Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake [...] en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden, Enschede, 02-03-2005

Geldend van 01-09-2006 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Bondsrepubliek Duitsland

hierna te noemen: „de Verdragsluitende Staten"

In het streven de internationale criminaliteit alsmede grensoverschrijdende gevaren door samenwerking als partners effectiever het hoofd te bieden,

In het streven de samenwerking tussen de Verdragsluitende Staten te bevorderen en vastbesloten de mogelijkheden van een grensoverschrijdend optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid en de mogelijkheden tot strafrechtelijke samenwerking te verruimen,

Overwegende dat het wenselijk is de uitwisseling van informatie tussen de Verdragsluitende Staten te intensiveren alsmede de samenwerking bij de inzet van middelen ter handhaving van de openbare orde en veiligheid alsmede in het kader van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten te versterken,

Ter aanvulling op:

  • de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna te noemen: SUO) alsmede ter aanvulling op de hierop gebaseerde, in de Europese Unie ingevoerde verworvenheden van Schengen;

  • het op 20 april 1959 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

  • de op 30 augustus 1979 te Wittem tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959;

  • het op 17 maart 1978 te Straatsburg tot stand gekomen Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

  • het op 8 november 2001 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

  • de op 29 mei 2000 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU-Rechtshulpverdrag);

  • het op 16 oktober 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Protocol, vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie;

  • de op 18 december 1997 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties (Napels II-overeenkomst);

  • het op 28 januari 1981 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens;

  • de Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 aan de lidstaten aangaande het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied;

  • de op 7 juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen;

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I. VERHOUDING TOT ANDERE REGELINGEN, DOEL VAN HET VERDRAG, AUTORITEITEN

Artikel 1. Verhouding tot andere verdragen en nationale regelingen

  • 1 Tenzij in dit Verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald, geschiedt de samenwerking binnen de grenzen van het onderscheidenlijke nationale recht van de Verdragsluitende Staten alsmede van de internationale verplichtingen van de Verdragsluitende Staten. Hierbij zijn de optredende ambtenaren gebonden aan het recht van de onderscheidenlijke Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan zij optreden.

  • 2 Dit Verdrag laat onverlet de binnenlandse informatieverplichtingen jegens de desbetreffende nationale centrale politie-instantie alsmede de procedure betreffende de internationale samenwerking op het gebied van de criminaliteitsbestrijding door nationale centrale politie-instanties, in het bijzonder in het kader van de Internationale Criminele Politieorganisatie (ICPO/Interpol).

Artikel 2. Doel van het Verdrag

De Verdragsluitende Staten bevorderen de samenwerking op het gebied van de handhaving van de openbare orde en veiligheid alsmede op het gebied van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten met inbegrip van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen.

Artikel 3. Autoriteiten, grensstreken

  • 1 Autoriteiten in de zin van dit Verdrag zijn:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • – de met de uitoefening van verschillende politietaken belaste autoriteiten;

      • – het Openbaar Ministerie; en

      • – de met de uitvoering van het Verdrag belaste ministeries;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland:

      • – de federale politieautoriteiten en de politieautoriteiten van de deelstaten (politieautoriteiten); en

      • – het Openbaar Ministerie (Staatsanwaltschaften) en de gerechten (gerechtelijke autoriteiten).

    De autoriteiten voor het Koninkrijk der Nederlanden zijn gespecificeerd in bijlage I.

  • 2 In dit Verdrag worden onder grensstreek verstaan:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • - de politieregio's Groningen, Drenthe, Twente, IJsselland, Noord- en Oost-Gelderland, Gelderland Midden, Gelderland Zuid, Limburg Noord en Limburg Zuid; en

      • - de gebieden waarvoor de eenheden Waddenzee en Noordzee van het Korps landelijke politiediensten bevoegd zijn;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland:

      • - in de deelstaat Nedersaksen het district van de politiedirectie Osnabrück; en

      • - in de deelstaat Noordrijn-Westfalen de gemeentedistricten (Kreise) en stadsgemeenten (kreisfreie Städte) in de bestuursdistricten Düsseldorf, Keulen en Münster.

    Als grensstreek wordt daarnaast aangemerkt een trein op het traject van de grens tot aan de eerstvolgende halteplaats op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat die volgens de dienstregeling als eerste wordt aangedaan. Een en ander is van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen tot aan de eerstvolgende aanlegplaats in de andere Verdragsluitende Staat.

  • 3 De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten informeren elkaar schriftelijk over de bevoegde autoriteiten op het terrein van de grensoverschrijdende samenwerking en over eventuele wijzigingen van benamingen van deze autoriteiten. De Verdragsluitende Staten kunnen een wijziging van bijlage 1 en de grensstreek afzonderlijk overeenkomen.

  • 4 Het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag) blijft onverlet.

TITEL II. ALGEMENE VORMEN VAN SAMENWERKING

Artikel 4. Algemene maatregelen tot samenwerking

De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten nemen in het kader van hun onderscheidenlijke bevoegdheden alle maatregelen die noodzakelijk zijn ter intensivering van hun samenwerking. Zij dragen in het bijzonder zorg voor:

  • 1. een intensivering van de uitwisseling van informatie en een verbetering van de communicatiestructuren door:

    • a. elkaar over feiten, dadergerelateerde verbanden en typisch dadergedrag te informeren zonder verstrekking van persoonsgegevens;

    • b. elkaar ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten rechtstreeks op de hoogte te stellen van voor de autoriteiten relevante ophanden zijnde gebeurtenissen en acties, met dien verstande dat de informatie geen persoonsgegevens bevat en zo spoedig mogelijk wordt verstrekt opdat tijdig de vereiste maatregelen kunnen worden getroffen;

    • c. elkaar over en weer ten behoeve van de planning van operaties in het dagelijks werk en bij bijzondere gebeurtenissen belangrijke informatie te verstrekken, waarvan uitgezonderd persoonsgegevens, en elkaar uit voorzorg tevens informatie over gebeurtenissen te verstrekken die kunnen overslaan naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat;

    • d. gemeenschappelijke registers met gegevens over bevoegdheden en bereikbaarheid aan te leggen en deze voortdurend te actualiseren;

    • e. informatie over uitrusting en communicatiemiddelen uit te wisselen;

    • f. informatie over beslissingen tot aanschaf van uitrusting uit te wisselen met het doel een betere uitwisselbaarheid te waarborgen;

    • g. mede door het uitwisselen van apparatuur, radioverbindingen in stand te houden, in het bijzonder de radioverbindingen langs de grens, totdat de overgang naar geharmoniseerde uitrusting en frequenties in Europa is voltooid; en gemeenschappelijk voorstellen voor de realisatie hiervan, tegen zo gering mogelijke kosten uit te werken;

  • 2. een intensivering van de samenwerking in het kader van onderzoek ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid:

    • a. de ambtenaren in de aangrenzende grensstreek zo mogelijk volgens een gezamenlijk gecoördineerd plan in te zetten;

    • b. indien nodig gemeenschappelijke centrales en commandoposten in te richten;

    • c. indien nodig met inachtneming van artikel 19 gemeenschappelijke operationele teams te vormen;

    • d. indien nodig gemeenschappelijke teams in te stellen met inachtneming van artikel 13 van het EU-Rechtshulpverdrag en het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams;

    • e. indien nodig gemeenschappelijke programma's ter voorkoming en bestrijding van strafbare feiten op te zetten en uit te voeren;

    • f. regelmatig en indien nodig overleg te voeren teneinde de kwaliteit van de samenwerking te toetsen, nieuwe strategieën te bespreken, geplande operaties, opsporingsmaatregelen en patrouilles op elkaar af te stemmen, statistische gegevens uit te wisselen en werkprogramma's te coördineren;

    • g. elkaar over en weer na overleg tussen de bevoegde instanties in staat te stellen aan stages deel te nemen;

    • h. vertegenwoordigers van de andere Verdragsluitende Staat als waarnemers uit te nodigen voor deelname aan bijzondere operaties.

Artikel 5. Samenwerking op het gebied van opleiding en bijscholing

Ter versterking van de samenwerking op het gebied van opleiding en bijscholing stellen de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Staten leerplannen ten behoeve van opleiding en bijscholing aan elkaar ter beschikking, bieden zij aan ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat de mogelijkheid tot deelname aan opleidings- en bijscholingsmaatregelen en ontwikkelen zij gemeenschappelijke opleidings- en bijscholingsprogramma's. Hierbij wordt gewaarborgd dat ook specifiek voor de grensstreek geldende problemen uitgebreid aan de orde komen. De bevoegde instanties kunnen gemeenschappelijke opleidings- en bijscholingsmaatregelen met inbegrip van seminars en oefeningen organiseren. Het wederzijds informeren over de in dit opzicht relevante rechtsregels krijgt hierbij bijzondere aandacht.

Artikel 6. Gezag over ambtenaren belast met de uitvoering van politietaken

  • 1 Bij een dringende noodzaak tot handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten, kunnen ambtenaren belast met de uitvoering van politietaken van de ene Verdragsluitende Staat bij wijze van uitzondering onder het gezag van de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Staat worden geplaatst met het oog op de uitvoering van politietaken met inbegrip van de uitoefening van soevereine bevoegdheden.

  • 2 Voorwaarde voor de plaatsing onder gezag is dat hierover overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten wordt bereikt.

  • 3 Van een dringende noodzaak tot handhaving van de openbare orde en veiligheid of voorkoming van strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid is doorgaans sprake indien het slagen van een noodzakelijke politiële maatregel zonder inzet van ambtenaren als bedoeld in het eerste lid zou uitblijven of ernstig in gevaar zou komen; bij de opsporing van strafbare feiten is zulks het geval indien het onderzoek zonder de inzet van ambtenaren als bedoeld in het eerste lid geen kans van slagen zou hebben of wezenlijk zou worden bemoeilijkt.

  • 4 De overeenkomstig het eerste lid onder gezag geplaatste ambtenaren mogen slechts onder bevel van ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat en doorgaans slechts in hun aanwezigheid optreden. Hierbij zijn zij aan het recht van de andere Verdragsluitende Staat gebonden. Het optreden van de onder gezag geplaatste ambtenaren valt onder de verantwoordelijkheid van de Verdragsluitende Staat onder het gezag waarvan zij zijn geplaatst.

Artikel 7. Samenwerking op verzoek

  • 1 De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten verlenen elkaar met inachtneming van het nationale recht en hun onderscheidenlijke bevoegdheden op verzoek bijstand.

  • 2 De autoriteiten verlenen elkaar met inachtneming van artikel 39, eerste lid, eerste volzin, van de SUO bijstand, in het bijzonder door:

    • 1. vaststelling van eigenaren en bezitters alsmede opsporing van bestuurders en gezagvoerders van voer-, vaar- en luchtvaartuigen;

    • 2. verstrekking van informatie over rijbewijzen, vaarbewijzen en vergelijkbare vergunningen;

    • 3. vaststelling van de woon- en verblijfplaats van personen;

    • 4. vaststelling van verblijfstitels;

    • 5. vaststelling van telefoonabonneehouders en van abonneehouders van overige telecommunicatievoorzieningen;

    • 6. vaststelling van de identiteit van personen;

    • 7. onderzoek in te stellen naar de herkomst van zaken zoals wapens, motorvoertuigen en schepen (onderzoek naar de verkoopkanalen);

    • 8. verstrekking van politiegegevens uit gegevensbestanden en politiedossiers alsmede verstrekking van informatie uit publiek toegankelijke registers van de overheid;

    • 9. meldingen inzake wapens en explosieven alsmede meldingen inzake valsmunterij en fraude met waardepapieren;

    • 10. verstrekking van informatie over de praktische uitvoering van grensoverschrijdende observatiemaatregelen, grensoverschrijdende achtervolgingen en gecontroleerde afleveringen;

    • 11. vaststelling van de bereidheid van een persoon tot het afleggen van een verklaring;

    • 12. ondervragingen en verhoren door de politie;

    • 13. technisch sporenonderzoek; en

    • 14. coördinatie en tenuitvoerlegging van eerste opsporingsmaatregelen.

  • 3 Indien de aangezochte autoriteit niet bevoegd is het verzoek af te handelen, stuurt deze het verzoek door aan de bevoegde autoriteit. Een en ander geldt tevens indien de bevoegde autoriteit een justitiële autoriteit is. De aangezochte autoriteit informeert de verzoekende autoriteit over de doorzending en over de voor de afhandeling van het verzoek bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit handelt het verzoek af en stuurt de uitkomst terug naar de verzoekende autoriteit.

  • 4 Verzoeken van de politieautoriteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid worden via de nationale centrale politie-instanties van de Verdragsluitende Staten verzonden en afgehandeld. De eerste volzin laat onverlet dat verzoeken die niet vallen onder het bepaalde in artikel 39, derde lid, tweede volzin, van de SUO geregelde gevallen direct tussen de bevoegde politieautoriteiten worden verzonden en afgehandeld, voor zover:

    • 1. het grensoverschrijdende dienstverkeer op strafbare feiten betrekking heeft waarbij het zwaartepunt van het feit en van de opsporing ervan in de grensstreken ligt als bedoeld in artikel 3, tweede lid; of

    • 2. directe samenwerking op basis van daad- of dadergerelateerde verbanden in het kader van een duidelijk afgebakende zaak doelmatig is en de toestemming hiervoor door de onderscheidenlijke nationale centrale politie-instantie is verleend.

    Artikel 39, derde lid, derde volzin, van de SUO is niet van toepassing. De nationale centrale politie-instantie dient geïnformeerd te worden voor zover het nationale recht dit vereist.

TITEL III. BIJZONDERE VORMEN VAN SAMENWERKING IN STRAFRECHTELIJKE AANGELEGENHEDEN

Artikel 8. Verzoeken om veiligstelling van bewijsmateriaal in spoedeisende gevallen

  • 1 In spoedeisende gevallen kunnen met inachtneming van het nationale recht verzoeken tot het veiligstellen van sporen en van bewijsmateriaal, inclusief het verrichten van onderzoek aan en in het lichaam, evenals tot doorzoeking en inbeslagneming worden ingediend door het Openbaar Ministerie en door de uitvoerende ambtenaren die in dergelijke gevallen naar nationaal recht bevoegd zijn tot het geven van onderzoeksbevelen. De verzoeken dienen rechtstreeks te worden gericht aan de bevoegde justitiële autoriteiten of politieautoriteiten. Voorzover verzoeken in dit kader mondeling zijn gedaan, worden deze zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.

  • 2 De afhandeling van het verzoek inclusief de toetsing of de voorwaarden voor spoedeisende gevallen zijn vervuld, geschiedt volgens het recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat.

  • 3 Wanneer het verzoek, bedoeld in het eerste lid, niet is ingediend door een justitiële autoriteit, wordt de bevoegde justitiële autoriteit van de verzoekende Verdragsluitende Staat onverwijld van de indiening op de hoogte gesteld evenals van de bijzondere omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het hierbij gaat om een spoedeisend geval.

  • 4 Voorzover het recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat voor het gelasten of het handhaven van de maatregel op het grondgebied van de aangezochte Verdragsluitende Staat een gerechtelijk bevel vereist, wordt dit bevel of een dergelijke verklaring van de bevoegde gerechtelijke instantie overeenkomstig het recht van de verzoekende Verdragsluitende Staat zo spoedig mogelijk daarna ingediend. De Verdragsluitende Staten informeren elkaar over de relevante voorschriften in hun nationale wet- en regelgeving.

  • 5 Voor de toezending van de resultaten van de uitgevoerde maatregelen aan de verzoekende Verdragsluitende Staat is een verzoek om rechtshulp vereist dat afkomstig is van de bevoegde justitiële autoriteit. Wanneer de toezending van de resultaten van de uitgevoerde maatregelen met spoed dient te geschieden, kan de aangezochte autoriteit de resultaten rechtstreeks aan de verzoekende autoriteit toezenden, voorzover zulks volgens het nationale recht toelaatbaar is. Indien de aangezochte autoriteit geen justitiële autoriteit is, is voor de overdracht van de resultaten de voorafgaande toestemming van de naar nationaal recht bevoegde justitiële autoriteiten vereist.

Artikel 9. Verzoeken om onderzoek aan en in het lichaam

  • 1 In overeenstemming met hun nationale recht verlenen de Verdragsluitende Staten elkaar op verzoek wederzijdse rechtshulp door het verrichten van onderzoek aan en in het lichaam van de verdachte.

  • 2 Verzoeken bedoeld in het eerste lid worden slechts ingewilligd indien:

    • 1. het onderzoek noodzakelijk is voor de vastelling van relevante feiten in de zaak en proportioneel is ten opzichte van de ernst van het feit;

    • 2. er een onderzoeksbevel van een overeenkomstig het nationale recht bevoegde autoriteit van de verzoekende Verdragsluitende Staat wordt overgelegd of uit een verklaring van een dergelijke autoriteit blijkt dat de voorwaarden voor het onderzoek aan en in het lichaam zouden zijn vervuld indien de verdachte zich op het grondgebied van de verzoekende Verdragsluitende Staat zou bevinden; en

    • 3. de verzoekende Verdragsluitende Staat in het verzoek aangeeft of het verkregen materiaal in de verzoekende Verdragsluitende Staat aan moleculair-genetisch onderzoek onderworpen zal moeten worden.

Artikel 10. Doorzending en vergelijking van DNA-profielen evenals van ander voor de identificatie geschikt materiaal

  • 1 In het kader van een opsporingsonderzoek of strafrechtelijke procedure verlenen de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Staten elkaar in overeenstemming met hun onderscheidenlijke nationale recht wederzijdse rechtshulp door DNA-profielen te vergelijken. De resultaten van de vergelijking worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de bevoegde instanties van de verzoekende Verdragsluitende Staat. De mededeling geschiedt op een tussen de beide Verdragsluitende Staten nog vast te leggen wijze, die voldoet aan internationale normen. Wanneer verdergaande typering van het biologisch materiaal noodzakelijk geacht wordt om de biostatische bewijskracht te verhogen, zal de aangezochte Verdragsluitende Staat – voorzover mogelijk en proportioneel – bewerkstelligen dat deze verdergaande typering van het biologisch materiaal wordt uitgevoerd. De hiermee gemoeide kosten worden aan de aangezochte Verdragsluitende Staat vergoed.

  • 2 Als van een bepaalde persoon die zich in de aangezochte Verdragsluitende Staat bevindt geen DNA-profiel beschikbaar is, verleent de aangezochte Verdragsluitende Staat rechtshulp door het afnemen van en het verrichten van moleculair-genetisch onderzoek aan celmateriaal van deze persoon evenals door toezending van het verkregen DNA-profiel, wanneer:

    • 1. de verzoekende Verdragsluitende Staat meedeelt voor welk doel dit vereist is;

    • 2. de verzoekende Verdragsluitende Staat een volgens haar eigen recht vereist onderzoeksbevel of een verklaring van de bevoegde instantie overlegt waaruit blijkt dat de voorwaarden voor het afnemen van en het verrichten van moleculair-genetisch onderzoek aan celmateriaal zouden zijn vervuld indien de desbetreffende persoon zich op het grondgebied van de verzoekende Verdragsluitende Staat zou bevinden; en

    • 3. de voorwaarden voor het afnemen van en het verrichten van moleculair-genetisch onderzoek aan celmateriaal volgens het recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat vervuld zijn.

    De hiermee gemoeide kosten worden aan de aangezochte Verdragsluitende Staat vergoed.

  • 3 Verzoeken kunnen ook door de bevoegde politieautoriteiten van beide Verdragsluitende Staten worden doorgezonden en langs dezelfde weg worden beantwoord.

Artikel 11. Grensoverschrijdende observatie

Voor grensoverschrijdende observaties geldt artikel 40 van de SUO met de volgende aanvullingen:

  • 1. In het kader van een opsporingsonderzoek kunnen de bevoegde ambtenaren ook een persoon observeren ten aanzien van wie gerede vermoedens bestaan dat deze kan leiden tot de identificatie of het vinden van de persoon die ervan wordt verdacht betrokken te zijn bij een strafbaar feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering. De eerste volzin is ook van toepassing in de gevallen waarin vanwege het bijzonder spoedeisende karakter van de aangelegenheid de voorafgaande toestemming van de andere Verdragsluitende Staat niet verkregen kan worden. Onverminderd de regeling in het negende lid, verloopt de verdere procedure volgens artikel 40, tweede lid, van de SUO.

  • 2. Grensoverschrijdende observatie is ook toegestaan voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf, indien verwacht wordt dat de vrijheidsstraf die nog ten uitvoer moet worden gelegd of het totaal van de nog ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf ten minste vier maanden bedraagt.

  • 3. In de Bondsrepubliek Duitsland worden de verzoeken gericht en direct gezonden aan het Openbaar Ministerie bij het Landgericht, in het rechtsgebied waarvan de grens vermoedelijk zal worden overschreden. Indien bekend is dat bij een ander dan het in de eerste volzin genoemde Openbaar Ministerie in dezelfde zaak reeds een procedure aanhangig is, dient het verzoek te worden gericht aan dat Openbaar Ministerie.

    Wanneer een Openbaar Ministerie bij een tot het geven van toestemming bevoegde centrale autoriteit voor een aan het Koninkrijk der Nederlanden grenzend deelstaat of anderszins een afwijkende competentie in het bijzonder aangewezen is, moet het in dat geval bevoegde Openbaar Ministerie om toestemming worden verzocht.

  • 4. In het Koninkrijk der Nederlanden dienen verzoeken te worden gericht aan de in bijlage I genoemde bevoegde autoriteiten.

  • 5. Doorzending kan ook via de nationale centrale politie-instanties of de optredende politieautoriteiten geschieden.

  • 6. Een afschrift van het verzoek dient behalve aan de nationale centrale politie-instanties tegelijkertijd te worden toegezonden aan:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • - de in bijlage I genoemde autoriteiten;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland:

      • - De Landesjustizverwaltung Niedersachsen en Landesjustiz-verwaltung Nordrhein-Westfalen voor zover deze niet algemeen of in afzonderlijke gevallen afzien van de toezending van een afschrift;

      • - het Landeskriminalamt Niedersachsen te Hannover en het Landeskriminalamt Nordrhein-Westfalen te Düsseldorf;

      • - het Zollkriminalamt te Keulen;

    telkens voorzover het onder de territoriale bevoegdheid van de voornoemde autoriteiten valt en in het geval van het Zollkriminalamt voorzover dit ook onder diens zaaksinhoudelijke competentie valt.

  • 7. Grensoverschrijding dient in geval van een observatie overeenkomstig artikel 40, tweede lid, eerste volzin van de SUO allereerst onverwijld te worden medegedeeld aan:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • - de in bijlage I genoemde autoriteiten;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland:

      • - het Landeskriminalamt Niedersachsen te Hannover en het Landeskriminalamt Nordrhein-Westfalen te Düsseldorf;

      • - het Grenzschutzpräsidium Nord en Grenzschutzpräsidium West; alsmede

      • - de Bundesgrenzschutzämter te Hamburg, Kleef en Keulen;

    telkens voorzover het binnen de territoriale bevoegdheid van de voornoemde autoriteiten valt.

    De kennisgeving overeenkomstig artikel 40, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, juncto vijfde lid, van de SUO geschiedt onverwijld door de in de eerste volzin genoemde autoriteiten. Een verzoek achteraf conform artikel 40, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, van de SUO wordt overeenkomstig het vierde tot en met zesde lid gedaan.

  • 8. De toestemming voor de grensoverschrijdende observatie geldt voor het gehele grondgebied van de Verdragsluitende Staat die de toestemming geeft.

  • 9. Een grensoverschrijdende observatie overeenkomstig artikel 40, tweede lid, van de SUO in het kader van een opsporingsonderzoek is ook toegestaan bij de verdenking van een strafbaar feit dat niet in artikel 40, zevende lid, van de SUO wordt genoemd voorzover het gaat om een strafbaar feit waarvoor volgens het recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat uitlevering mogelijk is.

  • 10. Wijzigingen van de bevoegdheden overeenkomstig het derde tot en met zevende lid worden medegedeeld aan de andere Verdragsluitende Staten.

  • 11. Vereiste technische middelen mogen door de ambtenaren van de ene Verdragsluitende Staat ook op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat worden ingezet, voorzover dit volgens de nationale regelgeving van de andere Verdragsluitende Staat is toegestaan en de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Staat op wiens grondgebied de technische middelen moeten worden ingezet voor dat geval toestemming voor het gebruik heeft verleend. De Verdragsluitende Staten informeren elkaar over de in het desbetreffende geval meegevoerde technische middelen.

  • 12. Het binnentreden van woningen en het betreden van niet voor het publiek toegankelijke terreinen is niet toegestaan. Publiek toegankelijke werk-, bedrijfs- en kantoorruimtes mogen tijdens de werk-, bedrijfs- en kantoortijden worden betreden.

Artikel 12. Achtervolging

  • 1 Voor grensoverschrijdende achtervolging geldt artikel 41 van de SUO met de volgende aanvullingen:

    • 1. Afgezien van de in artikel 41, eerste lid, van de SUO genoemde doeleinden is grensoverschrijdende achtervolging in het kader van de nationale wet- en regelgeving van de Verdragsluitende Staten ook bij de achtervolging van personen toegestaan die binnen een afstand van ten hoogste 150 kilometer van de grens zich onttrekken aan een controle in het kader van de opsporing van personen die verdacht worden van een uitleveringsdelict of die zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf op grond waarvan uitlevering toelaatbaar lijkt.

    • 2. De achtervolging kan ook plaatsvinden over de grenzen in het water en het luchtruim.

    • 3. De achtervolgende ambtenaren oefenen het achtervolgingsrecht voor de in het eerste lid, onder 1, en in artikel 41, eerste lid, van de SUO genoemde doeleinden uit op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat zonder geografische beperkingen of beperkingen in tijd voor alle strafbare feiten op grond waarvan uitlevering kan plaatsvinden, met inbegrip van de bevoegdheid personen aan te houden overeenkomstig artikel 41, tweede lid, onderdeel b, van de SUO.

    • 4. Het binnentreden van woningen en het betreden van niet voor het publiek toegankelijke terreinen is niet toegestaan. Publiek toegankelijke werk-, bedrijfs- en kantoorruimtes mogen tijdens werk-, bedrijfs- en kantoortijden worden betreden.

  • 2 In geval van een grensoverschrijdende achtervolging dient melding plaats te vinden aan:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • - de in bijlage I genoemde autoriteiten;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland:

      • - in de deelstaat Nedersaksen het regionale verbindingsorgaan te Lingen, het Grenzschutzpräsidium Nord en Grenzschutzpräsidium West en de Bundesgrenzschutzämter te Hamburg, Kleef en Keulen;

      • - in Noordrijn-Westfalen de politieautoriteiten in wiens district de grensoverschrijding plaatsvindt of vermoedelijk zal plaatsvinden, het Grenzschutzpräsidium Nord en Grenzschutzpräsidium West en de Bundesgrenzschutzämter te Hamburg, Kleef en Keulen; alsmede

      • - voor de douaneorganisatie de Lage- und Informationsdienst Kleve en de centrale meldkamer in Emden;

    telkens voor zover het onder de territoriale bevoegdheid van de voornoemde autoriteiten valt en in het geval van de voornoemde douaneautoriteiten voor zover dit ook onder hun zaaksinhoudelijke competentie valt.

    Wijzigingen van deze bevoegdheden worden schriftelijk medegedeeld aan de andere Verdragsluitende Staat.

Artikel 13. Gecontroleerde levering

  • 1 Op verzoek kan de aangezochte Verdragsluitende Staat toestemming verlenen voor de gecontroleerde invoer naar haar grondgebied, de gecontroleerde doorvoer of de gecontroleerde uitvoer in het bijzonder bij illegale handel in verdovende middelen, wapens, springstoffen, vals geld, gestolen goederen en geheelde goederen evenals bij het witwassen van geld wanneer de verzoekende Verdragsluitende Staat verklaart dat de opsporing van de verdachten achter de schermen en andere betrokkenen bij het strafbare feit of aan het licht brengen van distributiekanalen zonder deze maatregel geen kans van slagen zou hebben of aanzienlijk bemoeilijkt zou worden. De Verdragsluitende Staten zeggen elkaar toe de levering na het beëindigen van de gecontroleerde aflevering in beslag te nemen, tegen de koeriers, achter de schermen en de afnemers onderzoek in te stellen en te streven naar de veroordeling van de daders en tenuitvoerlegging van de opgelegde straf.

  • 2 De toestemming heeft betrekking op het gehele grondgebied van de aangezochte Verdragsluitende Staat. De uitvoering van de gecontroleerde aflevering verloopt volgens de bepalingen van dit Verdrag en – voorzover in dit Verdrag geen regeling is opgenomen – volgens het nationale recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat.

  • 3 De gecontroleerde aflevering kan volgens afspraak tussen de Verdragsluitende Staten worden onderschept en zodanig voor verder vervoer worden vrijgegeven dat deze aflevering intact blijft, of verwijderd wordt of geheel of gedeeltelijk vervangen wordt. Indien de goederen een bijzonder risico met zich mee brengen voor de personen die betrokken zijn bij deze aflevering of algemeen gevaar voor personen of goederen opleveren, kan de aangezochte Verdragsluitende Staat onder nadere voorwaarden instemmen met het verzoek of het verzoek afwijzen.

  • 4 De aangezochte Verdragsluitende Staat neemt de controle over de levering over bij het overgaan van de grens of op een vooraf afgesproken punt van overdracht, teneinde een onderbreking van de controle te voorkomen. De aangezochte Verdragsluitende Staat waarborgt gedurende het verdere verloop het permanente toezicht op de aflevering, en wel zodanig dat hij ten alle tijde de mogelijkheid heeft de verdachten aan te houden of de goederen in beslag te nemen. Ambtenaren van de verzoekende Verdragsluitende Staat kunnen na een daartoe strekkende afspraak met de aangezochte Verdragsluitende Staat de gecontroleerde aflevering na de overdracht van de verantwoordelijkheid samen met de ambtenaren van de aangezochte Verdragsluitende Staat die de aflevering overnemen verder begeleiden.

  • 5 In afwijking van het vierde lid, derde volzin, kunnen de verantwoordelijke autoriteiten van de Verdragsluitende Staten per geval afspreken dat ambtenaren van de verzoekende Verdragsluitende Staat samen met de aangezochte Verdragsluitende Staat de maatregel onder het gezag van een aanwezige ambtenaar van de aangezochte Verdragsluitende Staat op haar grondgebied zullen uitvoeren, voorzover op het tijdstip van de indiening van het verzoek overeenkomstig het eerste lid op grond van bepaalde feiten aanleiding bestaat om aan te nemen dat de gecontroleerde aflevering uiterlijk 48 uur na de overbrenging naar het grondgebied van de aangezochte Verdragsluitende Staat daar vandaan naar het grondgebied van de verzoekende Verdragsluitende Staat zal worden gebracht, of voor zover de aangezochte Verdragsluitende Staat verklaart dat hij deze maatregel om zwaarwegende redenen niet kan uitvoeren. De in de eerste volzin genoemde feiten en redenen dienen in het verzoek bedoeld in het eerste lid te worden vermeld. De ambtenaren van de verzoekende Verdragsluitende Staat zijn in ieder geval gebonden aan de bepalingen van dit artikel en het recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat; zij dienen de aanwijzingen van de ambtenaren van de aangezochte Verdragsluitende Staat op te volgen. Voor de afspraken bedoeld in de eerste volzin is de medewerking van de bevoegde officier van justitie nodig, voor zover dat naar nationaal recht vereist is.

  • 6 Op verzoeken om gecontroleerde afleveringen die in een derde staat beginnen of worden voortgezet, wordt alleen toestemming verleend als het vervullen van de op grond van het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden ook door de derde staat gegarandeerd wordt.

  • 7 Artikel 11, het achtste, het elfde en het twaalfde lid, van dit Verdrag en artikel 40, derde lid, onderdelen a tot c, g, en h, van de SUO zijn overeenkomstig van toepassing.

  • 8 Verzoeken om gecontroleerde invoer en doorvoer dienen te worden gericht aan de in artikel 11, derde en vierde lid, genoemde autoriteiten. Verzoeken om gecontroleerde uitvoer dienen te worden gericht aan:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden de in bijlage I genoemde autoriteiten;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland aan het Openbaar Ministerie in wiens rechtsgebied het vervoer begint.

Artikel 14. Infiltratie ten behoeve van strafrechtelijke opsporing

  • 1 Op verzoek kan de aangezochte Verdragsluitende Staat toestemming verlenen voor de uitvoering van infiltratie op haar grondgebied door ambtenaren van de verzoekende Verdragsluitende Staat die volgens de wet- en regelgeving van de verzoekende Verdragsluitende Staat de status van infiltrant hebben, wanneer de verzoekende Verdragsluitende Staat aannemelijk maakt dat zonder deze maatregel de opheldering van de zaak geen kans van slagen zou hebben of aanzienlijk bemoeilijkt zou worden. De inwilliging van een verzoek waarmee toestemming wordt verleend voor infiltratie, geldt voor het gehele grondgebied van de aangezochte Verdragsluitende Staat.

  • 2 De andere voorwaarden voor infiltratie, in het bijzonder de voorwaarden die van toepassing zijn voor het inzetten van infiltranten, worden bepaald door het recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat. De aangezochte Verdragsluitende Staat kan bovendien richtlijnen vaststellen voor het gebruik van de door middel van een infiltratie verworven inzichten. De Verdragsluitende Staten informeren elkaar over de voorwaarden die gelden voor de uitvoering van infiltratie volgens hun nationale wet- en regelgeving.

  • 3 Infiltratie op het grondgebied van de aangezochte Verdragsluitende Staat is beperkt tot afzonderlijke, qua tijd beperkte politieoptredens die in het verzoek overeenkomstig het eerste lid moeten worden aangegeven. Indien op het tijdstip van de indiening van het verzoek reeds aannemelijk is dat de infiltratie zich over een bepaalde periode zal uitstrekken, kan de infiltratie in eerste instantie voor de duur van ten hoogste drie maanden worden toegestaan. Verlenging van de toestemming die gepaard kan gaan met wijziging van de oorspronkelijk gegeven toestemming, is toegestaan. De vermoedelijke duur van de infiltratie dient eveneens te worden aangegeven in het verzoek overeenkomstig het eerste lid. De autoriteiten van de verzoekende Verdragsluitende Staat maken tijdens de voorbereiding van het politieoptreden afspraken met de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Verdragsluitende Staat.

  • 4 De leiding van het politieoptreden berust bij een ambtenaar van de aangezochte Verdragsluitende Staat; het optreden van de ambtenaren van de verzoekende Verdragsluitende Staat valt onder de verantwoordelijkheid van de aangezochte Verdragsluitende Staat. De aangezochte Verdragsluitende Staat kan te allen tijde beëindiging van de infiltratie eisen.

  • 5 De aangezochte Verdragsluitende Staat neemt de vereiste maatregelen om de verzoekende Verdragsluitende Staat bij de uitvoering personeel, logistiek en technisch te ondersteunen en om de ambtenaren van de verzoekende Verdragsluitende Staat te beschermen tijdens hun optreden op het grondgebied van de aangezochte Verdragsluitende Staat.

  • 6 De bevoegde autoriteiten maken nadere afspraken met betrekking tot de noodzakelijke toestemming in dringende gevallen. Dringende gevallen in de zin van de eerste volzin doen zich voor, indien te vrezen valt dat zonder grensoverschrijdende infiltratie de identiteit van de ingezette ambtenaren bekend zou worden en het onderzoek gevaar zou lopen.

  • 7 Artikel 8, eerste en vierde lid, vinden overeenkomstige toepassing.

  • 8 Technische middelen die voor de beveiliging van het optreden vereist zijn, mogen worden meegevoerd, tenzij de Verdragsluitende Staat op wiens grondgebied de infiltratie wordt uitgevoerd, uitdrukkelijk bezwaar maakt. In het verzoek moeten als regel de technische middelen worden vermeld. Voor het overige geldt artikel 11, elfde lid, overeenkomstig.

  • 9 Het verzoek dient te worden gericht aan de nationale centrale politie-instantie of, met gelijktijdige informering van de nationale centrale politie-instantie, aan het Openbaar Ministerie van de aangezochte Verdragsluitende Staat dat voor het bevel tot of de toestemming voor infiltratie verantwoordelijk zou zijn indien de infiltratie door de autoriteiten van de aangezochte Verdragsluitende Staat zou worden uitgevoerd. In de gevallen waarin de infiltratie in de Bondsrepubliek Duitsland zich naar verwachting zal beperken tot de grensstreek bedoeld in artikel 3, tweede lid, dient het verzoek bovendien in afschrift te worden gericht aan het in het gegeven geval bevoegde Landeskriminalamt van de deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen onder gelijktijdig informeren van de nationale centrale politie-instantie.

  • 10 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staat op wiens grondgebied het optreden heeft plaatsgevonden, worden onverwijld schriftelijk geïnformeerd over de uitvoering en de resultaten van de infiltratie.

  • 11 De Verdragsluitende Staten kunnen elkaar infiltranten ter beschikking stellen die in opdracht en onder het gezag van de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Staat zullen optreden.

Artikel 15. Informatieverstrekking bij strafrechtelijke opsporing zonder verzoek

De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen elkaar in uitzonderlijke gevallen met inachtneming van het nationale recht zonder verzoek informatie met inbegrip van persoonsgegevens doen toekomen indien er aanwijzingen zijn dat de ontvanger deze informatie voor de opsporing van strafbare feiten nodig heeft. De ontvanger is verplicht het belang van de medegedeelde gegevens te toetsen en niet-noodzakelijke gegevens te verwijderen, te vernietigen of terug te zenden naar de instantie die deze gegevens heeft verstrekt en, indien gebleken is dat de informatie onjuist is, dit te melden aan de instantie die de informatie heeft verstrekt.

TITEL IV. OVERIGE VORMEN VAN GRENSOVERSCHRIJDENDE SAMENWERKING

Artikel 16. Observatie ter voorkoming van een strafbaar feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering

  • 1 Met inachtneming van het respectievelijk geldende nationale recht van de Verdragsluitende Staten is grensoverschrijdende observatie ter voorkoming van een strafbaar feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering bij wijze van uitzondering toegestaan:

    • 1. met voorafgaande toestemming, wanneer de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Staat op wiens grondgebied de observatie moet worden uitgevoerd, verklaart de maatregel niet zelf te kunnen uitvoeren;

    • 2. zonder voorafgaande toestemming bij bijzondere spoedeisendheid.

    De observatie is slechts toegestaan indien een verzoek niet binnen het kader van een opsporingsonderzoek kan worden ingediend en het doel van de observatie niet kan worden bereikt door het overnemen van de ambtsverrichtingen door organen van de andere Verdragsluitende Staat of door vorming van gemeenschappelijke observatieteams. De observerende ambtenaren zijn onderworpen aan het gezag van de Verdragsluitende Staat op wiens gebied de observatie dient plaats te vinden.

  • 2 Op observaties bedoeld in het eerste lid zijn de volgende voorschriften van overeenkomstige toepassing:

    • artikel 40, tweede lid, van de SUO met uitzondering van de beperkende verwijzing naar artikel 40, zevende lid, van de SUO;

    • artikel 40, derde lid, onderdelen a tot en met c en g, van de SUO;

    • artikel 40, vierde lid, van de SUO;

    • artikel 11, onder 8, 11 en 12.

  • 3 Verzoeken bedoeld in het eerste lid en mededelingen bedoeld in het tweede lid dienen te worden gericht aan onderstaande instanties:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden aan de in bijlage I genoemde autoriteiten;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland aan het Landeskriminalamt van Nedersaksen of Noordrijn-Westfalen of de plaatselijke bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 3, eerste lid, of aan de Bundesgrenzschutzämter te Hamburg, Kleef of Keulen.

    Artikel 7, derde lid, eerste, derde en vierde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17. Achtervolging bij bijzondere politiecontroles

  • 1 Binnen het kader van het respectievelijk geldende nationale recht van de Verdragsluitende Staten is de grensoverschrijdende achtervolging toegestaan van personen die zich onttrekken aan een grenscontrole als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de SUO.

  • 2 Grensoverschrijdende achtervolging is voorts toegestaan indien een persoon zich binnen een afstand van ten hoogste 150 kilometer voor de grens onttrekt aan een controle door politie voorzover daarbij duidelijke stoptekens worden genegeerd en dientengevolge gevaar voor de openbare veiligheid veroorzaakt wordt.

  • 3 De achtervolgende ambtenaren dienen onverwijld en zo mogelijk nog voorafgaand aan de grensoverschrijding contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Staat. De grensoverschrijdende achtervolging dient te worden gestaakt indien de bevoegde autoriteit van de gaststaat dit gelast of de voortzetting van de maatregel leidt tot een concrete gevaarzetting voor de gezondheid of het leven van de achtervolgde persoon of van derden en deze gevaarzetting kennelijk disproportioneel is ten opzichte van het te verhinderen gevaar.

  • 4 Voor dergelijke grensoverschrijdende achtervolgingen gelden de volgende voorschriften overeenkomstig:

    • artikel 41, eerste lid, van de SUO;

    • artikel 41, tweede lid, onderdeel b, van de SUO;

    • artikel 41, derde lid, onderdeel b, van de SUO;

    • artikel 41, vijfde lid, onderdelen a en c tot en met g, van de SUO;

    • artikel 12, eerste lid, onder 2;

    • artikel 12, tweede lid.

Artikel 18. Infiltratie ter voorkoming van ernstige strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering

  • 1 Voorzover het onderscheidenlijke nationale recht dat toelaat kan infiltratie ter voorkoming van ernstige strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering die opzettelijk gepleegd zijn en niet uitsluitend op verzoek kunnen worden vervolgd, worden voortgezet op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat wanneer deze voor de grensoverschrijdende infiltratie toestemming heeft verleend op basis van een vooraf ingediend verzoek.

  • 2 Artikel 14, eerste tot en met zesde lid, achtste, tiende en elfde lid, en artikel 16, derde lid, zijn overeenkomstig van toepassing, met dien verstande dat de nationale centrale politie-instantie tegelijkertijd dient te worden geïnformeerd.

Artikel 19. Vormen van gezamenlijk optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten

Ter intensivering van de samenwerking kunnen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten gezamenlijke patrouilles, gemeenschappelijk bemande controle-, evaluatie- en observatieteams of andere samenwerkingsvormen instellen ter handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten, waarbij ambtenaren van de zendstaat in het kader van een optreden in de gaststaat hun medewerking verlenen. Soevereine bevoegdheden mogen hierbij uitsluitend onder leiding en doorgaans in aanwezigheid van ambtenaren van de gaststaat worden uitgeoefend. Artikel 6, vierde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20. Uitwisseling van informatie voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten

Met inachtneming van het onderscheidenlijke nationale recht kunnen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten elkaar in afzonderlijke gevallen ook zonder verzoek informatie inclusief persoonsgegevens verstrekken, voorzover er aanwijzingen zijn dat het voor de ontvanger nodig is deze informatie te kennen voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten. Artikel 15, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21. Voorlopige grensoverschrijdende maatregelen ter afwending van een aanwezig gevaar voor gezondheid of leven

  • 1 Ambtenaren belast met de uitvoering van politietaken van een Verdragsluitende Staat (hierna te noemen: „optredende ambtenaren") mogen in geval van een spoedeisende situatie zonder voorafgaande toestemming van de andere Verdragsluitende Staat de gemeenschappelijke grens overschrijden teneinde in het nabij de grens gelegen gebied op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat met inachtneming van het nationale recht van de gaststaat voorlopige maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om een aanwezig gevaar voor gezondheid of leven af te wenden. Tot deze voorlopige maatregelen kan tevens de aanhouding van een persoon behoren.

  • 2 Van een spoedeisende situatie als bedoeld in het eerste lid is sprake indien een optreden van de ambtenaren van de gaststaat of van een toestemming als bedoeld in artikel 6, tweede lid, niet kan worden afgewacht omdat hierdoor het risico bestaat dat het gevaar zich daadwerkelijk manifesteert.

  • 3 De optredende ambtenaren dienen de gaststaat onverwijld te informeren. De gaststaat dient onverwijld de noodzakelijke maatregelen te nemen om het gevaar af te wenden en de situatie meester te worden. De grensoverschrijdende ambtenaren mogen in de gaststaat slechts optreden totdat de gaststaat de noodzakelijke maatregelen ter afwending van het gevaar heeft genomen. De optredende ambtenaren zijn aan de aanwijzingen van de gaststaat gebonden.

  • 4 De Verdragsluitende Staten maken een afzonderlijke afspraak welke instanties overeenkomstig derde lid onverwijld geïnformeerd dienen te worden. De optredende ambtenaren zijn gebonden aan de bepalingen van dit artikel en aan het recht van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan zij optreden.

  • 5 De maatregelen van de optredende ambtenaren vallen onder de verantwoordelijkheid van de gaststaat.

Artikel 22. Bijstandsverlening bij grootschalige evenementen, rampen en zware ongevallen

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten verlenen elkaar met inachtneming van het desbetreffende nationale recht over en weer bijstand bij grootschalige evenementen en soortgelijke grote gebeurtenissen, rampen alsmede zware ongevallen door:

  • 1. elkaar in een zo vroeg mogelijk stadium over dergelijke gebeurtenissen met grensoverschrijdende gevolgen te informeren en relevante informatie mee te delen;

  • 2. in situaties met grensoverschrijdende gevolgen de op hun grondgebied noodzakelijke politiemaatregelen te nemen en te coördineren;

  • 3. op verzoek van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan zich de situatie voordoet, voor zover mogelijk door detachering van ambtenaren, specialisten en adviseurs alsmede door het beschikbaar stellen van uitrusting, bijstand te verlenen.

    Voor het overige laat dit Verdrag onverlet de op 7 juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen.

Artikel 23. Inrichting van tijdelijke controleposten

  • 1 Op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat kan een tijdelijke controlelocatie worden ingericht voor zover:

    • 1. op het eigen grondgebied geen geschikte locatie voorhanden is;

    • 2. zulks voor de uitvoering van een grenscontrole als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de SUO noodzakelijk is; en

    • 3. de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Staat in afzonderlijke gevallen toestemming voor de maatregel heeft verleend.

  • 2 De tijdelijke controlelocatie dient zo dicht mogelijk bij de grens te liggen en mag niet verder dan vijf kilometer van de grenslijn verwijderd zijn.

  • 3 Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorwaarden worden verbonden. De maatregel dient op verzoek van de bevoegde autoriteit van de gaststaat gestaakt te worden.

  • 4 De grenscontrole wordt uitsluitend uitgevoerd overeenkomstig het recht en door de ambtenaren van de Verdragsluitende Staat die de controle als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de SUO heeft gelast. Op tijdelijke controlelocaties dienen evenwel ambtenaren van beide Verdragsluitende Staten aanwezig te zijn.

  • 5 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten leggen registers van de op hun grondgebied gelegen en voor de inrichting van tijdelijke controleposten geschikte locaties aan, wisselen deze registers uit en informeren elkaar onverwijld over wijzigingen.

  • 6 Voor het geval dat grenscontroles als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de SUO worden uitgevoerd, zijn de artikelen 4 tot en met 9 van de op 30 mei 1958 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens de samenvoeging van de grenscontrole en de instelling van gemeenschappelijke spoorwegstations of van grensaflosstations aan de Nederlands-Duitse grens van toepassing; voor het overige is de Overeenkomst van 30 mei 1958 van overeenkomstige toepassing.

TITEL V. ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE SAMENWERKING

Artikel 24. Gemeenschappelijk bemande centra

  • 1 De Verdragsluitende Staten kunnen gemeenschappelijk bemande centra voor de uitwisseling van informatie en de ondersteuning van hun autoriteiten instellen.

  • 2 In de gemeenschappelijk bemande centra werken ambtenaren van de autoriteiten van beide Verdragsluitende Staten in het kader van hun onderscheidenlijke bevoegdheden binnen één gebied rechtstreeks samen teneinde in aangelegenheden behorende tot de bevoegdheden van de autoriteiten in de in artikel 3, tweede lid genoemde grensstreken informatie uit te wisselen, te analyseren en door te zenden alsmede ondersteunend aan de coördinatie van de grensoverschrijdende samenwerking uit hoofde van dit Verdrag mee te werken. Op de verstrekking van persoonsgegevens zijn de artikelen 7, 15 en 20 van toepassing.

  • 3 De ondersteunende functie kan tevens de voorbereiding van en medewerking aan de repatriëring van vreemdelingen op grond van de tussen de Verdragsluitende Staten geldende overeenkomsten omvatten.

  • 4 De zelfstandige uitvoering van operaties is geen taak van de gemeenschappelijk bemande centra. De ambtenaren in de gemeenschappelijk bemande centra zijn onderworpen aan het gezag en het tuchtrecht van hun onderscheidenlijke nationale autoriteiten.

  • 5 Aantal en zetel van de gemeenschappelijk bemande centra alsmede de bijzonderheden van de samenwerking en de evenredige verdeling van de kosten worden bij afzonderlijke afspraken geregeld.

  • 6 Autoriteiten van een Verdragsluitende Staat kunnen participeren in gemeenschappelijk bemande centra die de andere Verdragsluitende Staat met een gemeenschappelijk buurland onderhoudt, indien en voor zover de andere Verdragsluitende Staat en het buurland toestemming voor een dergelijke participatie verlenen. De bijzonderheden van de samenwerking en de verdeling van de kosten worden tussen alle betrokken staten geregeld.

Artikel 25. Inzet van luchtvaartuigen en vaartuigen

  • 1 Bij grensoverschrijdende optreden op grond van dit Verdrag mogen ook luchtvaartuigen en vaartuigen worden ingezet.

  • 2 Bij het grensoverschrijdende optreden als bedoeld in het eerste lid vervalt bij vluchten volgens de regels voor zichtvliegvoorschriften tijdens de daglichtperiode de verplichting om een vliegplan in te dienen. Vluchten die worden uitgevoerd onder de instrumentvliegvoorschriften mogen uitsluitend plaatsvinden in gecontroleerd luchtruim (met klasse A, B, C, D of E). Aan deze vluchten wordt luchtverkeersleiding gegeven. Voor het verkrijgen van de benodigde klaring wordt voorafgaand aan de instrumentvliegvoorschriftenvlucht een vliegplan ingediend. Voor zichtvliegvoorschriftenvluchten buiten de daglicht periode worden door de betrokkenen afzonderlijk afspraken gemaakt.

  • 3 Voor de vluchten bedoeld in het eerste lid geldt de verleende toestemming zoals bedoeld in artikel 3, onderdeel c, van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart. Voor deze vluchten – tenzij in het tweede lid anders wordt bepaald – gelden de bepalingen voor het luchtverkeer die in de Verdragsluitende Staten van toepassing zijn. In het kader van de invulling van taken uit hoofde van dit Verdrag mogen luchtvaartuigen tevens buiten vliegvelden opstijgen en landen, voorzover dit vereist is voor de uitvoering van het politieoptreden met inachtneming van de openbare rust, orde en veiligheid.

  • 4 De luchtvaartuigen dienen in het land van herkomst toegelaten te zijn voor de aard van het optreden.

  • 5 Bij de inzet van vaartuigen zijn de ambtenaren in dezelfde mate ontheven van de verkeersregelingen voor de binnenscheepvaart en zeevaart als de ambtenaren van de politie van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan zij optreden. Voor de gebruikte vaartuigen mag de aanduiding worden gebruikt voor voertuigen van betreffende controleautoriteiten. De ambtenaren zijn ook bevoegd instructies te geven – met uitzondering van nautische instructies – voorzover dit dringend noodzakelijk is voor de vervulling van de taken die in het eerste lid worden genoemd en de veiligheid van de scheepvaart en van personen hierdoor niet in het geding komt.

Artikel 26. Bescherming van persoonsgegevens

  • 1 De bescherming van persoonsgegevens wordt overeenkomstig de artikelen 126 tot en met 130 van de SUO en, voorzover daarin geen regelingen zijn getroffen, overeenkomstig de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie in het toepassingsgebied van bedoelde overeenkomst gewaarborgd. Een en ander geldt tevens voor persoonsgegevens die in het kader van grensoverschrijdend optreden op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat zijn verzameld. Hierbij dienen de door de aangezochte Verdragsluitende Staat aan de grensoverschrijdende maatregel gestelde bijzondere voorwaarden in acht genomen te worden.

  • 2 Aan ambtenaren die op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat optreden, mag slechts onder leiding van een ambtenaar van de gaststaat toegang tot officiële persoonsgegevensbestanden van de gaststaat worden verleend.

Artikel 27. Overpad

  • 1 Voor zover zulks gelet op de verkeerssituatie noodzakelijk is, mogen de ambtenaren van een Verdragsluitende Staat voor de in artikel 2 van dit Verdrag geregelde doeleinden het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat betreden teneinde het eigen grondgebied via een zo kort mogelijke weg weer te bereiken. Voor zover zulks met inachtneming van het nationale recht noodzakelijk is, mag hierbij van voorrangsrechten en speciale voorrechten gebruik worden gemaakt. In de gevallen als genoemd in de tweede volzin dienen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan van de voorrangsrechten en speciale voorrechten gebruik wordt gemaakt, onverwijld geïnformeerd te worden.

  • 2 Ambtenaren van een Verdragsluitende Staat mogen ten behoeve van maatregelen die zij naar nationaal recht op de op het eigen grondgebied gelegen trajecten van grensoverschrijdende personentreinen of passagiersschepen uitvoeren, reeds op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat aan boord gaan of na beëindiging van de maatregelen ter plaatse van boord gaan. Indien een op het eigen grondgebied met inachtneming van het nationale recht begonnen controlemaatregel, in het bijzonder de controle van een persoon of een goed, niet in het grensstreek als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tweede volzin kan worden voltooid en indien te verwachten is dat anders het doel van de maatregel niet kan worden bereikt, mag deze op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat zo lang worden voortgezet als volstrekt noodzakelijk is om de maatregel te voltooien. Voor zover overige maatregelen noodzakelijk zijn, blijven de hiervoor geldende regelingen onverlet.

Artikel 28. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid

  • 1 Indien een ambtenaar in het kader van een maatregel bedoeld in de artikelen 13 en 14 van dit Verdrag of een gemeenschappelijk opsporingsteam, bedoeld in het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake de gemeenschappelijke opsporingsteams, grensoverschrijdend optreedt en daarbij schade toebrengt is de zendstaat, met inachtneming van het nationale recht van de gaststaat, aansprakelijk voor de door haar ambtenaar toegebrachte schade.

  • 2 De Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de in het eerste lid genoemde schade wordt veroorzaakt, vergoedt deze schade zoals deze de schade zou dienen te vergoeden indien zijn eigen ambtenaren deze zouden hebben veroorzaakt.

  • 3 De Verdragsluitende Staat wiens ambtenaren op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat schade hebben veroorzaakt, vergoedt aan de andere Verdragsluitende Staat het volledige bedrag van de schadevergoeding die deze aan de gedupeerden of hun rechtsopvolgers heeft betaald.

  • 4 Onverminderd de uitoefening van zijn rechten jegens derden en met uitzondering van derde lid ziet elke Verdragsluitende Staat in het geval als bedoeld in het eerste lid ervan af het bedrag van de geleden schade op de andere Verdragsluitende Staat te verhalen.

  • 5 Voor het overige is artikel 43 van de SUO van toepassing op de aansprakelijkheid en de vergoeding van schade die bij de uitvoering van een maatregel uit hoofde van dit Verdrag door ambtenaren van de ene Verdragsluitende Staat op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat wordt veroorzaakt.

TITEL VI. REGELINGEN BETREFFENDE DE GRENSOVERSCHRIJDEND OPTREDENDE AMBTENAREN

Artikel 29. Aanhouden

Indien een persoon op wie een maatregel als bedoeld in de artikelen 11, 13, 16 en 17 betrekking heeft, op heterdaad wordt betrapt bij het plegen van een strafbaar feit tegen de gezondheid of het leven, dat naar het recht van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de maatregel wordt uitgevoerd aanleiding kan geven tot uitlevering, mogen de ambtenaren die de maatregel uitvoeren en onder leiding van de aangezochte Verdragsluitende Staat optreden, die persoon aanhouden. De aangehouden persoon mag met het oog op zijn voorgeleiding aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Verdragsluitende Staat slechts aan een veiligheidsfouillering worden onderworpen. Tijdens de overbrenging mogen hem handboeien worden omgelegd. De door de verdachte meegevoerde voorwerpen mogen voorlopig in beslag worden genomen totdat ambtenaren van de bevoegde autoriteit van de aangezochte Verdragsluitende Staat arriveren. Als strafbaar feit als bedoeld in de eerste volzin geldt tevens deelneming aan een strafbaar feit.

Artikel 30. Bevoegdheden en rechtspositie van grensoverschrijdende ambtenaren

  • 1 Ambtenaren van een Verdragsluitende Staat die zich in het kader van de samenwerking uit hoofde van dit Verdrag op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat ophouden, beschikken ter plaatse niet over soevereine bevoegdheden, tenzij in dit Verdrag iets anders is bepaald. Zij zijn in het kader van alle maatregelen aan het nationale recht van de andere Verdragsluitende Staat gebonden. De bijzondere bepalingen in artikel 23 blijven onverlet.

  • 2 Ambtenaren van een Verdragsluitende Staat die uit hoofde van dit Verdrag bij een instantie van de andere Verdragsluitende Staat worden gedetacheerd, zijn contactambtenaren als bedoeld in artikel 47 of artikel 125 van de SUO. Bepalend voor hun rechtspositie is artikel 47, derde lid, van de SUO of artikel 125, derde lid, van de SUO, tenzij in dit Verdrag iets anders is bepaald.

  • 3 Indien ambtenaren van een Verdragsluitende Staat in het kader van maatregelen uit hoofde van dit Verdrag op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat motorvoertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen inzetten, zijn zij hierbij aan dezelfde verkeersvoorschriften onderworpen als de ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat. Onverminderd de bepaling in artikel 27, eerste lid, tweede zin geldt zulks in het bijzonder ten aanzien van de gebruikmaking van voorrangsrechten en speciale voorrechten. De Verdragsluitende Staten informeren elkaar over de onderscheidenlijk geldende voorschriften.

Artikel 31. Het dragen van uniformen en het meevoeren van bewapening en uitrusting

  • 1 Ambtenaren van een Verdragsluitende Staat die zich in het kader van de samenwerking uit hoofde van dit Verdrag op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat ophouden, kunnen ter plaatse hun nationale dienstkleding dragen. Hierbij mogen zij doorgaans de naar het onderscheidenlijke nationale recht van hun eigen staat toegestane bewapening en uitrusting met inbegrip van munitie, traangasapparatuur, spuitbussen met prikkelende stoffen, wapenstokken en diensthonden meevoeren.

  • 2 De bevoegde autoriteiten informeren elkaar over de onderscheidenlijk toegestane dienstwapens en uitrusting.

Artikel 32. Gebruik van dienstwapens en overige middelen

  • 1 De eigen dienstwapens en de eigen uitrusting mogen bij grensoverschrijdend optreden uit hoofde van dit Verdrag op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat met inachtneming van het recht van de gaststaat worden gebruikt; artikel 29 blijft in zoverre onverlet.

  • 2 De dienstwapens en overige middelen als vermeld in bijlage II mogen slechts in geval van noodweer, waaronder begrepen noodhulp, worden gebruikt.

  • 3 De met de feitelijke leiding belaste ambtenaar van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan een grensoverschrijdend optreden plaatsvindt, kan in afzonderlijke gevallen met inachtneming van het nationale recht toestemming verlenen voor een meer omvattend gebruik dan bedoeld in het tweede lid. In de gevallen als bedoeld in de artikelen 11, 12, 16 en 17 mag geen toestemming worden verleend.

  • 4 Ambtenaren die in het kader van hun grensoverschrijdende inzet overeenkomstig artikel 21 lichamelijk geweld hebben aangewend dat naar het recht van de gaststaat is toegestaan, melden de desbetreffende feiten en omstandigheden alsmede de hieruit voortvloeiende gevolgen onverwijld aan de bevoegde autoriteit. Voor het overige geschieden meldingen met inachtneming van het nationale recht van de gaststaat.

  • 5 De Verdragsluitende Staten kunnen in een afzonderlijke afspraak een wijziging van bijlage II overeenkomen.

Artikel 33. Strafrechtelijke aansprakelijkheid

De grensoverschrijdende ambtenaren die uit hoofde van dit Verdrag optreden, zijn voor wat betreft strafbare feiten die tegen hen of door hen worden begaan, gelijkgesteld met de ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat, tenzij in een ander Verdrag dat voor de Verdragsluitende Staten geldt, anders is overeengekomen.

Artikel 34. Hulpverleningsclausule, arbeidsrecht

  • 1 De Verdragsluitende Staten zijn jegens de grensoverschrijdende ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat tijdens de uitoefening van hun dienst tot dezelfde bescherming en bijstand verplicht als jegens de eigen ambtenaren.

  • 2 De ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat blijven arbeidsrechtelijk, in het bijzonder tuchtrechtelijk, alsmede aansprakelijkheidsrechtelijk onderworpen aan de in hun staat geldende voorschriften.

Artikel 35. Uitzonderingsclausule

Indien een Verdragsluitende Staat van mening is dat inwilliging van een verzoek of het uitvoeren of toelaten van een maatregel uit hoofde van dit Verdrag ertoe kan leiden dat de eigen soevereine rechten worden aangetast, de eigen veiligheid of andere wezenlijke belangen gevaar lopen of inbreuk op het nationale recht wordt gemaakt, kan deze de samenwerking met inachtneming van overige internationale samenwerkingsverplichtingen geheel of gedeeltelijk weigeren of hieraan bepaalde voorwaarden stellen.

TITEL VII. UITVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 36. Afspraken betreffende de uitvoering

De bevoegde instanties van de Verdragsluitende Staten kunnen op grond en in het kader van dit Verdrag afspraken maken die de beheersmatige uitvoering ten doel hebben.

Artikel 37. Controle

Op verzoek van een Verdragsluitende Staat controleert een gemeenschappelijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten de uitvoering van dit Verdrag en bepaalt deze of er behoefte aan aanvullingen of actualiseringen bestaat.

Artikel 38. Kosten

Iedere Verdragsluitende Staat draagt de kosten ontstaan op grond van de toepassing van dit Verdrag, tenzij de bevoegde autoriteiten in afzonderlijke gevallen anders overeenkomen. Artikel 9 van de op 7 juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen, blijft onverlet.

Artikel 39. Medegelding voor de douaneadministratie

  • 1 Voor zover autoriteiten van de in artikel 4, onder 7, van de Napels II-overeenkomst bedoelde douaneadministraties van de Verdragsluitende Staten zijn belast met de uitoefening van:

    • 1. taken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Napels II-overeenkomst, of

    • 2. grenspolitietaken aan de buitengrens van de Europese Gemeenschap;

    staan deze in het kader van dit Verdrag voor het Koninkrijk der Nederlanden gelijk aan de met de uitoefening van verschillende politietaken belaste autoriteiten en voor de Bondsrepubliek Duitsland gelijk aan de politieautoriteiten, een en ander als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

  • 2 Bevoegde autoriteiten van de douaneadministratie zijn:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • - de autoriteiten, voor zover deze zijn belast met taken als bedoeld in het eerste lid;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland:

      • - de douanerecherche (Zollfahndungsdienst);

      • - de douanehoofdkantoren (Hauptzollämter), voor zover deze zijn belast met taken als bedoeld in het eerste lid, onder 1 en 2,

    behoudens voor zover bijlage I bij dit Verdrag met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere bevoegdheidsregelingen bevat.

  • 3 Ten aanzien van de autoriteiten van de douaneadministraties van de Verdragsluitende Staten zijn bij de uitoefening van taken als bedoeld in het eerste lid, onder 1 de volgende bepalingen van dit Verdrag van overeenkomstige toepassing:

    • 1. artikel 1, eerste lid, artikel 3, derde lid, eerste volzin, tweede volzin, wat betreft de verwijzing daarin naar bijlage 1, en vierde lid, artikel 5, artikel 14, zesde en elfde lid, artikel 25, artikel 28, artikel 30, eerste lid, eerste en tweede volzin, tweede en derde lid, artikel 31, artikelen 33 tot en met 38;

    • 2. artikel 4, met dien verstande dat in onder 1, onderdeel b, de woorden „voor de autoriteiten relevante ophanden zijnde ge-beurtenissen en acties" worden vervangen door de woorden „ophanden zijnde gebeurtenissen en acties die voor de toepassing van de douanevoorschriften, bedoeld in de Napels II-overeenkomst, van belang zijn,";

    • 3. artikel 6, met dien verstande dat:

      • a. het onder gezag plaatsen van ambtenaren tussen de in artikel 4, onder 7, van de Napels II-overeenkomst bedoelde douaneadministraties van de Verdragsluitende Staten is toegestaan;

      • b. b. in het eerste lid de woorden „uitvoering van politietaken" telkens worden vervangen door de woorden „uitoefening van taken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Napels II-overeenkomst";

      • c. in het derde lid de woorden „noodzakelijke politiële maatregel" worden vervangen door de woorden „voor de uitoefening van taken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Napels II-overeenkomst noodzakelijke maatregel";

    • 4. artikel 12, eerste lid, onder 1 en 3 en tweede lid, met dien verstande dat in het eerste lid in de plaats van artikel 41 van de SUO, artikel 20 van de Napels II-overeenkomst komt;

    • 5. artikel 17, tweede tot en met vierde lid, met dien verstande dat:

      • a. in het tweede lid de woorden „controle door politie" worden vervangen door de woorden „controle in het kader van de uitoefening van taken als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Napels II-overeenkomst"; en

      • b. in het vierde lid: – de woorden „artikel 41, eerste lid SUO" worden vervangen door de woorden „artikel 20, eerste lid van de Napels II-overeenkomst";

        • - de woorden „artikel 41, tweede lid, onderdeel b SUO" worden vervangen door de woorden „artikel 20, tweede lid, onderdeel b van de Napels II-overeenkomst";

        • - de woorden „artikel 41, derde lid, onderdeel b SUO" worden vervangen door de woorden „artikel 20, derde lid, onderdeel b van de Napels II-overeenkomst";

        • - de woorden „artikel 41, vijfde lid, onderdelen a en c tot en met g SUO" worden vervangen door de woorden „artikel 20, vierde lid, onderdelen a, c, d, f en g alsmede onderdeel e, eerste zin, onder ii) en tweede zin van de Napels II-overeenkomst"; en

        • - de woorden „artikel 12, eerste lid, onder 2" worden vervangen door de woorden „artikel 20, vierde lid, onderdeel b van de Napels II-overeenkomst";

    • 6. artikel 18, met dien verstande dat:

      • a. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gericht tot de centrale coördinatiedienst, bedoeld in artikel 5 van de Napels II-overeenkomst; en

      • b. in het tweede lid slechts de verwijzingen naar artikel 14, eerste tot en met zesde lid, achtste, tiende en elfde lid van overeenkomstige toepassing zijn;

    • 7. artikel 19, met dien verstande dat de vormen van gezamenlijk optreden tussen de in artikel 4, onder 7 van de Napels II-overeenkomst bedoelde douaneadministraties van de Verdragsluitende Staten zijn toegestaan;

    • 8. artikel 24, met dien verstande dat voor de uitwisseling van informatie tussen de douaneadministraties van de Verdragsluitende Staten de beginselen in de artikelen 8, 15 en 19 van de Napels II-overeenkomst bepalend zijn en voor de verstrekking van persoonsgegevens artikel 25 van de Napels II-overeenkomst geldt;

    • 9. artikel 26, met dien verstande dat voor de uitwisseling van gegevens als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel tussen de douaneadministraties van de Verdragsluitende Staten artikel 25 van de Napels II-overeenkomst geldt;

    • 10 artikel 27, eerste lid, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 2 als verwijzing naar de taken, bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Napels II-overeenkomst, wordt aangemerkt;

    • 11. artikel 32, eerste lid, eerste zinsnede, tweede lid, vierde lid, tweede zin en vijfde lid. Artikel 32, derde lid is van toepassing, met dien verstande dat de verwijzingen naar de artikelen 11 en 16 niet van toepassing zijn.

  • 4 Voor zover ambtenaren van de douaneadministraties van de Verdragsluitende Staten maatregelen ter uitvoering van het communautair douanewetboek (Verordening (EEG) Nr. 2913/92) toepassen, zijn artikel 27, eerste lid en artikel 28, vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40. Inwerkingtreding, opzegging

  • 1 Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden zo spoedig mogelijk uitgewisseld. Het Verdrag treedt op de eerste dag van de tweede maand na uitwisseling van de akten van bekrachtiging in werking. Met de inwerkingtreding van het Verdrag treedt de overeenkomst van 17 april 1996 tussen de minister van Binnenlandse Zaken alsmede de minister van Justitie van Nederland en het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de politiële samenwerking in het grensgebied tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland buiten werking.

  • 2 Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Het kan door beide Verdragsluitende Staten te allen tijde langs diplomatieke weg schriftelijk worden opgezegd en treedt zes maanden na ontvangst van de opzegging buiten werking.

  • 3 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag uitsluitend voor het deel van het Koninkrijk gelegen in Europa.

  • 4 Van Duitse zijde wordt zorg gedragen voor de registratie van het Verdrag bij het Secretariaat-Generaal van de Verenigde Naties overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

GEDAAN te Enschede, de tweede maart 2005, in tweevoud, in de Nederlandse en Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

PIET HEIN DONNER

JOHAN REMKES

Voor de Bondsrepubliek Duitsland

DR. EDMUND DUCKWITZ

OTTO SCHILY

BRIGITTE ZYPRIES

Bijlage I. bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

  • 1. Bevoegde autoriteiten voor het Koninkrijk der Nederlanden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, zijn:

    • a. voor de samenwerking op verzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, alle autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast;

    • b. voor de samenwerking op verzoek als bedoeld in artikel 7, derde lid, de autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast alsmede het Openbaar Ministerie en de met de uitvoering van het Verdrag belaste ministeries;

    • c. voor de samenwerking op verzoek als bedoeld in artikel 7, vierde lid, eerste zin, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), dienst Internationale netwerken;

    • d. voor de samenwerking op verzoek als bedoeld in artikel 7, vierde lid, tweede zin, de autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken in de grensstreken zijn belast;

    • e. voor de inontvangstneming van verzoeken tot bewijsgaring in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, en voor de verstrekking van informatie over de indiening van een verzoek als bedoeld in het derde lid als bevoegde justitiële autoriteit het relatief bevoegde Openbaar Ministerie; toezending geschiedt via het relatief bevoegde Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC);

    • f. voor de indiening en inontvangstneming van verzoeken tot bewijsgaring in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, als bevoegde politieautoriteit alle autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast;

    • g. voor de indiening van een formeel rechtshulpverzoek houdende toezending van de resultaten van verzoeken tot bewijsgaring in spoedeisende gevallen alsmede voor de verlening van toestemming voor een dergelijke toezending als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, het relatief bevoegde Openbaar Ministerie; toezending geschiedt via het relatief bevoegde Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC);

    • h. voor de toezending van een verzoek en het antwoord hierop als bedoeld in artikel 10, derde lid, alle ambtenaren die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast; toezending geschiedt via het relatief bevoegde Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC);

    • i. voor verzoeken houdende grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, vierde lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • j. voor de toezending van verzoeken houdende grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, als centrale landelijke politiedienst het Korps landelijke politiediensten (Klpd), meldpunt voor grensoverschrijdende observaties;

    • k. voor de toezending van verzoeken houdende grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, als politieautoriteiten belast met de leiding van de operatie alle autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast; toezending geschiedt via het relatief bevoegde Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC);

    • l. als te informeren instantie bij verzoeken houdende grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, zesde lid, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), meldpunt voor grensoverschrijdende observaties;

    • m. als te informeren instantie bij grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, zevende lid, de meldpunten in de grensregio's;

    • n. voor de verlening van toestemming voor het gebruik van technische middelen als bedoeld in artikel 11, elfde lid, de Landelijk Officier van Justitie voor grensoverschrijdende observatie;

    • o. als te informeren instantie bij grensoverschrijdende achtervolging als bedoeld in artikel 12, tweede lid, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), meldpunt voor grensoverschrijdende achtervolging;

    • p. voor verzoeken tot verlening van toestemming voor gecontroleerde uitvoeren als bedoeld in artikel 13, achtste lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • q. voor het overleg over de uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 14, derde lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • r. voor verzoeken tot uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 14, negende lid, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), dienst Specialistische Recherche Toepassingen;

    • s. voor de verstrekking van informatie na uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 14, tiende lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • t. voor observaties ter preventie van een strafbaar feit waarvoor de mogelijkheid tot uitlevering bestaat als bedoeld in artikel 16, eerste lid, nummer 1, en derde lid het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • u. voor achtervolgingen bij bijzondere politiecontroles als bedoeld in artikel 17, derde lid, de centrales in de grensregio's;

    • v. voor infiltratie ter preventie van strafbare feiten van aanzienlijk belang waarvoor de mogelijkheid tot uitlevering bestaat als bedoeld in artikel 18, tweede lid, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), dienst Specialistische Recherche Toepassingen;

    • w. voor vormen van gemeenschappelijke operaties met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter preventie van strafbare feiten als bedoeld in artikel 19, de korpschefs van de regionale politieautoriteiten en de Hoofdofficieren van Justitie alsmede de bevelhebber van de Koninklijke Marechaussee (Kmar);

    • x. voor de uitwisseling van informatie met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter preventie van strafbare feiten als bedoeld in artikel 20, alle autoriteiten die met politietaken zijn belast;

    • y. voor voorlopige grensoverschrijdende maatregelen ter afwending van een acuut gevaar voor gezondheid of leven als bedoeld in artikel 21, alle autoriteiten die met politietaken zijn belast;

    • z. voor de verstrekking van informatie als bedoeld in artikel 27, eerste lid, de centrales in de grensregio's.

  • 2. Bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk der Nederlanden als bedoeld in artikel 39, tweede lid, zijn:

    • a. als te informeren instantie bij grensoverschrijdende achtervolging als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 12, tweede lid, het Douane Informatie Centrum;

    • b. voor achtervolgingen bij controles in het kader van de uitoefening van taken overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van de Napels II-overeenkomst als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 17, derde lid, het Douane Informatie Centrum;

    • c. voor het overleg over de uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 18, tweede lid en artikel 14, derde lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Douane Informatie Centrum;

    • d. voor de verstrekking van informatie na uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 18, tweede lid, en artikel 14, tiende lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Douane Informatie Centrum;

    • e. voor vormen van gemeenschappelijke operaties als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 19, de diensthoofden van de bevoegde autoriteiten van de douaneadministratie, bedoeld in artikel 4, onder 7, van de Napels II-overeenkomst;

    • f. voor de verstrekking van informatie als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 27, eerste lid, het Douane Informatie Centrum.

Bijlage II. bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

Dienstwapens en overige middelen als bedoeld in artikel 32, tweede lid zijn:

  • 1. voor het Koninkrijk der Nederlanden:

    • toegelaten vuurwapens en de toegelaten munitie;

    • toegelaten pepperspray en de toegelaten hulpmiddelen;

    • toegelaten traangas en de toegelaten hulpmiddelen;

  • 2. voor de Bondsrepubliek Duitsland:

    • toegelaten vuurwapens en de toegelaten munitie.