Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake [...] bij het bestrijden van rampen en ongevallen, 's-Gravenhage, 14-11-1984

Geldend van 01-11-1988 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen

Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België

overtuigd van de noodzaak van samenwerking tussen beide Staten bij het bestrijden van rampen en ongevallen;

overwegende, dat het gewenst is dat bevoegde organen van beide Staten in nader te bepalen gevallen elkaar kunnen verzoeken om wederzijdse bijstand en verzoeken om bijstand kunnen doen uitvoeren;

overwegende, dat het gewenst is dat maatregelen worden getroffen ten einde de wederzijdse bijstand door rampenbestrijdingseenheden te vergemakkelijken;

zijn als volgt overeengekomen:

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich ertoe de andere Overeenkomstsluitende Partij volgens de bepalingen van deze Overeenkomst en in overeenstemming met haar mogelijkheden bijstand te verlenen bij het bestrijden van rampen.

Artikel 2

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

uitrusting: de vervoermiddelen, het materieel, de verbindingsmiddelenen de persoonlijke uitrustingsstukken, die bestemd zijn voor gebruik door bijstandseenheden;

hulpmiddelen: goederen die bestemd zijn voor de getroffen bevolking;

gebruiksgoederen: goederen die bestemd zijn voor het onderhoud en het gebruik van de uitrusting en voor de verzorging van bijstandseenheden.

BEVOEGDE ORGANEN

Artikel 3

  • 1 Voor het indienen van een verzoek om bijstand alsmede voor het doen uitvoeren daarvan zijn bevoegde organen in de zin van deze Overeenkomst:

    • a. indien het betreft het verlenen van bijstand door en aan provincies die aan elkaar grenzen

      voor België de betrokken Provinciegouverneur

      voor Nederland de commissaris der Koningin in de betrokken provincie.

    • b. indien het betreft het verlenen van bijstand door en aan provincies die niet aan elkaar grenzen

      voor België de Minister van Binnenlandse Zaken

      voor Nederland de Minister van Binnenlandse Zaken.

  • 2 De bevoegde organen van elk der Overeenkomstsluitende Partijen kunnen een verzoek om bijstand indienen, indien naar hun oordeel de plaats, de omvang en de aard van de ramp, gelet op het beschikbare personeel en materieel, bijstand noodzakelijk maken.

  • 3 Het bevoegde orgaan van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij geeft zoveel mogelijk een toelichting over de bijstand die het verwacht en over de taken die aan de bijstandseenheid zullen worden opgedragen.

  • 4 De omvang en de aard van de te verlenen bijstand worden telkenmale door het bevoegde orgaan van de Overeenkomstsluitende Partij die de bijstand verleent, vastgesteld na overleg met het bevoegde orgaan van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij.

  • 5 De bevoegde organen zijn belast met de uitvoering van de verzoeken om bijstand.

  • 6 Van elk verzoek om bijstand, als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt door de bevoegde organen terstond mededeling gedaan aan de Minister van Binnenlandse Zaken van het Koninkrijk België onderscheidenlijk aan de Minister van Binnenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden.

DE UITVOERING VAN DE BIJSTANDSVERLENING

Artikel 4

  • 1 De bijstand wordt verleend door het zenden naar de plaats van de ramp dan wel naar welke andere daartoe door de bevoegde organen aangewezen plaats, van bijstandseenheden die zijn opgeleid en uitgerust voor het bestrijden van rampen, of door het zenden van luchtvaartuigen.

  • 2 De bijstandseenheden kunnen over land, door de lucht of over water worden gezonden.

Artikel 5

  • 1 De commandant van een bijstandseenheid staat onder het gezag van de autoriteit die op de plaats van de ramp voor de bestrijding verantwoordelijk is.

  • 2 Instructies voor een bijstandseenheid worden uitsluitend gegeven aan de commandant van die eenheid. Deze is verantwoordelijk voor de wijze, waarop de eenheid de instructies uitvoert.

  • 3 De autoriteit, die op de plaats van de ramp voor de bestrijding verantwoordelijk is, verleent de eenheid alle noodzakelijke bescherming en hulp.

GRENSFORMALITEITEN

Artikel 6

  • 1 De Overeenkomstsluitende Partijen beperken zo veel mogelijk met het oog op een zo doeltreffend mogelijke bijstand de in acht te nemen formaliteiten bij het overschrijden van de gemeenschappelijke grenzen.

  • 2 De commandant van een bijstandseenheid dient in het bezit te zijn van een verklaring, waaruit de omvang en de aard van de te verlenen bijstand blijkt. Deze verklaring wordt afgegeven door of namens een bevoegd orgaan als bedoeld in artikel 3 van deze Overeenkomst.

  • 3 De tot een bijstandseenheid behorende personen zijn vrijgesteld van de verplichting een geldig document om de grens te overschrijden mee te voeren.

  • 4 In geval van bijzondere spoed kan de grens ook buiten de officiële doorlaatposten worden overschreden. De met de grensbewaking en de douane en accijnzen belaste autoriteiten dienen daarvan vooraf in kennis te worden gesteld.

Artikel 7

  • 1 De uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen, die worden meegevoerd door een bijstandseenheid, worden op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan bijstand wordt verleend, beschouwd als ingevoerd voor tijdelijk gebruik.

  • 2 Geen in- of uitvoerdocumenten worden afgegeven voor uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen. De commandant van een bijstandseenheid dient in het bezit te zijn van een, op verzoek door hem te tonen, verzamelstaat van de meegevoerde uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen.

  • 3 Geen andere goederen dan de noodzakelijke uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen mogen worden meegevoerd.

  • 4 De meegevoerde uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen zijn, voor zover ze verbruikt worden, vrij van alle bij invoer verschuldigde belastingen. Hulpmiddelen en gebruiksgoederen dienen, voor zover ze niet verbruikt worden, te worden teruggevoerd.

  • 5 Kunnen goederen door bijzondere omstandigheden niet of pas later, niet tegelijk met de terugkeer van een bijstandseenheid, worden teruggevoerd, dan dienen de aard en omvang alsmede de verblijfplaats daarvan door de commandant van een bijstandseenheid te worden gemeld aan het bevoegde douanekantoor; in dat geval is het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, van toepassing.

  • 6 Op goederen, die ingevolge het bepaalde in het eerste en vierde lid vrij van bij invoer verschuldigde belastingen zijn, zijn de bepalingen voor het grensoverschrijdende goederenverkeer niet van toepassing. Het in het kader van de rampbestrijding overbrengen van verdovende middelen naar het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, en het terugvoeren van de niet verbruikte hoeveelheden gelden niet als in- en uitvoer in de zin van het op 30 maart 1961 tot stand gekomen Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen. Verdovende middelen mogen slechts bij dringende behoefte worden meegevoerd en alleen door bevoegd medisch personeel volgens de wettelijke bepalingen van de bijstand ontvangende Overeenkomstsluitende Partij worden aangewend. Het recht van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, ter plaatse controles te verrichten, blijft onverlet.

HET GEBRUIK VAN LUCHTVAARTUIGEN

Artikel 8

  • 1 Luchtvaartuigen kunnen worden gebruikt zowel voor het vervoer van bijstandseenheden als voor het rechtstreeks verlenen van bijstand.

  • 2 Elke Overeenkomstsluitende Partij staat luchtvaartuigen die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid worden gebruikt, toe over zijn grondgebied te vliegen alsmede op zijn grondgebied ook op andere plaatsen dan op vliegvelden te landen en op te stijgen met inachtneming van de aanvullende overeenkomst, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b, van deze Overeenkomst.

  • 3 Het voornemen luchtvaartuigen te gebruiken wordt onder overlegging van zo nauwkeurig mogelijke gegevens over de aard en het inschrijvingsmerk van het luchtvaartuig, de bemanning, de lading, de vertrektijd, de vermoedelijke route en de plaats van landing onverwijld medegedeeld aan:

    voor België de Regie der Luchtwegen

    voor Nederland de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst.

  • 4 De artikelen 6 en 7 van deze Overeenkomst zijn van overeenkomstige toepassing op de luchtvaartuigen, de bemanning en de meevliegende bijstandseenheid alsmede op de meegevoerde uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen.

  • 5 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, blijven de luchtverkeersregels van elke Overeenkomstsluitende Partij van kracht.

KOSTEN EN SCHADEVERGOEDING

Artikel 9

  • 1 De kosten voor het verlenen van bijstand, met inbegrip van kosten, ontstaan door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel gehele of gedeeltelijke vernietiging van de meegevoerde uitrusting en gebruiksgoederen, behoeven door de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, niet te worden vergoed, tenzij voor de vergoeding van deze kosten door de Overeenkomstsluitende Partij een afzonderlijke regeling wordt getroffen.

  • 2 Bijstandseenheden worden voor de tijd dat zij op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij verblijven, op kosten van die Partij gehuisvest en verzorgd alsmede van goederen, bestemd voor het gebruik van de uitrusting, voorzien, voor zover meegevoerde goederen zijn verbruikt. Zij ontvangen de noodzakelijke medische verzorging en hulp.

  • 3 Elke Overeenkomstsluitende Partij kan bepalen, dat de door het gebruik van luchtvaartuigen ontstane kosten voor ten hoogste de helft voor rekening van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, komen. De kosten worden in dat geval vastgesteld op basis van de in beide Staten geldende tarieven, zoals die zullen worden vastgesteld in een aanvullende overeenkomst, als bedoeld in artikel 11 van deze Overeenkomst.

Artikel 10

  • 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij ziet voor zichzelf en haar bestuursorganen af van alle wettelijke vorderingen tot schadevergoeding jegens de andere Overeenkomstsluitende Partij op grond van schade aan vermogensbestanddelen die haar of een ander bestuursorgaan toebehoren, wanneer de schade is veroorzaakt door een lid van een bijstandseenheid van de andere Overeenkomstsluitende Partij bij vervulling van diens opdracht in verband met de uitvoering van deze Overeenkomst, behoudens in geval van bewezen opzet of grove schuld.

  • 2 Elke Overeenkomstsluitende Partij ziet voor zichzelf en haar bestuursorganen af van alle wettelijke vorderingen tot schadevergoeding jegens de andere Overeenkomstsluitende Partij op grond van schade, geleden door een lid van een bijstandseenheid die bij of door vervulling van zijn opdracht in verband met de uitvoering van deze Overeenkomst letsel heeft opgelopen of is overleden.

  • 3 De Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, dan wel een van haar bestuursorganen is volgens de eigen wettelijke bepalingen aansprakelijk voor de schade, toegebracht aan een derde door een lid van een bijstandseenheid bij vervulling van zijn opdracht op het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij.

  • 4 In het belang van een snelle afdoening van vorderingen tot schadevergoeding werken de Overeenkomstsluitende Partijen nauw samen. In het bijzonder worden alle beschikbare gegevens over schadegevallen in de zin van dit artikel zo spoedig mogelijk uitgewisseld.

  • 5 Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op schade, ontstaan tijdens of ten gevolge van oefeningen, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van deze Overeenkomst, tenzij daarvoor een afzonderlijke regeling is getroffen.

AANVULLENDE OVEREENKOMSTEN

Artikel 11

  • 1 Ter uitvoering van deze Overeenkomst worden in ieder geval aanvullende overeenkomsten gesloten over:

    • a. het gebruik van verbindingen;

    • b. het gebruik van landingsplaatsen door luchtvaartuigen;

    • c. het gebruik van bijzondere optische en geluidssignalen en gebruik bij bijstandseenheden;

    • d. de kosten, genoemd in artikel 9, derde lid, van deze Overeenkomst.

  • 2 Voorts kunnen aanvullende overeenkomsten worden gesloten over:

    • a. de procedure die moet worden gevolgd bij het verzoeken om bijstand;

    • b. de procedure die moet worden gevolgd, indien een bijstandseenheid ter plaatse komt;

    • c. de soorten eenheden die ter bijstand kunnen worden ingezet alsmede hun omvang en uitrusting;

    • d. het houden van gemeenschappelijke oefeningen met het oog op het gezamenlijk bestrijden van rampen;

    • e. de samenwerking, bedoeld in artikel 13 van deze Overeenkomst.

BIJSTANDSVERLENING ANDERS DAN OP GROND VAN VERZOEKEN INGEVOLGE DEZE OVEREENKOMST

Artikel 12

  • 1 De artikelen 4 tot en met 10 van deze Overeenkomst zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van bijstand ingevolge afspraken die zijn gemaakt door autoriteiten van aan elkaar grenzende gemeenten van elk der Overeenkomstsluitende Partijen, die verantwoordelijk zijn voor de hulpverlening bij rampen en ongevallen, indien en voor zover deze afspraken betrekking hebben op aan elkaar te verlenen bijstand van personeel en materieel die met het oog op de dagelijkse taakuitvoering ter beschikking staan van die autoriteiten.

  • 2 Afspraken, als bedoeld in het eerste lid, dienen, onverminderd hetgeen daaromtrent overigens in het nationale recht van elk der Overeenkomstsluitende Partijen is bepaald, in ieder geval te worden gemeld aan de bevoegde organen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van deze Overeenkomst.

SAMENWERKING

Artikel 13

  • 1 De Overeenkomstsluitende Partijen komen om de voorkoming van rampen te bevorderen en om deze doeltreffender te kunnen bestrijden een voortdurende en nauwe samenwerking overeen. Met dit doel wisselen zij alle ter zake dienende gegevens van wetenschappelijke en technische aard uit en komen zij regelmatig bijeen.

  • 2 De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen gemeenschappelijke onderzoekingen doen en bijeenkomsten organiseren in het bijzonder om tot een betere kennis van de oorzaken van rampen te komen en om de voorspellingen alsmede de middelen en methoden ter voorkoming en bestrijding van rampen te verbeteren.

  • 3 Op initiatief van elke Overeenkomstsluitende Partij kunnen cursussen worden gegeven voor technici en leidinggevend personeel van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

  • 4 De Overeenkomstsluitende Partijen wisselen gegevens uit over de gevaren en schadegevallen die een weerslag kunnen hebben op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

  • 5 De samenwerking wordt tot stand gebracht door de bevoegde organen, bedoeld in artikel 3 van deze Overeenkomst.

GESCHILLEN

Artikel 14

Alle geschillen over de toepassing van deze Overeenkomst die niet rechtstreeks door de bevoegde organen, bedoeld in artikel 3 van deze Overeenkomst, kunnen worden opgelost, worden in beginsel langs diplomatieke weg opgelost.

SLOTBEPALING

Artikel 15

  • 1 Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop beide Overeenkomstsluitende Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan de in hun onderscheiden landen daarvoor geldende constitutionele vereisten is voldaan.

  • 2 De Overeenkomst geldt voor een periode van tien jaren en wordt stilzwijgend verlengd met een nieuwe periode van tien jaren, tenzij een van beide Overeenkomstsluitende Partijen de Overeenkomst ten minste zes maanden tevoren heeft opgezegd.

  • 3 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst alleen van toepassing op Nederland.

GEDAAN te 's-Gravenhage, 14 november 1984 in twee exemplaren, in de Nederlandse en Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) H. VAN DEN BROEK

(w.g.) M. J. J. VAN AMELSVOORT

Voor het Koninkrijk België

(w.g.) F. BAEKELANDT