Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Benin, Cotonou, 13-12-2001

Geldend van 15-12-2007 t/m heden

Verdrag inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Benin

Authentiek : NL

Verdrag inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Benin

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Republiek Benin,

hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens hun traditionele banden van vriendschap te versterken en hun economische betrekkingen te bevorderen, uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft de investeringen door onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij,

In het besef dat overeenstemming omtrent de aan zulke investeringen toe te kennen behandeling, het kapitaalverkeer en de uitwisseling van technologieën tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen stimuleert en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling wenselijk is,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

  • a. omvat de term „investering": alle soorten vermogensbestanddelen, en in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

    • i. roerende en onroerende zaken, alsmede de zakelijke rechten die verband houden met alle soorten vermogensbestanddelen;

    • ii. rechten die voortvloeien uit aandelen, obligaties en andere vormen van deelneming in vennootschappen en joint-ventures;

    • iii. vorderingsrechten, rechten in verband met andere vermogensbestanddelen of rechten betreffende prestaties die economische waarde hebben;

    • iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, technische werkwijzen, handelszaken en knowhow;

    • v. bij de wet of uit hoofde van rechtmatig tot stand gekomen overeenkomsten verleende rechten, met inbegrip van concessies verleend ten behoeve van het opsporen, exploreren, ontginnen en winnen van natuurlijke rijkdommen;

  • b. omvat de term „onderdanen" voor elk van beide Verdragsluitende Partijen:

    • i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben;

    • ii. rechtspersonen opgericht overeenkomstig het recht van die Verdragsluitende Partij;

    • iii. rechtspersonen die niet zijn opgericht overeenkomstig het recht van die Verdragsluitende Partij maar al dan niet rechtstreeks onder toezicht staan van natuurlijke personen als omschreven onder i of van rechtspersonen als omschreven onder ii.

  • c. omvat de term „grondgebied":

    het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Partij en alle aan de territoriale zee grenzende gebieden die, overeenkomstig de wetgeving van die Verdragsluitende Partij en overeenkomstig het internationaal recht, tot de exclusieve economische zone of het continentaal plat van die Partij behoren waarin zij rechtsmacht of soevereine rechten uitoefent.

Artikel 2

Elke Verdragsluitende Partij bevordert in het kader van haar wetten en voorschriften, de economische samenwerking door middel van de bescherming op haar grondgebied van investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij. Met inachtneming van het recht van elke Verdragsluitende Partij de door haar wetten en voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, laat elke Verdragsluitende Partij dergelijke investeringen toe.

Artikel 3

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij:

    • waarborgt een eerlijke en billijke behandeling van investeringen door onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij; en

    • belemmert niet door onredelijke of discriminatoire maatregelen de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding van die investeringen door de genoemde onderdanen.

  • 2 Elke Verdragsluitende Partij kent aan die investeringen volledige fysieke zekerheid en bescherming toe.

  • 3 Indien een Verdragsluitende Partij onderdanen van een derde staat bijzondere voordelen heeft toegekend uit hoofde van overeenkomsten tot oprichting van douane-unies, economische unies, monetaire unies of soortgelijke instellingen, dan wel op grond van overeenkomsten die tot zodanige unies of instellingen leiden, is die Verdragsluitende Partij niet verplicht zodanige voordelen toe te kennen aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 4 Elke Verdragsluitende Partij komt alle verplichtingen na die zij is aangegaan met betrekking tot de behandeling van investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 5 In het bijzonder kent iedere Verdragsluitende Partij aan die investeringen een behandeling toe die in ieder geval niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van haar eigen onderdanen of aan investeringen van onderdanen van een derde staat, naar gelang van welke behandeling het gunstigst is voor de betrokken onderdaan.

  • 6 Indien de wettelijke bepalingen van een van de Verdragsluitende Partijen of verplichtingen krachtens internationaal recht die thans tussen de Verdragsluitende Partijen bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, als aanvullende bepalingen bij dit Verdrag, waardoor de Verdragsluitende Partijen worden gebonden, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan in dit Verdrag is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven dit Verdrag.

Artikel 4

Met betrekking tot belastingen, heffingen en lasten alsmede verminderingen en vrijstellingen van belasting, kent elke Verdragsluitende Partij aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij die op haar grondgebied een economische activiteit zijn begonnen, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke zij toekent aan haar eigen onderdanen of aan die van een derde staat die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen. Hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met bijzondere belastingvoordelen door die Verdragsluitende Partij toegekend:

  • a. krachtens een verdrag ter vermijding van dubbele belasting; of

  • b. uit hoofde van haar deelneming aan een douane-unie, een economische unie, een monetaire unie of soortgelijke instelling; of

  • c. op basis van wederkerigheid met een derde staat.

Artikel 5

De Verdragsluitende Partijen waarborgen dat betalingen voortvloeiend uit investeringen kunnen worden overgemaakt. De overmakingen geschieden zonder beperking of vertraging in vrij inwisselbare valuta. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

  • a. winsten, interesten, dividenden en andere lopende inkomsten;

  • b. gelden nodig:

    • i. voor het verwerven van grondstoffen of hulpmaterialen, halffabrikaten of eindproducten, of

    • ii. om kapitaalgoederen te vervangen teneinde de continuïteit van een investering te waarborgen;

  • c. bijkomende gelden nodig voor de ontwikkeling van een investering;

  • d. gelden voor de terugbetaling van leningen;

  • e. royalty's of beheerskosten;

  • f. inkomsten van natuurlijke personen;

  • g. de opbrengst van de verkoop of liquidatie van de investering;

  • h. betalingen voortvloeiend uit een situatie als bedoeld in artikel 7.

Artikel 6

Geen der Verdragsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor direct of indirect aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de maatregelen worden genomen in het algemeen belang en in het kader van een behoorlijke rechtsgang;

  • b. de maatregelen zijn niet discriminatoir of in strijd met verbintenissen aangegaan door de Verdragsluitende Partij die deze maatregelen neemt;

  • c. de maatregelen gaan vergezeld van de betaling van een behoorlijke schadeloosstelling.

    Deze schadeloosstelling dient overeen te komen met de reële waarde van de desbetreffende investering, dient de betaling van rente te omvatten tegen een gewone commerciële rentevoet tot de datum van betaling en, wil zij doeltreffend zijn voor de gerechtigden, onverwijld te kunnen worden betaald en te kunnen worden overgemaakt naar het door de betrokken gerechtigden aangewezen land en in de valuta van het land waarvan zij onderdaan zijn dan wel in een vrij inwisselbare valuta die door de gerechtigden wordt aanvaard.

Artikel 7

Aan onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij die met betrekking tot de investeringen die zij hebben gedaan op het grondgebied van de andere Partij verliezen lijden wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, oproer of ongeregeldheden, wordt door de laatstgenoemde Verdragsluitende Partij, wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke wordt toegekend aan de onderdanen van die Verdragsluitende Partij of aan onderdanen van een derde staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

Artikel 8

Indien de investeringen van een onderdaan van de ene Verdragsluitende Partij zijn verzekerd tegen niet-commerciële risico's of anderszins aanleiding kunnen geven tot de betaling van schadevergoeding krachtens een bij wet, voorschrift of overheidscontract ingesteld stelsel, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar of een door een Verdragsluitende Partij aangewezen instantie in de rechten van de bedoelde investeerder, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering of krachtens een andere toegekende schadeloosstelling, door de andere Verdragsluitende Partij erkend.

Artikel 9

Elk van de Verdragsluitende Partijen stemt ermee in alle geschillen die ontstaan tussen een Verdragsluitende Partij en een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij betreffende een investering gedaan door die onderdaan op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij voor te leggen aan het Internationale Centrum voor de Beslechting van Investeringsgeschillen ter beslechting door conciliatie of arbitrage krachtens het Verdrag inzake de beslechting van investeringsgeschillen tussen staten en onderdanen van andere staten, dat op 18 maart 1965 te Washington werd opengesteld voor ondertekening. Een rechtspersoon die onderdaan is van de ene Verdragsluitende Partij en die, voordat een dergelijk geschil ontstaat, onder toezicht staat van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij, wordt in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, letter b, van het Verdrag, voor de toepassing van het Verdrag beschouwd als een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel 10

De bepalingen van dit Verdrag zijn, vanaf de datum waarop het in werking treedt, eveneens van toepassing op investeringen die zijn gedaan vóór die datum.

Artikel 11

Iedere Verdragsluitende Partij kan de andere Verdragsluitende Partij voorstellen overleg te plegen over alle kwesties omtrent de uitlegging of toepassing van dit Verdrag. De andere Partij neemt dit voorstel in welwillende overweging en neemt alle passende maatregelen om dergelijk overleg mogelijk te maken.

Artikel 12

  • 1 Elk geschil tussen de Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anderszins zijn overeengekomen, op verzoek van een van de Partijen voorgelegd aan een scheidsgerecht, bestaande uit drie leden. Elke Partij benoemt een scheidsman, en de twee aldus benoemde scheidsmannen benoemen tezamen een derde scheidsman die geen onderdaan van een van de Partijen mag zijn tot hun voorzitter.

  • 2 Indien een van de Partijen geen scheidsman heeft benoemd en geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere Partij binnen twee maanden tot deze benoeming over te gaan, kan de andere Partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

  • 3 Indien de twee scheidsmannen binnen een tijdvak van twee maanden na hun benoeming geen overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van een derde scheidsman, kan elk der Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

  • 4 Indien in de in het tweede en derde lid bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen of onderdaan is van een van beide Verdragsluitende Partijen, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen of onderdaan is van een van beide Verdragsluitende Partijen, wordt het lid van het Gerechtshof dat onmiddellijk volgt in de hiërarchie en geen onderdaan is van een van de Partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

  • 5 Het scheidsgerecht doet uitspraak op basis van eerbiediging van het recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elk stadium van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen tasten de bevoegdheid van het scheidsgerecht in het geschil een uitspraak ex aequo et bono te doen niet aan, indien de Partijen daarmee instemmen.

  • 6 Tenzij de Partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

  • 7 Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen. Zijn beslissing is onherroepelijk en bindend voor de Partijen.

Artikel 13

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag van toepassing op het deel van het Koninkrijk in Europa, de Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij anders is bepaald in de in artikel 14, eerste lid, bedoelde mededeling.

Artikel 14

  • 1 Dit Verdrag treedt in werking dertig dagen na de datum waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat de hiertoe constitutioneel vereiste formaliteiten zijn vervuld. Dit Verdrag blijft van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar.

  • 2 Tenzij door een van beide Verdragsluitende Partijen ten minste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur van dit Verdrag mededeling van beëindiging is gedaan, wordt dit Verdrag telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij de Verdragsluitende Partijen zich het recht voorbehouden het Verdrag te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden voor het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid.

  • 3 Ten aanzien van investeringen die zijn gedaan voor de datum van beëindiging van dit Verdrag, blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar vanaf die datum.

  • 4 Met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde termijn is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van elk deel van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Cotonou op 13 december 2001, in tweevoud, in de Nederlandse, de Franse en de Engelse taal, zijnde de drie teksten authentiek, met dien verstande dat in geval van verschil van uitlegging de Franse tekst doorslaggevend is.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) SASKIA N. BAKKER

H.E. Mw. Saskia N. Bakker

Chargée d'Affaires a.i.

Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden

Voor de Republiek Benin,

(w.g.) KOLAWOLE A. IDJI

Z.E. Dhr. Kolawolé A. Idji

Minister van Buitenlandse Zaken en Afrikaanse Integratie