Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, Luxemburg, 08-06-2004

Geldend van 13-04-2010 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden

Het Koninkrijk der Nederlanden,

het Koninkrijk België,

en

het Groothertogdom Luxemburg

hierna genoemd de Verdragsluitende Partijen.

Geleid door de wens de samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen te bevorderen en vastbesloten de mogelijkheden tot grensoverschrijdend politieel optreden te verruimen ten einde de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de voorkoming en opsporing van strafbare feiten te intensiveren;

Overwegende dat het gewenst is dat er tussen de Verdragsluitende Partijen een intensivering van de informatie-uitwisseling plaatsvindt, alsmede een intensivering van de samenwerking bij de inzet van de middelen en materieel bij het handhaven van de openbare orde en veiligheid en in het kader van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten;

Gelet op:

Zijn als volgt overeengekomen:

TITEL 1. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN DOEL EN KADER VAN DE SAMENWERKING

Artikel 1. In dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • a ambtenaar: volgens Bijlage 1 bevoegde ambtenaar;

  • b grensoverschrijdend politieoptreden: optreden van ambtenaren van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, ter handhaving van de openbare orde en veiligheid, dan wel ter bescherming van personen en goederen, dan wel in het kader van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten;

  • c grensoverschrijdende ambtenaar: ambtenaar die grensoverschrijdend optreedt;

  • d grensoverschrijdende politie-eenheid: eenheid bestaande uit ambtenaren die in organisatorische en logistieke zin als één geheel grensoverschrijdend optreedt;

  • e individuele materiële dwangmiddelen: uitrusting en bewapening van de ambtenaren waarmee dwang kan worden uitgeoefend;

  • f collectieve materiële dwangmiddelen: bewapening, middelen en materieel voor gezamenlijk gebruik waarmee dwang kan worden uitgeoefend;

  • g gaststaat: Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied een grensoverschrijdend politieoptreden plaatsvindt;

  • h zendstaat: Verdragsluitende Partij waarvan grensoverschrijdende ambtenaren of de middelen en materieel voor een grensoverschrijdend optreden afkomstig zijn;

  • i verzoekende Verdragsluitende Partij: Verdragsluitende Partij die een verzoek om politiesamenwerking doet;

  • j aangezochte Verdragsluitende Partij: Verdragsluitende Partij waaraan een verzoek om politiesamenwerking is gericht;

  • k bevoegde autoriteit: volgens Bijlage 2 bevoegde autoriteit;

  • l grensstreek: gebieden als opgenomen in Bijlage 3 bij dit Verdrag.

Artikel 2. Doelstelling

Dit Verdrag heeft tot doel de mogelijkheden tot politiële samenwerking in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van personen en goederen en in het kader van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, te verruimen.

Artikel 3. Verhouding tot andere verdragen en nationale regelingen

Voor zover in dit Verdrag niet uitdrukkelijk anders is bepaald, geschiedt de samenwerking in het kader van het respectievelijke nationale recht van de Verdragsluitende Partijen evenals de internationale verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen.

TITEL 2. ALGEMENE ASPECTEN VAN DE SAMENWERKING

Artikel 4. Bijstand

  • 1 Een grensoverschrijdend politieoptreden in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid, waaronder mede wordt verstaan de gezamenlijke organisatie of coördinatie van evenementen en georganiseerde transporten, is slechts mogelijk op verzoek. Het verzoek wordt door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Verdragsluitende Partij gericht aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Verdragsluitende Partij.

  • 2 Het verzoek bevat een omschrijving van de aard van het gewenste grensoverschrijdend politieoptreden, alsmede van de operationele noodzaak van het optreden. Tevens wordt aangegeven of het verzoek betrekking heeft op een eenmalige grensoverschrijding of op een bepaalde categorie grensoverschrijdingen die binnen een bepaalde periode plaatsvindt.

  • 3 De bevoegde autoriteit van de aangezochte Verdragsluitende Partij neemt onverwijld een beslissing op het verzoek. Van de beslissing wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Verdragsluitende Partij.

Artikel 5. Bevoegdheden bij bijstand

  • 1 De grensoverschrijdende ambtenaar en de grensoverschrijdende politie-eenheid zijn, onverminderd de bevoegdheden genoemd in Titel 4, in het bijzonder bevoegd om:

    • a de onmiddellijke beveiliging of nabije bescherming van personen te verzekeren;

    • b toezicht te houden op een terreingedeelte met de bedoeling informatie in te winnen en personen, dieren, voertuigen of voorwerpen die de openbare orde en veiligheid bedreigen of kunnen bedreigen, te lokaliseren;

    • c toegangen tot een terreingedeelte te controleren of de toegang tot het terreingedeelte te ontzeggen, met als doel de wettelijke maatregelen van de gaststaat te doen naleven of de openbare orde en veiligheid te handhaven;

    • d bevelen te geven aan het verkeer en aan de weggebruikers;

    • e een terreingedeelte systematisch te doorzoeken om personen, dieren, voertuigen of voorwerpen die de openbare orde en veiligheid bedreigen of kunnen bedreigen, te lokaliseren;

    • f identiteitscontroles te verrichten;

    • g begeleidingen uit te voeren met als doel incidenten te voorkomen en de openbare orde en veiligheid te handhaven, zoals meereizen met een groep personen, op de groep ononderbroken toezicht houden, en de groep of leden daarvan zo nodig aanspreken op hun gedragingen en wijzen op hun verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de mogelijke gevolgen van die gedragingen.

  • 2 Bij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Artikel 6. Informatieplicht

  • 1 De grensoverschrijdende ambtenaar of zijn leidinggevende wordt zo spoedig mogelijk in het bezit gesteld van een afschrift van de beslissing, bedoeld in artikel 4, derde lid.

  • 2 De grensoverschrijdende ambtenaar is in het bezit van een verzamelstaat van de meegevoerde middelen en materieel, overeenkomstig het door de bevoegde autoriteit vastgestelde model. Hij legt deze desgevraagd voor aan de daartoe bevoegde autoriteit van de gaststaat.

Artikel 7. Optreden op eigen initiatief

  • 1 Indien het vanwege de spoedeisendheid van de situatie in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijk is grensoverschrijdend op te treden, kan de zendstaat dit optreden in de grensstreek aanvangen, zonder dat daar een verzoek als bedoeld in artikel 4 aan vooraf gaat.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde grensoverschrijding is slechts toegestaan onder de voorwaarde dat het grensoverschrijdend politieoptreden onmiddellijk bij het overschrijden van de grens wordt gemeld aan de bevoegde autoriteit van de gaststaat, met inachtneming van artikel 35. De bevoegde autoriteit van de gaststaat bevestigt deze melding onverwijld en verstrekt daarbij aan de zendstaat alle informatie die noodzakelijk is ter voorkoming van een eventuele doorkruising van een politieoptreden van de gaststaat.

  • 3 Van een spoedeisende situatie, als bedoeld in het eerste lid, is sprake indien grensoverschrijding noodzakelijk is om een acuut gevaar voor lijf, leden, goederen of gezondheid af te wenden dan wel een ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid te voorkomen, en de ambtenaren van de gaststaat niet tijdig ter plaatse kunnen zijn.

  • 4 Indien er zich tijdens een optreden op grond van artikel 4, eerste lid, buiten de grensstreek, een situatie voordoet als bedoeld in het derde lid, kan de grensoverschrijdende ambtenaar op basis van dit artikel optreden.

Artikel 8. Bevoegdheden bij optreden op eigen initiatief

Ter afwending van een acuut gevaar voor lijf, leden, goederen of gezondheid danwel ter voorkoming van een ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid kan de grensoverschrijdende ambtenaar, met inachtneming van het recht van de gaststaat, de nodige bevoegdheden uitoefenen die geen uitstel dulden, met dien verstande dat nooit verdergaande bevoegdheden mogen worden uitgeoefend dan toegestaan in de zendstaat.

Artikel 9. Op verzoek middelen en materieel leveren

  • 1 De bevoegde autoriteit van de zendstaat kan op verzoek van de gaststaat middelen en materieel leveren ter handhaving van de openbare orde en veiligheid. Bij het leveren van de middelen en het materieel hoort een verzamelstaat, overeenkomstig het door de bevoegde autoriteit vastgestelde model. Deze verzamelstaat wordt desgevraagd voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van de gaststaat.

  • 2 Bij het leveren van middelen en materieel ter handhaving van de openbare orde en veiligheid staat de zendstaat in voor de noodzakelijke opleiding en toelichting ten behoeve van het gebruik van die middelen en materieel.

Artikel 10. Doel uitwisseling persoonsgegevens

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen persoonsgegevens uit registers als bedoeld in Bijlage 4 uitwisselen indien dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaken op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen, met dien verstande dat verstrekking van persoonsgegevens aan een andere Verdragsluitende Partij slechts mogelijk is ter voorkoming van een ernstig en dreigend gevaar of ter opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde van de ontvangende Verdragsluitende Partij ernstig is geschokt, tenzij sprake is van een verzoek met betrekking tot een bepaalde persoon of een bepaald geval.

  • 2 De artikelen 126 tot en met 129 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde uitwisseling van persoonsgegevens in het kader van de toepassing van dit Verdrag.

  • 3 Verkregen persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijkingen van de doeleinden waarvoor deze werden verzameld en verwerkt.

Artikel 11. Bewijskracht

Elke informatie die door een Verdragsluitende Partij op grond van dit Verdrag wordt verstrekt, kan door de ontvangende Verdragsluitende Partij slechts na toestemming van de Verdragsluitende Partij waarvan de informatie afkomstig is als bewijsmiddel worden gebruikt.

Artikel 12. Vertrouwelijkheid

De ontvangende bevoegde autoriteit en dienst moet de graad van vertrouwelijkheid waarborgen die de verstrekkende bevoegde autoriteit en dienst van de andere Verdragsluitende Partij aan de informatie heeft toegekend. De veiligheidsgraden zijn van hetzelfde niveau als die gebruikt door EUROPOL.

TITEL 3. BIJZONDERE VORMEN VAN SAMENWERKING

§ 3.1. UITWISSELING VAN PERSOONSGEGEVENS

Artikel 13. Rechtstreekse uitwisseling persoonsgegevens

  • 1 Uit een register als bedoeld in Bijlage 4 kunnen al dan niet via een gemeenschappelijk politiecentrum als bedoeld in artikel 24, rechtstreeks persoonsgegevens worden verstrekt aan politiediensten van de andere Verdragsluitende Partij indien dit noodzakelijk is ter verwezenlijking van de in artikel 10, eerste lid, genoemde doeleinden.

  • 2 In afwijking van artikel 10, eerste lid, kunnen in de grensstreek gegevens betreffende een bepaalde persoon of bepaald geval ook zonder een daartoe strekkend verzoek worden verstrekt.

Artikel 14. Informeren bevoegde autoriteit

Indien persoonsgegevens op grond van artikel 13 rechtstreeks zijn verstrekt aan een politiedienst van de ontvangende Verdragsluitende Partij, wordt de centrale autoriteit van de verstrekkende Verdragsluitende Partij hierover onmiddellijk geïnformeerd door de bevoegde autoriteit die de gegevens heeft verstrekt.

Artikel 15. Rechtstreekse raadpleging van kentekenregisters

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen bieden elkaar ter verwezenlijking van de in artikel 10, eerste lid, genoemde doeleinden, de mogelijkheid tot rechtstreekse gecentraliseerde en geautomatiseerde raadpleging van het kentekenregister.

  • 2 De voorwaarden waaronder de in het eerste lid genoemde raadpleging plaatsvindt en de uitvoering van de raadpleging, worden door de bevoegde autoriteiten geregeld door middel van uitvoeringsafspraken, met inachtneming van het nationale recht.

  • 3 De Verdragsluitende Partijen kunnen met inachtneming van het nationale recht, ter verwezenlijking van de in artikel 10, eerste lid, genoemde doeleinden ter zake van de rechtstreekse raadpleging door de bevoegde autoriteiten van een Verdragsluitende Partij van andere registers van een andere Verdragsluitende Partij die persoonsgegevens bevatten, een protocol sluiten.

§ 3.2. VERBINDINGSOFFICIEREN

Artikel 16. Uitwisseling via verbindingsofficieren

De samenwerking op het gebied van uitwisseling van informatie kan de vorm aannemen van een permanent contact via verbindingsofficieren.

Artikel 17. Verbindingsofficieren

  • 1 In aanvulling op artikel 47, tweede lid, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen kunnen verbindingsofficieren tevens taken uitoefenen in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid, dan wel de bescherming van personen en goederen.

  • 2 De Verdragsluitende Partijen verbinden zich tot het verstevigen van de grensoverschrijdende samenwerking door het gemeenschappelijk gebruik van verbindingsofficieren die de Verdragsluitende Partijen vertegenwoordigen.

  • 3 De praktische modaliteiten van de in het vorige lid bedoelde samenwerking worden door de bevoegde autoriteiten geregeld door middel van uitvoeringsafspraken.

§ 3.3. GRENSOVERSCHRIJDENDE ACHTERVOLGING EN OBSERVATIE

Artikel 18. Achtervolging

  • 1 Voor de uitvoering van de grensoverschrijdende achtervolging zijn de bepalingen van artikel 41 van de ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van toepassing, met dien verstande dat:

    • a een achtervolging over de grens, met inachtneming van het nationale recht, mag worden voortgezet, indien deze betrekking heeft op personen die zich hebben onttrokken aan een vrijheidsstraf of die verdacht zijn van een strafbaar feit dat tot uitlevering aanleiding kan geven;

    • b het achtervolgingsrecht als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord Schengen wordt uitgeoefend op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, zonder enige in afstand, noch in tijd uitgedrukte beperking en waarbij het recht wordt toegekend om de achtervolgde persoon aan te houden;

    • c de achtervolging, met inachtneming van het nationale recht, eveneens kan plaatsvinden in het luchtruim en over de zee- en waterwegen;

    • d voor het overige indien daartoe aanleiding bestaat, zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 26 van het Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg zelfs wanneer de daar bedoelde rogatoire commissie niet aanwezig is.

Artikel 19. Observatie

Voor de uitvoering van grensoverschrijdende observatie zijn de bepalingen van artikel 40 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van toepassing, met dien verstande dat:

  • a de observatie die wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 40, eerste lid, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, met inachtneming van nationaal recht, kan worden uitgebreid naar personen die zich hebben onttrokken aan een vrijheidsstraf opgelegd vanwege het plegen van een strafbaar feit dat tot uitlevering aanleiding kan geven, of naar personen die kunnen leiden naar de ontdekking van die personen;

  • b de observatie wordt uitgevoerd onder de algemene voorwaarden genoemd in artikel 40, derde lid, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen, met dien verstande dat de ambtenaren tijdens de observatie technische hulpmiddelen kunnen gebruiken, voor zover zij daartoe van de gaststaat op grond van het verzoek bedoeld in artikel 40 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen toestemming hebben gekregen. De Verdragsluitende Partijen informeren elkaar over de aard en het gebruik van technische hulpmiddelen ter observatie;

  • c de grensoverschrijdende observatie kan, met inachtneming van het nationale recht, eveneens plaatsvinden in het luchtruim en over de zee- en waterwegen.

§ 3.4. BESCHERMING VAN PERSONEN

Artikel 20. Bescherming van personen

De ambtenaren van een Verdragsluitende Partij kunnen hun opdracht van bescherming van personen voortzetten op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, mits de verantwoordelijke ambtenaar, voordat de grens wordt overschreden, de bevoegde autoriteit van de gaststaat de grensoverschrijding heeft gemeld en de bevoegde autoriteit met voortzetting van de beschermingsopdracht heeft ingestemd. Indien de bevoegde autoriteit van de gaststaat niet met voortzetting van de beschermingsopdracht op haar grondgebied instemt, neemt zij de opdracht over, tenzij zij gegronde redenen heeft om anders te besluiten.

Artikel 21. Individuele materiële dwangmiddelen

De ambtenaren zijn bij grensoverschrijdende voortzetting van een beschermingsopdracht als bedoeld in artikel 20 gerechtigd hun individuele materiële dwangmiddelen te dragen voor zover deze zijn toegelaten overeenkomstig artikel 32, eerste en tweede lid.

Artikel 22. Uitoefenen van geweld

Het uitoefenen van geweld door de ambtenaren tijdens de grensoverschrijdende voortzetting van een beschermingsopdracht als bedoeld in artikel 20 in het algemeen, en het gebruik van de in artikel 21 bedoelde individuele materiële dwangmiddelen in het bijzonder, is, met inachtneming van het recht van de gaststaat, slechts geoorloofd wanneer sprake is van een ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf, van de te beschermen personen, of van een ander.

Artikel 23. Mechanisme

De Verdragsluitende Partijen ontwikkelen gezamenlijk een mechanisme voor de uitwisseling van informatie en evaluaties op het gebied van de bescherming van personen, evenals een gemeenschappelijke risico-analyse.

§ 3.5. OVERIGE VORMEN VAN SAMENWERKING

Artikel 24. Gemeenschappelijke politiecentra

  • 1 De Verdragsluitende Partijen kunnen in gemeenschappelijke politiecentra opereren. Deze centra kunnen, voor wat betreft de uitwisseling en raadpleging, bedoeld in artikel 13, bevoegd zijn voor het gehele grondgebied van de Verdragsluitende Partijen.

  • 2 De praktische modaliteiten van deze samenwerking worden door de bevoegde autoriteiten geregeld door middel van uitvoeringsafspraken.

Artikel 25. Gemengde patrouilles en controles

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen, afhankelijk van hun operationele behoeften, gemengde patrouilles of controles organiseren in de grensstreek.

Artikel 26. Bevoegdheden bij gemengde patrouilles en controles

  • 1 Met inachtneming van artikel 29 oefent de ambtenaar van de zendstaat die deelneemt aan een gemengde patrouille of controle, de bevoegdheden uit die hem zijn toegekend door de bevoegde autoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen.

  • 2 Een gemengde patrouille is bevoegd zich met een vervoermiddel in de grensstreek van de Verdragsluitende Partijen waarvan de ambtenaren deel uitmaken van die patrouille, te begeven.

  • 3 De praktische modaliteiten van de samenwerking en toekenning van bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, worden door de bevoegde autoriteiten geregeld door middel van uitvoeringsafspraken.

Artikel 27. Opleiding, middelen en materieel

  • 1 De Verdragsluitende Partijen verbinden zich tot het ondersteunen van de grensoverschrijdende samenwerking door:

    • het organiseren van gemeenschappelijke opleidingsvormen met het oog op het verwerven van kennis van en inzicht in de wetgeving en de structuren van de Verdragsluitende Partijen en in de principes van de politiepraktijk van de Verdragsluitende Partijen;

    • het organiseren van samenwerking op het vlak van beroepsopleiding en voortgezette opleiding;

    • het verlenen van technische en wetenschappelijke ondersteuning;

    • indien mogelijk het uitwisselen van middelen en materieel;

    • indien wenselijk het vooraf informeren van de andere Verdragsluitende Partijen bij de aanschaf van middelen en materieel die grensoverschrijdend gebruikt kunnen worden;

    • het uitwisselen van personeel.

  • 2 De praktische modaliteiten van deze samenwerking worden door de bevoegde autoriteiten geregeld door middel van uitvoeringsafspraken.

TITEL 4. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 28. Toepasselijk recht en procedures

  • 1 De ambtenaar treedt tijdens het grensoverschrijdend politieoptreden op in overeenstemming met het in de gaststaat geldende recht.

  • 2 Een grensoverschrijdend politieoptreden wordt uitgevoerd volgens de wettelijke procedures van de gaststaat.

Artikel 29. Gezag

  • 1 De grensoverschrijdende ambtenaar staat onder het gezag van de ter plaatse in het kader van de handhaving van de openbare orde, de bescherming van personen en goederen dan wel de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, bevoegde autoriteiten.

  • 2 De grensoverschrijdende ambtenaar staat onder het operationele bevel van zijn leidinggevende bevoegd voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid dan wel de voorkoming en opsporing van strafbare feiten op het terreingedeelte waar het grensoverschrijdend politieoptreden wordt uitgevoerd.

  • 3 Gedurende het grensoverschrijdend politieoptreden is de ambtenaar gehouden de aanwijzingen van de betreffende autoriteiten en de bevelen van de betreffende leidinggevende van de gaststaat op te volgen.

Artikel 30. Identificatie

De grensoverschrijdende ambtenaar is te allen tijde in staat zijn officiële functie, door middel van het politielegitimatiebewijs dat aan hem is verstrekt in de zendstaat, aan te tonen.

Artikel 31. Uiterlijke herkenbaarheid

  • 1 De grensoverschrijdende ambtenaar is door het dragen van een uniform of armband als zodanig uiterlijk herkenbaar.

  • 2 Tijdens een grensoverschrijdend politieoptreden is het voertuig dat wordt gebruikt door een grensoverschrijdende ambtenaar door middel van aan het voertuig aangebrachte voorzieningen als zodanig uiterlijk herkenbaar.

  • 3 De voorgaande leden zijn niet van toepassing indien dit gezien de aard van het grensoverschrijdend politieoptreden noodzakelijk is.

Artikel 32. Materiële dwangmiddelen

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen brengen elkaar op de hoogte van de aard van de toegestane individuele en collectieve materiële dwangmiddelen en van de omstandigheden waarin deze mogen worden gebruikt.

  • 2 Tijdens een grensoverschrijdend politieoptreden mogen de ambtenaren de tot de politiële basisuitrusting in de zendstaat behorende individuele materiële dwangmiddelen vervoeren, meevoeren of dragen, mits deze overeenkomstig het eerste lid zijn toegestaan door de gaststaat.

  • 3 Andere dan de in het tweede lid bedoelde individuele materiële dwangmiddelen of collectieve materiële dwangmiddelen worden slechts vervoerd, meegevoerd of gedragen, indien hierom is verzocht in het kader van het grensoverschrijdend politieoptreden, bedoeld in artikel 4, of in het kader van gemengde patrouilles of controles, bedoeld in artikel 25.

  • 4 In aanvulling op het derde lid mogen andere dan de in het tweede lid bedoelde individuele materiële dwangmidelen tevens worden vervoerd, meegevoerd of gedragen indien deze bij een optreden op eigen initiatief als bedoeld in artikel 7, op het grondgebied van de zendstaat niet op veilige wijze kunnen worden afgelegd en veiliggesteld.

Artikel 33. Uitoefenen van geweld

  • 1 Het is in aanvulling op artikel 5 de grensoverschrijdende ambtenaar toegestaan, in overeenstemming met het recht van de gaststaat, geweld uit te oefenen of andere vormen van dwang toe te passen:

    • a na een bevel als bedoeld in artikel 29, derde lid, tenzij de leidinggevende vooraf anders heeft bepaald;

    • b na een aanwijzing van de bevoegde autoriteit van de gaststaat, of

    • c in het geval van een ogenblikkelijke noodzaak van wettige verdediging van zichzelf of van een ander in overeenstemming met het recht van de gaststaat;

    • d bij een optreden op eigen initiatief als bedoeld in artikel 7.

  • 2 In de situatie bedoeld in het eerste lid, onder c en d, is het gebruik van een vuurwapen, pepperspray of traangas slechts geoorloofd indien er sprake is van een ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander, in overeenstemming met het recht van de gaststaat.

  • 3 Aan het uitoefenen van geweld gaat, indien mogelijk en gepast, een waarschuwing vooraf.

  • 4 De grensoverschrijdende ambtenaar die geweld heeft uitgeoefend, meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld aan de bevoegde autoriteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 5 Onder andere vormen van dwang, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het uitvoeren van een veiligheidsfouillering, het aanleggen van handboeien, het aanhouden van een verdachte en het veiligstellen van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, met dien verstande dat de grensoverschrijdende ambtenaar de betrokken persoon onverwijld overdraagt aan een ambtenaar van de gaststaat onder afgifte van de mogelijk veilig gestelde voorwerpen en het mededeling doen aan de bevoegde autoriteiten van zijn bevindingen.

Artikel 34. Het gebruik van vervoermiddelen en overpad

  • 1 De ambtenaar kan tijdens het grensoverschrijdend optreden gebruik maken van vervoermiddelen. Met inachtneming van het nationale recht kan daarbij gebruik worden gemaakt van optische en geluidssignalen.

  • 2 De ambtenaar is bevoegd om in de uitvoering van zijn opdrachten, zich met zijn vervoermiddel en uitrusting, inclusief individuele en collectieve materiële dwangmiddelen, over het grondgebied van de gaststaat te bewegen om het eigen grondgebied langs de snelst mogelijke weg te bereiken. Daarbij is het de ambtenaar, met inachtneming van het nationale recht, toegestaan, indien noodzakelijk, gebruik te maken van optische en geluidssignalen.

  • 3 Voor maatregelen die volgens het nationale recht van de Verdragsluitende Partijen worden uitgevoerd op de op het eigen grondgebied gelegen trajecten van personentreinen of passagiersschepen, is het ambtenaren van een Verdragsluitende Partij toegestaan op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij in te stappen of na beëindigen van de maatregel uit te stappen. Indien een controlemaatregel, in het bijzonder een maatregel betreffende de controle van een persoon of een zaak, die in overeenstemming met het nationale recht op het eigen grondgebied begonnen is, niet kan worden voltooid in de grensstreek, en indien te verwachten is dat het doel van de maatregel anders niet kan worden bereikt, mag deze maatregel op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij zo lang worden voortgezet als noodzakelijk is om de maatregel te voltooien. Voor zover verder maatregelen zijn vereist blijven de hiervoor geldende regelingen onverlet.

Artikel 35. Overname en beëindiging

  • 1 De bevoegde autoriteit van de gaststaat kan bepalen dat het grensoverschrijdend politieoptreden door haar wordt overgenomen.

  • 2 Het grensoverschrijdend politieoptreden wordt beëindigd, zodra de bevoegde autoriteit van de gaststaat zulks te kennen geeft.

Artikel 36. Verslag

De grensoverschrijdende ambtenaar of de leidinggevende van een grensoverschrijdende politie-eenheid, doet na elk grensoverschrijdend politieoptreden verslag van dit optreden aan de bevoegde autoriteiten van de gaststaat. De persoonlijke verschijning van de grensoverschrijdende ambtenaar kan door de gaststaat worden verlangd.

Artikel 37. Hulpverleningsclausule

Een Verdragsluitende Partij is jegens de grensoverschrijdende ambtenaren van de andere Verdragsluitende Partij tijdens het grensoverschrijdend politieoptreden verplicht tot dezelfde bescherming en hulpverlening als jegens de eigen ambtenaren.

TITEL 5. BEPALINGEN BETREFFENDE DE BURGERRECHTELIJKE EN STRAFRECHTELIJKE AANSPRAKELIJKHEID EN BETREFFENDE DE KOSTEN

Artikel 38. Strafrechtelijke aansprakelijkheid

In het kader van de taken voorzien in dit Verdrag worden de ambtenaren van de zendstaat, met ambtenaren van de gaststaat gelijkgesteld, voor wat betreft de strafbare feiten die tegen of door hen mochten worden begaan, tenzij de Verdragsluitende Partijen anders overeenkomen.

Artikel 39. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid

  • 1 Verbintenissen uit onrechtmatige daad begaan door een ambtenaar van de zendstaat tijdens een grensoverschrijdend politieoptreden, worden beheerst door het recht van de gaststaat.

  • 2 In het geval van een optreden op eigen initiatief als bedoeld in artikel 7 en in het geval van gemengde patrouilles, bedoeld in artikel 25, neemt de zendstaat op zich de schade door zijn ambtenaar toegebracht op het grondgebied van de gaststaat, te vergoeden. De gaststaat vergoedt de schade op de wijze waarop zij daartoe gehouden zou zijn, indien de schade door haar eigen ambtenaren zou zijn aangebracht. De zendstaat betaalt de gaststaat het volledige bedrag terug dat deze aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.

  • 3 In het geval van een optreden op verzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, neemt de gaststaat op zich de schade, bedoeld in het tweede lid te vergoeden, op de wijze waarop hij daartoe gehouden zou zijn indien de schade door zijn eigen ambtenaren zou zijn toegebracht.

Artikel 40. Arbeidsrelatie

De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsrelatie van de grensoverschrijdende ambtenaar in de zendstaat, blijven tijdens het grensoverschrijdend politieoptreden onverkort van kracht. Hieronder worden mede verstaan de rechten en verplichtingen op het gebied van burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

Artikel 41. Kosten

  • 1 De kosten voor het grensoverschrijdend politieoptreden op initiatief van een Verdragsluitende Partij, bedoeld in artikel 7, komen ten laste van de zendstaat.

  • 2 De kosten voor het grensoverschrijdend politieoptreden op verzoek van een Verdragsluitende Partij, bedoeld in artikel 4, worden door de Verdragsluitende Partijen in onderling overleg vastgesteld.

  • 3 De kosten ontstaan bij verlies of beschadiging van uitgeleend materieel komen ten laste van de ontlener.

TITEL 6. WIJZE VAN TOEPASSING EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 42. Uitzonderingsclausule

  • 1 Indien een Verdragsluitende Partij van mening is dat het voldoen aan een verzoek of het uitvoeren of toelaten van een maatregel op grond van dit Verdrag, er toe kan leiden dat de eigen soevereine rechten op zodanige wijze worden aangetast, dat de eigen veiligheid of andere aanzienlijke belangen worden bedreigd of dat inbreuk op het nationale recht wordt gemaakt, kan deze Verdragsluitende Partij de samenwerking op grond van dit Verdrag, met inachtneming van andere internationale samenwerkingsverplichtingen dienaangaande, geheel of gedeeltelijk weigeren of afhankelijk maken van bepaalde voorwaarden.

  • 2 Van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wordt onverwijld mededeling gedaan aan de andere Verdragsluitende Partijen.

Artikel 43. Uitvoeringsafspraken

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen op basis van en in het kader van dit Verdrag afspraken maken met betrekking tot de uitvoering ervan.

Artikel 44. Geschillenbeslechting

  • 1 Een geschil betreffende de interpretatie of toepassing van dit Verdrag zal door een daartoe ingestelde raadgevende commissie worden behandeld. Deze commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen. Zij komt bijeen op verzoek van een Verdragsluitende Partij, dan wel indien noodzakelijk, teneinde een geschil betreffende de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag proberen te beslechten.

  • 2 Een geschil dat niet door de raadgevende commissie wordt beslecht, wordt langs diplomatieke weg afgehandeld.

Artikel 45. Maatregelen

De bevoegde ministers van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg treffen de maatregelen welke nodig zijn voor de uitvoering van dit Verdrag.

Artikel 46. Evaluatie

Uiterlijk drie jaren na de inwerkingtreding van dit Verdrag brengen de in artikel 45 genoemde Ministers een verslag uit aan elkaar over de doeltreffendheid en de effecten van dit Verdrag in de praktijk.

Artikel 47. Inwerkingtreding, geldigheidsduur, toepassingsbereik, wijziging en opzegging

  • 1 Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van de neerlegging van de laatste akte van bekrachtiging bij de regering van het Groothertogdom Luxemburg.

  • 2 Dit Verdrag wordt gesloten voor onbeperkte tijd.

  • 3 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag uitsluitend voor het deel van het Koninkrijk in Europa.

  • 4 Elke Verdragsluitende Partij kan te allen tijde schriftelijk om wijziging van dit Verdrag verzoeken. Indien door een Verdragsluitende Partij een desbetreffend verzoek wordt ingediend, worden door de Verdragsluitende Partijen onderhandelingen inzake de wijziging van het Verdrag geopend.

  • 5 Elke Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag door schriftelijke kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Partijen opzeggen. De opzegging treedt zes maanden na de kennisgeving in werking. Het Verdrag blijft in werking tussen de overige twee Verdragsluitende Partijen.

Gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004, in drie originele exemplaren, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Bijlage 1. Bevoegde ambtenaren

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

Ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 3, van de Politiewet 1993, daaronder mede begrepen ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee in zoverre deze zijn belast met de uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken.

Voor het Koninkrijk België:

Iedere naar behoren gemachtigde ambtenaar wanneer hij politieopdrachten uitoefent, met uitzondering van de hulpagenten van politie als bedoeld in artikel 117 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

Onder „ambtenaar", in de zin van titel 3, § 3.4 van dit Verdrag, wordt eveneens verstaan iedere beschermingsagent, zoals bedoeld in artikel 3, 3° van de organieke wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Voor het Groothertogdom Luxemburg:

De leden met een loopbaan in het hoger kader, met een loopbaan van inspecteur of brigadier van de groothertogelijke politie.

Bijlage 2. Bevoegde autoriteiten en diensten

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:
  • Artikel 4, eerste en derde lid: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

  • Artikel 6, tweede lid: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (wat betreft vaststellen model) en de meldkamers in de grensstreek;

  • Artikel 7, tweede lid: de meldkamers in de grensstreek;

  • Artikel 9, eerste lid: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Artikel 10, eerste lid: de ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 1993;

  • Artikel 12: de ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 1993;

  • Artikel 14: Korps Landelijke Politie Dienst (KLPD), Dienst Internationale Netwerken, te Zoetermeer;

  • Artikel 15, eerste en tweede lid: de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Rijksdienst voor het Wegverkeer;

  • Artikel 15, derde lid: de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandze Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Artikel 17, derde lid: de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Artikel 20: Korps Landelijke Politie Dienst (KLPD), Nationaal Coördinator Bewaken en Beveiligen;

  • Artikel 24, tweede lid: de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Artikel 25: de Minister van Justitie, de Minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Artikel 26, eerste en derde lid: de Minister van Justitie, de Minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Artikel 27, tweede lid: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie;

  • Artikel 29, eerste en derde lid: in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de algemene politietaak, de burgemeester van de gemeente waar wordt opgetreden. In het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde de bevoegde officier van justitie;

  • Artikel 32, eerste lid: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • Artikel 33, eerste lid, onderdeel b: in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de algemene politietaak, de burgemeester van de gemeente waar wordt opgetreden. In het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde de bevoegde officier van justitie;

  • Artikel 33, vierde en vijfde lid: in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de algemene politietaak, de burgemeester van de gemeente waar wordt opgetreden. In het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde de bevoegde officier van justitie;

  • Artikel 35, eerste en tweede lid: in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de algemene politietaak, de burgemeester van de gemeente waar wordt opgetreden. In het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde de bevoegde officier van justitie;

  • Artikel 36: in het kader van de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de algemene politietaak, de burgemeester van de gemeente waar wordt opgetreden. In het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde de bevoegde officier van justitie;

  • Artikel 43: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie.

Voor het Koninkrijk België:

Bevoegde autoriteiten en diensten die politieopdrachten uitoefenen overeenkomstig het nationale recht.

Voor het Groothertogdom Luxemburg:

Bevoegde autoriteiten en diensten die politietaken uitvoeren overeenkomstig de wet van 31 mei 1999 tot oprichting van een groothertogelijk politiekorps en een algemene inspectie van de politie.

Bijlage 3. Grensstreek

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

Grensstreek in Nederland omvat het geografisch gebied waarin de onderstaande korpsen actief zijn:

  • -

    Korps Zeeland

  • -

    Korps Midden- en West-Brabant

  • -

    Korps Brabant Zuid-Oost

  • -

    Korps Limburg-Noord

  • -

    Korps Limburg Zuid

  • -

    Korps Brabant-Noord

  • -

    Korps Zuid-Holland Zuid

  • -

    Korps Rotterdam Rijnmond

Voor het Koninkrijk België:

Het gehele nationale grondgebied.

Voor het Groothertogdom Luxemburg:

Het gehele nationale grondgebied.

Bijlage 4. Registers

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

Een register als bedoeld in de Wet politieregisters

Voor het Koninkrijk België:

De algemene nationale gegevensbank behalve de gegevens die overeenkomstig de nationale wetgeving aan de toestemming van de rechtelijke overheden zijn onderworpen.

Voor het Groothertogdom Luxemburg:

De databanken toegankelijk voor de groothertogelijke politie behalve de gegevens die overeenkomstig de nationale wetgeving aan de toestemming van de rechterlijke overheden zijn onderworpen.