Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie inzake de Nederlandse Taalunie, Brussel, 09-09-1980

Geldend op 16-04-2011


  • Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie inzake de Nederlandse Taalunie
  • (authentiek: nl)

  • Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake de Nederlandse Taalunie

  • Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

    en

    Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

    Zich bewust van het belang van de Nederlandse taal voor de samenleving in Hun landen;

    Zich ervan bewust dat de overheden van Hun landen samen medeverantwoordelijk zijn voor de Nederlandse taal als instrument van maatschappelijk verkeer en als uitdrukkingsmiddel van wetenschap en letteren, alsmede voor de vaardigheid in het gebruik ervan;

    Ervan overtuigd dat grotere bekendheid met de Nederlandse taal en letteren in het buitenland zal leiden tot meer waardering voor de Nederlandse cultuur;

    Ervan overtuigd dat de gemeenschappelijke zorg voor de Nederlandse taal de banden tussen de Nederlandstaligen in Hun landen zal versterken;

    Erkennend dat het Verdrag betreffende de culturele en intellectuele betrekkingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, dat op 16 mei 1946 tussen Hun landen is gesloten, de onderlinge betrekkingen in grote mate heeft bevorderden mede heeft geleid tot een hechtere samenwerking tussen de Nederlandstaligen in Hun landen;

    Verlangend, in het licht van het voorgaande, aan Hun samenwerking op het gebied van de Nederlandse taal een meer institutioneel karakter te geven;

    Hebben besloten tot de instelling van een unie op het gebied van de Nederlandse taal en hebben hiertoe als Hun gevolmachtigden aangewezen:

    Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

    Zijne Excellentie de Heer D. F. van der Mei,

    Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

    Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

    Zijne Excellentie de Heer Ch.-F. Nothomb,

    Minister van Buitenlandse Zaken,

    Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, het volgende zijn overeengekomen:

  • HOOFDSTUK I. DOEL EN INHOUD
  • Artikel 1

    Het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden stellen bij dit Verdrag de Nederlandse taalunie in (hierna te noemen de Taalunie).

  • Artikel 2
    • 1.De Taalunie heeft tot doel de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin.

    • 2.Tot dit gebied behoren: de taal en letteren als onderwerp van wetenschap, de letteren als vorm van kunst, de taal als communicatiemiddel van de wetenschappen, de taal als medium van de letteren, het onderwijs van de taal en van de letteren en, meer in het algemeen, de taal als instrument van maatschappelijk verkeer.

  • Artikel 3

    Tot de doelstellingen van de Taalunie behoren:

    • a) de gemeenschappelijke ontwikkeling van de Nederlandse taal;

    • b) de gemeenschappelijke bevordering van de kennis en het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal;

    • c) de gemeenschappelijke bevordering van de Nederlandse letteren;

    • d) de gemeenschappelijke bevordering van de studie en verspreiding van de Nederlandse taal en letteren in het buitenland.

  • Artikel 4

    De Hoge Verdragsluitende Partijen besluiten tot:

    • a) de oprichting en de instandhouding van gemeenschappelijke instellingen voor de verwezenlijking van doelstellingen en maatregelen die in dit Verdrag zijn overeengekomen;

    • b) het gemeenschappelijk bepalen van de officiële spelling en spraakkunst van de Nederlandse taal;

    • c) het gemeenschappelijk bepalen van een gelijke terminologie ten behoeve van wetgeving en officiële publikaties;

    • d) het voeren van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot particuliere initiatieven op het gebied van woordenboeken, woordenlijsten en grammatica's;

    • e) het gemeenschappelijk bepalen van de toetsstenen voor het behalen van het „Getuigschrift Nederlands als Vreemde Taal" en het gezamenlijk toekennen van het Getuigschrift;

    • f) het voeren van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de Nederlandse taal en letteren in internationaal verband, in het bijzonder in de Europese Gemeenschappen;

    • g) het plegen van overleg, wanneer in hun betrekkingen tot derde landen of tot internationale instellingen of bijeenkomsten de belangen van de Nederlandse taal of de doelstellingen van dit Verdrag in het geding zijn.

  • Artikel 5

    De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen bovendien, waar zij dit nodig achten, gezamenlijk:

    • a) het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de Nederlandse taal en letteren alsmede de ontwikkeling van de Nederlandse letteren aanmoedigen, daarbij inbegrepen het uitgeven en het verspreiden van boeken;

    • b) het onderwijs in de Nederlandse taal en letteren bevorderen en ernaar streven dat daarbij wordt uitgegaan van de eenheid van de taal en de gemeenschappelijkheid van de letteren;

    • c) streven naar een verantwoord gebruik van de Nederlandse taal, in het bijzonder in het onderwijs en in het ambtelijk verkeer;

    • d) op het gebied van de massamedia initiatieven aanmoedigen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Taalunie beogen;

    • e) de instelling van databanken op het gebied van de terminologie en het opstellen van woordenlijsten bevorderen;

    • f) het onderwijs in de Nederlandse taal, letteren en cultuurgeschiedenis in het buitenland bevorderen of organiseren;

    • g) de verspreiding in het buitenland van de Nederlandse letteren, al of niet in vertaling, aanmoedigen;

    • h) particuliere initiatieven die tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Taalunie kunnen bijdragen, aanmoedigen.

  • HOOFDSTUK II. ORGANEN
  • Artikel 6

    De organen van de Taalunie zijn:

    • a) het Comité van Ministers;

    • b) de Interparlementaire Commissie;

    • c) de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren;

    • d) het Algemeen Secretariaat.

  • Artikel 7

    Het Comité van Ministers bepaalt het beleid van de Taalunie. Het draagt zorg voor de uitvoering van dit Verdrag met het oog op de verwezenlijking van de daarin vervatte doelstellingen.

    Het doet aanbevelingen en stelt maatregelen vast ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag onder de erin aangegeven voorwaarden.

    Het houdt toezicht op de uitvoering van zijn besluiten.

    Het is met name bevoegd tot het sluiten van de in artikel 20 bedoelde associatieovereenkomsten.

    In alle zaken de Taalunie betreffende wint het Comité van Ministers het advies in van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Het Comité van Ministers stelt de Statuten van de Raad vast.

  • Artikel 8
    • 1.Ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen wijst ten minste twee leden van de regering aan om zitting te nemen in het Comité van Ministers.Bij voorkeur komen die leden van de regering in aanmerking die belast zijn met de zorg voor onderwijs en cultuur.

    • 2.Ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen kan, telkens als zij het gewenst acht, andere leden van haar regering uitnodigen aan de vergaderingen deel te nemen.

    • 3.Ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen beschikt over één stem.

  • Artikel 9
    • 1.Het Comité van Ministers komt ten minste éénmaal per jaar bijeen. In dringende gevallen komt het bijeen op verzoek van de regering van één van de Hoge Verdragsluitende Partijen.

    • 2.De vergaderingen van het Comité van Ministers worden beurtelings door een Belgisch en een Nederlands lid voorgezeten, ongeacht de plaats van de vergadering.

  • Artikel 10

    De Interparlementaire Commissie is bevoegd te beraadslagen over alle zaken die op de Taalunie betrekking hebben en zich daarover tot het Comité van Ministers te richten.

    De Interparlementaire Commissie regelt zelf haar werkzaamheden.

  • Artikel 11

    De Interparlementaire Commissie bestaat uit ten minste veertien leden, van wie de helft wordt gekozen uit en door de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap in België en de andere helft uit en door de Staten-Generaal in Nederland.

  • Artikel 12

    De Raad voor de Nederlandse Taai en Letteren, hierna genoemd de Raad, heeft tot taak:

    • a) desgevraagd of uit eigen beweging aan het Comité van Ministers adviezen uit te brengen en maatregelen voor te stellen niet betrekking tot de doelstellingen en beleidsvoornemens in artikelen 2, 3, 4 en 5 genoemd;

    • b) alle verdere werkzaamheden en taken te verrichten die voortvloeien uit zijn Statuten.

  • Artikel 13

    De samenstelling en de werkwijze van de Raad worden geregeld in zijn Statuten.

  • Artikel 14
    • 1.Het Algemeen Secretariaat is het beleidsvoorbereidend en beleidsuitvoerend orgaan van de Taalunie. Het staat ten dienste van het Comité van Ministers, van de Raad en desgewenst van de Interparlementaire Commissie.

      Gehoord de Raad, stelt het Comité van Ministers regelen vast voor de wijze waarop het Algemeen Secretariaat zijn werkzaamheden ten dienste van deze organen verricht.

    • 2.Het Algemeen Secretariaat bestaat uit de Algemeen Secretaris en zijn medewerkers. De Algemeen Secretaris is van Nederlandse of Belgische nationaliteit. De Algemeen Secretaris of een door hem aangewezen vertegenwoordiger woont de vergaderingen van de in het eerste lid genoemde organen bij, tenzij het desbetreffende orgaan anders beslist. Hij heeft daarin een raadgevende stem.

    • 3.Gehoord de Raad, stelt het Comité van Ministers de personeelssamenstelling en de rechtspositie van het personeel van het Algemeen Secretariaat vast.

    • 4.Het Comité van Ministers benoemt, schorst en ontslaat de Algemeen Secretaris, gehoord de Raad.

      Het bepaalt diens salaris, pensioen, toelagen en andere arbeidsvoorwaarden.

    • 5.Met inachtneming van de bepaling in het derde lid benoemt, schorst en ontslaat de Algemeen Secretaris het overige personeel van het Algemeen Secretariaat, een en ander volgens nader door het Comité van Ministers, de Raad gehoord, te stellen regelen.

  • Artikel 15

    De zetel van de Taalunie is gevestigd in een door het Comité van Ministers te bepalen plaats.

  • Artikel 16
    • 1.De Taalunie bezit rechtspersoonlijkheid. Zij geniet op het grondgebied van ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen dezelfde rechtsbevoegdheid als door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend, voor zover deze nodig is voor de uitoefening van haar taak en voor het verwezenlijken van haar doelstellingen. In het bijzonder kan zij contracten naar burgerlijk recht sluiten, onroerende en roerende goederen verwerven en vervreemden, particuliere en openbare gelden ontvangen en uitgeven, alsmede in rechte optreden. De Taalunie wordt hiertoe door de Algemeen Secretaris vertegenwoordigd.

    • 2.De voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn voor de uitoefening van de functies en het bereiken van de doelstellingen van de Taalunie worden vastgelegd in een tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen te sluiten Protocol.

  • HOOFDSTUK III. GELDMIDDELEN
  • Artikel 17

    De Hoge Verdragsluitende Partijen verstrekken de Taalunie de voor de uitvoering van haar taak benodigde financiële middelen in een zodanige verhouding dat België éénderde en Nederland tweederde van de kosten betaalt.

    Het Comité van Ministers heeft de bevoegdheid in daartoe aanleiding gevende gevallen hiervan af te wijken.

    Het Comité van Ministers stelt de begroting van de Taalunie en de regelen omtrent het financiële beheer vast.

  • HOOFDSTUK IV. SLOTBEPALINGEN
  • Artikel 18

    Elk geschil tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van het Verdrag, dat niet door onderhandelingen kan worden opgelost, zal worden voorgelegd aan een arbitragecommissie waarvan de samenstelling door het Comité van Ministers wordt bepaald.

  • Artikel 19
    • 1.Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft is de werking van dit Verdrag beperkt tot het Rijk in Europa.

    • 2.De werking van dit Verdrag kan worden uitgebreid tot de Nederlandse Antillen door middel van een diplomatieke notawisseling.

  • Artikel 20

    Onder voorbehoud van voorafgaande goedkeuring van de Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen andere Staten die aan activiteiten van de Taalunie wensen mede te werken, met de Taalunie een associatieovereenkomst sluiten. De overeenkomst bepaalt de vormen en voorwaarden van deze samenwerking.

  • Artikel 21
    • 1.Het Verdrag wordt gesloten voor onbepaalde tijd.

    • 2.Ieder van de Hoge Verdragsluitende Partijen kan te allen tijde, na verloop-van tien,jaar na de dag waarop het Verdrag in werking is getreden, aan de andere Hoge Verdragsluitende Partij schriftelijk kennisgeving doen van haar besluit het Verdrag te beëindigen. De opzegging wordt van kracht twaalf maanden na de dag van ontvangst van deze kennisgeving door de andere Hoge Verdragsluitende Partij.

  • Artikel 22

    Het Comité van Ministers kan de Hoge Verdragsluitende Partijen aanbevelingen doen tot wijziging van dit Verdrag.

  • Artikel 23
    • 1.Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen te 's-Gravenhage worden uitgewisseld.

    • 2.Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op de dag van de uitwisseling van de akten van bekrachtiging.

  • TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend.

    GEDAAN te Brussel, op 9 september 1980, in tweevoud, in de Nederlandse taal.

    Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

    (w.g.) D. F. VAN DER MEI

    D. F. van der Mei

    Voor het Koninkrijk België:

    (w.g.) CHARLES

    F. NOTHOMB

    Charles-Ferdinand Nothomb