Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, Parijs, 30-05-1975

Geldend van 01-01-2002 t/m heden

Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

Authentiek : NL

Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,

Overwegende dat de omvang van de voor werkzaamheden op het gebied van de ruimtevaart benodigde menselijke, technische en financiële hulpbronnen, zodanig is, dat deze de middelen van ieder Europees land afzonderlijk te boven gaan;

Overwegende de Resolutie, aangenomen door de Europese Ruimteconferentie op 20 december 1972, en bevestigd door de Europese Ruimteconferentie op 31 juli 1973, waarbij besloten is dat een nieuwe organisatie, het „Europees Ruimte-Agentschap” genaamd, zal worden gevormd uit de Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek en de Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers van ruimtevoertuigen, en dat het doel zal zijn in zoverre en zo spoedig als dit redelijkerwijs mogelijk is de nationale Europese ruimteprogramma’s te integreren in een Europees ruimteprogramma;

Verlangende de Europese samenwerking op het gebied van het ruimteonderzoek en de ruimtetechnologie en de toepassing hiervan in de ruimte, uitsluitend voor vreedzame doeleinden voort te zetten en te versterken, met het oog op hun gebruik voor wetenschappelijke doeleinden en voor operationele ruimtesystemen bestemd voor praktische toepassing;

Verlangende voor de verwezenlijking van deze doelstellingen één Europese ruimte-organisatie op te richten om de doeltreffendheid van alle Europese inspanningen op het gebied van de ruimtevaart te verhogen door een beter gebruik van de hulpbronnen die thans ten behoeve van de ruimte worden aangewend en om een gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma tot stand te brengen, uitsluitend voor vreedzame doeleinden,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I. Oprichting van het Agentschap

  • 1 Hierbij wordt een Europese Organisatie opgericht, „Europees Ruimte-Agentschap” genaamd, hierna te noemen „het Agentschap”.

  • 2 De leden van het Agentschap, hierna te noemen „Lid-Staten”, zijn de Staten die partij bij dit Verdrag zijn overeenkomstig de artikelen XX en XXII.

  • 3 Alle Lid-Staten nemen deel aan de in artikel V, eerste lid, letter a, genoemde verplichte werkzaamheden en dragen bij in de vaste gemeenschappelijke kosten van het Agentschap, bedoeld in Bijlage II.

  • 4 De Zetel van het Agentschap is gevestigd in het gebied van Parijs.

Artikel II. Doel

Het doel van het Agentschap is de samenwerking tussen de Europese Staten op het gebied van het ruimte-onderzoek en de ruimtetechnologie en de toepassing hiervan in de ruimte, uitsluitend voor vreedzame doeleinden, tot stand te brengen en te bevorderen, met het oog op hun gebruik voor wetenschappelijke doeleinden en voor operationele ruimtesystemen bestemd voor praktische toepassing:

  • (a) door het uitwerken en ten uitvoer leggen van een Europees ruimtebeleid op lange termijn, door aanbevelingen te doen bij de Lid-Staten inzake doelstellingen op ruimtegebied en door de onderlinge afstemming van het beleid van de Lid-Staten met betrekking tot andere nationale en internationale organisaties en instellingen;

  • (b) door het uitwerken en ten uitvoer leggen van werkzaamheden en programma’s op ruimtegebied;

  • (c) door het coördineren van het gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma en de nationale programma’s en door het geleidelijk en zo volledig mogelijk integreren van laatstgenoemde programma’s in het gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma, in het bijzonder wat betreft de ontwikkeling van applicatiesatellieten;

  • (d) door het uitwerken en ten uitvoer leggen van het bij zijn programma passende industriële beleid en door aanbevelingen te doen bij de Lid-Staten inzake een samenhangend industrieel beleid.

Artikel III. Inlichtingen en gegevens

  • 1 De Lid-Staten en het Agentschap vergemakkelijken de uitwisseling van wetenschappelijke en technische inlichtingen op het gebied van het ruimte-onderzoek en de ruimte-technologie en de toepassing hiervan in de ruimte, met dien verstande dat een Lid-Staat niet verplicht is tot mededeling van buiten het Agentschap om verkregen inlichtingen, indien hij van mening is dat een zodanige mededeling onverenigbaar is met de belangen van zijn eigen veiligheid of met zijn eigen overeenkomsten met derden, of met de voorwaarden waaronder hij zodanige inlichtingen heeft verkregen.

  • 2 Bij de uitvoering van zijn werkzaamheden bedoeld in Artikel V draagt het Agentschap er zorg voor dat de wetenschappelijke resultaten, na voorafgaand gebruik hiervan door de voor de proefnemingen verantwoordelijke wetenschappelijke onderzoekers, worden gepubliceerd of op andere wijze in brede kring toegankelijk gemaakt. De hieruit voortkomende verwerkte gegevens zijn eigendom van het Agentschap.

  • 3 Bij het plaatsen van opdrachten of bij het aangaan van overeenkomsten verzekert het Agentschap zich, met betrekking tot de daaruit voortvloeiende uitvindingen en technische gegevens, van zodanige rechten als passend zijn voor de bescherming van zijn belangen, van die van de Lid-Staten die aan het desbetreffende programma deelnemen, alsmede van die van natuurlijke personen en rechtspersonen die onder hun rechtsmacht vallen. Deze rechten houden met name in het recht van toegang, van bekendmaking en van gebruik. Deze uitvindingen en technische gegevens worden aan de deelnemende Staten medegedeeld.

  • 4 Uitvindingen en technische gegevens die eigendom van het Agentschap zijn, worden aan de Lid-Staten bekendgemaakt en kunnen door deze Lid-Staten en door de onder hun rechtsmacht vallende natuurlijke personen en rechtspersonen voor hun eigen doeleinden kosteloos worden gebruikt.

  • 5 De gedetailleerde voorschriften voor de toepassing van de bovengenoemde bepalingen worden door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten aangenomen.

Artikel IV. Uitwisseling van personen

De Lid-Staten vergemakkelijken de uitwisseling van personen die werkzaamheden verrichten die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren, voor zover zulks verenigbaar is met de toepassing op een ieder van de wetten en voorschriften van deze Staten inzake binnenkomst en verblijf in, of vertrek uit hun grondgebied.

Artikel V. Werkzaamheden en programma’s

  • 1 De werkzaamheden van het Agentschap omvatten verplichte werkzaamheden, waaraan alle Lid-Staten deelnemen, en niet-verplichte werkzaamheden, waaraan alle Lid-Staten deelnemen uitgezonderd die welke uitdrukkelijk verklaren niet in deelname geïnteresseerd te zijn.

    • (a) Met betrekking tot de verplichte werkzaamheden dient het Agentschap:

      • (i) zorg te dragen voor de uitvoering van basis werkzaamheden, zoals opleiding, documentatie, studie betreffende toekomstige projecten en technologisch onderzoek;

      • (ii) zorg te dragen voor het opstellen en uitvoeren van een wetenschappelijk programma, dat onder meer satellieten en andere ruimtesystemen omvat;

      • (iii) ter zake dienende inlichtingen te verzamelen en door te geven aan de Lid-Staten, te wijzen op leemten en dubbel werk en met raad en daad mede te werken aan de harmonisatie van de internationale en nationale programma’s;

      • (iv) regelmatige contacten te onderhouden met de gebruikers van ruimtetechnieken en zich op de hoogte te houden van hun behoeften.

    • (b) Met betrekking tot de niet-verplichte werkzaamheden draagt het Agentschap, overeenkomstig de bepalingen van Bijlage III, zorg voor de uitvoering van programma’s, die in het bijzonder het volgende kunnen omvatten:

      • (i) het ontwerpen, ontwikkelen, vervaardigen, lanceren, in een omloopbaan brengen en controleren van satellieten en andere ruimtesystemen;

      • (ii) het ontwerpen, ontwikkelen, vervaardigen en exploiteren van lanceerinstallaties en ruimtetransportsystemen.

  • 2 Op het gebied van de ruimte-applicaties kan het Agentschap eventueel operationele werkzaamheden verrichten op door de Raad bij meerderheid van alle Lid-Staten vast te stellen voorwaarden.

    In dit verband dient het Agentschap:

    • (a) de betrokken met de exploitatie belaste organisaties de eigen installaties ter beschikking te stellen, die voor hen van nut kunnen zijn;

    • (b) eventueel ten behoeve van de betrokken met de exploitatie belaste organisaties zorg te dragen voor de lancering, het in een omloopbaan brengen en het controleren van operationele applicatiesatellieten;

    • (c) alle andere werkzaamheden te verrichten, waarom door de gebruikers wordt verzocht en die door de Raad zijn goedgekeurd.

    De kosten van deze operationele werkzaamheden worden door de betrokken gebruikers gedragen.

  • 3 Met betrekking tot de coördinatie en integratie van de in artikel II, letter c, genoemde programma’s, ontvangt het Agentschap tijdig inlichtingen van de Lid-Staten betreffende plannen voor nieuwe ruimteprogramma’s, vergemakkelijkt het het overleg tussen de Lid-Staten, verricht het alle noodzakelijke evaluaties en stelt het passende, door de Raad met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten aan te nemen voorschriften op. De doelstellingen en procedures voor de internationalisatie van de programma’s zijn vervat in Bijlage IV.

Artikel VI. Installaties en diensten

  • 1 Voor de uitvoering van de aan het Agentschap toevertrouwde programma’s:

    • (a) dient het Agentschap zijn eigen capaciteit te handhaven, nodig voor de voorbereiding van en het toezicht op zijn taken en, te dien einde, de vestigingen en de installaties op te richten en te exploiteren, die voor zijn werkzaamheden vereist zijn;

    • (b) kan het Agentschap bijzondere overeenkomsten aangaan voor de uitvoering van bepaalde delen van zijn programma’s door, of in samenwerking met, nationale instellingen van de Lid-Staten ofwel voor het in beheer nemen door het Agentschap zelf van bepaalde nationale installaties.

  • 2 Bij de uitvoering van hun programma’s trachten de Lid-Staten en het Agentschap bij voorrang van hun bestaande installaties en beschikbare diensten een zo goed mogelijk gebruik te maken en ze te rationaliseren; zij richten derhalve geen nieuwe installaties of diensten op alvorens de mogelijkheid tot gebruik van de bestaande middelen te hebben onderzocht.

Artikel VII. Industrieel beleid

  • 1 Het industriële beleid dat het Agentschap dient uit te werken en toe te passen krachtens artikel II, letter d, is er met name op gericht:

    • (a) te voldoen aan de eisen van het gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma en van de gecoördineerde nationale ruimteprogramma’s, op economisch verantwoorde wijze;

    • (b) de concurrentiepositie van de Europese industrie in de wereld te verbeteren door het handhaven en ontwikkelen van de ruimtetechnologie en door het bevorderen van de rationalisatie en de ontwikkeling van een industriële structuur die tegemoetkomt aan de eisen van de markt, waarbij in de eerste plaats gebruik wordt gemaakt van het bestaande industriële potentieel van alle Lid-Staten;

    • (c) er voor zorg te dragen dat alle Lid-Staten, met inachtneming van hun financiële bijdrage, op billijke wijze deelnemen aan de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees ruimteprogramma en aan de daarmee samenhangende ontwikkeling van de ruimtetechnologie; in het bijzonder geeft het Agentschap bij de uitvoering van zijn programma’s zoveel mogelijk de voorkeur aan de industrie van alle Lid-Staten en stelt het haar op zo ruim mogelijke schaal in de gelegenheid deel te nemen aan het werk van technologisch belang dat ten behoeve van het Agentschap wordt verricht;

    • (d) de voordelen van een beroep op vrije mededinging in alle gevallen te benutten, behoudens wanneer dit onverenigbaar zou zijn met andere vastgelegde doelstellingen van het industriële beleid.

    Andere doelstellingen kunnen door de Raad met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten worden vastgesteld.

    De gedetailleerde regelingen voor het bereiken van deze doelstellingen zijn vervat in Bijlage V en in de door de Raad met twee derde meerderheid van alle Lid-Staten aan te nemen en periodiek te herziene voorschriften.

  • 2 Voor de uitvoering van zijn programma’s maakt het Agentschap op zo ruim mogelijke schaal gebruik van externe contractanten, voor zover zulks verenigbaar is met de handhaving van zijn eigen capaciteit, bedoeld in artikel VI, eerste lid.

Artikel VIII. Draagraketten en andere ruimtetransportsystemen

  • 1 Bij het bepalen van zijn missies houdt het Agentschap rekening met de draagraketten of andere ruimtetransportsystemen ontwikkeld, hetzij in het kader van zijn programma’s, hetzij door een Lid-Staat, hetzij met een bijdrage van betekenis door het Agentschap en geeft het de voorkeur aan het gebruik daarvan voor passende nuttige ladingen, tenzij een zodanig gebruik een onredelijk nadeel met zich brengt op het gebied van kosten, betrouwbaarheid en geschiktheid voor de desbetreffende missie in vergelijking met het gebruik van andere draagraketten of ruimtetransportmiddelen die op het beoogde tijdstip beschikbaar zijn.

  • 2 Indien de in artikel V bedoelde werkzaamheden of programma’s het gebruik omvatten van draagraketten of andere ruimtetransportsystemen, stellen de deelnemende Staten op het ogenblik waarop het desbetreffende programma voor goedkeuring of aanvaarding wordt voorgelegd de Raad ervan in kennis welke draagraket of welk ruimtetransportsysteem wordt beoogd. Indien tijdens de uitvoering van een programma de deelnemende Staten wensen over te gaan tot het gebruik van een andere draagraket of van een ander ruimtetransportsysteem dan oorspronkelijk werd voorzien, spreekt de Raad zich uit over deze wijziging overeenkomstig dezelfde regels als die welke golden met betrekking tot de oorspronkelijke goedkeuring of aanvaarding van het programma.

Artikel IX. Gebruik van installaties, hulp aan de Lid-Staten en levering van produkten

  • 1 Mits het gebruik voor zijn eigen werkzaamheden en programma’s hiervan geen nadeel ondervindt, stelt het Agentschap zijn installaties aan iedere Lid-Staat ter beschikking, die verzoekt deze voor zijn eigen programma’s te mogen gebruiken, en wel op kosten van deze Staat. De Raad stelt met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten de modaliteiten van praktische aard vast volgens welke deze installaties ter beschikking worden gesteld.

  • 2 Indien een of meer Lid-Staten een project wensen aan te vangen, dat buiten de in artikel V genoemde werkzaamheden en programma’s, doch binnen de doelstellingen van het Agentschap valt kan de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten besluiten tot hulpverlening door het Agentschap. De hieruit voor het Agentschap voortvloeiende kosten worden door de betrokken Staat of Staten gedragen.

  • 3

    • (a) De in het kader van een programma van het Agentschap ontwikkelde produkten worden geleverd aan elke Lid-Staat an de financiering van het desbetreffende programma heeft deelgenomen en die daarom ten eigen behoeve verzoekt.

      De Raad stelt, met een tweede derde meerderheid van alle Lid-Staten, de modaliteiten van praktische aard vast volgens welke deze produkten worden geleverd, en in het bijzonder stelt hij de maatregelen vast, welke het Agentschap ten aanzien van zijn contractanten moet nemen ten einde de verzoekende Lid-Staat in de gelegenheid te stellen zich zodanige produkten aan te schaffen.

    • (b) Deze Lid-Staat kan het Agentschap verzoeken mede te delen of het van oordeel is dat de door de contractanten voorgestelde prijzen billijk en redelijk zijn en of het deze prijzen onder soortgelijke omstandigheden voor eigen behoefte aanvaardbaar zou achten.

    • (c) Het inwilligen van de in dit lid bedoelde verzoeken mag geen bijkomende kosten voor het Agentschap met zich brengen en de verzoekende Lid-Staat dient al de eruit voortvloeiende kosten te dragen.

Artikel X. Organen

De organen van het Agentschap zijn de Raad en de Directeur-Generaal, bijgestaan door personeel.

Artikel XI. De Raad

  • 1 De Raad bestaat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten.

  • 2 De Raad komt in vergadering bijeen telkens wanneer daartoe behoefte bestaat, hetzij op het niveau van afgevaardigden, hetzij op ministerieel niveau. De vergaderingen worden gehouden in de Zetel van het Agentschap, tenzij de Raad anders besluit.

  • 3

    • (a) De Raad kiest voor de duur van twee jaar een voorzitter en vice-voorzitters; dezen kunnen eenmaal voor de duur van een jaar worden herkozen. De Voorzitter leidt de werkzaamheden van de Raad en draagt zorg voor de voorbereiding van de besluiten ervan; hij stelt de Lid-Staten op de hoogte van voorstellen voor de uitvoering van een niet-verplicht programma; hij verleent zijn medewerking aan de coördinatie van de werkzaamheden van de organen van het Agentschap. Hij onderhoudt contact met de Lid-Staten, via hun afgevaardigden in de Raad, omtrent vraagstukken van algemeen beleid die het Agentschap betreffen en tracht hun opvattingen daaromtrent met elkaar in overeenstemming te brengen. In de periode tussen de vergaderingen dient hij de Directeur-Generaal van advies en ontvangt van hem alle noodzakelijke inlichtingen.

    • (b) De Voorzitter wordt bijgestaan door een Bureau, waarvan de samenstelling door de Raad wordt vastgesteld en dat door de Voorzitter wordt bijeengeroepen. Het Bureau dient de Voorzitter van advies bij de voorbereiding van de vergaderingen van de Raad.

  • 4 Wanneer de Raad op ministerieel niveau in vergadering bijeenkomt, kiest hij een voorzitter voor de duur van de vergadering. Deze voorzitter roept de volgende ministeriële vergadering bijeen.

  • 5 Naast de elders in dit Verdrag vastgestelde taken en in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, heeft de Raad de volgende taken:

    • (a) met betrekking tot de werkzaamheden en het programma bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punten (i) en (ii):

      • (i) het goedkeuren, met een meerderheid van alle Lid-Staten, van de werkzaamheden en het programma; besluiten ter zake kunnen slechts worden gewijzigd door met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten genomen nieuwe besluiten;

      • (ii) het vaststellen, bij een met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten genomen besluit, van de omvang van de middelen die aan het Agentschap gedurende de eerstvolgende periode van vijf jaar ter beschikking worden gesteld;

      • (iii) het vaststellen, bij een met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten genomen besluit, tegen het einde van het derde jaar van elke periode van vijf jaar en na beoordeling van de situatie, van de omvang van de middelen die het Agentschap voor de nieuwe periode van vijf jaar, beginnende aan het einde van dit derde jaar, ter beschikking worden gesteld;

    • (b) met betrekking tot de werkzaamheden bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punten (iii) en (iv):

      • (i) het bepalen van een beleid dat aan het doel van het Agentschap beantwoordt;

      • (ii) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van tot de Lid-Staten gerichte aanbevelingen;

    • (c) met betrekking tot de niet-verplichte programma’s bedoeld in artikel V, eerste lid, letter b:

      • (i) het aanvaarden, met een meerderheid van alle Lid-Staten, van het programma;

      • (ii) het eventueel in de loop van de uitvoering vaststellen van de volgorde van prioriteit van de programma’s;

    • (d) het vaststellen van de jaarlijkse werkplannen van het Agentschap;

    • (e) met betrekking tot de begrotingen als bepaald in Bijlage II:

      • (i) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van de jaarlijkse algemene begroting van het Agentschap;

      • (ii) het aannemen, met een twee derde meerderheid van de deelnemende Staten, van elke programmabegroting;

    • (f) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van het Financieel Reglement en van alle andere financiële regelingen van het Agentschap;

    • (g) het bezien van de uitgaven voor de verplichte en niet-verplichte werkzaamheden bedoeld in artikel V, eerste lid;

    • (h) het goedkeuren en publiceren van de gecontroleerde jaarrekeningen van het Agentschap;

    • (i) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van het Personeelsstatuut;

    • (j) het aannemen, met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, van voorschriften krachtens welke, rekening houdende met de vreedzame doeleinden van het Agentschap, machtiging wordt verleend tot het buiten het grondgebied van de Lid-Staten brengen van in het kader van de werkzaamheden van het Agentschap of met zijn medewerking verworven technologische kennis en ontwikkelde produkten;

    • (k) het beslissen over de toelating van een nieuwe Lid-Staat overeenkomstig artikel XXII;

    • (l) het beslissen over de regelingen te treffen overeenkomstig artikel XXIV ingeval een Lid-Staat dit Verdrag opzegt of ophoudt lid te zijn krachtens artikel XVIII;

    • (m) het nemen van alle andere maatregelen die nodig zijn voor het bereiken van het doel van het Agentschap binnen het kader van dit Verdrag.

  • 6

    • (a) Elke Lid-Staat bezit in de Raad één stem. Een Lid-Staat heeft evenwel geen stemrecht waar het aangelegenheden betreft, die uitsluitend betrekking hebben op een aanvaard programma waaraan hij niet deelneemt.

    • (b) Een Lid-Staat heeft in de Raad geen stemrecht, indien het bedrag van zijn achterstallige aan het Agentschap verschuldigde bijdragen voor alle werkzaamheden en programma’s bedoeld in artikel V, waaraan hij deelneemt, hoger is dan het vastgestelde bedrag van zijn bijdragen voor het lopende begrotingsjaar. Bovendien heeft een Lid-Staat, wiens achterstallige bijdrage aan een der programma’s bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (ii), of letter b, waaraan hij deelneemt, hoger is dan het vastgestelde bedrag van zijn bijdragen aan dat programma voor het lopende begrotingsjaar, geen stemrecht in de Raad, inzake vraagstukken die uitsluitend op dat programma betrekking hebben. In een zodanig geval kan de Lid-Staat echter toestemming verkrijgen in de Raad zijn stem uit te brengen, wanneer een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten van mening is dat het niet betalen van de bijdragen te wijten is aan omstandigheden buiten zijn macht.

    • (c) Op iedere vergadering van de Raad is de aanwezigheid van afgevaardigden van een meerderheid van alle Lid-Staten noodzakelijk om het quorum te vormen.

    • (d) Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, worden de besluiten van de Raad genomen met een eenvoudige meerderheid van stemmen van de vertegenwoordigde, hun stem uitbrengende Lid-Staten.

    • (e) Bij het vaststellen van de eenparigheid of de meerderheden van stemmen, voorgeschreven in dit Verdrag, wordt geen rekening gehouden met een Lid-Staat die geen stemrecht heeft.

  • 7 De Raad stelt zijn reglement van orde vast.

  • 8

    • (a) De Raad stelt een Commissie voor het Wetenschappelijke programma in, waarnaar hij alle zaken verwijst, die het verplichte wetenschappelijke programma als bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (ii), betreffen. De Raad machtigt die Commissie beslissingen over dit programma te nemen, waarbij hij zich evenwel steeds zijn taken met betrekking tot het vaststellen van de omvang van de middelen en het aannemen van de jaarlijkse begroting voorbehoudt. De taakomschrijving van de Commissie wordt door de Raad vastgesteld met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten en in overeenstemming met dit artikel.

    • (b) De Raad kan andere voor het doel van het Agentschap noodzakelijke ondergeschikte organen instellen. Over de instelling en de taakomschrijving van deze organen, alsmede over de gevallen waarin zij beslissingsbevoegdheid hebben, besluit de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten.

    • (c) Wanneer een ondergeschikt orgaan een aangelegenheid onderzoekt die uitsluitend betrekking heeft op slechts een van de niet-verplichte programma’s bedoeld in artikel V, eerste lid, letter b, hebben niet-deelnemende Staten geen stemrecht, tenzij alle deelnemende Staten anders besluiten.

Artikel XII. Directeur-generaal en personeel

  • 1

    • (a) De Raad benoemt met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten een Directeur-Generaal voor een vastgestelde termijn en kan met dezelfde meerderheid zijn dienstverband beëindigen.

    • (b) De Directeur-Generaal is de hoogste leidinggevende functionaris van het Agentschap en vertegenwoordigt het in rechte. Hij treft alle noodzakelijke maatregelen voor het beheer van het Agentschap, de uitvoering van de programma's, de tenuitvoerlegging van het beleid en het bereiken van de doeleinden van het Agentschap; zulks in overeenstemming met de richtlijnen uitgevaardigd door de Raad. Hij oefent het gezag uit over de instellingen van het Agentschap. Ten aanzien van het financiële beheer van het Agentschap handelt hij overeenkomstig de bepalingen van Bijlage II. Hij stelt een jaarverslag voor de Raad op, dat wordt gepubliceerd. Hij kan ook voorstellen doen betreffende werkzaamheden en programma’s, alsmede betreffende maatregelen welke het bereiken van de doeleinden van het Agentschap moeten verzekeren. Hij neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van het Agentschap.

    • (c) De Raad kan de benoeming van de Directeur-Generaal voor een noodzakelijk geachte tijdsduur uitstellen, hetzij bij de inwerkingtreding van dit Verdrag hetzij als zich nadien een vacature voordoet. In dat geval benoemt de Raad een persoon die de functie van Directeur-Generaal waarneemt en stelt diens bevoegdheden en verantwoordelijkheden vast.

  • 2 De Directeur-Generaal wordt bijgestaan door het door hem noodzakelijk geachte wetenschappelijk en technisch personeel, beleidspersoneel en administratief personeel en wel binnen de door de Raad toegestane grenzen.

  • 3

    • (a) Leidinggevend personeel, als zodanig door de Raad aangemerkt, wordt benoemd en ontslagen door de Raad op voorstel van de Directeur-Generaal. Voor benoemingen en ontslagen door de Raad is een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten vereist.

    • (b) De overige personeelsleden worden benoemd of ontslagen door de Directeur-Generaal, die daarbij handelt op gezag van de Raad.

    • (c) Al het personeel wordt aangeworven op grond van bekwaamheid, waarbij rekening wordt gehouden met een evenredige verdeling van de beschikbare plaatsen onder de onderdanen van de Lid-Staten. Benoeming, en beëindiging van dienstverband geschiedt overeenkomstig het Personeelsstatuut.

    • (d) Wetenschappelijke onderzoekers die geen deel uitmaken van het personeel en die speurwerk verrichten bij de instellingen van het Agentschap zijn onderworpen aan het gezag van de Directeur-Generaal en aan alle door de Raad aangenomen algemene voorschriften.

  • 4 De verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal en het personeel ten opzichte van het Agentschap dragen een uitsluitend internationaal karakter. Bij de uitoefening van hun taak vragen noch ontvangen dezen instructies van enige regering of autoriteit buiten het Agentschap. Iedere Lid-Staat is gehouden het internationaal karakter van de verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal en van de personeelsleden te eerbiedigen en tracht niet hen bij de uitoefening van hun taak te beïnvloeden.

Artikel XIII. Financiële bijdragen

  • 1 Iedere Lid-Staat draagt bij in de kosten van de uitvoering van werkzaamheden en van het programma bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, en, overeenkomstig Bijlage II, in de gemeenschappelijke kosten van het Agentschap, volgens een schaal aangenomen door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, hetzij om de drie jaar ten tijde van de beoordeling bedoeld in artikel XI, vijfde lid, letter a, punt (iii), of wanneer de Raad met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten besluit een nieuwe schaal vast te stellen. De schaal van bijdragen wordt gebaseerd op het gemiddelde nationale inkomen van elke Lid-Staat over de laatste drie jaar waarover statistieken beschikbaar zijn.

    Niettemin

    • (a) is geen Lid-Staat verplicht hogere bijdragen te betalen dan vijfentwintig procent van de door de Raad ter dekking van deze kosten vastgestelde som van de bijdragen;

    • (b) kan de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten besluiten rekening te houden met eventuele bijzondere omstandigheden van een Lid-Staat en diens bijdrage dienovereenkomstig tijdelijk te verminderen. In het bijzonder wanneer het jaarlijks inkomen per hoofd van de bevolking in een Lid-Staat lager ligt dan een door de Raad met eenzelfde meerderheid vast te stellen bedrag, wordt zulks beschouwd als een bijzondere omstandigheid in de zin van deze bepaling.

  • 2 Iedere Lid-Staat draagt bij in de kosten van de uitvoering van elk niet-verplicht programma vallend onder artikel V, eerste lid, letter b, tenzij hij uitdrukkelijk heeft verklaard niet in deelname geïnteresseerd te zijn en derhalve geen deelnemer is. Tenzij alle deelnemende Staten anders besluiten, wordt de schaal van bijdragen voor een bepaald programma gebaseerd op het gemiddelde nationale inkomen van iedere deelnemende Staat over de laatste drie jaar waarover statistieken beschikbaar zijn. Deze schaal wordt herzien, hetzij om de drie jaar, hetzij wanneer de Raad besluit een nieuwe schaal vast te stellen overeenkomstig het eerste lid. Geen Lid-Staat is echter verplicht op grond van deze schaal hogere bijdragen te betalen dan vijfentwintig procent van de som van de bijdragen voor het desbetreffende programma. Niettemin dient het door elke deelnemende Staat te betalen percentage van de bijdrage tenminste gelijk te zijn aan vijfentwintig procent van zijn volgens het eerste lid vastgestelde percentage van de bijdrage, tenzij alle deelnemende Staten bij de aanvaarding of tijdens de uitvoering van het programma anders besluiten.

  • 3 Voor het vaststellen van de in het eerste en tweede lid bedoelde bijdragen-schalen dienen dezelfde statistische systemen te worden gebruikt; deze worden vastgelegd in het Financieel Reglement.

  • 4

    • (a) Elke Staat die geen partij was bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek of bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen en die partij wordt bij dit Verdrag, verricht naast zijn bijdragen een speciale betaling op basis van de waarde die het vermogen van het Agentschap op dat ogenblik heeft. Het bedrag van deze speciale betaling wordt door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten vastgesteld.

    • (b) Alle overeenkomstig het bepaalde in letter a verrichte betalingen worden in mindering gebracht op de bijdragen van de andere Lid-Staten, tenzij de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten anders besluit.

  • 5 De krachtens dit artikel verschuldigde bijdragen worden betaald overeenkomstig Bijlage II.

  • 6 De Directeur-Generaal kan, met inachtneming van eventueel door de Raad gegeven richtlijnen, giften of legaten aan het Agentschap aanvaarden, mits deze niet onderworpen zijn aan voorwaarden die onverenigbaar zijn met de doeleinden van het Agentschap.

Artikel XIV. Samenwerking

  • 1 Het Agentschap kan, wanneer de Raad daartoe met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten besluit, met andere internationale organisaties en instellingen alsmede met regeringen, organisaties en instellingen van niet-Lid-Staten samenwerken en te dien einde overeenkomsten met hen sluiten.

  • 2 Deze samenwerking kan de vorm aannemen van deelname door niet-Lid-Staten of internationale organisaties aan een of meer programma’s bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (ii), of artikel V, eerste lid, letter b. Onverminderd de krachtens het eerste lid van dit artikel te nemen besluiten worden de gedetailleerde regelingen voor een zodanige samenwerking van geval tot geval door de Raad vastgesteld met een twee derde meerderheid van de aan het desbetreffende programma deelnemende Staten. Deze regelingen kunnen inhouden dat een niet-Lid-Staat stemrecht in de Raad bezit wanneer deze aangelegenheden behandelt, welke uitsluitend betrekking hebben op het programma waaraan die Staat deelneemt.

  • 3 Deze samenwerking kan eveneens de vorm aannemen van het verlenen van geassocieerd lidmaatschap aan niet Lid-Staten, die zich verplichten tenminste bij te dragen voor de studies betreffende toekomstige projecten bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (i). De gedetailleerde regelingen voor elk zodanig geassocieerd lidmaatschap worden van geval tot geval door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten vastgesteld.

Artikel XV. Rechtspositie, voorrechten en immuniteiten

  • 1 Het Agentschap bezit rechtspersoonlijkheid.

  • 2 Het Agentschap, zijn personeelsleden en deskundigen, alsmede de vertegenwoordigers van de Lid-Staten genieten de rechtsbevoegdheid, de voorrechten en de immuniteiten vastgesteld in Bijlage I.

  • 3 Tussen het Agentschap en de Lid-Staten op wier grondgebied de Zetel van het Agentschap en de overeenkomstig artikel VI opgerichte vestigingen zijn gelegen, worden overeenkomsten gesloten betreffende de Zetel en de vestigingen.

Artikel XVI. Wijzigingen

  • 1 De Raad kan de Lid-Staten aanbevelingen doen tot wijziging van dit Verdrag en van Bijlage I daarbij. Een Lid-Staat die een wijziging wenst voor te stellen, doet de Directeur-Generaal mededeling van het wijzigingsvoorstel. De Directeur-Generaal stelt de Lid-Staten in kennis van een hem aldus medegedeelde wijziging en wel ten minste drie maanden voordat deze wijziging door de Raad wordt besproken.

  • 2 Een door de Raad aanbevolen wijziging treedt in werking dertig dagen nadat de Franse Regering van alle Lid-Staten kennisgeving van aanvaarding heeft ontvangen. De Franse Regering doet alle Lid-Staten mededeling van de datum van inwerkingtreding van een zodanige wijziging.

  • 3 De Raad kan met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten elke andere Bijlage bij dit Verdrag wijzigen, mits zodanige wijzigingen niet in strijd zijn met het Verdrag. Een zodanige wijziging treedt in werking op een door de Raad met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten vast te stellen datum. De Directeur-Generaal doet alle Lid-Staten mededeling van een aldus aangenomen wijziging en van de datum waarop zij in werking treedt.

Artikel XVII. Geschillen

  • 1 Elk geschil tussen twee of meer Lid-Staten of tussen een of meer van hen en het Agentschap, betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag of van de Bijlagen daarbij, alsmede elk geschil bedoeld in artikel XXVI van Bijlage I, dat niet wordt bijgelegd door bemiddeling van de Raad, wordt op verzoek van een partij bij het geschil onderworpen aan arbitrage.

  • 2 Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, is de arbitrageprocedure in overeenstemming met dit artikel en met door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten aan te nemen aanvullende regels.

  • 3 Het Scheidsgerecht bestaat uit drie leden. Elke partij bij het geschil benoemt een scheidsman; de twee scheidsmannen benoemen de derde scheidsman, die het voorzitterschap van het Scheidsgerecht op zich neemt. De aanvullende regels bedoeld in het tweede lid bepalen de te volgen procedure indien de benoemingen niet binnen een bepaald tijdsbestek plaats hebben gevonden.

  • 4 Lid-Staten of het Agentschap die geen partij zijn bij het geschil, kunnen zich met toestemming van het Scheidsgerecht voegen in de procedure, wanneer dit van mening is dat zij een wezenlijk belang hebben bij de beslissing van de zaak.

  • 5 Het Scheidsgerecht bepaalt zelf zijn zetel en stelt zelf zijn reglement van orde vast.

  • 6 De uitspraak van het Scheidsgerecht wordt gedaan bij meerderheid van zijn leden, die zich niet van stemming mogen onthouden. De uitspraak is definitief en bindend voor alle partijen bij het geschil en er kan geen beroep tegen worden aangetekend. De partijen dienen onverwijld gevolg te geven aan de uitspraak. In geval van onenigheid omtrent de betekenis of de strekking van de uitspraak, geeft het Scheidsgerecht uitleg op verzoek van een partij bij het geschil.

Artikel XVIII. Het niet nakomen van verplichtingen

Een Lid-Staat, die zijn uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, houdt op lid te zijn van het Agentschap, na een door de Raad met een twee derde meerderheid van alle Lid-Staten genomen besluit. In een zodanig geval is het bepaalde in artikel XXIV van toepassing.

Artikel XIX. Voortbestaan van rechten en verplichtingen

Op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt, neemt het Agentschap alle rechten en verplichtingen over van de Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek en van de Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen.

Artikel XX. Ondertekening en bekrachtiging

  • 1 Dit Verdrag staat tot 31 december 1975 open voor ondertekening door de Staten die lid zijn van de Europese Ruimteconferentie. De Bijlagen bij dit Verdrag vormen een integrerend deel daarvan.

  • 2 Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd of aanvaard. De akten van bekrachtiging of aanvaarding worden nedergelegd bij de Franse Regering.

  • 3 Na de inwerkingtreding van dit Verdrag en in afwachting van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding kan een ondertekenende Staat zonder stemrecht deelnemen aan de vergaderingen van het Agentschap.

Artikel XXI. Inwerkingtreding

  • 1 Dit Verdrag treedt in werking wanneer de volgende Staten, die Lid zijn van de Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek of van de Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen het hebben ondertekend en hun akten van bekrachtiging of aanvaarding hebben nedergelegd bij de Franse Regering: het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, Spanje, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat. Voor een Staat die dit Verdrag na de inwerkingtreding ervan bekrachtigt, aanvaardt, of daartoe toetreedt, wordt het Verdrag van kracht op de datum van nederlegging door deze Staat van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding.

  • 2 Het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek en het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen treden buiten werking op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel XXII. Toetreding

  • 1 Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan iedere Staat tot het Verdrag toetreden na een met eenparigheid van stemmen van alle Lid-Staten genomen besluit van de Raad.

  • 2 Een Staat die tot dit Verdrag wenst toe te treden, doet daarvan mededeling aan de Directeur-Generaal, die de Lid-Staten van dit verzoek in kennis stelt en wel ten minste drie maanden voordat het aan de Raad ter beslissing wordt voorgelegd.

  • 3 De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Franse Regering.

Artikel XXIII. Mededelingen

De Franse Regering doet alle ondertekenende en toetredende Staten mededeling van:

  • (a) de datum van nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding,

  • (b) de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en van wijzigingen overeenkomstig artikel XVI, tweede lid,

  • (c) de opzegging van het Verdrag door een Lid-Staat.

Artikel XXV. Opzegging

  • 1 Nadat dit Verdrag zes jaar van kracht is geweest, kan iedere Lid-Staat het opzeggen door daarvan mededeling te doen aan de Franse Regering, die de andere Lid-Staten en de Directeur-Generaal hiervan mededeling doet. De opzegging wordt van kracht aan het einde van het begrotingsjaar volgende op het jaar waarin daarvan mededeling werd gedaan aan de Franse Regering. Nadat de opzegging van kracht is geworden, blijft de betrokken Staat verplicht het door hem verschuldigde aandeel in de met de goedgekeurde vastleggingskredieten overeenkomende betalingskredieten te honoreren, welke zijn gebruikt zowel uit de begrotingen voor het lopende jaar waaraan hij bijdroeg op het tijdstip dat de opzegging werd medegedeeld aan de Franse Regering, als uit voorgaande begrotingen.

  • 2 Een Lid-Staat die het Verdrag opzegt, stelt het Agentschap schadeloos voor elk vermogensverlies op zijn grondgebied, tenzij met het Agentschap een bijzondere overeenkomst kan worden gesloten inzake het voortgezet gebruik van dit vermogen door het Agentschap of de voortzetting van bepaalde werkzaamheden van het Agentschap op het grondgebied van genoemde Staat. Een zodanige bijzondere overeenkomst bepaalt in het bijzonder in hoeverre en op welke voorwaarden de bepalingen van dit Verdrag, nadat de opzegging van kracht is geworden, van toepassing zullen blijven op het gebruik van dit vermogen en de voortzetting van deze werkzaamheden.

  • 3 Een Lid-Staat die het Verdrag opzegt en het Agentschap stellen gezamenlijk aanvullende verplichtingen vast, die genoemde Staat moet dragen.

  • 4 De betrokken Staat behoudt de rechten die hij heeft verworven tot aan de datum waarop de opzegging van kracht wordt.

Artikel XXV. Ontbinding

  • 1 Het Agentschap wordt ontbonden wanneer het aantal Lid-Staten minder dan vijf wordt. Het kan te allen tijde worden ontbonden nadat daarover door de Lid-Staten overeenstemming is bereikt.

  • 2 In geval van ontbinding stelt de Raad een liquidatie-orgaan in, dat in onderhandeling zal treden met de Staten op wier grondgebied de Zetel en de vestigingen van het Agentschap op dat ogenblik zijn gevestigd. De rechtspersoonlijkheid van het Agentschap blijft bestaan ten behoeve van de liquidatie.

  • 3 Elk overschot wordt verdeeld onder de Staten die op het ogenblik van de ontbinding lid van het Agentschap zijn, en wel in verhouding tot de bijdragen die zij vanaf het tijdstip waarop zij partij werden bij dit Verdrag daadwerkelijk hebben betaald. Indien er een tekort is, wordt dit over dezelfde Staten omgeslagen in verhouding tot hun voor het dan lopende begrotingsjaar vastgestelde bijdragen.

Artikel XXVI. Registratie

Zodra dit Verdrag in werking is getreden, doet de Franse Regering het registreren bij het Secretariaat van de Verenigde Naties, in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

BIJLAGE I. Voorrechten en immuniteiten

Artikel I

Het Agentschap bezit rechtspersoonlijkheid. Het heeft in het bijzonder de bevoegdheid overeenkomsten te sluiten, roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden, en in rechte op te treden.

Artikel II

Onverminderd de artikelen XXII en XXIII, zijn gebouwen en erven van het Agentschap onschendbaar.

Artikel III

De archieven van het Agentschap zijn onschendbaar.

Artikel IV

  • 1 Het Agentschap geniet immuniteit van jurisdictie en executie behalve:

    • (a) voor zover het er bij besluit van de Raad uitdrukkelijk afstand van doet in een bijzonder geval; de Raad is verplicht van deze immuniteit afstand te doen in alle gevallen waar handhaving ervan de loop van het recht zou belemmeren en er afstand van kan worden gedaan zonder de belangen van het Agentschap te schaden;

    • (b) in geval van een burgerlijke rechtsvordering ingesteld door een derde wegens schade die voortvloeit uit een ongeval veroorzaakt door een aan het Agentschap toebehorend of ten behoeve van hem gebruikt motorvoertuig, of met betrekking tot een verkeersovertreding waarbij een zodanig voertuig is betrokken;

    • (c) in geval van tenuitvoerlegging van een scheidsrechterlijke uitspraak gedaan hetzij ingevolge artikel XXV, hetzij ingevolge artikel XXVI;

    • (d) in geval van derden beslag, gelast bij een beslissing van de gerechtelijke autoriteiten, op salarissen en emolumenten door het Agentschap aan een personeelslid verschuldigd.

  • 2 De eigendommen en het vermogen van het Agentschap, ongeacht waar deze zich bevinden, genieten immuniteit van elke vorm van vordering, inbeslagneming, onteigening en beslaglegging. Zij genieten eveneens immuniteit van elke vorm van administratieve dwang of voorlopige gerechtelijke maatregelen, behalve voor zover deze tijdelijk geboden zouden zijn in verband met het voorkomen van ongevallen waarbij aan het Agentschap toebehorende of te zijnen behoeve gebruikte motorvoertuigen zijn betrokken, en het instellen van een onderzoek naar de toedracht van die ongevallen.

Artikel V

  • 1 In het kader van zijn officiële werkzaamheden zijn het Agentschap, zijn vermogen en zijn inkomsten, vrijgesteld van directe belastingen.

  • 2 Indien door of ten behoeve van het Agentschap aankopen van aanzienlijke waarde worden verricht of een beroep wordt gedaan op diensten van aanzienlijke waarde, strikt noodzakelijk voor de uitoefening van de officiële werkzaamheden van het Agentschap, en indien in de prijs van zodanige aankopen of diensten belastingen of rechten zijn begrepen, nemen de Lid-Staten zo mogelijk passende maatregelen met het oog op vrijstelling of terugbetaling van zodanige belastingen of rechten.

Artikel VI

Goederen die door of ten behoeve van het Agentschap worden ingevoerd of uitgevoerd en die strikt noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn officiële werkzaamheden, zijn vrijgesteld van alle in- en uitvoerrechten en belastingen en van alle in- en uitvoerverboden en -beperkingen.

Artikel VII

  • 1 Voor de toepassing van de artikelen V en VI omvatten de officiële werkzaamheden van het Agentschap zijn administratieve werkzaamheden met inbegrip van zijn handelingen in verband met het stelsel van sociale verzekering, en werkzaamheden verricht op het gebied van het ruimte-onderzoek en de ruimtetechnologie en de toepassing hiervan in de ruimte overeenkomstig het doel van het Agentschap zoals bepaald in het Verdrag.

  • 2 In hoeverre andere toepassingen van bedoeld onderzoek of bedoelde technologie en werkzaamheden welke worden uitgevoerd overeenkomstig artikel V, tweede lid, en artikel IX van het Verdrag, kunnen worden beschouwd als deel van de officiële werkzaamheden van het Agentschap, wordt van geval tot geval door de Raad beslist na overleg met de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staten.

  • 3 Het bepaalde in de artikelen V en VI is niet van toepassing op belastingen en rechten die niet anders zijn dan een vergoeding voor diensten van openbaar nut.

Artikel VIII

Geen vrijstelling wordt verleend uit hoofde van de artikelen V en VI ten aanzien van goederen aangekocht of ingevoerd of diensten verricht voor eigen behoefte van de personeelsleden van het Agentschap.

Artikel IX

  • 1 Goederen verworven ingevolge artikel V of ingevoerd ingevolge artikel VI mogen niet worden verkocht of afgestaan dan op voorwaarden vastgesteld door de Lid-Staten die de vrijstellingen hebben verleend.

  • 2 De overdracht van goederen en het verlenen van diensten tussen de Zetel en de vestigingen van het Agentschap, tussen de verschillende vestigingen onderling of, met het doel een programma van het Agentschap uit te voeren, tussen de vestigingen en een nationale instelling van een Lid-Staat, zijn vrij van heffingen of beperkingen van welke aard dan ook; indien nodig nemen de Lid-Staten alle passende maatregelen met het oog op vrijstelling of terugbetaling van dergelijke heffingen of met het oog op opheffing van dergelijke beperkingen.

Artikel X

De verspreiding van geschriften en ander voorlichtingsmateriaal dat door of aan het Agentschap wordt verzonden, wordt op geen enkele wijze beperkt.

Artikel XI

Het Agentschap kan alle soorten fondsen, valuta’s, kasgeld of waardepapieren ontvangen en onder zich houden; het kan daarover vrijelijk beschikken voor elk in het Verdrag genoemd doel en het kan rekeningen aanhouden in elke valuta, voor zover dat nodig is voor het nakomen van zijn verplichtingen.

Artikel XII

  • 1 Met betrekking tot zijn officiële berichtgeving en het overbrengen van al zijn documenten geniet het Agentschap een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke elke Lid-Staat andere internationale organisaties doet genieten.

  • 2 Er wordt geen censuur uitgeoefend op de officiële berichtgeving van het Agentschap, ongeacht de middelen waarmede bedoelde berichtgeving geschiedt.

Artikel XIII

De Lid-Staten nemen alle gepaste maatregelen om binnenkomst, of verblijf in, dan wel vertrek uit, hun grondgebied van personeelsleden van het Agentschap te vergemakkelijken.

Artikel XIV

  • 1 De vertegenwoordigers van de Lid-Staten genieten bij de uitoefening van hun functie alsmede op hun reizen naar de plaats van samenkomst en terug de volgende voorrechten en immuniteiten:

    • (a) immuniteit van arrestatie en gevangenhouding, alsmede van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage;

    • (b) immuniteit van jurisdictie, ook na het beëindigen van hun opdracht, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze immuniteit geldt evenwel niet in geval van een verkeersovertreding begaan door een vertegenwoordiger van een Lid-Staat, noch in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan of bestuurd werd door de betrokken vertegenwoordiger;

    • (c) onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;

    • (d) het recht codes te gebruiken en documenten of correspondentie te ontvangen per speciale koerier of in een verzegelde tas;

    • (e) vrijstelling voor henzelf en hun echtgenoten van alle maatregelen die de binnenkomst van vreemdelingen beperken, alsmede van de aan de registratie van vreemdelingen verbonden formaliteiten;

    • (f) dezelfde faciliteiten ter zake van valuta- en deviezenbepalingen als die welke worden verleend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen die met een tijdelijke officiële opdracht zijn belast;

    • (g) dezelfde douanefaciliteiten ten aanzien van hun persoonlijke bagage als die welke aan diplomatieke ambtenaren worden verleend.

  • 2 Voorrechten en immuniteiten worden aan vertegenwoordigers van Lid-Staten verleend niet ten behoeve van hun persoonlijk voordeel doch ten einde in volledige onafhankelijkheid hun functie bij het Agentschap te kunnen uitoefenen. Een Lid-Staat is derhalve verplicht de immuniteit van een vertegenwoordiger op te heffen waar handhaving ervan de loop van het recht zou belemmeren en er afstand van kan worden gedaan zonder de doeleinden waarvoor zij was toegekend te schaden.

Artikel XV

Behalve de voorrechten en immuniteiten genoemd in artikel XVI geniet de Directeur-Generaal van het Agentschap en, wanneer zich een vacature voordoet, de persoon die is benoemd om deze functie waar te nemen, dezelfde voorrechten en immuniteiten als die waarop diplomatieke ambtenaren van vergelijkbare rang aanspraak kunnen maken.

Artikel XVI

De personeelsleden van het Agentschap:

  • (a) genieten, ook nadat zij de dienst van het Agentschap hebben verlaten, immuniteit van jurisdictie met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze immuniteit geldt evenwel niet in geval van een verkeersovertreding begaan door een personeelslid van het Agentschap, noch in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan of dat bestuurd werd door het betrokken personeelslid;

  • (b) zijn vrijgesteld van alle verplichtingen met betrekking tot de militaire dienst;

  • (c) genieten onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;

  • (d) genieten, te zamen met hun inwonende gezinsleden, dezelfde faciliteiten ten aanzien van vrijstelling van alle maatregelen die de immigratie beperken en de inschrijving van vreemdelingen regelen, als die welke in het algemeen worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties;

  • (e) genieten dezelfde voorrechten met betrekking tot deviezenbepalingen als die welke in het algemeen worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties;

  • (f) genieten in tijden van internationale crisis, dezelfde faciliteiten ten aanzien van repatriëring als diplomatieke ambtenaren; hun inwonende gezinsleden genieten dezelfde faciliteiten;

  • (g) hebben het recht, wanneer zij zich voor de eerste maal in de betrokken Lid-Staat vestigen, hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten in te voeren en hebben bij beëindiging van hun functie in die Lid-Staat, het recht hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden die de Lid-Staat, in wiens grondgebied dit recht wordt uitgeoefend, noodzakelijk acht.

Artikel XVII

Deskundigen die niet behoren tot de in artikel XVI bedoelde personeelsleden, genieten tijdens het uitoefenen van hun functie bij het Agentschap of tijdens het uitvoeren van opdrachten voor het Agentschap alsook tijdens reizen die zij in verband daarmee maken, de volgende voorrechten en immuniteiten, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functie:

  • (a) immuniteit van jurisdictie met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht, behalve in geval van een door een deskundige begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een hem toebehorend of door hem bestuurd motorvoertuig; deskundigen blijven deze immuniteit genieten ook na beëindiging van hun functie bij het Agentschap;

  • (b) onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;

  • (c) dezelfde faciliteiten met betrekking tot valuta- en deviezenbepalingen, alsmede ten aanzien van hun persoonlijke bagage, als die welke worden toegekend aan ambtenaren van buitenlandse regeringen die met een tijdelijke officiële opdracht zijn belast.

Artikel XVIII

  • 1 Met inachtneming van de voorwaarden en volgens de procedures zoals die door de Raad zijn vastgesteld, zijn de Directeur-Generaal en de personeelsleden van het Agentschap onderworpen aan een belasting ten gunste van het Agentschap op door het Agentschap betaalde salarissen en emolumenten. Deze salarissen en emolumenten zijn vrij van nationale inkomstenbelasting; de Lid-Staten behouden zich evenwel het recht voor rekening te houden met deze salarissen en emolumenten bij de berekening van de belasting die geheven wordt op inkomsten uit andere bronnen.

  • 2 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op door het Agentschap aan zijn vroegere Directeuren-Generaal en personeelsleden betaalde jaargelden en pensioenen.

Artikel XIX

De artikelen XVI en XVIII zijn van toepassing op alle categorieën van personeelsleden waarop het Personeelsstatuut van het Agentschap van toepassing is. De Raad bepaalt de categorieën van deskundigen op wie artikel XVII van toepassing is. De namen, hoedanigheden en adressen van de personeelsleden en deskundigen bedoeld in dit artikel worden op gezette tijden aan de Lid-Staten medegedeeld.

Artikel XX

Ingeval het Agentschap een eigen stelsel van sociale verzekering instelt, zijn de Directeur-Generaal en de personeelsleden vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan de nationale sociale verzekeringsorganen, met inachtneming van de overeenkomsten overeenkomstig artikel XXVIII met de Lid-Staten gesloten.

Artikel XXI

  • 1 De voorrechten en immuniteiten bepaald in deze Bijlage worden de Directeur-Generaal, de personeelsleden en deskundigen van het Agentschap niet verleend tot hun persoonlijk voordeel. Zij beogen uitsluitend om, in alle omstandigheden, het onbelemmerd functioneren van het Agentschap, alsook de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden verleend, te waarborgen.

  • 2 De Directeur-Generaal is verplicht iedere immuniteit op te heffen in alle gevallen waarin handhaving ervan de loop van het recht zou belemmeren, en wanneer er afstand van kan worden gedaan zonder de belangen van het Agentschap te schaden. Ten aanzien van de Directeur-Generaal is de Raad bevoegd deze immuniteit op te heffen.

Artikel XXII

  • 1 Het Agentschap werkt te allen tijde samen met de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten ten einde een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, de naleving van politievoorschriften en van voorschriften met betrekking tot de behandeling van explosieven en ontvlambare materialen, de volksgezondheid, de arbeidsinspectie of andere soortgelijke nationale wetgeving te verzekeren, alsmede ieder misbruik van de in deze Bijlage bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten te voorkomen.

  • 2 De wijze waarop de in het eerste lid genoemde samenwerking zal plaats vinden kan worden vastgelegd in de in artikel XXVIII bedoelde aanvullende overeenkomsten.

Artikel XXIII

Iedere Lid-Staat behoudt zich het recht voor alle voorzorgen te treffen die nodig zijn in het belang van zijn veiligheid.

Artikel XXIV

Geen enkele Lid-Staat is verplicht de in de artikelen XIV, XV, XVI, letters b, e en g, en XVII, letter c, bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan zijn eigen onderdanen of aan personen die op het tijdstip waarop zij hun werkzaamheden in die Lid-Staat aanvangen er ingezetene van zijn.

Artikel XXV

  • 1 Bij het sluiten van alle schriftelijke contracten, niet zijnde contracten gesloten overeenkomstig het Personeelsstatuut, moet het Agentschap voorzien in arbitrage. De arbitrageclausule of de voor dit doel gesloten bijzondere arbitrage-overeenkomst bepaalt de van toepassing zijnde wet, alsmede het land waar de scheidsmannen zitting hebben. De arbitrageprocedure is die van dat land.

  • 2 De tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak wordt beheerst door de regels die van kracht zijn in de Staat op wiens grondgebied de uitspraak ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel XXVI

Iedere Lid-Staat kan aan het internationale Scheidsgerecht bedoeld in artikel XVII van het Verdrag elk geschil voorleggen:

  • (a) dat betrekking heeft op door het Agentschap veroorzaakte schade;

  • (b) dat iedere andere niet-contractuele aansprakelijkheid van het Agentschap betreft;

  • (c) waarbij de Directeur-Generaal, een personeelslid of een deskundige van het Agentschap is betrokken en met betrekking waartoe de desbetreffende persoon zich overeenkomstig de artikelen XV, XVI, letter a, of XVII, letter a, op immuniteit van jurisdictie kan beroepen, indien deze immuniteit niet overeenkomstig artikel XXI is opgeheven. In geschillen waarbij aanspraak op immuniteit van jurisdictie wordt gemaakt overeenkomstig de artikelen XVI, letter a, of XVII, letter a, wordt de aansprakelijkheid van het Agentschap, voor deze arbitrage, in de plaats gesteld van die van de personen bedoeld in de genoemde artikelen.

Artikel XXVII

Het Agentschap treft passende voorzieningen voor een bevredigende regeling van geschillen die ontstaan tussen het Agentschap en de Directeur-Generaal, de personeelsleden of de deskundigen met betrekking tot hun arbeidsvoorwaarden.

Artikel XXVIII

Het Agentschap kan, bij besluit van de Raad, met een of meer Lid-Staten aanvullende akkoorden sluiten ten einde uitvoering te geven aan de bepalingen van deze Bijlage met betrekking tot die Staat of die Staten, alsmede andere overeenkomsten sluiten ten einde een goede functionering van het Agentschap te waarborgen en zijn belangen veilig te stellen.

BIJLAGE II. Financiële bepalingen

Artikel I

  • 1 Het begrotingsjaar van het Agentschap loopt van 1 januari tot en met de eerstvolgende 31 december.

  • 2 De Directeur-Generaal doet de Lid-Staten uiterlijk 1 september van elk jaar toekomen:

    • (a) een ontwerp voor een algemene begroting,

    • (b) ontwerpen voor programmabegrotingen.

  • 3 De algemene begroting omvat:

    • (a) een staat van uitgaven, welke de geraamde uitgaven aangeeft voor de werkzaamheden bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punten (i), (iii) en (iv) van het Verdrag, met inbegrip van de vaste gemeenschappelijke, alsmede de niet-vaste gemeenschappelijke kosten en de ondersteuningskosten betreffende de programma’s bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (ii), en artikel V, eerste lid, letter b, van het Verdrag; de vaste en niet-vaste gemeenschappelijke kosten en de ondersteuningskosten worden omschreven in het Financieel Reglement; de ramingen der uitgaven worden gerangschikt naar het soort werk en onder algemene hoofdstukken;

    • (b) een staat van inkomsten, welke aangeeft:

      • (i) de bijdragen van alle Lid-Staten aan de uitgaven met betrekking tot de werkzaamheden bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punten (i), (iii) en (iv) van het Verdrag, met inbegrip van de vaste gemeenschappelijke kosten;

      • (ii) de bijdragen van de deelnemende Staten aan de niet-vaste gemeenschappelijke kosten en de ondersteuningskosten bestemd, overeenkomstig het Financieel Reglement, voor de programma’s bedoeld in artikel V, eerste lid, letter a, punt (ii) en artikel V, eerste lid, letter b, van het Verdrag;

      • (iii) andere inkomsten.

  • 4 Elke programmabegroting omvat:

    • (a) een staat van uitgaven, welke aangeeft:

      • (i) de geraamde directe uitgaven met betrekking tot het programma en gerangschikt onder algemene hoofdstukken, zoals omschreven in het Financieel Reglement;

      • (ii) de geraamde niet-vaste gemeenschappelijke kosten en de ondersteuningskosten bestemd voor het programma;

    • (b) een staat van inkomsten, welke aangeeft:

      • (i) de bijdragen van de deelnemende Staten aan de directe uitgaven, bedoeld in letter a, punt (i);

      • (ii) andere inkomsten;

      • (iii) ter herinnering, de bijdragen van de deelnemende Staten aan de niet-vaste gemeenschappelijke kosten en de ondersteuningskosten bedoeld in letter a, punt (ii), zoals bepaald in de algemene begroting.

  • 5 De goedkeuring van de algemene begroting en van elke programmabegroting door de Raad geschiedt voor de aanvang van elk begrotingsjaar.

  • 6 De algemene begroting en de programmabegrotingen worden voorbereid en uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement.

Artikel II

  • 1 De Raad kan de Directeur-Generaal verzoeken hem een herziene begroting voor te leggen, indien de omstandigheden dit nodig maken.

  • 2 Een besluit dat extra uitgaven met zich brengt, wordt eerst dan door de Raad geacht te zijn goedgekeurd, nadat deze een door de Directeur-Generaal ingediende raming van de desbetreffende extra uitgaven heeft goedgekeurd.

Artikel III

  • 1 Indien hierom door de Raad wordt verzocht, neemt de Directeur-Generaal in de algemene begroting of in de desbetreffende programmabegroting de voor volgende jaren geraamde uitgaven op.

  • 2 Bij het aannemen van de jaarlijkse begrotingen van het Agentschap onderzoekt de Raad opnieuw de omvang der middelen en verricht de nodige aanpassingen met inachtneming van veranderingen in het prijspeil en voor onvoorziene wijzigingen gedurende de uitvoering van de programma’s.

Artikel IV

  • 1 De goedgekeurde uitgaven voor de werkzaamheden bedoeld in artikel V van het Verdrag worden bestreden uit bijdragen, vastgesteld overeenkomstig artikel XIII van het Verdrag.

  • 2 Wanneer een Staat overeenkomstig artikel XXII toetreedt tot het Verdrag, worden de bijdragen van de andere Lid-Staten opnieuw vastgesteld. Een nieuwe schaal, die van kracht wordt op een door de Raad te bepalen datum, wordt opgesteld op basis van de statistieken van het nationale inkomen over dezelfde jaren als die welke aan de bestaande schaal ten grondslag liggen. Indien nodig worden terugbetalingen verricht, ten einde te verzekeren dat de door alle Lid-Staten voor het lopende jaar betaalde contributies in overeenstemming zijn met het besluit van de Raad.

  • 3

    • (a) De wijze waarop de betalingen van de bijdragen moeten geschieden ten einde de nodige geldmiddelen van het Agentschap te waarborgen, wordt bepaald in het Financieel Reglement.

    • (b) De Directeur-Generaal stelt de Lid-Staten in kennis van de hoogte van hun bijdrage en van de data waarop de betalingen dienen plaats te vinden.

Artikel V

  • 1 De begrotingen van het Agentschap worden uitgedrukt in ECU zoals onlangs door de bevoegde instanties van de Europese Unie vastgelegd en vervolgens in de Europese betaaleenheid die de ECU zal vervangen zodra ze door deze instanties van kracht is verklaard.

  • 2 Elke Lid-Staat zal eventuele bijdragen betalen in ECU en daarna in de vervangende valuta waarnaar wordt verwezen in bovenstaande § 1.

Artikel VI

  • 1 De Directeur-Generaal houdt een nauwkeurige boekhouding bij van alle inkomsten en uitgaven. Aan het einde van elk begrotingsjaar stelt de Directeur-Generaal in overeenstemming met het Financieel Reglement afzonderlijke jaarrekeningen op voor elk programma, bedoeld in artikel V van het Verdrag.

  • 2 De begrotingsboekhouding, de begroting en het financieel beheer alsmede alle andere handelingen met financiële gevolgen, worden onderzocht door een Controlecommissie. De Raad wijst bij twee derde meerderheid van alle Lid-Staten, de Lid-Staten aan, die op een billijke basis bij toerbeurt worden uitgenodigd accountants voor deze Commissie te benoemen, bij voorkeur uit hun eigen hoofdambtenaren, en hij benoemt met dezelfde meerderheid uit hun midden een Voorzitter van de Commissie voor een termijn van ten hoogste drie jaar.

  • 3 Het doel van de controle, die zal plaatsvinden op basis van stukken en, indien nodig, ter plaatse, is na te gaan of de uitgaven in overeenstemming zijn met de ramingen op de begroting alsmede vast te stellen of de boekhouding op wettige en juiste wijze wordt gevoerd. De Commissie brengt eveneens verslag uit over het economisch beheer van de financiële middelen van het Agentschap. Na het afsluiten van elk begrotingsjaar stelt de Commissie een verslag op, dat door de meerderheid van haar leden wordt goedgekeurd en dat daarna aan de Raad wordt doorgezonden.

  • 4 De Controlecommissie vervult verder die andere functies welke in het Financieel Reglement zijn bepaald.

  • 5 De Directeur-Generaal verschaft de accountants al die gegevens en hulp die zij bij de uitoefening van hun taak nodig hebben.

BIJLAGE III. Niet-verplichte programma’s bedoeld in artikel V, eerste lid, letter b, van het Verdrag

Artikel I

  • 1 Wanneer een voorstel tot uitvoering van een niet-verplicht programma bedoeld in artikel V, eerste lid, letter b, van het Verdrag wordt ingediend, deelt de Voorzitter van de Raad het aan alle Lid-Staten ter bestudering mede.

  • 2 Wanneer de Raad in overeenstemming met artikel XI, vijfde lid, letter c, punt (i), van het Verdrag de uitvoering van een niet-verplicht programma in het kader van het Agentschap heeft aanvaard, dient elke Lid-Staat die niet van plan is deel te nemen aan dit programma, binnen drie maanden uitdrukkelijk te verklaren, dat hij niet in deelname geïnteresseerd is; de deelnemende Staten stellen een Verklaring op, waarin met inachtneming van artikel III, eerste lid, hun verbintenissen worden vastgelegd met betrekking tot:

    • (a) de Fasen van het programma;

    • (b) de voorwaarden van uitvoering ervan, met inbegrip van het tijdschema, het indicatieve financiële raam en de indicatieve deelbedragen voor de Fasen van het programma, alsmede alle andere bepalingen betreffende het beheer en de uitvoering ervan;

    • (c) de schaal van bijdragen vastgesteld overeenkomstig artikel XIII, tweede lid, van het Verdrag;

    • (d) de duur en de omvang van de eerste bindende financiële verplichting.

  • 3 De Verklaring wordt de Raad ter kennisneming toegezonden, te zamen met een ontwerp van de uitvoeringsregels, die hem ter goedkeuring worden voorgelegd.

  • 4 Indien een deelnemende Staat de bepalingen van de Verklaring en van de uitvoeringsregels niet binnen de in de Verklaring vastgestelde termijn kan aanvaarden, houdt hij op deelnemende Staat te zijn. Andere Lid-Staten kunnen later deelnemende Staten worden, wanneer zij deze bepalingen aanvaarden op met de deelnemende Staten vast te stellen voorwaarden.

Artikel II

  • 1 Het programma wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag en, tenzij anders bepaald in deze Bijlage of in de uitvoeringsregels, overeenkomstig de in het Agentschap van kracht zijnde regels en procedures. Besluiten van de Raad worden genomen overeenkomstig deze Bijlage en de uitvoeringsregels. Bij gebrek aan uitdrukkelijke bepalingen in deze Bijlage of in de uitvoeringsregels is de stemprocedure, vastgelegd in het Verdrag of het reglement van orde van de Raad, van toepassing.

  • 2 Besluiten betreffende de aanvang van een nieuwe Fase worden genomen met een twee derde meerderheid van alle deelnemende Staten, mits deze meerderheid ten minste twee derde van de bijdragen voor het programma vertegenwoordigt. Kan een besluit betreffende de aanvang van een nieuwe Fase niet worden genomen, dan plegen de deelnemende Staten die het programma niettemin wensen voort te zetten, onderling overleg en zij treffen regelingen voor de voortzetting ervan. Zij brengen hierover verslag uit aan de Raad, die eventueel alle nodige maatregelen neemt.

Artikel III

  • 1 Indien het programma een fase van projectdefinitie omvat, maken de deelnemende Staten tegen het einde van de fase een nieuwe schatting van de kosten van het programma. Indien deze nieuwe schatting aantoont dat de kosten die van het in artikel I bedoelde indicatieve financiële raam met meer dan 20% overschrijden, kan iedere deelnemende Staat zich uit het programma terugtrekken. De deelnemende Staten die het programma niettemin wensen voort te zetten, plegen onderling overleg en treffen regelingen voor de voortzetting ervan. Zij brengen hierover verslag uit aan de Raad, die eventueel alle nodige maatregelen neemt.

  • 2 Gedurende elke Fase zoals omschreven in de Verklaring, stelt de Raad met twee derde meerderheid van alle deelnemende Staten de jaarlijkse begrotingen vast binnen het desbetreffende financiële raam of de desbetreffende deelbedragen.

  • 3 De Raad stelt een procedure vast, volgens welke het financiële raam of de deelbedragen kunnen worden herzien in geval van veranderingen in het prijspeil.

  • 4 Wanneer het financiële raam of een deelbedrag dient te worden herzien om andere redenen dan vermeld in het eerste en het derde lid, passen de deelnemende Staten de volgende procedure toe:

    • (a) geen deelnemende Staat is gerechtigd zich uit het programma terug te trekken, tenzij de cumulatieve overschrijding van de kosten meer beloopt dan 20% van de bedragen van het oorspronkelijke financiële raam of van het herziene raam, vastgesteld overeenkomstig de procedure neergelegd in het eerste lid;

    • (b) indien de cumulatieve overschrijding van de kosten meer beloopt dan 20% van de bedragen van het desbetreffende financiële raam, kan elke deelnemende Staat zich uit het programma terugtrekken. De Staten die het programma niettemin wensen voort te zetten, plegen onderling overleg, treffen regelingen voor de voortzetting ervan en brengen hierover verslag uit aan de Raad, die eventueel alle nodige maatregelen neemt.

Artikel IV

Het Agentschap, optredend ten behoeve van de deelnemende Staten, is eigenaar van de satellieten, ruimtesystemen en andere zaken vervaardigd in het kader van het programma alsmede van de voor de uitvoering van het programma verworven installaties en uitrusting. De Raad beslist ten aanzien van iedere overdracht van eigendom.

Artikel V

  • 1 Opzegging van het Verdrag door een Lid-Staat brengt de terugtrekking van deze Lid-Staat mede uit alle programma’s waaraan hij deelneemt. Artikel XXIV van het Verdrag is van toepassing op de rechten en verplichtingen die uit deze programma’s voortvloeien.

  • 2 Het besluit om niet langer aan een programma deel te nemen overeenkomstig artikel II, tweede lid, of het besluit om zich eruit terug te trekken overeenkomstig artikel III, eerste lid en vierde lid, letter b, wordt van kracht op de datum, waarop de Raad de in die artikelen bedoelde verslagen ontvangt.

  • 3 Een deelnemende Staat die besluit een programma niet voort te zetten overeenkomstig artikel II, tweede lid, of die zich uit een programma terugtrekt overeenkomstig artikel III, eerste lid, en vierde lid, letter b, behoudt de rechten welke door de deelnemende Staten tot op de datum waarop zijn terugtrekking van kracht wordt, zijn verworven. Na die datum vloeien voor hem geen verdere rechten of verplichtingen voort uit het gedeelte van het programma, waaraan hij niet langer deelneemt. Hij blijft gehouden zijn aandeel bij te dragen in de betalingskredieten overeenkomend met de vastleggingskredieten goedgekeurd in de begroting voor het lopende of een voorgaand begrotingsjaar en die betrekking hebben op een in uitvoering zijnde Fase van het programma. De deelnemende Staten kunnen in de Verklaring echter eenparig overeenkomen dat een Staat die besluit een programma niet voort te zetten, of die zich daaruit terugtrekt, gehouden blijft zijn totale aandeel in het oorspronkelijke financiële raam of de deelbedragen van het programma bij te dragen.

Artikel VI

  • 1 De deelnemende Staten kunnen met een twee derde meerderheid van alle deelnemende Staten die ten minste twee derde van de bijdragen voor het programma vertegenwoordigen, besluiten de uitvoering van een programma stop te zetten.

  • 2 Het Agentschap doet de deelnemende Staten mededeling van de voltooiing van een programma overeenkomstig de uitvoeringsregels; na ontvangst van een zodanige mededeling houden deze uitvoeringsregels op van kracht te zijn.

BIJLAGE IV. Internationalisatie van nationale programma’s

Artikel I

De voornaamste doelstelling van de internationalisatie van nationale programma’s is, dat elke Lid-Staat aan de andere Lid-Staten de mogelijkheid biedt in het kader van het Agentschap deel te nemen aan ieder nieuw civiel ruimteproject dat hij, hetzij alleen, hetzij in samenwerking met een andere Lid-Staat beoogt uit te voeren.

Te dien einde:

  • (a) doet elke Lid-Staat aan de Directeur-Generaal van het Agentschap mededeling van ieder zodanig project voor het begin van fase B ervan (projectdefinitiefase);

  • (b) dienen het tijdschema en de inhoud van de voorstellen tot deelname aan een project het voor de andere Lid-Staten mogelijk te maken een wezenlijk aandeel te nemen in de daaraan verbonden werkzaamheden. Redenen die dit moeilijk uitvoerbaar maken en mogelijke voorwaarden die de Lid-Staat die het initiatief tot het project neemt, aan de toewijzing van werkzaamheden aan andere Lid-Staten wenst te verbinden, moeten vroegtijdig aan het Agentschap worden medegedeeld;

  • (c) geeft de Lid-Staat die het initiatief tot het project neemt een toelichting op de door hem voorgestelde regelingen voor het technisch beheer van het project, alsmede de redenen voor die regelingen;

  • (d) doet de Lid-Staat die het initiatief tot het project neemt alles wat in zijn vermogen ligt om, in het kader van het genoemde project, alle redelijke antwoorden in te passen, onder voorbehoud dat een akkoord wordt bereikt over het peil van de uitgaven en de wijze, waarop de uitgaven en de werkzaamheden worden verdeeld binnen de grenzen van het tijdschema vereist door de projectbeslissingen. Hij doet vervolgens overeenkomstig Bijlage III een uitdrukkelijk voorstel, indien het project overeenkomstig die Bijlage dient te worden uitgevoerd;

  • (e) wordt de uitvoering van een project in het kader van het Agentschap niet uitgesloten op grond van het enkele feit dat dit project niet in die mate tot deelname van andere Lid-Staten heeft geleid als oorspronkelijk voorgesteld door de Lid-Staat die het initiatief tot het project neemt.

Artikel II

De Lid-Staten doen alles wat in hun vermogen ligt om te verzekeren, dat de bilaterale en multilaterale ruimteprojecten die zij in samenwerking met niet-Lid-Staten ondernemen, de wetenschappelijke, economische of industriële doelstellingen van het Agentschap niet nadelig beïnvloeden. In het bijzonder:

  • (a) stellen zij het Agentschap van zodanige projecten in kennis, voorzover zij van mening zijn, dat dit die projecten niet nadelig beïnvloedt;

  • (b) bespreken zij met de andere Lid-Staten zodanige ter kennis gebrachte projecten, ten einde het kader voor ruimere deelname vast te stellen. Indien ruimere deelname mogelijk blijkt, zijn de procedures genoemd in artikel I, letter b tot en met e, van toepassing.

BIJLAGE V. Industrieel beleid

Artikel I

  • 1 Bij de uitvoering van het in artikel VII van het Verdrag bedoelde industriële beleid, handelt de Directeur-Generaal in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage en de richtlijnen van de Raad.

  • 2 De Raad beziet steeds het potentieel en de structuur van de industrie in verhouding tot de werkzaamheden van het Agentschap, en wel in het bijzonder:

    • (a) de algemene structuur van de industrie en de industriële groeperingen,

    • (b) de gewenste mate van specialisatie in de industrie en de methoden om deze te bereiken,

    • (c) de coördinatie van het desbetreffende industriële beleid van de afzonderlijke Staten,

    • (d) de wisselwerking met het desbetreffende industriële beleid van andere internationale instellingen,

    • (e) de verhouding tussen industriële productie capaciteit en potentiële markten,

    • (f) de organisatie van gesprekken met de industrie,

    ten einde in staat te zijn het industriële beleid van het Agentschap te volgen en zo nodig aan te passen.

Artikel II

  • 1 Bij het plaatsen van alle opdrachten, geeft het Agentschap de voorkeur aan de industrie en de organisatie van de Lid-Staten. Echter wordt binnen elk niet-verplicht programma, vallende onder artikel V, eerste lid, letter b, van het Verdrag, bijzondere voorkeur gegeven aan de industrie en de organisaties van de deelnemende Staten.

  • 2 De Raad beslist of en in hoeverre het Agentschap van de bovengenoemde voorkeursregeling kan afwijken.

  • 3 De vraag of een onderneming moet worden beschouwd als behorend tot een der Lid-Staten, wordt beoordeeld naar de volgende criteria: plaats van de zetel der onderneming, van haar centra waar de beslissingen worden genomen en van haar onderzoekcentra, en het grondgebied waar de werkzaamheden zullen worden verricht. In geval van twijfel beslist de Raad of een onderneming moet worden geacht al of niet tot een Lid-Staat te behoren.

Artikel III

  • 1 In het beginstadium van de procedure die leidt tot het toewijzen van de opdracht en nog voor het verzenden van de uitnodigingen tot inschrijving, legt de Directeur-Generaal aan de Raad ter goedkeuring het aanschaffingsbeleid voor, dat hij voorstelt te volgen voor iedere opdracht die

    • (a) een geraamde waarde heeft die bepaalde grenzen te boven gaat, vastgesteld in de regelingen inzake het industriële beleid en die afhankelijk zijn van de aard van de werkzaamheden, of

    • (b) naar het oordeel van de Directeur-Generaal, niet voldoende gedekt is door de regelingen inzake het industriële beleid of door de aanvullende richtlijnen vastgesteld door de Raad, of die aanleiding zou kunnen geven tot een conflict met deze regelingen of richtlijnen.

  • 2 De aanvullende richtlijnen bedoeld in het eerste lid, letter b, worden op gezette tijden door de Raad vastgesteld indien hij deze nuttig oordeelt voor het bepalen van die gebieden waarvoor voorafgaand overleg krachtens het eerste lid noodzakelijk is.

  • 3 De opdrachten van het Agentschap worden door de Directeur-Generaal rechtstreeks en zonder verdere inschakeling van de Raad toegewezen, behalve in de volgende gevallen:

    • (a) wanneer uit de onderlinge vergelijking van de binnengekomen offertes blijkt dat een opdrachtnemer moet worden aanbevolen, waarvan de keuze strijdig zou zijn, hetzij met de eerdere door de Raad krachtens het eerste lid verstrekte aanwijzingen, hetzij met de algemene richtlijnen inzake industrieel beleid welke zijn aanvaard ingevolge de in artikel I, tweede lid, bedoelde studies van de Raad. In dit geval legt de Directeur-Generaal aan de Raad de aangelegenheid ter beslissing voor, licht toe waarom hij een afwijking noodzakelijk acht, en geeft tevens aan of een andere beslissing van de Raad technisch, operationeel of anderszins een raadzaam alternatief zou vormen;

    • (b) wanneer de Raad om bijzondere redenen besloten heeft een hernieuwd onderzoek in te stellen alvorens de opdracht toe te wijzen.

  • 4 De Directeur-Generaal brengt op nog nader vast te stellen regelmatige tijdstippen aan de Raad verslag uit over de gedurende de voorafgaande periode toegewezen opdrachten en omtrent de procedures leidend tot de toewijzing van opdrachten die voor de komende periode zijn voorzien, ten einde de Raad in staat te stellen de tenuitvoerlegging van het industriële beleid van het Agentschap te volgen.

Artikel IV

De geografische spreiding van alle opdrachten van het Agentschap wordt beheerst door de volgende algemene regels:

  • 1. De totale rendementscoëfficient van een Lid-Staat is de verhouding tussen zijn procentuele aandeel in de door hem ontvangen opdrachten, berekend ten opzichte van het totaalbedrag van de in alle Lid-Staten geplaatste opdrachten, en zijn totale procentuele aandeel in de bijdragen. Bij de berekening van deze totale rendementscoëfficient wordt echter geen rekening gehouden met opdrachten die geplaatst zijn in Lid-Staten, noch met bijdragen die betaald zijn door Lid-Staten, in het kader van een programma dat in uitvoering is genomen:

    • (a) uit hoofde van artikel VIII van het Verdrag inzake de oprichting van een Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek, mits de desbetreffende Overeenkomst te dien einde bepalingen bevat of indien alle deelnemende Staten dit later bij eenparig besluit overeenkomen;

    • (b) uit hoofde van artikel V, eerste lid, letter b, van het onderhavige Verdrag, mits alle oorspronkelijk deelnemende Staten dit bij eenparig besluit overeenkomen.

  • 2. Voor de berekening van de rendementscoëfficient worden afwegingsfactoren toegepast op de waarde van de opdrachten op basis van hun technologische betekenis. De afwegingsfactoren worden door de Raad vastgesteld. Ten aanzien van eenzelfde opdracht van aanzienlijke waarde kan meer dan één afwegingsfactor worden toegepast.

  • 3. De spreiding van de door het Agentschap geplaatste opdrachten moet gericht zijn op een ideale situatie waarin iedere totale rendementscoëfficient gelijk is aan 1.

  • 4. De rendementscoëfficienten worden per kwartaal berekend en cumulatief opgegeven met het oog op het formele onderzoek bedoeld in het vijfde lid.

  • 5. Formele onderzoeken naar de geografische spreiding van opdrachten zullen eens in de vijf jaar plaats vinden met een tussenonderzoek voor het einde van het derde jaar.

  • 6. De spreiding van opdrachten tussen formele toestandsonderzoeken zal zo uitgevoerd worden dat, ten tijde van elk formeel onderzoek, de cumulatieve totale rendementscoëfficiënt van elke Lid-Staat niet wezenlijk van de ideale waarde afwijkt. Op het tijdstip van elk formeel onderzoek kan de Raad de ondergrens voor de cumulatieve totale rendementscoëfficiënt voor de volgende periode herzien, vermits deze nooit beneden de 0,8 komt.

  • 7. Aparte beoordelingen van de rendementscoëfficiënten voor de verschillende door de Raad te definiëren opdrachtcategorieën zullen worden gemaakt en aan de Raad voorgelegd worden, het gaat hierbij in het bijzonder om geavanceerde R&D opdrachten en contracten die projectgebonden technologie betreffen. De Directeur-Generaal zal deze beoordelingen met de Raad bespreken, op nader vast te stellen regelmatige tijdstippen, en in het bijzonder op het moment van het tussenonderzoek, met het doel de benodigde stappen vast te stellen om eventuele onevenwichtige situaties te herstellen.

Artikel V

  • 1 Wanneer tijdens een van de tussenonderzoeken een tendens wordt gesignaleerd die er op wijst dat de totale rendementscoëfficiënt van een van de Lidstaten onder de onderste grens, zoals vastgelegd volgens § 6 van Artikel IV, zal geraken, zal de Directeur-Generaal aan de Raad voorstellen doen die erop gericht zijn de situatie binnen een kalenderjaar recht te trekken. Deze voorstellen dienen binnen de regelingen van het Agentschap voor het plaatsen van opdrachten te blijven. Wanneer na deze periode de tendens nog steeds bestaat zal de Directeur-Generaal voorstellen aan de Raad doen waarbij de noodzaak de situatie binnen het jaar recht te trekken voorrang zal hebben boven de regelingen van het Agentschap voor het plaatsen van opdrachten.

  • 2 Wanneer tijdens een van de formele onderzoeken de totale rendementscoëfficiënt van een van de Lidstaten zich onder de onderste grens, zoals vastgelegd volgens § 6 van Artikel IV, blijkt te bevinden, zal de Directeur-Generaal voorstellen doen aan de Raad waarbij de noodzaak de situatie binnen het jaar recht te trekken voorrang zal hebben boven de regelingen van het Agentschap voor het plaatsen van opdrachten.

Artikel VI

Elk besluit dat op grond van overwegingen van industrieel beleid wordt genomen en dat tot gevolg heeft dat een bepaalde onderneming of organisatie van een Lid-Staat wordt uitgesloten van mededinging bij het verkrijgen van opdrachten van het Agentschap op een bepaald gebied behoeft de instemming van die Lid-Staat.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Parijs, op 30 mei 1975, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde al deze teksten gelijkelijk authentiek, in één enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Franse Regering, die daarvan gewaarmerkte afschriften doet toekomen aan alle ondertekenende of toetredende Staten.

Teksten van dit Verdrag opgesteld in andere officiële talen van de Lid-Staten van het Agentschap worden bij een met eenparigheid van stemmen genomen besluit van alle Lid-Staten authentiek verklaard. Deze teksten worden nedergelegd in het archief van de Franse Regering, die daarvan gewaarmerkte afschriften doet toekomen aan alle ondertekenende of toetredende Staten.

Slotakte van de Conferentie van Gevolmachtigden tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

  • 1. De Europese Ruimteconferentie heeft op haar vergadering van 20 december 1972 besloten dat een nieuwe organisatie, „het Europese Ruimte-Agentschap” genaamd, zal worden gevormd uit de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek (ESRO) en de Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen (ELDO). Het Comité van Plaatsvervangers van de Europese Ruimteconferentie heeft een Werkgroep „Europees Ruimte-Agentschap” ingesteld, met de opdracht de uitvoering van dit besluit te bestuderen. Op basis van de besprekingen gehouden in het Comité van Plaatsvervangers van de Europese Ruimteconferentie en in de Werkgroep „Europees Ruimte-Agentschap”, heeft het Secretariaat van de Europese Ruimteconferentie een Ontwerp-Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap opgesteld.

  • 2. De Europese Ruimteconferentie heeft op haar vergadering van 31 juli 1973 haar besluit van 20 december 1972 bevestigd en haar goedkeuring gehecht aan de hoofdlijnen die bij de studies zijn gevolgd. Zij heeft op 15 april 1975 een Ontwerp-Verdrag goedgekeurd.

  • 3. Op uitnodiging van de Franse regering en na overleg met de Voorzitter van de Europese Ruimteconferentie is te Parijs in het Ministerie van Buitenlandse Zaken op 30 mei 1975 bijeengekomen een Conferentie van Gevolmachtigden tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap.

  • 4. Waren vertegenwoordigd:

    • (a) de regeringen van de volgende Staten:

      • - door vertegenwoordigers: het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, Spanje, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat;

      • - door waarnemers: het Australische Gemenebest en de Oostenrijkse Republiek;

    • (b) de volgende internationale organisaties:

      de Raad van Europa, de Europese Organisatie voor Ruimteonderzoek en de Europese Organisatie voor de ontwikkeling en de vervaardiging van dragers voor ruimtevoertuigen.

  • 5. De Conferentie heeft haar Bureau als volgt samengesteld:

    • President: Mijnheer M. d’Ornano (Frankrijk)

    • Secretaris: Mijnheer R. Gibson, Directeur Generaal van ESRO

    en heeft een Commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven ingesteld, voorgezeten door Mijnheer P. Creola (Zwitserland), bijgestaan door Mijnheer C. Fernandez-Espeso (Spanje) en Mijnheer E. Winther (Denemarken).

    De Conferentie heeft het verslag van de Commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven aangenomen.

  • 6. De Conferentie heeft een verslag aangehoord van de Voorzitter van de Europese Ruimteconferentie inzake de maatregelen die zijn getroffen voor de tenuitvoerlegging van de door de Europese Ruimteconferentie op 20 december 1972 en op 31 juli 1973 genomen besluiten. Zij heeft in het bijzonder kennisgenomen van de vorderingen van de programma’s in gezamenlijk Europees verband in uitvoering genomen: het programma voor het ruimtelaboratorium Spacelab, het programma voor de maritieme satelliet Marots en het programma voor de draagraket Ariane. Zij heeft tevens kennis gegenomen van de Resoluties van de ESRO-Raad en de ELDO-Raad en van de andere reeds genomen of nog te nemen maatregelen betreffende de overdracht van het vermogen en het personeel aan het Europese Ruimte-Agentschap, ten einde dit in staat te stellen de werkzaamheden en lopende programma’s voort te zetten.

  • 7. Op basis van de resolutie aangenomen door de Europese Ruimteconferentie op 15 april 1975 heeft de Conferentie van Gevolmachtigden de tekst van het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap aangenomen. Bij dit Verdrag behoren vijf Bijlagen, die een integrerend deel daarvan vormen.

  • 8. Bovendien heeft de Conferentie de tien aangehechte Resoluties aangenomen.

  • 9. De Conferentie heeft besloten dat het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap zal worden opengesteld voor ondertekening op 30 mei 1975 en tot 31 december 1975 voor ondertekening opengesteld zal blijven.

  • 10. De Conferentie heeft kennisgenomen van het feit dat het Verdrag overeenkomstig artikel XXI in werking treedt wanneer de volgende Staten, die lid zijn van ESRO of ELDO, het hebben ondertekend en hun akte van bekrachtiging of aanvaarding hebben nedergelegd bij de Franse regering:

    • het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, Spanje, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat.

RESOLUTIE 1. Het „de facto” functioneren van het Europese Ruimte-Agentschap

De Conferentie

Beveelt aan dat de vertegenwoordigers van de Lid-Staten bij de ESRO-Raad en de ELDO-Raad gezamenlijk zitting houden vanaf de datum volgend op die van de ondertekening van de Slotakte, aldus vooruitlopend op de instelling van de Raad van het Europese Ruimte-Agentschap,

Beveelt aan, ten einde het Europese Ruimte-Agentschap in staat te stellen „de facto” te functioneren met ingang van bovengenoemde datum, bij de toepassing van de Verdragen tot oprichting van ESRO en ELDO zoveel mogelijk rekening te houden met de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap,

Nodigt de Franse regering, als depositaris, uit alle maatregelen te nemen, die nodig zijn om de eerste vergadering van de Raad van het Europese Ruimte-Agentschap bijeen te roepen binnen een maand na de inwerkingtreding van het Verdrag.

RESOLUTIE 2. Het overnemen van de rechten en verplichtingen van ELDO

De Conferentie,

Overwegende dat enerzijds volgens het bepaalde in artikel XIX van het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, dit Agentschap alle rechten en verplichtingen van ESRO en ELDO overneemt en dat anderzijds de thans plaatsvindende liquidatie van de ELDO-programma’s voortgang vindt,

Beveelt aan dat de ESRO-Raad en de ELDO-Raad die vooruitlopend op de instelling van de Raad van het Europese Ruimte-Agentschap gezamenlijk bijeenkomen, zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor de inwerkingtreding van het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, een gedetailleerde lijst van de rechten en verplichtingen van ELDO aan een onderzoek onderwerpen, die van nut zouden kunnen zijn voor de werkzaamheden en programma’s van het Europese Ruimte-Agentschap en derhalve zouden kunnen worden overgenomen door ESRO, die haar werkzaamheden voortzet onder de naam „Europees Ruimte-Agentschap”, in afwachting van de inwerkingtreding van het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;

Neemt kennis van het feit dat die rechten en verplichtingen van ELDO die niet zijn opgenomen op bovenbedoelde gedetailleerde lijst, niet door ESRO worden overgenomen en dat alle daaruit voortvloeiende kosten worden gedragen door die Lid-Staten van het Europese Ruimte-Agentschap die als Lid-Staten van ELDO deze kosten dragen op het tijdstip dat het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap in werking treedt.

RESOLUTIE 3. Ondergeschikte organen van het Europese Ruimte-Agentschap

De Conferentie,

Neemt kennis van het feit dat de Raad van het Europese Ruimte-Agentschap, gezien het belang van de hem opgedragen taken, op een aantal terreinen door ondergeschikte organen dient te worden bijgestaan;

Is van mening dat de door deze organen aan de Raad te verlenen medewerking met name dient plaats te vinden op het gebied van het beheer en van de financiën, in het bijzonder ten aanzien van de economische en financiële aspecten van de programma’s, alsmede op het gebied van de basiswerkzaamheden, van het wetenschappelijke programma en van het industriële beleid;

Verzoekt de Raad de noodzakelijke ondergeschikte organen in te stellen, naast de in het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap bedoelde Commissie voor het Wetenschappelijke Programma;

Neemt kennis van het feit dat er programmaraden bestaan die bevoegd zijn voor de lopende niet-verplichte programma’s, doch dat het Verdrag de verplichting tot oprichting van zodanige raden, wat betreft toekomstige niet-verplichte programma’s, niet voorschrijft;

Verzoekt de Raad, alsmede de aan de lopende niet-verplichte programma’s deelnemende Staten, op korte termijn gezamenlijk na te gaan of er wijzigingen wenselijk zijn in de werkwijzen voor het houden van toezicht op deze programma’s; deze wijzigingen moeten verenigbaar zijn zowel met de geest van het Verdrag als met de rechten die de deelnemende Staten krachtens de bestaande Overeenkomsten genieten;

Is van mening dat de Raad passende maatregelen zal moeten treffen voor het toezicht op toekomstige niet-verplichte programma’s, waarbij hij met name rekening dient te houden met de belangen van de gebruikers.

RESOLUTIE 4. Niet-verplichte programma’s van het Europese Ruimte-Agentschap

De Conferentie,

Neemt met voldoening kennis van de mate waarin de Lid-Staten thans de lopende niet-verplichte programma’s steunen;

Is van mening dat, wil het Europese Ruimte-Agentschap levensvatbaar zijn, er een ruime mate van deelname aan het geheel van de niet-verplichte programma’s moet blijven bestaan;

Neemt kennis van het feit dat het in het voornemen van de Lid-Staten ligt het in december 1971 in de ESRO-Raad bereikte akkoord over de programma’s niet opnieuw ter discussie te stellen;

Beveelt dientengevolge aan dat de Regeringen ervoor zorg dragen dat het Agentschap voldoende niet-verplichte programma’s in uitvoering neemt om zijn levensvatbaarheid te waarborgen, alsmede dat elk van deze programma’s wordt gefinancierd door een zo groot mogelijk aantal Lid-Staten.

RESOLUTIE 5. Applicatieprogramma’s

De Conferentie,

Bevestigt haar vaste wil, Europa zijn eigen plaats op de markt van de ruimte-applicaties te zien innemen door middel van de ontwikkeling van passende systemen;

Is van mening dat de programma’s van het Europese Ruimte-Agentschap de ontwikkeling dienen te vergemakkelijken van operationele systemen die voor de gebruikers aanvaardbaar zullen zijn en door hen zullen worden geëxploiteerd;

Erkent de noodzaak van overleg tussen de gebruikers met het oogmerk tijdig die organen in te stellen, die voor het bereiken van dit doel noodzakelijk zijn;

Verzoekt het Agentschap te dien einde met de gebruikers in overleg te treden, en wel vanaf de definitiefase van de produkten die het in ontwikkeling neemt, ten einde zodoende de voorwaarden te scheppen voor het welslagen van een beleid van de ruimte-applicaties.

RESOLUTIE 6. Draagraketten en andere ruimtetransportsystemen

De Conferentie,

In herinnering brengend het door de Europese Ruimteconferentie op 20 december 1972 genomen besluit de Ariane- en Spacelab-programma’s in uitvoering te nemen,

In aanmerking nemend de daaruit voortvloeiende door de Lid-Staten ten behoeve van de ontwikkeling van deze draagraketten en ruimtetransportsystemen gedane aanzienlijke investeringen,

Bevestigt dat de Lid-Staten het onderling eens zijn, de voorkeur te geven aan en het gebruik te bevorderen van produkten ontwikkeld in het kader van de programma’s van de Europese Organisatie voor Ruimte-onderzoek en van het Europese Ruimte-Agentschap;

Beveelt dientengevolge aan dat het Agentschap overeenkomstig de bepalingen van artikel VIII van het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap ernaar dient te streven zijn missies op te zetten en de technische hoedanigheden van de satellieten en andere ruimtesystemen die het ontwikkelt vast te stellen op een zodanige wijze dat van de in Europa aanwezige draagraketten en andere ruimtetransportsystemen een zo ruim mogelijk gebruik wordt gemaakt.

RESOLUTIE 7. Gebruik van het potentieel en van de installaties van de Lid-Staten

De Conferentie,

Erkennend de noodzaak, de voorkeur te geven aan het gebruik van het potentieel en van de installaties ontwikkeld door of toebehorende aan het Europese Ruimte-Agentschap, alsmede de noodzaak de oprichting van overbodige installaties in Europa te vermijden,

Verzoekt het Agentschap, wanneer dit daaraan behoefte heeft, gebruik te maken van het potentieel en van de installaties van de Lid-Staten, mits overwegingen van economische aard zulks rechtvaardigen;

Aanvaardt het beginsel dat, in de gevallen waarin bij de werkzaamheden of een programma van het Agentschap gebruik wordt gemaakt van dit potentieel en van deze installaties, de daaruit voortvloeiende kosten voor rekening komen van de desbetreffende begroting van het Agentschap, waarbij over de samenstelling en wijze van berekening van die kosten voor ieder geval afzonderlijk door de deelnemende Staten in onderlinge overeenstemming wordt beslist;

Verzoekt het Agentschap de daartoe passende maatregelen te nemen.

RESOLUTIE 8. Gebruik van de talen

De Conferentie,

Overwegende de noodzaak voor de ondertekening van het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap een regeling te treffen voor het toekomstige gebruik van de talen in dit Agentschap;

Rekening houdend met de wens enerzijds het naar voren brengen van de gezichtspunten van de Lid-Staten in de bestuurslichamen van het Agentschap te vergemakkelijken en anderzijds ten behoeve van het Agentschap praktische regels op te stellen ter waarborging van de doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en het economische gebruik van zijn financiën,

Komt overeen dat de volgende regels in het Agentschap van kracht zullen zijn:

  • 1. Wat betreft de vergaderingen van een orgaan, commissie of werkgroep van het Agentschap, kan gebruik worden gemaakt van de Duitse, en Engelse en de Franse taal en zullen de diensten van tolken voor deze drie talen ter beschikking zijn.

  • 2. Wat de documenten betreft, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    • (a) Officiële documenten van het Agentschap die een codenummer hebben, dat betrekking heeft op de Raad, een van zijn ondergeschikte organen of een werkgroep worden gepubliceerd in het Duits, het Engels en het Frans.

    • (b) Alle andere documenten van het Agentschap worden in het Engels en het Frans gepubliceerd.

    • (c) Documenten afkomstig van de Lid-Staten van wetenschappelijke, technische, juridische of administratieve aard dienen bij voorkeur aan het Agentschap in het Engels of het Frans te worden voorgelegd, doch mogen evenwel aan het Agentschap in iedere andere taal die een taal van een Lid-Staat is, worden toegezonden.

  • 3. Bovendien mag tijdens vergaderingen van de Raad of van een van zijn ondergeschikte organen, waar zaken die betrekking hebben op het Spacelab-programma worden besproken, van de Italiaanse taal gebruik worden gemaakt en zullen de diensten van tolken ter beschikking zijn; officiële documenten van het Agentschap die een codenummer hebben van de Raad of van een van zijn ondergeschikte organen en die handelen over dit programma worden eveneens in het Italiaans gepubliceerd.

  • 4. Op verzoek van een delegatie van een Lid-Staat worden voorzieningen getroffen voor het gebruik van de taal van die Lid-Staat niet zijnde een van de talen vermeld in het eerste lid, het tweede lid, letter a, en het tweede lid, letter b, tijdens een in het eerste lid bedoelde vergadering of voor de vertaling in die taal van een document bedoeld in het tweede lid, letter a, of in het tweede lid, letter b, met dien verstande dat zulk een verzoek slechts wordt gedaan met betrekking tot een vergadering of een document waarbij die Lid-Staat bijzonder belang heeft.

  • 5. Wat de correspondentie betreft, deze wordt door het Agentschap gewoonlijk in het Engels of het Frans gevoerd. De delegaties dienen aan het Agentschap bij voorkeur in het Engels of het Frans te schrijven, doch wanneer zij van oordeel zijn dat zulks nodig is, mogen zij in iedere andere taal die een taal van een Lid-Staat is, schrijven.

Beklemtoont het feit dat het niet in de bedoeling ligt dat de toepassing van bovengenoemde regels leidt tot vermeerdering van het aantal vertalingen voor intern gebruik binnen het Agentschap;

Spreekt nadrukkelijk de wens uit dat de Lid-Staten, zoals in het verleden steeds het geval is geweest, van deze voorzieningen op een zodanige wijze gebruik maken dat extra kosten en complicaties van administratieve aard tot een minimum worden beperkt;

Beveelt aan dat de regeling betreffende het gebruik van de talen door de Raad van het Agentschap aan een onderzoek wordt onderworpen, indien te eniger tijd mocht blijken dat de delegaties onevenredig veel gebruik maken van de bovenbedoelde voorzieningen.

RESOLUTIE 9. Fiscale bepalingen betreffende het personeel van het Europese Ruimte-Agentschap

De Conferentie,

Beveelt aan dat het Agentschap, met het oog op de tenuitvoerlegging van artikel XVIII van Bijlage I bij het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, aan de Directeur-Generaal en aan de personeelsleden ieder jaar ten behoeve van de dienst der belastingen waaronder zij ressorteren, een officiële opgave doet toekomen van het hun aan salaris betaalde bedrag en dat mutatis mutandis dezelfde regeling wordt toegepast ten aanzien van aan voormalige Directeuren-Generaal en voormalige personeelsleden betaalde pensioenen en jaargelden.

RESOLUTIE 10. Betrekkingen met de Raad van Europa

De Conferentie,

Kennis genomen hebbende van de door de Raad van Europa geuite wens betrekkingen met het Europese Ruimte-Agentschap aan te knopen ter voortzetting van die welke met ESRO en ELDO zijn onderhouden,

Beveelt aan dat de Raad van het Europese Ruimte-Agentschap het Jaarverslag van het Agentschap ter informatie aan de Raad van Europa doet toekomen.

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden deze Slotakte hebben ondertekend.

GEDAAN te Parijs, op 30 mei 1975, in de Duitse, Engelse, Franse, Italiaanse, Nederlandse, Spaanse en Zweedse taal, zijnde al deze teksten gelijkelijk authentiek, in één enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Franse Regering, die daarvan gewaarmerkte afschriften doet toekomen aan de Staten die deze Slotakte ondertekenen, alsmede aan de Staten die zich bij het Verdrag aansluiten.