Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de binnenvaart, 's-Gravenhage, 26-09-1991

Geldend van 01-04-2007 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de binnenvaart

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de binnenvaart

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk,

Geleid door de wens het vervoer van personen en goederen door middel van binnenschepen te regelen,

ernaar strevend de wederzijdse binnenvaart verder te ontwikkelen,

en

ernaar strevend daarbij ook rekening te houden met de wederzijdse belangen na de opening van het Main-Donaukanaal,

zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

  • 1 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder

    • a. „Nederlandse schepen": de in een Nederlands binnenschepenregister officieel ingeschreven binnenschepen, waarvoor een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart is afgegeven;

    • b. „Oostenrijkse schepen": de in een Oostenrijks binnenschepenregister officieel ingeschreven binnenschepen, die volgens de voorwaarden van het „Schiffahrtsgesetz" (de Scheepvaartwet) in zijn huidige en toekomstige versie eigendom zijn van Oostenrijkse staatsburgers, van maatschappen of rechtspersonen, en waarmee personen of goederen worden vervoerd;

    • c. „bevoegde autoriteiten": voor het Koninkrijk der Nederlanden de Minister van Verkeer en Waterstaat, en voor de Republiek Oostenrijk de Bondsminister van Verkeer, Innovatie en Technologie, voor zover de respectieve nationale rechtsordes niets anders voorzien;

    • d. „havens": de zee- en binnenhavens, laad- en losplaatsen, alsmede de aanlegplaatsen van passagiersschepen.

  • 2 In deze Overeenkomst wordt verstaan onder

    • a. „transitovervoer":

      vervoer, waarbij op schepen van de ene Overeenkomstsluitende Staat personen of goederen door het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Staat worden vervoerd.

    • b. „wisselvervoer":

      vervoer tussen havens van beide Overeenkomstsluitende Staten met schepen van de Overeenkomstsluitende Staten, waarbij personen of lading worden opgenomen of afgezet;

    • c. „vervoer door derden":

      vervoer tussen havens van beide Overeenkomstsluitende Staten met schepen van een derde staat, waarbij personen en lading worden opgenomen of afgezet;

Artikel 2

Rechten en verplichtingen van de Overeenkomstsluitende Staten die voortvloeien uit bestaande bilaterale en multilaterale overeenkomsten, zoals in het bijzonder uit de Overeenkomst van Belgrado van 1948, en uit de Herziene Rijnvaartakte van 1868 met bijhorende aanvullende protocollen alsmede uit de desbetreffende bepalingen van de Europese Unie worden door deze Overeenkomst niet aangetast.

Artikel 3

Nederlandse schepen mogen de Oostenrijkse waterwegen, en Oostenrijkse schepen de Nederlandse waterwegen in het kader van het vervoer overeenkomstig de artikelen 4, 5 bevaren. Dit geldt ook dienovereenkomstig voor het vervoer van drijvende werktuigen en drijvende voorwerpen, alsmede voor het transporteren van schepen in aanbouw.

Artikel 4

Nederlandse en Oostenrijkse schepen mogen personen en goederen in het transitovervoer door de andere Overeenkomstsluitende Staat op de in artikel 3 genoemde waterwegen vervoeren.

Artikel 5

  • 1 Nederlandse en Oostenrijkse schepen mogen personen en goederen in het wisselvervoer tussen de Overeenkomstsluitende Staten vervoeren.

  • 2 Elke bevoegde autoriteit kan de Gemengde Commissie overeenkomstig artikel 9 onverminderd het eerste lid belasten met het vaststellen van economisch toereikende richtprijzen voor de vervoersdiensten en eventuele bijzondere voorwaarden, alsmede met het treffen van andere passende maatregelen, voor zover dit onvermijdelijk lijkt om nationale economische redenen, in het bijzonder in het geval van zwaarwegende concurrentievervalsingen.

Artikel 6

Vervoer door derden is - voor zover hierop de desbetreffende bepalingen van de Europese Unie niet van toepassing zijn - slechts toegestaan in de mate die door de bevoegde autoriteiten op voorstel van de Gemengde Commissie wordt overeengekomen.

Artikel 7

  • 1 De schepen, de bemanning, de passagiers en de lading zijn in de andere Overeenkomstsluitende Staat onderworpen aan het aldaar geldende recht.

  • 2 In gevallen waarop de desbetreffende bepalingen van de Europese Unie niet van toepassing zijn, zullen de bevoegde autoriteiten voor de scheepvaart op waterwegen als bedoeld in artikel 3 – uitgezonderd de Rijn en de Donau – de in de andere Overeenkomstsluitende Staat verstrekte documenten en attesten die op het schip, de leiding van het schip en de bemanning, alsmede de lading betrekking hebben erkennen, voor zover deze overeenstemmen met de in de andere Overeenkomstsluitende Staat geldende bepalingen. Onafhankelijk daarvan worden voor de Nederlandse waterwegen de voor de scheepvaart op de Rijn afgegeven documenten en attesten en voor de Oostenrijkse waterwegen de voor de scheepvaart op de Donau afgegeven documenten en attesten erkend.

  • 3 Voor de scheepvaart op de Donau gelden de voor de scheepvaart op de Rijn afgegeven documenten en attesten die betrekking hebben op het schip en de lading; de voor de scheepvaart op de Rijn afgegeven documenten en attesten die betrekking hebben op de leiding van het schip worden door de Oostenrijkse autoriteiten erkend, voor zover een adequate ervaring in de scheepvaart op het Oostenrijkse deel van de Donau wordt aangetoond.

  • 4 Gevaarlijke stoffen mogen door schepen uitsluitend worden vervoerd, indien zij hiervoor het voor de desbetreffende waterweg voorziene certificaat van toestemming bezitten.

Artikel 8

In geval van averij, ongeval, ernstige ziekte van een persoon aan boord, door de natuur veroorzaakte omstandigheden of om andere zwaarwegende redenen - uitgezonderd een financiële noodsituatie - die de doorvaart of terugreis belemmeren, zullen de bevoegde autoriteiten op basis van de nationale bepalingen de betrokken schepen of personen van de andere Overeenkomstsluitende Staat de nodige hulp bieden; de artikelen 4, 5, blijven onverminderd van kracht.

Artikel 9

  • 1 Er wordt een Gemengde Commissie gevormd. Elke Overeenkomstsluitende Staat vaardigt drie leden af, die door de respectieve bevoegde autoriteiten worden aangewezen. Elke Partij kan aan de beraadslagingen van de Gemengde Commissie deskundigen laten deelnemen. De Gemengde Commissie stelt een reglement van orde vast.

  • 2 De Gemengde Commissie heeft de taak:

    • a. indien nodig overeenstemming te bereiken m.b.t. economisch toereikende richtprijzen, eventuele bijzondere voorwaarden en andere passende maatregelen als bedoeld in artikel 5, tweede lid;

    • b. voorstellen te doen aan de bevoegde autoriteiten m.b.t. de in artikel 6 voorziene overeenkomsten, alsmede

    • c. een statistiek bij te houden van het vervoer van de schepen van beide partijen en toezicht te houden op de naleving van de in letter b vermelde overeenkomsten.

  • 3 Richtprijzen, eventuele bijzondere voorwaarden en andere passende maatregelen waarover de Gemengde Commissie in opdracht van een Overeenkomstsluitende Partij overeenstemming heeft bereikt, dienen door de Gemengde Commissie zo nodig ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten. De inwerkingtreding van de richtprijzen, bijzondere voorwaarden en andere passende maatregelen wordt tussen de bevoegde autoriteiten overeengekomen. De inwerkingtreding krachtens nationaal recht dient onverwijld aan de andere Overeenkomstsluitende Staat te worden medegedeeld.

  • 4 De Gemengde Commissie heeft verder de taak aan de Overeenkomstsluitende Staten voorstellen te doen met betrekking tot de aanpassing van deze Overeenkomst aan de ontwikkeling van de binnenvaart en met betrekking tot de oplossing van alle problemen die voortvloeien uit de toepassing van deze Overeenkomst.

  • 5 De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Staten zullen de Gemengde Commissie op haar verzoek de beschikbare stukken doen toekomen die zij nodig heeft ter vervulling van haar taken.

Artikel 10

  • 1 De in de artikelen 6 en 9, derde lid, tweede volzin, voorziene overeenkomsten komen tot stand doordat de bevoegde autoriteiten elkaar hun instemming met de door de Gemengde Commissie voorgelegde voorstellen schriftelijk mededelen.

  • 2 Indien in de Gemengde Commissie geen overeenstemming kan worden bereikt, komen op verzoek van een Overeenkomstsluitende Partij de vertegenwoordigers van de Overeenkomstsluitende Staten binnen vier weken voor overleg bijeen. Tenzij in onderling overleg een andere regeling wordt overeengekomen, vindt dit overleg plaats in de Overeenkomstsluitende Staat die de voorzitter van de Gemengde Commissie levert.

Artikel 11

  • 1 Geschillen over de interpretatie en toepassing van deze Overeenkomst worden door rechtstreekse onderhandelingen tussen de bevoegde autoriteiten geregeld. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, worden de geschillen langs diplomatieke weg bijgelegd. Indien een geschil ook langs deze weg niet kan worden bijgelegd, dient het op verzoek van een van beide Overeenkomstsluitende Staten ter definitieve beslechting te worden voorgelegd aan een uit drie scheidsrechters bestaand scheidsgerecht.

  • 2 Elke Overeenkomstsluitende Staat benoemt een scheidsrechter. De derde scheidsrechter, die ook de voorzitter van het scheidsgerecht is, wordt benoemd door de twee door de Overeenkomstsluitende Staten benoemde scheidsrechters.

  • 3 Indien een van de Overeenkomstsluitende Staten nalaat binnen drie maanden na ontvangst van de mededeling over de benoeming van een scheidsrechter door de andere Overeenkomstsluitende Staat een scheidsrechter te benoemen, wordt de scheidsrechter die door de eerste Overeenkomstsluitende Staat had moeten worden benoemd op verzoek van de andere Overeenkomstsluitende Staat door de President van het Internationale Gerechtshof benoemd. Indien de twee scheidsrechters binnen drie maanden na hun benoeming nalaten de derde scheidsrechter te benoemen, benoemt de President van het Internationale Gerechtshof op verzoek van een van de Overeenkomstsluitende Staten de derde scheidsrechter.

Artikel 12

De bepalingen van deze Overeenkomst gelden wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft slechts voor het grondgebied van het Rijk in Europa.

Artikel 13

  • 1 Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

  • 2 Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na de datum waarop beide Overeenkomstsluitende Staten elkaar via een diplomatieke briefwisseling ervan in kennis hebben gesteld dat aan de vereisten voor de inwerkingtreding ervan krachtens hun respectieve constitutionele procedures is voldaan.

  • 3 Deze Overeenkomst kan door elke Overeenkomstsluitende Staat met inachtneming van een termijn van twaalf maanden schriftelijk langs diplomatieke weg worden opgezegd. In dat geval treedt de Overeenkomst buiten werking wanneer de opzegtermijn is verlopen.

  • 4 Met ingang van de dag van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst treden de bepalingen van het Handels- en Scheepvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk van 28 maart 1929 buiten werking, voor zover deze betrekking hebben op de binnenvaart.

GEDAAN te 's-Gravenhage op 26 September 1991, in twee exemplaren in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) P. DANKERT

Voor de Republiek Oostenrijk

(w.g.) Dr. HEINRICH PFUSTERSCHMID-HARDTENSTEIN

Protocol van ondertekening

Naar aanleiding van de ondertekening van de O vereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de binnenvaart hebben de daartoe gemachtigde vertegenwoordigers van beide Overeenkomstsluitende Partijen met het oog op een eventuele intensivering van de betrekkingen tussen de Republiek Oostenrijk en de Europese Gemeenschap overeenstemming bereikt over de volgende, de Overeenkomst aanvullende bepaling:

Indien de onderhandelingen over een Europese economische ruimte leiden tot een vaste opneming van Oostenrijk in de Europese economische ruimte, hebben, in geval van strijdigheid tussen de bepalingen van de onderhavige Overeenkomst en die van een eventuele overeenkomst inzake de Europese economische ruimte, de bepalingen van laatstgenoemde overeenkomst voorrang.

GEDAAN te 's-Gravenhage op 26 September 1991, in twee exemplaren, elk in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) P. DANKERT

Voor de Republiek Oostenrijk,

(w.g.) Dr. HEINRICH PFUSTERSCHMID-HARDTENSTEIN