Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël tot het vermijden [...] van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht, Jeruzalem, 09-09-1974

Geldend van 14-07-1975 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, en

de Regering van de Staat Israël,

De wens koesterende een Overeenkomst te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 1. Nalatenschappen waarop de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op nalatenschappen van overledenen wier woonplaats bij hun overlijden in een van de Staten of in beide Staten was.

Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is

  • 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten.

  • 2 Als belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht worden beschouwd alle belastingen die ter zake van overlijden worden geheven in de vorm van belasting over de nalatenschap in zijn geheel, van belasting over verkrijgingen krachtens erfrecht, van rechten van overgang, of van belastingen over schenkingen „mortis causa”.

  • 3 De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

    • a) voor Nederland:

      • - het recht van successie,

      • - het recht van overgang bij overlijden;

    • b) voor Israël:

      • - de belasting van nalatenschappen en

      • - het recht van overgang bij overlijden.

  • 4 Deze Overeenkomst is ook van toepassing op alle belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht, mede.

HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen

  • 1 In deze Overeenkomst:

    • a) betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of Israël, tenzij het zinsverband anders vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en Israël;

    • b) omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen;

    • c) betekent de uitdrukking „Israël” de Staat Israël;

    • d) betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:

      • 1. in Nederland, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

      • 2. in Israël, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.

  • 2 Voor de toepassing van de Overeenkomst door elk van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet anders omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken.

Artikel 4. Fiscale woonplaats

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt de vraag of een persoon bij zijn overlijden inwoner van een van de Staten was, beslist overeenkomstig de wetgeving van die Staat.

  • 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden een natuurlijke persoon die deel uitmaakte van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan was van de zendstaat, alsmede bij hem wonende leden van zijn gezin, geacht inwoner van de zendstaat te zijn geweest, indien hun erfgenamen of legatarissen in die Staat aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht zijn onderworpen als erfgenamen en legatarissen van personen die inwoner zijn van die Staat.

  • 3 Indien een persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten was, gelden de volgende regels:

    • a) Hij wordt geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had. Indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, wordt zijn woonplaats geacht te zijn in de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst waren (middelpunt van de levensbelangen). In het geval van een persoon die Israël is binnengekomen als een „Oleh” (d.w.z. met een visum uitgegeven ingevolge het tweede lid van de Wet op de terugkeer, 5710-1950, of die, na zijn binnenkomst in Israël een „Oleh's certificaat” heeft aangevraagd en gekregen op de voet van het derde lid van genoemde Wet, zulk een persoon hierna te noemen „Oleh”), wordt het middelpunt van zijn levensbelangen geacht in Israël te zijn, tenzij de bevoegde autoriteiten van beide Staten het er over eens zijn, dat alle bewijsmateriaal tezamen beschouwd duidelijk en overtuigend op het tegendeel wijst;

    • b) Indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen had, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, wordt zijn woonplaats geacht te zijn in de Staat waar hij gewoonlijk verbleef;

    • c) Indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verbleef, wordt zijn woonplaats geacht te zijn in de Staat waarvan hij onderdaan was;

    • d) Indien hij onderdaan was van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

HOOFDSTUK III. REGELS VOOR DE BELASTINGHEFFING

Artikel 5. Onroerende vermogensbestanddelen

  • 1 Onroerende vermogensbestanddelen mogen worden belast in de Staat waar deze vermogensbestanddelen zijn gelegen.

  • 2 De uitdrukking „onroerende vermogensbestanddelen” heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving van de Staat waar de desbetreffende vermogensbestanddelen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder (geval de goederen die bij de onroerende vermogensbestanddelen behoren, levende en dode have van landbouw- en busbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen, zomede schuldvorderingen van welke aard ook - niet zijnde obligaties - die verzekerd zijn door hypotheek op onroerende goederen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende vermogensbestanddelen beschouwd.

  • 3 De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op onroerende vermogensbestanddelen van een onderneming en op onroerende vermogensbestanddelen gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep of andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard.

  • 4 Aandelen en soortgelijke rechten, niet zijnde aandelen en rechten waarin op een effectenbeurs wordt gehandeld, in een lichaam waarvan de bezittingen uitsluitend bestaan uit in een van de Staten gelegen landerijen en gebouwen, daaronder begrepen bezittingen die daarbij behoren of bezittingen die verband houden met het normale beheer, herstel en onderhoud ervan, worden geacht in die Staat gelegen onroerende vermogensbestanddelen te zijn. De voorgaande bepaling is echter niet van toepassing op aandelen of soortgelijke rechten in zulk een lichaam, dat is opgericht in de Staat waarin de overledene bij zijn overlijden woonde.

Artikel 6. Bedrijfsvermogen van een vaste inrichting en bezittingen die behoren tot een vast middelpunt gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep

  • 1 Bezittingen, met uitzondering van die bedoeld in de artikelen 5 en 7, deel uitmakende van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting van een onderneming mogen worden belast in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

  • 2 De uitdrukking „vaste inrichting” betekent een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

  • 3 De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

    • a) een plaats waar leiding wordt gegeven;

    • b) een filiaal;

    • c) een kantoor;

    • d) een fabriek;

    • e) een werkplaats;

    • f) een mijn, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;

    • g) een plantage, een wijngaard, een bos of een boomgaard;

    • h) de plaats van uitvoering van een (bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.

  • 4 Een „vaste inrichting” wordt niet aanwezig geacht, indien:

    • a) gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;

    • b) een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

    • c) een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

    • d) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

    • e) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor soortgelijke werkzaamheden voor de onderneming die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben.

  • 5 Een onderneming van een van de Staten wordt geacht een vaste inrichting in de andere Staat (te bezitten, indien zij in die andere Staat gedurende langer dan twaalf maanden werkzaamheden van toezichthoudende aard verricht in verband met een bouwwerk dat, of constructie- of montagewerkzaamheden die in die andere Staat worden uitgevoerd.

  • 6 Een persoon die in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zevende lid - wordt als een in de eerstbedoelde Staat aanwezige vaste inrichting beschouwd, indien:

    • a) hij een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot de aankoop van goederen of koopwaar voor de onderneming; of

    • b) hij in de eerstbedoelde Staat een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar aanhoudt waaruit hij regelmatig bestellingen uitvoert namens de onderneming.

  • 7 Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, indien deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

  • 8 Bezittingen, met uitzondering van die omschreven in artikel 5, behorende tot een vast middelpunt dat gebezigd wordt voor de uitoefening van een vrij beroep of van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard, mogen worden belast in de Staat waar het vaste middelpunt is gelegen.

Artikel 7. Schepen en luchtvaartuigen

  • 1 Onder voorbehoud van het tweede lid zijn schepen en luchtvaartuigen geëxploiteerd in internationaal verkeer en roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts belastbaar in de Staat waarvan de eigenaar van de schepen of luchtvaartuigen bij zijn overlijden inwoner was.

  • 2 Deze bezittingen mogen evenwel ook in de andere Staat worden belast, indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen.

  • 3 Indien de plaats van de werkelijke leiding van een scheepvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Staat waar de thuishaven van het schip is gelegen, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de eigenaar van het schip bij zijn overlijden inwoner was.

Artikel 8. Aanmerkelijk belang in een lichaam

Aandelen in een lichaam, dat in een van de Staten is opgericht en aldaar werkelijk wordt geleid, mogen in die Staat worden belast indien de overledene, hetzij alleen hetzij tezamen met zijn echtgenoot of zijn verwanten in de rechte lijn, bij zijn overlijden onmiddellijk ten minste 25 percent van het aandelenkapitaal van dat lichaam bezat.

Artikel 9. Overige vermogensbestanddelen

Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 12 zijn andere vermogensbestanddelen dan die bedoeld in de artikelen 5, 6, 7 en 8 slechts belastbaar in de Staat waarvan de overledene bij zijn overlijden inwoner was.

Artikel 10. Aan een Staat vermaakte of geschonken vermogensbestanddelen

  • 1 Vrijstellingen en verminderingen van belasting, door de wetgeving van een van de Staten verleend ter zake van aan die Staat of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan vermaakte vermogensbestanddelen, zijn van toepassing op aan de andere Staat of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan vermaakte vermogensbestanddelen.

  • 2 De bepalingen van het eersite lid zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op belastingen ter zake van schenkingen, giften en andere vermogensovergangen „inter-vivos”.

Artikel 11. Aftrek van schulden

  • 1 Schulden, waarvoor een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 5 uitdrukkelijk is verbonden, worden op de waarde van dat vermogensbestanddeel in mindering gebracht. Schulden, waarvoor een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 5 niet uitdrukkelijk is verbonden, doch die verband houden met de verkrijging, de omzetting, het herstel of het onderhoud van zulk een vermogensbestanddeel, worden op de waarde van dat vermogensbestanddeel in mindering gebracht.

  • 2 Onder voorbehoud van het eerste lid worden schulden die betrekking hebben op een vaste inrichting van een onderneming of op een vast middelpunt gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep of van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard, schulden die betrekking hebben op een zeevaart- of luchtvaartbedrijf en schulden die verband houden met een aanmerkelijk belang, naar gelang van het geval, in mindering gebracht op de waarde van de in artikel 6, artikel 7 of artikel 8 bedoelde vermogensbestanddelen.

  • 3 Andere schulden worden in mindering gebracht op de waarde van vermogensbestanddelen waarop artikel 9 van toepassing is.

  • 4 Indien een schuld de waarde van het vermogensbestanddeel, waarvan zij volgens het eerste, tweede en derde lid in een van de Staten aftrekbaar is, overschrijdt, wordt het overschot in mindering gebracht op de waarde van enig ander in die Staat belastbaar vermogensbestanddeel.

  • 5 Indien, na toepassing van de verminderingen als bedoeld in de voorgaande leden, nog een bedrag overblijft, wordt dit bedrag in mindering gebracht op de waarde van de vermogensbestanddelen, die in de andere Staat aan belasting zijn onderworpen.

Artikel 12. Belastingheffing op grond van nationaliteit

  • 1 Indien de overledene, inwoner van een van de Staten, bij zijn overlijden onderdaan van de andere Staat was en op een tijdstip binnen een periode van tien jaar voorafgaande aan zijn overlijden inwoner van die andere Staat is geweest, mag die andere Staat de nalatenschap overeenkomstig zijn nationale wetgeving belasten, zelfs indien de nalatenschap ook niet ten dele bestaat uit in de artikelen 5 tot en met 8 opgesomde en op zijn grondgebied gelegen vermogensbestanddelen.

  • 2 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing, indien de overledene bij zijn overlijden een „Oleh” was en zijn woonplaats ononderbroken in Israël had behouden.

HOOFDSTUK IV

Artikel 13. Vermijding van dubbele belasting

  • 1 Indien beide Staten belasting heffen met betrekking tot vermogensbestanddelen welke door een van de Staten overeenkomstig de artikelen 5, 6, 7, tweede lid, of 8 mogen worden belast, verleent een Staat die zijn belasting heft omdat de overledene bij zijn overlijden zijn woonplaats in die Staat had of onderdaan daarvan was, een verrekening gelijk aan het bedrag van de belasting die aan de andere Staat is betaald met betrekking tot het netto-bedrag van de vermogensbestanddelen welke door die andere Staat overeenkomstig de artikelen 5, 6, 7, tweede lid, en 8, met inachtneming van de bepalingen van artikel 11, eerste, tweede en vierde lid, mogen worden belast.

  • 2 Indien beide Staten belasting heffen met betrekking tot vermogen, met uitzondering van vermogensbestanddelen die door een van de Staten overeenkomstig de artikelen 5, 6, 7, tweede lid, of 8 mogen worden belast, verleent de Staat waarvan de overledene bij zijn overlijden geen inwoner was, naast een verrekening die op grond van het eerste lid van dit artikel kan worden verleend, een verrekening gelijk aan het bedrag van de belasting die aan de andere Staat is betaald met betrekking tot het netto-bedrag van dat vermogen.

  • 3 Indien Nederland ingevolge de bepalingen van het eerste of tweede lid gehouden is verrekening van Israëlische belasting te verlenen, wordt verrekening verleend van elk bedrag aan Israëlische belasting dat ingevolge deze Overeenkomst verschuldigd zou zijn geweest, indien geen rekening was gehouden met de bepalingen van de Wet ter bevordering van kapitaalsinvesteringen, 5719-1959. Na een tijdvak van tien jaren volgende op de inwerkingtreding van deze Overeenkomst zullen de beide Regeringen met elkaar in onderhandeling treden, ten einde in het licht van de dan vigerende omstandigheden een herziening van deze bepaling te overwegen.

  • 4 Het totale bedrag van alle verrekeningen die een Staat verleent volgens dit artikel of volgens de wetgeving of andere overeenkomsten van die Staat met betrekking tot een netto-bedrag van alle vermogensbestanddelen waarvoor een verrekening kan worden verleend ingevolge het eerste, tweede of derde lid, overschrijdt niet dat deel van de belasting van de Staat die de verrekening verleent, dat aan het netto-bedrag van die vermogensbestanddelen kan worden toegerekend.

  • 5 Bij de vaststelling van het bedrag van door een Staat geheven belasting met betrekking tot of toe te rekenen aan het netto-bedrag van vermogensbestanddelen, worden op de aldus geheven bruto-belasting in mindering gebracht alle verrekeningen die die Staat met betrekking tot het netto-bedrag van die vermogensbestanddelen heeft verleend, met uitzondering van verrekeningen die krachtens dit artikel kunnen worden verleend.

  • 6 Indien een van de Staten schenkingsrecht heeft geheven ter zake van een schenking van een vermogensbestanddeel, dat volgens zijn wetgeving geen deel uitmaakt van de nalatenschap, verleent die Staat teruggaaf van dat schenkingsrecht, mits

    • a) de schenking geen betrekking had op een in de artikelen 5, 6, 7, tweede lid, en 8 bedoeld en op zijn grondgebied gelegen vermogensbestanddeel; en

    • b) de schenking volgens de wetgeving van de andere Staat deel uitmaakt van de nalatenschap van de overledene; en

    • c) de schenking binnen een periode van vijf jaren voorafgaande aan het overlijden van de schenker plaats vond.

    De teruggaaf overschrijdt evenwel niet dat deel van de in de andere Staat geheven belasting ter zake van overlijden, dat aan dat vermogensbestanddeel is toe te rekenen of, wat Israël betreft, aan dat vermogensbestanddeel zou zijn toegerekend, indien bij het vaststellen van de Israëlische belasting van nalatenschappen geen rekening was gehouden met de bepalingen van de Wet ter bevordering van kapitaalsinvesteringen, 5719-1959.

  • 7 Verrekeningen die op grond van dit artikel woorden verleend treden in de plaats van, en worden niet verleend naast een verrekening die op grond van de onderscheidene wetgevingen van de Staten wordt verleend voor de belastingen van de andere Staat.

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 14. Beperking van verzoeken om verrekening of teruggaaf

Verzoeken om verrekening of teruggaaf van belasting gegrond op de bepalingen van deze Overeenkomst moeten worden ingediend hetzij binnen vijf jaren te rekenen van de datum van het overlijden van de overledene met betrekking tot wiens overlijden het verzoek wordt ingediend, hetzij, indien deze termijn langer is, binnen zes maanden te rekenen van de datum waarop alle rechtsmiddelen in beide Staten zijn uitgeput.

Artikel 15. Non-discriminatie

  • 1 Onderdanen van een van de Staten, ongeacht of zij inwoner zijn van die Staat of niet, worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

  • 2 De uitdrukking „onderdanen” betekent:

    • a) alle natuurlijke personen die de nationaliteit van een van de Staten bezitten;

    • b) alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een van de Staten van kracht is.

  • 3 De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd, dat zij een van de Staten verplicht aan inwoners van de andere Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.

  • 4 Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan andere soortgelijke ondernemingen van die eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

  • 5 In dit artikel ziet de uitdrukking „belastingheffing” op belastingen van elke soort en benaming.

Artikel 16. Regeling voor onderling overleg

  • 1 Een persoon die van oordeel is dat de maatregelen van een van de Staten of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met deze Overeenkomst, kan, onverminderd de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van elk van de Staten. Zulk een geval moet worden voorgelegd binnen de termijn die krachtens artikel 14 is voorgeschreven voor het indienen van een verzoek om verrekening of teruggaaf.

  • 2 De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar hem gegrond voorkomt en indien hij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met deze Overeenkomst, te vermijden.

  • 3 De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van de Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen ten einde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarvoor in deze Overeenkomst geen voorziening is getroffen.

  • 4 De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

Artikel 17. Uitwisseling van inlichtingen

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de Staten wisselen zodanige inlichtingen uit (zijnde inlichtingen die deze autoriteiten geordend voorhanden hebben) als nodig zijn om uitvoering te geven aan deze Overeenkomst, in het bijzonder om fraude te voorkomen en om uitvoering te geven aan wettelijke voorzieningen tegen wetsontduiking met betrekking tot de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Elke aldus uitgewisselde inlichting wordt geheim gehouden en niet ter kennis gebracht van andere personen of autoriteiten dan die belast met de vaststelling of invordering van de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken.

  • 2 In geen geval worden de bepalingen van het eerste lid aldus uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

    • a) maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of het gebruik van die of van de andere Staat;

    • b) bijzonderheden te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Staat;

    • c) inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op inlichtingen die verkregen zijn van banken of van daarmede gelijkgestelde instellingen. De uitdrukking „daarmede gelijkgestelde instellingen” betekent onder andere verzekeringsmaatschappijen.

Artikel 18. Diplomatieke en consulaire ambtenaren

  • 1 De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren en beambten ontlenen aan de algemene regelen van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

  • 2 Deze Overeenkomst is niet van toepassing op nalatenschappen van overleden functionarissen van internationale organisaties of personen deel uitmakende van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat, noch op nalatenschappen van overleden bij hen wonende leden van hun gezin, die in een van de Staten verbleven en wat betreft belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht niet als inwoner van een van de Staten werden behandeld.

Artikel 19. Uitvoeringsvoorschriften

De bevoegde autoriteiten van elk van de Staten kunnen, in overeenstemming met het gebruik van die Staat, voorschriften vaststellen die nodig zijn om de bepalingen van deze Overeenkomst uit te voeren.

Artikel 20. Uitbreiding tot andere gebieden

  • 1 Deze Overeenkomst kan, hetzij in haar geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot de landen Suriname en de Nederlandse Antillen of tot een van die landen, indien het desbetreffende land belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

  • 2 Tenzij anders is overeengekomen, wordt door de beëindiging van de Overeenkomst niet tevens de toepasselijkheid van de Overeenkomst op het land waartoe zij ingevolge dit artikel is uitgebreid, beëindigd.

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 21. Inwerkingtreding

Deze Overeenkomst treedt in werking op de dag waarop de Overeenkomstsluitende Regeringen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld, dat aan de in hun onderscheiden landen vereiste grondwettelijke procedures is voldaan, en de bepalingen ervan vinden toepassing op nalatenschappen van personen die overlijden op of na de dag waarop deze Overeenkomst wordt ondertekend.

Artikel 22. Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Staten is beëindigd. Elk van de Staten kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg tegen het einde van ieder kalenderjaar, niet eerder vallende dan vijf jaren na haar inwerkingtreding, beëindigen door ten minste zes maanden te voren van zodanige beëindiging kennis te geven. In dat geval zal de Overeenkomst niet van toepassing zijn op nalatenschappen van personen die overlijden na het verstrijken van het kalenderjaar aan het einde waarvan de Overeenkomst is beëindigd.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Jeruzalem, op 9 september 1974, in twee originelen, elk in de Nederlandse, Hebreeuwse en Engelse taal, zijnde deze drie teksten gelijkelijk authentiek.

In geval de Nederlandse en de Hebreeuwse tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst beslissend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) G. J. JONGEJANS

Hr. Ms. Ambassadeur

Voor de Regering van de Staat Israël

(w.g.) YIGAL ALLON