Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Maasverdrag, Gent, 03-12-2002

Geldend van 01-12-2006 t/m heden

Maasverdrag

Authentiek : NL

Maasverdrag

De Regeringen van

  • de Bondsrepubliek Duitsland,

  • het Koninkrijk België,

    het Brussels Hooofdstedelijk Gewest van België,

    het Vlaams Gewest van België,

    het Waals Gewest van België,

  • de Franse Republiek,

  • het Groothertogdom Luxemburg,

  • het Koninkrijk der Nederlanden,

Overwegend de door de Verdragspartijen van het Verdrag inzake de bescherming van de Maas, gesloten te Charleville-Mézières op 26 april 1994, verrichte werkzaamheden en verlangend de bestaande samenwerking te versterken tussen de Staten en Gewesten die betrokken zijn bij de bescherming en het gebruik van het water in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas,

Ernaar strevend zorg te dragen voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het water en van de aquatische ecosystemen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, teneinde recht te doen aan het waardevolle karakter van haar wateren, oevers, oevergebieden en kustwateren,

Geleid door de gezamenlijke wens om samen te werken teneinde een duurzame ontwikkeling tot stand te brengen en de wil om, elk voor zich, de passende maatregelen voor een integraal beheer van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas te treffen teneinde een duurzaam en integraal waterbeheer te bereiken, in het bijzonder rekening houdend met de multifunctionaliteit van de Maas,

Teneinde in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas gezamenlijk zorg te dragen voor de afstemming die op grond van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid noodzakelijk is,

Gelet op het feit dat de tenuitvoerlegging van het onderhavig Verdrag en van de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid vereist dat in de schoot van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, al naar gelang de te behandelen geografische gebieden en thema's, een mutilaterale, een bilaterale of een nationale afstemming plaats vindt,

Gelet op het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren, gesloten te Helsinki op 17 maart 1992, en het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu van de Noordoost-Atlantische Oceaan, gesloten te Parijs op 22 september 1992,

Ernaar strevend om in het kader van hun samenwerking de beleidsdoelstellingen te verwezenlijken van de ministeriële Verklaring van Namen van 8 april 1998 en die van Luik van 30 november 2001 en onder andere ernaar strevend bij te dragen aan het afzwakken van de effecten van overstromingen en van perioden van droogte,

Verlangend zorg te dragen voor de samenwerking bij de preventie van en de bescherming tegen hoogwater en bij het voorkomen en het bestrijden van calamiteuze waterverontreiniging,

Zich ervan bewust dat de bescherming van de Maas verder noodzakelijk is om het ecosysteem van de Noordzee in stand te houden en te verbeteren,

Zich ervan bewust dat de Maas voor uiteenlopende essentiële ecologische, economische en sociaal-maatschappelijke functies en doelen gebruikt wordt,

Vanuit de wil bij het nastreven van de doelstellingen van het onderhavig Verdrag samen te werken met intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties en het publiek hierbij in de zin van de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid te betrekken,

Ervan overtuigd dat dit dringende taken zijn, waarbij elk voor zich bevoegd blijft voor de uitvoering van de gezamenlijk in het kader van het onderhavig Verdrag afgesproken acties,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In het onderhavig Verdrag wordt verstaan onder:

  • a. „Kaderrichtlijn Water”: Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (Publicatieblad der Europese Gemeenschappen L 327/1 van 22 december 2000) met inbegrip van eventuele wijzigingen;

  • b. „Maas”: de Maas vanaf haar bron tot aan haar monding in zee, daarbij inbegrepen de Bergsche Maas, de Amer, het Hollands Diep en het Haringvliet;

  • c. „stroomgebied van de Maas”: het gebied van waar al het over het oppervlak lopende water via de zijrivieren van de Maas en de Maas zelf op de Noordzee afwatert;

  • d. „internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas”: het gebied van land en zee, afgebakend door de Verdragsluitende Partijen overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water, dat uit het stroomgebied van de Maas en de bijbehorende grond- en kustwateren bestaat.

    Een kaart, opgenomen als bijlage bij het onderhavig Verdrag, geeft op algemene en indicatieve wijze de grenzen van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas aan;

  • e. „Commissie”: de Internationale Maascommissie;

  • f. „Verdrag van Charleville-Mézières": het Verdrag inzake de bescherming van de Maas, ondertekend te Charleville-Mézières op 26 april 1994.

In aanvulling op de bovenstaande begripsbepalingen zijn de definities uit de Kaderrichtlijn Water van toepassing.

Artikel 2. Doel van het Verdrag

De Verdragsluitende Partijen streven het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas na, in het bijzonder rekening houdend met de multifunctionaliteit van haar wateren.

Zij werken in het bijzonder samen om:

  • a. de tenuitvoerlegging van de uit de Kaderrichtlijn Water voortvloeiende verplichtingen tot het verwezenlijken van haar milieudoelstellingen, en in het bijzonder alle maatregelenprogramma's, voor het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas af te stemmen;

  • b. een enkel beheersplan voor het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water op te stellen;

  • c. over de voorzorgsmaatregelen en beschermingsmaatregelen tegen hoogwater te overleggen en deze vervolgens af te stemmen, met inachtneming van de ecologische aspecten, ruimtelijke ordening, natuurbeheer en andere beleidsterreinen zoals landbouw, bosbouw en verstedelijking, en bij te dragen tot het afzwakken van de effecten van hoogwater en van perioden van droogte, daarbij inbegrepen preventieve maatregelen;

  • d. maatregelen ter voorkoming en bestrijding van calamiteuze waterverontreiniging af te stemmen, alsmede zorg te dragen voor de noodzakelijke informatiedoorgeleiding.

Artikel 3. Beginselen van de samenwerking

  • 1 Bij hun handelen laten de Verdragsluitende Partijen zich leiden door de volgende beginselen:

    • a. het voorzorgsbeginsel;

    • b. het beginsel van preventief handelen;

    • c. het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden;

    • d. het beginsel dat de vervuiler betaalt,

    zoals gedefinieerd en gemeenschappelijk geïnterpreteerd in het Europese milieurecht.

  • 2 De Verdragsluitende Partijen zullen, teneinde de in artikel 2 van het onderhavig Verdrag genoemde doelstellingen te verwezenlijken:

    • a. de voor hun grondgebied nodige maatregelen voor de uitvoering van het onderhavig Verdrag alsmede van de adviezen, aanbevelingen en besluiten van de Commissie treffen en elkaar daarover informeren.

      Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan het grondgebied volledig gelegen is buiten het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, neemt maatregelen om ervoor te zorgen dat de activiteiten die worden ondernomen door rechtspersonen waarover zij toezicht kan uitoefenen, bij dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het onderhavig Verdrag, zoals bepaald in artikel 2;

    • b. de kwaliteit van de aquatische ecosystemen beschermen en waar mogelijk verbeteren, onder andere door inrichtingsmaatregelen en door geleiding van het gebruik;

    • c. de uitwisseling van informatie en meningen versterken;

    • d. bij calamiteuze verontreinigingen, waarvan de gevolgen de waterkwaliteit wezenlijk kunnen bedreigen, zo spoedig mogelijk de Partijen informeren die daardoor kunnen worden getroffen;

    • e. bij naderend hoogwater zo spoedig mogelijk de Partijen informeren die daardoor kunnen worden getroffen;

    • f. hun beleid inzake het beheer van de sedimenten naar behoefte op elkaar afstemmen en het storten en terugstorten in de wateren, alsmede het verplaatsen in benedenstroomse richting, van verontreinigde baggerspecie zoveel mogelijk beperken.

  • 3 De bepalingen van het onderhavig Verdrag doen geen afbreuk aan het recht van de Verdragsluitende Partijen om afzonderlijk of gezamenlijk strengere maatregelen aan te nemen en toe te passen dan die uit hoofde van het onderhavig Verdrag.

Artikel 4. Taken van de Commissie

  • 1 De Verdragsluitende Partijen stellen de Commissie in voor de uitvoering van het onderhavig Verdrag.

  • 2 De Commissie brengt adviezen of aanbevelingen aan de Verdragsluitende Partijen uit om het onderhavig Verdrag uit te voeren.

    Zij neemt besluiten over maatregelen met betrekking tot de interne organisatie en over de noodzakelijk geachte werkorganisatie. Zij stelt de jaarlijkse begroting vast.

    Deze adviezen en aanbevelingen worden uitgebracht en deze besluiten genomen overeenkomstig de procedure van artikel 5.

  • 3 De multilaterale afstemming van de tenuitvoerlegging van de verplichtingen van de Kaderrichtlijn Water vindt plaats in de Commissie.

    Dit betreft met name de afstemming van:

    • a. de analyse van de kenmerken van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas;

    • b. het onderzoek van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlakte- en het grondwater in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas;

    • c. de economische analyse van het watergebruik;

    • d. de monitoringprogramma's;

    • e. de maatregelenprogramma's;

    • f. de opstelling van een enkel beheersplan voor het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, of – wanneer dit niet tot stand zou komen – ten minste van de beheersplannen die door de Verdragsluitende Partijen voor de op hun grondgebied gelegen delen van het internationaal stroomgebiedsdistrict zijn opgesteld.

  • 4 De Commissie heeft voorts de volgende taken:

    • a. het opstellen van adviezen of aanbevelingen ter verbetering van:

      • – de preventie van en de bescherming tegen hoogwater, met inachtneming van de ecologische aspecten, ruimtelijke ordening, natuurbeheer en andere beleidsterreinen zoals landbouw, bosbouw en verstedelijking,

      • – de afstemming van de waarschuwings- en alarmsystemen voor hoogwater,

      • – de kwaliteit van de operationele en alarmeringsgegevens met betrekking tot hoogwater door de ontwikkeling van voorspellingsmodellen,

      • – de gegevensuitwisseling tussen operationele centra;

    • b. het opstellen van adviezen of aanbevelingen voor het afzwakken van de effecten van perioden van droogte, preventieve maatregelen daarbij inbegrepen;

    • c. het opstellen van adviezen of aanbevelingen ter verbetering van de voorkoming en de bestrijding van calamiteuze waterverontreiniging, in het bijzonder wat de afstemming betreft van de waarschuwings- en alarmsystemen teneinde te voorzien in een adequate doorgeleiding van informatie over calamiteuze waterverontreiniging waarvan verwacht kan worden dat deze wezenlijke grensoverschrijdende effecten zal hebben;

    • d. het opstellen van adviezen of aanbevelingen ter verbetering van de visstand en de vismigratie;

    • e. het afstemmen van de programma's van de Verdragsluitende Partijen voor de bewaking van de waterkwaliteit, teneinde te komen tot een homogeen meetmet en dit in stand te houden;

    • f. het vaststellen van prioriteiten en het opstellen van een actieprogramma dat bijdraagt tot de realisering van de doelstellingen, opgenomen in artikel 2 van het onderhavig Verdrag, alsmede het regelmatig evalueren ervan. Na de opstelling van het eerste beheersplan voor het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, het eventueel opstellen van een actieprogramma dat dit aanvult;

    • g. het versterken van de uitwisseling van informatie en van meningen over:

      • – het waterbeleid van de Verdragsluitende Partijen,

      • – hun beleid inzake het beheer van de sedimenten,

      • – de beste beschikbare technologieën en de meest milieuveilige handelwijzen,

      • – de projecten die zijn onderworpen aan een effectbeoordeling en die een wezenlijk grensoverschrijdend effect kunnen hebben, met inachtneming van de op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen van kracht zijnde wetgeving;

    • h. het aanmoedigen van de samenwerking en van de uitwisseling van informatie in het kader van de programma's voor wetenschappelijk onderzoek, verband houdende met de doelstellingen van het onderhavig Verdrag;

    • i. het opstellen van een jaarverslag, dat openbaar wordt gemaakt, en elk ander verslag dat zij dienstig acht;

    • j. het waar nodig samenwerken met andere internationale commissies of organisaties die soortgelijke taken voor andere stroomgebiedsdistricten uitvoeren.

  • 5 De afstemming ten aanzien van de grensoverschrijdende deelstroomgebieden gelegen in het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas kan plaatsvinden in een passend regionaal kader.

  • 6 De Commissie kan andere zaken binnen het toepassingsgebied van het onderhavig Verdrag behandelen, die de Verdragsluitende Partijen haar in onderlinge overeenstemming opdragen.

Artikel 5. Samenstelling en werkwijze van de Commissie

  • 1 De Commissie bestaat uit delegaties van de Verdragsluitende Partijen. Elke Verdragsluitende Partij benoemt haar afgevaardigden, onder wie een delegatieleider.

  • 2 Het voorzitterschap van de Commissie wordt afwisselend door iedere Verdragsluitende Partij uitgeoefend, voor een in het, in lid 8 van dit artikel voorziene, Huishoudelijk en Financieel Reglement bepaalde duur. De Verdragsluitende Partij die het voorzitterschap uitoefent wijst een van de leden van haar delegatie aan als Voorzitter van de Commissie. De Voorzitter treedt tijdens de vergaderingen van de Commissie niet op als woordvoerder van zijn delegatie.

  • 3 De Commissie vergadert eenmaal per jaar, daartoe bijeengeroepen door de Voorzitter, en voorts op verzoek van ten minste twee delegaties. De Commissie kan sommige van haar vergaderingen op ministerieel niveau houden.

  • 4 De Commissie formuleert haar adviezen of aanbevelingen en neemt haar beslissingen in aanwezigheid van de meerderheid der delegaties van de Verdragsluitende Partijen en met eenparigheid van stemmen. Het Huishoudelijk en Financieel Reglement alsmede de begroting van de Commissie worden aangenomen in aanwezigheid van alle delegaties. Elke delegatie beschikt over één stem. De afwezigheid van een stemgerechtigde delegatie geldt als stemonthouding. Een of meerdere stemonthoudingen staan eenparigheid niet in de weg.

    De delegatie van het Koninkrijk België en de onderscheiden delegaties van de Belgische Gewesten beschikken over stemrecht voor de beslissingen die hun eigen bevoegdheden volgens de Belgische Grondwet en de Belgische wetgeving aangaan.

    Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan het grondgebied volledig gelegen is buiten het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas, beschikt over stemrecht wat de adviezen, aanbevelingen en beslissingen betreft die een weerslag kunnen hebben op haar rechtmatige belangen als gebruiker van het Maaswater voor de onttrekking van water bestemd voor de productie van drinkwater of op haar financiële verplichtingen krachtens artikel 7 van het onderhavig Verdrag.

  • 5 De werktalen van de Commissie zijn het Nederlands, het Frans en het Duits.

  • 6 De Commissie beschikt over een permanent secretariaat, gevestigd in Luik, om zich in haar taken te laten bijstaan. De Commissie beslist over de aanwerving en het ontslag van het personeel van het secretariaat. Nadere regels daartoe worden vastgelegd in het Huishoudelijk en Financieel Reglement.

  • 7 Teneinde de taken uit te oefenen die haar in het onderhavig Verdrag zijn toebedeeld, bezit de Commissie rechtspersoonlijkheid. Zij geniet op het grondgebied van elk der Verdragsluitende Partijen de handelingsbevoegdheid die noodzakelijk is voor de vervulling van haar taken. De Commissie wordt vertegenwoordigd door haar Voorzitter.

  • 8 Ter regeling van haar werkzaamheden neemt de Commissie een Huishoudelijk en Financieel Reglement aan. Dit Reglement dient in een schriftelijke procedure voor de besluitvorming te voorzien, onverminderd de principes aangegeven in lid 4 van dit artikel.

Artikel 6. Waarnemers en samenwerking met derden

  • 1 De Commissie kan op hun verzoek als waarnemer erkennen:

    • a. de Europese Gemeenschap;

    • b. intergouvernementele organisaties waarvan de werkzaamheden verband houden met het onderhavig Verdrag;

    • c. niet-gouvernementele organisaties voor zover er sprake is van raakvlakken met hun belangen of taken;

    • d. elke Staat die geen Partij is bij het onderhavig Verdrag en die belang heeft bij de werkzaamheden van de Commissie.

  • 2 De waarnemers kunnen, zonder stemrecht, deelnemen aan de vergaderingen van de Commissie en kunnen de Commissie elke informatie, elk verslag of elke mening, verband houdend met het doel van het onderhavig Verdrag, inbrengen.

  • 3 De Commissie wisselt informatie uit met de waarnemers. In het bijzonder hoort zij de waarnemers wanneer het adviezen, aanbevelingen of besluiten betreft die zij van belang voor hen acht, en informeert hen vervolgens over de adviezen of aanbevelingen die zijn uitgebracht en de besluiten die zijn genomen.

  • 4 De Commissie organiseert in haar schoot de samenwerkng met de waarnemers. De modaliteiten van deze samenwerking alsmede de voorwaarden voor de toelating tot en de deelneming aan deze samenwerking worden geregeld in het Huishoudelijk en Financieel Reglement.

  • 5 De Commissie kan besluiten zich te laten bijstaan door deskundigen en deze uit te nodigen voor haar vergaderingen.

Artikel 7. Financiering van de Commissie

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van haar vertegenwoordiging in de Commissie.

  • 2 De Verdragsluitende Partijen dragen de overige aan de werkzaamheden van de Commissie verbonden kosten, daaronder begrepen die van het secretariaat, overeenkomstig de volgende verdeelsleutel:

    Bondsrepubliek Duitsland:

    14,5%

    Koninkrijk België:

    0,5%

    Brussels Hoofdstedelijk Gewest:

    4,5%

    Vlaams Gewest:

    5%

    Waals Gewest:

    30%

    Franse Republiek:

    15%

    Groothertogdom Luxemburg:

    0,5%

    Koninkrijk der Nederlanden:

    30%

    De Commissie kan in geval van latere toetreding of uittreding van een Verdragsluitende Partij of van naar haar oordeel bijzondere activiteiten, een andere verdeelsleutel bepalen.

Artikel 8. Geschillenbeslechting

Indien tussen Verdragsluitende Partijen een geschil ontstaat met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van het onderhavig Verdrag, streven deze met voorrang ernaar tot een oplossing te komen door onderhandeling of via een andere methode van geschillenbeslechting die de partijen bij het geschil aanvaardbaar achten.

Artikel 9. Relatie met andere Verdragen

  • 1 Vanaf zijn inwerkingtreding heft het onderhavig Verdrag het Verdrag van Charleville-Mézières op en vervangt dit.

  • 2 Onverminderd de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, blijven de krachtens het Verdrag van Charleville-Mézières uitgebrachte adviezen of aanbevelingen en de genomen besluiten van toepassing en behouden hetzelfde juridisch karakter, voor zover zij verenigbaar zijn met, en niet uitdrukkelijk beëindigd worden door het onderhavig Verdrag of door enig advies, enige aanbeveling of enig besluit van de Commissie.

  • 3 Alle goederen, rechten en verplichtingen, de personeelsleden, de archieven, alsmede de huidige en toekomstige schulden en schuldvorderingen van de Commissie ingesteld onder het Verdrag van Charleville-Mézières, die voortvloeien uit contracten en gerechtelijke procedures die lopen of in de toekomst zullen ontstaan, worden integraal overgenomen door de Commissie ingesteld onder het onderhavig Verdrag.

  • 4 De bepalingen van het onderhavig Verdrag doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van Verdragsluitende Partijen die voortvloeien uit andere verdragen, voorafgaand aan de inwerkingtreding van het onderhavig Verdrag en verband houdend met het doel ervan.

Artikel 10. Inwerkingtreding

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij deelt aan de Regering van het Koninkrijk België, die hierbij wordt aangeduid als depositaris van het onderhavig Verdrag, mee wanneer aan de voor haar vereiste interne procedures voor de inwerkingtreding van het onderhavig Verdrag is voldaan.

  • 2 De depositaris bevestigt onmiddellijk de datum van ontvangst van deze mededelingen en stelt de andere Verdragsluitende Partijen daarvan in kennis.

  • 3 Het onderhavig Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de laatste mededeling.

Artikel 11. Opzegging

  • 1 Na het verstrijken van een periode van drie jaar na zijn inwerkingtreding kan het onderhavig Verdrag te allen tijde door elk der Verdragsluitende Partijen worden opgezegd, na de beëindiging van de eigen nationale procedures, door middel van een aan de depositaris te richten schriftelijke verklaring.

  • 2 Een opzegging wordt van kracht aan het einde van het jaar volgend op dat van de opzegging.

Artikel 12. Authentieke tekst en neerlegging

Het onderhavig Verdrag, opgesteld in de Nederlandse, de Franse en de Duitse taal, waarbij de drie teksten gelijkelijk authentiek zijn, zal worden neergelegd in de archieven van de depositaris die daarvan een gewaarmerkt afschrift zal doen toekomen aan elk der Verdragsluitende Partijen.

GEDAAN te Gent, op 3 december 2002.

Bijlage Internationaal stroomgebiedsdistrict Maas