Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Protocol bij het op 20 juni 1960 gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden [...] van enige daarmede verband houdende aangelegenheden, 's-Gravenhage, 05-02-1985

Geldend van 01-11-1988 t/m heden

Protocol bij het op 20 juni 1960 gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie betreffende de verbetering van het Kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmede verband houdende aangelegenheden

Authentiek : NL

Protocol bij het op 20 juni 1960 gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbetering van het Kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmede verband houdende aangelegenheden

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België,

Wensende zodanige voorzieningen te treffen dat schepen met de maximale afmetingen van 256 m lengte, 34 m breedte en 12,25 m diepgang op een zo veilig en zo doelmatig mogelijke wijze het Nederlandse gedeelte van het kanaal van Terneuzen naar Gent met het daarin gelegen sluizencomplex kunnen passeren,

Gelet op de bepalingen van het op 20 juni 1960 gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmede verband houdende aangelegenheden,

Zijn overeengekomen als volgt:

Titel I. Uit te voeren werken

Artikel 1

  • 1 Ten einde het kanaal van Terneuzen naar Gent op Nederlands grondgebied aan te passen voor de vaart met schepen met de maximale afmetingen 256 m lengte, 34 m breedte en 12,25 m diepgang, wordt overgegaan tot:

    • a) het opstellen van twee lichtenlijnen te Sluiskil en Sas van Gent;

    • b) het doen van onderzoek gericht op de verbetering van de mond van de buitenhaven te Terneuzen en het uitvoeren van de werken die, op grond van dit onderzoek, de invaartmogelijkheden verbeteren;

    • c) het opruimen van de dukdalven nrs. 7, 9 en 11 in de buitenhaven te Terneuzen;

    • d) het doen van onderzoek gericht op de verbetering van de invaartmogelijkheden bij de Westsluis te Terneuzen en het uitvoeren van de werken die, op grond van dit onderzoek, bijdragen tot de verbetering van de invaart; het uitvoeren van werken aan de westzijde van de sluis die op grond van de na de uitvoering van de werken aan de oostzijde opgedane ervaring van de invaartmogelijkheden noodzakelijk blijken;

    • e) het doen van een onderzoek naar de verbetering van de scheepvaart bij de bruggen van Sluiskil en Sas van Gent en het uitvoeren van de werken die, op grond van dit onderzoek, noodzakelijk blijken;

    • f) het tot stand brengen van bijkomende werken en voorzieningen van tijdelijke of blijvende aard welke noodzakelijk of wenselijk blijken in verband met of als gevolg van de uitvoering van de bovenbedoelde werken ten behoeve van een economisch gebruik daarvan en ter aanpassing van de bestaande toestand aan de nieuwe werken.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde werken worden in beginsel voor 1 januari 1988 tot uitvoering gebracht.

Artikel 2

In onderling overleg wordt een onderzoek gedaan naar de verbetering van de vaart met specifieke autoschepen en wordt, in aanvulling op dan wel in combinatie met de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken, overgegaan tot het treffen van de voorzieningen die op grond van dit onderzoek noodzakelijk blijken. Deze werken worden in beginsel voor 1 januari 1988 tot uitvoering gebracht.

Artikel 3

De Belgische Minister die het Bestuur der Waterwegen onder zijn bevoegdheid heeft en de Nederlandse Minister belast met de zaken van de Waterstaat stellen in onderling overleg de bijzonderheden vast met betrekking tot het ontwerp en de uitvoering van de in de artikelen 1, eerste lid, en 2 bedoelde werken. Zij kunnen, indien zulks noodzakelijk of wenselijk blijkt, deze werken aanvullen of wijzigen.

Titel II. Voorbereiding en uitvoering van de werken

Artikel 4

  • 1 Met inachtneming van het tweede lid, is het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 10 van het op 20 juni 1960 gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de verbetering van het kanaal van Terneuzen naar Gent en de regeling van enige daarmede verband houdende aangelegenheden (hierna verder te noemen „het Verdrag”), van overeenkomstige toepassing op de voorbereiding en de uitvoering van de in de artikelen 1, eerste lid, en 2 bedoelde werken.

  • 2 Artikel 6 van het Verdrag wordt als volgt gelezen:

    • „1) De levering van materialen en de uitvoering van werken worden na openbare aanbesteding opgedragen in gemeenschappelijk akkoord tussen de genoemde Belgische en Nederlandse Minister en volgens de in Nederland gebruikelijke regelen. De aanbestedingen worden in beide landen aangekondigd volgens de aldaar gebruikelijke regelen.

    • 2) In gevallen waarin een openbare aanbesteding niet mogelijk of niet wenselijk is, kan in overleg tussen de genoemde hoofdambtenaren worden besloten met inachtneming van de daarvoor geldende regelen, op andere wijze in de opdracht tot de levering van materialen en de uitvoering van werken te voorzien. De keuze der uit te nodigen leveranciers dan wel aannemers alsmede de gunning van de opdracht behoeft de instemming van genoemde hoofdambtenaren.

    • 3) Ingeval het leveringen of werken betreft waarvan de raming een bedrag van 350 000 gulden overschrijdt, wordt een besluit als in lid 2 bedoeld niet genomen dan met instemming van de genoemde Ministers.”

Titel III. Onderhoud en vernieuwing van de werken

Artikel 5

  • 1 De Nederlandse Regering draagt zorg voor het onderhoud en de bediening van de in de artikelen 1, eerste lid, en 2 bedoelde werken.

  • 2 Het bepaalde in artikel 26 van het Verdrag is van overeenkomstige toepassing op de vernieuwing van de in de artikelen 1, eerste lid, en 2 bedoelde werken.

Titel IV. Kostenverdeling

Artikel 6

Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 7 en 8 vindt de verdeling van de kosten, verbonden aan de in de artikelen 1, eerste lid, en 2 bedoelde werken, als volgt plaats:

  • a) de kosten van de voorbereiding en de uitvoering van de werken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b), c) en d), alsmede onder f) voor zover bij deze werken behorende, komen voor 80% ten laste van België en voor 20% ten laste van Nederland;

  • b) de kosten van de voorbereiding en de uitvoering van de werken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a) en e), alsmede onder f) voor zover bij deze werken behorende, en bedoeld in artikel 2 komen voor 100% ten laste van België.

Artikel 7

  • 1 Met inachtneming van het tweede lid, is het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14, 16 en 18 van het Verdrag van overeenkomstige toepassing op de in artikel 6 bedoelde kosten.

  • 2 Artikel 16 van het Verdrag wordt als volgt gelezen:

    „De in artikel 12, onder g) bedoelde kosten worden, voor zover zij door de betrokken Nederlandse Rijksdiensten worden gemaakt, voor de vaststelling van het Belgische aandeel in die kosten geacht 6% van alle overige kosten van voorbereiding en uitvoering te bedragen.”

Artikel 8

  • 1 Het bepaalde in de artikelen 4, 6 en 7 is van overeenkomstige toepassing op:

    • a) de bijkomende werken en voorzieningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f) waarvan de noodzakelijkheid of wenselijkheid eerst na voltooiing of ingebruikneming der overige werken blijkt;

    • b) de bijzondere onderhoudswerkzaamheden en voorzieningen, welke nog tot de uitvoering der werken moeten worden gerekend.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts voor zover deze werken noodzakelijk of wenselijk worden geacht binnen drie jaar na de eerste oplevering van het werk, waarvan ze als nakomend of afrondingswerk moeten worden beschouwd.

Artikel 9

Behoudens het bepaalde in artikel 8 van dit Protocol en in artikel 55, eerste lid, van het Verdrag komen de kosten verbonden aan het onderhoud en de bediening van de in de artikelen 1, eerste lid, en 2 bedoelde werken ten laste van Nederland.

Titel V. Regeling der betalingen

Artikel 10

De in artikel 6, 7 en 8 bedoelde kosten worden door de Nederlandse Regering voor zoveel nodig rechtstreeks voldaan.

Artikel 11

  • 1 De Belgische Regering verplicht zich ertoe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13, dat op een rekening van het Nederlandse Ministerie van Verkeer en Waterstaat, het Belgische aandeel in de aan de Nederlandse Minister door derden ter betaling aangeboden declaraties, verhoogd met de daarbij behorende kosten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, zal zijn bijgeschreven, op het in het tweede lid bedoelde voorgenomen tijdstip van betaling. Over het desbetreffend bedrag wordt door de Belgische Regering rente betaald volgens de wettelijke rente naar Nederlands recht vanaf het voorgenomen tijdstip van betaling van de aangeboden declaraties, verlengd naar rato van de overschrijding van de termijn van vijf werkdagen vermeld in het tweede lid.

  • 2 De genoemde Nederlandse Minister zal, binnen de vijf werkdagen, na ontvangst van de hem door derden ter betaling aangeboden declaraties, deze, vergezeld van de nodige verantwoordingsstukken, met vermelding van het Belgisch aandeel daarin en de daarbij behorende kosten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, alsmede van het voorgenomen tijdstip van betaling, aan de genoemde Belgische Minister doen toekomen. Het voorgenomen tijdstip van betaling kan niet worden vastgesteld op een datum die valt binnen de vijf weken na de ontvangst door de Nederlandse Minister van de declaratie.

Artikel 12

De genoemde Belgische Minister laat binnen de vier weken na de ontvangst door de Nederlandse Minister van een declaratie weten of hij instemt met de voor Belgische rekening komende bedragen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, zulks onverminderd het bepaalde van artikel 11, eerste lid.

Artikel 13

Indien declaraties tot een bedrag van 90% van de (gewijzigde) aannemingssom door de genoemde Nederlandse Minister aan de genoemde Belgische Minister zijn gezonden, zal de Belgische Regering, voor wat betreft de resterende declaraties en de daarbij behorende kosten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, niet eerder aan de in artikel 11, eerste lid, genoemde verplichtingen zijn gehouden, dan nadat over de in deze en in de eerdere declaraties voorkomende bedragen overeenstemming is bereikt tussen de in artikel 4 van het Verdrag genoemde hoofdambtenaren.

Titel VI. Bijzondere tijdelijke regeling

Artikel 14

  • 1 Vooruitlopend op de totstandkoming van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken wordt de vaart op het kanaal van Terneuzen naar Gent met de in artikel 1, eerste lid, genoemde schepen toegelaten.

  • 2 Tot en met het jaar waarin de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken worden opgeleverd, wordt de jaarlijkse Belgische bijdrage in de onderhouds- en bedieningskosten van het op Nederlands grondgebied gelegen gedeelte van het kanaal van Terneuzen naar Gent, als vastgesteld bij artikel 55 van het Verdrag, verhoogd met een supplementaire bijdrage als een toereikende afdekking van het extra financiële risico dat bestaat voor Nederland in de situatie dat de vaart van schepen met afmetingen tussen 245 m lengte, 33 m breedte en 12,25 m diepgang en 256 m lengte, 34 m breedte en 12,25 m diepgang wordt toegelaten, vooruitlopend op de voltooiing van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken en voorzieningen.

  • 3 Het bedrag van de in lid 2 bedoelde supplementaire bijdrage wordt in overleg tussen de genoemde Ministers jaarlijks vastgesteld met inachtneming van de voortgang van de uitvoering van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken en voorzieningen.

  • 4 De Belgische Regering betaalt de in het tweede en derde lid bedoelde jaarlijkse supplementaire bijdrage telkens binnen twee maanden na ontvangst van een daartoe door de Nederlandse Regering gedaan verzoek. Bij overschrijding van deze termijn betaalt de Belgische Regering voor de duur van de overschrijding de wettelijke rente naar Nederlands recht.

Titel VII. Aanvullende bepaling

Artikel 15

De vaart met grotere schepen dan die bedoeld in artikel 1, eerste lid, kan, in uitzonderlijke gevallen, worden toegelaten na verkregen toestemming van de bevoegde Nederlandse autoriteiten. De nadere voorwaarden waaronder deze toelating wordt verleend worden per geval na overleg door deze autoriteiten vastgesteld.

Titel VIII. Slotbepaling

Artikel 16

Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de dag waarop de beide Regeringen elkaar hebben medegedeeld dat aan de in hun land geldende grondwettelijke vereisten is voldaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, 5 februari 1985, in tweevoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(s.) H. VAN DEN BROEK

Voor de Regering van het Koninkrijk België,

(s.) F. BAEKELANDT