Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen, Brussel, 11-05-1974[Regeling treedt in werking op nader te bepalen tijdstip.]

Geldend van 11-05-1974 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Bezield door de wens de samenwerking tussen de drie Staten op strafrechtelijk gebied uit te breiden;

Overwegende dat op het gebied van deze samenwerking reeds voortgang is geboekt door het Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, ondertekend te Brussel op 27 juni 1962, en door het Verdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken, ondertekend te Brussel op 26 september 1968;

Overwegende dat het van belang is deze samenwerking hechter te maken door tussen de drie Staten te voorzien in een procedure inzake de overname van strafvervolgingen, die het mogelijk maakt in een Staat strafrechtelijk op te treden tegen de in een andere Staat gemaakte inbreuken op normen die daar door de strafwet worden beschermd;

Gelet op de adviezen van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad van 2 juni 1972 en 30 november 1973,

Hebben besloten tot dat doel een Verdrag te sluiten en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

  • Zijne Excellentie de Heer H. VANDERPOORTEN,

  • Minister van Justitie;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:

  • Zijne Excellentie de Heer Eug. SCHAUS,

  • Vice-Minister-President, Minister van Justitie;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

  • Zijne Excellentie de Heer A. A. M. van AGT,

  • Vice-Minister-President, Minister van Justitie;

Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 1 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Wanneer iemand een feit heeft begaan waarvoor hem een straf of maatregel kan worden opgelegd volgens de strafwet van een Verdragsluitende Staat, kan die Staat aan een andere Verdragsluitende Staat verzoeken een strafvervolging tegen hem in te stellen:

    • a) indien hij zijn vaste woon- of verblijfplaats in die andere Staat heeft;

    • b) indien hij aldaar in hoofdzaak zijn beroep of bedrijf uitoefent;

    • c) indien hij aldaar voor een ander feit wordt vervolgd, of er een straf of maatregel ondergaat die hem voor een ander feit is opgelegd.

  • 2 Indien zich reeds een burgerlijke partij heeft gevoegd, kan het instellen van een strafvervolging aan een andere Verdragsluitende Staat alleen worden verzocht met instemming van die partij, of krachtens een beslissing van de rechter waarbij wordt vastgesteld dat het belang van een goede rechtsbedeling de vervolging in die Staat eist.

Artikel 2 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Hij die een feit heeft begaan als bedoeld in artikel 1, kan deswege slechts dan in een andere Verdragsluitende Staat worden vervolgd, indien hem volgens de strafwet van die Staat een straf of maatregel kan worden opgelegd voor dat feit, of voor het overeenkomstige feit, vermeld op de bij dit Verdrag gevoegde lijst.

  • 2 Aan de in het eerste lid gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, wanneer aan de verdachte een straf of maatregel zou kunnen worden opgelegd, indien hij het feit had begaan op het grondgebied van de andere Staat.

  • 3 Is het feit begaan ten aanzien van een tot de openbare dienst van een andere Verdragsluitende Staat behorende persoon, instelling of zaak, dan wordt het in de aangezochte Staat beschouwd als te zijn begaan ten aanzien van een overeenkomstige - tot de openbare dienst van die Staat behorende - persoon, instelling of zaak.

Artikel 3 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Een overeenkomstig de artikelen 6 en 7 gedaan verzoek tot strafvervolging wordt ingewilligd, behalve in de gevallen voorzien in de volgende leden van dit artikel.

  • 2 Het verzoek wordt afgewezen:

    • a) indien niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 1 en 2;

    • b) indien over het feit onherroepelijk is beslist in een Verdragsluitende Staat;

    • c) indien ten aanzien van het feit in een derde Staat een onherroepelijke beslissing is genomen waarbij noch een straf noch een maatregel is opgelegd;

    • d) indien ten aanzien van het feit in een derde Staat een onherroepelijke beslissing is genomen waarbij een straf of een maatregel is opgelegd, en de dader die straf, dan wel die maatregel, ondergaat, deze reeds heeft ondergaan of daarvan is vrijgesteld.

  • 3 Het verzoek kan worden afgewezen:

    • a) indien het feit van politieke aard is;

    • b) indien het een militair delict betreft;

    • c) indien het feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is begaan;

    • d) indien de verdachte niet de nationaliteit van een van de Verdragsluitende Staten bezit en hij ten tijde van het begaan van het strafbare feit noch zijn vaste woon- of verblijfplaats op het grondgebied van een van die Staten had, noch aldaar in hoofdzaak zijn beroep of bedrijf uitoefende;

    • e) indien de vervolging in de aangezochte Staat niet tot een beslissing op tegenspraak kan leiden.

  • 4 Indien na inwilliging van het verzoek blijkt dat een grond voor afwijzing bestaat, kan deze inwilliging worden ingetrokken indien het gaat om een der gronden vermeld in het derde lid. Betreft het een der in het tweede lid vermelde gronden, dan moet de inwilliging alsnog worden ingetrokken.

  • 5 De inwilliging kan niet meer worden ingetrokken wanneer ten gevolge daarvan:

    • a) in de aangezochte Staat onherroepelijk over het feit is beslist;

    • b) de zaak aldaar ter terechtzitting aanhangig is gemaakt of tot een gerechtelijk vooronderzoek heeft geleid, tenzij blijkt van het bestaan van een grond tot afwijzing als vermeld in lid 2 of in lid 3, sub e).

Artikel 4 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De verzoekende Staat kan zijn verzoek intrekken tot het tijdstip waarop de aangezochte Staat hem kennis heeft gegeven van zijn beslissing op het verzoek.

Artikel 5 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Behoudens het bepaalde in artikel 15, beperkt dit Verdrag niet de bevoegdheid van de Verdragsluitende Staten op het gebied van de strafvordering tot het instellen van strafvervolgingen overeenkomstig hun nationale wet.

HOOFDSTUK II. Verzoek tot strafvervolging [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 6 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Het verzoek tot strafvervolging en alle voor de toepassing van dit Verdrag benodigde mededelingen worden hetzij door de Minister van Justitie van de verzoekende Staat toegezonden aan diens ambtgenoot van de aangezochte Staat, hetzij, indien de Regeringen van die Staten aldus hebben besloten, door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Staat rechtstreeks gericht tot die van de aangezochte Staat. Het hier bepaalde is van overeenkomstige toepassing op mededelingen van de aangezochte Staat aan de verzoekende Staat.

  • 2 De mededeling en het verzoek tot aanhouding, voorzien in artikel 13, tweede lid, kunnen worden gedaan door tussenkomst van het centrale nationale bureau van de «Organisation Internationale de Police Criminelle (Interpol) ».

Artikel 7 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Het verzoek tot strafvervolging wordt schriftelijk gedaan en vermeldt de datum waarop het tot de aangezochte Staat wordt gericht. Het gaat vergezeld van het oorspronkelijke strafdossier of van een stel gewaarmerkte afschriften van de daartoe behorende stukken.

Artikel 8 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat kunnen, desgeraden, aan de verzoekende Staat om aanvullende inlichtingen vragen en voor de toezending daarvan een termijn stellen.

Artikel 9 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De autoriteiten van de aangezochte Staat geven aan die van de verzoekende Staat onverwijld schriftelijk kennis van hun beslissing op het verzoek. Zij lichten hen tevens in omtrent het aan de zaak gegeven gevolg.

Artikel 10 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Elk der Verdragsluitende Staten kan op het tijdstip van ondertekening of neerlegging van zijn akte van bekrachtiging in een tot de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie gerichte verklaring eisen dat de met het oog op de toepassing van dit Verdrag toegezonden stukken vergezeld gaan van een vertaling in een der door hem genoemde officiële talen van de Benelux Economische Unie, danwel zich de mogelijkheid voorbehouden een zodanige vertaling te eisen.

  • 2 Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie bepaalt bij beschikking in welke gevallen en op welke voorwaarden deze vertaling door het Secretariaat-Generaal kosteloos kan worden verzorgd.

Artikel 11 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De, met het oog op de toepassing van dit Verdrag overgelegde stukken zijn vrijgesteld van elke legalisatie of soortgelijke formaliteit.

Artikel 12 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De Staten zien wederzijds af van terugvordering van de uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende kosten.

HOOFDSTUK III. Voorlopige maatregelen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 13 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Wanneer een Verdragsluitende Staat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag een verzoek tot strafvervolging heeft gericht tot een andere Verdragsluitende Staat, kan de aangezochte Staat, zodra het verzoek en het strafdossier zijn ontvangen en totdat aan de verzoekende Staat kennis is gegeven van de beslissing op dat verzoek, overgaan tot de onmiddellijke aanhouding van de verdachte, indien een bevel tot aanhouding of enige andere titel tot vrijheidsbeneming in de verzoekende Staat van kracht is en de wetgeving van de aangezochte Staat de voorlopige hechtenis toelaat in een geval als dat waarin het verzoek tot strafvervolging is gedaan.

  • 2 Wanneer een Verdragsluitende Staat aan een andere Verdragsluitende Staat heeft aangekondigd een verzoek tot strafvervolging tot hem te zullen richten, kan die andere Staat, in dringende gevallen, op verzoek van de eerstbedoelde Staat overgaan tot de aanhouding van de verdachte, indien voor het overige is voldaan aan de in het vorige lid gestelde voorwaarden. Dit laatste verzoek dient melding te maken van het bestaan van een bevel tot aanhouding of enig ander stuk met dezelfde rechtskracht, afgegeven volgens de in de verzoekende Staat wettelijk voorgeschreven vormen, gegevens te behelzen aangaande aard, tijd en plaats van het feit waarvoor strafvervolging zal worden verzocht, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de verdachte. Voorts dient een beknopte beschrijving te worden gegeven van de verdere omstandigheden van de zaak.

  • 3 Aanhouding ingevolge de voorgaande leden van dit artikel geschiedt overeenkomstig de wet van de aangezochte Staat; die wet bepaalt in welke gevallen de verdachte in vrijheid kan worden gesteld.

  • 4 Een vrijheidsbeneming, uitsluitend gegrond op het eerste en tweede lid, eindigt:

    • a) wanneer de titel tot vrijheidsbeneming in de verzoekende Staat niet meer ten uitvoer kan worden gelegd;

    • b) indien, in het geval bedoeld in het tweede lid, de aangezochte Staat binnen 18 dagen na de aanhouding niet in het bezit is gekomen van het verzoek tot strafvervolging en van de stukken bedoeld in artikel 7.

Artikel 14 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Wanneer een Verdragsluitende Staat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag een verzoek tot strafvervolging heeft gericht tot een andere Verdragsluitende Staat, kan de aangezochte Staat, zodra het verzoek en het strafdossier zijn ontvangen en totdat aan de verzoekende Staat kennis is gegeven van de beslissing op dat verzoek, overgaan tot onmiddellijke inbeslagneming van bepaalde voorwerpen, mits de wetgeving van de aangezochte Staat de inbeslagneming toelaat in een geval als dat waarin het verzoek tot strafvervolging is gedaan.

  • 2 Wanneer een Verdragsluitende Staat aan een andere Verdragsluitende Staat heeft aangekondigd een verzoek tot strafvervolging tot hem te zullen richten, kan die andere Staat in dringende gevallen op verzoek van de eerstbedoelde Staat overgaan tot inbeslagneming van bepaalde voorwerpen op de in het vorige lid bedoelde voorwaarden. Laatstbedoeld verzoek dient gegevens te behelzen aangaande aard, tijd en plaats van het feit waarvoor strafvervolging zal worden verzocht, alsmede een beknopte beschrijving van de verdere omstandigheden van de zaak.

  • 3 De inbeslagneming ingevolge de voorgaande leden geschiedt overeenkomstig de wet van de aangezochte Staat en die wet bepaalt in welke gevallen het beslag kan worden opgeheven.

  • 4 Een beslag, uitsluitend gegrond op het tweede lid, eindigt, indien de aangezochte Staat binnen 18 dagen na het beslag niet in het bezit is gekomen van het verzoek tot strafvervolging en van de stukken bedoeld in artikel 7.

HOOFDSTUK IV. Gevolgen van het verzoek tot strafvervolging en van de inwilliging daarvan, in de verzoekende Staat [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 15 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Tot de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van de aangezochte Staat op het verzoek tot strafvervolging kan de strafzaak door de verzoekende Staat noch worden afgedaan noch ter terechtzitting aanhangig worden gemaakt, behalve in geval van intrekking van het verzoek overeenkomstig artikel 4.

  • 2 De verzoekende Staat kan geen enkele daad van vervolging ten aanzien van de verdachte meer verrichten zodra de aangezochte Staat kennis heeft gegeven van de inwilliging van het verzoek tot strafvervolging. Indien de aangezochte Staat de inwilliging alsnog intrekt overeenkomstig artikel 3, vierde en vijfde lid, herkrijgt de verzoekende Staat het recht tot strafvervolging met ingang van de dag van kennisgeving van het intrekken van de inwilliging.

  • 3 Wordt het verzoek overeenkomstig het tweede lid van artikel 1 gedaan, dan kan de burgerlijke partij zich zonder kosten uit de strafzaak terugtrekken. De voeging eindigt van rechtswege op het ogenblik waarop kennis wordt gegeven van de inwilliging van het verzoek.

HOOFDSTUK V. Verjaring van het recht tot strafvordering [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 16 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 In de verzoekende Staat wordt de verjaring van het recht tot strafvordering geschorst met ingang van de datum van het overeenkomstig de artikelen 6 en 7 ingediende verzoek tot strafvervolging tot de dag waarop de verzoekende Staat in de gevallen bedoeld in artikel 15 het recht tot strafvervolging herkrijgt. Deze schorsing kan echter niet langer duren dan zes maanden.

  • 2 In de aangezochte Staat begint de termijn van verjaring te lopen met ingang van de dag waarop het feit is begaan. De verjaring van het recht tot strafvordering wordt geschorst met ingang van de datum van het verzoek tot strafvervolging tot aan de datum van de beslissing op dat verzoek. Wanneer in de verzoekende Staat de verjaring vóór de datum van het verzoek tot strafvervolging gestuit of geschorst is ingevolge een omstandigheid die volgens de wetgeving van de aangezochte Staat hetzelfde rechtsgevolg zou hebben, wordt deze omstandigheid geacht de verjaring in de aangezochte Staat eveneens te hebben gestuit of geschorst.

HOOFDSTUK VI. Strafvervolging in de aangezochte Staat [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 17 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Door de inwilliging van het verzoek tot strafvervolging wordt de strafwet van de aangezochte Staat toepasselijk op het feit waarop het verzoek betrekking heeft en worden de rechterlijke autoriteiten van die Staat bevoegd volgens hun nationale wet over dat feit te oordelen. Niettemin mag de in die Staat opgelegde straf of maatregel niet zwaarder zijn dan het wettelijk maximum in de verzoekende Staat.

  • 2 Voor de toepassing van de strafwet van de aangezochte Staat wordt een feit, begaan ten aanzien van een tot de openbare dienst van de verzoekende Staat behorende persoon, instelling of zaak, beschouwd als te zijn begaan ten aanzien van een overeenkomstige - tot de openbare dienst van de aangezochte Staat behorende - persoon, instelling of zaak.

  • 3 Indien het feit, ook bij toepassing van het voorgaande lid, niet strafbaar is naar de wet van de aangezochte Staat, maar wel valt onder de omschrijving van een strafbaar feit vermeld op de bij dit Verdrag gevoegde lijst, wordt het gekwalificeerd overeenkomstig de wet van de verzoekende Staat en voor de toepassing van de strafwet van de aangezochte Staat gelijkgesteld met het overeenkomstige, op de lijst vermelde feit dat in die wet is voorzien en strafbaar gesteld.

  • 4 De voorgaande leden van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de inwilliging van het verzoek is ingetrokken overeenkomstig artikel 3, vierde en vijfde lid.

Artikel 18 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Indien het feit in beide Staten slechts op klachte vervolgbaar is, geldt een klacht, ingediend in de verzoekende Staat, ook als zodanig in de aangezochte Staat. Op intrekking van de klacht is het recht van de verzoekende Staat toepasselijk.

  • 2 Indien het feit alleen in de aangezochte Staat slechts op klachte vervolgbaar is, kan deze Staat bij het ontbreken van een klacht de strafvervolging niettemin instellen, wanneer de tot klacht gerechtigde zich daartegen niet verzet binnen een maand na het ter post bezorgen van de aangetekende brief waarin het openbaar ministerie hem in kennis stelt van het voornemen tot strafvervolging.

Artikel 19 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De stukken, betrekking hebbende op door de autoriteiten van de verzoekende Staat verrichte ambtshandelingen terzake van de vervolging en het bijeenbrengen van bewijsmiddelen, worden, voor wat hun bewijskracht betreft, gelijkgesteld met stukken betreffende soortgelijke, door de autoriteiten van de aangezochte Staat verrichte handelingen. In geen geval kan die gelijkstelling echter tot gevolg hebben dat aan deze stukken meer bewijskracht wordt toegekend dan zij in de verzoekende Staat hebben.

HOOFDSTUK VII. Territoriale bevoegdheid [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 20 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Behalve de krachtens de nationale wetten territoriaal bevoegde rechters, zijn bevoegd om kennis te nemen van feiten terzake waarvan uit hoofde van dit Verdrag vervolging wordt verzocht, de gerechten van de plaats waar de verdachte

  • a) zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft,

  • b) in hoofdzaak zijn beroep of bedrijf uitoefent,

  • c) voor een ander feit wordt vervolgd of een straf of maatregel ondergaat die hem voor een ander feit is opgelegd.

HOOFDSTUK VIII. Slotbepalingen [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Artikel 21 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof worden voor de toepassing van hoofdstuk IV van dat Verdrag als gemeenschappelijke rechtsregels de bepalingen van het onderhavige Verdrag en van de Bijlage aangewezen.

Artikel 22 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag alleen voor het Rijk in Europa.

  • 2 De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan de toepasselijkheid van dit Verdrag uitbreiden tot Suriname en de Nederlandse Antillen door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die daarvan onmiddellijk kennis geeft aan de beide andere Regeringen. Deze verklaring wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de datum waarop de Secretaris-Generaal haar heeft ontvangen.

Artikel 23 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die de Regeringen kennis geeft van de neerlegging van die akte.

  • 2 Het Verdrag zal in werking treden op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de datum van neerlegging van de tweede akte van bekrachtiging.

  • 3 Ten aanzien van de derde Staat die overgaat tot neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, zal het Verdrag in werking treden op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de datum van neerlegging van die akte.

Artikel 24 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

In geval van wijziging van de wettelijke voorschriften van een der Verdragsluitende Staten betreffende feiten vermeld in de eerste kolom van de bij dit Verdrag gevoegde lijst, wordt de verwijzing, welke in de lijst is opgenomen met het oog op de vaststelling van het overeenkomstige feit, voor zover nodig aangepast bij beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie. De beschikking wordt ten minste tien dagen voor de dag waarop zij in werking treedt door de Verdragsluitende Staten bekendgemaakt op dezelfde wijze als het Verdrag.

Artikel 25 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Dit Verdrag kan, na overleg tussen de drie Regeringen, te allen tijde door elk van de Verdragsluitende Staten worden opgezegd na het einde van een termijn van twee jaar te rekenen van de datum van zijn inwerkingtreding af.

  • 2 Opzegging geschiedt door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die daarvan onmiddellijk mededeling doet aan de Regering van de beide andere Staten. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de zesde maand volgende op de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen.

  • 3 De opzegging geldt slechts ten aanzien van de Verdragsluitende Staat die haar heeft gedaan.

  • 4 Opzegging door het Koninkrijk der Nederlanden kan beperkt worden tot de gebieden of tot een van de gebieden, bedoeld in artikel 22, lid 2.

Artikel 26 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

  • 1 Ieder der drie Regeringen kan, na het einde van de in artikel 25, lid 1, genoemde termijn een nauwkeurig geformuleerd voorstel tot wijziging van een of meer artikelen van het Verdrag of van de Bijlage doen; dit voorstel zal op dezelfde wijze als een opzegging ter kennis van de beide andere Regeringen worden gebracht. In dat geval zullen de drie Regeringen trachten tot overeenstemming te komen.

  • 2 Indien een jaar na de datum van kennisgeving aan de beide andere Regeringen geen overeenstemming is bereikt, kan de Regering die het voorstel heeft gedaan haar wetgeving in de voorgestelde zin wijzigen. De wijziging wordt op dezelfde wijze als het voorstel ter kennis van de beide andere Regeringen gebracht.

    In dat geval is geen der beide andere Staten langer gebonden door de bepaling die het voorwerp was van het voorstel tot wijziging. Zelfs kan elk van de Verdragsluitende Staten het Verdrag opzeggen overeenkomstig artikel 25, lid 2. De opzegging zal van kracht worden op de eerste dag van de derde maand volgende op de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen. Artikel 25, lid 3, is op deze opzegging van toepassing.

Artikel 27 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Indien een der drie Staten na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag partij wenst te worden bij een Overeenkomst waarin bepalingen voorkomen welke afwijken van het onderhavige Verdrag, is artikel 26 van overeenkomstige toepassing.

TEN BLIJKE WAARVAN de Gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegel hebben voorzien.

GEDAAN te Brussel, op 11 mei 1974, in drie exemplaren, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

BIJLAGE [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Feiten strafbaar volgens de wet van de verzoekende Staat en bestaande uit het niet opvolgen van de voorschriften inzake:

Worden in de aangezochte Staat gelijkgesteld met overeenkomstige feiten strafbaar krachtens de volgende bepalingen:

I. Wegverkeer

België

Nederland

Luxemburg

a.

De documenten welke nodig zijn om van een voertuig gebruik te maken of te doen maken

Artikel 30 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 35, lid 5, van de Wegenverkeerswet

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

b.

Het besturen van een voertuig na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van het bloed hoger is dan wettelijk toegestaan

Artikel 34 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 35, lid 1, van de Wegenverkeerswet

Artikel 12 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

c.

De verplichting medewerking te verlenen aan een onderzoek van uitgeademde lucht of zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek

Artikel 34 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 35, lid 6, van de Wegenverkeerswet of artikel 35, lid 1, van die wet

Artikel 12 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

d.

Het besturen van een voertuig in strijd met een door een daartoe bevoegd ambtenaar opgelegd rijverbod

Artikel 34 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 35, lid 1, van de Wegenverkeerswet

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

e.

De minimum- en maximumsnelheid van voertuigen

Artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 139 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

f.

De plaats van rijdende voertuigen en hun rijrichting, het inhalen of passeren van andere voertuigen in dezelfde danwel in tegengestelde rijrichting, het veranderen van rijrichting en het oversteken van spoor- en tramwegovergangen

Artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 139 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

g.

De voorrang op kruisingen en het invoegen in het verkeer

Artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 139 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

h.

De voorrang van bepaalde voertuigen en rijdende colonnes

Artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 139 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

i.

Verkeerslichten en -tekens en andere, door het bevoegde gezag gegeven aanwijzingen aan weggebruikers

Artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 139 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

j.

Het tot stilstand brengen, stationeren en parkeren van voertuigen

Artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 139 van het Reglemem verkeersregels en verkeerstekens

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

k.

De voorzieningen die ten behoeve van hun veiligheid aan bepaalde categorieën weggebruikers zijn opgelegd

Artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 139 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

l.

De technische uitrusting en de veiligheidsvoorzieningen waaraan voertuigen en hun lading moeten voldoen

Artikel 29 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968

Artikel 124 van het Wegenverkeersreglement

Artikel 7 van de wet van 14 februari 1955 «concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques»

II. Visserij

België

Nederland

Luxemburg

a.

Het verbod tot het uitoefenen van de visserij zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste vergunning of akte

Artikelen 7 of 23 van de wet op de riviervisserij van 1 juli 1954

Artikel 56 van de Visserijwet 1963

Artikelen 44 of 45 van de wet van 21 maart 1947 «concernant le régime de la pêche dans les eaux indigènes»

b.

Het verbod tot het uitoefenen van de visserij in bepaalde waterlopen, op bepaalde plaatsen of gedurende bepaalde tijdvakken

Artikel 13 van de wet op de riviervisserij van 1 juli 1954

Artikel 56 van de Visserijwet 1963

Artikel 45 van de wet van 21 maart 1947 «concernant le régime de la pêche dans les eaux indigènes»

c.

Het verbod tot het gebruik van ongeoorloofd vistuig of enig ander middel voor het vangen, bedwelmen of doden van vis of schaaldieren

Artikelen 13 of 22 van de wet op de riviervisserij van 1 juli 1954

Artikel 56 van de Visserijwet 1963

Artikelen 45 of 46 van de wet van 21 maart 1947 «concernant le régime de la pêche dans les eaux indigènes»

d.

Het verbod tot het vervoeren, voorhanden hebben of verkopen van vis beneden de vereiste maat, danwel van vis gevangen in strijd met het verbod vermeld in de rubrieken b. en c.

Artikelen 15 of 16 van de wet op de riviervisserij van 1 juli 1954

Artikel 56 van de Visserijwet 1963

Artikelen 44 of 45 van de wet van 21 maart 1947 «concernant le régime de la pêche dans les eaux indigènes»

III. Jacht- en vogelbescherming

België

Nederland

Luxemburg

a.

Het verbod tot het uitoefenen van de jacht op wild en het vangen of doden van vogels zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste vergunning of akte

Artikelen 4 of 14 van de Jachtwet van 28 februari 1882

Artikel 70 van de Jachtwet of artikel 28 van de Vogelwet 1936

Artikelen 15, 16, 17 of 19 van de wet van 19 mei 1885 «sur la chasse»

b.

Het verbod tot het uitoefenen van de jacht op wild en het vangen of doden van vogels op bepaalde plaatsen en tijden danwel onder bepaalde weersomstandigheden

Artikelen 2, 3 of 6 van de Jachtwet van 28 februari 1882

Artikel 70 van de Jachtwet of artikel 28 van de Vogelwet 1936

Artikelen 16 of 17 van de wet van 19 mei 1885 «sur la chasse»

c.

De bepalingen inzake de bescherming van wild of vogels, alsmede van hun jongen of eieren

Artikelen 7 of 31 van de Jachtwet van 28 februari 1882

Artikel 70 van de Jachtwet of artikel 28 van de Vogelwet 1936

Artikelen 14 of 16 van de wet van 19 mei 1885 «sur la chasse» of artikel 9 van de wet van 24 februari 1928 «concernant la protection des oiseaux»

d.

Het verbod tot het uitoefenen van de jacht op wild en het vangen of doden van Vogels met daartoe niet geoorloofde wapens, munitie, middelen of tuigen, danwel op een andere ongeoorloofde wijze

Artikel 20 van de Jachtwet van 28 februari 1882

Artikel 70 van de Jachtwet of artikel 28 van deVogelwet 1936

Artikelen 14, 16 of 17 van de wet van 19 mei 1885 «sur la chasse» of artikel 9 van de wet van 24 februari 1928 «concernant la protection des oiseaux»