Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie inzake [...] aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten, Brussel, 14-02-1983

Geldend van 28-11-1983 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie inzake het wederzijds meerekenen van voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België inzake het wederzijds meerekenen van voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België,

Overwegende dat:

  • - de richtlijn 68/414/EEG van 20 december 1968 van de Raad van de Europese Gemeenschappen de Lid-Staten van de EG ertoe verplicht een minimumvoorraad van 65 dagen ruwe aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden en dat, meer inzonderheid, artikel 6 - lid 2 - van deze richtlijn voorziet in het meerekenen van de voorraden gelegen op het grondgebied van een andere Lid-Staat in het kader van bijzondere intergouvernementele overeenkomsten;

  • - de richtlijn 72/425/EEG van 19 december 1972 van de Raad van de Europese Gemeenschappen de referentieperiode om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden, van 1 januari 1975 af, op 90 dagen brengt;

  • - de aardoliemarkten van beide landen op grond van hun geografische ligging en door het hoog ontwikkelde distributienet nauw met elkaar vervlochten zijn;

Gelet op de nationale wetgeving op het gebied van de opslag van aardolieprodukten;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor toepassing van het bij of krachtens deze Overeenkomst bepaalde wordt verstaan onder:

„Voorraden”: voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten;

„Voorraadplicht”:

  • - in het Koninkrijk der Nederlanden: de verplichting tot het aanhouden van voorraden, zoals deze voortvloeit uit de Wet voorraadvorming aardolieprodukten van 21 oktober 1976 (Stbl. 1976, 569), en

  • - in het Koninkrijk België: de verplichting tot het aanhouden van voorraden zoals deze voortvloeit uit het Koninklijk Besluit van 11 oktober 1971 (B.S. 31.12.1971) en het Koninklijk Besluit van 1 juni 1976 (B.S. 9.6.1976);

„Nederlandse, onderscheidenlijk Belgische voorraadplichtige”: hij, die onderworpen is aan de Nederlandse, onderscheidenlijk Belgische voorraadplicht.

Artikel 2

In Nederland opgeslagen voorraden kunnen in het raam der navolgende bepalingen worden meegerekend door Belgische voorraadplichtigen.

Artikel 3

  • § 1 Meerekenbaar zijn:

    • a) Voorraden gelegen in Nederland in opslagruimten die niet toebehoren aan, noch gehuurd zijn door, noch uit andere titel in gebruik zijn bij in Nederland voorraadplichtigen of ondernemingen die in een groep met Nederlandse voorraadplichtigen verbonden zijn dan wel ondernemingen waarin Nederlandse voorraadplichtigen een belangrijke zeggenschap hebben en ten aanzien waarvan Belgische voorraadplichtigen beschikkingsbevoegd zijn.

      Toestemming tot meerekenen van deze voorraden dient vooraf te worden verleend door de Minister van het Koninkrijk België, belast met het energiebeleid. Voor het aanhouden van deze voorraden is in het kader van deze Overeenkomst van de Nederlandse Minister van Economische Zaken geen toestemming vereist.

    • b) Voorraden, gelegen in Nederland in opslagruimten die toebehoren aan, gehuurd zijn door, of uit andere titel in gebruik zijn bij Nederlandse voorraadplichtigen of ondernemingen die met Nederlandse voorraadplichtigen in een groep verbonden zijn dan wel ondernemingen waarin Nederlandse voorraadplichtigen een belangrijke zeggenschap hebben.

      Toestemming tot het aanhouden van deze voorraden door Nederlandse voorraadplichtigen en tot het meerekenen ervan door Belgische voorraadplichtigen dient vooraf te worden gevraagd bij de Nederlandse Minister van Economische Zaken.

  • § 2 Met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst zijn eveneens meerekenbaar de voorraden die zich bevinden aan boord van tankschepen, voor zover de havenformaliteiten in een Nederlandse haven vervuld zijn.

Artikel 4

  • § 1 De aanvragen tot het meerekenen van voorraden, vallende onder Artikel 3, § 1, sub a) en § 2, juncto § 1, sub a), dient door de Belgische voorraadplichtige ten laatste 15 werkdagen voor de aanvang van ieder kalender-kwartaal te worden gericht aan de Minister van het Koninklijk België, belast met het energiebeleid. De aanvraag dient de volgende gegevens te bevatten:

    • a) aard en hoeveelheid van de voorraden;

    • b) naam en adres van de onderneming in welker opslagruimten de voorraden zijn gelegen;

    • c) de nauwkeurige aanduiding van de aard en ligging van de opslagruimten waarin de voorraden zich bevinden;

    • d) het kalender-kwartaal voor hetwelk de toestemming wordt aangevraagd.

    De aanvrager dient, ten genoegen van de Minister van het Koninkrijk België, belast met het energiebeleid, aan te tonen dat hij ten aanzien van de betrokken voorraden beschikkingsbevoegd is en zich te verbinden deze beschikkingsbevoegdheid, tenminste voor de duur van het kalender-kwartaal waarvoor de toestemming wordt aangevraagd, te handhaven.

    Tevens dient de aanvrager aan te tonen dat, in geval gedurende dit kwartaal een voorzieningscrisis ontstaat, de betrokken voorraden zo nodig ook na afloop van dit kwartaal in de betrokken opslagruimten opgeslagen kunnen blijven.

  • § 2 De aanvraag tot het aanhouden en meerekenen van de voorraden vallende onder Artikel 3 § 1, sub b) en § 2, juncto § 1, sub b), dient door de Nederlandse voorraadplichtige ten laatste 15 werkdagen voor de aanvang van ieder kalender-kwartaal te worden ingediend bij de Nederlandse Minister van Economische Zaken en vergezeld te gaan van een aan de Belgische voorraadplichtige gerichte verklaring dat deze voorraden tenminste voorde duur van het kalender-kwartaal waarvoor de toestemming wordt gevraagd ter beschikking van de Belgische voorraadplichtige blijven.

    Indien de Belgische voorraadplichtige ten aanzien van de betrokken voorraden niet beschikkingsbevoegd is, dient de aanvraag vergezeld te gaan van een aan de Belgische voorraadplichtige gerichte verklaring dat deze voorraden tenminste voorde duur van het kalender-kwartaal waarvoor toestemming wordt gevraagd voor de Belgische voorraadplichtige gereserveerd blijven.

    De aan de Belgische voorraadplichtige gerichte verklaring dient tevens in te houden dat, in geval gedurende dit kwartaal een voorzieningscrisis ontstaat, de betrokken voorraden zonodig ook na afloop van dit kwartaal bij de Nederlandse voorraadplichtige ter beschikking van de Belgische voorraadplichtige blijven, c.q. voor de Belgische voorraadplichtige gereserveerd blijven.

    In beide gevallen dient de aanvraag de navolgende gegevens te bevatten:

    • a) naam en adres van de betrokken Belgische voorraadplichtige;

    • b) naam en adres van de voorraadplichtige in wiens opslagruimten de voorraden zijn gelegen of van de voorraadplichtige die de opslagruimte waarin de voorraden zijn gelegen heeft gehuurd of uit andere titel in gebruik heeft;

    • c) aard en hoeveelheid van de voorraden;

    • d) de nauwkeurige aanduiding van de aard en ligging van de opslagruimten waarin de voorraden zich bevinden;

    • e) het kalender-kwartaal voor hetwelk de toestemming wordt aangevraagd.

  • § 3 De Nederlandse Minister van Economische Zaken zal toestemming tot het aanhouden van de voorraden verlenen indien hij van oordeel is dat de Nederlandse voorraadplichtige gedurende de gehele periode waarvoor toestemming wordt gevraagd over voldoende voorraden beschikt om:

    • a) te voldoen aan de op die voorraadplichtige rustende voorraadplicht;

    • b) de verbintenissen na te komen die de Nederlandse voorraadplichtige aangaat om voorraden aan te houden voor de Belgische voorraadplichtigen en overige buitenlandse voorraadplichtigen;

    • c) de continuïteit van de exportleveranties te handhaven.

  • § 4 Indien de Nederlandse Minister van Economische Zaken van geen bezwaar is gebleken zendt hij de aanvraag naar de Minister van het Koninkrijk België, belast met het energiebeleid.

    Middels een afschrift stelt hij de Nederlandse voorraadplichtige daarvan in kennis.

    Indien de Minister van het Koninkrijk België, belast met het energiebeleid, van geen bezwaar is gebleken, verleent hij toestemming aan de Belgische voorraadplichtige tot meerekenen van de voorraden.

    Bij afwijking van de hoeveelheid tot meerekenen waarvan toestemming wordt verleend, ten opzichte van de hoeveelheid tot aanhouden waarvan de Nederlandse Minister van Economische Zaken toestemming heeft verleend, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan deze laatste. In dat geval wordt de hoeveelheid tot aanhouden waarvan toestemming is verleend in gelijke mate verminderd.

Artikel 5

  • § 1 De voorraden, vallende onder Artikel 3, § 1, sub b) van deze Overeenkomst kunnen door Nederlandse voorraadplichtigen niet worden meegerekend om te voldoen aan de op hen rustende voorraadplicht. Deze voorraden mogen ook niet worden opgenomen in de Nederlandse voorraadopgaven, bestemd voor de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, het Internationaal Energie Agentschap en voor de Europese Gemeenschappen.

  • § 2 Deze Overeenkomst Iaat de bepalingen, voortvloeiend uit deOvereenkomst inzake een Internationaal Energie-programma, opgesteld en ondertekend te Parijs op 18 november 1974, onverlet.

Artikel 6

  • § 1 De Minister van het Koninkrijk België, belast met het energiebeleid zendt aan de Nederlandse Minister van Economische Zaken zo spoedig mogelijk een afschrift van het document waarin toestemming wordt verleend tot het meerekenen van de voorraden, vallende onder Artikel 3, § 1, sub a), waarbij tevens de gegevens omschreven in Artikel 4, § 1, worden vermeld.

  • § 2 De Nederlandse Minister van Economische Zaken controleert binnen het kader van zijn bevoegdheden, op verzoek van de Minister van het Koninkrijk België belast met het energiebeleid, de aanwezigheid van de voorraden, vallende onder Artikel 3 van deze Overeenkomst.

  • § 3 Indien in geval van een voorzieningscrisis blijkt dat, hetzij door overmacht hetzij door nalatigheid, het totaal van de bij de Nederlandse voorraadplichtige aanwezige voorraden zich bevindt beneden het totaalvan:

    • a) de voorraden die de Nederlandse voorraadplichtige moet aanhouden voor de op hem rustende voorraadplicht, en

    • b) de voorraden tot aanhouden waarvan de Nederlandse voorraadplichtige zich ten behoeve van buitenlandse voorraadplichtigen verplicht heeft, wordt de Minister van het Koninkrijk België, belast met het energiebeleid daarvan onverwijld in kennis gesteld. Het tekort zal evenredig worden verdeeld over de betrokken voorraadplichtigen.

Artikel 7

De voorraden, welke mogen worden meegerekend voor de Belgische voorraadplicht kunnen onder alle omstandigheden vrij naar België worden afgevoerd. In geval van een voorzieningscrisis kunnen de voorraden die gedurende het kwartaal waarin de voorzieningscrisis is uitgebroken mogen worden meegerekend, ook na dat kwartaal onbeperkt vrij naar België worden afgevoerd. De afvoer van de voorraden dient tijdens een voorzieningscrisis zo spoedig mogelijk te worden gemeld aan de Nederlandse Minister van Economische Zaken, die bevoegd is ter identificatie van de betrokken voorraden nadere regelen te stellen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de vrije afvoer.

Artikel 8

De bepalingen 1 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing voor in België opgeslagen voorraden die Nederlandse voorraadplichtigen wensen mee te rekenen voor de op hen rustende voorraadplicht.

Artikel 9

Op voorstel van een der Contracterende Partijen kan nopens al wat de interpretatie en de toepassing van dit Akkoord betreft, overleg worden gepleegd. In geval van voorzieningscrisis vindt dergelijk overleg zo spoedig mogelijk plaats.

Artikel 10

Indien een van de Overeenkomstsluitende Partijen het wenselijk acht een bepaling van deze Overeenkomst te wijzigen, kan zij de andere Overeenkomstsluitende Partij om overleg verzoeken. Dit overleg vangt aan binnen zestig (60) dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van het verzoek.

De Overeenkomstsluitende Partijen stemmen schriftelijk in met elke wijziging van de Overeenkomst en die wijziging wordt van kracht zodra de beide Overeenkomstsluitende Partijen elkander hebben medegedeeld dat de voor de inwerkingtreding vereiste grondwettelijke procedures zijn voltooid.

Artikel 11

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst alleen van toepassing op het Rijk in Europa.

Artikel 12

Deze Overeenkomst treedt in werking een maand nadat de Regeringen van de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar hebben medegedeeld, dat in hun onderscheiden landen de grondwettelijke procedures voor de inwerkingtreding der Overeenkomst hebben plaatsgevonden.

Artikel 13

Deze Overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Elk der beide Overeenkomstsluitende Partijen kan haar uiterlijk drie maanden voor het einde van enig kalenderjaar opzeggen, in welk geval de Overeenkomst met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar ophoudt van kracht te zijn. Van de mogelijkheid tot opzegging mag geen gebruik worden gemaakt in geval van een crisis in de voorziening. De Commissie der Europese Gemeenschappen dient, in ieder geval, vooraf van de opzegging op de hoogte te worden gesteld.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Brussel, op 14 februari 1983, in tweevoud, in de Nederlandseen inde Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninklijk der Nederlanden,

(w.g.) C. A. VAN DER KLAAUW

Voor het Koninkrijk België,

(w.g.) L. TINDEMANS