Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland [...] bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen, Bonn, 07-06-1988

Geldend van 22-06-2012 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland;

overtuigd van de noodzaak van samenwerking tussen beide Staten bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen, en andere ongevallen;

overwegende, dat het gewenst is dat bevoegde organen van beide Staten in nader te bepalen gevallen elkaar kunnen verzoeken om wederzijdse bijstand en verzoeken om bijstand kunnen doen uitvoeren;

overwegende, dat het gewenst is dat maatregelen worden getroffen ten einde de wederzijdse bijstand door rampenbestrijdingseenheden te vergemakkelijken;

zijn als volgt overeengekomen:

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich ertoe de andere Overeenkomstsluitende Partij volgens de bepalingen van deze Overeenkomst en in overeenstemming met haar mogelijkheden bijstand te verlenen bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen.

Artikel 2

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

uitrusting: de vervoermiddelen, het materieel, de verbindingsmiddelen en de persoonlijke uitrustingsstukken, die bestemd zijn voor gebruik door bijstandseenheden;

hulpmiddelen: goederen die bestemd zijn voor de getroffen bevolking;

gebruiksgoederen: goederen die bestemd zijn voor het onderhoud en het gebruik van de uitrusting en voor de verzorging van bijstandseenheden.

BEVOEGDE ORGANEN

Artikel 3

  • 1 Voor het indienen van een verzoek om bijstand alsmede voor het doen uitvoeren daarvan zijn bevoegde organen in de zin van deze Overeenkomst:

    • a. indien het betreft het verlenen van bijstand door en aan deelstaten en provincies die aan elkaar grenzen

      • voor de Bondsrepubliek Duitsland: de Minister van Binnenlandse Zaken van de betrokken deelstaat

      • voor Nederland: de voorzitter van de betrokken veiligheidsregio;

    • b. indien het betreft het verlenen van bijstand door en aan deelstaten en provincies die niet aan elkaar grenzen

      • voor de Bondsrepubliek Duitsland: de Minister van Binnenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

      • voor Nederland: de Minister van Binnenlandse Zaken.

  • 2 De bevoegde organen van elk der Overeenkomstsluitende Partijen kunnen een verzoek om bijstand indienen, indien naar hun oordeel de plaats, de omvang en de aard van de ramp respectievelijk het zware ongeval, gelet op het beschikbare personeel en materieel, bijstand noodzakelijk maken.

  • 3 Het bevoegde orgaan van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij geeft zoveel mogelijk een toelichting over de bijstand die het verwacht en over de taken die aan de bijstandseenheid zullen worden opgedragen.

  • 4 De omvang en de aard van de te verlenen bijstand worden telkenmale door het bevoegde orgaan van de Overeenkomstsluitende Partij die de bijstand verleent, vastgesteld na overleg met het bevoegde orgaan van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij.

  • 5 De bevoegde organen zijn belast met de uitvoering van de verzoeken om bijstand.

  • 6 Van elk verzoek om bijstand, als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt door de bevoegde organen terstond mededeling gedaan aan de Minister van Binnenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland onderscheidenlijk aan de Minister van Binnenlandse Zaken van Nederland.

DE UITVOERING VAN DE BIJSTANDSVERLENING

Artikel 4

  • 1 De bijstand wordt verleend door het zenden naar de plaats van de ramp respectievelijk van het zware ongeval dan wel naar elke andere daartoe door de bevoegde organen aangewezen plaats, van bijstandseenheden die zijn opgeleid en uitgerust voor het bestrijden van rampen of het verlenen van hulp bij zware ongevallen, of door het zenden van luchtvaartuigen en, indien vereist, op elke andere passende wijze.

  • 2 De bijstandseenheden kunnen over land, door de lucht of over water worden gezonden.

Artikel 5

  • 1 De commandant van een bijstandseenheid staat onder het gezag van de autoriteit die op de plaats van de ramp respectievelijk van het zware ongeval voor de bestrijding verantwoordelijk is.

  • 2 Instructies voor een bijstandseenheid worden uitsluitend gegeven aan de commandant van die eenheid. Deze is verantwoordelijk voor de wijze, waarop de eenheid de instructies uitvoert.

  • 3 De bevoegde organen, bedoeld in artikel 3, alsmede de autoriteiten die op de plaats van de ramp respectievelijk van het zware ongeval voor de bestrijding verantwoordelijk is, verlenen de eenheid alle noodzakelijke bescherming en hulp.

GRENSFORMALITEITEN

Artikel 6

  • 1 De Overeenkomstsluitende Partijen beperken zo veel mogelijk met het oog op een zo doeltreffend mogelijke bijstand de in acht te nemen formaliteiten bij het overschrijden van de gemeenschappelijke grens.

  • 2 De commandant van een bijstandseenheid dient in het bezit te zijn van een verklaring, waaruit de te verlenen bijstand, de aard van de eenheid en het aantal tot de eenheid behorende personen blijken. Deze verklaring wordt afgegeven door of namens een bevoegd orgaan, bedoeld in artikel 3 van deze Overeenkomst.

  • 3 De tot een bijstandseenheid behorende personen zijn vrijgesteld van de verplichting een geldig document om de grens te overschrijden mee te voeren.

  • 4 Kan in geval van bijzondere spoed de verklaring, bedoeld in het tweede lid, niet worden overgelegd, dan is elk ander passend bewijs dat de grens ten behoeve van bijstandsverlening overschreden moet worden, voldoende.

  • 5 In geval van bijzondere spoed kan de grens ook buiten de officiële doorlaatposten worden overschreden. De met de grensbewaking en de douane en accijnzen belaste autoriteiten dienen daarvan vooraf in kennis te worden gesteld.

Artikel 7

  • 1 De uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen, die worden meegevoerd door een bijstandseenheid, worden op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan bijstand wordt verleend, beschouwd als ingevoerd door tijdelijk gebruik.

  • 2 Geen in- of uitvoerdocumenten worden afgegeven voor uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen. De commandant van een bijstandseenheid dient in het bezit te zijn van een, op verzoek door hem te tonen, verzamelstaat van de meegevoerde uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen.

  • 3 Geen andere goederen dan de noodzakelijke uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen mogen worden meegevoerd.

  • 4 De meegevoerde uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen zijn, voor zover ze verbruikt worden, vrij van alle bij invoer verschuldigde belasting. Hulpmiddelen en gebruiksgoederen dienen, voor zover ze niet verbruikt worden, te worden teruggevoerd.

  • 5 Kunnen goederen door bijzondere omstandigheden niet of pas later, niet tegelijk met de terugkeer van een bijstandseenheid, worden teruggevoerd, dan dienen de aard en omvang alsmede de verblijfplaats daarvan door de commandant van een bijstandseenheid te worden gemeld aan het bevoegde douanekantoor; in dat geval is het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, van toepassing.

  • 6 Op goederen, die ingevolge het bepaalde in het eerste en vierde lid vrij van bij invoer verschuldigde belastingen zijn, zijn de bepalingen voor het grensoverschrijdende goederenverkeer niet van toepassing. Het in het kader van de rampbestrijding, daaronder begrepen de hulpverlening bij zware ongevallen, overbrengen van verdovende middelen naar het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, en het terugvoeren van de niet verbruikte hoeveelheden gelden niet als in en uitvoer in de zin van de internationale verdragen inzake verdovende middelen. Verdovende middelen mogen slechts bij dringende behoefte worden meegevoerd en alleen door bevoegd medisch personeel volgens de wettelijke bepalingen van de bijstand ontvangende Overeenkomstsluitende Partij worden aangewend. Het recht van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, ter plaatse controles te verrichten, blijft onverlet.

HET GEBRUIK VAN LUCHTVAARTUIGEN

Artikel 8

  • 1 Luchtvaartuigen kunnen worden gebruikt zowel voor het vervoer van bijstandseenheden als voor het rechtstreeks verlenen van bijstand.

  • 2 Elke Overeenkomstsluitende Partij staat luchtvaartuigen die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid worden gebruikt, toe over zijn grondgebied te vliegen alsmede op zijn grondgebied ook op andere plaatsen dan op vliegvelden te landen en op te stijgen met inachtneming van de bepalingen van de aanvullende overeenkomst, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b, van deze Overeenkomst.

  • 3 Het voornemen luchtvaartuigen te gebruiken wordt onder overlegging van zo nauwkeurig mogelijke gegevens over de aard en het inschrijvingsmerk van het luchtvaartuig, de bemanning, de lading, de vertrektijd, de vermoedelijke route en de plaats van landing onverwijld medegedeeld aan:

    voor de Bondsrepubliek Duitsland: in geval van bijstandsverlening op verzoek van de deelstaat Neder-Saksen de Minister van Binnenlandse Zaken van deze deelstaat; in geval van bijstandsverlening op verzoek van de deelstaat Noordrijn-Westfalen de Minister van Binnenlandse Zaken van deze deelstaat; in geval van bijstandsverlening op verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland de Minister van Binnenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland;

    voor Nederland: de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst.

  • 4 De artikelen 6 en 7 van deze Overeenkomst zijn van overeenkomstige toepassing op de luchtvaartuigen, de bemanning en de meevliegende bijstandseenheid alsmede op de meegevoerde uitrusting, hulpmiddelen en gebruiksgoederen.

  • 5 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, blijven de luchtverkeersregels van elke Overeenkomstsluitende Partij van kracht, in het bijzonder de verplichting om de bevoegde vluchtcontrolediensten gegevens over de vluchten mede te delen.

KOSTEN EN SCHADEVERGOEDING

Artikel 9

  • 1 De kosten voor het verlenen van bijstand, met inbegrip van kosten, ontstaan door geheel of gedeeltelijk verlies dan wel gehele of gedeeltelijke vernietiging van de meegevoerde uitrusting en gebruiksgoederen, behoeven door de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, niet te worden vergoed, tenzij voor de vergoeding van deze kosten door de Overeenkomstsluitende Partijen vooraf een afzonderlijke regeling is getroffen.

  • 2 Bijstandseenheden worden voor de tijd dat zij op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij verblijven, op kosten van die Partij gehuisvest en verzorgd alsmede van goederen, bestemd voor het gebruik van de uitrusting, voorzien, voor zover meegevoerde goederen zijn verbruikt. Zij ontvangen de noodzakelijke medische verzorging en hulp.

  • 3 Elke Overeenkomstsluitende Partij kan bepalen, dat de door het gebruik van luchtvaartuigen ontstane kosten voor ten hoogste de helft voor rekening van de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, komen. De kosten worden in dat geval vastgesteld op basis van de in beide Staten geldende tarieven, zoals die zullen worden vastgesteld in een aanvullende overeenkomst, bedoeld in artikel 11, lid 1, onder d, van deze Overeenkomst.

Artikel 10

  • 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij ziet voor zichzelf en haar bestuursorganen af van alle wettelijke vorderingen tot schadevergoeding jegens de andere Overeenkomstsluitende Partij op grond van schade aan vermogensbestanddelen die haar of een ander bestuursorgaan toebehoren, wanneer de schade is veroorzaakt door een lid van een bijstandseenheid van de andere Overeenkomstsluitende Partij bij vervulling van diens opdracht in verband met de uitvoering van deze Overeenkomst, behoudens in geval van bewezen opzet.

  • 2 Elke Overeenkomstsluitende Partij ziet voor zichzelf en haar bestuursorganen af van alle wettelijke vorderingen tot schadevergoeding jegens de andere Overeenkomstsluitende Partij op grond van schade, geleden door een lid van een bijstandseenheid die bij of door vervulling van zijn opdracht in verband met de uitvoering van deze Overeenkomst letsel heeft opgelopen of is overleden.

  • 3 De Overeenkomstsluitende Partij waaraan de bijstand wordt verleend, dan wel een van haar bestuursorganen, is volgens de eigen wettelijke bepalingen aansprakelijk voor de schade, toegebracht aan een derde door een lid van een bijstandseenheid bij vervulling van zijn opdracht op het grondgebied van die Overeenkomstsluitende Partij.

  • 4 In het belang van een snelle afdoening van vorderingen tot schadevergoeding werken de Overeenkomstsluitende Partijen nauw samen. In het bijzonder worden alle beschikbare gegevens over schadegevallen in de zin van dit artikel zo spoedig mogelijk uitgewisseld.

  • 5 Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op schade, ontstaan tijdens of ten gevolge van oefeningen bedoeld in artikel 11, tweede lid, onder d, van deze Overeenkomst, tenzij daarvoor een afzonderlijke regeling is getroffen.

AANVULLENDE OVEREENKOMSTEN

Artikel 11

  • 1 Ter uitvoering van deze Overeenkomst worden in ieder geval aanvullende overeenkomsten gesloten over:

    • a. het gebruik van verbindingen;

    • b. het gebruik van landingsplaatsen door luchtvaartuigen;

    • c. het gebruik van bijzondere optische en geluidssignalen door bijstandseenheden;

    • d. de kosten, genoemd in artikel 9, derde lid, van deze Overeenkomst.

  • 2 Voorts kunnen aanvullende overeenkomsten worden gesloten over:

    • a. de procedure die moet worden gevolgd bij het verzoeken om bijstand;

    • b. de procedure die moet worden gevolgd, indien een bijstandseenheid ter plaatse komt;

    • c. de soorten eenheden die ter bijstand kunnen worden ingezet alsmede hun omvang en uitrusting;

    • d. het houden van gemeenschappelijke oefeningen met het oog op het gezamenlijk bestrijden van rampen;

    • e. de samenwerking, bedoeld in artikel 13 van deze Overeenkomst.

BIJSTANDSVERLENING ANDERS DAN OP GROND VAN VERZOEKEN INGEVOLGE DEZE OVEREENKOMST

Artikel 12

  • 1 De artikelen 4 tot en met 10 van deze Overeenkomst zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van bijstand ingevolge afspraken die zijn gemaakt door autoriteiten van aan elkaar grenzende gemeenten van elk der Overeenkomstsluitende Partijen, die verantwoordelijk zijn voor de hulpverlening bij rampen en ongevallen, indien en voor zover deze afspraken betrekking hebben op aan elkaar te verlenen bijstand van personeel en materieel die met het oog op de dagelijkse taakuitvoering ter beschikking staan van die autoriteiten.

  • 2 Afspraken, bedoeld in het eerste lid, dienen, onverminderd hetgeen daaromtrent overigens in het nationale recht van elk der Overeenkomstsluitende Partijen is bepaald, in ieder geval te worden gemeld aan de bevoegde organen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van deze Overeenkomst.

  • 3 De toepassing van de artikelen 9 en 10 op de bijstandsverlening, bedoeld in het eerste lid, is onverminderd hetgeen in de tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland afgesloten overeenkomsten op het gebied van de sociale verzekering is bepaald.

  • 4 De toepassing van artikel 9 op de bijstandsverlening, bedoeld in het eerste lid, is onverminderd hetgeen ingevolge de gemaakte afspraken over de kostenvergoeding is bepaald.

SAMENWERKING

Artikel 13

  • 1 De Overeenkomstsluitende Partijen komen een voortdurende en nauwe samenwerking overeen ten einde rampen beter te kunnen voorkomen en deze doeltreffender te kunnen bestrijden. Met dit doel wisselen zij alle ter zake dienende gegevens van wetenschappelijke en technische aard uit en komen zij regelmatig bijeen.

  • 2 De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen gemeenschappelijke onderzoekingen doen en bijeenkomsten organiseren in het bijzonder om tot een betere kennis van de oorzaken van rampen te komen en om de voorspellingen alsmede de middelen en methoden ter voorkoming en bestrijding van rampen te verbeteren.

  • 3 Op initiatief van elke Overeenkomstsluitende Partij kunnen cursussen worden gegeven voor technici, leidinggevend personeel en manschappen van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

  • 4 De Overeenkomstsluitende Partijen wisselen gegevens uit over de gevaren en schadegevallen die een weerslag kunnen hebben op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij. De uitwisseling van gegevens omvat mede het uit voorzorg verstrekken van meetgegevens.

  • 5 De samenwerking wordt tot stand gebracht door de bevoegde organen, bedoeld in artikel 3 van deze Overeenkomst.

GESCHILLEN

Artikel 14

Alle geschillen over de toepassing van deze Overeenkomst die niet rechtstreeks door de bevoegde organen, bedoeld in artikel 3, kunnen worden opgelost, worden in beginsel langs diplomatieke weg opgelost.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 15

Met uitzondering van de bepalingen van artikel 8 inzake het luchtverkeer geldt de Overeenkomst ook voor het land Berlijn, tenzij de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden mededeling doet van het tegendeel.

Artikel 16

Deze Overeenkomst is alleen van toepassing voor het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 17

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop beide Overeenkomstsluitende Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan de in hun onderscheiden landen daarvoor geldende constitutionele vereisten is voldaan.

Artikel 18

Deze Overeenkomst geldt voor een periode van tien jaren en wordt telkens stilzwijgend verlengd met een nieuwe periode van tien jaren, tenzij zij door een van beide Overeenkomstsluitende Partijen tenminste zes maanden voor afloop van het verstrijken van de geldigheidsduur schriftelijk wordt opgezegd.

GEDAAN te Bonn, de 7e juni 1988, in twee exemplaren, in respectievelijk de Nederlandse en Duitse taal, zijnde beide exemplaren gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) D. IJ. W. DE GRAAFF

(w.g.) J. G. VAN DER TAS

Voor de Bondsrepubliek Duitsland,

(w.g.) Frhr VON STEIN

(w.g.) C. D. SPRANGER

Protocol

Bij de ondertekening van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen, hebben ondergetekende gevolmachtigden daarenboven de volgende afspraken gemaakt die onderdeel van de Overeenkomst uitmaken.

1

Bij artikel 9, eerste lid

Voor zover Partijen een afzonderlijke regeling met betrekking tot artikel 9, eerste lid, beogen, wordt deze zo spoedig mogelijk na de ondertekening van de Overeenkomst en op zijn laatst vóór de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst getroffen.

2

Met betrekking tot de verhouding tussen het op 26 september 1986 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen (Trb. 1986, 126 en 165) en de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen:

In geval de ramp, met inbegrip van het zwaar ongeval, een nucleaire ramp of een ramp met radioactieve stoffen is, vindt in beginsel deze Overeenkomst toepassing. Indien echter reeds op de voet van het op 26 september 1986 tot stand gekomen IAEA-Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen bijstand is verleend of om bijstand is verzocht, blijft op deze bijstandsverlening het IAEA-Verdrag van toepassing; op de overige verzoeken om bijstandsverlening en op de verlening van die bijstand is de Nederlands-Duitse Overeenkomst van toepassing.

Betreft de bijstand de medische behandeling van personen die slachtoffer zijn van een nucleair ongeval of van een storing waarbij radioactieve stoffen betrokken zijn, of de tijdelijke opneming van deze personen in de Bondsrepubliek Duitsland respectievelijk in Nederland, dan vindt het IAEA-Verdrag toepassing.