Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag [...] in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, Brussel, 29-05-2000

Geldend van 23-08-2005 t/m heden

Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie

Authentiek : NL

Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen bij deze overeenkomst, lidstaten van de Europese Unie,

Onder verwijzing naar de akte van de Raad tot vaststelling van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie;

Wensend de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten van de Unie te verbeteren, onverminderd de regelingen ter bescherming van de individuele vrijheid;

Wijzend op het gemeenschappelijk belang van de lidstaten om ervoor te zorgen dat de wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten snel en doeltreffend plaatsvindt, op een wijze die verenigbaar is met de fundamentele beginselen van hun nationale recht en in overeenstemming is met de individuele rechten en de beginselen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950;

Uitdrukking gevend aan hun vertrouwen in de structuur en de werking van elkaars rechtsstelsels en in het vermogen van alle lidstaten om een eerlijke procesgang te waarborgen;

Vastbesloten het Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en andere geldende verdragen op dit gebied aan te vullen met een overeenkomst van de Europese Unie;

Erkennende dat de bepalingen van die verdragen van toepassing blijven op alle aspecten die niet onder deze overeenkomst vallen;

Overwegende dat de lidstaten belang hechten aan versterking van de justitiële samenwerking, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel;

Eraan herinnerend dat deze overeenkomst de wederzijdse rechtshulp in strafzaken regelt, op basis van de beginselen van het Verdrag van 20 april 1959;

Overwegende evenwel dat artikel 20 van deze overeenkomst betrekking heeft op specifieke gevallen van het aftappen van telecommunicatie, zonder dat dit gevolgen heeft voor andere soortgelijke gevallen die buiten de werkingssfeer van de overeenkomst vallen;

Overwegende dat de algemene beginselen van het internationaal recht van toepassing zijn op de gevallen die niet door deze overeenkomst worden bestreken;

Erkennende dat deze overeenkomst de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet laat en dat het in overeenstemming met artikel 33 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de lidstaten is, te bepalen op welke wijze zij de openbare orde zullen handhaven en de binnenlandse veiligheid zullen beschermen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Verhouding tot andere rechtshulpverdragen

  • 2 Deze overeenkomst laat onverlet de toepasselijkheid van verdergaande bepalingen van bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten, alsmede, overeenkomstig artikel 26, lid 4, van het Europees Rechtshulpverdrag, van regelingen inzake de wederzijdse rechtshulp in strafzaken op grond van een eenvormige wet of van een bijzonder stelsel dat in onderlinge toepassing van maatregelen van wederzijdse rechtshulp op elkaars grondgebied voorziet.

Artikel 2. Bepalingen betreffende het Schengenacquis

  • 1 De artikelen 3, 5, 6, 7, 12, 23 en, voorzover van belang voor artikel 12, de artikelen 15 en 16, alsmede, voorzover van belang voor de artikelen waarnaar wordt verwezen, artikel 1, zijn maatregelen tot wijziging of uitbreiding van de bepalingen genoemd in bijlage A van de tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten Overeenkomst inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis.1

  • 2 De bepalingen van de artikelen 49, onder a, 52, 53 en 73 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst worden hierbij ingetrokken.

Artikel 3. Procedures waarvoor eveneens wederzijdse rechtshulp wordt verleend

  • 1 Wederzijdse rechtshulp wordt eveneens verleend ten behoeve van procedures wegens feiten die volgens het nationale recht van de verzoekende of van de aangezochte lidstaat, of van beide, als vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde door bestuurlijke autoriteiten worden bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter.

  • 2 Wederzijdse rechtshulp wordt eveneens verleend ten behoeve van strafvervolging en procedures, bedoeld in lid 1, in verband met strafbare feiten waarvoor in de verzoekende lidstaat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld.

Artikel 4. Formaliteiten en procedures bij de uitvoering van rechtshulpverzoeken

  • 1 Bij het verlenen van wederzijdse rechtshulp neemt de aangezochte lidstaat de door de verzoekende lidstaat uitdrukkelijk aangegeven formaliteiten en procedures in acht, tenzij deze overeenkomst anders bepaalt en voorzover de aangegeven formaliteiten en procedures niet strijdig zijn met de fundamentele beginselen van het recht van de aangezochte lidstaat.

  • 2 De aangezochte lidstaat voldoet zo spoedig mogelijk aan het verzoek om rechtshulp en houdt daarbij zoveel mogelijk rekening met de door de verzoekende lidstaat aangegeven procedurele en andere termijnen. De verzoekende lidstaat licht de redenen voor de gestelde termijn toe.

  • 3 Indien aan het verzoek niet of niet geheel volgens de eisen van de verzoekende lidstaat kan worden voldaan, stellen de autoriteiten van de aangezochte lidstaat de autoriteiten van de verzoekende lidstaat hiervan onverwijld in kennis, onder vermelding van de voorwaarden waaronder het verzoek zou kunnen worden ingewilligd. De autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte lidstaat kunnen vervolgens afspreken welk gevolg aan het verzoek zal worden gegeven en waar nodig, dat bij de uitvoering ervan aan de gestelde voorwaarden zal worden voldaan.

  • 4 Indien te verwachten valt dat niet binnen de door de verzoekende lidstaat gestelde termijn aan het verzoek kan worden voldaan en de in lid 2, tweede zin, bedoelde redenen concrete aanwijzingen bevatten dat elke vertraging de lopende procedures in de verzoekende lidstaat aanzienlijk zal schaden, berichten de autoriteiten van de aangezochte lidstaat onverwijld hoeveel tijd zij nodig achten voor de uitvoering van het verzoek. De autoriteiten van de verzoekende lidstaat geven onverwijld te kennen of het verzoek desalniettemin wordt gehandhaafd. De autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte lidstaat kunnen vervolgens afspreken welk gevolg aan het verzoek zal worden gegeven.

Artikel 5. Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken

  • 1 Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.

  • 2 Toezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan alleen plaatsvinden indien:

    • a. het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is, onbekend of twijfelachtig is,

    • b. het toepasselijke procesrecht van de verzoekende lidstaat een ander bewijs dan het via de postdiensten verkrijgbare bewijs van uitreiking van het stuk aan de geadresseerde verlangt,

    • c. het stuk niet per post kon worden bezorgd, of

    • d. de verzoekende lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat verzending over de post zonder resultaat zal blijven of niet toereikend zal zijn.

  • 3 Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit – althans de essentie ervan – te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk – althans de essentie ervan – te worden vertaald in die andere taal.

  • 4 Bij alle gerechtelijke stukken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de autoriteit waarvan het stuk uitgaat of bij andere autoriteiten in die lidstaat inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten met betrekking tot het stuk. Lid 3 is van toepassing op die mededeling.

Artikel 6. Toezending van verzoeken om rechtshulp

  • 1 Verzoeken om rechtshulp alsook de in artikel 7 bedoelde uitwisseling van gegevens op eigen initiatief worden schriftelijk gedaan, dan wel op zodanige wijze dat het verzoek schriftelijk kan worden vastgelegd en de ontvangende lidstaat de echtheid ervan kan vaststellen. Dergelijke verzoeken worden rechtstreeks gedaan tussen de rechterlijke autoriteiten die territoriaal bevoegd zijn voor de indiening en uitvoering ervan en op dezelfde wijze beantwoord, tenzij in dit artikel anders is bepaald.

    Elke aangifte van een lidstaat welke strekt tot het instellen van strafvervolging voor de rechter van een andere lidstaat, bedoeld in artikel 21 van het Europees Rechtshulpverdrag en artikel 42 van het Benelux-Verdrag, kan rechtstreeks door de bevoegde rechterlijke autoriteiten tot elkaar worden gericht.

  • 2 Onverminderd lid 1 kunnen verzoeken in bijzondere gevallen worden gezonden of teruggezonden:

    • a. tussen een centrale autoriteit van een lidstaat en een centrale autoriteit van een andere lidstaat, of

    • b. tussen een rechterlijke autoriteit van een lidstaat en een centrale autoriteit van een andere lidstaat.

  • 3 Onverminderd lid 1 kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland bij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren dat tot hen gerichte verzoeken en mededelingen, zoals in de verklaring gespecificeerd is, door tussenkomst van hun respectieve centrale autoriteiten moeten worden verzonden. Deze lidstaten kunnen te allen tijde door een nieuwe verklaring het toepassingsgebied van zo een verklaring beperken teneinde de toepassing van lid 1 te verruimen. Zij moeten zulks doen wanneer de bepalingen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Schengenuitvoeringsovereenkomst voor hen in werking treden.

    Elke lidstaat kan ten aanzien van bovenbedoelde verklaringen het wederkerigheidsbeginsel toepassen.

  • 4 Elk verzoek om rechtshulp kan in spoedeisende gevallen worden gedaan door tussenkomst van de Internationale Organisatie van Criminele Politie (Interpol) of enig orgaan dat bevoegd is krachtens bepalingen die op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgesteld.

  • 5 Verzoeken, bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14, kunnen, indien in de ene lidstaat een rechterlijke of centrale autoriteit en in de andere lidstaat een politie- of douaneautoriteit bevoegd is, rechtstreeks tussen deze autoriteiten worden gedaan en beantwoord. Lid 4 is van toepassing op dergelijke contacten.

  • 6 Verzoeken om wederzijdse rechtshulp ten behoeve van procedures, bedoeld in artikel 3, lid 1, kunnen, indien in de ene lidstaat een rechterlijke of centrale autoriteit en in de andere lidstaat een bestuurlijke autoriteit bevoegd is, rechtstreeks tussen deze autoriteiten worden gedaan en beantwoord.

  • 7 Elke lidstaat kan bij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren dat hij niet gebonden is door de eerste zin van lid 5 of door lid 6 van dit artikel dan wel door beide, of dat hij die bepalingen slechts zal toepassen onder bepaalde nader omschreven voorwaarden. Die verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken of gewijzigd.

Artikel 7. Uitwisseling van gegevens op eigen initiatief

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen binnen de grenzen van het nationale recht, zonder een daartoe strekkend verzoek, gegevens uitwisselen met betrekking tot strafbare feiten en vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde, bedoeld in artikel 3, lid 1, waarvan de bestraffing of behandeling op het tijdstip waarop de gegevens worden verstrekt tot de bevoegdheid behoort van de ontvangende autoriteit.

  • 2 De autoriteit die de gegevens verstrekt, kan overeenkomstig het nationale recht voorwaarden verbinden aan het gebruik van die gegevens door de ontvangende autoriteit.

  • 3 De ontvangende autoriteit is aan die voorwaarden gebonden.

TITEL II. VERZOEKEN OM SPECIFIEKE VORMEN VAN RECHTSHULP

Artikel 8. Teruggave

  • 1 De aangezochte lidstaat kan, op verzoek van de verzoekende lidstaat en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, de voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen, ter beschikking stellen van de verzoekende lidstaat met het oog op de teruggave ervan aan de rechtmatige eigenaar.

  • 3 In geval van afstand vóór de overgave van de voorwerpen aan de verzoekende lidstaat zal de aangezochte lidstaat geen zekerheidsrecht of enig ander verhaalsrecht krachtens de wettelijke bepalingen inzake belasting of douane doen gelden op die voorwerpen.

    Afstand, bedoeld in lid 2, laat het recht van de aangezochte lidstaat om belastingen of rechten van de rechtmatige eigenaar te eisen, onverlet.

Artikel 9. Tijdelijke overbrenging van gedetineerden ten behoeve van een onderzoek

  • 1 Wanneer de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten daarover overeenstemming hebben bereikt, kan een lidstaat die heeft verzocht om een onderzoek waarvoor de aanwezigheid van een op zijn grondgebied gedetineerde persoon is vereist, deze persoon tijdelijk overbrengen naar het grondgebied van de lidstaat waar het onderzoek moet plaatsvinden.

  • 2 De overeenstemming omvat de voorwaarden waaronder de betrokkene tijdelijk wordt overgebracht en de termijn waarbinnen hij naar het grondgebied van de verzoekende lidstaat moet worden teruggebracht.

  • 3 Indien voor de overbrenging de instemming van de betrokkene is vereist, dient aan de aangezochte lidstaat onverwijld een verklaring van die instemming of een afschrift daarvan te worden verstrekt.

  • 4 De hechtenis op het grondgebied van de aangezochte lidstaat komt in mindering van de duur van de vrijheidsbeneming die de betrokkene op het grondgebied van de verzoekende lidstaat moet of zal moeten ondergaan.

  • 6 Elke lidstaat kan bij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren dat alvorens overeenstemming in de zin van lid 1 wordt bereikt, de in lid 3 bedoelde instemming is vereist of onder bepaalde, in de verklaring genoemde voorwaarden is vereist.

Artikel 10. Verhoor per videoconferentie

  • 1 Indien een persoon die zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, door de rechterlijke autoriteiten van een andere lidstaat als getuige of deskundige dient te worden verhoord, kan laatstgenoemde lidstaat, indien het niet wenselijk of mogelijk is dat de te verhoren persoon in persoon op zijn grondgebied verschijnt, verzoeken dat het verhoor overeenkomstig de leden 2 tot en met 8 per videoconferentie plaatsvindt.

  • 2 De aangezochte lidstaat stemt in met het verhoor per videoconferentie voorzover een dergelijk verhoor niet strijdig is met fundamentele beginselen van zijn recht en hij over de technische middelen voor een verhoor per videoconferentie beschikt. Indien de aangezochte lidstaat niet over de technische middelen voor een videoconferentie beschikt, kunnen deze in onderlinge overeenstemming door de verzoekende lidstaat ter beschikking worden gesteld.

  • 4 De rechterlijke autoriteit van de aangezochte lidstaat dagvaardt de betrokkene volgens de wettelijke voorschriften van die lidstaat.

  • 5 Met betrekking tot een verhoor per videoconferentie gelden de volgende regels:

    • a. bij het verhoor is een rechterlijke autoriteit van de aangezochte lidstaat aanwezig, indien nodig bijgestaan door een tolk. Deze rechterlijke autoriteit draagt zorg voor de vaststelling van de identiteit van de te verhoren persoon en ziet er voorts op toe dat de fundamentele beginselen van het recht van de aangezochte lidstaat in acht worden genomen. Indien de rechterlijke autoriteit van de aangezochte lidstaat van oordeel is dat fundamentele beginselen van het recht van die lidstaat tijdens het verhoor worden geschonden, treft zij onverwijld de nodige maatregelen opdat het verhoor met inachtneming van die beginselen wordt voortgezet;

    • b. de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte lidstaat komen zonodig maatregelen overeen ter bescherming van de te verhoren persoon;

    • c. het verhoor wordt rechtstreeks door of onder leiding van de rechterlijke autoriteit van de verzoekende lidstaat afgenomen overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat;

    • d. op verzoek van de verzoekende lidstaat of de te verhoren persoon draagt de aangezochte lidstaat er zorg voor dat de persoon die verhoord wordt zonodig wordt bijgestaan door een tolk;

    • e. de te verhoren persoon kan een beroep doen op de verschoningsrechten die hij zou hebben krachtens de wetgeving van de aangezochte lidstaat of de verzoekende lidstaat.

  • 6 Onverminderd eventuele maatregelen die zijn overeengekomen ter bescherming van personen, stelt de rechterlijke autoriteit van de aangezochte lidstaat na afloop van het verhoor een procesverbaal van het verhoor op, waarin de datum en de plaats van het verhoor, de identiteit van de verhoorde persoon, de identiteit en de hoedanigheid van alle andere personen die in de aangezochte lidstaat aan het verhoor hebben deelgenomen, eventuele eedafleggingen alsmede de technische omstandigheden waaronder het verhoor heeft plaatsgevonden, worden aangegeven. Dit document wordt door de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat.

  • 7 De kosten van het tot stand brengen van de videoverbinding, de kosten van het functioneren van de verbinding in de aangezochte lidstaat, de beloning van de door die lidstaat ter beschikking gestelde tolken en de vergoeding aan de getuigen en deskundigen, met inbegrip van hun reiskosten in de aangezochte lidstaat, worden door de verzoekende lidstaat aan de aangezochte lidstaat terugbetaald, tenzij laatstbedoelde lidstaat afstand doet van de terugbetaling van deze kosten dan wel van een gedeelte daarvan.

  • 8 Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ten aanzien van getuigen en deskundigen die overeenkomstig dit artikel op zijn grondgebied worden verhoord en die weigeren te voldoen aan de verplichting een verklaring af te leggen of die niet naar waarheid antwoorden, zijn nationale wetgeving van toepassing is alsof het een verhoor in een nationale procedure betrof.

  • 9 De lidstaten kunnen naar eigen oordeel, waar nodig en met instemming van hun bevoegde rechterlijke autoriteiten, de bepalingen van dit artikel eveneens toepassen op verhoor per videoconferentie van een persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld. In dat geval zijn de beslissing om de videoconferentie te houden en de wijze van uitvoering ervan onderworpen aan een regeling tussen de betrokken lidstaten, in overeenstemming met hun nationale recht en de ter zake doende internationale instrumenten, met inbegrip van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950.

    Elke lidstaat kan, wanneer hij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving doet, verklaren dat hij de eerste alinea niet toepast. Die verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken.

    Voor een dergelijk verhoor is de instemming van deze persoon vereist. Voorschriften die nodig zouden kunnen zijn voor de bescherming van de rechten van verdachten, worden door de Raad door middel van een juridisch bindend instrument vastgesteld.

Artikel 11. Verhoor van getuigen en deskundigen per telefoonconferentie

  • 1 Indien een persoon die zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, door de rechterlijke autoriteiten van een andere lidstaat als getuige of deskundige dient te worden verhoord, kan laatstgenoemde lidstaat, indien zijn nationale wetgeving daarin voorziet, eerstgenoemde lidstaat om bijstand verzoeken teneinde het verhoor overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 per telefoonconferentie af te nemen.

  • 2 Een verhoor per telefoonconferentie kan alleen met instemming van de getuige of de deskundige plaatsvinden.

  • 3 De aangezochte lidstaat stemt in met een verhoor per telefoonconferentie indien deze procedure niet strijdig is met fundamentele beginselen van zijn recht.

  • 5 De praktische afspraken met betrekking tot het verhoor worden door de betrokken lidstaten overeengekomen. Bij dergelijke afspraken verbindt de aangezochte lidstaat zich ertoe:

    • a. de betrokken getuige of deskundige in kennis te stellen van plaats en tijdstip van het verhoor;

    • b. te zorgen voor de vaststelling van de identiteit van de getuige of deskundige;

    • c. vast te stellen dat de getuige of deskundige instemt met het verhoor per telefoonconferentie.

      De aangezochte lidstaat kan zijn instemming geheel of gedeeltelijk laten afhangen van de nakoming van het bepaalde in artikel 10, leden 5 en 8. Tenzij anders wordt overeengekomen, is artikel 10, lid 7, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12. Gecontroleerde aflevering

  • 1 Elke lidstaat verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat op verzoek van een andere lidstaat gecontroleerde aflevering in het kader van strafrechtelijke onderzoeken naar strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering, op zijn grondgebied kan worden toegestaan.

  • 2 De beslissing over een gecontroleerde aflevering wordt voor elk geval afzonderlijk genomen door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat, met inachtneming van het nationale recht van die lidstaat.

  • 3 Een gecontroleerde aflevering wordt uitgevoerd volgens de procedures van de aangezochte lidstaat. Het recht om te handelen en om het optreden te leiden en te controleren berust bij de bevoegde autoriteiten van die lidstaat.

Artikel 13. Gemeenschappelijke onderzoeksteams

  • 1 De bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten kunnen onderling overeenkomen een gemeenschappelijk onderzoeksteam in te stellen voor een bepaald doel en voor een beperkte periode, die in onderlinge overeenstemming kan worden verlengd, om strafrechtelijke onderzoeken uit te voeren in een of meer van de lidstaten die het team instellen. De samenstelling van het team wordt in de overeenkomst vermeld.

    Een gemeenschappelijk onderzoeksteam kan worden ingesteld in het bijzonder wanneer:

    • a. het onderzoek van een lidstaat naar strafbare feiten moeilijke en veeleisende opsporingen vergt die ook andere lidstaten betreffen;

    • b. verscheidene lidstaten onderzoeken uitvoeren naar strafbare feiten die wegens de omstandigheden van de zaak een gecoördineerd en gezamenlijk optreden in de betrokken lidstaten vergen.

    Een verzoek om instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam kan van elk van de betrokken lidstaten uitgaan. Het team wordt ingesteld in een van de lidstaten waar het onderzoek naar verwachting zal worden uitgevoerd.

  • 3 Een gemeenschappelijk onderzoeksteam is onder de volgende algemene voorwaarden actief op het grondgebied van de lidstaten die het team hebben ingesteld:

    • a. de leider van het team is een vertegenwoordiger van de aan strafrechtelijke onderzoeken deelnemende bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het team actief is. De leider van het team handelt binnen de grenzen van zijn bevoegdheid krachtens het nationale recht;

    • b. het team treedt op in overeenstemming met het recht van de lidstaat waarin het actief is. De leden van het team verrichten hun taken onder leiding van de onder a) bedoelde persoon, met inachtneming van de voorwaarden die door hun eigen autoriteiten zijn vastgelegd in de overeenkomst tot instelling van het team;

    • c. de lidstaat op het grondgebied waarvan het team optreedt, treft voor het functioneren van het team noodzakelijke organisatorische voorzieningen.

  • 4 In dit artikel worden de leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam die afkomstig zijn uit andere lidstaten dan de lidstaat waar het team optreedt, gedetacheerde leden van het team genoemd.

  • 5 De gedetacheerde leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam hebben het recht om aanwezig te zijn wanneer in de lidstaat waar wordt opgetreden, onderzoekshandelingen plaatsvinden. De leider van het team kan evenwel om bijzondere redenen en in overeenstemming met het recht van de lidstaat waar het team optreedt, anders besluiten.

  • 6 De gedetacheerde leden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam kunnen, in overeenstemming met het recht van de lidstaat waar het team optreedt, door de leider van het team worden belast met de uitvoering van bepaalde onderzoekshandelingen, voorzover de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar wordt opgetreden en van de detacherende lidstaat dit hebben goedgekeurd.

  • 7 Wanneer het gemeenschappelijk onderzoeksteam het noodzakelijk acht dat in een van de lidstaten die het team hebben ingesteld, onderzoekshandelingen plaatsvinden, kunnen de door die lidstaat bij het team gedetacheerde leden hun eigen bevoegde autoriteiten vragen die handelingen te verrichten. Die handelingen worden in die lidstaat in overweging genomen onder de voorwaarden die van toepassing zouden zijn indien zij in het kader van een nationaal onderzoek werden gevraagd.

  • 8 Wanneer het gemeenschappelijk onderzoeksteam rechtshulp nodig heeft van een andere lidstaat dan de lidstaten die het team hebben ingesteld, of van een derde staat, kan het verzoek om rechtshulp door de bevoegde autoriteiten van de staat waar het team optreedt worden gericht aan de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken staat, overeenkomstig de toepasselijke instrumenten of regelingen.

  • 9 Een lid van het gemeenschappelijk onderzoeksteam kan, in overeenstemming met zijn nationale recht en binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, het team gegevens verstrekken die beschikbaar zijn in de lidstaat die hem heeft gedetacheerd ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek dat door het team wordt uitgevoerd.

  • 10 Gegevens die een lid of een gedetacheerd lid rechtmatig verkrijgt terwijl hij deel uitmaakt van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en die niet op een andere wijze voor de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten beschikbaar zijn, kunnen voor de volgende doeleinden worden gebruikt:

    • a. voor het doel waarvoor het team is ingesteld;

    • b. behoudens voorafgaande toestemming van de lidstaat waar de informatie vandaan komt, voor het opsporen, onderzoeken en vervolgen van andere strafbare feiten. Die toestemming kan alleen worden geweigerd in gevallen waarin dergelijk gebruik strafrechtelijk onderzoek in de betrokken lidstaat in gevaar brengt of ten aanzien waarvan die lidstaat rechtshulp kan weigeren;

    • c. ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, onverminderd het bepaalde onder b. indien vervolgens een strafrechtelijk onderzoek wordt geopend;

    • d. voor andere doeleinden, voorzover dat tussen de lidstaten die het team hebben ingesteld is overeengekomen.

  • 11 De bepalingen van dit artikel laten andere bestaande bepalingen of regelingen inzake de instelling of het functioneren van gemeenschappelijke onderzoeksteams onverlet.

  • 12 Voorzover toegestaan krachtens het recht van de betrokken lidstaten of de bepalingen van een tussen hen geldend rechtsinstrument, kan worden overeengekomen dat andere personen dan vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die het gemeenschappelijk onderzoeksteam instellen, deelnemen aan de activiteiten van het team. Dat kunnen bijvoorbeeld ambtenaren van bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde instanties zijn. De rechten die uit hoofde van dit artikel aan de leden en de gedetacheerde leden van het team worden verleend, strekken zich niet uit tot die personen, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen.

Artikel 14. Infiltratie

  • 1 De verzoekende en de aangezochte lidstaat kunnen overeenkomen elkaar hulp te verlenen ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek dat wordt verricht door ambtenaren die onder een valse of fictieve identiteit optreden, hierna te noemen infiltratie.

  • 2 Over het verzoek wordt in elk geval afzonderlijk beslist door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat, met inachtneming van het nationale recht en de procedures van die lidstaat. De duur van de infiltratie, de nadere voorwaarden en de juridische status van de betrokken ambtenaren tijdens de infiltratie worden door de betrokken lidstaten overeengekomen, met inachtneming van hun nationale recht en procedures.

  • 3 Infiltratie vindt plaats in overeenstemming met het nationale recht en de procedures van de lidstaat op het grondgebied waarvan de infiltratie wordt uitgevoerd. De betrokken lidstaten werken samen bij de voorbereiding van en het toezicht op de infiltratie, alsook bij het treffen van regelingen met het oog op de veiligheid van de ambtenaren die onder een valse of fictieve identiteit optreden.

  • 4 Elke lidstaat kan bij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren niet gebonden te zijn door dit artikel. Die verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 15. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren

Tijdens een optreden, bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14, worden de ambtenaren uit een andere lidstaat dan de lidstaat waar het optreden plaatsvindt, met ambtenaren van die lidstaat gelijkgesteld, voor wat betreft de strafbare feiten die tegen of door hen mochten worden begaan.

Artikel 16. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren

  • 1 Wanneer ambtenaren van een lidstaat overeenkomstig de artikelen 12, 13 en 14 in een andere lidstaat optreden, is de eerstgenoemde lidstaat overeenkomstig het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij optreden aansprakelijk voor de schade die zij aldaar tijdens hun optreden veroorzaken.

  • 2 De lidstaat op het grondgebied waarvan de in lid 1 bedoelde schade wordt veroorzaakt, neemt op zich deze schade te vergoeden op de wijze waarop hij daartoe gehouden zou zijn, indien de schade door zijn eigen ambtenaren zou zijn toegebracht.

  • 3 De lidstaat wiens ambtenaren op het grondgebied van een andere lidstaat enige schade hebben veroorzaakt, betaalt deze laatste het volledige bedrag terug dat deze aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.

  • 4 Onder voorbehoud van de uitoefening van zijn rechten tegenover derden en met uitzondering van het bepaalde in lid 3 ziet elke lidstaat, in het geval bedoeld in lid 1, ervan af het bedrag van de door hem geleden schade op een andere lidstaat te verhalen.

TITEL III. HET AFTAPPEN VAN TELECOMMUNICATIE

Artikel 17. Autoriteiten die bevoegd zijn om opdracht te geven tot het aftappen van telecommunicatie

In de artikelen 18, 19 en 20 wordt onder „bevoegde autoriteit" verstaan een rechterlijke autoriteit of, indien rechterlijke autoriteiten geen bevoegdheid bezitten op het door die bepalingen bestreken gebied, een gelijkwaardige bevoegde autoriteit die overeenkomstig artikel 24, lid l, onder e), wordt aangewezen en handelt ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek.

Artikel 18. Verzoeken om het aftappen van telecommunicatie

  • 1 Ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek kan een bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat, in overeenstemming met de voorschriften van zijn nationale recht, een verzoek richten tot een bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat, voor:

    • a. het aftappen van telecommunicatie en het rechtstreeks doorgeleiden daarvan naar de verzoekende lidstaat; of

    • b. het aftappen en opnemen van telecommunicatie en het aansluitend doorgeleiden van die opname naar de verzoekende lidstaat.

  • 2 Verzoeken uit hoofde van lid 1 kunnen worden gedaan met betrekking tot het gebruik van telecommunicatiemiddelen door de af te tappen persoon, wanneer deze persoon zich bevindt in:

    • a. de verzoekende lidstaat, en de verzoekende lidstaat technische bijstand van de aangezochte lidstaat nodig heeft om de communicatie van de betrokkene af te tappen;

    • b. de aangezochte lidstaat, en de communicatie van de betrokkene in die lidstaat kan worden afgetapt;

    • c. een derde lidstaat, die overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder a, in kennis is gesteld, en de verzoekende lidstaat de technische bijstand van de aangezochte lidstaat nodig heeft om de communicatie van de betrokkene af te tappen.

  • 3 In afwijking van artikel 14 van het Europees Rechtshulpverdrag en artikel 37 van het Benelux-Verdrag dienen verzoeken uit hoofde van dit artikel vergezeld te gaan van:

    • a. de vermelding van de verzoekende autoriteit;

    • b. de bevestiging dat in verband met een strafrechtelijk onderzoek een rechtmatig aftapbevel is gegeven;

    • c. gegevens voor de vaststelling van de identiteit van de af te tappen persoon;

    • d. een aanduiding van de strafbare gedragingen waarnaar een onderzoek wordt ingesteld;

    • e. de gewenste duur van het aftappen; en

    • f. zo mogelijk, voldoende technische gegevens, in het bijzonder het aansluitingsnummer, opdat aan het verzoek kan worden voldaan.

  • 4 Verzoeken uit hoofde van lid 2, onder b), bevatten tevens een beknopt overzicht van de feiten. De aangezochte lidstaat kan alle nadere gegevens verlangen om te kunnen beoordelen of de gevraagde maatregel ook zou worden getroffen in een soortgelijke nationale zaak.

  • 5 De aangezochte lidstaat verbindt zich ertoe de in lid 1, onder a, bedoelde verzoeken in te willigen:

    • a. in het geval van een verzoek uit hoofde van lid 2, onder a en c, nadat de in lid 3 bedoelde gegevens zijn verstrekt. De aangezochte lidstaat kan zonder verdere formaliteiten opdracht geven tot het aftappen;

    • b. in het geval van een verzoek uit hoofde van lid 2, onder b, nadat de in de leden 3 en 4 bedoelde gegevens zijn verstrekt, indien de gevraagde maatregel zou worden getroffen in een soortgelijke nationale zaak. De aangezochte lidstaat kan aan zijn instemming de voorwaarden verbinden die in acht genomen zouden moeten worden in een soortgelijke nationale zaak.

  • 6 Indien rechtstreekse doorgeleiding niet mogelijk is, verbindt de aangezochte lidstaat zich ertoe verzoeken uit hoofde van lid 1, onder b), in te willigen nadat de in de leden 3 en 4 bedoelde gegevens zijn verstrekt, indien de gevraagde maatregel zou worden genomen in een soortgelijke nationale zaak. De aangezochte lidstaat kan aan zijn instemming de voorwaarden verbinden die in acht genomen zouden moeten worden in een soortgelijke nationale zaak.

  • 7 Elke lidstaat kan bij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren alleen door lid 6 gebonden te zijn wanneer hij niet voor rechtstreekse doorgeleiding kan zorgen. In dat geval kunnen de andere lidstaten het wederkerigheidsbeginsel toepassen.

  • 8 Wanneer een verzoek uit hoofde van lid 1, onder b, wordt gedaan, kan de verzoekende lidstaat, wanneer hij daarvoor bijzondere redenen heeft, ook verlangen dat een schriftelijke weergave van de opname wordt toegezonden. De aangezochte lidstaat behandelt zulke verzoeken overeenkomstig zijn nationale recht en procedures.

  • 9 De lidstaat die de uit hoofde van de leden 3 en 4 verstrekte gegevens ontvangt, dient deze met inachtneming van zijn nationale recht als vertrouwelijk te behandelen.

Artikel 19. Het aftappen van telecommunicatie op eigen grondgebied door tussenkomst van dienstenverstrekkers

  • 1 De lidstaten dragen er zorg voor dat de via een toegangspoort op hun grondgebied geëxploiteerde telecommunicatienetwerken, die op het grondgebied van een andere lidstaat niet rechtstreeks toegankelijk zijn voor het rechtmatig aftappen van communicatie van een persoon die zich in die andere lidstaat bevindt, rechtstreeks toegankelijk kunnen worden gemaakt voor het rechtmatig aftappen door die lidstaat door de tussenkomst van een daartoe aangewezen dienstenverstrekker op zijn grondgebied.

  • 2 In het in lid 1 bedoelde geval is het de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toegestaan, ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek, in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht en voorzover de af te tappen persoon zich in die lidstaat bevindt, af te tappen door de tussenkomst van een daartoe aangewezen dienstenverstrekker op het grondgebied van die lidstaat, zonder de lidstaat op het grondgebied waarvan de toegangspoort zich bevindt, daarin te betrekken.

  • 3 Lid 2 is eveneens van toepassing wanneer wordt afgetapt ingevolge een verzoek overeenkomstig artikel 18, lid 2, onder b.

  • 4 Het bepaalde in dit artikel belet de lidstaten niet een verzoek om het rechtmatig aftappen van telecommunicatie overeenkomstig artikel 18 te richten tot de lidstaat op het grondgebied waarvan de toegangspoort zich bevindt, in het bijzonder wanneer er in de verzoekende lidstaat geen dienstenverstrekker is.

Artikel 20. Het aftappen van telecommunicatie zonder technische bijstand van een andere lidstaat

  • 1 Onverminderd de algemene beginselen van het internationale recht en de bepalingen van artikel 18, lid 2, onder c, zijn de verplichtingen krachtens dit artikel van toepassing op aftapbevelen die door de bevoegde autoriteit van een lidstaat zijn gegeven of toegestaan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat de kenmerken vertoont van een onderzoek naar aanleiding van een specifiek strafbaar feit, met inbegrip van pogingen daartoe voorzover deze krachtens de nationale wetgeving strafbaar zijn gesteld, teneinde de verantwoordelijken te identificeren en aan te houden, in beschuldiging te stellen, te vervolgen of te berechten.

  • 2 Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat, hierna te noemen de aftappende lidstaat, ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek het aftappen van telecommunicatie heeft bevolen, en het telecommunicatieadres van de in het aftapbevel genoemde persoon in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat, hierna te noemen de in kennis gestelde lidstaat, waarvan geen technische bijstand voor het aftappen nodig is, brengt de aftappende lidstaat de in kennis gestelde lidstaat op de hoogte van het aftappen:

    • a. vóór het aftappen, indien hem reeds bij het geven van het aftapbevel bekend is dat de persoon zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt;

    • b. in andere gevallen, onmiddellijk nadat hem bekend wordt dat de persoon zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt.

  • 3 De door de aftappende lidstaat te verstrekken gegevens omvatten:

    • a. de vermelding van de autoriteit die het aftapbevel geeft;

    • b. de bevestiging dat in verband met een strafrechtelijk onderzoek een rechtmatig aftapbevel is gegeven;

    • c. gegevens voor de vaststelling van de identiteit van de af te tappen persoon;

    • d. een aanduiding van de strafbare gedragingen waarnaar een onderzoek wordt ingesteld; en

    • e. de verwachte duur van het aftappen.

  • 4 Het onderstaande is van toepassing wanneer een lidstaat overeenkomstig de leden 2 en 3 in kennis wordt gesteld:

    • a. Nadat de bevoegde autoriteit van de in kennis gestelde lidstaat de in lid 3 bedoelde gegevens heeft ontvangen, antwoordt zij onverwijld en uiterlijk binnen 96 uur aan de aftappende lidstaat, teneinde:

      • i. het aftappen of het voortzetten daarvan toe te staan. De in kennis gestelde lidstaat kan aan zijn instemming voorwaarden verbinden die in acht zouden moeten worden genomen in een soortgelijke nationale zaak;

      • ii. te eisen dat het aftappen niet plaatsvindt of wordt beëindigd, in gevallen waarin het aftappen niet toelaatbaar zou zijn krachtens het nationale recht van de in kennis gestelde lidstaat of om de in artikel 2 van het Europees Rechtshulpverdrag genoemde redenen. Indien de in kennis gestelde lidstaat dit eist, moet hij zijn beslissing schriftelijk met redenen omkleden;

      • iii. in de gevallen, bedoeld in punt ii), te eisen dat gegevens die reeds werden afgetapt terwijl de persoon zich op zijn grondgebied bevond, niet worden gebruikt of uitsluitend worden gebruikt onder nader aan te geven voorwaarden. De in kennis gestelde lidstaat deelt de aftappende lidstaat de redenen mee die bedoelde voorwaarden rechtvaardigen;

      • iv. om een korte, met de aftappende lidstaat overeen te komen verlenging, met een periode van maximaal 8 dagen, van de oorspronkelijke termijn van 96 uur te verzoeken, teneinde interne procedures uit hoofde van zijn nationale recht te kunnen volgen. De in kennis gestelde lidstaat deelt de aftappende lidstaat schriftelijk de omstandigheden mee die ingevolge zijn nationale recht het verlangde uitstel rechtvaardigen.

    • b. Totdat door de in kennis gestelde lidstaat een besluit is genomen overeenkomstig het bepaalde onder a, punten i of ii, kan de aftappende lidstaat:

      • i. het aftappen voortzetten; en

      • ii. de afgetapte gegevens niet gebruiken, tenzij:

        • tussen de betrokken lidstaten anders is overeengekomen; of

        • voor het treffen van spoedeisende maatregelen ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid. De in kennis gestelde lidstaat wordt ingelicht over een dergelijk gebruik en over de redenen die het rechtvaardigen.

    • c. De in kennis gestelde lidstaat kan een beknopt overzicht van de feiten van de zaak verlangen alsmede alle nadere inlichtingen die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het aftappen zou worden toegestaan in een soortgelijke nationale zaak. Een dergelijk verzoek laat de toepassing van het bepaalde onder b onverlet, tenzij anders is overeengekomen tussen de in kennis gestelde en de aftappende lidstaat.

    • d. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat binnen de termijn van 96 uur kan worden geantwoord. Hiertoe wijzen zij contactpunten aan, die 24 uur per dag beschikbaar zijn, en die zij vermelden in hun verklaringen krachtens artikel 24, lid 1, onder e.

  • 5 De in kennis gestelde lidstaat dient de uit hoofde van lid 3 verstrekte gegevens met inachtneming van zijn nationale recht als vertrouwelijk te behandelen.

  • 6 Indien de aftappende lidstaat van oordeel is dat de op grond van lid 3 te verstrekken gegevens bijzonder gevoelig van aard zijn, kunnen deze via een specifieke autoriteit naar de bevoegde autoriteit worden doorgezonden, indien de betrokken lidstaten zulks onderling zijn overeengekomen.

  • 7 Elke lidstaat kan bij de in artikel 27 lid 2, bedoelde kennisgeving of op enig ander later tijdstip verklaren dat het niet noodzakelijk is hem de gegevens over het aftappen, bedoeld in dit artikel, te verstrekken.

Artikel 21. Aansprakelijkheid voor de door aanbieders van telecommunicatienetwerken gemaakte kosten

De kosten die door aanbieders van telecommunicatienetwerken of dienstenverstrekkers worden gemaakt bij de uitvoering van verzoeken uit hoofde van artikel 18, komen ten laste van de verzoekende lidstaat.

Artikel 22. Bilaterale regelingen

Niets in deze titel belet de lidstaten bilaterale of multilaterale regelingen te treffen ter vergemakkelijking van het gebruik van de huidige en toekomstige technische mogelijkheden voor het rechtmatig aftappen van telecommunicatie.

TITEL IV

Artikel 23. Bescherming van persoonsgegevens

  • 1 Persoonsgegevens die uit hoofde van deze overeenkomst worden meegedeeld, kunnen worden gebruikt door de lidstaten waaraan zij zijn verstrekt:

    • a. ten behoeve van de procedures waarop deze overeenkomst van toepassing is;

    • b. voor andere gerechtelijke en administratieve procedures die rechtstreeks verband houden met de onder a) bedoelde procedures;

    • c. ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid;

    • d. voor enig ander doel, alleen na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat, tenzij de ontvangende lidstaat de toestemming van de betrokkene heeft verkregen.

  • 2 Dit artikel is ook van toepassing op persoonsgegevens die niet zijn meegedeeld, maar anderszins zijn verkregen met toepassing van deze overeenkomst.

  • 3 Gelet op de omstandigheden van het geval kan de verstrekkende lidstaat de lidstaat waaraan de persoonsgegevens zijn meegedeeld, verzoeken om informatie over het gebruik dat van die gegevens is gemaakt.

  • 4 Indien er voor het gebruik van persoonsgegevens voorwaarden zijn gesteld uit hoofde van artikel 7, lid 2, artikel 18, lid 5, onder b, artikel 18, lid 6, of artikel 20, lid 4, prevaleren die voorwaarden. Wanneer er geen voorwaarden van die aard zijn gesteld, is dit artikel van toepassing.

  • 5 Het bepaalde in artikel 13, lid 10, heeft voorrang boven dit artikel voor gegevens die uit hoofde van artikel 13 zijn verkregen.

  • 6 Dit artikel is niet van toepassing op persoonsgegevens die door een lidstaat met toepassing van deze overeenkomst zijn verkregen en uit die lidstaat afkomstig zijn.

  • 7 Luxemburg kan bij de ondertekening van de overeenkomst verklaren dat wanneer Luxemburg uit hoofde van deze overeenkomst persoonsgegevens aan een andere lidstaat verstrekt, het volgende van toepassing is:

    Luxemburg kan, onder voorbehoud van lid 1, onder c), gelet op de omstandigheden van het geval eisen dat, tenzij de ontvangende lidstaat de toestemming van betrokkene heeft verkregen, de persoonsgegevens alleen na voorafgaande toestemming van Luxemburg voor de in lid 1, onder a en b, genoemde doeleinden mogen worden gebruikt ten behoeve van procedures waarvoor Luxemburg de verstrekking of het gebruik van de persoonsgegevens had kunnen weigeren of beperken uit hoofde van deze overeenkomst of de in artikel 1 bedoelde instrumenten.

    Indien Luxemburg in een bepaald geval weigert in te stemmen met een verzoek van een lidstaat overeenkomstig lid 1 moet het zijn weigering schriftelijk met redenen omkleden.

TITEL V. SLOTBEPALINGEN

Artikel 24. Verklaringen

  • 1 Bij de in artikel 27, lid 2, bedoelde kennisgeving vermeldt elke lidstaat in een verklaring de autoriteiten die, naast de autoriteiten welke al worden aangegeven in het Europees Rechtshulpverdrag en het Benelux-Verdrag, bevoegd zijn voor de toepassing van deze overeenkomst en voor de toepassing tussen de lidstaten van de bepalingen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de in artikel 1, lid 1, genoemde instrumenten, waaronder:

    • a. eventueel de bevoegde bestuurlijke autoriteiten voor de toepassing van artikel 3, lid 1,

    • b. een of meer centrale autoriteiten voor de toepassing van artikel 6, alsmede de bevoegde autoriteiten voor de in artikel 6, lid 8, bedoelde verzoeken,

    • c. eventueel de bevoegde politie- of douaneautoriteiten voor de toepassing van artikel 6, lid 5,

    • d. eventueel de bevoegde bestuurlijke autoriteiten voor de toepassing van artikel 6, lid 6, en

    • e. de bevoegde autoriteit of autoriteiten voor de toepassing van de artikelen 18 en 19 en artikel 20, leden 1 tot en met 5.

  • 2 De overeenkomstig lid 1 afgelegde verklaringen kunnen te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden gewijzigd volgens dezelfde procedure.

Artikel 25. Voorbehouden

Andere voorbehouden dan die waarin deze overeenkomst uitdrukkelijk voorziet, zijn niet toegestaan.

Artikel 26. Territoriale toepassing

Deze overeenkomst wordt van toepassing op Gibraltar na de uitbreiding van het Europees Rechtshulpverdrag tot Gibraltar.

Wanneer het Verenigd Koninkrijk de overeenkomst wenst toe te passen op de Kanaaleilanden en het eiland Man na de uitbreiding van het Europees Rechtshulpverdrag tot die gebieden, stelt het de voorzitter van de Raad daarvan schriftelijk in kennis. De Raad neemt met eenparigheid van stemmen van zijn leden een besluit over dat verzoek.

Artikel 27. Inwerkingtreding

  • 1 Deze overeenkomst wordt de lidstaten ter aanneming overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen voorgelegd.

  • 2 De lidstaten stellen de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis van de voltooiing van de overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van deze overeenkomst vereiste procedures.

  • 3 Deze overeenkomst treedt, negentig dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving door de staat die lidstaat van de Europese Unie is ten tijde van de aanneming door de Raad van de akte tot vaststelling van deze overeenkomst en die als achtste daartoe overgaat, in werking voor de acht betrokken lidstaten.

  • 4 Kennisgeving door een lidstaat volgend op de ontvangst van de in lid 2 bedoelde achtste kennisgeving betekent dat de overeenkomst 90 dagen na eerstbedoelde kennisgeving in werking treedt tussen deze lidstaat en de lidstaten waarvoor de overeenkomst reeds in werking is getreden.

  • 5 Tot de inwerkingtreding van deze overeenkomst uit hoofde van lid 3 kan elke lidstaat bij de in lid 2 bedoelde kennisgeving of op enig ander later tijdstip verklaren dat hij de overeenkomst zal toepassen in zijn betrekkingen met de lidstaten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd. Die verklaringen worden van toepassing negentig dagen nadat ze zijn neergelegd.

  • 6 Deze overeenkomst is van toepassing op verzoeken om wederzijdse rechtshulp die zijn ingediend na de datum waarop de overeenkomst tussen de betrokken lidstaten in werking is getreden of uit hoofde van lid 5 wordt toegepast.

Artikel 28. Toetreding van nieuwe lidstaten

  • 1 Elke staat die lid wordt van de Europese Unie kan tot deze overeenkomst toetreden.

  • 2 De door de Raad van de Europese Unie vastgestelde tekst van deze overeenkomst in de taal van de toetredende staat is authentiek.

  • 3 De akten van toetreding worden neergelegd bij de depositaris.

  • 4 Deze overeenkomst treedt ten aanzien van elke toetredende staat in werking negentig dagen nadat diens akte van toetreding is neergelegd, of op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst indien deze bij het verstrijken van de genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking getreden is.

  • 5 Indien de overeenkomst nog niet in werking is getreden op het tijdstip waarop een toetredende staat zijn akte van toetreding neerlegt, is voor deze staat artikel 27, lid 5, van toepassing.

Artikel 29. Inwerkingtreding voor IJsland en Noorwegen

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 8 van de tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, hierna te noemen de associatieovereenkomst, de in artikel 2, lid 1, bedoelde bepalingen voor IJsland en Noorwegen in hun wederzijdse betrekkingen met iedere lidstaat waarvoor deze overeenkomst op grond van artikel 27, lid 3 of lid 4, reeds in werking is getreden, in werking negentig dagen na de ontvangst door de Raad en de Commissie van de in artikel 8, lid 2, van de associatieovereenkomst bedoelde mededeling nadat aan hun grondwettelijke verplichtingen is voldaan.

  • 2 Door de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor een lidstaat na de datum van inwerkingtreding van de in artikel 2, lid 1, bedoelde bepalingen voor IJsland en Noorwegen worden die bepalingen eveneens van toepassing in de wederzijdse betrekkingen tussen die lidstaat en IJsland en Noorwegen.

  • 3 De in artikel 2, lid 1, bedoelde bepalingen zijn in geen geval bindend voor IJsland en Noorwegen vóór de op grond van artikel 15, lid 4, van de associatieovereenkomst vast te stellen datum.

  • 4 Onverminderd de leden 1, 2 en 3 treden de in artikel 2, lid 1, bedoelde bepalingen voor IJsland en Noorwegen uiterlijk in werking op de dag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten aanzien van de vijftiende staat die, ten tijde van de aanneming door de Raad van de Akte tot vaststelling van deze overeenkomst, lid is van de Europese Unie.

Artikel 30. Depositaris

  • 1 De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie is depositaris van deze overeenkomst.

  • 2 De depositaris maakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de stand van de aannemingen en toetredingen, alsmede de verklaringen, voorbehouden en andere kennisgevingen met betrekking tot deze overeenkomst bekend.

GEDAAN te Brussel, de negenentwintigste mei tweeduizend, in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, dat wordt neergelegd in het archief van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie. De secretaris-generaal zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan elke lidstaat.

Verklaringen

Verklaring van de Raad over artikel 10, lid 9

„Indien de Raad overweegt een instrument als bedoeld in artikel 10, lid 9, vast te stellen, doet hij dit met inachtneming van de verplichtingen van de lidstaten krachtens het Europees Verdrag voor de rechten van de mens."

Verklaring van het Verenigd Koninkrijk over artikel 20

De volgende verklaring maakt een goedgekeurd, integrerend deel uit van de overeenkomst:

„In het Verenigd Koninkrijk is artikel 20 van toepassing op aftapbevelen die door de minister worden gegeven aan de politie of de douane wanneer, overeenkomstig het nationale recht inzake het aftappen van telecommunicatie, het officiële doel van het bevel het opsporen van ernstige strafbare feiten is. Het is tevens van toepassing op zodanige bevelen die worden gegeven aan de veiligheidsdienst wanneer deze, in overeenstemming met het nationale recht, optreedt ter ondersteuning van een onderzoek met de in artikel 20, lid 1, omschreven kenmerken."

  • ^ [1]

    PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.