit Verdrag, indien naar het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op verzoek van de Commissie uitspraak doet, de bedoeling zich aan de bepalingen van dit Verdrag te onttrekken voor een van beide partijen een der doorslaggevende beweegredenen tot het aangaan van het akkoord of de overeenkomst is geweest.

  • Artikel 106

    De Lid-Staten die vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding, met derde Staten akkoorden hebben gesloten betreffende de samenwerking op het gebied van de kernenergie, zijn gehouden tezamen met de Commissie de noodzakelijke onderhandelingen te voeren met deze derde Staten, ten einde de rechten en verplichtingen welke uit deze akkoorden voortvloeien, voor zover zulks mogelijk is te doen overnemen door de Gemeenschap.

    Ieder nieuw akkoord dat uit deze onderhandelingen voortvloeit behoeft de toestemming van de Lid-Staat of Lid-Staten welke de bovenbedoelde akkoorden hebben ondertekend, alsook de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

  • DERDE TITEL. Institutionele en financiële bepalingen
  • Hoofdstuk 1. Toepassing van het aantal bepalingen van het verdrag betreffende de Europese Unie en het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
  • Artikel 106 bis
    • 2. In het kader van het onderhavige Verdrag moeten de verwijzingen naar de Unie, naar het „Verdrag betreffende de Europese Unie”, naar het „Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie” of naar de „Verdragen” in de bepalingen die in lid 1 genoemd worden of die opgenomen zijn in de protocollen gehecht aan die Verdragen of aan het onderhavige Verdrag, gelezen worden als verwijzingen naar de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en naar het onderhavige Verdrag.

  • HOOFDSTUK II. De instellingen van de Gemeenschap
  • Afdeling I. Het Europees Parlement
  • Artikel 107 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 107 A [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 107 B [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 107 C [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 107 D [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 108 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 109 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 110 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 111 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 112 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 113 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 114 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Afdeling II. - De Raad
  • Artikel 115 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 116 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 117 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 118 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 119 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 120 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 121 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 122 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 123 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Afdeling III. - De Commissie
  • Artikel 124 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 125 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 126 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 127 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 128 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 129 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 130 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 131 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 132 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 133 [Vervallen per 01-07-1967]
  • Artikel 134
    • 1. Bij de Commissie wordt een Wetenschappelijk en Technisch Comité van raadgevende aard ingesteld.

      Het Comité moet worden geraadpleegd in de door dit Verdrag bepaalde gevallen. Het kan worden geraadpleegd in alle gevallen waarin de Commissie dit gewenst acht.

    • 2. Het Comité bestaat uit eenenveertig leden, benoemd door de Raad na raadpleging van de Commissie.

      De leden van het Comité worden in hun persoonlijke hoedanigheid benoemd voor de tijd van vijf jaar. Zij zijn herbenoembaar. Zij mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat.

      Het Wetenschappelijk en Technisch Comité wijst ieder jaar uit zijn leden zijn voorzitter en zijn bureau aan.

  • Artikel 135

    De Commissie kan een ieder raadplegen en alle studiecomités instellen noodzakelijk voor de vervulling van haar taak.

  • Afdeling IV. - Het Hof van Justitie van de Europese Unie
  • Artikel 136 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 137 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 138 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 139 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 140 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 140 A [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 140 B [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 141 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 142 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 143 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 144

    Het Hof van Justitie van de Europese Unie oefent volledige rechtsmacht uit ten aanzien van

    • a) het beroep, ingesteld op grond van artikel 12, om passende voorwaarden te doen vaststellen voor de verlening van licenties en sub-licenties door de Commissie;

    • b) het beroep, ingesteld door personen of ondernemingen tegen de sancties die hun zijn opgelegd door de Commissie op grond van artikel 83.

  • Artikel 145

    Indien de Commissie meent dat een persoon of een onderneming zich schuldig heeft gemaakt aan een schending van dit Verdrag op welke schending de bepalingen van artikel 83 niet van toepassing zijn, verzoekt zij de Lid-Staat waaronder die persoon of die onderneming ressorteert, ter zake van deze schending maatregelen te nemen op grond van zijn nationale wetgeving.

    Indien de betrokken Staat op dit verzoek, binnen de door de Commissie gestelde termijn, geen maatregelen neemt, kan de Commissie zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden ten einde de aan de betrokken persoon of onderneming verweten schending te doen vaststellen.

  • Artikel 146 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 147 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 148 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 149 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 150 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 151 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 152 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 153 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 154 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 155 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 156 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 157

    Voor zover in dit Verdrag niet anders wordt bepaald, heeft een bij het Hof van Justitie van de Europese Unie ingesteld beroep geen schorsende werking. Het Hof van Justitie van de Europese Unie kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten.

  • Artikel 158 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 159 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 160 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Afdeling V. DE REKENKAMER
  • Artikel 160 A [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 160 B [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 160 C [Vervallen per 01-12-2009]
  • HOOFDSTUK III. Bepalingen welke verscheidene instellingen gemeen hebben
  • Artikel 161 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 162 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 163 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 164

    De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de Staat op wiens grondgebied zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van elke Lid-Staat daartoe wordt aangewezen. Van die aanwijzing geeft zij kennis aan de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Arbitrage-Commissie ingesteld krachtens artikel 18.

    Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging volgens de nationale wetgeving voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde instantie.

    De tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

  • HOOFDSTUK IV. Het Economisch en Sociaal Comité
  • Artikel 165 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 166 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 167 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 168 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 169 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 170 [Vervallen per 01-12-2009]
  • VIERDE TITEL. Bijzondere financiële bepalingen
  • Artikel 171
    • 1. Alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap, behalve die van het Agentschap en van de Gemeenschappelijke Ondernemingen, moeten voor elk begrotingsjaar worden geraamd; zij moeten worden opgenomen hetzij in de huishoudelijke begroting hetzij in de begroting voor onderzoek en investeringen.

      De ontvangsten en uitgaven van elke begroting moeten in evenwicht zijn.

    • 2. De ontvangsten en uitgaven van het Agentschap, dat volgens commerciële beginselen zal werken, zullen op een afzonderlijke staat worden begroot.

      De voorwaarden betreffende de raming, de uitvoering en de controle op deze ontvangsten en uitgaven worden, met inachtneming van de statuten van het Agentschap, geregeld in een ter uitvoering van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgesteld financieel reglement.

    • 3. De op ieder dienstjaar betrekking hebbende ramingen van ontvangsten en uitgaven alsmede de verlies- en winstrekeningen en de balansen der Gemeenschappelijke Ondernemingen worden medegedeeld aan de Commissie, de Raad en het Europees Parlement, overeenkomstig de bepalingen opgenomen in de statuten van deze Ondernemingen.

  • Artikel 172
    • 1. [Vervallen.]

    • 2. [Vervallen.]

    • 3. [Vervallen.]

    • 4. De leningen ter financiering van het onderzoek of van de investeringen worden aangegaan onder de voorwaarden, die de Raad vaststelt overeenkomstig artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

      De Gemeenschap kan leningen opnemen op de kapitaalmarkt van een Lid-Staat in het kader van de wettelijke bepalingen, die aldaar gelden voor binnenlandse leningen; bij ontbreken van dergelijke bepalingen in een Lid-Staat kan zulks slechts plaatsvinden nadat deze Staat en de Commissie onderling overleg hebben gepleegd en tot overeenstemming zijn gekomen omtrent de voorgenomen lening.

      De toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat mag alleen worden geweigerd indien ernstige storingen op de kapitaalmarkt van deze Staat zijn te vrezen.

  • Artikel 173 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 173 A [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 174
    • 1. De uitgaven voorkomende op de huishoudelijke begroting omvatten met name:

      • a) de administratiekosten,

      • b) de uitgaven die betrekking hebben op de veiligheidscontrole en de gezondheidsbescherming.

    • 2. De uitgaven voorkomende op de begroting voor onderzoek en investeringen omvatten met name:

      • a) de uitgaven die betrekking hebben op de uitvoering van het onderzoekprogramma van de Gemeenschap,

      • b) de eventuele deelneming in het kapitaal en in de investeringsuitgaven van het Agentschap,

      • c) de uitgaven die betrekking hebben op de uitrusting van onderwijsinrichtingen,

      • d) de eventuele deelneming aan de Gemeenschappelijke Ondernemingen en aan bepaalde gemeenschappelijke werkzaamheden.

  • Artikel 175 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 176
    • 1. De toewijzingen ten behoeve van uitgaven voor onderzoek en investeringen omvatten, binnen de grenzen van de programma’s of van betalingsbesluiten die op grond van dit Verdrag eenstemmigheid van de Raad vereisen:

      • a) vastleggingskredieten ter dekking van een op zich zelf staand deel, dat een samenhangend geheel vormt,

      • b) betalingskredieten die de hoogste grens vormen der uitgaven welke jaarlijks ter dekking van vastgelegde verplichtingen aangegaan krachtens a) kunnen worden geboekt.

    • 2. Het vervalboek van de vastgelegde verplichtingen en de betalingen wordt als bijlage opgenomen bij de overeenkomstige ontwerp-begroting, voorgesteld door de Commissie.

    • 4. De beschikbare betalingskredieten worden naar het volgende dienstjaar overgedragen bij besluit van de Commissie voor zover door de Raad niet anders wordt besloten.

  • Artikel 177 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 177 bis [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 178 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 179 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 179 bis [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 180 [Vervallen per 01-11-1993]
  • Artikel 180 bis [Vervallen per 01-11-1993]
  • Artikel 180 ter [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 181 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 182
    • 1. De Commissie kan, onder voorbehoud dat zij daarvan de bevoegde instanties der betrokken Staten in kennis stelt, de saldi, welke zij in de valuta van een der Lid-Staten in haar bezit heeft, overmaken in de valuta van een andere Lid-Staat, voor zover zij gebruikt moeten worden voor de doeleinden die in dit Verdrag zijn aangewezen. De Commissie vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk, indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in de valuta waaraan zij behoefte heeft.

    • 2. De Commissie onderhoudt de betrekkingen met elke Lid-Staat door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen heeft zij toegang tot de centrale bank van de betrokken Lid-Staat of tot een andere door deze Staat gemachtigde financiële instelling.

    • 3. Wat de uitgaven betreft, welke door de Gemeenschap moeten worden verricht in de valuta van derde landen, legt de Commissie, voordat de begrotingen definitief zijn vastgesteld, aan de Raad het indicatieve programma van ontvangsten en uitgaven voor welke in de verschillende valuta's moeten worden gedaan.

      Dit programma wordt door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedgekeurd. Het kan in de loop van het begrotingsjaar volgens dezelfde procedure worden gewijzigd.

    • 4. De overdracht aan de Commissie van de deviezen van derde landen noodzakelijk voor het verrichten van de uitgaven voorkomende in het programma bedoeld in lid 3, moet door de Lid-Staten geschieden volgens de in artikel 172 vastgestelde verdeelsleutel. De overdracht aan de Lid-Staten van door de Commissie geïnde deviezen van derde landen geschiedt volgens dezelfde verdeelsleutel.

    • 5. De Commissie kan vrij beschikken over de deviezen van derde landen, afkomstig van leningen die zij in die landen heeft aangegaan.

    • 6. De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie de in de voorgaande leden bepaalde deviezenregeling geheel of gedeeltelijk op het Agentschap en op de Gemeenschappelijke Ondernemingen van toepassing verklaren en eventueel aan de behoeften van hun werkzaamheid aanpassen.

  • Artikel 183 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 183 A [Vervallen per 01-12-2009]
  • VIJFDE TITEL. ALGEMENE BEPALINGEN
  • Artikel 184

    De Gemeenschap bezit rechtspersoonlijkheid.

  • Artikel 185

    In elk der Lid-Staten heeft de Gemeenschap de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd.

  • Artikel 186 [Vervallen per 01-07-1967]
  • Artikel 187

    Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Commissie, binnen de grenzen en onder de voorwaarden door de Raad overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag vastgesteld, alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten.

  • Artikel 188

    De contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is.

    Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

    De persoonlijke aansprakelijkheid der personeelsleden jegens de Gemeenschap wordt geregeld bij de bepalingen welke hun statuut of de op hen toepasselijke regeling vaststellen.

  • Artikel 189

    De zetel van de instellingen der Gemeenschap wordt in onderlinge overeenstemming door de regeringen der Lid-Staten vastgesteld.

  • Artikel 190 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 191

    De Gemeenschap geniet op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten die nodig zijn voor de uitvoering van haar taak, overeenkomstig de voorwaarden van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

  • Artikel 192

    De Lid-Staten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen ter uitvoering van de verplichtingen welke voortvloeien uit het Verdrag of het gevolg zijn van de handelingen der instellingen van de Gemeenschap. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak.

    Zij onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen.

  • Artikel 193

    De Lid-Staten verbinden zich, een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag niet op andere wijze te doen beslechten dan in dit Verdrag is voorgeschreven.

  • Artikel 194
    • 1. De leden van de instellingen der Gemeenschap, de leden van de comités, de ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschap alsook alle andere personen die hetzij door hun functie, hetzij door hun openbare of particuliere betrekkingen met de instellingen of installaties van de Gemeenschap of met de Gemeenschappelijke Ondernemingen, in aanmerking komen om inzage te nemen of te krijgen van feiten, inlichtingen, kennis, documenten of voorwerpen die geheim moeten worden gehouden krachtens de door een Lid-Staat of een instelling van de Gemeenschap getroffen voorzieningen, zijn verplicht deze zelfs na afloop van die functies of betrekkingen geheim te houden voor elke onbevoegde persoon alsook voor het publiek.

      Elke Lid-Staat beschouwt iedere schending van deze verplichting als een inbreuk op zijn beschermde geheimen, die voor wat betreft zowel de zaak zelf als de bevoegdheid, valt onder de bepalingen van zijn wetgeving inzake het in gevaar brengen van de veiligheid van de Staat of de schending van het beroepsgeheim. Hij vervolgt op verzoek van iedere betrokken Lid-Staat of van de Commissie, eenieder die zich aan een dergelijke schending heeft schuldig gemaakt en die onder zijn rechtsmacht valt.

    • 2. Iedere Lid-Staat doet aan de Commissie mededeling van alle bepalingen die op zijn grondgebied de classificering en de geheimhouding regelen van inlichtingen, kennis, documenten of voorwerpen die binnen de werkingssfeer van dit Verdrag vallen.

      De Commissie draagt zorg voor de mededeling van die bepalingen aan de andere Lid-Staten.

      Ten einde de geleidelijke invoering van een zo eenvormig en zo ruim mogelijke bescherming der beschermde geheimen te vergemakkelijken, neemt elke Lid-Staat alle daartoe dienstige maatregelen. Na raadpleging van de betrokken Lid-Staten kan de Commissie te dien einde alle aanbevelingen doen.

    • 3. De instellingen van de Gemeenschap en hun installaties, alsmede de Gemeenschappelijke Ondernemingen zijn gehouden, met betrekking tot de bescherming van geheimen de bepalingen toe te passen die van kracht zijn op het grondgebied waar ieder van hen gevestigd is.

    • 4. Iedere machtiging om kennis te nemen van binnen de werkingssfeer van het Verdrag vallende en door geheimhouding beschermde feiten, inlichtingen, documenten of voorwerpen die hetzij door een instelling van de Gemeenschap, hetzij door een Lid-Staat verleend wordt aan een persoon werkzaam op het terrein waarop dit Verdrag van toepassing is, wordt door iedere andere instelling en iedere andere Lid-Staat erkend.

    • 5. De bepalingen van dit artikel vormen geen beletsel voor de toepassing van de bijzondere bepalingen voortvloeiende uit akkoorden tussen een Lid-Staat en een derde Staat of een internationale organisatie.

  • Artikel 195

    De instellingen van de Gemeenschap alsook het Agentschap en de Gemeenschappelijke Ondernemingen moeten bij de toepassing van dit Verdrag de voorwaarden in acht nemen welke in de nationale regelingen om redenen van openbare orde of volksgezondheid gesteld zijn voor de toegang tot de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

  • Artikel 196

    Voor de toepassing van dit Verdrag en voor zover hierin niet anders is bepaald, wordt verstaan onder:

    • a) „persoon”; iedere natuurlijke persoon die op de grondgebieden van de Lid-Staten zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitoefent op het door het desbetreffende hoofdstuk van het Verdrag bepaalde terrein;

    • b) „onderneming”: iedere onderneming of instelling welke haar werkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitoefent onder dezelfde voorwaarden als bedoeld onder a), ongeacht haar publiek- of privaatrechtelijke positie.

  • Artikel 197

    Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

    • 1. „bijzondere splijtstoffen”: plutonium 239, uranium 233, uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233; elk produkt dat een of meer der hierbovengenoemde isotopen bevat, evenals die andere splijtstoffen die door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie als zodanig worden aangewezen; de term „bijzondere splijtstoffen” is echter niet van toepassing op grondstoffen;

    • 2. „uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233”: uranium dat hetzij uranium 235, hetzij uranium 233, hetzij beide isotopen bevat in een zodanige hoeveelheid dat de verhouding tussen de som van die twee isotopen en de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uranium;

    • 3. „grondstoffen”: uranium dat het mengsel van isotopen bevat zoals dit in de natuur wordt aangetroffen, uranium waarvan het gehalte aan uranium 235 lager is dan normaal, thorium, alle hierboven vermelde materialen in de vorm van metaal, van legeringen, van chemische verbindingen of van concentraten, ieder ander materiaal dat een of meer der hierboven vermelde stoffen bevat in een gehalte dat door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie wordt vastgesteld;

    • 4. „ertsen”: elk erts dat een door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie vast te stellen gemiddeld gehalte aan bestanddelen bevat, die het mogelijk maken om door doelmatige scheikundige en natuurkundige behandeling grondstoffen te verkrijgen als hierboven zijn omschreven.

  • Artikel 198

    Voor zover in het Verdrag niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Europese grondgebieden van de Lid-Staten en op de niet-Europese grondgebieden welke onder hun rechtsmacht vallen.

    Zij zijn eveneens van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een Lid-Staat worden behartigd.

    Overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Åland-eilanden.

    In afwijking van de voorgaande alinea's:

    • a) is dit Verdrag niet van toepassing op de Faeröer. Dit verdrag is niet van toepassing op Groenland.

    • b) Is dit Verdrag niet van toepassing op de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen.

    • c) Is dit Verdrag niet van toepassing op de landen en gebieden overzee die met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bijzondere betrekkingen onderhouden, die niet zijn vermeld op de lijst in bijlage IV van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

    • d) Zijn de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voor zover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

  • Artikel 199

    De Commissie is belast met de zorg voor alle dienstige betrekkingen met de organen van de Verenigde Naties, van hun gespecialiseerde organisaties en van de Wereldhandelsorganisatie.

    Zij onderhoudt bovendien de wenselijk geachte betrekkingen met alle internationale organisaties.

  • Artikel 200

    De Gemeenschap brengt elke dienstige samenwerking tot stand met de Raad van Europa.

  • Artikel 201

    De Gemeenschap brengt met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling een nauwe samenwerking tot stand welke zal plaatsvinden op de wijze die in onderlinge overeenstemming wordt vastgesteld.

  • Artikel 202

    De bepalingen van dit Verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door toepassing van dit Verdrag.

  • Artikel 203

    Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt ter verwezenlijking van een der doelstellingen van de Gemeenschap zonder dat dit Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de passende maatregelen.

  • Artikel 204 [Vervallen per 01-12-2009]
  • Artikel 205 [Vervallen per 01-11-1993]
  • Artikel 206

    De Gemeenschap kan met een of meer staten of internationale organisaties overeenkomsten sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.

    Die overeenkomsten worden gesloten door de Raad krachtens een na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen genomen besluit.

    Wanneer die overeenkomsten wijzigingen van dit Verdrag vergen, moeten die wijzigingen vooraf volgens de procedure van artikel 48, leden 2 tot en met 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden aangenomen.

  • Artikel 207

    De protocollen die, in onderlinge overeenstemming tussen de Lid-Staten, aan dit Verdrag worden gehecht, maken een integrerend deel daarvan uit.

  • Artikel 208

    Dit Verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten.

  • ZESDE TITEL [Vervallen per 01-05-1999]
  • Afdeling I [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 209 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 210 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 211 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 212 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 213 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 214 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Afdeling II [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 215 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 216 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 217 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 218 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 219 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 220 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Afdeling III [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 221 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 222 [Vervallen per 01-05-1999]
  • Artikel 223 [Vervallen per 01-05-1999]
  • SLOTBEPALINGEN
  • Artikel 224

    Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

    Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende Staat die als laatste deze handeling verricht. Indien deze nederlegging echter minder dan vijftien dagen vóór het begin van de eerstvolgende maand plaatsvindt wordt de inwerkingtreding van het Verdrag verschoven naar de eerste dag van de tweede maand volgende op die nederlegging.

  • Artikel 225

    Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

    Krachtens de Toetredingsverdragen zijn de teksten van dit Verdrag in de Bulgaarse, de Tsjechische, de Deense, de Engelse, de Estse, de Finse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Slowaakse, de Sloveense, de Spaanse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.

  • TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

    Gedaan te Rome, de vijfentwintigste maart negentienhonderd zevenenvijftig.

  • BIJLAGE I. GEBIED VAN ONDERZOEK BETREFFENDE DE KERNENERGIE

    bedoeld in artikel 4 van het Verdrag
  • I. Basismaterialen
    • 1. Methoden van opsporing van delfstoffen en mijnontginning, in het bijzonder betreffende de winning van basismaterialen (uranium, thorium en andere produkten van bijzonder belang voor de kernenergie).

    • 2. Methoden voor concentratie van deze basismaterialen en voor omzetting daarvan in technisch zuivere verbindingen.

    • 3. Methoden voor omzetting van deze technisch zuivere verbindingen in verbindingen en metalen van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

    • 4. Methoden voor omzetting en bewerking van deze verbindingen en metalen - alsmede van plutonium, uranium 235 of 233, zuiver of verwerkt in genoemde verbindingen of metalen - door de chemische, keramische of metallurgische industrie tot splijt stof elementen.

    • 5. Methoden voor de bescherming van deze splijtstof elementen tegen corrosie en erosie door uitwendige invloeden.

    • 6. Methoden voor vervaardiging, zuivering, bewerking en bewaring van andere speciale materialen op het gebied van de kernenergie, in het bijzonder:

      • a) Moderatoren, zoals zwaarwater, grafiet van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie, beryllium en berylliumoxyde.

      • b) Materialen voor de bouw van reactoren zoals zirkonium (vrij van hafnium), niobium, lanthanium, titanium, beryllium en hun oxyden, carbiden en andere verbindingen, welke gebruikt kunnen worden op het gebied van de kernenergie.

      • c) Koelmiddelen zoals helium, organische warmte-overdragers, natrium, legeringen van natrium en kalium, bismuth, legeringen van lood en bismuth.

    • 7. Methoden voor de afscheiding van isotopen

      • a) van uranium,

      • b) van stoffen in weegbare hoeveelheden, welke kunnen worden gebruikt bij de opwekking van kernenergie, zoals lithium 6 en 7, stikstof 15, borium 10,

      • c) van isotopen welke in kleine hoeveelheden gebruikt worden voor onderzoekswerkzaamheden.

  • II. Natuurkunde toegepast op de kernenergie
    • 1. Toegepaste theoretische natuurkunde:

      • a) kernreacties met lage energie, in het bijzonder reacties veroorzaakt door neutronen,

      • b) splijting,

      • c) wisselwerking van ioniserende straling en photonen met materie,

      • d) theorie van de vaste toestand,

      • e) bestudering van de kernversmelting, in het bijzonder van het gedrag van een geïoniseerd plasma onder invloed van elektromagnetische krachten en van de thermodynamica van uiterst hoge temperaturen.

    • 2. Toegepaste experimentele natuurkunde:

      • a) dezelfde onderwerpen als vermeld onder 1 hierboven,

      • b) bestudering van de eigenschappen van de transuraniumelementen van belang voor de kernenergie.

    • 3. Berekeningen inzake reactoren:

      • a) theoretische macroscopische neutronenleer,

      • b) experimentele bepaling van de neutronenverdeling: exponentiële en kritische experimenten,

      • c) thermodynamische berekeningen en berekeningen van de bestendigheid van materialen,

      • d) overeenkomstige experimentele bepalingen,

      • e) reactorkinetica, problemen van de reactorregeling en overeenkomstige experimenten,

      • f) berekening van de afscherming van straling en overeenkomstige experimenten.

  • III. Fysische chemie van de reactoren
    • 1. Studie van de natuurkundige en scheikundige structuurveranderingen en van de wijziging van de technische eigenschappen van verschillende materialen in reactoren door:

      • a) warmte,

      • b) de aard van de met elkaar in contact zijnde materialen,

      • c) mechanische oorzaken.

    • 2. Studie van de afbraak en andere verschijnselen veroorzaakt door bestraling:

      • a) in de splijtstof elementen,

      • b) in de materialen voor de bouw van reactoren en in de koelmiddelen,

      • c) in de moderatoren.

    • 3. Toepassing van de chemische en de fysisch-chemische analyse op de bestanddelen van reactoren.

    • 4. Fysische chemie van homogene reactoren: radio-chemie, corrosie.

  • IV. Behandeling van radioactieve materialen
    • 1. Methoden voor de winning van plutonium en uranium 233 uit bestraalde splijtstoffen, eventuele terugwinning van uranium of thorium.

    • 2. Scheikunde en metallurgie van plutonium.

    • 3. Afscheidingsmethoden en scheikunde van de andere transuraniumelementen.

    • 4. Afscheidingsmethoden en scheikunde van de bruikbare radio-actieve isotopen:

      • a) splijtingsprodukten,

      • b) produkten verkregen door bestraling.

    • 5. Concentratie en opslag van onbruikbare radioactieve afval.

  • V. Toepassing van radioactieve isotopen

    Als zodanig of als „tracers” in:

    • a) de industrie en de wetenschap,

    • b) de geneeskunde en de biologie,

    • c) de landbouw.

  • VI. Studie van de schadelijke inwerking van straling op levende wezens
    • 1. Studie van de wijze van aantonen en de meting van schadelijke straling.

    • 2. Studie van de middelen ter doelmatige voorkoming van bestraling en bescherming daartegen en van de daarmede samenhangende veiligheidsnormen.

    • 3. Studie van de geneeswijzen tegen de gevolgen van straling.

  • VII. Uitrustingen

    Studie voor de uitvoering en de verbetering van de uitrusting bestemd, niet alleen voor de reactoren, doch ook voor het geheel van installaties, ten behoeve van onderzoek en industrie welke zijn vereist voor de hierboven opgesomde onderzoekingen. Als voorbeeld kunnen worden genoemd:

    • 1. de volgende mechanische uitrusting:

      • a) pompen voor speciale vloeistoffen,

      • b) warmtewisselaars,

      • c) apparaten voor kernfysisch onderzoek (zoals apparaten voor het scheiden van neutronen naar snelheid),

      • d) apparatuur voor afstandsbediening;

    • 2. de volgende elektrische uitrusting:

      • a) apparatuur voor het aantonen en de meting van straling in het bijzonder ten behoeve van

        • - de opsporing van delfstoffen,

        • - het wetenschappelijk en technisch onderzoek,

        • - de regeling van reactoren,

        • - de bescherming van de gezondheid,

      • b) apparatuur voor de bediening van reactoren,

      • c) apparaten voor de versnelling van deeltjes met een lage energie tot 10 MeV.

  • VIII. Economische gezichtspunten van de energieproduktie
    • 1. Theoretische en experimentele vergelijkende studie van verschillende typen van reactoren.

    • 2. Technisch-economische bestudering van de splijtstofcyclussen.

  • BIJLAGE II. TAKKEN VAN INDUSTRIE

    bedoeld in artikel 41 van het Verdrag
    • 1. Winning van uranium- en thoriumertsen.

    • 2. Concentratie van die ertsen.

    • 3. Scheikundige behandeling en zuivering van de concentraten van uranium en thorium.

    • 4. Bereiding van splijtstoffen in elke vorm.

    • 5. Vervaardiging van splijt stof elementen.

    • 6. Vervaardiging van uraniumhexafluoride.

    • 7. Produktie van verrijkt uranium.

    • 8. Behandeling van bestraalde splijtstoffen voor de afscheiding van alle of een deel der elementen, welke deze bevatten.

    • 9. Produktie van moderatoren voor reactoren.

    • 10. Produktie van hafniumvrij zirkonium of van verbindingen daarvan.

    • 11. Kernreactoren van elk type en voor elk doel.

    • 12. Installaties voor de industriële behandeling van radioactieve afval, opgericht in verband met een of meer van de in deze lijst bedoelde installaties.

    • 13. Semi-industriële installaties bestemd voor de voorbereiding van de bouw van bedrijven, vallende onder de takken van industrie 3 tot en met 10.

  • BIJLAGE III. GUNSTEN, welke op grond van artikel 48 van het Verdrag kunnen worden toegekend AAN GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMINGEN

    • 1.

      • a) Erkenning van het openbare nutskarakter, overeenkomstig de nationale wetgevingen, van de door Gemeenschappelijke Ondernemingen te verkrijgen, voor hun vestiging noodzakelijke, onroerende goederen.

      • b) Toepassing, overeenkomstig de nationale wetgevingen, van de onteigeningsprocedure ten openbaren nutte ten einde bij gebreke van minnelijke overeenstemming die goederen te verkrijgen.

    • 2. Begunstiging door licentieverlening bij wege van arbitrage of ambtshalve op grond van de artikelen 17 tot en met 23.

    • 3. Ontheffing van alle rechten en belastingen bij de oprichting van Gemeenschappelijke Ondernemingen en van alle rechten ter zake van inbreng.

    • 4. Ontheffing van rechten en belastingen op de overdracht geheven bij de verkrijging van onroerende goederen en van rechten van overschrijving en registratie.

    • 5. Ontheffing van alle directe belastingen, welke op de Gemeenschappelijke Ondernemingen, hun goederen, bezittingen en inkomsten zouden kunnen worden toegepast.

    • 6. Ontheffing van alle douanerechten en heffingen van gelijke werking en van alle verboden en beperkingen van in- of uitvoer, zowel van economische als van fiscale aard, wat betreft:

      • a) wetenschappelijke en technische goederen, met uitzondering van bouwmaterialen en materieel voor administratieve doeleinden,

      • b) stoffen bestemd voor be- of verwerking of reeds bewerkt in de Gemeenschappelijke Onderneming.

    • 7. Deviezenfaciliteiten, als bedoeld in artikel 182, lid 6.

    • 8. Vrijstelling van toelatings- en verblijfsbeperkingen ten gunste van de in dienst der Gemeenschappelijke Ondernemingen zijnde onderdanen der Lid-Staten, alsmede van hun echtgenoten en de te hunnen laste komende gezinsleden.

  • BIJLAGE IV. LIJSTEN VAN GOEDEREN EN PRODUKTEN

    die vallen onder de bepalingen van hoofdstuk IX met betrekking tot de gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie
  • Lijst A1

    Uraniumertsen bevattende meer dan 5 gewichtspercenten natuurlijk uranium.

    Pekblende (uraanpikerts) bevattende meer dan 5 gewichtspercenten natuurlijk uranium.

    Uraniumoxyde.

    Anorganische verbindingen van natuurlijk uranium, andere dan uraniumoxyde en uraanhexafluoride.

    Organische verbindingen van natuurlijk uranium.

    Natuurlijk uranium, ruw of bewerkt.

    Legeringen bevattende plutonium.

    Organische en anorganische verbindingen van uranium, verrijkt in organische of in anorganische verbindingen van uranium 235.

    Organische en anorganische verbindingen van uranium 233.

    Thorium, verrijkt met uranium 233.

    Organische en anorganische verbindingen van plutonium.

    Uranium, verrijkt met plutonium.

    Uranium, verrijkt in uranium 235.

    Legeringen bevattende uranium verrijkt in uranium 235 of uranium 233.

    Plutonium.

    Uranium 233.

    Uraanhexafluoride.

    Monaziet.

    Thoriumertsen, bevattende meer dan 20 gewichtspercenten thorium.

    Urano-thoraniet, bevattende meer dan 20 gewichtspercenten thorium.

    Thorium, ruw of bewerkt.

    Thoriumoxyde.

    Anorganische verbindingen van thorium, andere dan thoriumoxyde.

    Organische verbindingen van thorium.

    Lijst A2

    Zware waterstof (deuterium) en verbindingen daarvan (zwaarwater daaronder begrepen), waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

    Zware paraffine, waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

    Mengsels en oplossingen, waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

    Apparaten voor het scheiden van uraniumisotopen door gasdiffusie of volgens andere werkwijzen.

    Kernreactoren.

    Apparatuur voor het bereiden van zware waterstof en van verbindingen daarvan (zwaarwater daaronder begrepen), zomede voor het bereiden van derivaten, mengsels en oplossingen, welke zware waterstof bevatten en waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt

    • - apparaten waarvan de werking berust op de elektrolyse van water;

    • - apparaten waarvan de werking berust op de distillatie van water, van vloeibare waterstof enz.;

    • - apparaten waarin door middel van een verandering van de temperatuur een uitwisseling van isotopen wordt tot stand gebracht tussen zwavelwaterstof en water;

    • - apparaten welke werken volgens andere werkwijzen.

    Apparaten, welke speciaal zijn vervaardigd voor de scheikundige behandeling van radioactieve stoffen

    • - apparaten voor het scheiden van bestraalde splijtstof

      • - langs scheikundige weg (door oplosmiddelen, neerslaan, ionenuitwisseling, enz.);

      • - langs natuurkundige weg (door gefractioneerde distillatie, enz.);

    • - apparaten voor de behandeling van afvalstoffen,

    • - apparaten voor het weer in omloop brengen van splijtstof.

    Voertuigen speciaal ingericht en uitgerust voor het vervoer van sterk radioactieve stoffen

    • - goederen wagens voor spoor- en tramwegen voor iedere spoorwegbreedte;

    • - automobielen voor goederenvervoer;

    • - transport wagentjes, vorkheftrucks en dergelijke motorvoertuigen;

    • - aanhangwagens, opleggers en dergelijke voertuigen zonder eigen beweegkracht.

    Verpakkingsmiddelen voor het vervoer en de opslag van radioactieve stoffen, voorzien van een loden bekleding ter afscherming van radioactieve straling.

    Kunstmatig verkregen radioactieve isotopen en organische en anorganische verbindingen daarvan.

    Werktuigen voor het hanteren van goederen op afstand, speciaal vervaardigd voor het hanteren van sterk radioactieve stoffen

    • - al dan niet verplaatsbare mechanische werktuigen, niet bestemd om met handkracht te worden bediend.

    Lijst B

    [(Vermelding geschrapt)]

    Lithiumertsen en concentraten daarvan.

    Metalen van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie

    • - beryllium (glucinium), ruw;

    • - bismuth, ruw;

    • - niobium (columbium), ruw;

    • - zirkonium (vrij van hafnium), ruw;

    • - lithium, ruw;

    • - aluminium, ruw;

    • - calcium, ruw;

    • - magnesium, ruw.

    Boriumtrifluoride.

    Watervrije fluorwaterstof.

    Chloortrifluoride.

    Broomtrifluoride.

    Lithiumhydroxyde.

    Lithiumfluoride.

    Lithiumchloride.

    Lithiumhydride.

    Lithiumcarbonaat.

    Berylliumoxyde (glucine) van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

    Vuurvaste stenen van berylliumoxyde van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

    Andere vuurvaste produkten van berylliumoxyde van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

    Kunstmatig grafiet in blokken of staven, waarin het boriumgehalte niet meer bedraagt dan 1 op een miljoen en waarvan de totale microscopische werkzame doorsnede voor de absorptie van thermische neutronen niet meer bedraagt dan 5 millibarns.

    Kunstmatig afgescheiden stabiele isotopen.

    Elektromagnetische ionenscheidingsapparaten, massaspectrografen en massaspectrometers daaronder begrepen.

    Simulatoren (apparaten voor het nabootsen van de werking van kernreactoren, te weten speciaal ontworpen rekenmachines, werkend volgens het principe van de „analogie”).

    Mechanische werktuigen voor het hanteren van goederen op afstand

    • - voor handgebruik (d.w.z. welke als een werktuig met de hand worden bediend).

    Pompen voor vloeibaar metaal.

    Hoogvacuumpompen.

    Warmtewisselaars speciaal vervaardigd voor kernenergiecentrales.

    Instrumenten voor het aantonen van straling (en daarvoor bestemde vervangingsonderdelen) van een der volgende typen, speciaal ontworpen voor of geschikt om te worden aangepast aan het aantonen of de meting van kernstraling zoals alpha- en beta-deeltjes, gamma-straling, neutronen en protonen:

    • - Geiger-telbuizen en proportionele telbuizen;

    • - instrumenten voor het aantonen of het meten, werkend met Geiger-Müller-buizen of met proportionele telbuizen;

    • - ionisatiekamers;

    • - instrumenten werkend met ionisatiekamers;

    • - apparaten voor het aantonen of meten van stralingen welke worden gebruikt bij de opsporing van delfstoffen en bij het controleren van reactoren, van de lucht, van het water en van de bodem;

    • - buizen voor het aantonen van neutronen, waarin borium, boriumtrifluoride, waterstof of een splijtbaar element wordt toegepast;

    • - aantonings- en meetinstrumenten voorzien van buizen ter aantoning van neutronen, waarin borium, boriumtrifluoride, waterstof of een splijtbaar element wordt toegepast;

    • - scintillatiekristallen, gemonteerd of in metalen huls (vaste scintillatoren);

    • - apparaten voor het aantonen of het meten, welke vaste, vloeibare of gasvormige scintillatoren bevatten;

    • - speciaal voor meting van kernstraling ontworpen versterkers, lineaire versterkers, voorversterkers, versterkers met getrapte versterking, analysatoren (impuls-hoogte-analysatoren);

    • - coïncidentieapparatuur voor gebruik met instrumenten voor het aantonen van straling;

    • - elektroscopen en elektrometers, met inbegrip van dosimeters (evenwel met uitzondering van toestellen voor het onderwijs, eenvoudige metaalblad-elektroscopen, dosimeters speciaal bestemd voor gebruik met röntgenapparaten voor medische doeleinden en apparaten voor het meten van statische elektriciteit);

    • - apparaten voor het meten van stromen zwakker dan een micro - micro - ampère;

    • - fotomultiplicatorbuizen, voorzien van een fotokathode, welke een stroom geeft van ten minste 10 micro-ampère per lumen en waarvan de gemiddelde versterkingsfactor groter is dan 105 en verder elk ander elektrisch versterkingssysteem werkend met positieve ionen;

    • - meetschalen en elektronische integratoren ten gebruike in instrumenten voor het aantonen van straling.

    Cyclotrons, elektrostatische spanningsgeneratoren van het type „van de Graaf” of „Cockroft en Walton”, lineaire versnellingsapparaten en andere elektrische machines gebruikt bij het kernonderzoek en de isotopenproduktie, waarmede aan kerndeeltjes een energie van meer dan een miljoen elektronvolts kan worden gegeven.

    Speciaal voor vorengenoemde machines vervaardigde magneten (voor cyclotrons enz.).

    Versnellingsbuizen en buizen voor het bundelen van stralen van de soorten welke worden gebruikt in massaspectrometers en massaspectrografen.

    Langs elektronische weg verkregen sterke bronnen van positieve ionen, welke gebruikt worden in apparaten voor het versnellen van deeltjes, in massaspectrometers en andere soortgelijke apparaten.

    Straling werend glas (spiegelglas)

    • - gegoten of gewalst spiegelglas (alsmede draadglas en geplateerd glas, dat in één arbeidsgang is verkregen), enkel geslepen of gepolijst op één of op beide zijden, in vierkante of rechthoekige platen of bladen;

    • - gegoten of gewalst spiegelglas (ook indien geslepen of gepolijst), anders dan vierkant of rechthoekig gesneden, gebogen of anders bewerkt (met schuingeslepen randen, gegraveerd, enz.);

    • - veiligheidsglas, bestaande uit geharde glasplaten (hardglas) of uit twee of meer opeengekitte glasplaten (triplexglas, pantserglas, enz.), ook indien in een bepaalde vorm.

    Beschermende kleding (van het type duikerpakken e.d.) ter bescherming tegen straling en besmetting met radioactieve stoffen

    • - van kunstmatige plastische stoffen;

    • - van rubber;

    • - van textiel, geïmpregneerd of voorzien van een deklaag

      • - voor mannen,

      • - voor vrouwen.

    Difenyl (voor zover het betreft de aromatische koolwaterstof:

    C6H5 - C6H5).

    Trifenyl.

  • BIJLAGE V [Vervallen per 01-05-1999]

  • I [Vervallen per 01-05-1999]
  • II [Vervallen per 01-05-1999]
  • Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op de niet-Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden [Vervallen per 01-05-1999]

  • Preambule [Vervallen per 01-05-1999]
  • Tekst [Vervallen per 01-05-1999]
  • Slotformulering [Vervallen per 01-05-1999]